3. Wat is het kenmerkende verschil tussen een uitbreidings - en een expansieinvestering?

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "3. Wat is het kenmerkende verschil tussen een uitbreidings - en een expansieinvestering?"

Transcriptie

1 Hoofdstuk 7 Investeringsselecties Open vragen: 1. Geef het kenmerkende verschil aan tussen investeren en beleggen! 2. In welke categorieën vallen investeringen onder te verdelen? 3. Wat is het kenmerkende verschil tussen een uitbreidings - en een expansieinvestering? 4. Wanneer spreken we van een investeringsproject? 5. Wat bedoelen we met investeren? 6. Is een investering een kostenpost of een uitgaven? 7. Als een duurzaam productiemiddel in gebruik genomen moet worden zijn er doorgaans extra kosten die gemaakt moeten worden. Noem er enkele! 8. Noem een aantal aanloopkosten! 9. Na afloop van een investeringsproject kunnen bepaalde geldstromen terugvloeien of extra uitgaande geldstromen wegvloeien. Geef van beide een voorbeeld!

2 10. Wat verstaat u onder cashflow? 11. Waaraan moet gedacht worden om een reeks concurrerende investeringsprojecten tegen elkaar af te zetten? 12. Hoe kan de winst in een bepaalde periode positief zijn, maar de cashflow negatief/ 13. War versta je onder de initiële cashflow? 14. Hoe kan een investeringsproject worden gefinancierd? 15. Wat verstaat u onder de tijdswaarde van geld? 16. Wat verstaat u onder de terugverdientijd van een investeringsproject? 17. Wat kan het nadeel zijn bij het gebruiken van de terugverdientijd als selectiemethode? 18. Hoe kunt u het risicoaspect van een project meenemen bij de terugverdientijd als Selectiemethode? 19. Hoe wordt de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit van een investeringsproject berekent? 20. Wat is het grote nadeel van de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit als selectiemethode? 21. Hoe werkt de netto-contante-waardemethode? 22. Wat voor conclusie trekt u als de netto-contante-waarde van een investeringsproject nul is? 23. Hoe kunt u het risico meenemen bij de neto-contante-waarde methode als selectiecriterium?

3 Meerkeuzevragen 1. Onder investeren verstaan we uitsluitend: A. het aanschaffen van vaste activa door ondernemingen. B. het aanschaffen van duurzame goederen door gezinnen. C, het aanschaffen van vaste en vlottende activa door ondernemingen. D. het kopen van aandelen door een onderneming of een gezin. 2. Bij het beoordelen van investeringsprojecten houden we rekening met: A. sunk costs B. de wijze waarop een project gefinancierd is C. kosten, die geen uitgaven zijn. D. belastingen 3. Welke van de volgende methoden houdt rekening met de tijdsvoorkeur van geld? A. Netto-contante-waarde methode B. Gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit C. Terugverdientijd D. boekwaarde 4. We ruilen een bestaande vrachtwagen in en schaffen een nieuwe aan. Dit is een voorbeeld van een: A. uitbreidingsinvestering B aanloopkosten C expansie investering D vervangingsinvestering 5. De installatiekosten van een nieuw machinepark is een voorbeeld van: A. aanloopkosten B werkkapitaal C oppertunity-costs D verbouwingskosten 6. Van een investeringproject bedraagt de investering 900 miljoen. De looptijd van de investering is 3 jaar. De jaarlijkse opbrengst is 850 miljoen en de jaarlijkse kosten (exclusief afschrijvingen) zijn 450 miljoen. A. De jaarlijkse winst is 400 miljoen en de netto cashflow is 750 miljoen per jaar. B. De jaarlijkse winst is 100 miljoen en de netto cashflow is ook 100 miljoen per jaar. C. De jaarlijkse winst is 100 miljoen en de netto cashflow is ook 400 miljoen per jaar D. De jaarlijkse winst is 400 miljoen en de netto cashflow is ook 100 miljoen per jaar

