Nierfunctie: benazepril 186 Deze Medisch Farmaceutische Beslisregel (MFB) is ontwikkeld door de KNMP en Health Base, in samenwerking met de Expertgroep MFB. Datum December 2013 Doel Het voorkomen van bijwerkingen bij patiënten met een verminderde nierfunctie en het voorkomen van een te grote achteruitgang van de nierfunctie.
Apotheker 1e lijn Verstrekking benazepril Clcr bekend? Clcr ouder dan 13 maanden? 30 ml/min? 10 ml/min? Patiënt heeft een creatinineklaring kleiner dan 10 ml/min. Bij verminderde nierfunctie kan cumulatie optreden van de actieve metaboliet benazeprilaat. Hierdoor is het risico op bijwerkingen verhoogd. Een algemeen advies wordt niet gegeven. Is ACE-remmer > 30 dagen in gebruik? nierfunctie te worden gecontroleerd. De meest recente Clcr-waarde is ouder dan 13 maanden. weken na start of aanpassing van de dosering van de ACE-remmer, na 3 en 6 maanden en daarna elk ar. nierfunctie te worden gecontroleerd. Patiënt is langer dan 30 dagen geleden met een ACE-remmer gestart. De creatinineklaring is niet bekend. weken na start of aanpassing van de dosering van de ACE-remmer, na 3 en 6 maanden en daarna elk ar. Geen signaal Patiënt heeft een creatinineklaring tussen de 10 en 30 ml/min. Bij verminderde nierfunctie kan cumulatie optreden van de actieve metaboliet benazeprilaat. Hierdoor is het risico op bijwerkingen verhoogd. Vanwege een mogelijk beschermend effect op de nierfunctie wordt benazepril door de specialist wel gedoseerd tot de hoogst mogelijk getolereerde dosering. Benazepril op initiatief van de HUISARTS Vervolgens doseren op geleide van effect. aanbevolen controlemomenten zijn binnen 2 weken na start of aanpassing van de dosering van benazepril, na 3 en 6 maanden en daarna elk ar. Benazepril op initiatief van de SPECIALIST Vervolgens doseren op geleide van klinisch effect tot de hoogst mogelijk getolereerde dosering. Controleer nierfunctie en kaliumspiegel voor start en binnen 2 weken na start of aanpassing van de dosering van benazepril, vervolgens na 3 en 6 maanden en daarna elk ar. Geen signaal
Voorschrijver 1e lijn Voorschrift benazepril Geen signaal Patiënt heeft een creatinineklaring kleiner dan 10 ml/min. Bij verminderde nierfunctie kan cumulatie optreden van de actieve metaboliet benazeprilaat. Hierdoor is het risico op bijwerkingen verhoogd. Een algemeen advies wordt niet gegeven. 1e voorschrift? Clcr bekend? Clcr ouder dan 13 maanden? 30 ml/min? 10 ml/min? nierfunctie te worden gecontroleerd. weken na start of aanpassing van de dosering van de ACE-remmer, na 3 en 6 maanden en daarna elk ar. nierfunctie te worden gecontroleerd. De meest recente Clcr-waarde is ouder dan 13 maanden. weken na start of aanpassing van de dosering van de ACE-remmer, na 3 en 6 maanden en daarna elk ar. Patiënt heeft een creatinineklaring tussen de 10 en 30 ml/min. Bij verminderde nierfunctie kan cumulatie optreden van de actieve metaboliet benazeprilaat. Hierdoor is het risico op bijwerkingen verhoogd. Vanwege een mogelijk beschermend effect op de nierfunctie wordt benazepril door de specialist wel gedoseerd tot de hoogst mogelijk getolereerde dosering. Benazepril op initiatief van de HUISARTS Vervolgens doseren op geleide van effect. aanbevolen controlemomenten zijn binnen 2 weken na start of aanpassing van de dosering van benazepril, na 3 en 6 maanden en daarna elk ar. Benazepril op initiatief van de SPECIALIST Vervolgens doseren op geleide van klinisch effect tot de hoogst mogelijk getolereerde dosering. Controleer nierfunctie en kaliumspiegel voor start en binnen 2 weken na start of aanpassing van de dosering van benazepril, vervolgens na 3 en 6 maanden en daarna elk ar.
