2 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken
|
|
|
- Martina van der Laan
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Ü Ø Ï Ø Ò ÔÔ Ò ÒÁÒ ÓÖÑ Ø ÀÓ Ö Ú ÖØ ÓÓÐ ÒØÛ ÖÔ Ò ÇÒ ÖÛ Ò Ö ÒØ й Ò ÒØ Ö ÐÖ Ò Ò È Ø Ö Ù Ò HZS-OE5-NW4 Eerste jaar Bachelor Nautische Wetenschappen Versie.4 4 maart 29
2 2 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie.4 4 maart 29
3 ÁÒ ÓÙ Ø Ð Inhoudstafel 3 Reële functies 9. Reële functies.2 Elementaire functies en hun grafische voorstelling Constante functies Machtsfuncties.2.3 Exponentiële functies.2.4 Logaritmische functies Goniometrische functies Cyclometrische functies 5.3 Constructies met reële functies 7.4 Getallenrijen 9 2 Limieten 2 2. Definities Rekentechnieken 24 Versie maart 29
4 4 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 3 Continuïteit Definities Eigenschappen van continue functies 28 4 Afgeleiden 3 4. Afgeleide van een reële functie 4.2 Meetkundige betekenis Afgeleiden van machtsfuncties 4.4 Rekenregels Afgeleiden van goniometrische functies 4.6 Afgeleiden van cyclometrische functies Afgeleiden van logaritmische en exponentiële functies Logaritmisch afleiden 4.9 Hogere afgeleiden Impliciet afleiden 4. De differentiaal van een functie Toepassingen van afgeleiden Variatie van een functie Verloop van een reële functie Minima en maxima van een functie Berekening van minima en maxima met de eerste afgeleide De studie van de tweede afgeleide (kromming) Berekenen van minima en maxima met de tweede afgeleide Vergelijking van de raaklijn en de normaal De afgeleide als snelheid 5.4 Gekoppelde snelheden Partiële afgeleiden Inleiding Partiële afgeleiden 6.3 Partiële afgeleiden van hogere orde Partiële en totale differentiaal 6.5 De kettingregel Versie.4 4 maart 29
5 Inhoudstafel 5 7 Belangrijke stellingen 69 8 De formule van Taylor-MacLaurin Inleiding De formule van Taylor-MacLaurin 8.3 Reeksontwikkelingen van Taylor-MacLaurin Complexe getallen 8 9. Definitie Rekenen met complexe getallen 9.3 Grafische voorstelling Goniometrische voorstelling 9.5 Exponentiële voorstelling Onbepaalde integratie 89. Inleiding 89.2 Basisintegralen.3 De substitutiemethode Partiële integratie.5 Integratie van rationale functies Graad van de teller groter dan of gelijk aan graad van de noemer Splitsing in partiële breuken Integratie van de partiële breuken.6 Integratie van goniometrische functies 4.7 Goniometrische substituties 7.8 Integratie van irrationale functies Bepaalde integratie 3. Definitie en basiseigenschappen 3.2 Oppervlakte van een vlakke figuur.3 Volume van een omwentelingslichaam Lengte van een kromme 23.5 Oppervlakte van een omwentelingslichaam.6 Zwaartepunt van een vlakke figuur Zwaartepunt van een omwentelingslichaam.8 Traagheidsmoment van een vlakke figuur Versie.4 4 maart 29
6 6 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken.9 Traagheidsmoment van een omwentelingslichaam 3 2 Meervoudige integralen Definitie Berekening van dubbelintegralen over een rechthoekig gebied 2.3 Dubbelintegraal over een willekeurig domein Drievoudige integraal 46 3 Numerieke integratie Inleiding 3.2 De regel van het centrale punt (midpoint regel) De trapeziumregel 3.4 De regel van Simpson Differentiaalvergelijkingen Inleiding Differentiaalvergelijkingen van eerste orde Vergelijkingen met gescheiden of scheidbare veranderlijken Homogene vergelijkingen Totale differentiaal Lineaire differentiaalvergelijkingen Differentiaalvergelijkingen van tweede orde Vergelijkingen van de vorm y = f(x) Vergelijkingen van de vorm y = f(x, y ) Lineaire vergelijkingen met constante coëfficiënten 68 5 Laplace-transformatie Definitie 5.2 Voorbeelden Laplace-getransformeerden en differentiaalvergelijkingen 79 6 Fourierreeksen 8 Versie.4 4 maart 29
7 Inhoudstafel 7 7 Beschrijvende statistiek Inleiding Terminologie Ruwe gegevens en meetschalen 7.4 Ordenen van de gegevens Frequentietabellen 7.6 Groeperen van gegevens Grafische voorstelling 7.8 Kengetallen : centrummaten en spreidingsmaten Boxplots en identificatie van outliers 7. Normale verdeling Bivariate statistiek of analyse 23 Versie.4 4 maart 29
8 8 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie.4 4 maart 29
9 ÀÓÓ ØÙ ½ Ê Đ Ð ÙÒØ. Reële functies Een reële functie f :Ê Ê:x f(x) (soms ook voorgesteld als y = f(x)) is een voorschrift dat met elk reëel getal x ten hoogste één (dus één of geen) reëel getal f(x) laat overeenkomen. Het getal f(x) (als dit getal bestaat) wordt het beeld van x onder de functie f genoemd. De verzameling van alle reële getallen x die een beeld hebben onder de functie f noemen we het domein van de functie f, en we duiden deze verzameling aan als dom(f). Voorbeeld. De functie y = x 2 beeldt een reëel getal x af op zijn kwadraat x 2. Het beeld van onder deze functie is, het beeld van 2 is 4. Het domein van deze functie is de verzameling van alle reële getallen, dom(f) =Ê. Voorbeeld 2. De functie y = x beeldt een getal x af op zijn (positieve) vierkantswortel. Het beeld van onder deze functie is, het beeld van 9 is 3. Het is duidelijk dat deze functie enkel een beeld geeft voor positieve reële getallen, en dat bijgevolg dom(f) =Ê+ = [, + [. Stel dat y = f(x) een reële functie is. Door voor elk punt x dom(f) het beeld f(x) onder de functie f te berekenen kunnen we de functie grafisch voorstellen als de verzameling van de punten (x, f(x)) in het vlak. De figuur die we zo bekomen noemen we de grafiek van de functie f. Versie oktober 24
10 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken y f(b) (b,f(b)) f(a) (a,f(a)) a b x Figuur. Grafiek van een functie y = f(x). 2. Elementaire functies en hun grafische voorstelling In deze paragraaf verzamelen we een aantal elementaire reële functies die een belangrijke rol zullen spelen in het vervolg van deze cursus. We stellen enkele van deze functies grafisch voor en bestuderen hun belangrijkste eigenschappen.. Constante functies Definitie. Stel dat c een willekeurig reëel getal is. De functie y = c, die elk reëel getal x afbeeldt op het getal c wordt een constante functie genoemd. Figuur 2. Grafiek van de constante functie y =. Versie.2 4 oktober 24
11 Hoofdstuk. Reële functies 2. Machtsfuncties Stel dat x een willekeurig reëel getal is en n een strikt positief natuurlijk getal. Dan definiëren we de n-de macht van x als het produkt van n gelijke factoren x, x n = x x... x (n factoren). De eerste macht van een getal x is dan duidelijk gelijk aan dit getal zelf, x = x. Het getal n wordt de exponent genoemd, het getal x is het grondtal. Voorbeeld 3. De tweede macht of het kwadraat van 5 wordt gegeven door 5 2 = 5 5 = 25. De vijfde macht van 2 is 2 5 = = 32. Deze definitie van machtsverheffing kan eenvoudig worden uitgebreid tot gevallen waarin de exponent geen strikt positief getal is maar een willekeurig reëel getal a. Indien a = stellen we dat x = voor alle x Ê. Voor elk positief rationaal getal a = p q, met p en q natuurlijke getallen, stellen we verder dat indien deze definitie zin heeft. Voorbeeld 4. De definitie levert ons dat x a = x p q = q x p, 8 3 = 3 8 = 2, = 43 = 8, ( 8) 5 3 = 3 ( 8) 5 = 32. Anderzijds is ( 4) 2 niet gedefinieerd omdat we hiervoor 4 moeten kunnen berekenen. Om de machtsverheffing met negatieve exponenten te definiëren spreekt men af dat opnieuw indien deze definitie zin heeft. Voorbeeld 5. We stellen dat x a = x a, 2 2 = 2 = 2 4, ( 8) 2 3 = = ( 8) Anderzijds zijn 2 en ( 4) 2 niet gedefinieerd. Het is eenvoudig in te zien dat voor alle getallen x, a, b, waarvoor de beschouwde machtsverheffingen bestaan, geldt dat x a x b = x a+b, (x a ) b = (x b ) a = x ab. We kunnen nu met behulp van de machtsverheffing een aantal nieuwe klassen van elementaire reële functies invoeren: de machtsfuncties, exponentiële functies en logaritmische functies. Definitie 2. Stel dat a een willekeurig reëel getal is. De reële functie y = x a wordt een machtsfunctie genoemd. Indien we n = stellen bekomen we de identieke functie y = x. Versie.2 4 oktober 24
12 2 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 4 3 y x Figuur 3. Grafiek van de identieke functie y = x en de kwadratische functie y = x 2. 2 y y x 2 2 x Figuur 4. Grafiek van de functies y = x = x 2 en y = x = x. 3. Exponentiële functies Definitie 3. Stel dat a een strikt positief reëel getal is verschillend van. De functie y = a x wordt dan de exponentiële functie met grondtal a genoemd. Exponentiële functies komen veelvuldig naar voor bij de studie van verschijnselen waarbij een gegeven grootheid in een vast tijdsinterval met een bepaalde factor toeneemt of afneemt, zoals berekening van kapitaalaangroei met samengestelde intresten en groei van populaties van bacteriën. Voorbeeld 6. Stel dat we een beginkapitaal K investeren met een intrestvoet p. Na een jaar krijgen we dan een intrest K p die we bij ons oorspronkelijk kapitaal beleggen. We hebben dan een kapitaal K + K p = K ( +p). Na een volgend jaar wordt ons kapitaal dan Versie.2 4 oktober 24
13 Hoofdstuk. Reële functies 3 5 y 2 2 x Figuur 5. Grafieken van de exponentiële functies y = 2 x en y = 2 x = ( 2) x. K ( + p) + K ( + p)p = K ( + p) 2. We kunnen deze constructie voortzetten en we vinden dat het kapitaal in functie van de tijd gegeven wordt door K(n) = K ( + p) n. 4. Logaritmische functies Stel opnieuw dat a een strikt positief reëel getal is verschillend van. Het a-logaritme van het getal b, log a b, wordt gedefinieerd als het getal c waarvoor a c = b, indien dit getal bestaat. Het is dan ook duidelijk dat a log a b = b = log a a b. Voorbeeld 7. We zien dadelijk dat log = 3, log 2 32 = 5, log 3 8 = 4. Anderzijds zijn log 2 ( 4) en log niet gedefinieerd. In Hoofdstuk 2 zullen we een bijzonder (irrationaal) reëel getal invoeren dat we aanduiden met e Dit getal zal een belangrijke rol spelen in de studie van differentiaal- en integraalrekening. Het logaritme met dit irrationaal getal e als grondtal wordt het natuurlijke of neperiaanse logaritme genoemd en aangeduid met het speciale symbool ln, log e x = lnx. Stelling. Stel dat a een strikt positief reëel getal is, verschillend van, en x en y twee willekeurige reële getallen. Als alle betrokken uitdrukkingen bestaan, dan geldt log a xy = log a x + log a y, log a x y = log a x log a y, log a x y = y log a x. Versie.2 4 oktober 24
14 4 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Bewijs. We weten dat a log a xy = xy = a log a x a log a y = a log a x+log a y, en bijgevolg is Op dezelfde manier is log a xy = log a x + log a y. a log a x y = x y = alog a x a log a y = a log a x log a y, en bijgevolg is ook Tenslotte zien we op dezelfde wijze dat log a x y = log a x log a y. a log a xy = x y = ( a log a x) y = a y log a x, en dus is log a x y = y log a x. Stelling 2. Stel dat a en b twee strikt positieve reële getallen zijn, verschillend van. Dan is log a b = log b a. Bewijs. We weten uit wat voorafgaat dat a log a b = b. Als we van beide leden van deze gelijkheid het b-logaritme berekenen vinden we dat log b a log a b =. Uit Stelling volgt dan dat en dus geldt log a b log b a =, log a b = log b a. Versie.2 4 oktober 24
15 Hoofdstuk. Reële functies 5 2 y x 2 Figuur 6. Grafiek van de logaritmische functie y = log 2 (x). Definitie 4. Stel dat a een strikt positief reëel getal is, verschillend van. De functie y = log a (x) wordt de logaritmische functie met grondtal a genoemd. 5. Goniometrische functies Definitie 5. De functies y = sin(x), y = cos(x), y = tg(x) = sin(x) cos(x), y = cotg(x) = tg(x), worden de (elementaire) goniometrische functies genoemd. y y x x Figuur 7. Grafiek van de functies y = sin(x) en y = cos(x). Versie.2 4 oktober 24
16 6 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken y y 5 x 5 5 x 5 Figuur 8. Grafiek van de functies y = tg(x) en y = cotg(x). 6. Cyclometrische functies De boogsinus arcsin(a) van een getal a wordt gegeven door de hoek α waarvoor sin(α) = a. Het is duidelijk (zie bijvoorbeeld Figuur 9) dat de boogsinus enkel gedefinieerd is voor getallen uit het interval [, ]. Bovendien is de hoek α niet uniek bepaald. We weten immers dat sin(α) = sin(π α) = sin(α + 2πn) = sin(π α + 2πn), voor een willekeurig geheel getal n, waardoor we een oneindig aantal hoeken vinden waarvoor de sinus gelijk is aan een gegeven getal a [, ]. Indien men echter steeds de hoek α kiest die in het interval [ π 2, π 2 ] ligt, is de boogsinus van het getal a wel uniek bepaald. Voorbeeld 8. De bovenstaande definitie levert ons dat arcsin( 2 ) = π 6, arcsin( 3 2 ) = π 3, arcsin( ) = π 2. a arcsin(a) arccos(a) a Figuur 9. De constructie van arcsin(a)en arccos(a). Versie.2 4 oktober 24
17 Hoofdstuk. Reële functies 7 Op dezelfde wijze kan men de boogcosinus arccos(a) van een getal a definiëren, waarbij we nu de mogelijke waarden voor de hoek α beperken tot het interval [, π]. Voor de definitie van de boogtangens arctg(x) van een getal beperken we ons op dezelfde wijze tot het interval ] π 2, π [, terwijl we ons voor de boogcotangens arccotg(a) beperken tot het interval ], π[. Het 2 dient wel opgemerkt dat de boogtangens en boogcotangens gedefinieerd zijn voor elk reëel getal a Ê. Voorbeeld 9. arccos( 2 ) = π 3, arccos( 2 ) = 2π 3, arctg() = π 4, arccotg( ) = 3π 4. a a arctg(a) arccotg(a) Figuur. De constructie van arctg(a) en arccotg(a). Definitie 6. De functies y = arcsin(x), y = arccos(x), y = arctg(x), y = arccotg(x), worden de (elementaire) cyclometrische functies genoemd. 3. Constructies met reële functies Stel dat we twee reële functies f :Ê Ê:x f(x) en g :Ê Ê:x g(x) gegeven krijgen. Dan kunnen we een nieuwe functie f + g :Ê Êdefiniëren die een reëel getal x afbeeldt op de som van f(x) en g(x) (als beide beelden bestaan). We noemen deze functie de som van de functies f en g. Op dezelfde manier definiëren we het verschil f g, het produkt f g en het quotiënt f g van twee functies f en g, en de n-de macht fn en de n-de n machtswortel f van een reële functie f. De functie g f :Ê Ê:x (g f)(x) = g(f(x)) wordt de samenstelling ( g na f ) van de functies f en g genoemd. Versie.2 4 oktober 24
18 8 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 2 y x y x Figuur. Grafiek van de cyclometrische functies y = arcsin(x) en y = arccos(x)..5 y x y x 4 Figuur 2. Grafiek van de cyclometrische functies y = arctg(x) en y = arccotg(x). y=(f+g)(x) y=f(x) y=g(x) Figuur 3. De som f + g van twee functies f en g. Versie.2 4 oktober 24
19 Hoofdstuk. Reële functies 9 Het is duidelijk dat we een groot aantal nieuwe functies kunnen construeren met behulp van de elementaire functies en deze eenvoudige constructies. Voorbeeld. Stel f(x) = x 2 en g(x) = sin(x), dan is (f + g)(x) = x 2 + sin(x), (f g)(x) = x 2 sin(x), (f g)(x) = x 2 sin(x), f g (x) = x2 sin(x), (g f)(x) = g(x 2 ) = sin(x 2 ), (f g)(x) = f(sin(x)) = sin 2 (x). Anderzijds kunnen we deze techniek ook gebruiken om een ingewikkelde functie y = f(x) op te splitsen in een aantal componenten, waardoor we bepaalde berekeningen zeer sterk zullen kunnen vereenvoudigen. Voorbeeld. De functie f(x) = sin(3x 2 + ) is samenstelling van de functie y = sin(x) met de functie y = 3x 2 +, die op haar beurt de som is van de constante functie y = met de functie y = 3x 2. Deze laatste functie is een produkt van de constante functie y = 3 met de kwadratische functie y = x Getallenrijen Een getallenrij is een functie f :Æ Ê:n f(n) (soms aangegeven als x n = f(n)) van de natuurlijke getallen naar de reële getallen, dit wil zeggen een voorschrift dat met elk natuurlijk getal n hoogstens één reëel getal f(n) laat overeenkomen. Om praktische redenen zullen we steeds veronderstellen dat f slechts voor een eindig aantal natuurlijke getallen niet gedefinieerd is, en dat we dus voor alle voldoend grote waarden van n een beeld kunnen berekenen. We zullen een getallenrij x n = f(n) vaak voorstellen door middel van de rij beeldpunten x = f(), x = f(), x 2 = f(2),.... Voorbeeld 2. De getallenrij x n = n beeldt het natuurlijk getal n af op zijn omgekeerde. De opeenvolgende beeldpunten van deze getallenrij zijn x =, x 2 = 2, x 3 = 3,.... Versie.2 4 oktober 24
20 2 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken... /6/5/4 /3 /2 Figuur 4. Grafische voorstelling van de getallenrij x n = n. Voorbeeld 3. De opeenvolgende elementen uit de getallenrij x n = 2 n zijn,.9,.99,.999,.... Voorbeeld 4. De getallenrij x n = n 2 wordt gevormd door de punten,, 4, 9, 6, Figuur 5. Grafische voorstelling van de getallenrij x n = n 2. Voorbeeld 5. De getallenrij x n = ( ) n is van de vorm,,,,,,,,.... Het is duidelijk dat de opeenvolgende waarden uit de getallenrij x n = /n steeds dichter naderen tot het reëel getal (zonder dat ze ooit deze waarde bereiken). We kunnen dit preciezer formuleren als volgt : voor elke gewenste graad van precisie (een maximaal toegelaten afwijking ǫ van het getal, hoe klein ook gekozen) kunnen we een punt in de getallenrij vinden (een natuurlijk getal N) zodat alle elementen uit de getallenrij vanaf dit punt (dus alle x n met n N) minder van afwijken dan de voorgeschreven ǫ. Inderdaad, stel bijvoorbeeld ǫ =., dan weten we dat elke x n met n minder dan ǫ van zal afwijken. We zeggen dat de getallenrij x n = n nadert naar, of dat de limiet van de getallenrij is, en we noteren dit als n. In het algemeen zeggen we dat een getallenrij x n nadert naar een bepaald getal a, of dat a de limiet is van een getallenrij, indien we voor elke ǫ > een natuurlijk getal N kunnen vinden zó dat x n a < ǫ voor alle n N. In formules drukken we dit als volgt uit : x n a indien ǫ > N Æ: x n a < ǫ voor alle n N. De opeenvolgende waarden uit de getallenrij x n = n 2 worden steeds groter in de zin dat we, voor eender welk (willekeurig groot) getal M Êeen punt in de getallenrij (een natuurlijk getal N) kunnen vinden zodat alle elementen uit de getallenrij vanaf dit punt groter zijn dan M. Inderdaad, als we bijvoorbeeld M = stellen, weten we dat elke x n = n 2 met n > een waarde groter dan M heeft. In dit geval zeggen we dat de getallenrij naar oneindig nadert, of dat de limiet van de getallenrij oneindig is, en we noteren dit met x n +. In formules : x n + indien M Ê N Æ:x n > M voor alle n N. Op dezelfde manier zeggen we dat de getallenrij naar nadert, of als limiet heeft, indien M Ê N Æ:x n < M voor alle n N. Versie.2 4 oktober 24
21 ÀÓÓ ØÙ ¾ Ä Ñ Ø Ò. Definities Het is duidelijk dat het reëel getal x = niet behoort tot het domein van de reële functie f(x) = sin(x) x. Omdat elk ander reëel getal x echter wél tot het domein van deze functie behoort, kunnen we nagaan wat het gedrag is van deze functie in de buurt van het punt. We kiezen daartoe een willekeurige getallenrij x n die nadert naar (zonder ooit te bereiken), bijvoorbeeld x n =. Als we de functiewaarden f(x n n ) van de opeenvolgende waarden van deze getallenrij onder de functie f berekenen, vinden we volgende resultaten: n x n f(x n ) We kunnen besluiten dat de getallenrij bestaande uit de beeldpunten f(x n ) nadert naar het getal, f(x n ). Als we een willekeurige andere getallenrij x n kiezen, die opnieuw nadert Versie oktober 24
22 22 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken naar, vinden we hetzelfde resultaat voor de beeldrij f(x n ). Alhoewel de functiewaarde voor x = niet gedefinieerd is, kunnen we dus toch een besluit trekken over het gedrag van de functie in de onmiddellijke omgeving van : hoe dichter x naar nadert, hoe dichter f(x) naar zal naderen. We zeggen dat de limiet van f(x) = sin(x), voor x naderend tot, gelijk is aan, en we schrijven dit als sin(x) lim x x =. x.8.6 y x.2 Figuur 6. Grafiek van de functie f(x) = sin(x) x. Definitie. De limiet van een functie y = f(x), voor x naderend naar a Ê, is gelijk is aan b Ê, lim f(x) = b, x a indien voor elke getallenrij x n die nadert naar a (zonder a ooit te bereiken), de getallenrij van de beeldpunten f(x n ) nadert naar b. Beschouwen we vervolgens de functie f(x) = x 2. Opnieuw behoort het reëel getal niet tot het domein van deze functie, maar is de functie gedefinieerd voor elk ander reëel getal. Om het gedrag van deze functie te bestuderen in de buurt van het punt x =, kiezen we opnieuw een willekeurige getallenrij die nadert naar (zonder ooit te bereiken), zoals bijvoorbeeld x n = n. Het is dan makkelijk na te gaan dat voor elke dergelijke getallenrij x n de getallenrij der beeldpunten f(x n ) nadert naar +. We zeggen daarom dat lim x x 2 = +. Definitie 2. We zeggen dat de limiet van de reële functie y = f(x), voor x naderend naar a, oneindig is, lim f(x) = + ( resp. ), x a indien voor elke getallenrij x n die nadert naar a, de getallenrij van de beeldpunten f(x n ) nadert naar + (resp. ). Versie.2 4 oktober 24
23 Hoofdstuk 2. Limieten 23 Beschouwen we nu de functie f(x) = x. Om het gedrag van deze functie te bestuderen voor zeer grote waarden van x kunnen we een getallenrij x n kiezen die nadert naar +, zoals bijvoorbeeld x n = n. Als we de beeldpunten van de elementen van deze getallenrij onder de functie f berekenen, zien we dat deze rij van beeldpunten nadert naar. Als we een willekeurige andere getallenrij kiezen die opnieuw nadert naar +, zullen we steeds hetzelfde fenomeen waarnemen. We zeggen daarom dat de limiet van f(x) = x, voor x naderend naar +, gelijk is aan, en we schrijven dit als lim x + x =. Definitie 3. Indien voor elke getallenrij x n die nadert naar +, de getallenrij bestaande uit de beeldpunten f(x n ) nadert naar een zelfde getal b, zeggen we dat lim f(x) = b. x + Indien dit het geval is voor elke getallenrij die nadert naar zeggen we dat lim f(x) = b. x Opmerking. Met behulp van de bovenstaande definities kan men aantonen dat ( lim + x = lim x + x) ( + x) x = e x Beschouwen we tenslotte de functie f :Ê Ê:x { als x, als x >. Het is duidelijk dat de limiet van deze functie voor x naderend naar niet bestaat omdat niet elke getallenrij van beeldpunten nadert naar hetzelfde getal. Immers, als we de getallenrij x n = invullen zien we dat de getallenrij van de beeldpunten nadert naar, terwijl we voor n de getallenrij x n = n een getallenrij bekomen die nadert naar. We stellen wel vast dat elke getallenrij die nadert naar en daarbij telkens waarden groter dan aanneemt (d.w.z. als we langs rechts naderen) een beeldrij oplevert die naar hetzelfde getal nadert, terwijl elke getallenrij die langs links nadert, d.w.z. telkens waarden kleiner dan aanneemt, een beeldrij oplevert die naar nadert. Versie.2 4 oktober 24
24 24 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Definitie 4. We zeggen dat de linkerlimiet van de functie f(x), voor x naderend naar a, gelijk is aan b, lim x a f(x) = b, indien voor elke getallenrij x n die nadert naar a en daarbij telkens waarden aanneemt die kleiner zijn dan a, de getallenrij der beeldpunten f(x n ) nadert naar b. Indien dit het geval is voor elke getallenrij die nadert naar a en daarbij telkens waarden aanneemt die groter zijn dan a, zeggen we dat de rechterlimiet van de functie f(x), voor x naderend naar a, gelijk is aan b, lim x a + f(x) = b. We merken op dat de limiet van een functie f, voor x naderend naar a, bijgevolg bestaat wanneer zowel de linker- als de rechterlimiet bestaan, en wanneer deze beide limieten gelijk zijn. 2. Rekentechnieken In de vorige paragraaf hebben we gezien hoe we de limiet van een functie y = f(x) voor x naderend naar een getal a kunnen berekenen met behulp van getallenrijen. Omdat deze rekentechniek, in het algemeen, nogal omslachtig is voor het praktisch uitrekenen van limieten, zullen we nu een aantal rekentechnieken invoeren die het berekenen van deze limieten moeten vergemakkelijken. Beschouwen we eerst de constante functie f(x) = c. Dan is het duidelijk uit de hierboven ingevoerde definities dat lim c = c, voor een willekeurig reëel getal a, x a lim c = c. x ± Beschouwen we vervolgens de identieke functie f(x) = x en kiezen we opnieuw een willekeurig getal a Ê. Toepassen van de definities geeft dan onmiddellijk dat lim x = a, voor een willekeurig reëel getal a, x a lim x = +, x + lim x =. x In het vorige hoofdstuk hebben we gezien hoe we ingewikkelde functies kunnen opbouwen door een aantal constructies uit te voeren met eenvoudige functies. We zullen in wat volgt nagaan hoe we limieten van deze ingewikkelde functies kunnen bepalen door gebruik te maken van de limieten van de eenvoudige componenten. Stel daarom dat f en g twee functies zijn, dat a een reëel getal of ± is, en dat lim x a f(x) en lim x a g(x) beide bestaan, dit wil zeggen dat beide limieten reële getallen of ± zijn. Als we Versie.2 4 oktober 24
25 Hoofdstuk 2. Limieten 25 nu een nieuwe functie construeren, bijvoorbeeld de som van f en g, kunnen we ons afvragen wat de limiet zal zijn van deze functie f + g voor x naderend tot a. We zullen de oplossing van dit probleem, voor de verschillende constructies, formuleren met behulp van een aantal tabellen. In de eerste kolom zetten we hierbij de mogelijke waarden van lim x a f(x), terwijl we in de eerste rij de mogelijke resultaten voor lim x a g(x) plaatsen. Indien we de limiet van de geconstrueerde functie kunnen berekenen uit de limieten van f en g, zullen we dit resultaat aangeven in de overeenkomstige cellen van de tabel. In sommige gevallen bekomen we echter een zogenaamde onbepaaldheid, dit wil zeggen dat de limiet van de geconstrueerde functie niet kan berekend worden uit de limieten van f en g. We zullen deze onbepaaldheden in de tabellen aangeven met het symbool??. Verder in deze tekst zullen we een algemene techniek bestuderen (de Ê Ê regel van de l Hopital) voor het oplossen van onbepaaldheden bij het berekenen van limieten. f + g b + a a + b ??( )??( ) f g b ], [ b ], + [ + a ], [ ab ab +??( )??( ) a ], + [ ab ab + +??( ) + + +??( ) + f g b Ê ± a b ±?? a Ê ± ± ±?? De gevallen a en zijn in zekere zin óók onbepaaldheden. Men weet in deze gevallen dat de limiet ± moet zijn, maar het juiste teken kan enkel worden bepaald aan de hand van een tekenonderzoek van de onderzochte functie, en niet uitsluitend op basis van de limieten. In het geval b kunnen we het teken van de limiet wél bepalen aan de hand van de limieten van de teller en noemer, en deze gevallen vormen dus geen onbepaaldheden. Versie.2 4 oktober 24
26 26 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Om de limiet van een samengestelde functie g f te berekenen beschouwen we tenslotte twee functies f en g, en veronderstellen we dat lim x a f(x) = b. Dan is het eenvoudig in te zien dat lim(g f)(x) = lim g(x). x a x b In het bijzonder volgt hieruit dat lim x a tenminste indien deze uitdrukking zin heeft. n f(x) = n lim f(x), x a Praktisch betekenen deze resultaten dat we de meeste limieten kunnen berekenen door de limietwaarde in te vullen in de gegeven functie, waarbij we de tabellen als rekenregels beschouwen voor het werken met reële getallen en ±. We kunnen deze methode toepassen zolang er geen onbepaaldheden opduiken tijdens onze berekeningen. Voorbeeld. Beschouw de functie f(x) = x 2 + 5x+3. Gebruik makend van de rekenregels uit bovenstaande tabellen (en de limieten die we reeds hebben uitgerekend) vinden we dat lim f(x) = x = 7. Voorbeeld 2. Beschouwen we nu de functie f(x) = x 3 + 5x + 2. Het is dan duidelijk dat lim f(x) = + + (+ ) + 2 = +. x + Voorbeeld 3. Op dezelfde manier kunnen we berekenen dat 25 x2 = 25 6 = 3. lim x 4 Voorbeeld 4. Tenslotte zien we ook dat lim x 2 x + 2 x 2 = 4 =. Om het teken van de limiet te bepalen onderzoeken we vervolgens het teken van de beeldpunten onder de functie f van de punten in de omgeving van 2. We zien dat x 2 2 x x 2 + f(x) + + en we besluiten dat lim f(x) =, x 2 lim f(x) = +. x 2 + Voorbeeld 5. Anderzijds vinden we dat lim x + wat een onbepaaldheid oplevert. x x = = + +, Versie.2 4 oktober 24
27 ÀÓÓ ØÙ ÓÒØ ÒÙĐ Ø Ø. Definities Intuïtief zeggen we dat een functie continu is als de grafiek van deze functie een ononderbroken lijn vormt, dit wil zeggen dat deze grafiek geen gaten of sprongen vertoont. Dit intuïtieve beeld wordt duidelijk op de volgende tekeningen van functies die continu zijn en andere die niet continu zijn. f(a) a Figuur 7. De functie f is continu in a. Versie oktober 24
28 28 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken f(a) f(a) a a Figuur 8. Grafieken van functies die niet continu zijn. f(a) a a Figuur 9. Andere functies die niet continu zijn. Een grondige studie van de eigenschappen van de bovenstaande voorbeelden leidt ons tot de volgende definitie. Definitie. Een reële functie y = f(x) is continu in het punt a Êindien. a dom(f), dus f(a) bestaat (er is geen gat in de grafiek in het punt a); 2. lim x a f(x) bestaat (de functie maakt geen sprong in het punt a); 3. lim x a f(x) = f(a). De functie is discontinu in het punt a indien ze niet continu is in het punt a. We zeggen dat de functie linkscontinu is indien we de bovenstaande eigenschappen enkel hebben voor de linkerlimiet, en rechtscontinu indien deze eigenschappen gelden voor de rechterlimiet. We zeggen tenslotte dat f een continue functie is indien f continu is in elk punt a van het domein, behalve in de randpunten van dit domein, waar f links- of rechtscontinu moet zijn. 2. Eigenschappen van continue functies Het volgende resultaat is eenvoudig te bewijzen door gebruik te maken van eigenschappen van limieten en van de definitie van continuïteit. Stelling. Stel dat de functies f en g continu zijn in het punt a Ê. Dan zijn de functies f +g, f g en f g opnieuw continu in het punt a. Verder is de functie f g continu in a indien g(a). We eindigen dit hoofdstuk met het vermelden van een aantal zeer interessante eigenschappen van continue functies, waarvan het bewijs echter vrij moeilijk is en daarom wordt weggelaten. Versie.2 4 oktober 24
29 Hoofdstuk 3. Continuïteit 29 Stelling 2. (Middelwaardenstelling) Stel dat de functie f continu is op het interval [a, b]. Dan kunnen we voor elke waarde c ]f(a), f(b)[ een getal x ]a, b[ vinden waarvoor geldt dat f(x ) = c. In het bijzonder volgt hieruit dat, als f(a) en f(b) verschillen van teken, de functie f een nulpunt zal hebben in het interval ]a, b[. f(b) c f(a) a x b Figuur 2. Een illustratie van de middelwaardenstelling. Stelling 3. Een functie f die continu is op een interval [a, b] bereikt in dit interval een maximale en een minimale waarde. f(b) f(a) a b Figuur 2. Een continue functie bereikt een maximum en een minimum. Versie.2 4 oktober 24
30 3 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Het is belangrijk dat in deze stellingen geëist wordt dat f continu is op het interval [a, b]. Figuur 22 toont aan dat, indien f niet continu is, niet alle waarden tussen f(a) en f(b) bereikt worden, en dat een functie f die niet continu is geen minimum of maximum hoeft te bereiken. f(b) f(b) c f(a) f(a) a b a b Figuur 22. Functies zonder minimum of maximum. Versie.2 4 oktober 24
31 ÀÓÓ ØÙ Ð Ò. Afgeleide van een reële functie Definitie. Stel dat y = f(x) een reële functie is die continu is in het punt a dom(f). De afgeleide van de functie y = f(x) in het punt a wordt gegeven door f f(a + ) f(a) (a) = lim, indien deze limiet bestaat. Indien de linkerlimiet f(a + ) f(a) lim bestaat noemen we deze limiet de linkerafgeleide van f in het punt a, en indien de rechterlimiet bestaat spreken we van de rechterafgeleide van f in a. Voorbeeld. Beschouw de functie y = x 2 en het punt a =. Dan is het duidelijk dat en dus zien we dat f(a) =, f(a + ) = , f () = lim = lim 2 + = 2. Definitie 2. Indien we met elk punt a dom(f) de afgeleide van y = f(x) in het punt a associëren, bekomen we een nieuwe functie y = f (x) die we de afgeleide functie van f noemen. We zullen deze afgeleide functie meestal noteren met f, y of dy dx. Versie oktober 24
32 32 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld 2. Beschouw opnieuw de functie y = x 2. De afgeleide van deze functie in het punt x is dan gegeven door (x + ) 2 x 2 lim en dus is de afgeleide functie gegeven door y = 2x. = lim (2x + ) = 2x, Voorbeeld 3. Beschouw nu de functie y =. Dan zien we dat x f (x) = lim x+ x = lim x(x + ) = x Meetkundige betekenis In Figuur 23 is duidelijk te zien dat het quotiënt f(a + ) f(a) overeenkomt met de tangens tg(α) van de hoek α. Als we de toename kleiner maken, zien we dat de rechte door de twee punten (a, f(a)) en (a +, f(a + )) nadert naar de raaklijn aan de grafiek van f in het punt (a, f(a)). We kunnen besluiten dat de afgeleide van f in het punt a gelijk is aan de tangens van de hoek tussen de raaklijn en de x-as of, equivalent hiermee, aan de richtingscoëfficiënt van de raaklijn aan de grafiek van f in het punt (a, f(a)). f(x + ) f(x) α x x + Figuur 23. Meetkundige betekenis van de afgeleide. Versie.2 4 oktober 24
33 Hoofdstuk 4. Afgeleiden Afgeleiden van machtsfuncties In deze paragraaf berekenen we de afgeleiden van een aantal machtsfuncties. We beschouwen eerst de constante functie y = c. Het is dan duidelijk dat de afgeleide functie van deze functie gegeven wordt door f (x) = lim c c =. Voor de identieke functie y = x vinden we dat f (x) = lim x + x =. We hebben reeds eerder aangetoond dat de afgeleide functie van y = x 2 gegeven wordt door f (x) = 2x. Stelling. Voor elk natuurlijk getal n wordt de afgeleide functie van de machtsfunctie f(x) = x n gegeven door f (x) = nx n. Bewijs. De afgeleide van y = x n wordt gegeven door Het is eenvoudig in te zien dat en we vinden dus dat f (x + ) n x n (x) = lim. A n B n = (A B)(A n + A n 2 B AB n 2 + B n ), (x + ) n x n = ((x + ) n x n ). Invullen in de bovenstaande limiet levert ons dan dat f (x) = lim ((x + ) n x n ) = x n x n = nx n. We merken op dat deze formule voor de afgeleide van een machtsfunctie geldig blijft indien we machtsfuncties met een willekeurig reëel getal a als exponent beschouwen. (Voor a = stelden we reeds vast dat (x ) = x 2.) Versie.2 4 oktober 24
34 34 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 4. Rekenregels We hebben eerder gezien dat een groot aantal functies kunnen opgebouwd worden uit elementaire functies. We gaan nu na hoe we de afgeleiden van dergelijke samengestelde functies kunnen berekenen, uitgaande van de afgeleiden van hun componenten. Stelling 2. Stel dat de functies f en g afleidbaar zijn in het punt x, d.w.z. dat de afgeleide van beide functies bestaat in het punt x. Dan is (f + g) (x) = f (x) + g (x), (f g) (x) = f (x) g (x), (f g) (x) = f (x) g(x) + f(x) g (x), ( ) f (x) = g(x)f (x) f(x)g (x). g g 2 (x) Bewijs. Voor het berekenen van de afgeleide van een som merken we op dat (f + g) (f + g)(x + ) (f + g)(x) (x) = lim f(x + ) f(x) = lim + g(x + ) g(x) f(x + ) f(x) g(x + ) g(x) = lim + lim = f (x) + g (x). De afgeleide functie van een verschil van twee functies kan op dezelfde manier berekend worden. Vervolgens berekenen we de afgeleide van het produkt van twee functies. (f g) (f g)(x + ) (f g)(x) (x) = lim f(x + )g(x + ) f(x)g(x) = lim f(x + )g(x + ) f(x)g(x + ) + f(x)g(x + ) f(x)g(x) = lim f(x + ) f(x) g(x + ) g(x) = lim g(x + ) + f(x) f(x + ) f(x) = lim = f (x)g(x) + f(x)g (x). lim g(x + ) + lim g(x + ) g(x) lim f(x) Versie.2 4 oktober 24