4 7. De aankoop van een machine voor 20 miljoen is de: A. finale cashflow B. netto cashflow C. initiele cashflow D. positieve cahflow 8. Op oudejaarsavond geven ouders hun kind de keuze uit twee mogelijkheden: jaarlijks op 1 januari, morgen ingaand, 5.000,= ontvangen gedurende 5 jaar of jaarlijks op 31 december, dus eind volgen jaar ingaand, gedurende 5 jaar 5.000,= ontvangen. A. De eerste mogelijkheid wordt gekozen, omdat de netto-contante-waarde hiervan ,36 is. B. De tweede mogelijkheid wordt gekozen, omdat de netto-contante-waarde Hiervan ,75 is. C. De eerste mogelijkheid wordt gekozen, omdat de netto-contante-waarde hiervan ,75 is. D. Er wordt gekozen voor de laatste mogelijkheid, namelijk direct ,= 9. De investering bedraagt 900,= en de binnenkomende netto geldstromen, regelmatig over het jaar gespreid, 400,= per jaar. De terugverdientijd is: A. twee en een half jaar B. drie jaar C. twee jaar en drie maanden D. twee jaar. 10. Welk rentepercentage moet worden verkregen om ,= in tien jaar tijd te laten aangroeien tot ,22? A 5,5% B 5% C 4,5% D 4,3% 11. Een onderneming kan kiezen uit twee alternatieven: I 4 subsidies van ,= op 31 december van jaar 1,2,3 en 4. II Een subsidie van ,= op 1 januari van jaar 1. Bij welke van de volgende rentepercentages heeft alternatief II de voorkeur boven I? A. 5% B. 6% C. 7% D. 8% 12. Van een investeringsproject met een looptijd van 3 jaar is netto-contante-waarde nihil. De rentabiliteit waartegen contant gemaakt is, was 20%. De geschatte cashflows bedraagt in euro s: Eind jaar Cashflow ,= ,= ,= De investering wordt betaald aan het begin van de looptijd.

5 Hoe groot was de investering (afgerond op 100,=)? A ,= B ,= C ,= D ,=

6 13. Welke stelling over enkelvoudige intrest is juist? A. Enkelvoudige intrest houdt in dat er alleen intrest over het oorspronkelijke bedrag wordt berekend. B. Enkelvoudige intrest houdt in dat het intrestpercentage onder de 10% ligt. C. Enkelvoudige intrest is alleen van toepassing op beleggingen waarbij de rente volledig vast ligt. D. Of sprake is van enkelvoudige intrest hangt af van de elementen die onderdeel uitmaken van het gehanteerde intrestpercentage. 14. Welke stelling is juist? A. Van samengestelde intrest is sprake wanneer de rente niet alleen bestaat uit bankrente, maar ook uit extra risico dat met in een bedrijf geïnvesteerd vermogen gelopen wordt. B. Van samengestelde intrest is sprake wanneer de rente niet alleen bestaat uit inflatievergoeding, maar ook uit risicovergoeding. C. Van samengestelde intrest is sprake wanneer een kapitaalgoed is gefinancierd door verschillende leningen met verschillende rentepercentages. D. Van samengestelde intrest is sprake wanneer rente op rente wordt berekend. 15. Wat wordt verstaan onder het begrip 'eindwaarde'? A. De eindwaarde is de restwaarde van een investering. B. De eindwaarde is de waarde die een belegging minimaal moet behouden. Zo niet, dan wordt de belegging beëindigd. C. De eindwaarde is de waarde van een geïnvesteerd bedrag na verloop van een aantal jaren, na bijtelling van alle rente. D. De eindwaarde is de waarde van een geïnvesteerd bedrag na verloop van een aantal jaren, waarbij dit gecorrigeerd is voor waardevermindering wegens inflatie. 16. Wat wordt verstaan onder het begrip 'contante waarde'? A. De in geld uitgedrukte waarde van kapitaalgoederen. B. De liquidatiewaarde van een onderneming. C. De voor tijd en rente gecorrigeerde waarde van toekomstig geld. D. De waarde die een project of belegging minimaal moet aannemen om tot investeren over te gaan.