Ziekenhuisapotheker en klinisch voorschrijver
Toelichting Uitgangspunt Contra-indicatie Verminderde nierfunctie in G-Standaard en Medicatiebewaking Health Base. Bij verminderde nierfunctie kan cumulatie van de ACE-remmer of de actieve metaboliet optreden. Hierdoor is het risico op bijwerkingen verhoogd. Na start van een ACE-remmer kan de serumcreatinineconcentratie stijgen als gevolg van afname van de intraglomerulaire filtratiedruk. Vanwege een mogelijk beschermend effect op de nierfunctie worden ACE-remmers wel gedoseerd tot de hoogst mogelijk getolereerde dosering. ACE-remmers verlagen de intraglomerulaire filtratiedruk en verminderen proteïnurie. Hierdoor hebben ze waarschijnlijk op de lange termijn een beschermend effect op de nierfunctie. Regelmatige controle van nierfunctie en kaliumspiegel is nodig. Toelichting stroomschema s Ad Is ACE-remmer > 30 dagen in gebruik? Besluit Expertgroep MFB 17-04-2012: bij creatinineklaring niet bekend en ACE-remmer < 30 dagen in gebruik, geen signaal. Eerder heeft een melding geen nut, omdat de voorschrijver de tijd moet krijgen om de nierfunctie te controleren. Ad 1e voorschrift? Besluit Expertgroep MFB 17-04-2012: controle van nierfunctie en kaliumspiegel conform NHG Standaard Cardiovasculair risicomanagement. Ad Polyfarmacie aanwezig? Besluit Expertgroep MFB 18-09-2012: aangenomen moet worden dat een patiënt van 70 ar en ouder met polyfarmacie een verminderde nierfunctie heeft totdat het tegendeel is bewezen. Polyfarmacie is een aanwijzing voor comorbiditeit; dit is een risicofactor voor verminderde nierfunctie. Literatuurreferenties Literatuur G-Standaard NHG-Standaard CVRM 2012. Samenvatting Adviezen opgesteld door de werkgroep Gesmiddelen bij verminderde nierfunctie van KNMP Gesmiddel Informatie Centrum Bij gebruik van een ACE-remmer (of ARB) en/of een diureticum dienen het serumcreatininegehalte, de (via de MDRD-formule) geschatte glomerulaire filtratiesnelheid (egfr) en het kaliumgehalte in het bloed steeds 10 tot 14 dagen na elke aanpassing van de dosering te worden gecontroleerd. Na het bereiken van de onderhoudsdosering van de ACE-remmer (of ARB) en/of het diureticum dienen deze nog een keer na 3 en 6 maanden te worden gecontroleerd en daarna elk ar. Enige daling van de nierfunctie (egfr) na de start met een ACEremmer (of ARB) en/of diureticum kan als normaal worden beschouwd. Voor het beleid bij daling van de nierfunctie gelden de volgende adviezen: - daling van de egfr tot 20%, met 30 ml/min als ondergrens, is nog acceptabel. Wel dient dan te worden afgezien van verdere dosisverhogingen. - bij een egfr tussen de 15 en 30 ml/min wordt dosishalvering van de ACE-remmer of ARB) of het diureticum geadviseerd. - bij een daling onder de 15 ml/min dient de ACE-remmer of het diureticum geheel te worden gestaakt. - bij een aanhoudende lage waarde van de egfr (< 30 ml/min) zijn metabole complicaties te verwachten en wordt consultatie
NIV/NfN-richtlijn Richtlijn voor de behandeling van patiënten met Chronische Nierschade (CNS) 2009. Multidisciplinaire Richtlijn Polyfarmacie bij ouderen 2012. van een internist aanbevolen. Na starten van een ACE-remmer kan meestal een lichte daling van de creatinineklaring dan wel stijging van het serumcreatinine worden waargenomen. Het berust op een fysiologische intrarenale hemodynamische aanpassing. De initiële daling van de nierfunctie gaat daarna gepaard met een minder snelle achteruitgang van de nierfunctie. Omdat bij chronische nierschade een verlies van renale autoregulatie optreedt, kan bloeddrukverlaging met elk antihypertensivum maar vooral met blokkers van het RAASsysteem gepaard gaan met achteruitgang van de GFR. Een sterke stijging van het serumcreatininegehalte wordt met name gezien bij patiënten met een significante dubbelzijdige nierarteriestenose. Daarom moet 3-5 dagen na starten van een ACE-remmer of ARB de nierfunctie en het serumkaliumgehalte worden gecontroleerd bij patiënten met atherosclerose, omdat vooral bij hen een verhoogd risico op verslechtering van de creatinineklaring bestaat. Het is bekend dat een stijging van het serumcreatinine < 20% het bestaan van een dubbelzijdige stenose vrijwel uitsluit. Daarentegen moet men bij patiënten, die bekend zijn met atherosclerotisch vaatlijden of zeer hoge bloeddrukken, denken aan het bestaan van een nierarteriestenose als na starten van een ACE-remmer of ARB het serumcreatininegehalte met meer dan 20% stijgt. Bij patiënten met chronische nierschade stadium 3-5 die niet bekend zijn met vaatlijden kan een stijging van 30% van het serumcreatininegehalte worden geaccepteerd. Polyfarmacie: 5 gesmiddelen op ATC-3-niveau die chronisch gebruikt worden door een patiënt. Gesmiddelen met een gelijke ATC-3-code (gelijke therapeutische subgroep) tellen als 1 gesmiddel. Dermatologische preparaten en gesmiddelen die niet chronisch gebruikt worden, worden niet meegeteld bij de bepaling van het aantal gesmiddelen bij polyfarmacie. Combinatiepreparaten van 2 gesmiddelen met verschillende ATC-3-codes tellen als 2 verschillende gesmiddelen. Chronisch gebruik: > 3 voorschriften in het afgelopen ar of een voorschrift met een gebruiksduur 90 dagen in een ar. Sommige informatiesystemen hanteren voor chronisch gebruik de definitie van een gebruiksduur van 180 dagen in een ar. Het hanteren van 90 gebruiksdagen verdient de voorkeur boven 90 DDD (daily defined dose), omdat zo ook chronisch gebruik van lagere doseringen dan de DDD wordt meegerekend. Hoewel bij het samenstellen en verwerken van gegevens de uiterste zorgvuldigheid is betracht, kunnen de KNMP en SHB geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele schade die zou kunnen voortvloeien uit gebruik van de MFB.