35 Hoofdstuk 4. Afgeleiden 35 Om de afgeleide van een quotiënt van twee functies te berekenen gaan we als volgt te werk. ( ) f (x) = lim g f g (x + ) f g (x) = lim f(x + )g(x) f(x)g(x + ) g(x + )g(x) = lim f(x + )g(x) f(x)g(x) + f(x)g(x) f(x)g(x + ) g(x)g(x + ) = lim f(x + ) f(x) = lim f(x + ) f(x) lim g(x + ) g(x) = f (x)g(x) f(x)g (x). g 2 (x) g(x) g(x)g(x + ) g(x) lim g(x)g(x + ) lim g(x + ) g(x) f(x) g(x)g(x + ) f(x) g(x)g(x + ) Stelling 3. (De kettingregel) Stel dat de functie f afleidbaar is in x en dat g afleidbaar is in het punt f(x). Dan is (g f) (x) = g (f(x)) f (x). Bewijs. Omdat zien we onmiddellijk dat f f(x + ) f(x) (x) = lim, lim f f(x + ) f(x) (x) =, en bijgevolg is met lim α =, en dus f (x) = f(x + ) f(x) + α, f(x + ) = f(x) + (f (x) α). Op dezelfde manier vinden we dat g(f(x) + ) = g(f(x)) + (g (f(x)) β), Versie.2 4 oktober 24
36 36 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken waarbij lim β =. We zien nu onmiddellijk dat (g f)(x + ) (g f)(x) = g(f(x + )) g(f(x)) = g(f(x) + (f (x) α)) g(f(x)) = g(f(x)) + (f (x) α)(g (f(x)) β) g(f(x)) = (f (x) α)(g (f(x)) β), en bijgevolg is (g f) (x) = lim (g f)(x + ) (g f)(x) = lim (f (x) α)(g (f(x)) β) = g (f(x))f (x). Voorbeeld 4. De functie y = x 2 + 3x + is de samenstelling g f van de functies f(x) = x 2 + 3x + en g(x) = x = x 2. We weten dat g (x) = 2 x, f (x) = 2x + 3, en bijgevolg is (g f) (x) = 2x x 2 + 3x +. Als we de kettingregel toepassen op de samenstelling van machtsfuncties met een willekeurige functie f(x) zien we dadelijk dat (f n ) (x) = nf n (x)f (x). 5. Afgeleiden van goniometrische functies Stelling 4. gegeven De afgeleide functies van de elementaire goniometrische functies worden door f(x) = sin(x) f (x) = cos(x), f(x) = cos(x) f (x) = sin(x), f(x) = tg(x) f (x) = cos 2 (x), f(x) = cotg(x) f (x) = sin 2 (x). Versie.2 4 oktober 24
37 Hoofdstuk 4. Afgeleiden 37 Bewijs. Stel eerst dat f(x) = sin(x). Dan is het duidelijk dat f sin(x + ) sin(x) (x) = lim. We weten echter dat en we zien dus dat sin(p) sin(q) = 2 sin( p q 2 ) cos(p + q 2 ), f 2 sin( 2 (x) = lim ) cos(x + 2 ) sin( 2 = lim ) lim cos(x + 2 ) 2 = cos(x). De afgeleide functie van f(x) = cos(x) wordt op dezelfde wijze berekend, gebruik makend van de formule cos(p) cos(q) = 2 sin( p q 2 ) sin(p + q 2 ). We vinden dan dat f cos(x + ) cos(x) (x) = lim 2 sin( 2 = lim ) sin(x + 2 ) sin( 2 = lim ) lim sin(x + 2 ) = sin(x). Om de afgeleide functie van f(x) = tg(x) te berekenen, merken we op dat en dat bijgevolg (tg(x)) = 2 tg(x) = sin(x) cos(x), ( ) sin(x) = cos(x)(sin(x)) sin(x)(cos(x)) cos(x) cos 2 (x) = cos 2 (x). Omdat cotg(x) = tg(x) volgt uit de kettingregel dat (cotg(x)) = tg 2 (x) (tg(x)) = sin 2 (x). Versie.2 4 oktober 24
38 38 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 6. Afgeleiden van cyclometrische functies Stelling 5. De afgeleide functies van de cyclometrische functies worden gegeven door f(x) = arcsin(x) f (x) = x 2, f(x) = arccos(x) f (x) =, x 2 f(x) = arctg(x) f (x) = + x 2, f(x) = arccotg(x) f (x) = + x 2. Bewijs. Voor het berekenen van de afgeleide functie van f(x) = arcsin(x) merken we op dat sin(arcsin(x)) = x. Als we beide leden van deze gelijkheid afleiden naar x volgt uit de kettingregel onmiddellijk dat cos(arcsin(x))(arcsin(x)) =, en dus (arcsin(x)) = cos(arcsin(x)). De stelling van Pythagoras leert ons dat voor elke hoek α geldt dat en bijgevolg is sin 2 (α) + cos 2 (α) =, cos(α) = ± sin 2 (α). Omdat de boogsinus altijd gekozen wordt tussen π 2 en π 2 weten we dat de cosinus van een dergelijke hoek steeds positief is. Bijgevolg is cos(arcsin(x)) = sin 2 (arcsin(x)) = x 2, en dus (arcsin(x)) = x 2. Voor de afgeleide functie van arccos(x) vinden we op dezelfde manier dat cos(arccos(x)) = x. Bijgevolg is sin(arccos(x))(arccos(x)) =, Versie.2 4 oktober 24
39 Hoofdstuk 4. Afgeleiden 39 en dus (arccos(x)) = sin(arccos(x)) =. x 2 Voor de afgeleide functie van arctg(x) vertrekken we van het feit dat tg(arctg(x)) = x, en dus of cos 2 (arctg(x)) (arctg(x)) =, (arctg(x)) = cos 2 (arctg(x)). Het is echter duidelijk dat Bijgevolg is en dus vinden we dat cos 2 (x) = sin2 (x) + cos 2 (x) cos 2 (x) (arctg(x)) = cos 2 (x) = = sin2 (x) cos 2 (x) + cos2 (x) cos 2 (x) = tg2 (x) +. + tg 2 (x) + tg 2 (arctg(x)) = + x 2. Om de afgeleide functie van arccotg(x) te berekenen gaan we op dezelfde manier te werk. We vertrekken van cotg(arccotg(x)) = x, en dus of Opnieuw is het duidelijk dat Bijgevolg is en dus vinden we dat sin 2 (arccotg(x)) (arccotg(x)) =, (arccotg(x)) = sin 2 (arccotg(x)). sin 2 (x) = sin2 (x) + cos 2 (x) sin 2 (x) sin 2 (x) = + cotg 2 (x) = cotg 2 (x) +. (arccotg(x)) = + cotg 2 (arccotg(x)) = + x. 2 Versie.2 4 oktober 24
40 4 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 7. Afgeleiden van logaritmische en exponentiële functies Stelling 6. gegeven door De afgeleide functies van de logaritmische en exponentiële functies worden f(x) = log a (x) f (x) = x ln(a), f(x) = a x f (x) = a x ln(a). In het geval waar het grondtal a = e vinden we dat f(x) = ln(x) f (x) = x, f(x) = e x f (x) = e x. Bewijs. Stel eerst dat f(x) = log a (x). Dan vinden we uit de definitie van de afgeleide en de eigenschappen van de logaritmische functie onmiddellijk dat f log (x) = lim a (x + ) log a (x) log = lim a ( x+ x ) = lim log a (( + x ) ) = x lim log a (( + x ) x ) = x log a( lim ( + x ) x ) = x log a(e). Zoals we reeds hebben opgemerkt geldt dat ln(a) = log a (e), en bijgevolg is f (x) = x ln(a). Toepassen van deze formule in het geval a = e levert ons dan dat f(x) = ln(x) f (x) = x ln(e) = x. Voor het berekenen van de afgeleide functie van f(x) = a x merken we op dat log a (a x ) = x. Versie.2 4 oktober 24
41 Hoofdstuk 4. Afgeleiden 4 Afleiden van beide zijden van deze gelijkheid geeft dan dat a x ln(a) (ax ) =, en dus dat (a x ) = a x ln(a). Opnieuw levert toepassing van deze formule in het speciale geval a = e ons dat (e x ) = e x ln(e) = e x. 8. Logaritmisch afleiden Stelling 7. Stel dat y = f(x) een reële functie is. Dan is f (x) = f(x)(ln(f(x))). Bewijs. Omdat e ln(a) = a voor elk (positief) reëel getal a kunnen we schrijven dat f(x) = e ln(f(x)). Beide zijden van deze gelijkheid afleiden naar x en toepassen van de kettingregel geeft dan dat f (x) = e ln(f(x)) (ln(f(x))) = f(x)(ln(f(x))). De techniek die in deze stelling gebruikt wordt voor het berekenen van f (x) uit de logaritme van f(x) wordt logaritmisch afleiden of logaritmisch differentiëren genoemd. Deze techniek wordt vooral gebruikt bij het afleiden van functies van de vorm f(x) g(x). Men kan de techniek ook gebruiken voor het afleiden van produkten van verschillende factoren. Voorbeeld 5. De afgeleide functie van f(x) = x x = e ln(xx) = e x ln(x) wordt gegeven door f (x) = x x (ln(x x )) = x x (x ln(x)) = x x (ln(x) + x x ) = xx (ln(x) + ). Voorbeeld 6. Om de functie f(x) = x 2 e 2x cos 3x af te leiden merken we eerst op dat ln(f(x)) = 2 lnx + 2x + ln cos 3x, en dus is (ln(f(x)) = tg 3x. x De afgeleide functie wordt bijgevolg gegeven door f (x) = x 2 e 2x cos 3x( 2 x tg 3x). Versie.2 4 oktober 24
42 42 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 9. Hogere afgeleiden Stel dat y = f(x) een reële functie is. Als de afgeleide functie y = f (x) bestaat en opnieuw een afgeleide functie heeft, noemen we deze functie de tweede afgeleide van f(x) en we noteren deze functie met y, f of d2 f dx 2. Als deze tweede afgeleide van f(x) opnieuw een afgeleide functie heeft noemen we deze de derde afgeleide van f, en noteren we die met f, y of d3 f dx 3. Definitie 3. Voor elk natuurlijk getal n > zeggen we dat de n-de afgeleide f (n) van een functie y = f(x) de afgeleide functie is van de (n )-ste afgeleide functie van f. Voorbeeld 7. De volgende tabel geeft een overzicht van de eerste zeven afgeleide functies van de functies y = 2x 5 + 5x 4 + x 3 + 3x 2 + 2x + 5 en y = sin(2x). f(x) 2x 5 + 5x 4 + x 3 + 3x 2 + 2x + 5 sin(2x) f (x) x 4 + 2x 3 + 3x 2 + 6x cos(2x) f (x) 4x 3 + 6x 2 + 6x sin(2x) f (x) 2x 2 + 2x cos(2x) f (4) (x) 24x sin(2x) f (5) (x) cos(2x) f (6) (x) 64 sin(2x) f (7) (x) 28 cos(2x).... Impliciet afleiden We hebben tevoren reeds gezien dat de afgeleide van een functie y = f(x) in een punt a de richtingscoëfficiënt van de raaklijn aan de grafiek van de functie in dat punt aangeeft. Een kromme in het vlak kan dikwijls worden beschreven door middel van een uitdrukking van de vorm F(x, y) =, die een impliciete vergelijking van de kromme wordt genoemd. De punten van de kromme zijn dan die punten in het vlak waarvan de x en y coördinaten voldoen aan de vergelijking F(x, y) =. Versie.2 4 oktober 24
43 Hoofdstuk 4. Afgeleiden 43 Voorbeeld 8. De vergelijking F(x, y) = x 2 + y 2 = beschrijft een cirkel met middelpunt (, ) en straal. Het punt (2, 2) ligt niet op de cirkel omdat F(2, 2) = 7, terwijl het punt ( 2 ) wel op de kromme ligt omdat F( 2, , 2 ) = =. Stel nu dat F(x, y) = de impliciete vergelijking is van een kromme en dat (a, b) een punt is van deze kromme. Om de richtingscoëfficiënt van de raaklijn aan de kromme in het punt (a, b) te berekenen gebruiken we een techniek die impliciet afleiden wordt genoemd. We leiden hierbij de uitdrukking F(x, y) = af naar x, en veronderstellen hierbij dat y een functie van x is. Gebruik makend van de kettingregel vinden we een uitdrukking waaruit we y kunnen oplossen als functie van x en y. Invullen van de coördinaten van het punt (a, b) geeft het gewenste resultaat. Voorbeeld 9. Om de richtingscoëfficiënt van de raaklijn aan de cirkel te berekenen in het punt ( 2 bekomen dan en dus is 2, 2 2 x 2 + y 2 = ), leiden we eerst de vergelijking van de cirkel af naar x. We 2x + 2yy =, y = x y. De richtingscoëfficiënt van de raaklijn in het gegeven punt is bijgevolg gelijk aan -. Voorbeeld. Stel gegeven de kromme x 2 xy + y 2 = 3. Afleiden van deze vergelijking geeft dat 2x y xy + 2yy =, en dus is y = 2x y 2y x. Om de hogere afgeleiden te vinden leiden we de uitdrukking F(x, y) = meerdere keren af, en gaan dan op dezelfde manier te werk als hierboven. Voorbeeld. Beschouw opnieuw de kromme x 2 xy + y 2 = 3. De tweede afgeleide van deze uitdrukking is van de vorm 2 2y + 2(y ) 2 xy + 2yy =. Als we de uitdrukking voor y hierin substitueren vinden we y = 6(x2 xy + y 2 ) (x 2y) 3 = 8 (x 2y) 3. Versie.2 4 oktober 24
44 44 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken. De differentiaal van een functie Definitie 4. De differentiaal df van een afleidbare functie f(x) wordt gegeven door df(x) = f (x)dx. De meetkundige betekenis van de differentiaal wordt duidelijk uit de volgende figuur. Indien we een kleine toename dx van x beschouwen, geeft df(x) = f (x)dx de toename in y weer als we de raaklijn aan de grafiek beschouwen. Alhoewel de toename df(x), voor kleine waarden van dx, zeer dicht zal naderen tot de toename f(x + dx) f(x), is er wel een essentieel verschil tussen deze twee waarden. f(x)+df(x) f(x+dx) f(x) x x + dx Figuur 24. De meetkundige betekenis van de differentiaal van een functie f(x). Omdat, voor kleine toenames dx, de differentiaal df(x) een goede benadering vormt voor het verschil f(x + dx) f(x), kunnen we differentialen gebruiken voor het afschatten van de functiewaarde f(x) van een punt x. Stel dat we f(x ) en df(x ) kennen voor een bepaald punt x. Dan kunnen we de functiewaarde f(x + dx) benaderen door f(x + dx) f(x ) + df(x ) = f(x ) + f (x )dx. Versie.2 4 oktober 24
45 Hoofdstuk 4. Afgeleiden 45 Voorbeeld 2. De differentiaal van de functie f(x) = 3 x wordt gegeven door df(x) = 3 x 2 3 dx. We kunnen bijgevolg stellen dat ( 3 25) 2 = = Ter vergelijking: de werkelijke waarde van 3 26 wordt gegeven door en de fout op onze afschatting is dus kleiner dan.4. Voorbeeld 3. Beschouwen we een kubus met een zijde van r cm, dan wordt het volume van de kubus gegeven door V (r) = r 3. Bij een toename van de zijde met %, dr = r, vinden we een toename van het volume met ongeveer dv = 3r 2 dr = 3 r3. Voorbeeld 4. Beschouwen we een bol met een straal r van meter, die we overdekken met een laag kunststof van cm. Het volume van een bol met straal r wordt gegeven door V = 4 3 πr3. Als we een toename dr van de straal met cm beschouwen, zal de toename van het volume daarom bij benadering gelijk zijn aan dv = 4πr 2 dr = 4π 2 cm 3. Versie.2 4 oktober 24
46 46 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie.2 4 oktober 24
47 ÀÓÓ ØÙ ÌÓ Ô Ò ÒÚ Ò Ð Ò. Variatie van een functie. Verloop van een reële functie Definitie. Stel dat f een continue functie is en x een punt uit het domein van f. We zeggen dat f stijgend is in x indien voor elke voldoend kleine, positieve waarde van geldt dat f(x ) < f(x ) < f(x + ). We zeggen dat f dalend is in x indien voor dezelfde waarden van. f(x ) > f(x ) > f(x + ) Stelling. Stel dat de reële functie f afleidbaar is in x. Indien f (x ) >, dan is f stijgend in x. Indien f (x ) < dan is f dalend in x. Versie oktober 24
48 48 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Bewijs. Stel eerst dat f (x ) >. Dan weten we dat f(x + ) f(x ) lim > en bijgevolg geldt voor alle voldoend kleine waarden van dat f(x + ) f(x ) = α >. Kies nu een willekeurige >. Dan volgt onmiddellijk uit voorgaande uitdrukking dat f(x + ) f(x ) = α >, en dus is f(x + ) > f(x ). Anderzijds volgt uit dezelfde uitdrukking ook dat f(x ) f(x ) = α <, en dus is f(x ) < f(x ). Samengevat kunnen we besluiten dat f stijgend is in x. Indien f (x ) < toont men op dezelfde wijze aan dat f(x ) > f(x ) > f(x + ), en dus dat f dalend is in x. Definitie 2. Indien f (x ) = weten we niet of f stijgend of dalend is in x. We zeggen dan dat f stationair is in x, en we noemen x een kritisch punt van de functie f. 2. Minima en maxima van een functie Definitie 3. De functie f heeft een maximum in x indien voor alle kleine (positieve en negatieve) waarden van geldt dat f(x + ) < f(x ). Indien voor al deze waarden van geldt dat f(x + ) > f(x ), zeggen we dat f een minimum heeft in x. Stelling 2. Stel dat de reële functie f afleidbaar is in het interval [a, b] en dat f een maximum of minimum heeft in het punt x ]a, b[. Dan is f (x ) =. Versie. 3 oktober 24
49 Hoofdstuk 5. Toepassingen van afgeleiden 49 Bewijs. Stel dat f een maximum heeft in het punt x. Dan weten we dat voor alle kleine waarden van geldt dat f(x + ) < f(x ). Bijgevolg is voor alle kleine negatieve waarden van het quotiënt f(x + ) f(x ) >, terwijl dit quotiënt voor kleine positieve waarden van negatief is. We besluiten dat f(x + ) f(x ) lim, f(x + ) f(x ) lim +. Omdat f afleidbaar is in het punt x moeten de linkerlimiet en de rechterlimiet samenvallen, en we besluiten dat f f(x + ) f(x ) (x ) = lim =. Indien f een minimum heeft in x kan men op dezelfde wijze aantonen dat f (x ) =. Voorbeeld. De functie y = x 2 4x + 3 heeft een minimum in x = 2. In dit punt is de functie ook stationair. De vorige stelling zegt dat, indien f afleidbaar is, minima en maxima enkel voorkomen in punten waar f stationair is. Indien f echter niet afleidbaar is, kunnen we ook andere minima en maxima vinden. Deze minima en maxima kunnen dan enkel voorkomen in punten waar de afgeleide niet bestaat, terwijl de functie wel gedefinieerd is in dat punt. We noemen deze punten daarom eveneens kritische punten van de functie f. Voorbeeld 2. De functie y = x 2 3 heeft een minimum in x =. De functie is hier echter niet stationair, omdat de afgeleide functie f (x) = 2 3 x 3 in dit punt niet gedefinieerd is. 3. Berekening van minima en maxima met de eerste afgeleide Om de minima en maxima van een gegeven functie y = f(x) te bepalen gaan we als volgt te werk:. Zoek de kritische punten van de functie, d.w.z. de punten waarin de functie stationair is of waar de eerste afgeleide niet bestaat maar de functie wel gedefinieerd is. 2. Bepaal het teken van de eerste afgeleide in de intervallen tussen de verschillende kritische punten. 3. Indien het teken van de eerste afgeleide rond een kritisch punt verandert van + in is dit punt een maximum. Indien het teken verandert van in + hebben we te maken met een minimum. Indien het teken van f niet verandert, is het kritisch punt geen maximum noch een minimum. Versie. 3 oktober 24
50 5 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld 3. Om de minima en maxima van de functie y = x x2 +6x+4 te berekenen, zoeken we eerst de kritische punten. We lossen hiervoor de vergelijking 3x 2 9x + 6 = op en vinden dat de kritische punten gelegen zijn in x = en x = 2. Een tekenonderzoek levert dan de volgende resultaten: x 2 f (x) + + f(x) ր Max ց min ր We besluiten dat de functie een maximum heeft in x =. De functiewaarde is dan f() = 3 2. De functie heeft verder ook een minimum in x = 2, waar de functiewaarde gegeven wordt door f(2) = 6. Figuur 25 geeft de grafiek van deze functie weer y x Figuur 25. Grafiek van de functie f(x) = x x2 + 6x + 4. Voorbeeld 4. De kritische punten van de functie y = x worden gegeven door de vergelijking 3x 2 =, en bijgevolg is x = het enige kritische punt van deze functie. Het tekenonderzoek van de eerste afgeleide van deze functie levert ons het volgende resultaat: x f (x) + + f(x) ր ր We besluiten dat de functie geen maximum of minimum heeft. Dit is ook duidelijk te zien in de grafische voorstelling van de functie in Figuur 26. Versie. 3 oktober 24
51 Hoofdstuk 5. Toepassingen van afgeleiden y y.4.2 x x Figuur 26. Grafieken van de functies y = x en y = x 2 3. Voorbeeld 5. Om de kritische punten van de functie y = x 2 3 (grafisch voorgesteld in Figuur 26 te berekenen zoeken we de punten waar f (x) = of waar f (x) niet bestaat terwijl f wel gedefinieerd is in x. De afgeleide functie y = f (x) wordt gegeven door 2 3 x 3. Deze functie is niet gedefinieerd in x =, terwijl f wel gedefinieerd is in x =. Bijgevolg is x = een kritisch punt van f. Een tekenonderzoek van de afgeleide functie f levert het volgende resultaat: x f (x) + f(x) ց ր We besluiten dus dat x = een minimum is voor de functie f(x). De functiewaarde wordt hier gegeven door f() =. 4. De studie van de tweede afgeleide (kromming) Stel nu dat de tweede afgeleide van de functie y = f(x) in het punt x positief is. Dan weten we uit het voorgaande dat de eerste afgeleide stijgend is in x, dit wil zeggen dat f (x ) < f (x ) < f (x + ) voor alle kleine positieve waarden van. Dit wil zeggen dat de functie f(x) rechts van het punt x sneller stijgt of minder snel daalt dan links van x. We zeggen dat f concaaf is in het punt x. Als f (x ) < kunnen we op dezelfde manier aantonen dat f rechts van x sneller daalt of minder snel stijgt dan links van x, en we zeggen dat f convex is in x. Versie. 3 oktober 24
52 52 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken f(a) a Figuur 27. Een voorbeeld van een concave functie in het punt a f(a) a Figuur 28. Een voorbeeld van een convexe functie in het punt a De punten uit het domein van f waarin het karakter van f verandert van concaaf naar convex of omgekeerd, d.w.z., waar de tweede afgeleide van teken verandert, noemen we buigpunten. Het is duidelijk dat dit enkel kan gebeuren in punten waar de tweede afgeleide nul wordt of waar deze tweede afgeleide niet bestaat maar waar de functie f wel gedefinieerd is. Voorbeeld 6. De tweede afgeleide van de functie y = x 3 +2 (Figuur 26) wordt gegeven door f (x) = 6x. Deze functie verandert van teken in x =, en bijgevolg is x = een buigpunt van deze functie. Voorbeeld 7. De tweede afgeleide van de functie y = x 3 (Figuur 29) wordt gegeven door f (x) = 2 9 x 5 3. Het punt x = behoort duidelijk tot het domein van de functie f. De tweede afgeleide is niet gedefinieerd in x =, alhoewel het teken van de tweede afgeleide wel verandert in x =. Bijgevolg is x = een buigpunt van deze functie. De raaklijn in dit punt is bovendien vertikaal. Versie. 3 oktober 24
53 Hoofdstuk 5. Toepassingen van afgeleiden 53 y x Figuur 29. Grafiek van de functie y = x 3 = 3 x. 5. Berekenen van minima en maxima met de tweede afgeleide Met behulp van de tweede afgeleide kunnen we nu een alternatieve methode beschrijven voor het zoeken van minima en maxima van een functie.. Zoals tevoren beginnen we met het zoeken van alle kritische punten van de functie f. 2. Vervolgens berekenen we in elk kritisch punt x van f de waarde f (x ) van de tweede afgeleide in dat punt. 3. Is f (x ) > dan bereikt f een minimum in x, terwijl x een maximum is voor de functie indien f (x ) <. In de andere gevallen (f (x ) = of niet gedefinieerd) kunnen we geen uitspraak doen over het punt x en moeten we dus de vorige methode toepassen. Voorbeeld 8. De functie y = x x2 + 6x + 4 (Figuur 25) heeft kritische punten in x = en x = 2. De tweede afgeleide van deze functie wordt gegeven door f (x) = 6x 9, en we zien dus dat f () = 3 en f (2) = 3. We besluiten, zoals hierboven, dat f een maximum heeft in x = en een minimum in x = Vergelijking van de raaklijn en de normaal Stel dat y = f(x) een functie is en x een reëel getal dat behoort tot het domein van f. We hebben reeds gezien dat de afgeleide f (x ) van de functie f in een punt x (als deze afgeleide bestaat) de richtingscoëfficiënt aangeeft van de raaklijn aan de grafiek van f in het punt (x, f(x )). Stel nu dat we de vergelijking van de raaklijn willen berekenen, d.w.z. de voorwaarde waaraan de coördinaten van een punt moeten voldoen om tot deze raaklijn te behoren. Een rechte, die niet vertikaal is, wordt gegeven door een vergelijking van de vorm y = mx +q, waarbij m de richtingscoëfficiënt van de rechte is. We zien bijgevolg dat de raaklijn gegeven wordt door y = f (x )x + q, Versie. 3 oktober 24
54 54 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken waarbij we het getal q zo moeten kiezen dat het punt (x, f(x )) tot de rechte behoort. Dit wil zeggen dat f(x ) = f (x )x + q, en dus q = f(x ) x f (x ). We vinden bijgevolg dat de raaklijn gegeven wordt door de vergelijking of, indien we f(x ) = y stellen, y = f (x )x + f(x ) x f (x ), y y = f (x )(x x ). Voorbeeld 9. Om de raaklijn aan de kromme y = x 3 in het punt (, ) te berekenen stellen we x =, y =. We zien dan dat f (x ) = 3 en de raaklijn heeft bijgevolg als vergelijking y = (x ). 3 Indien de afgeleide in het punt a oneindig wordt is de raaklijn aan de grafiek van f in dat punt vertikaal. In dat geval wordt de vergelijking van de raaklijn gegeven door x = a, waarbij we a zo moeten kiezen dat het punt (x, f(x )) tot de rechte behoort. We zien dan ook onmiddellijk dat de vergelijking van de raaklijn in dit geval gegeven wordt door x = x. Voorbeeld. In het punt x = wordt de afgeleide van de functie y = x 3 oneindig. Bijgevolg is de raaklijn vertikaal en wordt ze gegeven door de vergelijking x =. Versie. 3 oktober 24
55 Hoofdstuk 5. Toepassingen van afgeleiden 55 Figuur 3. De raaklijn en de normaal in een punt. De normaal op de grafiek in een punt (x, y ) is de rechte die loodrecht staat op de raaklijn in dat punt. Indien de raaklijn vertikaal is, volgt onmiddellijk dat de normaal horizontaal is en bijgevolg een vergelijking heeft van de vorm y = y. In het geval dat de raaklijn horizontaal is (dus richtingscoëfficiënt gelijk aan nul heeft) wordt de normaal vertikaal en heeft die een vergelijking van de vorm x = x. Indien de raaklijn vertikaal noch horizontaal is, is de richtingscoëfficiënt van de normaal gelijk aan f (x ). Twee rechten zijn immers loodrecht indien hun richtingscoëfficiënten m en m 2 voldoen aan m m 2 =. De normaal wordt bijgevolg gegeven door de vergelijking y y = f (x ) (x x ). Voorbeeld. De raaklijn aan de kromme y = x 3 in het punt (, ) heeft richtingscoëfficiënt f (x ) =. De normaal heeft daarom richtingscoëfficiënt 3 en heeft bijgevolg als vergelijking 3 y = 3(x ). 3. De afgeleide als snelheid Voorbeeld 2. Stel dat een voorwerp van een bepaalde hoogte (bv. m) naar beneden valt (onder invloed van de zwaartekracht). De hoogte van dit voorwerp in functie van de tijd wordt dan gegeven door de functie h = 5t 2. Deze reële functie wordt grafisch voorgesteld in Figuur 3. Versie. 3 oktober 24
56 56 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken t Figuur 3. Hoogte van een vallend voorwerp als functie van de tijd. We zien dat het voorwerp steeds sneller naar beneden valt. Om de snelheid van het voorwerp te berekenen op een bepaald tijdstip t (bijvoorbeeld na 5 seconden, d.w.z. voor t = 5), kunnen we bepalen welk hoogteverschil het voorwerp overbrugt in een bepaalde tijd (bijvoorbeeld seconde), d.w.z., we bepalen het verschil h(t + ) h(t ). Het is dan duidelijk dat (de absolute waarde van) het quotiënt h(t + ) h(t ) de gemiddelde snelheid van het voorwerp weergeeft in het tijdsinterval [t, t + ], d.w.z de constante snelheid die we nodig hebben om in de gegeven tijd het gegeven hoogteverschil te overbruggen. Als we het beschouwde tijdsinterval zeer klein laten worden, zullen we een steeds betere benadering vinden voor de snelheid van het voorwerp op het ogenblik t. Wanneer de functie y = f(t) de evolutie van een grootheid beschrijft in functie van de tijd, kunnen we aan de afgeleide van de functie f(t) daarom een alternatieve (mechanische) interpretatie geven. Omdat de waarde van de grootheid y op het ogenblik t gegeven wordt door f(t), zien we dat f(t + ) f(t) de gemiddelde snelheid aangeeft waarmee de grootheid y verandert in het tijdsinterval [t, t+ ]. Wanneer we de lengte van het tijdsinterval zeer klein laten worden, vinden we f(t + ) f(t) lim = f (t), terwijl de gemiddelde snelheid nadert tot de ogenblikkelijke snelheid waarmee y verandert op het ogenblik t. We kunnen de afgeleide f (t ) op het ogenblik t daarom interpreteren als de snelheid waarmee de grootheid y = f(t) verandert op dat ogenblik t. Versie. 3 oktober 24
57 Hoofdstuk 5. Toepassingen van afgeleiden 57 Voorbeeld 3. De snelheid van het vallende voorwerp uit het vorige voorbeeld op het tijdstip t wordt gegeven door h (t) = t. Na 5 seconden is de snelheid van het vallende voorwerp dus gelijk aan 5m/s. Omdat deze waarde negatief is, is de hoogte h op dat moment dalend. Voorbeeld 4. Beschouwen we de rechtlijnige beweging, dit wil zeggen de beschrijving van de beweging van een deeltje langs een rechte lijn. Door op de rechte een referentiepunt (oorsprong) en een eenheid te kiezen, kunnen we elk punt van de rechte laten overeenkomen met een reëel getal s. De beweging van het deeltje wordt dan volledig beschreven door de functie s(t), die de positie van het punt op het ogenblik t weergeeft. De ogenblikkelijke snelheid van het deeltje op het tijdstip t wordt gegeven door de eerste afgeleide van de functie s, v = s (t). Het is duidelijk dat, wanneer v >, het punt zich verplaatst in de richting van grotere s-waarden, terwijl v < betekent dat de het punt zich verplaatst in dalende s-richting. Wanneer v = zegt men dat het deeltje op dat tijdstip in rust is. Op dezelfde wijze bepaalt de tweede afgeleide functie a = v (t) = s (t) de snelheid waarmee de snelheid v verandert, dus de ogenblikkelijke versnelling van het deeltje op tijdstip t. Als a >, dan is v stijgend, terwijl a < betekent dat v dalend is. Als a en v hetzelfde teken hebben, dan neemt de snelheid van het deeltje toe in absolute waarde, terwijl deze absolute waarde afneemt wanneer a en v tegengesteld teken hebben. Voorbeeld 5. Beschouwen we een deeltje dat beweegt op een vertikale rechte onder invloed van de zwaartekracht. De beweging van dit deeltje wordt gegeven door de functie h = g t2 2 + v t + h, die de hoogte van het voorwerp beschrijft in functie van de tijd. Hierbij is g de zwaartekrachtconstante, en h en v de hoogte en snelheid van het deeltje op het tijdstip t =. De (ogenblikkelijke) snelheid van dit deeltje wordt gegeven door v = gt+v, de ogenblikkelijke versnelling door a = g. Versie. 3 oktober 24
58 58 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld 6. (Cirkelvormige beweging) Beschouwen we vervolgens de beweging van een deeltje langs een cirkel. Elk punt P van de cirkel kan voorgesteld worden door de middelpuntshoek θ bepaald door dat punt P en een gekozen referentiepunt (oorsprong) O. De beweging van het deeltje wordt bijgevolg beschreven door een functie θ(t), die de positie van het deeltje in functie van de tijd weergeeft. De afgeleide van deze functie θ(t), ω = θ (t), geeft de snelheid waarmee de hoek θ verandert, en we noemen ω de ogenblikkelijke hoeksnelheid. De tweede afgeleide van de functie, α = ω (t) = θ (t), wordt de ogenblikkelijke hoekversnelling genoemd. Wanneer α = voor elke waarde van t, dan is ω constant, en we zeggen dat het deeltje met een constante hoeksnelheid beweegt. Wanneer α constant is, spreken we over een constante hoekversnelling. 4. Gekoppelde snelheden Beschouwen we nu meerdere grootheden, die allen veranderen in functie van de tijd, en die verbonden zijn door een vergelijking. Door deze vergelijking af te leiden naar de tijd, kunnen we nagaan wat de relatie is tussen de snelheden waarmee deze grootheden veranderen. Voorbeeld 7. Beschouwen we een bolvormige ballon, waaruit gas ontsnapt met een snelheid van 9cm 3 /s, dit wil zeggen dat V = 9. Omdat het volume en de oppervlakte van een bol met straal r gegeven worden door zien we dat V = 4 3 πr3, S = 4πr 2, V = 4πr 2 r, S = 8πrr. Op het ogenblik dat de straal van de bol gelijk is aan r = 36cm, is bijgevolg en dus is S = 8π36 r = 9 4π36 2, 9 4π36 2 = 5cm2 /s. De oppervlakte neemt bijgevolg af met 5cm 2 per seconde. Versie. 3 oktober 24
59 ÀÓÓ ØÙ È ÖØ Đ Ð Ð Ò. Inleiding Een (reële) functie van n veranderlijken is een voorschrift z = f(x, x 2,..., x n ) dat aan een stel van n reële getallen x, x 2,..., x n een reëel getal z = f(x, x 2,..., x n ) associeert. Voorbeeld. De functie f(x, y) = sin(x + y), is een functie van twee veranderlijken. Ze associeert aan de getallen x = en y = het getal sin( + ) = sin(2), en aan de waarden x = en y = π het getal sin( + π) =. De functie f(x, x 2, x 3 ) = x 2 + x2 2 + x2 3 is een functie van drie veranderlijken. In dit hoofdstuk behandelen we in het kort enkele aspecten van functies van meerdere veranderlijken. We zullen ons hierbij voornamelijk richten op functies van twee veranderlijken. De meeste definities kunnen echter onmiddellijk veralgemeend worden tot functies van drie of meer veranderlijken. Een functie van twee veranderlijken z = f(x, y) kan meetkundig voorgesteld worden als een oppervlak in de driedimensionale ruimte. Met elk punt (x, y) in het XY -vlak laten we hiertoe het punt (x, y, z) = (x, y, f(x, y)) in de driedimensionale ruimte overeenkomen. Versie november 24
60 6 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Z z=f(x,y) (x,y,z) x X y (x,y) Y Figuur 3. Meetkundige voorstelling van een functie van twee veranderlijken t x Figuur 32. Meetkundige voorstelling van de functie f(x, t) = sin(x t). 2. Partiële afgeleiden De afgeleide van een functie y = f(x) van één veranderlijke x geeft aan hoe de waarde van f(x) verandert als we de waarde van x laten veranderen. Voor een functie z = f(x, y) van twee (of meer) veranderlijken kunnen we op een analoge manier nagaan hoe de functiewaarde f(x, y) verandert indien we slechts één van de veranderlijken laten variëren (en de andere veranderlijke constant houden). Versie. 8 november 24
61 Hoofdstuk 6. Partiële afgeleiden y.6 x y 2 3 x 2 3 Figuur 33. Meetkundige voorstelling van f(x, y) = x 2 y + xy 2 en f(x, y) = cos( x 2 + y 2 ). 3 2 Stel dus dat z = f(x, y) een functie is van twee veranderlijken. Indien we de waarde van y constant houden, kunnen we deze functie beschouwen als een functie van één veranderlijke x. De afgeleide van deze functie wordt gegeven door f x = f f(x + h, y) f(x, y) x = lim. h h Deze afgeleide wordt de partiële afgeleide van f ten opzichte van x genoemd. Op dezelfde manier kunnen we de waarde van x constant houden en de veranderlijke y laten variëren. De functie f(x, y) is dan een functie van één veranderlijke y. De afgeleide van deze functie wordt gegeven door f y = f f(x, y + h) f(x, y) y = lim, h h en wordt de partiële afgeleide van f ten opzichte van y genoemd. Voorbeeld 2. Beschouwen we de functie f(x, t) = sin(x 2t). De partiële afgeleiden van deze functie ten opzichte van de veranderlijken x en t worden dan gegeven door f x = cos(x 2t), f t = 2 cos(x 2t). De partiële afgeleide ten opzichte van x van een functie van twee veranderlijken in een punt (x, y ) heeft de volgende meetkundige betekenis. De functie z = f(x, y) kan voorgesteld worden als een oppervlak in de driedimensionale ruimte. Als we x laten variëren en y gelijk aan y houden, snijden we dit oppervlak met het vertikaal vlak y = y (evenwijdig met het XZ-vlak en door het beschouwde punt (x, y )). De snijlijn is dan een vlakke kromme (die beschouwd wordt als een functie van één veranderlijke x). De partiële afgeleide f x geeft dan de richtingscoëfficiënt van de raaklijn aan deze snijlijn in het punt (x, y, z ). Op dezelfde manier geeft de partiële afgeleide ten opzichte van y de richtingscoëfficiënt van de raaklijn aan de snijlijn van het oppervlak z = f(x, y) met het verticale vlak x = x. Versie. 8 november 24
62 62 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Z x=x y=y (x,y,z) z=f(x,y) X (x,y) Y Figuur 34. Meetkundige interpretatie van de partiële afgeleide. Oefening. Bereken alle partiële afgeleiden van volgende functies.. z = 2x 2 3xy + 4y 2 2. z = x2 y + y2 x 3. z = sin(2x + 3y) 4. z = e x2 +3xy 5. z = arctg y x 6. f(x, y, z) = x 2 + y 2 + z 2 7. z = 2x 2 5xy + y 2 8. z = x y 2 y x 2 9. z = sin 3x cos4y. z = sin(x vt). z = x 2 + y 2 2. f(x, y, z) = xyz Versie. 8 november 24
63 Hoofdstuk 6. Partiële afgeleiden Partiële afgeleiden van hogere orde en f y Stel dat z = f(x, y) een functie is van twee veranderlijken. De partiële afgeleiden f x zijn dan opnieuw functies van twee veranderlijken, en we kunnen bijgevolg ook van deze twee functies de partiële afgeleiden berekenen. Deze functies worden de partiële afgeleiden van tweede orde genoemd, en ze worden als volgt genoteerd: 2 f x 2 = ( f x x ( f 2 f x y = x 2 f y x = y 2 f y 2 = y y ( f x ( f y ), ), ), ). Voorbeeld 3. De partiële afgeleiden van tweede orde van de functie worden gegeven door f(x, t) = sin(x 2t) 2 f x = (cos(x 2t)) = sin(x 2t), 2 x 2 f t x = (cos(x 2t)) = 2 sin(x 2t), t 2 f x t = ( 2 cos(x 2t)) = 2 sin(x 2t), x 2 f t 2 = ( 2 cos(x 2t)) = 4 sin(x 2t). t Door deze partiële afgeleiden van tweede orde nogmaals partieel af te leiden bekomen we vervolgens de partiële afgeleiden van derde orde. We merken op dat, indien de functie z = f(x, y) en de partiële afgeleiden continue functies zijn, de volgorde waarin we de (gemengde) partiële afgeleiden berekenen onbelangrijk is, dit wil zeggen dat 2 f x y = 2 f y x. Oefening 2. Bereken alle partiële afgeleiden van tweede orde van de functies uit de vorige oefening. Versie. 8 november 24