7 17. Wanneer kan met zekerheid gezegd worden dat de contante waarde van een toekomstig geldbedrag stijgt? A. Als het eerder ter beschikking komt en de rente daalt. B. Als het eerder ter beschikking komt en de rente stijgt. C. Als het later ter beschikking komt en de rente daalt. D. Als het later ter beschikking komt en de rente stijgt. 18. In welke van onderstaande gevallen kan gesproken worden over een investeringsproject? A. De aanschaf van een machine. B. De uitbreiding van de voorraad gereed product. C. De uitgifte van aandelen. D. Het opzetten van een marketingafdeling. 19. Wat bedoelen we met cashflow? A. De winst minus afschrijvingen. B. Een kasstroom die vrijkomt vanwege afgeschreven productiemiddelen. C. Het verschil tussen bruto-ontvangsten uit de verkoop van producten en de uitgaven in verband met de aanschaffing en aanwending van productiemiddelen. D. Het verschil tussen investeringen in productiemiddelen en de contante waarde van alle toekomstige opbrengsten van deze productiemiddelen. 20. Onur Air zit middenin de besluitvorming rond de uitbreiding van zijn vloot. Zij hebben van verschillende kanten vernomen dat het niet onbelangrijk is om een keuze uit investeringsalternatieven te baseren op toekomstige ontwikkelingen. Op dit moment vragen ze zich af wat de voorkeur verdient als basis voor de investeringsbeslissing: toekomstige cashflows of toekomstige winsten? A. Toekomstige cashflows omdat die bepalen hoeveel geld jaarlijks in het project geïnvesteerd zal zijn en dus meer rekening houden met rente. B. Toekomstige cashflows omdat die rekening houden met afschrijvingen. C. Toekomstige winsten omdat die bepalen hoeveel geld jaarlijks in het project geïnvesteerd zal zijn en dus meer rekening houden met rente. D. Toekomstige winsten omdat die rekening houden met afschrijvingen.

8 21. Welke stelling met betrekking tot de aanloopfase van een project is juist? A. Gedurende de aanloopfase moet het project zichzelf ongeveer terugverdienen. B. Gedurende de aanloopfase vinden met name uitgaven plaats in verband met het gebruik van de benodigde productiemiddelen. C. Gedurende de aanloopfase vinden voornamelijk investeringen plaats. D. Gedurende de aanloopfase worden de uitgaven overtroffen door de ontvangsten. 22. Welke van onderstaande posten komt voor de berekening van de cashflow in mindering op de ontvangsten, wanneer het gaat om de beoordeling van investeringsprojecten? A. Afschrijving over de duurzame activa in het project. B. (Tussentijdse) investeringen in de activa van het project. C. Rente over de financiering van het project. D. Restwaarde van de activa van het project. 23. Uit welke elementen bestaat de cashflow in het laatste jaar van een project? A. Uit winst. B. Uit winst + afschrijving. C. Uit winst + afschrijving + desinvesteringen. D. Uit winst + desinvesteringen. 24. De heer Bal, die van plan is de complete verlichting van zijn restaurant te vervangen, heeft na een paar gesprekken met financiële experts nog steeds niet alles begrepen van de berekeningen. Zo is hem nog niet geheel duidelijk waar het verschil zit tussen de begrippen winst en cashflow. Waarin komen de begrippen winst en cashflow met elkaar overeen? A. In de aftrek van afschrijvingen. B. In de aftrek van belasting. C. In de aftrek van investeringen. D. In de bijtelling van desinvesteringen.

9 25. Welke stelling is juist ten aanzien van de bepaling van cashflows voor de beoordeling van een investeringsproject? A. Bij de bepaling van cashflows worden alleen aflossingen in mindering gebracht. B. Bij de bepaling van cashflows wordt alleen rente in mindering gebracht. C. Bij de bepaling van cashflows worden noch aflossingen noch rente in mindering gebracht. D. Bij de bepaling van cashflows worden zowel aflossingen als rente in mindering gebracht. 26. De administratie van verzekeringsmaatschappij Het vrolijke pensioenfonds heeft van een nieuw beleggingsproduct in 2007 de volgende gegevens verzameld: Omzet: ,= Exploitatiekosten: ,= Afschrijvingen: ,= Er heeft in het begin van het jaar een extra investering plaats gevonden van ,=. Het vennootschapsbelastingtarief is 25%. Bereken de cashflow van dit jaar. A ,= B ,= C ,= D ,=

10 27. Een productiebedrijf moet de wenselijkheid van een investeringsproject in een nieuwe productielijn met een looptijd van drie jaar beoordelen. De investering in vaste activa bedraagt ,=, restwaarde ,=, lineair af te schrijven. Voor uitvoering van het project dient vóór het begin van het eerste jaar ,= bruto werkkapitaal aanwezig te zijn en vóór het begin tweede en derde jaar is dit ,=, dit valt weer vrij aan einde van het derde jaar. De winst na belasting is aan het einde van het eerste, tweede en derde jaar respectievelijk ,=, ,= en ,=. Bereken de cashflow aan het einde van het derde jaar. A ,= B ,= C ,= D ,= 28. Wat wordt verstaan onder tijdvoorkeur? A. Bij een keuze tussen tijd en geld wordt meestal gekozen voor tijd. B. De start van een investeringsproject heeft men liever vroeger dan later dan gepland. C. Men heeft geïnvesteerd vermogen liever eerder dan later uit een project weer terugontvangen. D. Men heeft het geld vanwege inflatie liever langer dan korter in een project zitten. 29. Wat is de invloed van tijdvoorkeur op de contante waarde van een toekomstige cashflow? A. Naarmate de tijdvoorkeur sterker is, gaat de contante waarde omhoog. B. Naarmate de tijdvoorkeur sterker is, gaat de contante waarde omlaag. C. Of tijdvoorkeur invloed heeft op de contante waarde van een cashflow hangt af van de hoogte van de rente. D. Tijdvoorkeur heeft geen invloed op de contante waarde van een cashflow.