64 64 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 4. Partiële en totale differentiaal In een vorig hoofdstuk hebben we de differentiaal van een functie y = f(x) van één veranderlijke gedefinieerd als df(x) = f (x)dx. We hebben ook getoond dat, indien we x laten aangroeien met dx, df de aangroei in de y-richting aangeeft als we de raaklijn volgen in plaats van de functie zelf. Indien de toename dx voldoende klein is, geeft df(x) een vrij nauwkeurige benadering van de toename van de functiewaarde f(x). De partiële differentiaal ten opzichte van x van een functie van twee veranderlijken z = f(x, y) wordt gedefinieerd als d x f = f x dx, terwijl de partiële differentiaal ten opzichte van y gedefinieerd wordt als d y f = f y dy. De totale differentiaal van de functie is de som van alle partiële differentialen, dus df = d x f + d y f = f f dx + x y dy. Voorbeeld 4. De partiële differentialen van de functie f(x, t) = sin(x 2t) worden gegeven door d x f = cos(x 2t)dx, d t f = 2 cos(x 2t)dt, en de totale differentiaal is bijgevolg df = cos(x 2t)dx 2 cos(x 2t)dt. Voor functies van n veranderlijken x, x 2,..., x n definieert men de totale differentiaal op dezelfde manier, dus df = f dx + f dx f dx n. x x 2 x n Oefening 3. Zoek de totale differentialen van de functies uit de vorige oefening. De meetkundige betekenis van deze begrippen kan als volgt worden uitgelegd. Als we x veranderen en y constant houden, beschouwen we de snijlijn van het oppervlak z = f(x, y) met een verticaal vlak y = y. Als we nu x met dx laten toenemen, geeft de partiële differentiaal d x f de aangroei in de z-richting aan als we in de plaats van het oppervlak de raaklijn aan deze snijlijn volgen. Op dezelfde manier kunnen we d y f beschouwen als de toename in de z-richting indien we de raaklijn aan de snijlijn met het verticale vlak x = x volgen en een toename dy nemen voor de veranderlijke y. Als we x laten toenemen met dx en y laten toenemen met dy geeft de totale differentiaal df de toename in de z-richting aan indien we, in de plaats van het oppervlak z = f(x, y), het raakvlak aan dit oppervlak volgen (dit is het vlak dat de twee hierboven beschreven raaklijnen bevat). Versie. 8 november 24
65 Hoofdstuk 6. Partiële afgeleiden 65 Z x=x y=y dy dx d x f z=f(x,y) d y f df X Y (x,y) Figuur 35. Meetkundige betekenis van partiële en totale differentialen. Het is ook duidelijk dat, voor voldoend kleine toenamen dx en dy, de totale differentiaal een vrij goede benadering geeft van de verandering van de functiewaarden. 5. De kettingregel Stel dat z = f(x, y) een functie van twee veranderlijken is, en x = g(t) en y = h(t) twee functies van één veranderlijke. We kunnen dan een nieuwe functie van één veranderlijke construeren die een getal t afbeeldt op het getal z = f(g(t), h(t)). De afgeleide van deze functie naar de veranderlijke t wordt de totale afgeleide van de functie genoemd. Deze totale afgeleide wordt gegeven door dz dt = z dx x dt + z dy y dt. Voor functies van n veranderlijken kunnen we schrijven dat dz dt = z dx x dt + z dx 2 x 2 dt z dx n x n dt. Voorbeeld 5. De afstand (tot de oorsprong (, )) van een punt (x, y) in het vlak wordt gegeven door de functie van twee veranderlijken f(x, y) = x 2 + y 2. Versie. 8 november 24
66 66 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken De beweging van een punt wordt beschreven door de coördinaten van dit punt als functies van de tijd te beschouwen, bijvoorbeeld x = sin t, y = sin 2t. De verandering van de afstand van het bewegende punt tot de oorsprong in functie van de tijd wordt dan gemeten door de totale afgeleide van de afstandsfunctie, dz dt = x x2 + y 2 cos t + y x2 + y 22cos(2t) = sin t cost sin 2 t + sin 2 2t + 2 sin2t cos 2t sin 2 t + sin 2 2t. Stel vervolgens dat z = f(x, y) een functie van twee veranderlijken is, en dat x = g(s, t) en y = h(s, t) opnieuw functies van twee veranderlijken zijn. We kunnen dan een nieuwe functie van twee veranderlijken construeren die twee getallen s en t afbeeldt op het getal z = f(g(s, t), h(s, t)). De partiële afgeleiden van deze functie ten opzichte van de veranderlijken s en t worden gegeven door z s = z x x s + z y y s, z t = z x x t + z y y t. Indien de functie f afhangt van n veranderlijken x, x 2,..., x n, en elk van deze veranderlijken geschreven wordt als een functie van m veranderlijken y, y 2,..., y m, kunnen we stellen dat, voor alle waarden van i =, 2,..., m, z y i = z x x y i + z x 2 x 2 y i z x n x n y i. Voorbeeld 6. De afstand tot de oorsprong van een punt in het vlak wordt beschreven door de functie van twee veranderlijken z = x 2 + y 2. Als we met poolcoördinaten (, θ) willen werken gebruiken we de coördinatentransformatie x = cosθ, y = sinθ. We zien dan dat z = z x x + z y y = Anderzijds is x x2 + y 2 cos θ + z θ = z x x θ + z y y θ = y x2 + y sin θ = cos2 θ + sin 2 θ 2 x x2 + y 2 sinθ + y =. x2 + y2 cosθ =. Versie. 8 november 24
67 Hoofdstuk 6. Partiële afgeleiden 67 Oefening 4. Bereken de totale afgeleide van de functie z naar de veranderlijke t, als z = x 2 + 3xy + 5y 2, x = sin t, y = cos t. Oefening 5. Zelfde vraag voor z = ln(x 2 + y 2 ), x = e t, y = e t. Oefening 6. Bereken de totale afgeleide van z naar x als z = x 2 + 2xy + y 2, y = e x. Oefening 7. Beschouw de functies z = x 2 + xy + y 2, x = 2r + s, y = r 2s. Bereken de partiële afgeleiden van z ten opzichte van de veranderlijken r en s. Oefening 8. Zelfde vraag voor de functies u = x 2 + y 2, x = r cos s, y = r sin s. Versie. 8 november 24
68 68 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie. 8 november 24
69 ÀÓÓ ØÙ Ð Ò Ö Ø ÐÐ Ò Ò Stelling. (Stelling van Rolle) Stel dat een reële functie y = f(x) continu is op het interval [a, b] en afleidbaar in elk punt van het interval ]a, b[, en dat bovendien f(a) = f(b) =. Dan bestaat er minstens één punt x ]a, b[ waarin de raaklijn evenwijdig loopt met de x-as, dit wil zeggen dat f (x ) =. a x b Figuur 36. De stelling van Rolle. Versie oktober 24
70 7 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Bewijs. Als de functie f constant is, dan is f (x) = voor elk punt x ]a, b[. We kunnen het punt x dan willekeurig kiezen in het interval ]a, b[. Stel dus dat de functie f niet constant is. Omdat f continu is op het interval [a, b] weten we dat de functie in het interval [a, b] een minimum en een maximum bereikt. Omdat de functie f niet constant is zijn dit minimum en maximum verschillend. Omdat f(a) = f(b) moet bovendien minstens één van beide extreme waarden bereikt worden in een punt x ]a, b[ dat geen randpunt is van het interval. Omdat de functie f een minimum of een maximum heeft in x weten we dan dat f (x ) =. Stelling 2. (Stelling van Lagrange) Stel dat de reële functie y = f(x) continu is op het interval [a, b] en afleidbaar in elk punt van het open interval ]a, b[. Dan bestaat er minstens één punt x ]a, b[ waarin de raaklijn evenwijdig loopt met de rechte door (a, f(a)) en (b, f(b)), dit wil zeggen dat f f(b) f(a) (x ) =. b a f(b) f(a) a x b Figuur 37. De stelling van Lagrange. Bewijs. Voor een willekeurig punt x [a, b] is het verschil tussen de rechte door (a, f(a)) en (b, f(b)) en de grafiek van de functie y = f(x) gegeven door F(x) = f(x) ( ) f(b) f(a) f(a) + (x a). b a Het is duidelijk dat F(a) =, F(b) =. Versie. 3 oktober 24
71 Hoofdstuk 7. Belangrijke stellingen 7 Verder is de reële functie y = F(x) ook afleidbaar in elk punt van het interval ]a, b[ en continu in [a, b]. Uit de Stelling van Rolle vinden we dan dat er een getal x ]a, b[ bestaat waarvoor F (x ) =. Omdat F (x) = f f(b) f(a) (x) b a volgt hier onmiddellijk uit dat f (x ) = f(b) f(a). b a Stelling 3. (Stelling van Cauchy) Stel dat f en g twee reële functies zijn die continu zijn in het interval [a, b] en afleidbaar in elk punt van het open interval ]a, b[. Stel bovendien dat g (x) voor elk punt x ]a, b[. Dan bestaat er minstens één punt x ]a, b[ waarvoor geldt dat f (x ) g (x ) = f(b) f(a) g(b) g(a). Bewijs. Beschouw de functie y = F(x), waarbij f(b) f(a) F(x) = f(x) f(a) (g(x) g(a)) g(b) g(a). Het is duidelijk dat deze functie aan alle voorwaarden van de Stelling van Rolle voldoet, en dat er bijgevolg een getal x ]a, b[ bestaat waarvoor geldt dat F (x ) =. Omdat F (x) = f (x) g (x) f(b) f(a) g(b) g(a) volgt het resultaat onmiddellijk. Stelling 4. (Regel van de l Hopital) Stel dat f en g twee functies zijn die voldoen aan de voorwaarden uit de Stelling van Cauchy op een interval [A, B] dat het getal a Êbevat. f Veronderstel bovendien dat f(a) = g(a) =. Als lim (x) x a bestaat dan geldt dat g (x) f(x) lim x a g(x) = lim f (x) x a g (x). Versie. 3 oktober 24
72 72 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Bewijs. Kies een willekeurig punt x ]A, B[. Het is dan duidelijk dat de functies f en g op het interval [a, x] voldoen aan de voorwaarden uit de Stelling van Cauchy, en dat er bijgevolg een getal x ]a, x[ bestaat waarvoor geldt dat f (x ) g (x ) = f(x) f(a) g(x) g(a) = f(x) g(x). Om de limiet van het quotiënt f(x) g(x) voor x naderend tot a uit te rekenen moeten we de limiet bepalen van de beelden f(x n) g(x n ) van een willekeurige getallenrij x n die nadert tot a. Veronderstel dat x n een dergelijke getallenrij is die nadert naar a. Uit het voorgaande weten we dan dat er voor elk element x n uit de getallenrij een getal x n ]a, x n [ bestaat waarvoor geldt dat f(x n ) g(x n ) = f (x n ) g (x n ). Omdat x n ligt tussen a en x n is het duidelijk dat de getallenrij x n nadert tot a. De beeldrij f (x n ) g (x n ) zal bijgevolg naderen naar lim x a f (x) g (x), en we besluiten hieruit dat f(x) lim x a g(x) = lim f (x) x a g (x). De regel van de l Hopital laat ons toe, onder bepaalde voorwaarden, onbepaaldheden van het type op te lossen. Voorbeeld. Het is duidelijk dat de functies y = sin x en y = x beide nul worden in x =. Omdat deze functies voldoen aan de voorwaarden uit de stelling kunnen we berekenen dat sin x lim x x = lim cos x x =, We kunnen de regel van de l Hopital op verschillende manieren uitbreiden:. We kunnen de regel van de l Hopital ook gebruiken om limieten te berekenen voor x naderend tot oneindig. 2. We kunnen op dezelfde manier onbepaaldheden van het type oplossen. Voorbeeld 2. De functies y = 2x + 3 en y = 3x naderen beide tot oneindig wanneer x nadert tot oneindig. Toepassing van de regel van de l Hopital geeft dat 2x + 3 lim x + 3x = lim 2 x + 3 = Indien de limiet van het quotiënt f (x) g (x) opnieuw een onbepaaldheid van type of oplevert kunnen we de regel van de l Hopital herhaalde malen gebruiken om tot het resultaat te komen. Versie. 3 oktober 24
73 Hoofdstuk 7. Belangrijke stellingen 73 Voorbeeld 3. Tweemaal toepassen van de regel van de l Hopital levert ons dat ln 2 x lim x + x = lim 2 lnx x x + lnx = 2 lim x + x = 2 lim x + x =. 4. We kunnen de regel van de l Hopital ook gebruiken om andere types van onbepaaldheden op te lossen. Om onbepaaldheden van type op te lossen schrijven we lim f(x)g(x) = lim x a x a f(x). g(x) Deze laatste limiet kan dan met behulp van de regel van de l Hopital worden berekend. Voorbeeld 4. lim x lnx = lim x + lnx x + x = lim x + x x 2 = lim x + x =. Op dezelfde manier lost men onbepaaldheden van het type, en op door te stellen dat lim x a f(x)g(x) = lim e g(x) ln(f(x)) = e lim x a g(x)ln(f(x)). x a De limiet in de exponent van deze laatste uitdrukking kan vervolgens worden berekend met behulp van de regel van de l Hopital. Voorbeeld 5. Gebruik makend van het vorige voorbeeld en de regel van de l Hopital vinden we dat lim x x = lim e x ln x = e limx + x ln x = e =. x + x + Om onbepaaldheden van type op te lossen schrijft men tenslotte lim f(x) g(x) = lim x a x a waarna men de regel van de l Hopital toepast. g(x) f(x), f(x)g(x) Voorbeeld 6. Tweemaal toepassen van de regel van de l Hopital geeft dat lim x x sinx = lim sin x x x x sinx cos x = lim x sin x + x cosx sin x = lim x 2 cosx x sin x =. Versie. 3 oktober 24
74 74 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Oefening. Bereken de volgende limieten. tg 2x. lim x x 2. lim x + x 2 lnx 3. lim x + x4 e x2 4. lim x tg x cos x 5. lim x (cos x) x 6. lim x x 2 x + 7. lim x x lnx 8. tg x x lim x x sin x 9. e x lim x + x 3. lim(sinx) x. lim x ( cos x) sin x 2. lim(e 3x) x x 3. lim x + (ex 3x) 4. lim x + (ex 3x) x Versie. 3 oktober 24
75 ÀÓÓ ØÙ ÓÖÑÙÐ Ú ÒÌ ÝÐÓÖ¹Å Ä ÙÖ Ò. Inleiding Stel dat y = f(x) een reële functie is, die n keer afleidbaar is in een punt a dom(f). Dan kunnen we een veeltermfunctie van graad n construeren, y = P n (x), P n (x) = a + a (x a) + a 2 (x a) a n (x a) n, zodanig dat f en de eerste n afgeleiden in het punt a samenvallen met P n en zijn eerste n afgeleiden. Definitie. De faculteit van een strikt positief natuurlijk getal n Æ wordt gedefinieerd als n! = n (n ) (n 2) We zeggen verder dat! =. Het is duidelijk uit de definitie dat voor strikt positieve natuurlijke getallen geldt dat n! = n (n )!. Versie oktober 24
76 76 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld. 5! = = 2, 6! = 6 5! = 6 2 = 72. Om de veelterm P n te bepalen merken we op dat P n (x) = a + a (x a) + a 2 (x a) a n (x a) n P n(x) = a + 2a 2 (x a) + 3a 3 (x a) na n (x a) n P n(x) = 2a 2 + 6a 3 (x a) + 2a 4 (x a) n(n )a n x n 2. P n (i) (x) = i!a i n(n )...(n i + )a n x n i. P (n) n (x) = n!a n, De coëfficiënten a,..., a n van de veelterm P n moeten bijgevolg gekozen worden zodanig dat We vinden dus f(a) = P n (a) =!a, f (a) = P n(a) =!a, f (a) = P n (a) = 2!a 2,. f (i) (a) = P n (i) (a) = i!a i,. f (n) (a) = P (n) n (a) = n!a n. a i = f(i) (a), i =,, 2,..., n, i! en bijgevolg wordt de veelterm P n gegeven door P n (x) = f(a) + x a f (a) +! Voorbeeld 2. Stel f(x) = sin(x) en a =. Dan is (x a)2 f (a) ! f(x) = sin(x), f() =, f (x) = cos(x), f () =, f (x) = sin(x), f () =, f (x) = cos(x), f () =, f (4) (x) = sin(x), f (4) () =, f (5) (x) = cos(x), f (5) () =, f (6) (x) = sin(x), f (6) () =, (x a)n f (n) (a). n! Versie. 3 oktober 24
77 Hoofdstuk 8. De formule van Taylor-MacLaurin 77 en de veelterm P 6 (x) wordt dus gegeven door P 6 (x) = x x3 3! + x5 5!. Oefening. Bereken P 6 (x) voor de functies f(x) = cos(x) en f(x) = e x. Stel hierbij a =. Oefening 2. Bereken de veeltermen P 6 (x) voor f(x) = sin(x) en f(x) = cos(x) wanneer je a = π 3 stelt. 2. De formule van Taylor-MacLaurin In de vorige paragraaf zagen we hoe we met een natuurlijk getal n en een functie y = f(x) een veelterm kunnen associëren. Het is duidelijk dat de veeltermfunctie P n en de functie f dezelfde functiewaarde geven voor het punt a. Verder valt ook de raaklijn aan beide grafieken samen in dat punt. We kunnen ons nu afvragen of y = P n (x) een goede benadering is voor de functie y = f(x) in punten x die dicht bij a gelegen zijn. Hiervoor moeten we het verschil R n (x) = f(x) P n (x) berekenen tussen de functiewaarde f(x) en de benaderde functiewaarde P n (x). Dit verschil wordt gegeven in de volgende Stelling. (De formule van Taylor) Stel dat de functie y = f(x) n+ keer afleidbaar is in de buurt van het punt a dom(f) en dat P n (x) de veeltermfunctie van graad n is die hierboven werd geconstrueerd. Dan bestaat er een getal x ]a, x[ waarvoor geldt dat f(x) = P n (x) + (x a)n+ f (n+) (x ). (n + )! Bewijs. Met de notaties van hierboven weten we dat f(x) = P n (x) + R n (x). Omdat f(a) = P n (a) geldt ook dat R n (a) = en we kunnen bijgevolg stellen dat R n (x) = (x a)n+ Q(x). (n + )! We kiezen nu een vaste waarde van x en definiëren een functie F gegeven door F(t) = f(x) f(t) x t f (t)! (x t)2 f (t)... 2! (x t)n f (n) (t) n! (x t)n+ Q(x). (n + )! Versie. 3 oktober 24
78 78 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken De functie F is duidelijk continu in het interval [a, x] en afleidbaar in het interval ]a, x[. Verder is ook F(a) = f(x) f(a) x a f (x a)2 (a) f (x a)n (a)... f (n) (x a)n+ (a) Q(x)! 2! n! (n + )! = f(x) R n (x) P n (x) =. Anderzijds is ook duidelijk dat F(x) =. Bijgevolg voldoet de functie F aan de voorwaarden van de Stelling van Rolle en kunnen we dus besluiten dat er een getal x ]a, x[ bestaat waarvoor geldt dat F (x ) =. Afleiden van de functie F naar de veranderlijke t levert ons dat F (t) = (x t)n f (n+) (t) + n! (n + )(x t)n Q(x). (n + )! Als we t = x stellen in deze formule en gebruiken dat F (x ) = vinden we dat Q(x) = f (n+) (x ). Indien we a = stellen in het vorige resultaat, vinden we dat waar f(x) = P n (x) + R n (x), P n (x) = f() + x! f () + x2 2! f () xn n! f(n) (), R n (x) = xn+ (n + )! f(n+) (x ), voor een bepaalde waarde x ], x[. Deze speciale toepassing van de formule van Taylor wordt de formule van MacLaurin genoemd. Voorbeeld 3. Stel x = π, n = 6, f(x) = sin(x) en a =. Dan vinden we dat Verder is volgens de formule van MacLaurin P 6 ( π ) = π 3! ( π )3 + 5! ( π ) R 6 ( π ) = 7! ( π )7 ( cos(x )), voor een bepaalde x ], π [. Omdat de cosinus altijd tussen - en ligt kunnen we afleiden dat R 6 ( π ) 7! ( π )7.6 7 < 6. Als we dus stellen dat sin( π ) = P 6( π ) maken we een fout die kleiner is dan 6. Oefening 3. Bereken cos( π 4 ) met behulp van P 4(x). Hoe nauwkeurig is deze berekening? Oefening 4. Bereken e op vijf decimalen nauwkeurig. Oefening 5. Bereken op drie decimalen nauwkeurig. Versie. 3 oktober 24
79 Hoofdstuk 8. De formule van Taylor-MacLaurin Reeksontwikkelingen van Taylor-MacLaurin Stel dat de functie f onbeperkt afleidbaar is in de omgeving van het punt a dom(f). Dan kunnen we voor een willekeurige waarde van n Æde veelterm P n (x) berekenen zoals hierboven aangegeven. We vinden dan een rij veeltermfuncties P (x) = f(a) + P 2 (x) = f(a) + P 3 (x) = f(a) +. (x a) f (a),! (x a) f (x a)2 (a) + f (a),! 2! (x a) f (x a)2 (a) + f (a) +! 2! (x a)3 f (a), 3! Indien het verschil R n (x) tussen f(x) en de veelterm P n (x) naar nul nadert voor n naderend naar +, kunnen we stellen dat f(x) kan geschreven worden als de (oneindige) machtreeks f(x) = f(a) + (x a) f (a) +! (x a)2 f (a) + 2! (x a)3 f (a) ! Deze machtreeks wordt de reeksontwikkeling van Taylor voor de gegeven functie genoemd. In het speciale geval waarin a = spreken we van de reeksontwikkeling van MacLaurin. Voorbeeld 4. Voor f(x) = sin(x) zien we dat de reeksontwikkeling van MacLaurin gegeven wordt door sin(x) = x x3 3! + x5 5! x7 7! Voorbeeld 5. Op dezelfde wijze berekenen we dat cos(x) = x2 2 + x4 4! x6 6! +..., en dat de exponentiële functie gegeven wordt door de reeksontwikkeling e x = + x! + x2 2! + x3 3! Oefening 6. Bereken de reeksontwikkeling van MacLaurin voor de functie y = x. Oefening 7. Bereken de reeksontwikkeling van Taylor voor de functie y = lnx rond het punt a =. Oefening 8. Bereken de reeksontwikkeling van Taylor voor de functie f(x) = sin(x) rond het punt a = π. Bereken hiermee de sinus van een hoek van 62 graden. 3 Versie. 3 oktober 24
80 8 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie. 3 oktober 24
81 ÀÓÓ ØÙ ÓÑÔÐ Ü Ø ÐÐ Ò. Definitie We hebben in wat voorafgaat steeds gewerkt met de verzameling van de reële getallenê. We hebben gezien dat het kwadraat van een dergelijk reëel getal x steeds positief is, en dat er bijgevolg geen enkel reëel getal x bestaat waarvoor x 2 + =, of x 2 =. Om een algemene kwadratische vergelijking ax 2 + bx + c = op te lossen berekent men eerst de discriminant van deze vergelijking. Dit is het reëel getal dat gegeven wordt door D = b 2 4ac. Indien deze discriminant D positief is, kunnen we hieruit de vierkantswortel D trekken, en we weten dan dat de oplossingen van de vierkantsvergelijking gegeven worden door de reële getallen b + D, 2a b D. 2a Indien D negatief is, kunnen we geen vierkantswortel uit D trekken (er bestaat dan geen reëel getal x waarvoor x 2 = D) en we vinden in dit geval dan ook geen reële oplossingen van de vierkantsvergelijking. Versie. 8 3 oktober 24
82 82 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Om deze problemen op te lossen voeren we in dit hoofdstuk een nieuwe verzameling van getallen in, die we complexe getallen zullen noemen. Hiervoor voeren we eerst een nieuw getal in, dat we met j zullen aanduiden en waarvan we eisen dat j 2 =. Definitie. Een complex getal is een uitdrukking van de vorm a + bj, waarbij a en b willekeurige reële getallen zijn. Indien z = a + bj een complex getal is noemen we a = Re(z) het reëel deel van z, en bj = Im(z) het imaginair deel van z. Indien b = is z = a een reëel getal, indien a = noemen we z = bj een imaginair getal. De verzameling van alle complexe getallen noteren we met het symbool. Voor elk complex getal z = a+bj kunnen we tenslotte een complex getal z = a + bj = a bj definiëren, dat we de complex toegevoegde van z noemen. 2. Rekenen met complexe getallen Definitie 2. Stel dat z = a + bj en z 2 = c + dj twee complexe getallen zijn. Dan is z + z 2 = (a + c) + (b + d)j, z z 2 = (a c) + (b d)j, z z 2 = (ac bd) + (ad + bc)j, z z 2 = ac + bd bc ad c d2 c 2 + d 2 j. Deze definities tonen aan dat we met complexe getallen kunnen rekenen op ongeveer dezelfde wijze als met reële getallen. We beschouwen hierbij het symbool j als een onbekend getal in de uitdrukkingen, maar vervangen steeds j 2 door - waar dit mogelijk is. Voorbeeld. Als we deze techniek toepassen zien we dat (a + bj)(c + dj) = ac + bcj + adj + bdj 2 = ac + bcj + adj bd = (ac bd) + (ad + bc)j. Op dezelfde wijze vinden we dat a + bj c + dj = (a + bj)(c dj) (c + dj)(c dj) = (ac + bd) + (bc ad)j c 2 + d 2 = ac + bd bc ad + c 2 + d2 c 2 + d j. 2 Met behulp van de complexe getallen kunnen we nu vierkantsvergelijkingen oplossen waarvan de discriminant negatief is. We vinden in dit geval twee complexe oplossingen. Versie. 3 oktober 24
83 Hoofdstuk 9. Complexe getallen 83 Voorbeeld 2. De vergelijking x 2 x + 26 = heeft discriminant D = = 4 = (±2j) 2. De (complexe) oplossingen van deze vierkantsvergelijking zijn dan gegeven door + 2j 2 = 5 + j, 2j 2 = 5 j. Deze oplossingstechniek voor kwadratische vergelijkingen kadert in een veel breder toepassingsgebied. Een belangrijk resultaat uit de algebra leert ons immers dat elke veeltermvergelijking a n x n + a n x n a x + a =, (met a n, a n complexe getallen) exact n complexe getallen als oplossingen heeft. Indien alle coëfficiënten a, a,..., a n bovendien reëel zijn, komen deze oplossingen in paren voor: als a + bj een oplossing is, is ook de complex toegevoegde a bj een oplossing. 3. Grafische voorstelling Elk complex getal z = a + bj wordt voorgesteld door een punt in het vlak met coördinaten (a, b). Op deze wijze bekomen we het complexe vlak of het diagram van Argand. 2i 3+2i -+i i 2+i i -2i -2i 2-2i Figuur 38. Enkele complexe getallen en hun grafische voorstelling. De som en het verschil van complexe getallen kunnen dan grafisch worden voorgesteld als volgt. Versie. 3 oktober 24
84 84 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken c+di (a+bi)+(c+di) (a+bi)-(c+di) (a+bi) a+bi c+di Figuur 39. Som en verschil van complexe getallen. 4. Goniometrische voorstelling Definitie 3. De modulus van een complex getal z = a + bj wordt gegeven door z = z z = a 2 + b 2. Het argument van het complex getal is de hoek θ die gevormd wordt door de x-as en de geöriënteerde rechte door en z. b (a+bi) a+bi = r θ a Figuur 4. Modulus en argument van een complex getal. Stel nu dat z een complex getal is met modulus r en argument θ. Het is dan duidelijk uit de bijgevoegde figuur dat a = r cos θ, b = r sin θ, en het complex getal z kan bijgevolg geschreven worden als z = r(cosθ + j sin θ). Deze schrijfwijze noemen we de goniometrische voorstelling van een complex getal. Versie. 3 oktober 24
85 Hoofdstuk 9. Complexe getallen 85 Om de goniometrische voorstelling van een complex getal z = a + bj te berekenen merken we op dat r = a 2 + b 2, tg θ = b a. Het argument θ is door deze formule echter niet eenduidig bepaald, omdat tg(θ + π) = tg θ. Als we echter rekening houden met het kwadrant waarin het punt a+bj zich bevindt, kunnen we θ wel volledig bepalen. Voorbeeld 3. Om de goniometrische vorm te bepalen van het complex getal z = j merken we op dat z = + = 2, tg θ =. Bijgevolg is θ = 3π 4 of θ = 7π 4. Omdat het getal j echter in het vierde kwadrant ligt, weten we dat 3π 2 θ 2π, en bijgevolg is θ = 7π 4. De goniometrische vorm van z = j wordt dan gegeven door ( 2 cos( 7π ) 4 ) + j sin(7π 4 ). Het nut van de goniometrische voorstelling van complexe getallen blijkt uit de volgende stelling. Stelling. Stel dat z = r (cos θ + j sin θ ) en z 2 = r 2 (cos θ 2 + j sin θ 2 ) twee complexe getallen zijn. Dan is z z 2 = r r 2 (cos(θ + θ 2 ) + j sin(θ + θ 2 )), z = r (cos(θ θ 2 ) + j sin(θ θ 2 )). z 2 r 2 Bijgevolg geldt voor elk natuurlijk getal n dat z n = r n (cos θ + j sin θ) n = r n (cos(nθ) + j sin(nθ)). Deze laatste uitdrukking wordt de formule van de Moivre genoemd. We kunnen de formule van de Moivre gebruiken om n-de machtswortels uit een complex getal z = a + bj te trekken, dit wil zeggen om complexe getallen w te zoeken waarvoor geldt dat w n = z, of de oplossingen te zoeken van de vergelijking x n = a + bj. Stel hiervoor dat z = r(cos θ + j sin θ) de goniometrische vorm is van het complex getal a + bj. Het is dan duidelijk dat de getallen r n (cos( θ + 2πk n ) + j sin( θ + 2πk )), k =,,..., n, n de n-de machtswortels zijn uit het complex getal z. Deze complexe getallen vormen een regelmatige n-hoek in het complexe vlak. Versie. 3 oktober 24
86 86 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld 4. Om de derdemachtswortels te berekenen uit het getal z = 8j berekenen we eerst de goniometrische vorm van dit getal. Deze wordt gegeven door De derdemachtswortels van dit getal zijn dan 8j = 8(cos π 2 + j sin π 2 ). 2(cos π 6 + j sin π 6 ), 2(cos 5π 6 + j sin 5π 6 ), 2(cos 9π 6 + j sin 9π 6 ). Voorbeeld 5. De vierkantsvergelijking x 2 + 2jx + j = heeft discriminant D = (2j) 2 4j = 4 4j. Om de oplossingen van de vergelijking te bepalen moeten we de vierkantswortels uit deze discriminant berekenen. De goniometrische vorm van de discriminant wordt gegeven door en de vierkantswortels zijn bijgevolg D = 8(cos 5π 4 + j sin 5π 4 ), w = 4 8(cos 5π 8 + j sin 5π 8 ), w 2 = 4 8(cos 3π 3π + j sin 8 8 ). De oplossingen van de vierkantsvergelijking zijn daarom van de vorm 2j + w, 2 2j + w 2. 2 Voorbeeld 6. De getallen cos 2πk 2πk + j sin, k =,,..., n, n n vormen de n-de machtswortels uit het getal (met modulus r = en argument θ = ), en dus de n verschillende oplossingen van de vergelijking x n =. Figuur 4. De zesde machtswortels uit en de vijfde machtswortels uit j. Versie. 3 oktober 24
87 Hoofdstuk 9. Complexe getallen Exponentiële voorstelling In Hoofdstuk 8 zagen we dat sin θ = θ θ3 3! + θ5 5! θ7 7! +..., cos θ = θ2 2! + θ4 4! θ6 6! +..., e x = + x! + x2 2! + x3 3! Als we in de laatste uitdrukking x vervangen door jθ vinden we de formule van Euler: e jθ = + j θ! + j2θ2 2! + j3θ3 3! +... = θ2 2! + θ4 4! +... ( ) θ + j! θ3 3! + θ5 5! +... = cos θ + j sin θ. We kunnen complexe getallen daarom ook voorstellen op een derde manier, die we meestal de exponentiële voorstelling zullen noemen. Deze voorstelling wordt gegeven door z = r(cos θ + j sin θ) = re jθ = e ln r+jθ, en het is duidelijk dat e x+jy = e x e jy = e x (cosy + j sin y). Deze schrijfwijze voor complexe getallen is zeer interessant voor bepaalde toepassingen, omdat ze ons toelaat op een zeer eenvoudige wijze te rekenen met complexe getallen. We zien immers dat r e jθ r 2 e jθ 2 = r r 2 e j(θ +θ 2 ), r e jθ r 2 e jθ 2 = r r 2 e j(θ θ 2 ), (re jθ ) n = r n e jnθ, en we besluiten dus dat we met complexe getallen in exponentiële voorstelling mogen werken zoals met exponentiële functies met reële exponenten. Bovendien zijn de n-de machtswortels van het getal re jθ gegeven door r n e j θ+2πk n, k =,,..., n. Voorbeeld 7. De formules geven aan dat e jπ = cos π + j sin π =, e 3+j π 2 = e 3 ( cos π 2 + j sin π ) = je 3. 2 Versie. 3 oktober 24
88 88 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie. 3 oktober 24
89 ÀÓÓ ØÙ ½¼ ÇÒ Ô Ð ÒØ Ö Ø. Inleiding In wat voorafgaat hebben we de afgeleide functie van een reële functie y = f(x) ingevoerd. In dit hoofdstuk zullen we de inverse bewerking van het berekenen van de afgeleide functie invoeren. We zoeken, met andere woorden, de functies F(x) waarvan de afgeleide een gegeven functie f(x) is. Deze bewerking, die we (onbepaalde) integratie noemen, zal een centrale rol spelen bij het oplossen van differentiaalvergelijkingen. Elke reële functie F(x) waarvoor geldt dat df dx = F (x) = f(x) wordt een onbepaalde integraal of een primitieve functie van f genoemd. Een primitieve functie is duidelijk niet uniek. Immers, indien F een primitieve functie is van de functie f en C een willekeurige reële constante, dan is de functie F(x)+C opnieuw een primitieve functie van f(x). We bekomen met andere woorden een ganse familie van primitieve functies van de vorm F(x) + C, waarbij F(x) een primitieve functie is en C een willekeurige constante, die we een integratieconstante noemen. De verzameling van alle primitieve functies wordt meestal de onbepaalde integraal genoemd, en deze wordt aangeduid met f(x)dx = F(x) + C. Versie maart 27
90 9 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld. De functie f(x) = 2x heeft de functie F(x) = x 2 als een primitieve functie. Elke functie van de vorm x 2 + C is echter ook een primitieve functie, en we zeggen dat 2xdx = x 2 + C. In de rest van dit hoofdstuk worden een aantal technieken verzameld die kunnen worden gebruikt om, voor bepaalde types van functies, de onbepaalde integraal te berekenen. 2. Basisintegralen Ê De volgende integralen kunnen onmiddellijk worden berekend aan de hand van de formules voor afgeleiden die we in vorige hoofdstukken hebben verzameld. (f(x) ± g(x))dx = f(x)dx ± g(x)dx, af(x)dx = a f(x)dx, a f (x)dx = f(x) + C, x n dx = xn+ n + + C, n Ê, x dx = dx = ln x + C, x sin xdx = cos x + C, cos xdx = sin x + C, cos 2 dx = tg x + C, x sin 2 dx = cotg x + C. x f (x) dx = ln f(x) + C, f(x) sin x tg xdx = dx = ln cos x + C, cos x cos x cotg xdx = dx = ln sin x + C, sin x e x dx = e x + C, a x dx = ax lna + C, dx = arcsin x + C, x 2 dx = arctg x + C. + x2 Versie.4 9 maart 27
91 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie 9 Volgende integralen zullen verder in dit hoofdstuk berekend worden, maar kunnen in praktische problemen eventueel ook als basisintegralen worden beschouwd. a 2 + x dx = 2 a arctg x a + C, a 2 x 2 dx = 2a 3. De substitutiemethode ln a + x a x + C, x 2 a 2dx = a ln x 2a x + a + C, a2 x dx = arcsin x 2 a + C, x2 ± a 2dx = ln x + x 2 ± a 2 + C, sin x dx = ln cotg x + C, sin x cos x dx = ln + tg x + C. cos x Eén van de meest fundamentele en meest gebruikte methodes bij het berekenen van een onbepaalde integraal is de substitutiemethode. Hierbij tracht men de variabele x te vervangen door een nieuwe variabele t. Indien deze nieuwe variabele oordeelkundig wordt gekozen, kan de oorspronkelijke onbepaalde integraal vaak herleid worden tot een onbepaalde integraal van een eenvoudiger type, die met een andere methode kan worden opgelost. Stel dus dat we een functie f(x) gegeven krijgen, en dat we f(x)dx moeten berekenen. Indien we een nieuwe variabele t definiëren door te stellen dat x = ϕ(t), zien we dat dx = ϕ (t)dt. We kunnen de oorspronkelijke integraal dan vervangen door f(ϕ(t))ϕ (t)dt. Als we deze onbepaalde integraal kunnen berekenen, bekomen we een primitieve functie F(t) + C, waarin we t tenslotte vervangen door ϕ (x). Voorbeeld 2. Om de onbepaalde integraal x + 5 dx te berekenen stellen we x + 5 = t, of x = t 5. Versie.4 9 maart 27
92 92 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken We zien dan dat dx = dt, en de te berekenen integraal levert ons dt = ln t + C. t Als we t opnieuw vervangen door t = x + 5 vinden we dx = ln x C. x + 5 Voorbeeld 3. We berekenen sin 2xdx. We stellen eerst dat en bijgevolg is 2x = t, x = 2 t, dx = 2 dt. De integraal wordt dan 2 sin tdt = cos t + C, 2 en opnieuw t vervangen levert ons sin(2x)dx = cos 2x + C. 2 Voorbeeld 4. We berekenen dx a 2 + x = 2 a 2 dx + ( ) x 2. a De substitutie x = t, x = at, dx = adt, a levert dan de integraal dt a + t 2 = arctg t + C. a Als we t opnieuw vervangen, vinden we a arctg(x a ) + C. Voorbeeld 5. Berekenen we vervolgens x cos x 2 dx. De substitutie levert ons x 2 = t, 2xdx = dt, cos t 2 dt = 2 sin t + C = 2 sin x2 + C. Versie.4 9 maart 27
93 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie Partiële integratie De afgeleide van een product van twee functies wordt gegeven door (f(x)g(x)) = f (x)g(x) + f(x)g (x), en dit impliceert onmiddellijk dat f (x)g(x)dx = (f(x)g(x)) dx f(x)g (x)dx = f(x)g(x) f(x)g (x)dx. We kunnen met andere woorden een integraal van een product van twee functies vervangen door een andere integraal, waarbij we één der factoren hebben geïntegreerd, en de andere hebben afgeleid. We moeten hierbij wel een correctieterm invoeren, waarvoor echter geen integratie meer vereist is. Indien de functies f (x) en g(x) oordeelkundig worden bepaald, zal de resterende onbepaalde integraal vaak eenvoudiger te berekenen zijn dan de oorspronkelijke. Voorbeeld 6. Om de integraal x sinxdx te berekenen stellen we Dan volgt onmiddellijk dat f (x) = sin x, g(x) = x. f(x) = cos x, g (x) =, en dus is x sinxdx = x cos x + cos xdx = x cos x + sin x + C. Voorbeeld 7. We berekenen xe x dx. We stellen daarvoor Dan is en bijgevolg is f (x) = e x, g(x) = x. f(x) = e x, g (x) =, xe x dx = xe x e x dx = xe x e x + C. Voorbeeld 8. We berekenen x 2 lnxdx. Versie.4 9 maart 27
94 94 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken We stellen hierbij en we bekomen f (x) = x 2, f(x) = x3 3, x 2 lnxdx = x3 3 lnx x 2 3 g(x) = lnx, g (x) = x, dx = x3 3 lnx x3 9 + C. We kunnen deze methode ook gebruiken voor het berekenen van integralen van een aantal functies waarvan we enkel de afgeleide kennen. Voorbeeld 9. Om de integraal arctg xdx te berekenen stellen we en dus is We bekomen dan We voeren vervolgens een substitutie uit f (x) =, g(x) = arctg x, f(x) = x, g (x) = + x 2. arctg xdx = x arctg x x + x 2dx. t = x 2 +, dt = 2xdx, en we bekomen x + x 2dx = 2 t dt = ln t + C 2 = 2 ln + x2 + C. We besluiten dat arctg xdx = x arctg x 2 ln + x2 + C. In sommige gevallen wordt de integraal na partiële integratie niet eenvoudiger maar blijft hij van hetzelfde type. In deze gevallen kan men vaak, door het tweemaal toepassen van partiële integratie, een uitdrukking bekomen waarin de gezochte integraal zowel in het linkerals in het rechterlid voorkomt, met een verschillende coëfficiënt. Men kan de integraal in dat geval uit deze uitdrukking berekenen. Versie.4 9 maart 27