11 30. Wat wordt verstaan onder de vermogenskostenvoet? A. De bankrente. B. De gemiddelde kostenvoet waartegen vermogen kan worden aangetrokken. C. De gemiddelde rente van het project. D. De gemiddelde rente zoals die blijkt uit de resultatenrekening. 31. Mehmet, eigenaar van een hotel in Turkije, wil een zwembad bij zijn hotel laten bouwen en heeft na een gesprek met een bedrijfseconomisch adviesteam goed begrepen dat een juiste inschatting van toekomstige ontvangsten en uitgaven van een investeringsproject van eminent belang is voor een verantwoorde beslissing. Wat hij niet begreep was waarom ontvangsten en uitgaven op verschillende tijdstippen niet zonder meer bij elkaar opgeteld mochten worden en wat er dan precies moet gebeuren. A. Hoe langer je op een ontvangst moet wachten, hoe hoger de rente die de ontvangst met zich meebrengt en hoe hoger de contante waarde van die ontvangst. B. Hoe langer je op een ontvangst moet wachten, hoe hoger de rente die de ontvangst met zich meebrengt en hoe lager de contante waarde van die ontvangst. C. Hoe langer je op een ontvangst moet wachten, hoe minder die ontvangst waard is en hoe hoger de contante waarde van die ontvangst. D. Hoe langer je op een ontvangst moet wachten, hoe minder die ontvangst waard is en hoe lager de contante waarde van die ontvangst. 32. Welke van onderstaande stellingen gaat op als men geen rekening houdt met de tijdvoorkeur van het geld en met de vermogenskostenvoet van het bedrijf? A. De som van de cashflows minus het investeringsbedrag is gelijk aan de som van de winsten van een investeringsproject. B. De som van de cashflows minus het investeringsbedrag is groter dan de som van de winsten van een investeringsproject. C. De som van de cashflows minus het investeringsbedrag is kleiner dan de som van de winsten van een investeringsproject. D. Er kan geen uitspraak worden gedaan over de relatieve omvang van de som van de cashflows minus het investeringsbedrag en de som van de winsten van een investeringsproject. 33. Wat wordt verstaan onder de terugverdienperiode van een investeringsproject? A. De periode die verstrijkt voordat alle cashflows ontvangen zijn. B. De periode die verstrijkt voordat de eigenaren van het project een minimaal geëiste winst hebben verdiend. C. De periode die verstrijkt voordat de financiers van het project hun geld via aflossingen hebben terugontvangen. D. De periode die verstrijkt voordat het oorspronkelijk investeringsbedrag uit de cashflows is terugontvangen. 34. Welke stelling met betrekking tot de terugverdienperiode is juist? A. Bij de terugverdienperiode spelen alle cashflows een rol. B. De terugverdienperiode houdt in beperkte mate rekening met rentabiliteit. C. De terugverdienperiode houdt op geen enkele wijze rekening met tijdvoorkeur. D. De terugverdienperiode is vooral gericht op de liquiditeit van de onderneming.

12 35. De Snelle Slaapbus wenst een tweede touringcar aan te schaffen, maar welke? De alternatieven zijn talrijk en raadgevers zijn moeilijk te vinden. Wel heeft hij van diverse mogelijkheden de terugverdienperiode berekend. Zo is de terugverdienperiode van de dubbeldekker maar liefst vijf jaren. Wat hij zich afvraagt is of vijf jaren te lang is of niet. Wat is een juist antwoord op zijn vraag? A. Een terugverdienperiode van vijf jaren is niet te lang; B. Een terugverdienperiode van vijf jaren is te lang; C. Of een project met een terugverdienperiode van vijf jaar haalbaar is, hangt af van de daaromtrent vooraf gestelde eisen. D. Of een project met een terugverdienperiode van vijf jaar haalbaar is, hangt af van de terugverdienperiodes van andere projecten.

13 36. Onderneming De Skifanaat kan kiezen uit de introductie van twee verschillende typen ski s. U wordt verzocht op basis van de kortste terugverdienperiode een oordeel te vellen over de twee projecten die samenhangen met de twee verschillende typen (bedragen x 1.000). Project 1: Project 2: Jaar Cashflow Cashflow Investering: in beide gevallen 7.500,= Welke uitspraak is juist? A. Op basis van de terugverdienperiode zijn beide projecten gelijkwaardig. B. Op basis van de terugverdienperiode kan niet voor één van beide projecten gekozen worden omdat de cashflows onzeker zijn. C. Op basis van de terugverdienperiode moet gekozen worden voor project 1. D. Op basis van de terugverdienperiode moet gekozen worden voor project Een investeringsproject door De Schooltas in een nieuwe lijn lederen tassen vergt een investering van ,= in vaste activa en van ,= in vlottende activa. Het project heeft een looptijd van 4 jaren. De restwaarde van de vaste activa bedraagt ,=. Behalve de desinvesteringen worden de cashflows gelijkmatig gespreid over het jaar ontvangen. Hieronder volgen de cashflows ( 1.000). Jaar Cashflow Bereken de terugverdienperiode van dit project ( jaar 365 dagen). A. 2 jaren en 313 dagen B. 3 jaren en 2 maanden C. 3 jaren en 104 dagen D. 4 jaren

14 38. Welke stelling met betrekking tot de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit is juist? A. De gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit kan berekend worden door het saldo van de cashflows (inclusief de investering) te delen door de looptijd en dat te delen door het gemiddeld geïnvesteerd vermogen. B. De gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit relateert de totale winst over de looptijd van een project aan het gemiddelde geïnvesteerde vermogen. C. De gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit relateert de gemiddelde cashflow van een project aan het gemiddelde geïnvesteerde vermogen. D. De gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit wordt ontleend aan de boekhouding. 39. Welk nadeel heeft de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit als selectiecriterium? A. De gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit gaat uit van een onrealistische veronderstelling. B. De gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit houdt geen rekening met tijdvoorkeur. C. De gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit is minder goed bruikbaar als projecten in omvang of tijdsduur verschillen. D. De gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit meet eigenlijk helemaal geen rentabiliteit.

15 40. Een investeringsproject van Medica in een nieuw geneesmiddel, heeft een looptijd van drie jaar. Het project vraagt bij aanvang een investering in vaste activa van ,= die men met gelijke bedragen per jaar wil afschrijven en bij beëindiging van het project denkt te verkopen voor ,=. Het bij aanvang benodigde werkkapitaal wordt geschat op ,=, eveneens in de volgende twee jaren, waarna het onmiddellijk weer vrijvalt. De omzet in het eerste jaar zal ,= zijn en daarna ,= per jaar. De exploitatiekosten exclusief afschrijvingen zijn 40% van de omzet. Het vennootschapsbelastingtarief is 25%. Bij de berekeningen wordt ervan uitgegaan dat ontvangsten en uitgaven plaatsvinden aan het einde van het jaar en alle investeringen vinden plaats aan het begin van het jaar. Bereken de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit van dit investeringsproject. A. 26,85% B. 73,08% C. 33,23% D. 35,2%

16 41. Een investeringsproject van Nikon in een nieuw model digitale camera vergt een investering van ,= in vaste activa en van ,= in vlottende activa. Het project heeft een looptijd van drie jaren. De restwaarde van de vaste activa bedraagt ,=. De cashflows van het project voor belasting zijn hieronder weergegeven (x 1.000). De belasting bedraagt 25%. Jaar: Cashflow: Bereken de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit van dit project. A. 3,45% B. 13,45% C. 25,4% D. 35,86% 42. Wat is een juiste omschrijving van het begrip netto contante waarde? A. De contante waarde van alle toekomstige cashflows na afschrijving en belasting. B. De contante waarde van alle toekomstige cashflows na afschrijving en belasting minus de investering. C. De contante waarde van alle toekomstige cashflows na belasting. D. De contante waarde van alle toekomstige cashflows na belasting minus de investering. 43. Welke stelling met betrekking tot de netto contante waarde is juist? A. De netto contante waarde bevoordeelt omvangrijke en langdurige projecten. B. De netto contante waarde gaat uit van een veronderstelling die niet altijd realistisch is. C. De netto contante waarde houdt geen rekening met de volgorde waarin cashflows binnen komen. D. De netto contante waarde houdt geen rekening met tijdvoorkeur. 44. Wat betekent het woordje 'netto' in 'netto contante waarde'? A. Dat de afschrijvingen van de cashflows worden afgetrokken. B. Dat de belasting van de cashflows wordt afgetrokken. C. Dat het investeringsbedrag wordt afgetrokken. D. Dat zowel belasting als investeringsbedrag worden afgetrokken. 45. Bakkerij De Roomsoes wenst naast zijn alom vermaarde roomsoezen een nieuw product te lanceren. Hij heeft diverse mogelijkheden en zo is voor hem een probleem rond investeringsselectie ontstaan. Het begrip netto contante waarde speelt daarin een belangrijke rol. Karel heeft een functie op zijn pc zitten die de netto contante waarde voor hem berekent. Hij weet alleen niet hoe hij de uitkomst moet interpreteren. Wat is de betekenis van de uitkomst van de netto contante waarde? A. Een netto contante waarde van nul betekent dat de rentabiliteit van het project onder de rentabiliteitseis ligt. B. Een netto contante waarde van nul betekent dat het project geen enkele winst maakt.