95 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie 95 Voorbeeld. We berekenen e x sin 2xdx. We stellen daarvoor en dus is We vinden dus dat f (x) = e x, g(x) = sin 2x, f(x) = e x, g (x) = 2 cos 2x. e x sin 2xdx = e x sin 2x 2 e x cos 2xdx. Op dezelfde manier kunnen we nu e x cos 2xdx berekenen door te stellen dat en waarbij we vinden dat f (x) = e x, g(x) = cos 2x, f(x) = e x, g (x) = 2 sin 2x, e x cos 2xdx = e x cos 2x + 2 e x sin 2xdx. Als we dit invullen vinden we dat e x sin 2xdx = e x sin 2x 2e x cos 2x 4 e x sin 2xdx, waaruit volgt dat e x sin 2xdx = 5 (ex sin 2x 2e x cos 2x) + C. 5. Integratie van rationale functies Een rationale functie is van de vorm f(x) = P n(x) Q m (x), waarbij P n (x) een veelterm is van graad n en Q m (x) een veelterm van graad m. In deze paragraaf zullen we aantonen dat we elke rationale functie kunnen integreren. We zullen dit doen door de rationale functie te herschrijven als een som van een veeltermfunctie en een stel eenvoudigere, rationale functies, die we partiële breuken noemen. We kunnen dan de integraal van de rationale functie berekenen als de som van de integralen van de verschillende componenten. We zullen dus veronderstellen dat we een rationale functie f(x) = P n(x) Q m (x) gegeven krijgen, waarvan we de onbepaalde integraal moeten berekenen. We gaan hierbij te werk in een aantal opeenvolgende stappen. Versie.4 9 maart 27
96 96 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken. Graad van de teller groter dan of gelijk aan graad van de noemer Indien n m wordt de rationale functie oneigenlijk genoemd. We kunnen een oneigenlijke rationale functie steeds schrijven als een som P n (x) Q m (x) = R n m(x) + S(x) Q m (x) van een veeltermfunctie R n m (x) van graad n m en een eigenlijke rationale functie, dit is een rationale functie waarvoor de graad van de teller kleiner is dan die van de noemer. We voeren hiervoor een Euclidische deling van de veeltermen P n en Q m uit. De veelterm R n m (x) is dan het quotiënt van deze deling, terwijl S de rest vormt. De berekening van de integraal van een oneigenlijke rationale functie is bijgevolg herleid tot de berekening van de integraal van de veeltermfunctie en de integraal van een eigenlijke rationale functie. Voorbeeld. De oneigenlijke rationale functie f(x) = x2 x +, kan geschreven worden als Bijgevolg is f(x) = (x ) + x +. x 2 x + dx = = = x2 2 ((x ) + x + )dx (x )dx + x + dx x + ln x + + C. Voorbeeld 2. Op dezelfde manier schrijven we x 4 + 2x x 2 + = (x 2 + ) + x 2 +, en bijgevolg is x 4 + 2x x 2 + dx = x3 3 + x + arctg(x) + C. Versie.4 9 maart 27
97 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie Splitsing in partiële breuken Elke eigenlijke rationale functie kan vervolgens geschreven worden als een som van één of meerdere partiële breuken. Dit zijn eenvoudige rationale functies van de vorm A (ax + b) n, waarbij A, a en b reële getallen zijn en n een natuurlijk getal verschillend van, of van de vorm Ax + B (ax 2 + bx + c) n, waarbij A, B, a, b en c reële getallen zijn, n een van nul verschillend natuurlijk getal en waarbij de discriminant b 2 4ac van de vergelijking ax 2 + bx + c = negatief is, zodat de kwadratische uitdrukking niet kan worden ontbonden in lineaire factoren (met reële coëfficiënten). Om de verschillende partiële breuken te berekenen waarmee we onze rationale functie schrijven moeten we eerst de noemer Q m (x) van de rationale functie splitsen in factoren a i x + b i van de eerste graad en factoren ā i x 2 + b i x+ c i van de tweede graad die niet verder kunnen worden ontbonden, dus waarvoor de discriminant negatief is. (Dit is, tenminste in theorie, steeds mogelijk.) We vinden dan in het algemeen een ontbinding van de vorm Q m (x) = (a x + b ) n (a 2 x + b 2 ) n2... (a k x + b k ) nk (ā x 2 + b x + c ) n (ā 2 x 2 + b 2 x + c 2 ) n2... (ā l x 2 + b l x + c l ) n l. Voorbeeld 3. De volgende voorbeelden schetsen de ontbinding in factoren van een aantal veeltermen in het hierboven beschreven kader: x 2 4 = (x 2)(x + 2), x 3 x 2 x + = (x ) 2 (x + ), x 4 + 3x = (x 2 + )(x 2 + 2), x 5 + x 4 + 2x 3 + 2x 2 + x + = (x + )(x 2 + ) 2. De bovenstaande ontbinding in factoren van de noemer Q m (x) van de eigenlijke rationale functie laat ons nu toe de rationale functie te schrijven als een som van partiële breuken. Elke factor uit de ontbinding van de noemer zal hierbij aanleiding geven tot één of meerdere termen in deze som. Deze termen worden als volgt bepaald.. Elke lineaire factor van de vorm ax + b die juist één keer voorkomt in de ontbinding geeft aanleiding tot één partiële breuk van de vorm A ax + b. Versie.4 9 maart 27
98 98 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 2. Indien een lineaire factor ax + b in de ontbinding n keer voorkomt, met andere woorden indien we bij de ontbinding in factoren (ax+b) n vinden, geeft dit aanleiding tot een som van n partiële breuken van de vorm A ax + b + A 2 (ax + b) A n (ax + b) n. 3. Elke (niet-ontbindbare) kwadratische factor ax 2 + bx + c die één keer voorkomt in de ontbinding van de noemer geeft aanleiding tot één partiële breuk van de vorm Ax + B ax 2 + bx + c. 4. Als een kwadratische term tenslotte tot de n-de macht voorkomt in de ontbinding, geeft die opnieuw aanleiding tot een som van partiële breuken van de vorm A x + B ax 2 + bx + c + A 2 x + B 2 (ax 2 + bx + c) A nx + B n (ax 2 + bx + c) n. Als we bovenstaande constructie toepassen voor elk van de verschillende factoren in de ontbinding bekomen we uiteindelijk een som van een aantal partiële breuken, waarvan de tellers onbepaalde coëfficiënten bevatten. Deze coëfficiënten moeten dan zó bepaald worden dat de som van al deze partiële breuken gelijk is aan de oorspronkelijke eigenlijke rationale functie. Om deze coëfficiënten te berekenen, zetten we de som van partiële breuken op gelijke noemer (Q m (x)) en vergelijken we de teller van deze uitdrukking met de teller van onze rationale functie. Als we de coëfficiënten van de verschillende machten van x in beide uitdrukkingen gelijk stellen, bekomen we een stelsel van vergelijkingen in de onbepaalde coëfficiënten. Dit stelsel heeft een (unieke) oplossing, die alle onbepaalde coëfficiënten uit onze constructie volledig vastlegt. We kunnen besluiten dat elke eigenlijke rationale functie kan geschreven worden als een som van partiële breuken. Bijgevolg is het probleem van de integratie van rationale functies nu herleid tot het integreren van de verschillende types van partiële breuken. Voorbeeld 4. Om de eigenlijke rationale functie f(x) = x + x 2 4 te integreren zullen we deze eerst ontbinden in partiële breuken. De ontbinding van de noemer wordt gegeven door x 2 4 = (x 2)(x + 2), en we kunnen de functie bijgevolg schrijven als een som van twee partiële breuken x + x 2 4 = A x 2 + B x + 2. Om de onbepaalde coëfficiënten A en B te berekenen zetten we het rechterlid van deze uitdrukking op gelijke noemer en we zien dat x + x 2 4 Ax + 2A + Bx 2B = x 2. 4 Versie.4 9 maart 27
99 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie 99 Als we de coëfficienten van de tellers van deze uitdrukkingen vergelijken, kunnen we besluiten dat { A + B =, 2A 2B =. De oplossing van dit stelsel wordt gegeven door en bijgevolg is A = 3 4, B = 4, x + x 2 4 = 3 4(x 2) + 4(x + 2). We kunnen dan ook stellen dat x + x 2 4 dx = 3 ( 4(x 2) + 4(x + 2) )dx = 3 4 x 2 dx + 4 x + 2 dx = 3 4 ln x 2 + ln x C. 4 Voorbeeld 5. Om de integraal 5x 2 + 3x + 2 x 3 x 2 + x dx te berekenen splitsen we de eigenlijke rationale functie eerst in partiële breuken. De ontbinding van de noemer van deze functie is x 3 x 2 + x = (x 2 + )(x ). De kwadratische term in deze ontbinding heeft negatieve discriminant en is dus niet verder te ontbinden. We kunnen daarom stellen dat 5x 2 + 3x + 2 x 3 x 2 + x = A x + Bx + C x 2 +. Als we het rechterlid op gelijke noemer brengen zien we dat 5x 2 + 3x + 2 x 3 x 2 + x = (A + B)x2 + (C B)x + (A C), x 3 x 2 + x en we besluiten dat Dit stelsel geeft als oplossing A + B = 5, B + C = 3, A C = 2. A = 5, B =, C = 3, Versie.4 9 maart 27
100 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken en bijgevolg is 5x 2 + 3x + 2 x 3 x 2 + x dx = 5 x dx + 3 dx = 5 ln x + 3 arctg x + C. x 2 + Voorbeeld 6. We berekenen 2x 2 + x + 3 (x ) 2 (x + 2) dx. Uit de ontbinding van de noemer van de rationale functie besluiten we dat Op gelijke noemer zetten levert dan 2x 2 + x + 3 (x ) 2 (x + 2) = A x + 2x 2 + x + 3 (x ) 2 (x + 2) en we vinden het stelsel vergelijkingen B (x ) 2 + C x + 2. A(x )(x + 2) + B(x + 2) + C(x )2 = (x ) 2, (x + 2) A + C = 2, A + B 2C =, 2A + 2B + C = 3. Bijgevolg is en dus is 2x 2 + x + 3 (x ) 2 (x + 2) dx = A =, B = 2, C =, x dx + 2 (x ) 2dx + = ln x 2 + ln x C. x x + 2 dx Versie.4 9 maart 27
101 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie 3. Integratie van de partiële breuken We hebben hierboven aangetoond dat elke eigenlijke rationale functie kan gesplitst worden in een som van partiële breuken van verschillende types, en dat het integreren van een rationale functie dus kan herleid worden tot het integreren van partiële breuken. Voor elk van de verschillende types partiële breuken zullen we tenslotte nagaan hoe we deze kunnen integreren. Het eerste type van partiële breuken is van de vorm A ax + b. Om de integraal van dergelijke partiële breuken te berekenen volstaat het een substitutie van de vorm t = ax + b, x = t b a, dx = a dt, toe te passen. Voorbeeld 7. We berekenen De substitutie levert ons dan dat 5 3x + 7 dx. t = 3x + 7, x = t 7 3, dx = 3 dt, 5 3x + 7 dx = 5 3 t dt = 5 ln t + C 3 = 5 ln 3x C. 3 Het tweede type partiële breuken is van de vorm A (ax + b) n, n. De integralen van dergelijke rationale functies kunnen, zoals het eerste type, berekend worden door een substitutie van de vorm t = ax + b. Voorbeeld 8. Om de integraal te berekenen stellen we opnieuw 5 (3x + 7) 6 dx t = 3x + 7. Versie.4 9 maart 27
102 2 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken We vinden dan 5 (3x + 7) 6dx = 5 3 t dt 6 = 5 ( ) 3 5t 5 + C = 3t 5 + C = 3(3x + 7) 5 + C. Het derde type van partiële breuken is van de vorm Ax + B ax 2 + bx + c. Om de integraal van dergelijke rationale functies te berekenen splitsen we deze functie in twee stukken. We schrijven daartoe de teller van de breuk als een veelvoud van de afgeleide van de noemer en een getal, dus Ax + B = α(2ax + b) + β. Het eerste deel van de integraal is dan van de vorm α(2ax + b) ax 2 + bx + c dx = αln ax2 + bx + c + C. Na vooraanstellen van de nodige constanten wordt het tweede deel van de integraal geschreven in de vorm ax 2 + bx + c dx. Door eventueel te vermenigvuldigen met een goed gekozen getal (dat we eveneens buiten de integraal brengen) kunnen we de noemer van deze breuk steeds schrijven in de vorm Een substitutie van de vorm laat ons dan toe deze integraal te berekenen. Voorbeeld 9. De integraal + ( x + λ µ )2. t = x + λ µ 4x + 5 x 2 + 2x + 5 dx. We schrijven eerst en vooral de teller van deze breuk als 4x + 5 = 2(2x + 2) +, Versie.4 9 maart 27
103 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie 3 en bijgevolg is 4x + 5 x 2 + 2x + 5 dx = 2 2x + 2 x 2 + 2x + 5 dx + = 2 ln x 2 + 2x x 2 + 2x + 5 dx x 2 + 2x + 5 dx. Om het tweede deel van deze integraal te berekenen merken we op dat ( x 2 + 2x + 5 = (x + ) = 4( + ( ) ) 2 x + 4 (x + )2 ) = De integraal kan bijgevolg geschreven worden als x 2 + 2x + 5 dx = 4 + ( x+ 2 )2dx. We substitueren hierin en we bekomen 4 t = x +, x = 2t, dx = 2dt, 2 + t 2 2dt = 2 arctg t + C = 2 arctg x + + C. 2 De volledige integraal is dus van de vorm 4x + 5 x 2 + 2x + 5 dx = 2 ln x2 + 2x arctg x + + C. 2 Het laatste type van partiële breuken is van de vorm Ax + B (ax 2 + bx + c) n, n. In dit geval kunnen we opnieuw de teller schrijven als Ax + B = α(2ax + b) + β, waardoor we de integraal in twee delen kunnen opsplitsen. Het eerste deel is van de vorm α(2ax + b) (ax 2 + bx + c) n dx = α ( n + )(ax 2 + C. + bx + c) n Voor de integratie van het tweede deel passen we dezelfde techniek toe die we hebben gebruikt bij het vorige type. Na substitutie en vooraanstellen van de nodige constanten bekomen we dan een integraal van de vorm ( + t 2 ) n dt. Deze integraal kan worden opgelost door middel van een goniometrische substitutie, die we verderop in dit hoofdstuk zullen behandelen. Versie.4 9 maart 27
104 4 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld 2. De integraal 4x + 5 (x 2 + 2x + 5) 2 dx. We schrijven eerst en vooral de teller van deze breuk opnieuw als en bijgevolg is 4x + 5 (x 2 + 2x + 5) 2dx = 2 4x + 5 = 2(2x + 2) +, 2x + 2 (x 2 + 2x + 5) 2dx + 2 = x 2 + 2x (x 2 + 2x + 5) 2dx (x 2 + 2x + 5) 2 dx. Om het tweede deel van deze integraal te berekenen merken we opnieuw op dat ( x 2 + 2x + 5 = (x + ) = 4( + ( ) ) 2 x + 4 (x + )2 ) = De integraal kan bijgevolg geschreven worden als (x 2 + 2x + 5) 2dx = 6 ( + ( x+ 2 )2) 2 dx. We substitueren hierin en we bekomen t = x +, x = 2t, dx = 2dt, 2 6 ( + t 2 ) 2dt = 2 8 ( + t 2 ) 2dt. Deze laatste integraal kan worden berekend door middel van een goniometrische substitutie t = tg u. Deze techniek wordt later in dit hoofdstuk behandeld. Versie.4 9 maart 27
105 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie 5 6. Integratie van goniometrische functies Voor het integreren van goniometrische functies bestaan er, naast de hierboven behandelde standaardmethodes (basisintegralen, substitutie en partiële integratie), een aantal bijzondere technieken, waarvan we er in deze paragraaf enkele behandelen. Een eerste techniek maakt gebruik van gekende relaties (goniometrische identiteiten) tussen verschillende goniometrische functies (zoals de verdubbelingsformules en de formules van Simpson) om een gegeven functie te herleiden tot een goniometrische functie waarvan de integraal kan worden berekend door andere technieken. De meest gebruikte formules worden in de volgende tabel samengevat: sin 2 α = ( cos 2α), 2 cos 2 α = ( + cos 2α), 2 + tg 2 α = cos 2 α, sin α cos β = (sin(α + β) + sin(α β)), 2 sin α sin β = (cos(α + β) cos(α β)), 2 cos α cos β = (cos(α + β) + cos(α β)). 2 Voorbeeld 2. We kunnen deze formules gebruiken om aan te tonen dat sin 2 xdx = ( cos 2x)dx 2 = dx cos 2xdx 2 2 = 2 x sin 2x + C. 4 Voorbeeld 22. Verder is ook sin 2x cos3xdx = 2 sin 5x + sin( x)dx = cos 5x + cos x + C. 2 Een andere speciale klasse van integralen van goniometrische functies is van de vorm sin n x cos m xdx, waarbij minstens één van de exponenten n of m oneven is. We veronderstellen dat m oneven is. Dan is m een even getal, en we kunnen deze integraal dan schrijven als sin n x cos m x cos xdx = sin n x( sin 2 x) m 2 cos xdx. Versie.4 9 maart 27
106 6 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Een substitutie van de vorm t = sin x, dt = cos xdx, herleidt dergelijke integralen tot integralen van rationale functies. Dezelfde techniek kan ook worden gebruikt voor het integreren van functies van de vorm R(sinx) cosxdx, R(cosx) sinxdx, waarbij R een rationale functie is. Voorbeeld 23. Om de integraal sin 2 x cos 3 xdx = sin 2 x( sin 2 x) cos xdx te berekenen voeren we een substitutie uit van de vorm t = sin x, dt = cos xdx. We bekomen dan t 2 ( t 2 )dt = t3 3 t5 5 + C = sin3 x 3 sin5 x 5 + C. Voorbeeld 24. We berekenen cos x dx. Indien we in teller en noemer van de functie met cos x vermenigvuldigen vinden we cos x dx = cos x sin 2 x dx. De substitutie levert ons dan t = sin x, en deze rationale functie integreren geeft cos x dx = dt = cos xdx, t 2 dt, 2 ln + t 2 ln t + C = + sin x ln 2 sin x + C. Een laatste methode voor het integreren van goniometrische functies maakt gebruik van de substitutie (soms de t-formules genoemd) t = tg x 2, x = 2 arctg t, dx = 2 + t 2dt. Versie.4 9 maart 27
107 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie 7 Het is dan eenvoudig in te zien dat sin x = 2t t2 2t, cos x =, tg x = + t2 + t2 t. 2 Als we deze substitutie toepassen kunnen we de goniometrische functie herleiden tot een rationale functie, waarvoor de techniek uit vorige paragraaf steeds een oplossing oplevert. Deze methode laat ons bijgevolg toe elke goniometrische integraal te berekenen, maar we dienen hierbij op te merken dat, in sommige gevallen, de berekening zeer ingewikkeld kan worden. Voorbeeld 25. We berekenen De substitutie t = tg x 2 levert ons dan sin x dx. + t 2 sin x dx = 2t = t dt = ln t + C 2 + t 2 dt = ln tg x 2 + C. Voorbeeld 26. Op dezelfde manier vinden we dat ( + t 2 sin 2 x dx = ) 2 2 4t 2 + t dt 2 + t 2 = 2 = 2 t 2 dt + 2 = t 2 2t + C dt t 2dt = 2 tg x 2 2 cotg x 2 + C. Versie.4 9 maart 27
108 8 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 7. Goniometrische substituties We weten dat de goniometrische functies sinx, cos x en tg x aan de volgende identiteiten voldoen: sin 2 x = cos 2 x, + tg 2 x = cos 2 x, cos 2 x = tg2 x. Stel nu dat we een (irrationale) functie moeten integreren waarvan één der componenten van de vorm a2 b 2 x 2 is. Als we dan een substitutie van de vorm x = a sin t, b dx = a cos tdt, b toepassen, wordt deze component van de vorm a 2 b 2 a2 b 2 sin2 t = a 2 a 2 sin 2 t = a cost. We kunnen bijgevolg een wortelvorm uit onze functie verwijderen door gebruik te maken van een dergelijke substitutie. Om te berekenen hoe t wordt uitgedrukt als functie van x merken we op dat sin t = bx a. Als we t beschouwen als één van de hoeken van een rechthoekige driehoek, kunnen we hieruit afleiden dat bx de lengte van de overstaande rechthoekszijde en a de lengte van de schuine zijde van de driehoek moeten zijn. De lengte van de aanliggende rechthoekszijde wordt dan gegeven door a 2 b 2 x 2. We kunnen nu alle andere goniometrische functies hieruit afleiden. a bx t (a 2 - b 2x 2) Figuur 42. Inverse van een sinus- of cosinus-substitutie. Versie.4 9 maart 27
109 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie 9 Voorbeeld 27. Om de integraal 4 x2 dx te berekenen gebruiken we een substitutie van de vorm x = 2 sin t, dx = 2 costdt. De integraal wordt dan 4 cos 2 tdt = sin 2t + 2t + C = 2 sintcost + 2t + C. Uit Figuur 43 volgt dat en de integraal wordt bijgevolg cos t = 4 x 2, 2 4 x2 dx = 2 x 4 x arcsin x 2 + C. 2 x t (4-x 2 ) Figuur 43. Berekenen van de omgekeerde substitutie. Indien de functie een component bevat van de vorm a2 + b 2 x 2, passen we een goniometrische substitutie toe waarbij x = a tg t, b dx = a b cos 2 t dt. In dit geval wordt deze component vervangen door a 2 + b 2 a2 b 2 tg2 x = en opnieuw is de wortelvorm bijgevolg verdwenen. a 2 + a 2 tg 2 t = a cost, Versie.4 9 maart 27
110 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken (a 2 + b 2 x 2 ) t a Figuur 44. Inverse substitutie van de tangens-substitutie. bx Voorbeeld 28. Om de integraal (4 + x 2 ) 3 2 dx te berekenen stellen we We bekomen dan x = 2 tg t, dx = 2 cos 2 t dt. ( ) cos 2 t cos 2 t dt = 4 cos tdt = 4 sin t + C = 4 x 4 + x 2 + C. De goniometrische substitutie x = tg t, dx = cos 2 t dt, kan ook gebruikt worden voor het integreren van de partiële breuken van de vorm ( + x 2 ) n dx, die de laatste klasse van partiële breuken vormen waarvoor we een integratiemethode moeten zoeken. Indien er tenslotte een component b2 x 2 a 2 aanwezig is, stellen we een goniometrische substitutie voor van de vorm x = a b cost, dx = a b sin t cos 2 t dt. Deze component wordt dan vervangen door b 2 a 2 b 2 cos 2 t a2 = a 2 en opnieuw is de wortelvorm bijgevolg verdwenen. cos 2 t a2 = a tg x, Versie.4 9 maart 27
111 Hoofdstuk. Onbepaalde integratie bx t a (b x -a ) Figuur 45. Inverse substitutie bepalen. Voorbeeld 29. We berekenen (x 2 4) 3 2 dx. We stellen hiervoor en we vinden Uit Figuur 45 volgt dat x = 2 cos t, (4 tg 2 t) 3 2 en de integraal wordt dus gegeven door 2 sint dx = cos 2 t dt, 2 sin t cos 2 t dt = cos t 4 sin 2 t dt = 4 sin t + C. sin t = x2 4 x x 4 x C. 8. Integratie van irrationale functies Een andere klasse van functies waarvoor we een speciale integratietechniek kunnen gebruiken is de familie van irrationale functies die een component van de vorm n ax + b bevatten. In dit geval kunnen we een substitutie uitvoeren van de vorm z n = ax + b, x = zn b a, dx = nzn dz, a waardoor de integraal herleid wordt tot een integraal van een rationale functie. Versie.4 9 maart 27
112 2 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld 3. Om de integraal te berekenen stellen we x x dx z 2 = x, x = z 2 +, dx = 2zdz, waardoor de integraal kan berekend worden als 2z (z 2 + ) z dz = z 2 dz = 2 arctg z + C = 2 arctg x + C. We kunnen tenslotte ook functies integreren die een component van de vorm ax2 + bx + c bevatten. We kunnen dit doen door deze functie te herleiden tot een uitdrukking van de vorm + z2, z2, z2, z2. In elk van deze gevallen kan men de wortelvorm dan laten verdwijnen door het uitvoeren van een goniometrische substitutie. Voorbeeld 3. Het is eenvoudig in te zien dat Bijgevolg is Als we nu een substitutie doorvoeren, bekomen we 5 4x x 2 = 5 (x 2 + 4x) 5 4x x2 dx = = 5 (x + 2) = 9 (x + 2) 2 ( ( ) ) 2 x + 2 = 9. 3 ( ) 2 x dx. 3 z = x + 2, x = 3z 2, dx = 3dz, 3 9 z 2 dz, en deze integraal kan worden opgelost door een goniometrische substitutie z = sin u, dz = cos udu. Versie.4 9 maart 27
113 ÀÓÓ ØÙ ½½ Ô Ð ÒØ Ö Ø. Definitie en basiseigenschappen Beschouwen we een (stuksgewijs) continue functie y = f(x) die gedefinieerd is op het interval [a, b]. We kunnen het interval dan opdelen in n stukken door de keuze van n punten in het inwendige van het interval, De lengte van elk interval geven we aan met a = ξ < ξ < ξ 2 <... < ξ n < ξ n = b. i = ξ i ξ i, i =, 2,..., n. We kiezen verder in elk dergelijk deelinterval een willekeurig punt, dat we aanduiden met x i [ξ i, ξ i ], i =, 2,..., n. Versie. 3 december 24
114 4 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken y=f(x) ξ= a x ξ x2 ξ2 ξ n= b 2 Figuur 46. Bepaalde integraal van een functie. We definiëren tenslotte een som S n = n f(x i ) i = f(x ) + f(x 2 ) f(x n ) n. i= Stel nu dat we het aantal beschouwde deelintervallen n onbeperkt laten toenemen (we nemen dus de limiet voor n + ), en er voor zorgen dat de lengte van elk deelinterval hierbij nadert naar. Men kan dan aantonen dat de limietwaarde voor de som S n bestaat, en bovendien niet afhangt van de gekozen verdeling van het interval of van de keuze van het punt x i in elk deelinterval. We noemen deze limietwaarde de bepaalde integraal van de functie y = f(x) tussen de punten x = a en x = b, en we noteren dit met b a f(x)dx = lim n + S n. Voorbeeld. Beschouwen we de functie y = x en de grenswaarden a = en b = 4. Als we het interval in n gelijke delen verdelen, wordt de lengte van elk deelinterval gegeven door = 2 =... = n = 4 n. De grenswaarden van de deelintervallen worden gegeven door ξ =, ξ = 4 n, ξ 2 = 2 4 n,..., ξ i = i 4 n,..., ξ n = n 4 n = 4. In elk interval kiezen we tenslotte het punt x i = ξ i = 4i, i =, 2,..., n. n Versie. december 24
115 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 5 Het is dan eenvoudig na te gaan dat Het is dan ook duidelijk dat 4 S n = n f(x i ) i i= n 4i 4 = n n i= = 6 n n 2 i i= = 6 n(n + ) n 2 2 = 8(n2 + n). n 2 8(n 2 + n) xdx = lim n + n 2 = 8. Uit de definitie van de bepaalde integraal van een functie kunnen we onmiddellijk een aantal eigenschappen afleiden. Ten eerste is het eenvoudig na te gaan dat Verder is het duidelijk dat en we stellen ook dat b a f(x)dx + a a a c Tenslotte is het ook makkelijk aan te tonen dat b b f(x)dx =. f(x)dx = c b f(x)dx = f(x)dx. a a f(x)dx, b a b kf(x)dx = k f(x)dx, a b a (f(x) ± g(x))dx = b a f(x)dx ± b a g(x)dx. De basisstelling van de integraalrekening legt het verband tussen de bepaalde integraal van een functie en de onbepaalde integraal van deze functie, en laat ons toe de bepaalde integraal van een functie te berekenen aan de hand van een willekeurige primitieve functie van de gegeven functie. De stelling zegt immers dat b a f(x)dx = F(x) b a = F(b) F(a), Versie. december 24
116 6 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken waarbij F(x) een primitieve functie is van f(x), dit wil zeggen dat f(x)dx = F(x) + C. Voorbeeld 2. De functie f(x) = x heeft als primitieve functie F(x) = xdx = x2 2 + C. Bijgevolg is 4 xdx = ( x2 2 + C) 4 = ( C) ( + C) = Oppervlakte van een vlakke figuur Stel dat y = f(x) een (stuksgewijs) continue functie is die overal gedefinieerd is in het interval [a, b]. We veronderstellen ook dat de functie steeds positieve waarden aanneemt in dit interval. We kunnen dan de oppervlakte S berekenen van het gebied begrensd door de grafiek van de kromme, de x-as en de verticale rechten x = a en x = b. Hiervoor splitsen we het interval [a, b] in n stukken door de keuze van n punten a = ξ < ξ < ξ 2 <... < ξ n = b. In elk interval kiezen we vervolgens een willekeurig punt x i [ξ i, ξ i ]. De oppervlakte van het beschouwde gebied wordt dan benaderd door de som van de oppervlakten van de rechthoeken met basis i = ξ i ξ i en hoogte f(x i ), dit wil zeggen door S n = n f(x i ) i. i= Naarmate n groter wordt zullen we een nauwkeuriger benadering vinden voor de gezochte oppervlakte. Anderzijds wordt de limiet van de som, voor n naderend tot oneindig, gegeven door de bepaalde integraal van de functie f(x) tussen a en b. Het is dan ook duidelijk dat b S = lim S n = f(x)dx. n + a Versie. december 24
117 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 7 2 f(x3) f(x2) f(x) ξ=a 3 x ξ x2 ξ2 x3 ξ3 4 x4 f(x4) ξn=b y=f(x) Figuur 47. Oppervlakte van een vlakke figuur. Voorbeeld 3. We berekenen de oppervlakte van een rechthoekige driehoek met basis B en hoogte H. Deze figuur wordt begrensd door de x-as, de rechte y = H B x en de verticale rechte x = B. De oppervlakte wordt bijgevolg gegeven door B H S = B xdx = H x 2 B B 2 = HB 2. Voorbeeld 4. Het gebied begrensd door de kromme y = R 2 x 2 en de x-as (samen met de verticale rechten x = ±R) vormt een halve cirkel. De oppervlakte van dit gebied wordt gegeven door S = +R R R2 x 2 dx = ( R2 2 arcsin x R + 2 x R 2 x 2 ) +R R = πr2 2. De oppervlakte van de cirkel met straal R wordt bijgevolg gegeven door de gekende formule S = πr 2. Indien het oppervlak zowel bovenaan als onderaan wordt begrensd door een functie, wordt de oppervlakte benaderd door de som van de oppervlakten van de rechthoeken met basis i en hoogte f(x i ) g(x i ), n S n = i (f(x i ) g(x i )), i= Versie. december 24
118 8 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken en bijgevolg is S = b a (f(x) g(x))dx. y=f(x) f(x3)-g(x3) f(x2) -g(x2) f(x)-g(x) f(x4) -g(x4) y=g(x) ξ=a x ξ x2 ξ2 x3 ξ3 x4 ξ4=b Figuur 48. Oppervlakte van een figuur tussen twee krommen. Voorbeeld 5. De oppervlakte van het gebied tussen de krommen y = x 2 en y = x wordt gegeven door S = ( x x 2 )dx = 3. In voorgaande berekeningen wordt de gezochte oppervlakte eerst benaderd door een som van oppervlakten van rechthoeken die overeenkomen met een verdeling van een interval. Naarmate de verdeling van het interval fijner wordt, bekomt men een nauwkeuriger benadering van de gezochte oppervlakte. In de limiet komt deze operatie overeen met het berekenen van een bepaalde integraal. Deze techniek zal verder ook gebruikt worden bij de berekening van andere eigenschappen van figuren zoals volumes, lengtes en momenten. Om niet telkens de volledige techniek van opsplitsen, benaderen en berekenen van de limiet te moeten beschrijven zal men in de praktijk vaak werken met elementaire rechthoeken. Dit zijn rechthoeken met een oneindig kleine breedte dx. Men beschouwt met andere woorden onmiddellijk een oneindig fijne verdeling van het interval. Versie. december 24
119 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 9 De bovenstaande berekening van de oppervlakte van een vlakke figuur kan dan als volgt beschreven worden. Voor ieder punt x tussen a en b beschouwt men een elementaire rechthoek met hoogte f(x) en breedte dx. De oppervlakte van deze elementaire rechthoek wordt gegeven door ds = f(x)dx, en de som over alle mogelijke waarden van x wordt berekend als S = b a f(x)dx. y=f(x) a f(x) x dx b Figuur 49. Elementaire rechthoeken en oppervlakteberekening. Versie. december 24
120 2 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 3. Volume van een omwentelingslichaam Een omwentelingslichaam is een figuur in de driedimensionale ruimte die we bekomen als we een vlakke figuur laten wentelen om een as die in dit vlak is gelegen. Beschouwen we nu een kromme gegeven door de functie y = f(x). Als we het gebied tussen de x-as en deze kromme (en de verticale rechten x = a en x = b) laten wentelen rond de x-as bekomen we een omwentelingslichaam. Om het volume van een dergelijk lichaam te berekenen, splitsen we het (vlakke) gebied tussen de kromme y = f(x) en de x-as opnieuw op in rechthoeken. Elk van deze rechthoeken beschrijft dan, bij wenteling rond de x-as, een cilinder. De straal van het grondvlak van deze cilinder wordt gegeven door f(x i ) en de hoogte is i. Het volume van het omwentelingslichaam wordt bijgevolg benaderd door de som van de volumes van de cilinders n i= πf(x i ) 2 i. Als we het aantal rechthoeken naar oneindig laten naderen, vinden we dat het volume van het omwentelingslichaam gegeven wordt door V = π b a f(x) 2 dx. i y=f(x) a b xi f(xi) Figuur 5. Volume van een omwentelingslichaam. Versie. december 24
121 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 2 Opnieuw kunnen we deze berekening eenvoudiger beschrijven als volgt. Voor ieder punt x tussen a en b beschouwen we een elementaire rechthoek met breedte dx en hoogte f(x). Bij wenteling beschrijft deze rechthoek een cilinder met volume en het totale volume wordt dus gegeven door dv = πf(x) 2 dx, b V = π f(x) 2 dx. a Voorbeeld 6. Als we de driehoek, gevormd door de rechte y = R H x, de x-as en de verticale rechte x = H laten wentelen rond de x-as bekomen we een kegel met hoogte H en straal R. Het volume van dit omwentelingslichaam wordt gegeven door V = H ( ) 2 R π H x dx = π R2 H 3 H 2 3 = 3 πr2 H. Voorbeeld 7. Een bol met straal R is een omwentelingslichaam dat we bekomen door de halve cirkel met vergelijking y = R 2 x 2 te laten wentelen rond de x-as. Het volume van de bol wordt gegeven door V = π +R R ( R 2 x 2 ) 2 dx = π +R R (R 2 x 2 )dx = π (R 2 x x3 3 ) +R R = 4 3 πr3. Stel nu dat we een gebied beschouwen dat begrensd wordt door de twee krommen y = f(x) en y = g(x). Uit Figuur 5 kan dan eenvoudig worden afgeleid dat de elementaire rechthoek in het punt x bij wenteling rond de x-as een ringvormig gebied bepaalt, waarvan het volume gegeven wordt door dv = π(f(x) 2 g(x) 2 )dx. Het totale volume van het omwentelingslichaam is bijgevolg gegeven door V = π b a (f(x) 2 g(x) 2 )dx. Versie. december 24
122 22 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken y=f(x) a b dx x f(x) g(x) Figuur 5. Volume van een omwentelingslichaam. Voorbeeld 8. Als we het gebied begrensd door de krommen y = x 2 en y = x laten wentelen rond de x-as, bekomen we een omwentelingslichaam waarvan het volume gegeven wordt door V = π (( x) 2 (x 2 ) 2 )dx = π (x x 4 )dx = 3π. In de bovenstaande gevallen hebben we de figuur opgesplitst in elementaire rechthoeken die loodrecht staan op de omwentelingsas. In sommige gevallen kan het volume makkelijker berekend worden door de vlakke figuur op te splitsen in elementaire rechthoeken die evenwijdig zijn aan de omwentelingsas. Stel dat we twee krommen y = f(x) en y = g(x) gegeven krijgen. Om het volume te berekenen van het omwentelingslichaam dat we bekomen door de vlakke figuur (begrensd door deze krommen) te wentelen rond de y-as, splitsen we het gebied tussen x = a en x = b op in elementaire rechthoeken loodrecht op de x-as. In dit geval vormen de rechthoeken, na wenteling rond de y-as, een buis met straal x, dikte dx en lengte f(x) g(x). Het volume van deze buis wordt gegeven door dv = 2πx(f(x) g(x))dx, en het volume van het omwentelingslichaam wordt bijgevolg gegeven door V = 2π b a x(f(x) g(x))dx. Versie. december 24
123 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 23 a dx x f(x) g(x) b X Figuur 52. Volume van een omwentelingslichaam. Voorbeeld 9. Stel dat we het gebied begrensd door de krommen y = x 2 en y = x laten wentelen rond de y-as, dan bekomen we een omwentelingslichaam met volume 2πx( x x 2 )dx = 3π. 4. Lengte van een kromme Stel nu dat we een vlakke kromme beschouwen, gegeven door de functie y = f(x) tussen de punten x = a en x = b. Om de lengte L van deze kromme te berekenen splitsen we het interval opnieuw op in n stukken, en we benaderen de lengte van de kromme door in elk interval de raaklijn te beschouwen aan de kromme in één van de punten. De lengte van deze lijnstukken wordt gegeven door 2 i + f (x i ) 2 2 i = + f (x i ) 2 i, en de totale lengte van deze lijnstukken is bijgevolg S n = n + f (x i ) 2 i. i= Als we de limiet beschouwen voor n + vinden we dat de lengte van de kromme wordt gegeven door b L = + f (x) 2 dx. a Versie. december 24
124 24 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken i f (xi) i a xi b Figuur 53. Berekening van de booglengte van een vlakke kromme. Voorbeeld. De omtrek van de halve cirkel met straal R wordt gegeven door de lengte van de kromme y = R 2 x 2 tussen x = R en x = R, dit wil zeggen L = +R R + x 2 +R R 2 x dx = 2 R ( x R )2 dx = R arcsin x R We vinden bijgevolg de gekende formule voor de omtrek van de cirkel, L = 2πR. 5. Oppervlakte van een omwentelingslichaam 6. Zwaartepunt van een vlakke figuur +R R = πr. Het moment van een punt met massa m ten opzichte van een gegeven as wordt gedefinieerd als het product van de massa van dit punt met de afstand van het punt tot de as. Het zwaartepunt van een vlakke figuur wordt gedefinieerd als het punt ( x, ȳ) in het vlak waarvoor geldt dat, indien alle massa van de figuur in dit punt wordt geconcentreerd, het moment ten opzichte van een willekeurige as hetzelfde blijft. Het zwaartepunt van een rechthoek komt overeen met het middelpunt van deze rechthoek. Stel nu dat we een vlakke figuur hebben die begrensd wordt door de x-as, de verticale rechten x = a en x = b en de kromme y = f(x). De totale massa M van dit voorwerp komt dan overeen met de oppervlakte, dit wil zeggen dat M = S = b a f(x)dx. Versie. december 24
125 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 25 Als we het zwaartepunt aanduiden met ( x, ȳ) worden de momenten van dit punt ten opzichte van de coördinaat-assen gegeven door M x = Mȳ, M y = M x. Om het moment van de vlakke figuur ten opzichte van de coördinaat-assen te berekenen splitsen we de figuur opnieuw op in elementaire rechthoeken met basis dx en hoogte f(x). Het moment van een dergelijke rechthoek ten opzichte van de x-as wordt gegeven door dm x = f(x) 2 f(x)2 f(x)dx = dx, 2 terwijl het moment ten opzichte van de y-as gegeven wordt door dm y = xf(x)dx. Bijgevolg wordt het totale moment van de figuur gegeven door M x = 2 b a f(x) 2 dx, M y = b a xf(x)dx. We kunnen dan de coördinaten van het zwaartepunt berekenen als volgt: x = M y M, ȳ = M x M. y=f(x) f(x) x (x,f(x)/2) f(x)/2 a x dx b Figuur 54. Moment van een elementaire rechthoek Versie. december 24