17 C. Een netto contante waarde van nul betekent dat het project niet haalbaar is. D. Een netto contante waarde van nul betekent dat het project precies voldoet aan de rentabiliteitseis. 46. Geul, een bedrijf in pijpleidingen, vindt de tijd rijp voor toepassing van nieuwe materialen en plant een investering in noodzakelijk onderzoek en apparatuur. Het investeringsproject wordt gekenmerkt door de volgende gegevens: Jaar Cashflow (x 1000) ,= ,= ,= De benodigde investering is De vermogenskostenvoet van het bedrijf bedraagt 12%. Is dit project op grond van de netto contante waarde haalbaar? A. De haalbaarheid is niet vast te stellen omdat geen rekening wordt gehouden met risico en inflatie. B. De haalbaarheid is niet vast te stellen omdat niet duidelijk is wat de restwaarde is in de laatste cashflow. C. Ja, het project is haalbaar. D. Nee, het project is niet haalbaar. 47. Restaurant-eigenaar Vetter is in de gelegenheid het naast gelegen perceel aan te schaffen. Hij wil over dit 'project' in maximaal vier jaren een behoorlijk rendement gehaald hebben. Een behoorlijk rendement is volgens Vetter 14%. Het totale investeringsbedrag schat hij op ,=. Vetter gaat ervan uit dat alles aan het einde van het vierde jaar tegen de boekwaarde verkocht kan worden. Hij schat die op ,= voor de vlottende activa en op ,= voor de vaste activa. De cashflows over de eerste vier jaren zijn dan als volgt (x 1.000): Jaar: Cashflow: In de laatste cashflow zit een desinvestering (tegen boekwaarde) van ,= uit vaste activa en van ,= uit vlottende activa. Bereken de netto contante waarde van het project. A B C D Bij welk beoordelingscriterium is alleen aan de uitkomst al te zien of een project wel of niet haalbaar is? A. Bij de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit. B. Bij de interne rentabiliteit.

18 C. Bij de netto contante waarde. D. Bij de terugverdienperiode. 49. Welke eigenschap is van toepassing op financial lease? A. Betalingsverplichtingen uit hoofde van het geleaste object worden aan de creditzijde van de balans opgenomen. B. De looptijd van het huurcontract is veel korter dan de verwachte economische levensduur van het geleaste productiemiddel. C. Er is sprake van een wederzijds opzegbaar huurcontract. D. Risico en onderhoud zijn voor rekening van de verhuurder.

19 50. Welke van onderstaande stellingen met betrekking tot operational lease is juist? A. Operational lease houdt de leencapaciteit intact. B. Operational lease komt vooral voor bij duurzame productiemiddelen die aan snelle economische veroudering onderhevig zijn. C. Operational lease leidt tot balansverlenging met het bedrag van het geleaste actief. D. Een investeringsproject op basis van operational lease zal de vermogensbehoefte constant houden.

20 Casus Casus 1 Gegeven De leiding van een onderneming heeft de keuze uit een drietal elkaar uitsluitende projecten. Ten aanzien van die projecten is het volgende gegeven (bedragen in euro s): Project A B C Investering (A) Cash flow jaar 1 Cash flow jaar 2 Cash flow jaar 3 Cash flow jaar 4 Restwaarde (r) De cashflows komen aan het eind van het jaar binnen Gevraagd Bepaal de voorkeur met behulp van de: 1. terugverdientijd antwoord : A: 4 jaar B: 1 jaar C: 3 jaar Dus project B 2. gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit (afronden op hele procenten) Antwoord: A: 42% B: 15% C: 33% Dus project A 3. netto contante waarde indien het interestpercentage is 8% Antwoord: A: ,= B: ,= C: ,= Dus project A.