126 26 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld. Beschouwen we eerst de rechthoekige driehoek, begrensd door de rechte y = H x, de x-as en de verticale rechte x = B. We hebben reeds berekend dat de oppervlakte B (en dus de totale massa) van deze driehoek gegeven wordt door M = 2 HB. Het moment van deze driehoek ten opzichte van de x-as wordt gegeven door M x = B H x H B H2 xdx = x 2 dx = B 2 B 2B 2 6 H2 B. Het moment van de driehoek ten opzichte van de y-as is M y = B x H B xdx = HB2 3. Het zwaartepunt van de figuur heeft daarom coördinaten x = HB2 3M = 2 3 B, ȳ = H2 B 6M = H 3. Voorbeeld 2. Beschouw het gebied van het eerste kwadrant, begrensd door de parabool y = 4 x 2. De oppervlakte van dit gebied wordt gegeven door S = 2 (4 x 2 )dx = 6 3. Het moment van de figuur ten opzichte van de x-as wordt gegeven door M x = 2 4 x 2 2 (4 x 2 )dx = 28 5, terwijl het moment ten opzichte van de y-as bepaald wordt door M y = 2 x(4 x 2 )dx = 4. Bijgevolg zijn de coördinaten van het zwaartepunt gegeven door x = = , ȳ = = 8 5. Versie. december 24
127 Hoofdstuk. Bepaalde integratie Zwaartepunt van een omwentelingslichaam We beschouwen vervolgens het omwentelingslichaam dat we bekomen door het gebied begrensd door de vlakke kromme y = f(x), de x-as en de verticale rechten x = a en x = b te laten wentelen rond de x-as. Het is duidelijk dat, wegens de symmetrie van de bekomen figuur, het zwaartepunt van dit omwentelingslichaam op de omwentelingsas zal gelegen zijn, dit wil zeggen dat ȳ = z =. Stel nu dat het zwaartepunt van het omwentelingslichaam overeenkomt met het punt ( x,, ). De totale massa van het omwentelingslichaam wordt gegeven door b M = V = π f(x) 2 dx, a en het moment van de figuur ten opzichte van het Y Z-vlak is bijgevolg gelijk aan M yz = M x. Zoals tevoren splitsen we het vlakke gebied op in elementaire rechthoeken met basis dx en hoogte f(x). Bij wenteling rond de x-as bekomen we dan een cilinder waarvan de massa (het volume) gegeven wordt door dm = πf(x) 2 dx. Het zwaartepunt van deze cilinder ligt in het punt (x,, ), en het moment van de cilinder ten opzichte van het Y Z-vlak wordt bijgevolg gegeven door xdm. Het totale moment van de figuur ten opzichte van het Y Z-vlak is dan b M yz = π xf(x) 2 dx, a en we kunnen besluiten dat x = M yz M. Voorbeeld 3. We beschouwen opnieuw de kegel met straal R en hoogte H, die we bekomen door het driehoekige gebied begrensd door y = R x, de x-as en de verticale rechte x = H te H laten wentelen rond de x-as. Het moment van de kegel ten opzichte van het Y Z-vlak wordt gegeven door H M yz = π x( R H H x)2 dx = πr2 x 3 dx = πr2 H 2, H 2 4 en het zwaartepunt ligt bijgevolg in het punt x = M yz V = 3H 4. Voorbeeld 4. We beschouwen het gebied in het eerste kwadrant, begrensd door de parabool y = 4 x 2, en laten dit gebied wentelen rond de x-as. Het moment van dit omwentelingslichaam ten opzichte van het Y Z-vlak wordt gegeven door 2 M yz = π x(4 x 2 ) 2 dx = 32π 3, Versie. december 24
128 28 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken y=f(x) f(x) dx x Figuur 55. Moment van een elementaire cilinder. terwijl het volume van dit lichaam gelijk is aan V = π 2 De x-coördinaat van het zwaartepunt is dan (4 x 2 ) 2 dx = 256π 5. x = M yz V = Traagheidsmoment van een vlakke figuur Het traagheidsmoment van een punt met massa m ten opzichte van een as wordt gegeven door het product van de massa m met het kwadraat van de afstand r van het punt tot de as, I = mr 2. Indien we een elementaire rechthoek met afmetingen dx en dy rond het punt (x, y) beschouwen wordt het traagheidsmoment gegeven door di x = y 2 dxdy, di y = x 2 dxdy. Versie. december 24
129 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 29 dx (x,y) dy Figuur 56. Traagheidsmoment van een elementaire rechthoek. Beschouwen we nu eerst een elementaire rechthoek met hoogte dx en lengte L = x 2 x evenwijdig met de x-as. Als we deze rechthoek verder opdelen in elementaire rechthoeken (zie Figuur 57) met afmetingen dx en dy zien we dat het traagheidsmoment ten opzichte van de x-as gegeven wordt door di x = y 2 dxdy, en het traagheidsmoment van de elementaire rechthoek ten opzichte van de x-as wordt dus gegeven door I x = x2 x y 2 dxdy = (x 2 x )y 2 dy = Ly 2 dy. Beschouwen we vervolgens een elementaire rechthoek loodrecht op de x-as. Als we deze rechthoek verder opsplitsen (zie Figuur 58) in elementaire rechthoeken met afmetingen dx en dy zien we dat di x = y 2 dxdy, en bijgevolg is I x = y2 y y 2 dxdy = 3 (y3 2 y 3 )dx. In het speciale geval waarin de rechthoek de x-as als een zijde heeft (en hoogte H heeft) levert dit ons I x = H3 3 dx. Versie. december 24
130 3 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken y dx dy x x x2 Figuur 57. Traagheidsmoment van een elementaire rechthoek. y2 dx y dy y x Figuur 58. Traagheidsmoment van een elementaire rechthoek. Versie. december 24
131 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 3 Om het traagheidsmoment van een vlakke figuur ten opzichte van een as te berekenen kunnen we de figuur opdelen in elementaire rechthoeken die ofwel evenwijdig zijn met de as ofwel loodrecht op deze as staan. Het traagheidsmoment van de figuur wordt gegeven door de som van al de traagheidsmomenten van deze elementaire rechthoeken. Voorbeeld 5. We beschouwen de rechthoek begrensd door de rechte y = H, de x-as en de verticale rechten x = en x = B, en berekenen het traagheidsmoment van deze vlakke figuur ten opzichte van de x-as. Als we de figuur opsplitsen in elementaire rechthoeken evenwijdig met de x-as (dus met breedte B en hoogte dy) vinden we dat het traagheidsmoment van elke rechthoek gegeven wordt door di x = y 2 Bdy, en het totale traagheidsmoment van de rechthoek is bijgevolg I x = H By 2 dy = 3 BH3. Als we anderzijds de figuur opsplitsen in elementaire rechthoeken loodrecht op de x-as (met hoogte H en breedte dx) vinden we als traagheidsmoment van de elementaire rechthoek di x = H3 3 dx, en het totale traagheidsmoment wordt dan opnieuw I x = B H 3 3 dx = 3 H3 B. Voorbeeld 6. We beschouwen het gebied begrensd door de parabool y = 4 x 2 en de x-as, en berekenen eerst het traagheidsmoment van de figuur ten opzichte van de x-as. Daarvoor splitsen we de figuur op in elementaire rechthoeken loodrecht op de x-as (met breedte dx en hoogte 4 x 2 ). Het traagheidsmoment van elke rechthoek is dan gegeven door en het totale traagheidsmoment wordt dus di x = 3 (4 x2 ) 3 dx, I x = 2 2 di x = Om het traagheidsmoment van de figuur ten opzichte van de y-as te berekenen gebruiken we dezelfde opdeling in elementaire rechthoeken. Deze rechthoeken zijn nu evenwijdig met de as, en het traagheidsmoment wordt bijgevolg gegeven door Het totale traagheidsmoment is bijgevolg di y = x 2 (4 x 2 )dx. I y = 2 2 di y = Versie. december 24
132 32 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 9. Traagheidsmoment van een omwentelingslichaam Tenslotte zullen we het traagheidsmoment van een omwentelingslichaam ten opzichte van zijn omwentelingsas berekenen. We beschouwen daarom eerst een elementaire rechthoek met afmetingen dx en dy rond een punt (x, y). Als we deze rechthoek wentelen rond de x-as (Figuur 59) bekomen we een ring. De totale massa van deze ring wordt gegeven door dm = 2πydxdy, en het traagheidsmoment van de ring ten opzichte van de x-as is bijgevolg gelijk aan di x = 2πy 3 dxdy. dx (x,y) dy Figuur 59. Traagheidsmoment van een elementaire ring. Versie. december 24
133 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 33 Beschouwen we nu een elementaire rechthoek evenwijdig met de omwentelingsas. Bij wentelen rond de x-as bekomen we een buis met straal y, dikte dy en lengte L. (Zie Figuur 6.) Opsplitsen in elementaire rechthoeken toont dat het traagheidsmoment van deze buis gegeven wordt door di x = x2 x 2πy 3 dxdy = 2πLy 3 dy. y dx dy x x x2 Figuur 6. Traagheidsmoment van een elementaire buis. Vervolgens beschouwen we een elementaire rechthoek loodrecht op de x-as, met hoogte R en breedte dx. Bij wentelen rond de x-as brengt deze rechthoek een elementaire cilinder voort met straal R en hoogte dx. Opsplitsen in elementaire rechthoeken (Figuur 6) toont dan dat het traagheidsmoment van deze cilinder gegeven wordt door di x = R 2πy 3 dxdy = 2π R4 πr4 dx = 4 2 dx. Versie. december 24
134 34 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken R dx y dy x Figuur 6. Traagheidsmoment van een elementaire cilinder. Om het traagheidsmoment van een willekeurig omwentelingslichaam ten opzichte van de omwentelingsas te berekenen zullen we de figuur opdelen in elementaire rechthoeken die ofwel evenwijdig zijn met de as ofwel loodrecht op deze as staan. Het traagheidsmoment van het lichaam wordt dan bepaald door de som van de traagheidsmomenten van de buizen of cilinders die op deze manier worden bekomen. Voorbeeld 7. Als we de rechthoek met hoogte R en breedte H laten wentelen rond de x-as bekomen we een cilinder met straal R en hoogte H. Om het traagheidsmoment van deze cilinder ten opzichte van de x-as te berekenen splitsen we de rechthoek eerst op in elementaire rechthoeken evenwijdig met de x-as (hoogte dy, breedte H en op een afstand y van de omwentelingsas). Als we deze elementaire rechthoeken laten wentelen bekomen we elementaire buizen waarvan het traagheidsmoment gegeven wordt door di x = 2πy 3 Hdy, en het traagheidsmoment van de cilinder is bijgevolg I x = 2πH R y 3 dy = πhr4. 2 We kunnen de rechthoek ook opsplitsen in elementaire rechthoeken loodrecht op de x-as (met breedte dx en hoogte R). Als we deze rechthoeken laten wentelen bekomen we elementaire cilinders, waarvan het traagheidsmoment gegeven wordt door di x = πr4 2 dx, Versie. december 24
135 Hoofdstuk. Bepaalde integratie 35 en het traagheidsmoment van de ganse cilinder wordt bijgevolg I x = πr4 2 H dx = πr4 H. 2 Voorbeeld 8. We beschouwen het vlakke gebied begrensd door de parabool y = 4x x 2 en de x-as, en we laten dit gebied wentelen rond de x-as. Om het traagheidsmoment van dit omwentelingslichaam ten opzichte van de x-as te berekenen splitsen we de vlakke figuur op in elementaire rechthoeken loodrecht op de x-as (breedte dx en hoogte 4x x 2 ). Bij wenteling rond de x-as ontstaat een elementaire cilinder waarvan het traagheidsmoment gegeven is door di x = π(4x x2 ) 4 dx. 2 Het traagheidsmoment van de figuur wordt bijgevolg gegeven door I x = 4 π(4x x 2 ) 4 2 dx = 65536π 35. Voorbeeld 9. We beschouwen opnieuw het vlakke gebied uit het vorige voorbeeld maar laten het gebied ditmaal wentelen rond de y-as. Om het traagheidsmoment van het omwentelingslichaam ten opzichte van de y-as te berekenen gebruiken we dezelfde elementaire rechthoeken. Deze elementaire rechthoeken zijn evenwijdig met de y-as (breedte dx, hoogte 4x x 2 en gelegen op een afstand x van de y-as), en bij wenteling rond de y-as vormen ze een elementaire buis waarvan het traagheidsmoment gegeven wordt door di y = x 2 2πx(4x x 2 )dx. Het totale traagheidsmoment wordt dan gegeven door 4 I y = 2π x 3 (4x x 2 )dx = 496π 5. Versie. december 24
136 36 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie. december 24
137 ÀÓÓ ØÙ ½¾ Å ÖÚÓÙ ÒØ Ö Ð Ò. Definitie Beschouwen we een functie z = f(x, y) van twee veranderlijken die we overal positief veronderstellen in het rechthoekig gebied R in het xy-vlak, bepaald door a x b, c y d. We kiezen vervolgens twee natuurlijke getallen n, m Æ, en delen het interval [a, b] (resp. [c, d]) in n (resp. m) deelintervallen door de keuze van punten a = ϕ < ϕ <... < ϕ n < ϕ n = b, c = ψ < ψ <... < ψ m < ψ m = d. We zien dat het rechthoekig gebied R hierdoor opgedeeld wordt in n m kleinere rechthoeken R kl, k =,..., n, l =,...m, bepaald door Duiden we de lengte van elk interval aan als ϕ k x ϕ k, ψ l y ψ l. k x = ϕ k ϕ k, l y = ψ l ψ l, dan wordt de oppervlakte van R kl gegeven door kl S = k x l y. Versie mei 27
138 38 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Tenslotte kiezen we in elke rechthoek R kl een willekeurig punt P kl met coördinaten ϕ k x kl ϕ k, ψ l y kl ψ l. Het volume van het lichaam, begrensd door het vlak z =, de verticale vlakken door de zijden van de rechthoek R kl en het oppervlak z = f(x, y) kan dan bij benadering berekend worden als het volume van de balk met dezelfde basis R kl, waarvan de hoogte overeenkomt met de waarde z = f(x kl, y kl ). De som S nm = n k= l= m f(p kl ) kl S = n k= l= m f(x kl, y kl ) k x l y van de volumes van deze balken levert bijgevolg een benaderde waarde voor het volume van het lichaam begrensd door het vlak z =, de verticale vlakken door de zijden van de rechthoek R en het oppervlak z = f(x, y). Door het aantal rechthoekjes R kl te laten toenemen, bekomen we een steeds preciezer benadering van dit volume. Men kan aantonen dat, wanneer n en m oneindig groot worden, en we er daarbij voor zorgen dat de oppervlakte van elke rechthoek R kl naar streeft, de limiet S = lim S nm n,m + onafhankelijk is van de gekozen verdelingen en punten. We vinden in dat geval de exacte waarde voor het volume van het beschouwde lichaam. Figuur 62. Dubbelintegraal van een functie over een rechthoekig domein Versie.4 3 mei 27
139 Hoofdstuk 2. Meervoudige integralen 39 We kunnen dezelfde constructie ook uitvoeren voor een functie z = f(x, y) die niet noodzakelijk overal positief is. De limiet S = lim S nm n,m + noemen we de integraal van de functie f(x, y) over het rechthoekig gebied R, en we duiden deze dubbelintegraal aan als S = f(x, y)ds. R 2. Berekening van dubbelintegralen over een rechthoekig gebied Voor de praktische berekening van de dubbelintegraal R f(x, y)ds van de functie z = f(x, y) over het rechthoekig gebied R maken we, voor de gekozen waarden n, m Æ, een opdeling van de intervallen [a, b] (resp. [c, d]) in n (resp. m) deelintervallen door de keuze van de waarden a = ϕ < ϕ <... < ϕ n < ϕ n = b, c = ψ < ψ <... < ψ m < ψ m = d. We kiezen dan, in elk deelinterval [ϕ k, ϕ k ] (resp. [ψ l, ψ l ]) een punt x k (resp. y l ). In elke rechthoek R kl kiezen we vervolgens het punt P kl met coördinaten (x k, y l ). De som S nm wordt dan gegeven door n m S nm = f(x k, y l ) k x l y, k= l= en de integraal van de functie f over het rechthoekige domein R is dan gelijk aan R f(x, y)ds = lim S nm = lim ( lim S nm) = lim ( lim S nm). n,m + n m m n Versie.4 3 mei 27
140 4 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Figuur 63. Berekening van een dubbelintegraal over een rechthoekig gebied Om deze limiet te berekenen, kiezen we eerst een vaste waarde k {, 2,..., n} en beschouwen we de som van de volumes van de balken die overeenkomen met de gekozen waarde van k, S m (k) = m m f(x k, y l ) k x l y = k x f(x k, y l ) l y. l= l= Wanneer we de limiet van deze som berekenen, waarbij we het aantal deelintervallen m oneindig groot laten worden, en er voor zorgen dat voor elk deelinterval de lengte l y naar nul streeft, vinden we dat Bijgevolg is d S(k) = lim S m(k) = k x f(x k, y)dy. m c S n = lim m S nm = n S(k) = k= n k= d k x f(x k, y)dy. c Laten we vervolgens het aantal deelintervallen n oneindig groot worden, en zorgen we er daarbij voor dat de lengte van alle deelintervallen naar streeft, zien we dat S = lim n S n = b a d ( f(x, y)dy)dx, c Versie.4 3 mei 27
141 Hoofdstuk 2. Meervoudige integralen 4 en we besluiten dat de dubbelintegraal iteratief kan berekend worden als R f(x, y)ds = b a d ( f(x, y)dy)dx. c Wanneer we eerst de som berekenen voor een vaste waarde y l, levert dezelfde redenering ons dat d b f(x, y)ds = ( f(x, y)dx)dy. R c a Intuïtief kunnen we stellen dat, voor een vaste waarde x [a, b], de bepaalde integraal d c f(x, y)dy = S(x ) ons de oppervlakte geeft van de doorsnede van het beschouwde lichaam met het verticaal vlak x = x. We kunnen het lichaam nu opsplitsen in elementaire schijfjes met een infinitesimale dikte dx, die overeenkomen met de doorsneden langs het verticale vlak x = x, en dit voor alle waarden x [a, b]. Het (infinitesimale) volume van een dergelijke elementaire schijf wordt gegeven door V (x ) = S(x )dx, en het totale volume van het lichaam is dan de som b b d S(x)dx = ( f(x, y)dy)dx. a a c Op dezelfde wijze kunnen we stellen dat S(y ) = b a f(x, y )dx de oppervlakte geeft van de doorsnede van het lichaam met het verticale vlak y = y. Als we het lichaam opdelen in elementaire schijfjes met een infinitesimale dikte dy, gevormd door deze doorsneden, zien we dat het volume van het lichaam gegeven wordt door de som d c S(y)dy = d c b ( f(x, y)dx)dy. a Voorbeeld. Berekenen we de integraal R y 3 ds van de functie z = y 3 over het rechthoekige domein bepaald door x [, 2] en y [, 3]. Voor een vaste waarde van x [, 2] wordt de doorsnede van het lichaam met het verticale vlak x = x bepaald door z = y, y [, 3] 3 Versie.4 3 mei 27
142 42 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Figuur 64. Berekening van de dubbelintegraal over een rechthoekig gebied en de oppervlakte van deze doorsnede is S(x ) = 3 y 3 dy = 6 y2 3 = 3 2. Het volume van de elementaire schijf met dikte dx die we hier afsnijden wordt gegeven door V (x ) = 3 2 dx, en het volume van het lichaam is bijgevolg gelijk aan 2 3 dx = 3. 2 Voor een vaste waarde y [, 3] wordt de doorsnede bepaald door en de oppervlakte van deze figuur is dan z = y, x [, 2], 3 S(y ) = 2 y 3 dx = 2y 3. Versie.4 3 mei 27
143 Hoofdstuk 2. Meervoudige integralen 43 Het volume van de infinitesimale schijf komt overeen met V (y ) = 2y 3 dy, en het volume van het ganse lichaam is bijgevolg V = 3 2y y2 dy = = 3. Voorbeeld 2. Het volume van het lichaam, begrensd door de omwentelingsparaboloïde z = x 2 + y 2, het vlak z = en de verticale vlakken x =, x =, y = en y =, wordt bepaald door de dubbelintegraal x 2 + y 2 ds, over het rechthoekige domein R bepaald door R x [, ], y [, ]. Deze waarde van deze integraal wordt gegeven door R x 2 + y 2 ds = = = ( x 2 + y 2 dy)dx (x 2 y + y3 3 ) y= dx (x )dx = x x = 2 3. We kunnen deze dubbelintegraal ook uitrekenen als R x 2 + y 2 ds = = = ( x 2 + y 2 dx)dy ( x3 3 + y2 x) x= dy ( 3 + y2 )dy = 3 y + y3 3 = 2 3. Versie.4 3 mei 27
144 44 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 3. Dubbelintegraal over een willekeurig domein Beschouwen we vervolgens een willekeurig domein S, en veronderstellen we dat de functie z = f(x, y) positieve waarden aanneemt voor alle punten (x, y) in S. Om het volume van het lichaam te berekenen, dat begrensd wordt door het oppervlak z = f(x, y), het grondvlak z = en de cilinder over de rand van het domein S, zullen we het lichaam opnieuw opdelen in elementaire schijfjes die evenwijdig zijn met één van de coördinaatsassen. We veronderstellen daarom dat een rechte evenwijdig met de y-as (resp. de x-as) de rand van het domein S snijdt in ten hoogste twee punten. De randen van het domein S worden dan volledig beschreven door twee functies y = σ (x), y 2 = σ 2 (x), x [a, b], resp. x = ϕ (y), x 2 = ϕ 2 (y), y [c, d]. Voor elk punt x [a, b] wordt de oppervlakte van de elementaire schijf evenwijdig met de y-as bepaald door S(x ) = σ2 (x ) σ (x ) f(x, y)dy, en het volume van deze schijf (met infinitesimale dikte dx) is bijgevolg σ2 (x ) V (x ) = ( f(x, y)dy)dx. σ (x ) Door de volumes van deze schijfjes op samen te tellen vinden we dat S f(x, y)ds = b a σ2 (x) ( f(x, y)dy)dx. σ (x) Door het volume op dezelfde manier op te splitsen in elementaire schijfjes evenwijdig met de x-as, bekomen we d ϕ2 (y) f(x, y)ds = ( f(x, y)dx)dy. ϕ (y) Voorbeeld 3. Berekenen we de dubbelintegraal ds S c S van de constante functie z = over het driehoekige gebied S, gevormd door de x-as, de y-as en de rechte 3x + 2y = 6 door de punten (2, ) en (, 3). Het is duidelijk dat x in dit geval varieert tussen x = en x = 2 en dat, voor elke waarde x [, 2], y varieert tussen y = en y = 2 (6 3x ). Bijgevolg kunnen we de dubbelintegraal berekenen als x 2 ( dy)dx = (3 3 y= 2 x)dx = (3x 3 4 x2 ) 2 = 3. x= Versie.4 3 mei 27
145 Hoofdstuk 2. Meervoudige integralen 45 Figuur 65. Berekening van de dubbelintegraal over een willekeurig domein S Voorbeeld 4. Het volume van de pyramide gevormd door de drie coördinaatsassen en het vlak door de punten (5,, ), (, 3, ) en (,, 4) (met vergelijking 2x + 2y + 5z = 6) wordt gegeven door de dubbelintegraal S (6 2x 2y)dS 5 over het driehoekige gebied gevormd door de x-as, de y-as en de rechte 3x + 5y = 5 die de punten (5, ) en (, 3) verbindt. Het is duidelijk dat x varieert tussen en 5, en dat voor een willekeurige x de waarden van y variëren tussen en (5 3x). Bijgevolg is de dubbelintegraal gegeven door x ( x ydy)dx = x2 36 xdx =. 5 Voorbeeld 5. Het volume van een halve bol met straal R wordt gegeven door de dubbelintegraal R2 x 2 y 2 ds S Versie.4 3 mei 27
146 46 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken over de schijf S met straal R in het xy-vlak. Het is duidelijk dat x in dit geval varieert tussen R en +R, en dat voor een gegeven waarde van x de waarden van y variëren tussen R 2 x 2 en + R 2 x 2. Bijgevolg kunnen we de integraal berekenen als +R R + R 2 x 2 +R ( R2 x 2 y 2 π dy)dx = R 2 x 2 R 2 (R2 x 2 )dx = π 2 (R2 x x3 3 ) +R R = 2 3 πr3. Het volume van de bol met straal R wordt bijgevolg gegeven door 4 3 πr3. Voorbeeld 6. De dubbelintegraal van de functie S x yds over het cirkelvormige gebied S met straal 4 (vergelijking x 2 + y 2 = 6) bepaalt het volume van de cilinder met straal 4 rond de z-as, die afgeknot wordt door het vlak met vergelijking x + y + z =. Het is duidelijk dat x varieert tussen -4 en +4, en dat voor een gegeven waarde van x de waarden van y variëren tussen 6 x 2 en + 6 x 2. Het volume van het beschouwde lichaam is bijgevolg gelijk aan x 2 4 ( x ydy)dx = (2 2x) 6 x 2 = 6π. 6 x Drievoudige integraal Beschouwen we een functie f(x, y, z) die afhangt van drie veranderlijken, en een domein V in de drie-dimensionale ruimte. We delen dan, zoals tevoren, dit domein V op in een aantal deelgebieden R i, i =, 2,..., n, en we kiezen in elk gebied R i een willekeurig punt (x i, y i, z i ). Tenslotte berekenen we de som S n = n f(x i, y i, z i )Vol(R i ), i= en laten we n oneindig groot worden, waarbij we ervoor zorgen dat het volume van alle deelgebieden R i naar nul streeft. De limiet van deze som S n is dan onafhankelijk van onze keuzes, en we noemen deze limiet de integraal van de functie f over het domein V, V f(x, y, z)dv = lim n S n. Kiezen we, in het bijzonder, de constante functie f(x, y, z) =, dan kan de drievoudige integraal b y2 (x) z2 (x,y) dv = ( ( f(x, y, z)dz)dy)dx z (x,y) V a y (x) geïnterpreteerd worden als het volume van het gebied V. Versie.4 3 mei 27
147 Hoofdstuk 2. Meervoudige integralen 47 Het is soms eenvoudiger het gebied V te beschrijven met behulp van cilindercoördinaten (r, θ, z) of bolcoördinaten (r, θ, ϕ) in plaats van cartesische coördinaten (x, y, z). Om het volume van een dergelijk gebied te berekenen, bepalen we eerst het volume van het elementaire gebied dv dat overeenkomt met infinitesimale toenamen van de drie coördinaten. Wanneer we werken met cilindercoördinaten (r, θ, z), kunnen we aantonen dat een infinitesimale toename dr, dθ, dz van de coördinaten overeenkomt met een elementair volume dv = dr(rdθ)dz, en het volume wordt daarom gegeven door de drievoudige integraal rdrdθdz. V z θ r dv = dr dz (r d θ) Figuur 66. Cilindercoördinaten en volumeberekening Voorbeeld 7. De kegel met basis R en hoogte h wordt in cilindercoördinaten gegeven door het gebied V, begrensd door z =...h, θ =...2π, r =... R (h z), h en het volume van de kegel is bijgevolg gegeven door h ( 2π R h (h z) ( rdr)dθ)dz = πr2 h. 3 Versie.4 3 mei 27
148 48 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Wanneer we werken met bolcoördinaten (r, θ, ϕ), zien we dat een infinitesimale toename dr, dθ, dϕ van deze coördinaten overeenkomt met een elementair volume dv = dr(r sin ϕdθ)(rdϕ), en het volume komt daarom overeen met de drievoudige integraal V r 2 sin ϕdrdθdϕ. ϕ r θ dv = dr (r d ϕ) (r sin ϕ d θ) Figuur 67. Bolcoördinaten en volumeberekening Voorbeeld 8. In bolcoördinaten wordt de bol met straal R beschreven door het balkvormig gebied r =...R, θ =...2π, ϕ =...π. Het volume van de bol is bijgevolg R π 2π r 2 ( sin ϕ( dθ)dϕ)dr = 4πR3. 3 Versie.4 3 mei 27
149 ÀÓÓ ØÙ ½ ÆÙÑ Ö ÒØ Ö Ø. Inleiding Bij het berekenen van de bepaalde integraal b a f(x)dx van een gegeven reële functie over het interval [a, b] hebben we, in wat voorafgaat, gebruik gemaakt van de basisstelling van de integraalrekening, die zegt dat b a f(x)dx = F(x) b a = F(b) F(a), waarbij F(x) een willekeurige primitieve functie van f(x) is, dit wil zeggen dat f(x)dx = F(x) + C. In bepaalde gevallen is het berekenen van een primitieve functie van een gegeven functie (dus de onbepaalde integratie) echter niet mogelijk (bijvoorbeeld voor de functie y = e x2 ) of zeer moeilijk. In deze gevallen kunnen we gebruik maken van een aantal technieken die toelaten, met een willekeurige graad van nauwkeurigheid, een benaderde waarde te berekenen van de gezochte bepaalde integraal. We doen dit door, op een bepaalde manier, een benaderde waarde voor de oppervlakte van het vlakke gebied tussen de grafiek van de functie y = f(x) en de x-as te berekenen. In dit hoofdstuk behandelen we drie dergelijke technieken. Versie maart 29
150 5 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 2. De regel van het centrale punt (midpoint regel) Om de bepaalde integraal b a f(x)dx van de functie y = f(x) over het interval [a, b] (bij benadering) te berekenen, delen we het interval [a, b] eerst op in n stukken van gelijke lengte h = b a n, en we noteren de randpunten van deze verschillende intervallen met a = x < x < x 2 <... < x n < x n = b. Van elk interval [x i, x i ] berekenen we het middelpunt, dat we aanduiden met m i = x i + x i. 2 Het is dan duidelijk dat de oppervlakte van het gebied tussen de grafiek van de kromme en de x-as (dus de gezochte bepaalde integraal) bij benadering gegeven wordt door de som van de oppervlakten van de rechthoeken met basis h en hoogte f(m i ), dus door f(m )h + f(m 2 )h f(m n )h = h n f(m i ). i= f(m2) f(m3) f(m) a=x m x m2 x2 m3 Figuur 68. De regel van het centrale punt x3=b Versie.3 4 maart 29
151 Hoofdstuk 3. Numerieke integratie 5 Voorbeeld. Om de integraal 2 + x 2dx te berekenen met behulp van de regel van het centrale punt delen we het interval [, 2 ] op in 5 gelijke delen met lengte 2 h = = 5. De randpunten van de verschillende intervallen worden gegeven door x =, x =, x 2 = 2, x 3 = 3, x 4 = 4, x 5 = 5, en de middelpunten van deze intervallen zijn bijgevolg m = 2, m 2 = 3 2, m 3 = 5 2, m 4 = 7 2, m 5 = 9 2. De functiewaarden van deze middelpunten onder de functie f(x) = +x 2 worden gegeven door f(m ) =.9975, f(m 2 ) =.978, f(m 3 ) =.942, f(m 4 ) =.899, f(m 5 ) =.836, en de benaderde waarde van de integraal is dan (f(m ) f(m 5 )) = = Ter vergelijking : de werkelijke waarde van de integraal wordt gegeven door 2 + x 3. De trapeziumregel 2dx = arctg(x) 2 = arctg( 2 ) = Bij deze methode verdelen we het interval [a, b] opnieuw in n delen met dezelfde lengte h = b a n, en we noteren de randpunten van de bekomen intervallen zoals tevoren met a = x < x < x 2 <... < x n < x n = b. De functiewaarden van deze randpunten duiden we aan met y i = f(x i ), i =,,..., n. We kunnen de oppervlakte van het gebied tussen de kromme en de x-as nu bij benadering berekenen als de som van de oppervlakten van een aantal trapeziums met hoogte h en (grote en kleine) basissen y i en y i. De oppervlakte van een dergelijk trapezium wordt gegeven door S i = h y i + y i, 2 en we besluiten dat de bepaalde integraal bij benadering gegeven wordt door n S i = i= n i= h y i + y i 2 = h 2 (y + 2y + 2y y n + y n ). Versie.3 4 maart 29
152 52 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken y2 y y a=x x x2 Figuur 69. De trapeziumregel y3 x3=b Voorbeeld 2. We berekenen opnieuw de integraal 2 + x 2 dx, maar we gebruiken ditmaal de trapeziumregel. We splitsen daarom het interval [, 2 ] op in 5 gelijke delen met lengte h =. De randpunten van deze intervallen worden, zoals tevoren, gegeven door x =, x =, x 2 = 2, x 3 = 3, x 4 = 4, x 5 = 5, en de functiewaarden van deze randpunten onder de functie f(x) = +x 2 zijn bijgevolg y = f(x ) =, y 3 = f(x 3 ) =.974, y = f(x ) =.99, y 4 = f(x 4 ) =.862, y 2 = f(x 2 ) =.965, y 5 = f(x 5 ) =.8. De bepaalde integraal wordt dan bij benadering gegeven door 2 (y + 2y + 2y 2 + 2y 3 + 2y 4 + y 5 ) = =.463. Versie.3 4 maart 29
153 Hoofdstuk 3. Numerieke integratie De regel van Simpson Om de integraal van een functie te berekenen met behulp van de regel van Simpson verdelen we het interval [a, b] in een even aantal delen (dat we aanduiden als 2n) met gelijke lengte h = b a 2n. We noteren, zoals tevoren, de randpunten van deze intervallen met a = x < x < x 2 <... < x 2n < x 2n = b, en de beeldpunten van deze randpunten onder de functie f(x) duiden we aan met y i = f(x i ), i =,,..., 2n. Voor elk drietal punten x 2i 2, x 2i, x 2i bepalen we nu een parabool met vergelijking y = Ax 2 + Bx + C, waarbij A, B en C zodanig gekozen worden dat de parabool en de kromme y = f(x) samenvallen in de drie punten P 2i 2 = (x 2i 2, y 2i 2 ), P 2i = (x 2i, y 2i ), P 2i = (x 2i, y 2i ). De oppervlakte van het gebied tussen de x-as en deze parabool wordt gegeven door S i = x2i x 2i 2 (Ax 2 + Bx + C)dx, en we kunnen de oppervlakte tussen de kromme en de x-as dan (bij benadering) berekenen als de som van de oppervlakten S i tussen de x-as en deze n parabolen. P2 P3 P4 P P y2 y3 y4 y y a=x x x2 x3 Figuur 7. De regel van Simpson b=x4 Versie.3 4 maart 29
154 54 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken We berekenen nu de oppervlakte tussen de x-as en één van deze parabolen. We beschouwen daarom bijvoorbeeld de drie punten P = (x, y ), P = (x, y ), P 2 = (x 2, y 2 ). P P2 P y y2 y x h x h x2 Figuur 7. De regel van Simpson De gezochte parabool heeft vergelijking y = Ax 2 + Bx + C, en het gebied tussen deze kromme en de x-as heeft als oppervlakte S = x2 x (Ax 2 + Bx + C)dx = A 3 (x3 2 x3 ) + B 2 (x2 2 x2 ) + C(x 2 x ) = (x 2 x )( A 3 (x2 2 + x x 2 + x 2 ) + B 2 (x 2 + x ) + C) = 2h( A 3 (3x2 + 6hx + 4h 2 ) + B 2 (2x + 2h) + C) = h 3 (2A(3x2 + 6hx + 4h 2 ) + 6B(x + h) + 6C). Versie.3 4 maart 29
155 Hoofdstuk 3. Numerieke integratie 55 De getallen A, B, C zijn zó gekozen dat y = Ax 2 + Bx + C, y = Ax 2 + Bx + C, y 2 = Ax Bx 2 + C, en bijgevolg is y + 4y + y 2 = (Ax 2 + Bx + C) + 4(Ax 2 + Bx + C) + (Ax Bx 2 + C) = 6Ax 2 + 2Ahx + 8Ah 2 + 6Bx + 6Bh + 6C = 2A(3x 2 + 6hx + 4h 2 ) + 6B(x + h) + 6C, en we besluiten dat S = h 3 (y + 4y + y 2 ). We zien dan dat de oppervlakte van de figuur tussen de kromme y = f(x) en de x-as bij benadering gegeven wordt door h 3 (y + 4y + y 2 ) + h 3 (y 2 + 4y 3 + y 4 ) h 3 (y 2n 2 + 4y 2n + y 2n ) = h 3 (y + 4y + 2y 2 + 4y 3 + 2y y 2n 2 + 4y 2n + y 2n. Voorbeeld 3. We berekenen opnieuw de integraal 2 + x 2 dx, ditmaal met de regel van Simpson waarbij we n = 2 stellen. We verdelen het interval [, 2 ] dus in 4 gelijke delen met lengte h = 8. De randpunten van de verschillende intervallen worden gegeven door x =, x = 8, x 2 = 2 8 = 4, x 3 = 3 8, x 4 = 4 8 = 2, en de beeldpunten van deze getallen onder de functie f(x) = +x 2 zijn bijgevolg y =, y =.9846, y 2 =.942, y 3 =.8767, y 4 =.8. De benaderde waarde van de integraal wordt dan gegeven door h 3 (y + 4y + 2y 2 + 4y 3 + y 4 ) = = Versie.3 4 maart 29
156 56 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie.3 4 maart 29
157 ÀÓÓ ØÙ ½ Ö ÒØ ÐÚ Ö Ð Ò Ò. Inleiding Een (gewone) differentiaalvergelijking is een uitdrukking van de vorm F(x, y, y,..., y (n) ) =, met andere woorden een vergelijking die, naast een variabele x en een ongekende functie y, ook een aantal afgeleiden van de onbekende functie bevat. De orde van een differentiaalvergelijking is gelijk aan de hoogste orde van een afgeleide van de functie y die in de vergelijking voorkomt. Voorbeeld. De uitdrukking y + 2y + 3y = 5 sinx, is een differentiaalvergelijking van tweede orde. De uitdrukking is een differentiaalvergelijking van eerste orde. y 3(y ) 2 x + y 2 = 7x 3, Differentiaalvergelijkingen zullen vaak naar voor komen bij de studie van problemen uit de fysica, waar ze veel gebruikt worden om de verandering te beschrijven van een grootheid die aan het probleem verbonden is. Een typisch voorbeeld wordt gevormd door de wet van Newton, die zegt dat de versnelling (dus de verandering van de snelheid) van een massa bepaald wordt door de krachten die op de massa inwerken. Deze wet kan gebruikt worden om een differentiaalvergelijking (van tweede orde) op te stellen waarbij de positie van het Versie februari 25
158 58 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken voorwerp de rol speelt van de ongekende functie y (en de tijd die van de variabele x). Het is dan de bedoeling uit deze differentiaalvergelijking te berekenen welke de positie van het voorwerp zal zijn op een bepaald tijdstip. Een oplossing of integraal van een differentiaalvergelijking is een functie f(x) waarvoor geldt dat F(x, y, y,..., y (n) ) =, F(x, f(x), f (x),..., f (n) (x)) =. Een oplossing is met andere woorden een functie f(x) waarvoor de differentiaalvergelijking voldaan is indien we overal y vervangen door f. We merken op dat de oplossing van een differentiaalvergelijking niet uniek bepaald is, maar afhangt van een aantal parameters. Deze parameters worden de integratieconstanten genoemd. In dit hoofdstuk zullen we een aantal technieken behandelen voor het bepalen van de algemene oplossing van een gegeven differentiaalvergelijking. Dit is de verzameling van alle oplossingen van de vergelijking. Indien de differentiaalvergelijking een fysisch probleem beschrijft zal men vaak ook beginvoorwaarden opleggen. Deze voorwaarden geven bijvoorbeeld de situatie of de toestand van het bestudeerde voorwerp op een bepaald tijdstip weer. Deze beginvoorwaarden kunnen dan worden gebruikt om de unieke oplossing uit de oplossingenverzameling te kiezen, die de beweging van het voorwerp zal beschrijven. We zullen de beginvoorwaarden met andere woorden gebruiken om de waarden van de parameters van de algemene oplossing vast te leggen. Voorbeeld 2. De functie f(x) = cos 5x is een oplossing van de differentiaalvergelijking omdat y + 25y =, f (x) + 25f(x) = 25 cos5x + 25 cos5x =. De algemene oplossing van deze vergelijking wordt, zoals we verder in dit hoofdstuk in detail zullen zien, gegeven door f(x) = C sin 5x + C 2 cos 5x, waarbij C en C 2 willekeurige integratieconstanten zijn. Om de unieke oplossing te zoeken waarvoor f() =, f () =, drukken we uit dat f() = C 2 =, f () = 5C =. We zien dan dat de enige oplossing gegeven wordt door f(x) = 2 sin5x + cos 5x. Wegens hun belang voor (onder andere) de fysica, werden differentiaalvergelijkingen uitvoerig bestudeerd. Deze studie leidde tot een groot aantal oplossingstechnieken voor verschillende types van differentiaalvergelijkingen. In dit hoofdstuk zullen we enkele van deze technieken in detail behandelen. We zullen deze technieken rangschikken aan de hand van de orde van de differentiaalvergelijkingen waarop ze kunnen worden toegepast. Versie.2 9 februari 25
159 Hoofdstuk 4. Differentiaalvergelijkingen Differentiaalvergelijkingen van eerste orde Een differentiaalvergelijking van eerste orde is een uitdrukking van de vorm F(x, y, y ) =. We zullen bij de studie van dergelijke vergelijkingen steeds veronderstellen dat we deze uitdrukking kunnen herschrijven in de vorm y = f(x, y), dat we de functie F met andere woorden kunnen oplossen naar y. Als we y nu schrijven als dy dx en het geheel vermenigvuldigen met dx kunnen we de differentiaalvergelijking ook voorstellen met behulp van differentialen, namelijk als dy = f(x, y)dx. We vinden bijgevolg twee equivalente voorstellingswijzen voor differentiaalvergelijkingen van eerste orde, namelijk M(x, y)dx + N(x, y)dy =, en y = f(x, y). Voorbeeld 3. De vergelijking sin xdx + cos ydy =, kan ook voorgesteld worden als terwijl omgekeerd de vergelijking kan geschreven worden als y = sin x cos y, y = e x y e x dx e y dy =. De algemene oplossing van een differentiaalvergelijking van eerste orde is afhankelijk van één integratieconstante. Deze integratieconstante kan vastgelegd worden door de keuze van de beginvoorwaarde f(x ) = y, dus de waarde van de oplossing in één bepaald punt. Versie.2 9 februari 25
160 6 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken. Vergelijkingen met gescheiden of scheidbare veranderlijken We zeggen dat een differentiaalvergelijking van eerste orde gescheiden veranderlijken heeft indien ze van de vorm M(x)dx + N(y)dy = is. In dit geval wordt de algemene oplossing (in impliciete vorm) gegeven door M(x)dx + N(y)dy = C, waarbij C de integratieconstante is. Voorbeeld 4. De differentiaalvergelijking xdx + ydy =, heeft gescheiden veranderlijken. De algemene oplossing van deze vergelijking wordt gegeven door x y2 2 = C. Indien we als beginvoorwaarde stellen dat f() =, zien we dat en de oplossing is bijgevolg C = , x 2 + y 2 =. Het eenvoudigste type van vergelijkingen met gescheiden variabelen is van de vorm y = f(x), dy f(x)dx =. In dit geval wordt de oplossing gegeven door dy f(x)dx = C, dus y = f(x)dx + C. Indien de vergelijking van de vorm M (x)m 2 (y)dx + N (x)n 2 (y)dy = is, zeggen we dat de vergelijking scheidbare veranderlijken heeft. In dit geval kunnen we de vergelijking eenvoudig herleiden tot een vergelijking met gescheiden veranderlijken door te delen door M 2 (y) en N (x). We vinden dan M (x) N (x) dx + N 2(y) dy =, M 2 (y) Versie.2 9 februari 25
161 Hoofdstuk 4. Differentiaalvergelijkingen 6 waarvoor de oplossing gegeven wordt door M (x) N (x) dx + N2 (y) dy = C. M 2 (y) Voorbeeld 5. De vergelijking ydx + xdy =, heeft scheidbare veranderlijken. Delen door xy levert ons en de oplossing wordt dus gegeven door dx x + dy y =, dx dy x + y = C. We kunnen deze oplossing ook voorstellen in de vorm lnx + lny = C, lnxy = C, en tenslotte ook als xy = C, y = C x. Oefening. Los de volgende differentiaalvergelijkingen op.. ydy 4xdx = 2. y 2 dy 3x 5 dx = 3. x 3 y = y 2 (x 4) 4. xy 2 ( + x 2 )y + y 3 + = 5. ( + x 2 )y = + y 2 6. y = cos2 y sin 2 x 7. ydx xdy = 8. ( + y)dx ( x)dy = 9. y = + y2 + x 2. x2 dy = y 2 dx. 3e x tg ydx + ex cos 2 y dy = 2. (x y 2 x)dx + (y x 2 y)dy = Versie.2 9 februari 25
162 62 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 2. Homogene vergelijkingen Een functie f(x, y) wordt homogeen van graad n genoemd indien, voor elke waarde van λ, geldt dat f(λx, λy) = λ n f(x, y). Voorbeeld 6. De functie f(x, y) = x 2 + 5xy + y 2 is homogeen van graad 2, omdat f(λx, λy) = (λx) 2 + 5(λx)(λy) + (λy) 2 = λ 2 (x 2 + 5xy + y 2 ) = λ 2 f(x, y). Voorbeeld 7. De functie is homogeen van graad omdat f(x, y) = x x + y f(λx, λy) = λx λx + λy = x x + y = f(x, y). Voorbeeld 8. De functie f(x, y) = x + y 2 is niet homogeen, omdat f(λx, λy) = λx + λ 2 y 2 niet kan geschreven worden als een veelvoud van x + y 2. Een differentiaalvergelijking van eerste orde M(x, y)dx + N(x, y)dy = wordt homogeen genoemd indien de functies M(x, y) en N(x, y) beide homogeen zijn van dezelfde graad. Indien de differentiaalvergelijking wordt voorgesteld als y = f(x, y) betekent dit dat de functie f(x, y) homogeen moet zijn van graad. Om deze vergelijkingen op te lossen schrijven we de onbekende functie y als y = xu. Hierbij is u een nieuwe onbekende functie, die we zullen bepalen aan de hand van een differentiaalvergelijking. Deze vergelijking afleiden naar x levert ons dat y = u + u x. Versie.2 9 februari 25
163 Hoofdstuk 4. Differentiaalvergelijkingen 63 Omdat de functie f(x, y) homogeen is van graad geldt anderzijds dat De differentiaalvergelijking wordt bijgevolg of f(x, y) = f(x, ux) = x f(, u). u + u x = f(, u) xdu = (f(, u) u)dx. Deze vergelijking heeft scheidbare veranderlijken, en we kunnen bijgevolg de techniek uit de vorige paragraaf gebruiken om deze vergelijking op te lossen. We zien dat du f(, u) u = dx x, en de oplossing wordt bijgevolg gegeven door lnx du = C. f(, u) u Als we in dit resultaat u door y x differentiaalvergelijking. vervangen bekomen we de uiteindelijke oplossing van de Voorbeeld 9. De vergelijking y = xy x 2 y 2 is een homogene differentiaalvergelijking van eerste orde. Als we stellen dat y = ux kunnen we deze vergelijking herschrijven als en we vinden dus de vergelijking u x + u = Integreren van deze vergelijking levert ons dat u u 2, dx x u2 u 3 du =. lnx = lnu + C. 2u2 Als we hierin tenslotte u vervangen door y x zien we dat lnx = x2 2y 2 ln y x + C, wat we kunnen schrijven als x2 lny + C =. 2y2 Versie.2 9 februari 25
164 64 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 3. Totale differentiaal In een vorig hoofdstuk hebben we gezien dat de totale differentiaal van een functie u(x, y) gegeven wordt door du = u u dx + x y dy. Stel nu dat we een differentiaalvergelijking hebben van de vorm M(x, y)dx + N(x, y)dy =. Het linkerlid van deze vergelijking is dan de totale differentiaal van een functie u(x, y) indien M(x, y) = u x, Indien dit het geval is, moet zeker gelden dat N(x, y) = u y. M y = 2 u x y = N x. Deze voorwaarde is eveneens een voldoende voorwaarde. Om na te gaan of er een functie u bestaat waarvan M(x, y)dx + N(x, y)dy de totale differentiaal is, volstaat het dan ook te verifiëren of M y = N x. Indien een dergelijke functie bestaat, kan ze vervolgens berekend worden door het stelsel M(x, y) = u x, op te lossen naar de onbekende functie u(x, y). N(x, y) = u y, De eerste vergelijking geeft aan dat u(x, y) = M(x, y)dx + ϕ(y), waarbij ϕ(y) een functie is die enkel van y afhangt. Om deze functie te bepalen substitueren we deze uitdrukking voor u in de tweede vergelijking. We bekomen dan een differentiaalvergelijking waaruit we ϕ(y) kunnen bepalen. De oplossingen van de oorspronkelijke differentiaalvergelijking worden tenslotte gegeven door u(x, y) = C. Versie.2 9 februari 25
165 Hoofdstuk 4. Differentiaalvergelijkingen 65 Voorbeeld. Beschouwen we de vergelijking We zien dat ydx + (x y 3 )dy =. y y =, (x y 3 ) x =, en de vergelijking vormt bijgevolg de totale differentiaal van een functie u(x, y). Om deze functie te berekenen lossen we het stelsel u x = y, u y = x y3, op. Uit de eerste vergelijking vinden we dat Invullen in de tweede vergelijking levert dan waaruit volgt dat De functie u is bijgevolg ϕ (y) = y 3, u = xy + ϕ(y). x + ϕ (y) = x y 3, ϕ(y) = y4 4 + C. u(x, y) = xy y4 4 + C, en de oplossingen van de differentiaalvergelijking zijn gegeven door xy 4 y4 = C. Versie.2 9 februari 25
166 66 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 4. Lineaire differentiaalvergelijkingen Een differentiaalvergelijking van eerste orde wordt lineair genoemd indien ze kan geschreven worden als y + P(x)y = Q(x), waarbij P en Q willekeurige functies zijn die enkel afhangen van de variabele x. Om deze lineaire differentiaalvergelijkingen op te lossen zoekt men een integrerende factor, dit is een functie F(x) waarmee men de vergelijking vermenigvuldigt, en die zodanig wordt gekozen dat het linkerlid van de differentiaalvergelijking kan geschreven worden als een afgeleide van een product van de vorm F(x) y(x), dit wil zeggen dat Het is duidelijk dat en bijgevolg moet We besluiten dat en dus is F(x)y + F(x)P(x)y = (F(x)y). lnf(x) = (F(x)y) = F(x)y + F (x)y, F (x) = F(x)P(x), F (x) F(x) = P(x), P(x)dx, F(x) = e P(x)dx. Na vermenigvuldiging met deze factor kunnen we de vergelijking schrijven als en bijgevolg geldt dat (F(x)y) = Q(x)F(x), F(x)y = Q(x)F(x)dx. De oplossing van de differentiaalvergelijking wordt tenslotte gegeven door y = Q(x)F(x)dx. F(x) Voorbeeld. De vergelijking y 2 x + y = (x + )3, is een lineaire differentiaalvergelijking van eerste orde. De integrerende factor wordt gegeven door F(x) = e 2 x+ dx = e 2 ln(x+) = (x + ) 2. Na vermenigvuldiging met deze integrerende factor wordt de vergelijking gegeven door ( (x + ) 2 y ) = x +, wat we kunnen oplossen als (x + ) 2 (x + )2 y = + C. 2 De oplossing voor onze differentiaalvergelijking is bijgevolg y = (x + )4 2 + C(x + ) 2. Versie.2 9 februari 25
167 Hoofdstuk 4. Differentiaalvergelijkingen Differentiaalvergelijkingen van tweede orde Differentiaalvergelijkingen van tweede orde komen vaak naar voor bij de studie van de beweging van een voorwerp onder de invloed van krachten. De reden hiervoor is dat de wet van Newton ons leert dat de versnelling van een voorwerp (de tweede afgeleide van de positie van het voorwerp als functie van de tijd) bepaald wordt door de krachten die op dit voorwerp inwerken. We merken op dat de algemene oplossing van een differentiaalvergelijking van tweede orde steeds afhangt van twee parameters of integratieconstanten. Deze constanten kunnen worden bepaald door het opleggen van de beginvoorwaarden y(x ) = y, y (x ) = y, wat in het kader van de wet van Newton betekent dat de beweging volledig vastgelegd wordt door de krachten die op het voorwerp inwerken, samen met de beginpositie en de beginsnelheid van het voorwerp.. Vergelijkingen van de vorm y = f(x) Deze vergelijkingen kunnen eenvoudig opgelost worden door twee opeenvolgende integraties. We vinden eerst dat y = f(x)dx + C, terwijl een tweede maal integreren levert dat y = ( f(x)dx)dx + C x + C 2. Voorbeeld 2. Om de vergelijking op te lossen merken we op dat y = y = sin x sinxdx = cos x + C, en dat bijgevolg y = (cos x + C )dx = sin x + C x + C 2. Indien we de beginvoorwaarden y() =, y () = 5, opleggen, vinden we dat C 2 =, + C = 5, en bijgevolg is de oplossing in dat geval y = sin x + 6x. Versie.2 9 februari 25
168 68 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 2. Vergelijkingen van de vorm y = f(x, y ) Voor het oplossen van differentiaalvergelijkingen van de vorm y = f(x, y ) vervangen we eerst de functie y door een nieuwe functie u = y. De differentiaalvergelijking wordt dan herleid tot een differentiaalvergelijking van eerste orde u = f(x, u), die moet worden opgelost met de technieken uit de vorige paragraaf. Wanneer we de oplossing u van deze vergelijking hebben bepaald, kunnen we de oplossing van de oorspronkelijke vergelijking berekenen door het uitvoeren van de integratie y = udx. Voorbeeld 3. Om de vergelijking y + y = e x op te lossen stellen we u = y. De differentiaalvergelijking wordt dan herleid tot de vergelijking u + u = e x, die een lineaire differentiaalvergelijking van eerste orde is. De integrerende factor wordt in dit geval gegeven door F(x) = e dx = e x, en na vermenigvuldiging met deze integrerende factor vinden we (e x u) = e 2x. Bijgevolg is e x u = e 2x dx = 2 e2x + C. De oplossing van de vergelijking is bijgevolg u = 2 ex + C e x, en dus is y = ( 2 ex + C e x )dx = 2 ex C e x + C 2. Versie.2 9 februari 25
169 Hoofdstuk 4. Differentiaalvergelijkingen Lineaire vergelijkingen met constante coëfficiënten Het laatste type van differentiaalvergelijkingen dat we hier bestuderen zijn de lineaire differentiaalvergelijk van tweede orde met constante coëfficiënten. Deze vergelijkingen zijn van de vorm y + Ay + By = f(x), waarbij A en B twee reële constanten zijn en f(x) een willekeurige functie die enkel afhangt van de variabele x. Om de algemene oplossing van een dergelijke vergelijking te bepalen gaan we te werk in twee stappen. Ten eerste wordt de algemene oplossing bepaald van de homogene differentiaalvergelijking y + Ay + By =. Deze algemene oplossing hangt af van twee integratieconstanten, en wordt meestal aangegeven met het symbool y h. In een tweede fase wordt (indien nodig) één willekeurig te kiezen oplossing berekend van de niet-homogene differentiaalvergelijking y + Ay + By = f(x). Deze oplossing wordt een particuliere oplossing genoemd, en ze wordt meestal aangeduid met het symbool y p. De algemene oplossing van de niet-homogene differentiaalvergelijking wordt dan gegeven door de som y p + y h van deze beide oplossingen. We beginnen met het berekenen van de algemene oplossing van de homogene differentiaalvergelijking y + Ay + By =. We zoeken met andere woorden alle functies f(x) waarvoor geldt dat f (x)+af (x)+bf(x) =. We vragen ons daarom eerst en vooral af voor welke waarden van λ de functie f(x) = e λx een oplossing is van de vergelijking. Het is duidelijk dat voor een dergelijke functie geldt dat f(x) = e λx, f (x) = λe λx, f (x) = λ 2 e λx. Bijgevolg kan f(x) slechts een oplossing zijn indien f (x) + Af (x) + Bf(x) = e λx (λ 2 + Aλ + B) =. We zien dus dat, in dit geval, λ een oplossing moet zijn van de karakteristieke vergelijking X 2 + AX + B =. Om de homogene differentiaalvergelijking y + Ay + By = Versie.2 9 februari 25
170 7 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken op te lossen zullen we daarom eerst de oplossingen berekenen van de karakteristieke vergelijking X 2 + AX + B =. Indien de discriminant van de karakteristieke vergelijking strikt positief is, bekomen we twee verschillende reële wortels λ en λ 2. In dit geval wordt de algemene oplossing gegeven door y h = C e λ x + C 2 e λ 2x. Indien de discriminant strikt negatief is, bekomen we twee toegevoegd imaginaire complexe getallen a + bj en a bj als oplossingen. In dit geval is de algemene oplossing gegeven door y h = C e (a+bj)x + C 2 e (a bj)x. Door gebruik te maken van de formule van Euler kunnen we deze algemene oplossing ook schrijven als y h = C e ax sinbx + C 2 e ax cos bx. Indien de discriminant gelijk is aan nul heeft de karakteristieke vergelijking slechts één reële oplossing λ. In dit geval wordt de algemene oplossing gegeven door y h = C e λx + C 2 xe λx. Voorbeeld 4. De homogene differentiaalvergelijking heeft als karakteristieke vergelijking y + 2y 3y =, X 2 + 2X 3 =. De discriminant van deze vergelijking is gegeven door D = = 6 >. De reële wortels zijn in dit geval λ = en de algemene oplossing is bijgevolg =, λ 2 = y h = C e x + C 2 e 3x. = 3, Voorbeeld 5. De vergelijking heeft karakteristieke vergelijking y 2y + y =, X 2 2X + =. De discriminant van deze vergelijking is D = 4 4 =, en de vergelijking heeft dus slechts één oplossing λ =. De algemene oplossing van de differentiaalvergelijking is bijgevolg y h = C e x + C 2 xe x. Versie.2 9 februari 25
171 Hoofdstuk 4. Differentiaalvergelijkingen 7 Voorbeeld 6. De vergelijking heeft karakteristieke vergelijking y + 4y =, X =, die een strikt negatieve discriminant D = 6 heeft en bijgevolg twee toegevoegd imaginaire oplossingen λ = 2j, λ 2 = 2j. De algemene oplossing van de vergelijking is bijgevolg y h = C sin 2x + C 2 cos 2x. Voorbeeld 7. De vergelijking heeft als karakteristieke vergelijking y 2y + 5y =, X 2 2X + 5 =. Deze vergelijking heeft discriminant D = = 6, en de oplossingen zijn gegeven door λ = 2 + 4j 2 = + 2j, λ 2 = 2 4j 2 = 2j. De algemene oplossing van de differentiaalvergelijking is bijgevolg van de vorm y h = C e x sin 2x + C 2 e x cos 2x. Bij het berekenen van een particuliere oplossing van de niet-homogene vergelijking y + Ay + By = f(x) zullen we in deze cursus steeds veronderstellen dat de functie f(x) een speciale vorm heeft, namelijk f(x) = U n (x)e ax sinbx + V m (x)e ax cos bx, waarbij U n een veelterm is van graad n en V m een veelterm van graad m. In dit geval kunnen we gebruik maken van de methode der onbepaalde coëfficiënten. Bij deze techniek wordt een particuliere oplossing gezocht van de vorm y p = P(x)e ax sin bx + Q(x)e ax cos bx, waarbij P en Q veeltermen zijn waarvan de graad gelijk is aan het maximum van n en m, en waarvan de coëfficiënten onbepaald zijn. Deze coëfficiënten worden tenslotte bepaald door te eisen dat de voorgestelde functie y p een oplossing is van de differentiaalvergelijking, dit wil zeggen dat men de uitdrukking voor y p invult in de differentiaalvergelijking en het bekomen resultaat vergelijkt met de gegeven functie f(x). Men kan dan een stelsel van lineaire vergelijkingen opstellen waarmee de coëfficiënten van de veeltermen P en Q volledig kunnen worden vastgelegd. Versie.2 9 februari 25
172 72 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld 8. De vergelijking y + y 2y = 8 sin2x. Omdat de functie f(x) de vereiste vorm heeft kan men de methode van de onbepaalde coëfficiënten toepassen voor het berekenen van een particuliere oplossing van deze vergelijking. We zullen een oplossing zoeken van de vorm Het is dan duidelijk dat y p y p en invullen in de vergelijking geeft y p = A sin 2x + B cos 2x. = 2A cos2x 2B sin 2x, = 4A sin 2x 4B cos 2x, 4A sin2x 4B cos 2x +2A cos2x 2B sin 2x 2A sin2x 2B cos 2x = 8 sin 2x. We zien dan dat { 6A 2B = 8, 2A 6B =. De oplossing van dit stelsel wordt gegeven door A = 6 5, B = 2 5, en bijgevolg is y p = 6 5 sin 2x 2 cos 2x. 5 Voor bijzondere keuzes van de functie f(x) kan de voorgestelde particuliere oplossing y p van de niet-homogene differentiaalvergelijking y + Ay + By = f(x) één of meerdere termen bevatten die voorkomen in de algemene oplossing van de homogene vergelijking y + Ay + By =. In dit geval dient het oorspronkelijke voorstel voor de oplossing y p gewijzigd te worden. Men zal in dit geval de functie y p vervangen door de functie xy p (of, indien nodig, door x 2 y p ), en deze nieuwe functie gebruiken om een particuliere oplossing voor de differentiaalvergelijking te berekenen. Versie.2 9 februari 25
173 Hoofdstuk 4. Differentiaalvergelijkingen 73 Voorbeeld 9. Om de differentiaalvergelijking y 3y + 2y = e x op te lossen berekent men eerst de algemene oplossing van de homogene vergelijking y 3y + 2y =. De karakteristieke vergelijking wordt in dit geval gegeven door X 2 3X + 2 =, die een strikt positieve discriminant D = 9 8 = heeft. De oplossingen van de vergelijking zijn dan λ = en λ = 2 en de homogene vergelijking heeft bijgevolg als algemene oplossing y h = C e x + C 2 e 2x. Omdat de functie f(x) = e x de vereiste vorm heeft kunnen we de methode der onbepaalde coëfficiënten toepassen voor het berekenen van een particuliere oplossing y p. We stellen daarom een oplossing voor van de vorm y p = Ae x. Omdat deze functie echter een oplossing bevat van de homogene vergelijking, moeten we dit voorstel aanpassen en een oplossing zoeken van de vorm We zien dan dat y p = Axe x. y p = Aex + Axe x, y p = 2Aex + Axe x, waaruit volgt dat A zodanig moet worden gekozen dat 2Ae x + Axe x 3Ae x 3Axe x + 2Axe x = e x. We besluiten dat A =, en dus is y p = xe x. Versie.2 9 februari 25
174 74 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie.2 9 februari 25
175 ÀÓÓ ØÙ ½ Ä ÔÐ ¹ØÖ Ò ÓÖÑ Ø. Definitie Stel dat f(t) een functie is van één variabele, die gedefinieerd is voor alle positieve waarden van t en die stuksgewijs continu is. Dan kunnen we een nieuwe functie F(s) definiëren die met een getal s het getal F(s) = + e st f(t)dt associeert. Deze nieuwe functie wordt de Laplace-getransformeerde van f(t) genoemd, en we zullen deze functie meestal aanduiden met het symbool L{f(t)}. De functie f(t) waarvoor geldt dat L{f(t)} = F(s) wordt de inverse Laplace-getransformeerde van F(s) genoemd, en wordt daarom vaak aangeduid met het symbool L {F(s)}. Men kan aantonen dat het verband tussen een functie en haar (inverse) Laplace-getransformeerde éénduidig is, dit wil zeggen dat Anderzijds is het duidelijk dat f(t) = g(t) als en slechts als L{f(t)} = L{g(t)}. f(t) = n k i f i (t), i= k i Ê, enkel en alleen indien L{f(t)} = n k i L{f i (t)}. i= Versie maart 25
176 76 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Dit laat ons toe de (inverse) Laplace-getransformeerde van een som (of van een lineaire combinatie) van functies te berekenen aan de hand van de (inverse) Laplace-getransformeerden van de afzonderlijke functies. 2. Voorbeelden In deze paragraaf berekenen we de Laplace-getransformeerden van een aantal functies. We leiden ook enkele eigenschappen af die ons toelaten de Laplace-getransformeerde van een functie te berekenen aan de hand van de Laplace-getransformeerden van andere functies. Voorbeeld. Beschouwen we eerst de functie f(t) = e at. Het is dan duidelijk dat L{e at } = + e (s+a)t dt = s + a. Indien we a = stellen, bekomen we de functie f(t) = e =, en bijgevolg is L{} = s. Voorbeeld 2. De Laplace-getransformeerde van de functie f(t) = t wordt gegeven door L{t} = Na partiële integratie bekomen we dat + te st dt. L{t} = s L{} = s 2. Voorbeeld 3. Het vorige voorbeeld kan onmiddellijk veralgemeend worden tot het geval f(t) = t n, met n Æ. Opnieuw volgt uit de definitie dat en na partiële integratie bekomen we L{t n } = Voortzetten van de berekening geeft dan + t n e st dt, L{t n } = n s L{tn }. L{t n } = n (n ) (n 2)... 2 s n L{} = n! s n+. Voorbeeld 4. De formule van Euler leert ons dat sin(αt) = eiαt e iαt 2i, cos(αt) = eiαt + e iαt. 2 Versie.3 4 maart 25
177 Hoofdstuk 5. Laplace-transformatie 77 Bijgevolg zien we dat L{sin(αt)} = 2i (L{eiαt } L{e iαt }) = 2i ( s iα s + iα ) = L{cos(αt)} = 2 (L{eiαt } + L{e iαt }) = 2 ( s iα + s + iα ) = α s 2 + α, 2 s s 2 + α. 2 Voorbeeld 5. Stel nu dat f(t) = ϕ (t). Dan is Na partiële integratie vinden we dan L{f(t)} = + e st ϕ (t)dt. + L{f(t)} = ϕ() + s ϕ(t)e st dt = ϕ() + sl{ϕ(t)}. Voorbeeld 6. Gebruik makend van vorige formule vinden we dat L{ϕ (t)} = ϕ () sϕ() + s 2 L{ϕ(t)}. Voorbeeld 7. Beschouwen we nu de functie f(t) = ϕ(t)e at. Het is dan duidelijk dat waarbij L{f(t)} = + ϕ(t)e at e st dt = + F(s) = L{ϕ(t)}. ϕ(t)e (s+a)t dt = F(s + a), Deze regel laat ons toe onmiddellijk een aantal nieuwe Laplace-getransformeerden te berekenen. Zo zien we bijvoorbeeld dat L{e at α sin(αt)} = (s + a) 2 + α 2, L{e at s + a cos(αt)} = (s + a) 2 + α, 2 L{e at t n } = n! (s + a) n+. Bij het berekenen van Laplace-getransformeerden wordt meestal gebruik gemaakt van een woordenboek. Dit is een lijst die de Laplace-getransformeerden bevat van een aantal basisfuncties. Om de (inverse) Laplace-getransformeerde van een andere functie te berekenen volstaat het deze functie te ontbinden in een aantal componenten waarvan de (inverse) Laplace-getransformeerde uit deze lijst kan worden afgelezen. De volgende tabel geeft een overzicht van de Laplace-getransformeerden van een aantal bekende functies. Versie.3 4 maart 25
178 78 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken f(t) = L {F(s)} F(s) = L{f(t)} s e at s+a sin(αt) cos(αt) α s 2 +α 2 s s 2 +α 2 t n n! s n+ ϕ (t) ϕ() + sl{ϕ(t)} ϕ (t) ϕ () sϕ() + s 2 L{ϕ(t)} e at ϕ(t) L{ϕ(t)}(s + a) t n at n! e (s+a) n+ e at sin(αt) e at cos(αt) t n ϕ(t) t sin(αt) α (s+a) 2 +α 2 s+a (s+a) 2 +α 2 ( ) n dn ds n (L{ϕ(t)}) 2αs (s 2 +α 2 ) 2 t cos(αt) s 2 α 2 (s 2 +α 2 ) 2 De volgende voorbeelden geven aan hoe we het hierboven samengestelde woordenboek kunnen gebruiken voor het berekenen van de Laplace-getransformeerden en de inverse Laplacegetransformeerden van gegeven functies. Voorbeeld 8. Om de Laplace-getransformeerde van de functie te berekenen merken we op dat f(t) = sin(αt) αt cos(αt) L{f(t)} = L{sin(αt)} αl{t cos(αt)} = α s 2 + α α s2 α 2 2 (s 2 + α 2 ) = 2α 3 2 (s 2 + α 2 ). 2 Voorbeeld 9. Stel dat we de inverse Laplace-getransformeerde moeten berekenen van de functie 4 F(s) = s(s + 4). Splitsen in partieelbreuken levert ons dat F(s) = s s + 4, en bijgevolg is L {F(s)} = L { s } L { s + 4 } = e 4t. Versie.3 4 maart 25
179 Hoofdstuk 5. Laplace-transformatie 79 Voorbeeld. Om de inverse Laplace-getransformeerde van de functie F(s) = s + 4 s(s 2 + 4) te berekenen splitsen we deze functie opnieuw in partieelbreuken. We vinden dat en bijgevolg is F(s) = s s s 2 + 4, L {F(s)} = L { s } s L { s } L { s } = cos(2t) + 2 sin(2t). Voorbeeld. Beschouw de functie F(s) = Het is duidelijk dat s + 5 s 2 + 2s + 5 = s + 5 (s + ) = s + (s + ) (s + ) L {F(s)} = L s + { (s + ) } + 2 2L { (s + ) } = e t cos 2t + 2e t sin 2t. 3. Laplace-getransformeerden en differentiaalvergelijkingen Laplace-transformaties worden dikwijls gebruikt bij het oplossen van differentiaalvergelijkingen. Meestal veronderstelt men hierbij dat bepaalde beginvoorwaarden gegeven zijn. Door over te gaan naar de Laplace-getransformeerden wordt de differentiaalvergelijking herleid tot een gewone vergelijking (zonder afgeleiden) waaruit eenvoudig de Laplace-getransformeerde van de gezochte oplossing kan worden berekend. Door de inverse Laplace-getransformeerde van deze functie te berekenen vinden we tenslotte de gezochte oplossing van onze differentiaalvergelijking. Volgende voorbeelden schetsen deze techniek. Voorbeeld 2. Beschouwen we de differentiaalvergelijking (met gegeven beginvoorwaarde) x + x =, x() =. Als we de Laplace-transformatie toepassen op beide leden van deze vergelijking bekomen we L{x } + L{x} = L{}, en uit de hierboven afgeleide formules zien we dat bijgevolg x() + sl{x} + L{x} =. Samen met de gegeven beginvoorwaarde levert dit (s + )L{x} =, Versie.3 4 maart 25
180 8 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken waaruit we afleiden dat We vinden bijgevolg dat L{x} = s +. x = L { s + } = e t. Voorbeeld 3. Om de differentiaalvergelijking (met gegeven beginvoorwaarde) x + x =, x() =, op te lossen passen we de Laplace-transformatie toe op beide leden van de vergelijking. We bekomen dan L{x } + L{x} = L{}, en rekening houdend met de gegeven beginvoorwaarde levert dit (s + )L{x} = s, waaruit we afleiden dat We vinden bijgevolg dat L{x} = s(s + ) = s s +. x = L { s } L { s + } = e t. Voorbeeld 4. Beschouwen we de differentiaalvergelijking en beginvoorwaarden x + 4x = cos t, x() =, x () =. Toepassen van de Laplace-transformatie op beide leden van deze gelijkheid levert ons L{x } + 4L{x} = L{cost}, en als we gebruik maken van de gekende eigenschappen van de Laplace-getransformeerde vinden we dat x () + sx() + s 2 L{x} + 4L{x} = s s 2 +. Uit de gegeven beginvoorwaarden volgt dan dat en bijgevolg is L{x} = (s 2 + 4)L{x} = s s 2 + +, s (s 2 + )(s 2 + 4) + s = 3 s s Gebruik maken van het woordenboek levert ons dan dat x = L { 3 s s 2 + } L { 3 s s } + L { 2 s s s s } = 3 cos t 3 cos(2t) + 2 sin(2t). Versie.3 4 maart 25
181 ÀÓÓ ØÙ ½ ÓÙÖ ÖÖ Ò Een trigonometrische reeks is een uitdrukking van de vorm a + a cos x + a 2 cos 2x + a 3 cos 3x b sin x + b 2 sin 2x + b 3 sin 3x +..., waarbij a, a, b,... willekeurige reële getallen zijn die we de coëfficiënten van de trigonometrische reeks noemen. We schrijven deze trigonometrische reeksen meestal in de meer compacte vorm a + + n= (a n cos nx + b n sinnx). We zeggen dat de reeks convergeert indien voor iedere x Êde waarde f(x) = lim k + (a + k (a n cos nx + b n sin nx)) n= bestaat. In dit geval definieert de trigonometrische reeks een reële functie f(x) die periodisch is met periode 2π, dit wil zeggen dat f(x + 2π) = f(x) voor alle x Ê. (Een dergelijke functie is, met andere woorden, volledig gekend indien we haar gedrag kennen in het interval [ π, π] of in een willekeurig ander interval met lengte 2π, zoals [, 2π].) Versie. 8 9 februari 25
182 82 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Beschouwen we nu een periodische functie f(x) (met periode 2π), dan kunnen we ons afvragen of, omgekeerd, deze functie kan geschreven worden als een trigonometrische reeks, dit wil zeggen dat we coëfficiënten a, a, b,... moeten zoeken waarvoor geldt dat voor alle x Ê. f(x) = a + + n= (a n cos nx + b n sin nx), Stel dat een dergelijke reeks bestaat. Dan is het duidelijk dat +π π f(x)dx = +π π (a + + +π = a dx + π = 2πa, n= + (a n cos nx + b n sin nx))dx n= +π +π (a n cos nxdx + b n sin nxdx) π π waaruit volgt dat a = +π f(x)dx. 2π π Om de andere coëfficiënten van de trigonometrische reeks te berekenen merken we eerst op dat, voor elk (strikt positief) natuurlijk getal n, geldt dat +π π +π π +π π cos 2 nxdx = π, sin 2 nxdx = π, sin nx cosnxdx =, terwijl anderzijds voor elk paar verschillende natuurlijke getallen n en k geldt dat +π π +π π +π Bijgevolg geldt voor k =, 2,... dat +π π f(x) coskxdx = +π π (a + π + n= +π = a cos kxdx + = πa k, π cos kx cosnxdx =, sin kx cosnxdx =, sin kx sinnxdx =. (a n cos nx + b n sin nx)) coskxdx + n= +π +π (a n cos nx coskxdx + b n sin nx coskxdx) Versie. 9 februari 25 π π
183 Hoofdstuk 6. Fourierreeksen 83 terwijl anderzijds +π π f(x) sinkxdx = +π π = πb k, en we besluiten dat (a + + n= +π = a sin kxdx + π (a n cos nx + b n sin nx)) sinkxdx + n= +π +π (a n cos nx sinkxdx + b n sin nx sin kxdx) π π a k = π +π π f(x) coskxdx, b k = π +π π f(x) sinkxdx. De hierboven geconstrueerde coëfficiënten a, a, b,... worden de Fourier-coëfficiënten van de functie f(x) genoemd, en de trigonometrische reeks a + + n= (a n cos nx + b n sinnx), die met deze coëfficiënten geschreven wordt, noemt men de Fourierreeks van de functie f(x). Stellen we nu dat de functie f(x) begrensd is en bovendien stuksgewijs monotoon, dit wil zeggen dat het interval [ π, +π] kan opgesplitst worden in een eindig aantal intervallen waarin de functie ofwel stijgend ofwel dalend is (dus dat ze niet oneindig veel schommelingen vertoont). Dan kan men aantonen dat de Fourierreeks van de functie f(x) convergeert, en dat de waarde van de Fourierreeks samenvalt met de waarde van f(x) in de punten waar de functie continu is, dit wil zeggen dat de partiële sommen S k (x) = a + k (a n cos nx + b n sin nx), n= het getal f(x) steeds dichter zullen benaderen. In de punten waar de functie een sprong vertoont, wordt de waarde van de Fourierreeks gegeven door het gemiddelde van de linkeren de rechterlimiet van de functie. In wat voorafgaat hebben we verondersteld dat de functie gekend is op het interval [ π, +π], en we hebben bij de berekening van de Fourier-coëfficiënten telkens geïntegreerd over dit interval. Soms is de functie f(x) echter eenvoudiger te beschrijven op een ander interval met lengte 2π, zoals [, 2π]. In dit geval kunnen we, bij de berekening van de Fourierreeks van de functie, de grenzen van de integralen aanpassen aan de beschrijving van de functie. Het eindresultaat zal hierdoor niet beïnvloed worden. Een functie f(x) wordt een even functie genoemd indien f( x) = f(x) voor alle waarden van x Ê. De functie wordt oneven genoemd indien f( x) = f(x) voor alle mogelijke waarden van x Ê. Men kan makkelijk aantonen dat de Fourierreeks van een even functie enkel constanten en cosinussen bevat, dit wil zeggen dat b n = voor alle n Æ. Anderzijds geldt voor oneven functies dat hun Fourierreeks enkel sinussen bevat, dit wil zeggen dat a n = voor alle n Æ. Versie. 9 februari 25
184 84 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld. Beschouwen we de periodische functie f(x) = {, x [, π],, x ] π, [, die een bloksignaal voorstelt. Het is dan duidelijk dat a = 2π a n = π b n = π +π π +π π +π π f(x)dx = +π 2π f(x) cosnxdx = π f(x) sinnxdx = π dx = 2, π π cos nxdx = π sin nxdx = π sin nx n π cos nx n π =, = nπ (( )n ). We zien dus dat, voor oneven waarden van n, b n = 2 nπ, terwijl voor even waarden van n geldt dat b n =. We besluiten dat f(x) = π sin x sin 3x + sin 5x π 5π Deze gelijkheid geldt overal behalve in de punten waar de functie discontinu is, dus x = kπ. In deze punten neemt de Fourierreeks de waarde 2 aan x 4 6 Figuur 72. De blokfunctie en partiële sommen van de Fourierreeks. Versie. 9 februari 25
185 Hoofdstuk 6. Fourierreeksen 85 Voorbeeld 2. De periodische functie f(x) = x, π x < +π stelt een zaagtandfunctie voor. De Fourier-coëfficiënten van deze (oneven) functie worden gegeven door a = +π 2π = 2π = 2π =, a n = π b n = π π +π π +π x 2 2 +π π +π π π f(x)dx xdx x cosnxdx =, x sinnxdx = ( ) n+ 2 n. De Fourierreeks van de functie wordt bijgevolg gegeven door f(x) = 2 sin x sin 2x + 2 sin 3x Deze gelijkheid is overal geldig behalve in de punten waar f(x) discontinu is, x = π+2kπ, k, waar de Fourierreeks de waarde aanneemt x Figuur 73. De zaagtandfunctie en partiële sommen van de Fourierreeks. Versie.2 4 maart 27
186 86 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Versie.2 4 maart 27
187 ÀÓÓ ØÙ ½ Ö Ú Ò Ø Ø Ø. Inleiding De statistiek is de tak van de wiskunde die zich in de eerste plaats bezig houdt met de technieken voor het verzamelen, ordenen, voorstellen, analyseren en interpreteren van gegevens, die bijvoorbeeld verzameld worden bij een wetenschappelijk experiment. In een latere fase levert de statistiek ons ook een aantal technieken om, vertrekkend van deze analyse, verantwoorde conclusies te kunnen trekken. 2. Terminologie Bij het uitvoeren van een wetenschappelijk experiment zal de onderzoeker zeer nauwkeurig moeten omschrijven op welke verzameling van individuen of objecten zijn onderzoek van toepassing is. Deze verzameling van individuen waarin we bij ons onderzoek geïnteresseerd zijn noemen we de populatie of het universum. Dit universum kan eindig of oneindig groot zijn, het aantal elementen in de populatie zullen we in wat volgt aanduiden met N. We interesseren ons bij statistisch onderzoek voor één bepaald kenmerk van de elementen van onze populatie. Omdat de precieze waarde van dit kenmerk voor een bepaald individu in de populatie niet exact te voorspellen is, kunnen we stellen dat dit resultaat van het toeval afhangt. We zullen het kenmerk daarom beschrijven aan de hand van een toevalsvariabele of stochastische variabele. Deze veranderlijke zullen we in het vervolg vaak aanduiden met X. Het kenmerk dat we bij een wetenschappelijk onderzoek vastleggen kan kwantitatief of kwalitatief zijn. We noemen een kenmerk kwantitatief wanneer het resultaat op een natuurlijke wijze kan vastgelegd worden als een getal. Is dit niet het geval, en is het beschouwde resultaat dus Versie maart 27
188 88 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken eerder een niet-numeriek kenmerk van de elementen uit de populatie, dan spreken we van een kwalitatief kenmerk. We kunnen deze kwalitatieve kenmerken enkel schrijven als getallen door gebruik te maken van een codetabel. Voorbeeld. De lievelingskleur, geslacht en politieke voorkeur van een individu zijn kwalitatieve kenmerken. Voorbeeld 2. De leeftijd of het gewicht van een persoon, of de levensduur van een gloeilamp, zijn kwantitatieve kenmerken van de elementen uit een gegeven populatie. Verder kan het kenmerk dat we in ons onderzoek beschouwen discreet of continu zijn. Als de stochastische variabele slechts een beperkt aantal waarden kan aannemen (een eindig of aftelbaar oneindig aantal mogelijke waarden) zeggen we dat de stochastische variabele (of het kenmerk) discreet is. Wanneer de variabele daarentegen alle mogelijke (reële) waarden kan aannemen tussen bepaalde grenzen, dan noemen we het beschouwde kenmerk of de stochastische variabele continu. We kunnen ruwweg stellen dat we een discreet kenmerk bekomen wanneer we tellen, terwijl we een continu kenmerk bekomen wanneer we meten. Voorbeeld 3. Het aantal kinderen van een gezin is een discreet (eindig veel mogelijkheden) kenmerk. Ook het aantal worpen dat men met een dobbelsteen moet doen om een zes te bekomen is een discreet (aftelbaar oneindig veel mogelijkheden) kenmerk. Voorbeeld 4. De inhoud van een fles frisdrank, het gewicht van een persoon en de diameter van een metalen bol zijn continue kenmerk omdat in principe alle mogelijke reële waarden tussen twee grenzen kunnen worden bekomen (alhoewel dit, wegens de eindige precisie van de meettoestellen, niet kan worden vastgesteld). Indien we bij ons experiment de waarde van het kenmerk X bestuderen voor elk individu in onze populatie, spreken we van een integraal onderzoek. In de praktijk is het echter meestal onmogelijk alle elementen uit een populatie te betrekken in een wetenschappelijk onderzoek. Als de populatie zeer groot is, is het bijvoorbeeld praktisch onmogelijk om voor alle elementen uit de populatie het bestudeerde kenmerk op te meten. Als het onderzoek destructief (of zeer duur) is, is het ook niet zinvol (of door financiële beperkingen onmogelijk) alle elementen van de populatie te onderwerpen aan een meting. Daarom zal men zich in vele gevallen beperken tot het nemen van een steekproef uit de populatie, dit wil zeggen dat men een beperkt aantal elementen uit de populatie aan het onderzoek onderwerpt. Het aantal elementen dat men selecteert in de steekproef noemt men de steekproefgrootte, en we zullen dit aantal in wat volgt aanduiden met n. Het uitvoeren van een onderzoek op een steekproef of in een ganse populatie geeft aanleiding tot een (meestal grote) hoeveelheid gegevens over de kenmerken van de individuen uit de steekproef. In de beschrijvende statistiek of deductieve statistiek worden een aantal methodes verzameld die kunnen worden aangewend om deze steekproefgegevens te bewerken, voor te stellen, samen te vatten en te analyseren, zonder daarbij conclusies te trekken over het grotere geheel van de populatie. Als onze steekproef echter goed gekozen wordt, kunnen we verwachten dat de resultaten van de steekproef een redelijk precies beeld geven van de kenmerken van de gehele populatie. We spreken in dit verband van een representatieve steekproef. In de verklarende statistiek of inductieve statistiek (soms ook statistische inferentie of statistische beslissingstheorie genoemd), Versie.2 4 maart 27
189 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek 89 gaat men na hoe men er voor kan zorgen dat een steekproef representatief is, en hoe men uit een steekproef bepaalde conclusies kan trekken over een populatie, welke de risico s zijn die hieraan verbonden zijn en hoe men deze risico s onder controle kan houden. Het is immers duidelijk dat, zelfs voor goed gekozen steekproeven, er een zeker risico bestaat dat de steekproef een vervormd of onjuist beeld geeft van de populatie, en dat we ons dus vergissen bij het trekken van conclusies uit de steekproefresultaten. In de praktijk zal men in de statistische beslissingstheorie vaak gebruik maken van voldoende grote aselecte steekproeven. Dit zijn steekproeven waarbij men elk individu op toevallige basis selecteert (en waarbij dus ieder element uit de populatie evenveel kans heeft om tot de steekproef te behoren). Hoewel een dergelijke steekproef geen garantie biedt voor representativiteit, kunnen de risico s die hiermee verbonden zijn bepaald worden door gebruik te maken van de kansrekening, een tak van de wiskunde die zich bezighoudt met de analyse van waarschijnlijkheden van bepaalde gebeurtenissen. 3. Ruwe gegevens en meetschalen Bij het uitvoeren van een onderzoek naar een bepaald kenmerk in een populatie of in een steekproef, beginnen we met het vastleggen van de waarde van het gezochte kenmerk in elk individu dat we bestuderen. Hierbij zullen we steeds gebruik maken van een meetschaal, die ons toelaat aan elk waargenomen resultaat een (numerieke) waarde te associëren. Een nominale schaal is het eenvoudigste soort meetschaal. Deze meetschaal laat ons enkel toe de verschillen tussen de meetresultaten aan te geven. Voorbeeld 5. De lievelingskleur van een persoon, of de politieke partij waarvoor een persoon heeft gestemd, worden gemeten met een nominale meetschaal. De ordinale schaal laat ons toe verschillen tussen de resultaten vast te stellen, en de verschillende resultaten te rangschikken. Door het ontbreken van een meeteenheid is het bij deze meetschaal echter onmogelijk om verschillen te vergelijken. Voorbeeld 6. Bij het vastleggen van de kwaliteit van een restaurant of hotel gebruikt men een aanduiding met een aantal sterren. Hierbij wordt de kwaliteit gemeten met een ordinale meetschaal. De Beaufort-schaal voor het aanduiden van windsnelheden is eveneens een voorbeeld van een ordinale schaal. De intervalschaal biedt ons de mogelijkheid verschillen vast te stellen, twee resultaten te vergelijken, en met behulp van een meeteenheid deze verschillen te kwantificeren. Voorbeeld 7. Het geboortejaar van een persoon, of de temperatuur van een vloeistof, uitgedrukt in graden Celsius, zijn voorbeelden van kenmerken die ten opzichte van een intervalschaal worden gemeten. De ratioschaal is een intervalschaal die ook is uitgerust met een absoluut nulpunt. Dit maakt het mogelijk niet om op een zinvolle manier veelvouden van een kenmerk te bepalen. Voorbeeld 8. Het aantal kinderen in een gezin, of de temperatuur van een vloeistof in Kelvin, worden gemeten ten opzichte van een ratioschaal. Versie.2 4 maart 27
190 9 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken In wat volgt zullen we een aantal technieken van beschrijvende statistiek behandelen die kunnen worden gebruikt voor voorstellen en analyseren van het ongeordende cijfermateriaal (de ruwe gegevens) dat bij het onderzoek wordt verzameld. 4. Ordenen van de gegevens Een zeer eenvoudige techniek voor het overzichtelijk voorstellen van ruwe gegevens bestaat uit het ordenen van deze gegevens in een bepaalde volgorde (wanneer we een ordinale schaal gebruiken) of het bij elkaar schrijven van de gelijke resultaten (voor een nominale schaal). Voorbeeld 9. (Experiment ) We nemen een steekproef van 48 gezinnen, waarbij we als (discreet) kenmerk het aantal kinderen in dat gezin registreren. De resultaten worden gegeven in de volgende lijst, 3,, 3, 3, 2,,,2,2,3,3,2,,, 4,,,,,, 2,, 4,2,2,,2,3,, 2,, 3, 2, 3,, 3,, 2, 2,,2,2,3,2, 3, 4,. In stijgende volgorde rangschikken van deze gegevens levert ons de volgende lijst,,,,,,,,,,,,,,,,,,, 2, 2, 2, 2, 2,2,2,2,2,2, 2, 2, 2, 2, 2, 3, 3, 3, 3, 3, 3,3,3,3,3,3, 4, 4, 4. Voorbeeld. (Experiment 2) We nemen een steekproef van 5 personen en meten hun lengte (dus een continu kenmerk). De resultaten worden gegeven door 86.2, 84.9, 94., 77.5, 77.9, 89., 6.6, 94.3, 82.3, 67.8, 68.7, 6.5, 77., 76., 82.7, 78.2, 89.9, 23., 9., 84.6, 8.3, 84.9, 53.6, 86.9, 87.8, 72.5, 93., 7.6, 63.7, 74., 83.9, 93.8, 6.3, 56.3, 65., 76.3, 84.9, 8., 8.7, 77.7, 96.5, 72., 89.3, 66., 85.6, 92.7, 84.4, 9.2, 83.4, 69.. In stijgende volgorde gerangschikt levert dit de volgende lijst 53.6, 56.3, 6.3, 6.6, 6.5, 63.7, 65., 66., 67.8, 68.7, 69., 7.6, 72., 72.5, 74., 76., 76.3, 77., 77.5, 77.7, 77.9, 78.2, 8., 8.3, 8.7, 82.3, 82.7, 83.4, 83.9, 84.4, 84.6, 84.9, 84.9, 84.9, 85.6, 86.2, 86.9, 87.8, 89., 89.3, 89.9, 9., 9.2, 92.7, 93., 93.8, 94., 94.3, 96.5, 23.. Versie.2 4 maart 27
191 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek 9 5. Frequentietabellen Een eerste bewerking die we kunnen toepassen om de ruwe gegevens overzichtelijker te maken is het opstellen van een frequentietabel. Beschouwen we de resultaten van een steekproef waarin een discreet kenmerk wordt onderzocht, en waarbij er dus slechts een beperkt aantal mogelijke resultaten X, X 2,..., X n voorkomen. (We veronderstellen hierbij dat deze uitkomsten gerangschikt zijn van klein naar groot, dus dat X i < X i+ voor alle waarden van i.) De (absolute) frequentie van een resultaat X i is het aantal keer dat X i voorkomt tussen de ruwe gegevens. Het is dan duidelijk dat de som van alle absolute frequenties gelijk moet zijn aan de steekproefgrootte n. De cumulatieve (absolute) frequentie die overeenkomt met een resultaat X i is het totaal aantal uitkomsten dat kleiner is dan of gelijk aan X i, dus de som van alle absolute frequenties van de elementen X,..., X i. De relatieve frequentie, respectievelijk cumulatieve relatieve frequentie van een resultaat X i wordt gedefinieerd als het quotiënt van de absolute frequentie, respectievelijk cumulatieve absolute frequentie, van dit resultaat X i en het aantal elementen in de steekproef. Deze breuken worden vaak uitgedrukt als percentages. Verder moet de som van alle relatieve frequenties gelijk zijn aan. De frequentietabel voor de meetgegevens geeft een samenvatting van één of meerdere van deze frequenties. Voorbeeld. De volgende frequentietabel geeft een overzicht van de absolute, relatieve en cumulatieve frequenties van de meetgegevens uit Experiment. x Abs. freq. Rel. freq. Cumul. abs. freq. Cumul. rel. freq % 4 8.3% 5 3.3% % % % % % % 48 % Tot. 48 % 6. Groeperen van gegevens Voor continue kenmerken of discrete kenmerken met een groot aantal mogelijke resultaten is het vaak onmogelijk, zeer moeilijk of onnodig om alle gegevens exact weer te geven. Zo laat de beperkte nauwkeurigheid van een meetinstrument ons niet toe een lengte of gewicht exact te bepalen. Wanneer we een onderzoek doen naar de lonen van werknemers, is het niet nuttig bij ons onderzoek een onderscheid te maken tussen lonen die slechts enkele euro s in waarde verschillen. Behandeling van de exacte waarden bemoeilijkt in dit geval zelfs het overzichtelijk voorstellen van de gegevens, omdat we een frequentietabel bekomen met een groot aantal gegevens. Daarom zal men in de praktijk voor dergelijke kenmerken het totale gebied waarin de resultaten van de steekproef zich bevinden vaak opdelen in een aantal intervallen, die we klassen noemen. We zullen de exacte waarde van de bekomen resultaten in dat geval vervangen door een aanduiding van de klasse waartoe de waarde behoort. Versie.2 4 maart 27
192 92 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Bij het afronden van gemeten waarden past men een soortgelijke techniek toe: de exacte waarde (bijvoorbeeld π = 3, 45...) wordt vervangen door de afgeronde waarde (3, 4), die een aanduiding is van de klasse waartoe de exacte waarde behoort (alle waarden tussen 3, 35 en 3, 45). Om een overzichtelijke geheel te bekomen, zal men in de praktijk het aantal klassen kiezen tussen 5 en 2. Vaak wordt hierbij gesteld dat het aantal klassen best overeenkomt met n. Het klassemidden wordt gedefinieerd als het midden van het interval, de lengte van het interval wordt de klassebreedte genoemd. In de praktijk zal men vaak kiezen voor klassen van gelijke breedte, maar dit is geen absolute vereiste. De eindpunten van het interval worden de klassegrenzen genoemd. Om praktische problemen te vermijden zal er ook vaak voor zorgen dat geen waargenomen waarden samenvallen met de klassegrenzen. Indien dit niet mogelijk is, dient men ook aan te geven tot welke klasse elk van de grenswaarden behoort. Vaak stelt men dan dat een waarde gelijk aan de ondergrens tot de klasse behoort, terwijl een waarde gelijk aan de bovengrens tot de volgende klasse behoort. De klasse met grenzen a en b komt dan overeen met het interval [a, b[ Voorbeeld 2. Stel dat we een onderzoek doen, waarbij we het netto maandloon van 25 werknemers bepalen, en dat de kleinste en grootste gevonden waarden gelijk zijn aan 95 en 238 euro. We kunnen het gebied tussen 9 en 24 euro (lengte 5) dan opdelen in 25 5 klassen van gelijke lengte. De klassebreedte van elke klasse is in dit geval gelijk aan. Een maandloon van 357 euro behoort in dat geval tot de klasse [3, 4[, waarvan het klassemidden gelijk is aan 35 euro. Men berekent de absolute frequentie van een klasse als het aantal meetresultaten dat behoort tot die klasse. De cumulatieve absolute frequentie van de klasse is het aantal meetgegevens dat kleiner is dan of gelijk aan de klassebovengrens, dit wil zeggen de som van de frequenties van de klasse en al de klassen die eraan voorafgaan. Het dient opgemerkt dat bij deze methode informatie in verband met de gegevens verloren gaat. Hiertegenover staat dat men de informatie wel overzichtelijk kan houden. Het komt er bij de keuze van de klassen vaak op aan de gulden middenweg te vinden tussen overzichtelijkheid en precisie van de informatie. Voorbeeld 3. De gegevens uit het Experiment 2 bevinden zich tussen 5. en 25.. Als we dit gebied verdelen in intervallen van lengte 5, bekomen we volgende frequentietabel. Versie.2 4 maart 27
193 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek 93 Klasse Abs. freq. Cumul. abs. freq. [5, 55[ [55, 6[ 2 [6, 65[ 4 6 [65, 7[ 5 [7, 75[ 4 5 [75, 8[ 7 22 [8, 85[ 2 34 [85, 9[ 7 4 [9, 95[ 7 48 [95, 2[ 49 [2, 25[ 5 Totaal 5 7. Grafische voorstelling Nadat we een frequentietabel hebben opgesteld, kunnen we trachten de informatie die hierin bevat is grafisch voor te stellen. Voor absolute en relatieve frequenties van discrete kenmerken wordt vaak gebruik gemaakt van een naalddiagram of staafdiagram. Hierbij worden op de horizontale as alle mogelijke resultaten aangegeven. Voor elk mogelijk resultaat X i wordt dan een lijnstuk (of een smalle rechthoek) getekend waarvan de hoogte overeenkomt met de (absolute of relatieve) frequentie van dit resultaat. Voor de grafische voorstelling van cumulatieve frequenties wordt een trapdiagram gebruikt. Voorbeeld 4. De gegevens uit Experiment kunnen voorgesteld worden als volgt x Figuur 74. Staafdiagram en trapdiagram voor Experiment. Versie.2 4 maart 27
194 94 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voor continue kenmerken en gegroepeerde gegevens maakt men vaak gebruik van het histogram. Deze grafische voorstelling bestaat uit een aantal aan elkaar grenzende rechthoeken, waarvan de basis overeenkomt met de beschouwde klasse, en waarvan de oppervlakte de (absolute of relatieve) frequentie van de klasse voorstelt. Men kan in dit geval het midden van de bovenzijde van elke rechthoek (dit is het punt dat overeenkomt met het klassemidden en waarvan de hoogte bepaald wordt door de klassefrequentie) bepalen. De veelhoek die men bekomt door al deze punten te verbinden wordt de frequentiepolygoon genoemd. Men voegt bij de constructie van de frequentiepolygoon vaak ook een lege klasse (met dezelfde breedte) toe vóór de eerste en na de laatste klasse uit de tabel. Hierdoor begint en eindigt de frequentiepolygoon op de horizontale as. Om de cumulatieve (absolute of relatieve) frequenties van gegroepeerde gegevens voor te stellen maakt men gebruik van een ogief. Hiervoor wordt, voor de bovengrens van elke klasse, een punt getekend waarvan de hoogte overeenkomt met de cumulatieve frequentie van deze klasse, en worden de zo bekomen punten verbonden door lijnstukken. Voorbeeld 5. De gegevens van Experiment 2 kunnen grafisch voorgesteld worden als volgt Figuur 75. Histogram en frequentiepolygoon voor de gegevens uit Experiment 2. Versie.2 4 maart 27
195 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek Figuur 76. Ogief voor de gegevens uit Experiment Kengetallen : centrummaten en spreidingsmaten We zullen zien hoe we aan de ruwe gegevens die bij een statistisch onderzoek worden bekomen een aantal getallen kunnen associëren die ons toelaten na te gaan rond welke waarde de resultaten van de steekproef verdeeld zijn (centrummaten), en hoe ver de resultaten uit elkaar liggen (spreidingsmaten). Deze getallen zullen ons ook toelaten de resultaten van verschillende steekproeven met elkaar te vergelijken. Het (rekenkundig) gemiddelde van een reeks gegevens X, X 2,..., X n wordt gedefinieerd als de som van alle gegevens, gedeeld door het aantal gegevens n i= X = X i. n Als f i, i =,..., m de absolute frequentie is van het resultaat X i wordt dit X = m i= f ix i fi. Indien de resultaten gegroepeerd werden, wordt bij de berekening van het gemiddelde aangenomen dat alle elementen uit een bepaalde klasse samenvallen met het klassemidden. Voorbeeld 6. Het gemiddelde van de gegevens uit Experiment is X = =.875. Versie.2 4 maart 27
196 96 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken Voorbeeld 7. De gemiddelde lengte van de personen uit Experiment 2 wordt gegeven door 5 5 i= X i = Als we de gegroepeerde gegevens beschouwen vinden we dat X = ( ) = De modus M van een reeks gegevens is het resultaat (of de resultaten) met de hoogste frequentie. Voor gegroepeerde gegevens wordt de modale klasse gedefinieerd als de klasse met de hoogste frequentie. We bepalen in dit geval de modus door gebruik te maken van interpolatie. Als L de ondergrens is van de modale klasse, de breedte van deze klasse en (respectievelijk 2 ) het verschil tussen de frequentie van de modale klasse en de vorige (respectievelijk volgende) klasse, dan wordt de modus gedefinieerd als ( ) M = L Modale klasse Classe modale Modus Mode Figuur 77. De constructie van de modus in het histogram. Versie.2 4 maart 27
197 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek 97 Voorbeeld 8. De modus van de gegevens uit Experiment wordt gegeven door de resultaten en 2, die elk 5 keer voorkomen. Voorbeeld 9. Voor de gegroepeerde gegevens uit Experiment 2 zien we dat de modale klasse gegeven wordt door [8, 85[. Bijgevolg is L = 8, = 5, = 2 = 5, en de modus is dus M = = De mediaan M e is een waarde waarvoor 5% van de bekomen resultaten kleiner zijn dan of gelijk aan deze waarde. Indien we een oneven aantal waarnemingen hebben is dit het middelste resultaat uit de geordende lijst van resultaten, bij een even aantal waarnemingen is dit het midden tussen de twee middelste waarnemingen. Voor gegroepeerde resultaten wordt de mediaanklasse gedefinieerd als de klasse die het middelste element uit de lijst waarnemingen bevat. Voor het bepalen van de mediaan wordt dan opnieuw een interpolatie toegepast. Als L de ondergrens is van de mediaanklasse, de breedte van de mediaanklasse en n de grootte van de steekproef, dan wordt de mediaan gedefinieerd als ( n 2 M e = L + ( ) f), waarbij f de som van de frequenties van alle voorgaande klassen aanduidt en f m de frequentie van de mediaanklasse is. Voorbeeld 2. De middelste elementen uit de lijst van resultaten van Experiment zijn beide 2, en de mediaan wordt bijgevolg 2. Voorbeeld 2. De middelste elementen uit de gegevens van Experiment 2 zijn 8.7 en 82.3, en de mediaan is bijgevolg f m ( ) = Als we de gegroepeerde gegevens beschouwen zien we dat de mediaanklasse gegeven wordt door [8, 85[. Bijgevolg is L = 8, = 5, n = 5, f m = 2, f = 22, en de mediaan wordt bijgevolg gegeven door = Het meetkundig gemiddelde van een steekproef van grootte n wordt gedefinieerd als de n-de machtswortel uit het product van de verschillende metingen, n X f i i, Versie.2 4 maart 27
198 98 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken terwijl het harmonisch gemiddelde wordt bepaald als het inverse van de som der inversen van de meetgegevens, fi X i. Het kwadratisch gemiddelde is bepaald als de vierkantswortel uit het rekenkundig gemiddelde der kwadraten van alle gegevens, fi X 2 n i. Een laatste klasse van centrummaten wordt gevormd door de kwantielen. Dit zijn de waarden waarvoor een gegeven aantal metingen kleiner zijn dan of gelijk aan deze waarde. Ze vormen een veralgemening van de mediaan die, zoals we reeds hebben gezien, het punt is waarvoor 5% van de waarnemingen kleiner zijn dan of gelijk aan deze waarde. De kwartielen zijn de waarden waarvoor 25%, 5% of 75% van alle waarnemingen kleiner zijn dan of gelijk aan deze waarde. We spreken hier over het eerste, tweede en derde kwartiel en duiden deze waarden aan met Q, Q 2, Q 3. Uit de definitie volgt bovendien dat het tweede kwartiel samenvalt met de mediaan. De decielen D, D 2,..., D 9 zijn de waarden waarvoor %, 2%,..., 9% van de waarden kleiner is dan of gelijk aan deze waarde. Opnieuw valt D 5 samen met de mediaan. De percentielen tenslotte zijn de punten P, P 2,..., P 99 waarvoor %, 2%,..., 99% van de gemeten waarden kleiner is dan dit getal. We merken op dat de kwantielen (en dus ook de mediaan) voor gegroepeerde gegevens het eenvoudigst te bepalen zijn aan de hand van het ogief. Het is de waarde op de horizontale as die overeenkomt met een gegeven percentage op de verticale as. Dit laat ons toe, voor gegroepeerde gegevens, de kwantielen te berekenen door gebruik te maken van interpolatie. % 8% 5% 25% 5% % P5 Q Q2,D5 D8 Figuur 78. Kwantielen bepalen op het ogief. Versie.2 4 maart 27
199 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek 99 Voorbeeld 22. Om het eerste kwartiel van de gegevens uit Experiment 2 te bepalen, merken we op dat Q in de klasse [7, 75[ moet liggen. Omdat we voor de grenswaarde 7 (resp. 75) een cumulatieve relatieve frequentie van 22% (resp. 3%) hebben, kunnen we door een eenvoudige interpolatie berekenen dat we 25% bereiken in het punt Q waarvoor Q = , en dus is Q = = De eenvoudigste spreidingsmaat is de spreiding van een reeks gegevens, die gedefinieerd wordt als het verschil tussen de grootste en de kleinste waargenomen waarde. De gemiddelde afwijking van een reeks gegevens x,..., x n wordt gedefinieerd als het (rekenkundig) gemiddelde van alle afwijkingen van de gemeten gegevens ten opzichte van het gemiddelde, en is dus gegeven door xi X n. De standaardafwijking wordt gedefinieerd als het kwadratisch gemiddelde van de afwijkingen van de metingen ten opzichte van het gemiddelde, dit wil zeggen (xi s = X) 2. n Het kwadraat s 2 van de standaardafwijking wordt de variantie genoemd. We merken hierbij nog op dat de standaardafwijking soms wordt gedefinieerd als (xi X) 2 ŝ = n. Voorbeeld 23. De variantie van de resultaten uit Experiment is gelijk aan., en de standaardafwijking van deze gegevens is.5. De spreiding is gelijk aan 4. Versie.2 4 maart 27
200 2 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken 9. Boxplots en identificatie van outliers Een aantal centrummaten en kwantielen, verwant aan een steekproef, kunnen we grafisch voorstellen. Hiervoor maken we gebruik van een boxplot. Voor het construeren van een boxplot beginnen we met de berekening van de kwartielen Q en Q 3, en de mediaan M e van de steekproefresultaten. Eventueel kan ook het rekenkundige gemiddelde X berekend worden. We tekenen vervolgens een rechthoek, waarvan de basis gevormd wordt door het lijnstuk [Q, Q 3 ]. De verticale zijden van deze rechthoek duiden dan de punten aan waartussen 5% van de resultaten gelegen is, terwijl 25% van de resultaten links en rechts van deze zijden gelegen is. Binnen deze rechthoek wordt ook de positie van de mediaan M e aangeduid door een verticaal lijnstuk dat de rechthoek in twee deelt. Het rekenkundig gemiddelde kan indien nodig aangeduid worden als een punt (meestal, maar niet noodzakelijk, in deze rechthoek gelegen). De basis van de rechthoek, = Q 3 Q, wordt de kwartielafstand genoemd (IQD, InterQuartile Distance ). We bepalen nu vier grenspunten, die we de inner en outer fences noemen. De inner fences zijn de punten die op een afstand, 5 van de zijden van de rechthoek gelegen zijn, dus Q, 5, Q 3 +, 5, terwijl de outer fences gelegen zijn op drie kwartielafstanden van deze zijden, Q 3, Q We identificeren vervolgens de grootste waarneming M en de kleinste waarneming m die binnen de inner fences gelegen zijn, en duiden de positie van beide punten aan door middel van snorharen of whiskers, dit zijn horizontale lijntjes vanaf de zijden van de rechthoek, begrensd door verticale lijntjes ter hoogte van deze beide waargenomen waarden. Mild outliers Whisker Whisker Mild outliers Extreme outliers Outer fence Inner fence m Q Me Q3 M Inner fence Outer fence,5 IQD IQD,5 IQD 3 IQD 3 IQD Figuur 79. Boxplot Bij het analyseren van de resultaten van een steekproef is het soms belangrijk dat we de grote uitschieters of outliers kunnen identificeren. Dit zijn waarden die sterk afwijken van de normaal gemeten waarden, die het overgrote deel van de resultaten uitmaken. Een dergelijke afwijking kan te wijten zijn aan het toeval (bij de steekproef wordt een individu uit de populatie gekozen dat sterk afwijkt van de anderen), maar kan ook veroorzaakt worden door een meetfout of een fout bij het ontwerpen van de steekproef, waardoor de betrouwbaarheid van de bekomen resultaten in het gedrang komt. Het is daarom belangrijk dat we dergelijke Versie.2 4 maart 27
201 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek 2 outliers kunnen ontdekken, zodat we deze resultaten aan een grondig onderzoek kunnen alvorens ze te aanvaarden als geldige meetresultaten. Deze analyse kan ondermeer gebeuren door gebruik te maken van een boxplot. In praktijk stelt men dat de waarden, gelegen tussen de inner en outer fences van de boxplot, potentiële uitschieters of mild outliers zijn, terwijl de waarden die buiten de outer fences vallen beschouwd worden als extreme outliers. De milde outliers worden in de grafiek vaak voorgesteld als een opgevuld cirkeltje, terwijl de extreme outliers weergegeven worden als niet-opgevulde symbolen. Voorbeeld 24. Bij cricket wordt de kwaliteit van een batsman uitgedrukt aan de hand van zijn batting average, dit is het aantal runs dat hij gemiddeld scoort per out. De batting averages van enkele beroemde batsmen worden gegeven in de volgende tabel: 45., 46.6, , 48., 49.77, 49.78, , 53.9, 55.27, 58., , 66.53, 67., 68.6, We merken in dit geval dat Q = 48., M e = 53.9, Q 3 = 66.53, en we leiden af dat = = De inner fences voor de boxplot bevinden zich dan op = 2.45, = We tekenen daarom whiskers bij de waarden terwijl de outer fences zich bevinden bij m = 45., M = 82.46, 7.9, We besluiten dat de laatste waarde, 5.72, een milde outlier is, die we dus eventueel aan een nader onderzoek kunnen onderwerpen. Alle andere waarden bevinden zich tussen de whiskers van de boxplot, en zijn dus aanvaardbaar. Versie.2 4 maart 27
202 22 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken. Normale verdeling Beschouwen we een zeer grote populatie (de populatiegrootte N streeft naar oneindig), waarin we een continu kenmerk X willen bestuderen door gebruik te maken van een zeer grote steekproef (de steekproefgrootte n streeft naar oneindig). We kunnen de resultaten dan opdelen in m klassen, en voor de bekomen (relatieve) frequenties een frequentiepolygoon en histogram construeren. De oppervlakte van elk van de rechthoeken uit het histogram geeft de (relatieve) frequentie aan van de resultaten in de klassen die met de rechthoek overeenkomt. Omdat we in principe over oneindig veel gegevens beschikken, kunnen we het aantal klassen m laten toenemen. Het histogram zal ons dan informatie leveren over de frequentie van de resultaten in elk van de steeds kleiner wordende klassen, waardoor we een steeds preciezere beschrijving krijgen van de resultaten van de steekproef (en bijgevolg ook over de populatie waaruit de steekproef getrokken wordt). Als we dit proces voortzetten, en dus het aantal klassen m eveneens naar oneindig laten streven, benadert de frequentiepolygoon (of de bovenste rand van het histogram) een bepaalde kromme, die de grafische voorstelling is van een functie y = f X (x). We kunnen deze kromme beschouwen als de meest precieze omschrijving van het kenmerk binnen de populatie of de (oneindig grote) steekproef. De oppervlakte, begrend door de kromme, de x-as en de verticale rechten x = a en x = b, gegeven door b a f X (x)dx levert ons immers de relatieve frequentie van de klasse [a, b], dus van de elementen uit de populatie waarvoor het kenmerk een waarde aanneemt tussen a en b. Voor een kenmerk X binnen een populatie wordt de functie f X de dichtheidsfunctie van dit kenmerk genoemd. Bij de studie van continue kenmerken levert deze constructie zeer vaak een kromme op die een zeer karakteristieke klokvorm aanneemt, en die een Gausskromme genoemd wordt. Deze kromme (of een goede benadering ervan) kan eenvoudig beschreven worden door gebruik te maken van de dichtheidsfunctie f X (x) = 2πσ e (x µ)2 2σ 2, waarbij µ Êen σ Ê+ twee getallen zijn die het gemiddelde en de standaardafwijking van het kenmerk in de populatie voorstellen. Men zegt dat een kenmerk waarvoor de dichtheidsfunctie gegeven wordt door een dergelijke Gausskromme, normaal verdeeld is, en men duidt dit soms aan als N(µ, σ). Voor de normale verdeling geeft µ de plaats van de top van de Gausscurve aan, terwijl σ de afstand aangeeft tussen de top en een buigpunt van de kromme. Een grotere waarde van de standaardafwijking σ wijst daarom, zoals verwacht, op een grotere spreiding van de resultaten rond het gemiddelde. Versie.2 4 maart 27
203 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek P( 2<X<) x Figuur 8. Relatieve frequentie als oppervlakte x Figuur 8. Een normale verdeling Kennis van (een benadering van) de dichtheidsfunctie van een kenmerk binnen een populatie is belangrijk omdat dit ons toelaat, door middel van integralen, te berekenen hoeveel van de individuen uit de populatie bepaalde kenmerken vertonen. Zo kan men nagaan dat, indien een kenmerk X normaal verdeeld is, X N(µ, σ), 68% van de individuen voor dit kenmerk een waarde optekenen tussen µ σ en µ + σ, terwijl 95% (resp. 99%) van de individuen waarden opleveren in de klasse [µ 2σ, µ + 2σ] (resp. [µ 3σ, µ + 3σ]). Versie.2 4 maart 27
204 24 Differentiaal- en integraalrekening - Peter Bueken x4 6 Figuur 82. Gausskrommen voor verschillende waarden van σ. Bivariate statistiek of analyse Bij sommige experimenten wordt van elk individu uit de steekproef meer dan een kenmerk opgemeten. Zo kan men bijvoorbeeld van een persoon zowel zijn gewicht als zijn lengte meten, kan men de druk en de temperatuur van een gas in een container op een bepaald moment vastleggen, of kan men de snelheid en het brandstofverbruik van een voertuig meten. Het is dan vaak de bedoeling om na te gaan of beide kenmerken met elkaar verbonden zijn, dit wil zeggen dat een verandering van de waarde van het eerste kenmerk een verandering van de waarde van het tweede kenmerk met zich meebrengt. Zo kunnen we bijvoorbeeld verwachten dat uit onze metingen blijkt dat een grotere persoon over het algemeen ook zwaarder is, of dat een hogere snelheid ook een hoger brandstofverbruik tot gevolg heeft. In wat volgt verzamelen we tot slot nog enkeke technieken die gebruikt worden in dit onderdeel van de beschrijvende statistiek, dat de bivariate statistiek genoemd wordt. Voor de grafische voorstelling van de waargenomen resultaten kunnen we beroep doen op een spreidingsdiagram, soms ook een puntenwolk genoemd. Hierbij wordt, voor elk individu uit de steekproef, de waarde van de kenmerken X en Y voorgesteld als een koppel (x i, y i ) dat we in het vlak voorstellen als een punt met coördinaten (x i, y i ) Figuur 83. Een voorbeeld van een spreidingsdiagram. Versie.2 4 maart 27
205 Hoofdstuk 7. Beschrijvende statistiek 25 In sommige gevallen zal men op het spreidingsdiagram vaststellen dat de punten niet willekeurig verspreid liggen over een gans gebied, en dus een ganse puntenwolk vormen, maar dat ze min of meer geconcentreerd liggen rond een bepaalde rechte of een andere kromme, wat erop wijst dat beide kenmerken verbonden zijn x x Figuur 84. Puntenwolken met spreiding rond een bepaalde kromme. We kunnen aan de gemeten waarden ook een aantal kentallen verbinden. In de eerste plaats kunnen we van elk gemeten waarden slechts de eerste of de tweede component beschouwen, en de andere component laten wegvallen. Dit komt er op neer dat we het experiment herleiden tot een steekproef waarin slechts een kenmerk (X of Y ) wordt beschouwd. Wanneer we de kentallen (in het bijzonder het gemiddelde en de variantie of standaardafwijking) berekenen van deze reeksen waarnemingen, bekomen we de marginale gemiddelden, x = n xi, ȳ = n yi, en de marginale varianties, s 2 x = n (xi x) 2, s 2 y = n (yi ȳ) 2. De covariantie, die we bepalen als s 2 xy = n (xi x)(y i ȳ) = n ( x i y i ) xȳ, meet in hoeverre er een relatie bestaat tussen beide kenmerken. Indien s xy = bestaat er geen enkel verband, terwijl grote positieve (resp. negatieve) covarianties wijzen op een positief (resp. negatief) verband tussen beide kenmerken, dit wil zeggen dat grotere x i waarden voornamelijk overeenkomen met grotere (resp. kleinere) y i waarden. Versie.2 4 maart 27
Voorkennis wiskunde voor Biologie, Chemie, Geografie
Onderstaand overzicht volgt de structuur van het boek Wiskundige basisvaardigheden met bijhorende website. Per hoofdstuk wordt de strikt noodzakelijke voorkennis opgelijst: dit is leerstof die gekend wordt
2004 Gemeenschappelijke proef Algebra - Analyse - Meetkunde - Driehoeksmeting 14 vragen - 2:30 uur Reeks 1 Notatie: tan x is de tangens van de hoek x, cot x is de cotangens van de hoek x Vraag 1 In een
Primitieve functie Als f : R --> R continu is op een interval, dan noemt men F : R --> R een primiteive functie of
Enkelvoudige integralen Kernbegrippen Onbepaalde integralen Van onbepaalde naar bepaalde integraal Bepaalde integralen Integratiemethoden Standaardintegralen Integratie door splitsing Integratie door substitutie
Inhoud college 6 Basiswiskunde
Inhoud college 6 Basiswiskunde 4.0 Taylorpolynomen (slot) Zie college 5: Vanaf 4.0 Voorbeeld 4 3. Inverse functies 3.2 Exponentiële en logaritmische functies 3.3 De natuurlijke logaritme en de exponentiële
Voorkennis wiskunde voor Bio-ingenieurswetenschappen
Onderstaand overzicht volgt de structuur van het boek Wiskundige basisvaardigheden met bijhorende website. Per hoofdstuk wordt de strikt noodzakelijke voorkennis opgelijst: dit is leerstof die gekend wordt
Definitie: Een functie f heeft een absoluut maximum f(x 0 ) in het punt. x 1 Domein(f) als voor alle x Domein(f) geldt:
Definitie: Een functie f heeft een absoluut maximum f(x 0 ) in het punt x 0 Domein(f) als voor alle x Domein(f) geldt: f(x) f(x 0 ). Een functie f heeft een absoluut minimum f(x 1 ) in het punt x 1 Domein(f)
8. Differentiaal- en integraalrekening
Computeralgebra met Maxima 8. Differentiaal- en integraalrekening 8.1. Sommeren Voor de berekening van sommen kent Maxima de opdracht: sum (expr, index, laag, hoog) Hierbij is expr een Maxima-expressie,
dx; (ii) * Bewijs dat voor elke f, continu ondersteld in [0, a]: dx te berekenen.(oef cursus) Gegeven is de bepaalde integraal I n = π
Analyse. (i) Bereken A = π sin d; +cos 2 (ii) * Bewijs dat voor elke f, continu ondersteld in [, a]: a f()d = a f(a )d (iii) Gebruik (i) en (ii) om de integraal J = π sin d te berekenen.(oef +cos 2 cursus)
1. (a) Gegeven z = 2 2i, w = 1 i 3. Bereken z w. (b) Bepaal alle complexe getallen z die voldoen aan z 3 8i = 0.
Radboud Universiteit Nijmegen Tentamen Calculus NWI-NP003B 4 november 04,.30 5.30 Het gebruik van een rekenmachine/gr, telefoon, boek, aantekeningen e.d. is niet toegestaan. Geef precieze argumenten en
(g 0 en n een heel getal) Voor het rekenen met machten geldt ook - (p q) a = p a q a
Samenvatting wiskunde h4 hoofdstuk 3 en 6, h5 hoofdstuk 4 en 6 Hoofdstuk 3 Voorkennis Bij het rekenen met machten gelden de volgende rekenregels: - Bij een vermenigvuldiging van twee machten met hetzelfde
Radboud Universiteit Nijmegen Tentamen Calculus 1 NWI-NP003B 4 januari 2013,
Radboud Universiteit Nijmegen Tentamen Calculus 1 NWI-NP003B 4 januari 013, 8.30 11.30 Het gebruik van een rekenmachine, telefoon en boek(en) is niet toegestaan. Geef precieze argumenten en antwoorden.
1. Orthogonale Hyperbolen
. Orthogonale Hyperbolen a + b In dit hoofdstuk wordt de grafiek van functies van de vorm y besproken. Functies c + d van deze vorm noemen we gebroken lineaire functies. De grafieken van dit soort functies
Zomercursus Wiskunde. Katholieke Universiteit Leuven Groep Wetenschap & Technologie. September 2008
Katholieke Universiteit Leuven September 2008 Limieten en asymptoten van rationale functies (versie juli 2008) Rationale functies. Inleiding Functies als f : 5 5, f 2 : 2 3 + 2 f 3 : 32 + 7 4 en f 4 :
Inhoud. Aan de student. Studiewijzer. Aan de docent. Over de auteurs. Hoofdstuk 0 Basiswiskunde 1
Inhoud Aan de student V Studiewijzer Aan de docent VII IX Over de auteurs XI Hoofdstuk 0 Basiswiskunde 1 Leereenheid 0.1 Elementaire algebra 3 0.1.1 Verzameling van getallen en het symbool 4 0.1.2 Merkwaardige
UNIVERSITEIT TWENTE Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica
UNIVERSITEIT TWENTE Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica Uitwerking Proeftentamen 3 Functies van één veranderlijke (15126 De uitwerkingen van de opgaven dienen duidelijk geformuleerd en overzichtelijk
Machten, exponenten en logaritmen
Machten, eponenten en logaritmen Machten, eponenten en logaritmen Macht, eponent en grondtal Eponenten en logaritmen hebben alles met machtsverheffen te maken. Een macht als 4 is niets anders dan de herhaalde
FORMULARIUM. www.basiswiskunde.be. Inhoudsopgave. 1 Algebra 2. 2 Lineaire algebra 4. 3 Vlakke meetkunde 5. 4 Goniometrie 7. 5 Ruimtemeetkunde 10
FORMULARIUM wwwbasiswiskundebe Inhoudsopgave Algebra 2 2 Lineaire algebra 4 3 Vlakke meetkunde 5 4 Goniometrie 7 5 Ruimtemeetkunde 0 6 Reële functies 2 7 Analyse 3 8 Logica en verzamelingen 6 9 Kansrekening
Speciale functies. 2.1 Exponentiële functie en natuurlijke logaritme
Wiskunde voor kunstmatige intelligentie, 006 Les Speciale functies We ebben in de vorige les een aantal elementaire functies bekeken en iervoor gezien oe we deze functies kunnen afleiden. In wezen waren
Inhoud college 5 Basiswiskunde Taylorpolynomen
Inhoud college 5 Basiswiskunde 4.10 Taylorpolynomen 2 Basiswiskunde_College_5.nb 4.10 Inleiding Gegeven is een functie f met punt a in domein D f. Gezocht een eenvoudige functie, die rond punt a op f lijkt
Naam: Studierichting: Naam assistent:
Naam: Tussentijdse Toets Wiskunde I ste bachelor Biochemie & Biotechnologie, Chemie, Geografie, Geologie, Informatica, Schakelprogramma Master Toegepaste Informatica, Master Chemie donderdag 4 november
Reëelwaardige functies van één of meer reële veranderlijken
Reëelwaardige functies van één of meer reële veranderlijken Functie en scalaire functie Relatie van A naar B A B = {(, ) A & B} Een relatie van A naar B is functie als verschillende beelden zelfde origineel
Zomercursus Wiskunde. Module 4 Limieten en asymptoten van rationale functies (versie 22 augustus 2011)
Katholieke Universiteit Leuven September 20 Module 4 Limieten en asymptoten van rationale functies (versie 22 augustus 20) Inhoudsopgave Rationale functies. Inleiding....................................2
13.0 Voorkennis. Deze functie bestaat niet bij een x van 2. Invullen van x = 2 geeft een deling door 0.
Gegeven is de functie.0 Voorkennis Deze functie bestaat niet bij een van. Invullen van = geeft een deling door 0. De functie g() = heeft als domein R en is een ononderbroken kromme. Deze functie is continu
Wiskunde met (bedrijfs)economische toepassingen
FACULTEIT TEW Wiskunde met (bedrijfs)economische toepassingen Oefenexamens 1ste Bachelor TEW Eerste deel (januari) Academiejaar 2013-2014 Het examen vindt voor iedereen plaats in twee delen : het eerste
V.2 Limieten van functies
V.2 Limieten van functies Beschouw een deelverzameling D R, een functie f: D R en zij c R. We willen het gedrag van f in de buurt van c bestuderen. De functiewaarde in c is daarvoor niet belangrijk, de
15.0 Voorkennis. Herhaling rekenregels voor differentiëren: (somregel) (productregel) (quotiëntregel) n( x) ( n( x))
5.0 Voorkennis Herhaling rekenregels voor differentiëren: f ( x) a f '( x) 0 n f ( x) ax f '( x) nax n f ( x) c g( x) f '( x) c g'( x) f ( x) g( x) h( x) f '( x) g'( x) h'( x) p( x) f ( x) g( x) p'( x)
Per nieuwe hoofdvraag een nieuwe bladzijde gebruiken. De vragen hoeven niet in de juiste volgorde te worden opgelost.
SBC AMDG Ma 13/12/04 klas : 5WEWI8 5GRWI8 Van Hijfte D. toegelaten : grafisch rekentoestel Examen Wiskunde deel I (90p) Per nieuwe hoofdvraag een nieuwe bladzijde gebruiken. De vragen hoeven niet in de
begin van document Eindtermen vwo wiskunde B (CE) gekoppeld aan delen en hoofdstukken uit Moderne wiskunde 9e editie
begin van document Eindtermen vwo wiskunde (CE) gekoppeld aan delen en hoofdstukken uit Moderne wiskunde 9e editie Domein Subdomein in CE moet in SE Vaardigheden 1: Informatievaardigheden X X : Onderzoeksvaardigheden
TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN
TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN Faculteit der Wiskunde en Informatica Tentamen van Calculus voor het schakelprogramma van B (XB03) op woensdag 0 april 03, 9:00-:00 uur De uitwerkingen van de opgaven
1 Limiet van een rij Het begrip rij Bepaling van een rij Expliciet voorschrift Recursief voorschrift 3
HOOFDSTUK 6: RIJEN 1 Limiet van een rij 2 1.1 Het begrip rij 2 1.2 Bepaling van een rij 2 1.2.1 Expliciet voorschrift 2 1.2.2 Recursief voorschrift 3 1.2.3 Andere gevallen 3 1.2.4 Rijen met de grafische
Schooljaar: Leerkracht: M. Smet Leervak: Wiskunde Leerplan: D/2002/0279/048
Blz: 1/5 04 09 09 1.1 STELLING VAN PYTHAGORAS ouwregel tot Pythagoras: formulering. 07 09 09 11 09 09 14 09 09 18 09 09 21 09 09 22 09 09 25 09 09 29 09 09 01 10 09 02 10 09 06 10 09 08 10 09 09 10 09
Centrale Commissie Voortentamen Wiskunde Uitwerkingen Voortentamen Wiskunde B 11 juni 2012
Centrale Commissie Voortentamen Wiskunde Uitwerkingen Voortentamen Wiskunde B juni 22 Voorlopige versie 6 juni 22 Opgave a f (x) = x2 x 5, dus f (x) = 2 2 x 5x. Dit geeft f (x) = 2 2 2x3. f (x) = 2 2 2x3
Integratietechnieken: substitutie en partiële integratie
Integratietechnieken: substitutie en partiële integratie Inleiding In dit pakket wordt zeer kort de definitie van onbepaalde integralen herhaald evenals het verband tussen bepaalde en onbepaalde integralen.
Inhoud college 4 Basiswiskunde. 2.6 Hogere afgeleiden 2.8 Middelwaardestelling 2.9 Impliciet differentiëren 4.9 Linearisatie
Inhoud college 4 Basiswiskunde 2.6 Hogere afgeleiden 2.8 Middelwaardestelling 2.9 Impliciet differentiëren 4.9 Linearisatie 2 Basiswiskunde_College_4.nb 2.6 Hogere afgeleiden De afgeleide f beschrijft
voorkennis wiskunde voor Farmaceutische wetenschappen en Biomedische wetenschappen
Onderstaand overzicht volgt de structuur van het boek Wiskundige basisvaardigheden met bijhorende website. Per hoofdstuk wordt de strikt noodzakelijke voorkennis opgelijst: dit is leerstof die gekend wordt
K.0 Voorkennis. Herhaling rekenregels voor differentiëren:
K.0 Voorkennis Herhaling rekenregels voor differentiëren: f ( ) a f '( ) 0 n f ( ) a f '( ) na n f ( ) c g( ) f '( ) c g'( ) f ( ) g( ) h( ) f '( ) g'( ) h'( ) ( som regel) p( ) f ( ) g( ) p'( ) f '( )
UNIVERSITEIT TWENTE Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica
UNIVERSITEIT TWENTE Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica Uitwerking tentamen Functies van één veranderlijke (5260) op dinsdag 6 januari 2009, 9.00 2.00 uur. De uitwerkingen van de opgaven
Goniometrische functies
Goniometrische functies gonè (Grieks) = hoek metron (Grieks) = maat Goniometrie, afkomstig van de Griekse woorden voor hoek en maat, betekent letterlijk hoekmeetkunde. Daarmee wordt aangegeven dat het
Reeksnr.: Naam: t 2. arcsin x f(t) = 2 dx. 1 x
Calculus, 4//4. Gegeven de reële functie ft) met als voorschrift t arcsin x ft) = dx x a) Geef het domein van de functie ft). Op dit domein, bespreek waar de functie stijgt, daalt en bepaal de lokale extrema.
Kettingbreuken. 20 april 2010 1 K + 1 E + 1 T + 1 T + 1 I + 1 N + 1 G + 1 B + 1 R + 1 E + 1 U + 1 K + E + 1 N 1 2 + 1 0 + 1 A + 1 P + 1 R + 1 I + 1
Kettingbreuken Frédéric Guffens 0 april 00 K + E + T + T + I + N + G + B + R + E + U + K + E + N 0 + A + P + R + I + L + 0 + + 0 Wat zijn Kettingbreuken? Een kettingbreuk is een wiskundige uitdrukking
De Afgeleide. ) = 2y. 2 = 4y = 4.(2x+1)
De Afgeleide DE AFGELEIDE FUNCTIE VAN EEN GEGEVEN FUNCTIE y = f(x) = u is een andere functie genoteerd met y' die uit f'(x) wordt verkregen door toepassing van enkele basisformules. Zo is (u n ) =n.u n-1.u,
Analyse I. 1ste Bachelor Ingenieurswetenschappen Academiejaar 2005-2006 1ste semester 31 januari 2006
1ste semester 31 januari 2006 Analyse I 1. Onderstel dat f : [a, b] R continu is, en dat f(a)f(b) < 0. Toon aan dat f minstens 1 nulpunt heeft gelegen in het interval (a, b). 2. Gegeven is een functie
Standaardafgeleiden. Wisnet-HBO. update maart 2011
Standaardafgeleiden Wisnet-HBO update maart 2011 1 Inleiding Als je nog niets over differentiëren weet, kun je beter eerst naar de les Wat is Differentiëren gaan in Wisnet Verder zijn er Maplets om de
UNIVERSITEIT TWENTE Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica
UNIVERSITEIT TWENTE Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica Uitwerking tentamen Functies van één veranderlijke (5260) op donderdag 25 oktober 2007, 9.00 2.00 uur. De uitwerkingen van de opgaven
Korte handleiding Maple, bestemd voor gebruik bij de cursus Wiskunde
Korte handleiding Maple, bestemd voor gebruik bij de cursus Wiskunde voor B. 1 Eenvoudige operaties en functies. 1. De bewerkingen optellen aftrekken, vermenigvuldigen, delen en machtsverheffen worden
Zomercursus Wiskunde. Grafieken van functies en krommen (versie 14 augustus 2008)
Katholieke Universiteit Leuven September 8 Grafieken van functies en krommen (versie 4 augustus 8) Grafieken van functies en krommen Inleiding In deze module bestuderen we grafieken van functies van reële
2.0 Voorkennis. Herhaling merkwaardige producten: (A + B) 2 = A 2 + 2AB + B 2 (A B) 2 = A 2 2AB + B 2 (A + B)(A B) = A 2 B 2
.0 Voorkennis Herhaling merkwaardige producten: (A + B) = A + AB + B (A B) = A AB + B (A + B)(A B) = A B Voorbeeld 1: (5a) (a -3b) = 5a (4a 1ab + 9b ) = 5a 4a + 1ab 9b = 1a + 1ab 9b Voorbeeld : 4(x 7)
integreren is het omgekeerde van differentiëren
Integraalrekening Als we een functie f(x) differentiëren is het resultaat de eerste afgeleide f (x). Dezelfde functie f(x) kunnen we ook integreren met als resultaat de zogenaamde primitieve functie F(x).
12.0 Voorkennis. Voorbeeld 1: l:y = ax + b gaat door de punten A(5, 3) en B(8, 12). Stel de functie van l op.
12.0 Voorkennis Voorbeeld 1: l:y = ax + b gaat door de punten A(5, 3) en B(8, 12). Stel de functie van l op. Stap 1: Bepaal de richtingscoëfficiënt van l:y = ax + b : y yb ya 123 9 a 3 x x x 8 5 3 Hieruit
7.0 Voorkennis. tangens 1 3. Willem-Jan van der Zanden
7.0 Voorkennis Bij bepaalde aantallen graden hebben de sinus, cosinus en tangens een exacte oplossing. In deze gevallen moet je de exacte oplossing geven: hoek 30 45 60 sinus cosinus 2 tangens 3 3 3 2
Inverse functies en limieten
Inverse functies en limieten Inverse functies We nemen aan dat A en B deelverzamelingen zijn van R. Een functie f : A B heet één-één duidig of injectief als f (x 1 ) f (x 2 ) voor alle x 1 x 2, x 1, x
P is nu het punt waarvan de x-coördinaat gelijk is aan die van het punt X en waarvan de y-coördinaat gelijk is aan AB (inclusief het teken).
Inhoud 1. Sinus-functie 1 2. Cosinus-functie 3 3. Tangens-functie 5 4. Eigenschappen 4.1. Verband tussen goniometrische verhoudingen en goniometrische functies 8 4.2. Enkele eigenschappen van de sinus-functie
Tentamen Calculus 2 25 januari 2010, 9:00-12:00 uur
Tentamen Calculus 5 januari 00, 9:00 -:00 uur Je mag geen rekenapparaat gebruiken. De opgaven t.e.m. 6 tellen allemaal even zwaar. Vermeld op elk papier dat je inlevert je naam en je studentnummer. Geef
WISKUNDE VOOR HET HOGER TECHNISCH ONDERWIJS. deel 1 LOTHAR PAPULA. 2e druk > ACADEMIC SERVICE
WISKUNDE VOOR HET HOGER TECHNISCH ONDERWIJS deel 1 LOTHAR PAPULA 2e druk > ACADEMIC SERVICE inhoud 1 Algemene grondbegrippen 1 1.1 Enkele basisbegrippen in de verzamelingenleer 1 1.1.1 Definitieenbeschrijvingvaneenverzameling
Samenvatting Wiskunde B
Bereken: Bereken algebraisch: Bereken eact: De opgave mag berekend worden met de hand of met de GR. Geef bij GR gebruik de ingevoerde formules en gebruikte opties. Kies op een eamen in dit geval voor berekenen
Hoofdstuk 10: Partiële differentiaalvergelijkingen en Fourierreeksen
Hoofdstuk : Partiële differentiaalvergelijkingen en Fourierreeksen Partiële differentiaalvergelijkingen zijn vergelijkingen waarin een onbekende functie van twee of meer variabelen en z n partiële afgeleide(n)
V.4 Eigenschappen van continue functies
V.4 Eigenschappen van continue functies We bestuderen een paar belangrijke stellingen over continue functies. Maxima en minima De stelling over continue functies die we in deze paragraaf bewijzen zegt
Deel 2. Basiskennis wiskunde
Deel 2. Basiskennis wiskunde Vraag 26 Definieer de functie f : R R : 7 cos(2 ). Bepaal de afgeleide van de functie f in het punt 2π/2. (A) f 0 ( 2π/2) = π (B) f 0 ( 2π/2) = 2π (C) f 0 ( 2π/2) = 2π (D)
1.1.2. Wiskundige taal. Symbolen om mee te rekenen + optelling - aftrekking. vermenigvuldiging : deling
Examen Wiskunde: Hoofdstuk 1: Reële getallen: 1.1 Rationale getallen: 1.1.1 Soorten getallen. Een natuurlijk getal is het resultaat van een tellg van een edig aantal dgen. Een geheel getal is het verschil
Wiskundige Technieken 1 Uitwerkingen Hertentamen 23 december 2014
Wiskundige Technieken Uitwerkingen Hertentamen 3 december 04 Normering voor 4 pt vragen andere vragen naar rato: 4pt 3pt pt pt 0pt goed begrepen én goed uitgevoerd, eventueel met enkele onbelangrijke rekenfoutjes
college 6: limieten en l Hôpital
126 college 6: ieten en l Hôpital In dit college herhalen we enkele belangrijke definities van ieten, en geven we belangrijke technieken om ieten van functies (eigenlijk en oneigenlijk) te bepalen. In
FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE Afdeling Kwantitatieve Economie
FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE Afdeling Kwantitatieve Economie Analyse A, deeltentamen Uitwerkingen maandag 1 november 2010, 9 11 uur Gebruik van een formuleblad of rekenmachine is niet toegestaan
Analyse I. 2. Formuleer en bewijs de formule van Taylor voor een functie f : R R. Stel de formules op voor de resttermen van Lagrange en Liouville.
Academiejaar 006-007 1ste semester februari 007 Analyse I 1. Toon aan dat elke begrensde rij een convergente deelrij heeft. Geef de definitie van een Cauchy rij, en toon aan dat elke Cauchy rij begrensd
Limieten. Theorie: De begrippen limiet en continuïteit. Laat f een functie zijn, gedefinieerd op een interval of een vereniging van intervallen.
Limieten Theorie: De begrippen limiet en continuïteit Laat f een functie zijn, gedefinieerd op een interval of een vereniging van intervallen. Definitie: Het begrip limiet We zeggen dat de limiet van f(x)
Functies van één veranderlijke
Functies van één veranderlijke 191512600 Docent : Anton Stoorvogel E-mail: [email protected] 1/43 Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica EWI Maxima en minima Gegeven een functie f met domein
De parabool en de cirkel raken elkaar in de oorsprong; bepaal ook de coördinaten van de overige snijpunten A 1 en A 2.
BURGERLIJK INGENIEUR-ARCHITECT - 5 SEPTEMBER 2002 BLZ 1/10 1. We beschouwen de cirkel met vergelijking x 2 + y 2 2ry = 0 en de parabool met vergelijking y = ax 2. Hierbij zijn r en a parameters waarvoor
Opgaven Inleiding Analyse
Opgaven Inleiding Analyse E.P. van den Ban Limieten en continuïteit Opgave. (a) Bewijs direct uit de definitie van iet dat y 0 y = 0. (b) Bewijs y 0 y 3 = 0 uit de definitie van iet. (c) Bewijs y 0 y 3
Uitwerkingen Mei 2012. Eindexamen VWO Wiskunde B. Nederlands Mathematisch Instituut Voor Onderwijs en Onderzoek
Uitwerkingen Mei 01 Eindexamen VWO Wiskunde B A B C Nederlands Mathematisch Instituut Voor Onderwijs en Onderzoek Onafhankelijkheid van a Opgave 1. We moeten aantonen dat F a een primitieve is van de
IJkingstoets burgerlijk ingenieur juni 2014: algemene feedback
IJkingstoets burgerlijk ingenieur 30 juni 2014 - reeks 1 - p. 1 IJkingstoets burgerlijk ingenieur juni 2014: algemene feedback In totaal namen 716 studenten deel aan de ijkingstoets burgerlijk ingenieur
Uitwerkingen tentamen Wiskunde B 16 januari 2015
CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN WISKUNDE Uitwerkingen tentamen Wiskunde B 6 januari 5 Vraag a f(x) = (x ) f (x) = (x ) = 6 (x ) Dit geeft f () = 6 = 6. y = ax + b met y =, a = 6 en x = geeft = 6 + b b
Samenvatting wiskunde B
Samenvatting wiskunde B Dit is een samenvatting van het tweede deel van Getal en Ruimte VWO wiskunde B. In deze samenvatting worden hoofdstuk 5, 6 en 7 behandeld. Ik hoop dat deze samenvatting je zal helpen!
( ) Hoofdstuk 4 Verloop van functies. 4.1 De grafiek van ( ) 4.1.1 Spiegelen t.o.v. de x-as, y-as en de oorsprong
Hoofdstuk 4 Verloop van functies Met DERIVE is het mogelijk om tal van eigenschappen van functies experimenteel te ontdekken. In een eerste paragraaf onderzoeken we het verband tussen de grafieken van
Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Wiskunde: functieverloop. 22 juli 2015. dr. Brenda Casteleyn
Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts Wiskunde: functieverloop 22 juli 2015 dr. Brenda Casteleyn Met dank aan: Atheneum van Veurne (http://www.natuurdigitaal.be/geneeskunde/fysica/wiskunde/wiskunde.htm),
IJkingstoets burgerlijk ingenieur-architect september 2018: feedback deel wiskunde
IJkingstoets burgerlijk ingenieur-architect september 8: feedback deel wiskunde Positionering ten opzichte van andere deelnemers In totaal namen 5 studenten deel aan de ijkingstoets burgerlijk ingenieur-architect
IJkingstoets burgerlijk ingenieur-architect september 2018: feedback deel wiskunde
IJkingstoets burgerlijk ingenieur-architect september 8: feedback deel wiskunde Positionering ten opzichte van andere deelnemers In totaal namen 5 studenten deel aan de ijkingstoets burgerlijk ingenieur-architect
Oefenexamen Wiskunde Semester
Oefenexamen Wiskunde Semester 1 2017-2018 De cursusdienst van de faculteit Toegepaste Economische Wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Op het Weduc forum vind je een groot aanbod van samenvattingen,
Functieonderzoek. f(x) = x2 4 x 4 + 2. Igor Voulis. 9 december 2009. 1 De functie en haar definitiegebied 2. 2 Het tekenverloop van de functie 2
Functieonderzoek f(x) = x2 4 x 4 + 2 Igor Voulis 9 december 2009 Inhoudsopgave 1 De functie en haar definitiegebied 2 2 Het tekenverloop van de functie 2 3 De asymptoten 3 4 De eerste afgeleide 3 5 De
TENTAMEN ANALYSE 1. dinsdag 3 april 2007,
TENTAMEN ANALYSE. dinsdag april 2007, 4.00-7.00. Het tentamen bestaat uit twee gedeelten: de eerste vijf opgaven gaan over de stof van het eerste gedeelte van het college. De laatste vijf opgaven gaan
III.2 De ordening op R en ongelijkheden
III.2 De ordening op R en ongelijkheden In de vorige paragraaf hebben we axioma s gegeven voor de optelling en vermenigvuldiging in R, maar om R vast te leggen moeten we ook ongelijkheden in R beschouwen.
Ijkingstoets industrieel ingenieur aangeboden door UGent en VUB op 30 juni 2014: algemene feedback
IJkingstoets juni 4 - reeks - p. / Ijkingstoets industrieel ingenieur aangeboden door UGent en VUB op juni 4: algemene feedback In totaal namen studenten deel aan deze ijkingstoets industrieel ingenieur
stap voor stap; zonder GR-functies; tussen- en eindantwoorden mogen benaderd worden genoteerd (wel doorrekenen met exacte antwoorden).
Samenvatting door Sterre 1437 woorden 5 mei 2018 7.8 3 keer beoordeeld Vak Methode Wiskunde B Getal en ruimte Vocabulair Algebraïsch stap voor stap; zonder GR-functies; tussen- en eindantwoorden mogen
Wiskundige Technieken
1ste Bachelor Ingenieurswetenschappen Academiejaar 009-010 1ste semester 7 oktober 009 Wiskundige Technieken 1. Integreer de volgende differentiaalvergelijkingen: (a) y + 3x y = 3x (b) y + 3y + y = xe
6.1 Eenheidscirkel en radiaal [1]
6.1 Eenheidscirkel en radiaal [1] De eenheidscirkel heeft een middelpunt O(0,0) en straal 1. De draaiingshoek van P is α overstaande rechthoekzijde sin schuine zijde PQ yp sin yp OP 1 aanliggende rechthoekzijde
1 Continuïteit en differentieerbaarheid.
1 1 Continuïteit en differentieerbaarheid. In dit hoofdstuk bekijken we continuiteit en differentieerbaarheid voor functies van meerdere variabelen. Ter orientatie repeteren we eerst hoe het zat met functies
Didactische wenken bij het onderdeel analyse
Didactische wenken bij het onderdeel analyse Didactische wenken bij het onderdeel analyse 1/21 1. Eindtermen analyse Eindtermen ASO tweede graad ET 22 3 (4) aspecten van een functie ET 23 Standaardfuncties
Studiewijzer Calculus 1 voor Bouwkunde (2DB80) cursus 2011/2012
Studiewijzer Calculus 1 voor Bouwkunde (2DB80) cursus 2011/2012 Inleiding In de cursus Calculus 1 voor Bouwkunde (2DB80) wordt gebruikt het boek Calculus, Early T ranscendental F unctions, Robert T. Smith,
Analyse. Lieve Houwaer Dany Vanbeveren
Anlyse Lieve Houwer Dny Vnbeveren . Relties, functies, fbeeldingen, bijecties Voor niet-ledige verzmelingen A en B noemen we elke deelverzmeling vn de productverzmeling A x B een reltie vn A nr B. We noemen
3. Bepaal de convergentie-eigenschappen (absoluut convergent, voorwaardelijk convergent, divergent) van de volgende reeksen: n=1. ( 1) n (n + 1)x 2n.
Radboud Universiteit Tentamen Calculus A NWI-WP025 25 januari 208, 8.30.30 Het gebruik van een rekenmachine/gr, telefoon, boek, aantekeningen e.d. is niet toegestaan. Geef precieze argumenten en antwoorden.
TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN Faculteit Wiskunde en Informatica. Uitwerking Tentamen Calculus, 2DM10, maandag 22 januari 2007
TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN Faculteit Wiskunde en Informatica Uitwerking Tentamen Calculus, DM, maandag januari 7. (a) Gevraagd is het polynoom f() + f () (x ) + f (x ). Een eenvoudige rekenpartij
TRILLINGEN EN GOLVEN HANDOUT FOURIER
TRILLINGEN EN GOLVEN HANDOUT FOURIER Cursusjaar 2009 / 2010 2 Inhoudsopgave 1 FOURIERANALYSE 5 1.1 INLEIDING............................... 5 1.2 FOURIERREEKSEN.......................... 5 1.3 CONSEQUENTIES
Machtsfuncties al dan niet samengesteld in de vorm van een polynoom- of veeltermfunctie
Het volgende onderwerp is functie-onderzoek Dit is herhaling VWO-stof + nieuwe begrippen uit Kaper hfst 3 We bekijken de functies wiskundig en soms vanuit economisch oogpunt ( begrenzingen variabelen 0
(x x 1 ) + y 1. x x 1 x k x x x k 1
Les Taylor reeksen We hebben in Wiskunde een aantal belangrijke reële functies gezien, bijvoorbeeld de exponentiële functie exp(x) of de trigonometrische functies sin(x) en cos(x) Toen hebben we wel eigenschappen
(x x 1 ) + y 1. x x k+1 x k x k+1
Les Talor reeksen We hebben in Wiskunde een aantal belangrijke reële functies gezien, bijvoorbeeld de exponentiële functie exp(x) of de trigonometrische functies sin(x) en cos(x) Toen hebben we wel eigenschappen
META-kaart vwo3 - domein Getallen en variabelen
META-kaart vwo3 - domein Getallen en variabelen In welke volgorde moet ik uitwerken? */@ Welke (reken)regels moet ik hier gebruiken? */@ Welke algemene vorm hoort erbij? ** Hoe ziet de bijbehorende grafiek
Oefening 1. Welke van de volgende functies is injectief? (E) f : N N N : (n, m) 7 2m+n. m n. Oefening 2
IJkingstoets 30 juni 04 - reeks - p. /5 Oefening Een functie f : A B : 7 f () van verzameling A naar verzameling B is injectief als voor alle, A geldt: als 6=, dan is f () 6= f (). Welke van de volgende
(Assistenten zijn Sofie Burggraeve, Bart Jacobs, Annelies Jaspers, Nele Lejon, Daan Michiels, Michael Moreels, Berdien Peeters en Pieter Segaert).
Tussentijdse Toets Wiskunde I 1ste bachelor Biochemie & Biotechnologie, Chemie, Geografie, Geologie, Informatica, Schakelprogramma Master Toegepaste Informatica, donderdag 17 november 011, 8:30 10:00 uur
Uitwerkingen Mei 2012. Eindexamen HAVO Wiskunde B. Nederlands Mathematisch Instituut Voor Onderwijs en Onderzoek
Uitwerkingen Mei 2012 Eindexamen HAVO Wiskunde B A B C Nederlands Mathematisch Instituut Voor Onderwijs en Onderzoek Vliegende parkieten Opgave 1. Het energieverbruik van de parkiet als deze vliegt met
UNIVERSITEIT TWENTE Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica
UNIVERSITEIT TWENTE Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica Uitwerking tentamen Functies van één veranderlijke (526) op donderdag 23 oktober 28, 9. 2. uur. De uitwerkingen van de opgaven dienen
IJkingstoets september 2015: statistisch rapport
IJkingstoets burgerlijk ingenieur 4 september 05 - reeks - p. IJkingstoets september 05: statistisch rapport In totaal namen studenten deel aan deze toets. Hiervan waren er 06 geslaagd. Verdeling van de