21 Casus 2 Gegeven Een onderneming kan kiezen uit een drietal investeringsprojecten (bedragen in euro s): Project X Y Z Investering (A) Cash flow jaar 1 Cash flow jaar 2 Cash flow jaar 3 Restwaarde (r) De cashflows komen aan het eind van het jaar binnen Gevraagd Bepaal de voorkeur met behulp van de: 1. terugverdientijd Antwoord: X: 2 jaar Y: 2 jaar Z: 1 jaar Dus project Z 2. gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit (afronden op hele procenten) Antwoord: X: 32% Y: 55% Z: 43% Dus project Y 3. netto contante waarde indien het interestpercentage is 10% Antwoord: X: ,= Y: ,= Z: ,= Dus project Z.

22 Casus 3 Van een investeringsproject bedraagt de investering ,=. De looptijd van de investering is drie jaar. De restwaarde is nihil. De jaarlijkse omzet bedraagt ,=. De jaarlijkse kosten (exclusief afschrijvingen) zijn ,=. De vennootschapsbelasting is 25%. 1. Bereken de jaarlijkse winst na belasting? Antwoord: Omzet ,= Kosten ,= ( afschrijving ) Winst ,= Vpb. 25% ,= Winst na belasting ,= 2. Bereken de cashflow per jaar. Antwoord: ,= ,= = ,= 3. Bereken de terugverdientijd, ervan uitgaande dat de cashflow regelmatig over de jaren gespreid zijn. Antwoord: 2 jaar + {(150 \ ) x 12) = 2 jaar + 4,8 maanden 4. Bereken de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit van dit project. Antwoord: \ = 16,7% 5. Bereken de netto-contante-waarde van dit project, ervan uitgaande dat de cashflows aan het eind van het jaar binnenkomen. Rentabiliteitseis 8%! Antwoord: ( \ 1,08) + ( \ 1,08 2 ) + ( \ 1,08 3 ) = = ,37 = ,37 Dus het werkelijk rendement ligt ruim boven de eis van 8%

23 Casus 4 Een grote frisdrankonderneming overweegt uit te breiden. In aanmerking komen investering in de nieuw smaak Acaifruit of de smaak Papamango smaak. De ondernemer heeft de volgende gegevens tot zijn beschikking: Verkoopprijs per pak Variabele productiekosten Variabele verkoopkosten Levensduur project Verkoopomvang per jaar Aanschaf machinepark Restwaarde machinepark Investering in netto-werkkapitaal Verkoop netto-werkkapitaal eind project Acaifruit 1,50 0,50 0,02 6 jaar zakken ,= ,= ,= ,= Papamango 1,48 0,60 0,02 4 jaar zakken ,= ,= ,= ,= Voor de investering in de fabriek wordt ,= vreemd vermogen aangetrokken tegen 6% per jaar. De rente wordt aan het eind van het jaar betaald. De rentekosten worden berekend over het gemiddeld geïnvesteerd vermogen gedurende het hele project. De verkoopkosten (constante kosten) bedragen voor elk project ,= per jaar. De investering in het machinepark wordt lineair afgeschreven. De vennootschapsbelasting is 25%. 1. Bereken het resultaat na belasting van elk project. Antwoord: Omzet Variabele productiekosten Variabele verkoopkosten Totaal variabel Dekkingsbijdrage Constante kosten: Afschrijving Rentekosten Verkoopkosten Totale constante kosten Resultaat voor belasting Vennootschapsbelasting Resultaat na belasting ,= ,= Acaifruit ,= ,= ,= ,= ,= ( x 0,06) ,= ,= ,= ,= ,= ,= ,= Papamango ,= ,= ,= ,= ,= ( x 0,06) ,= ,= ,= ,= ,= Acaifruit: Investering ,=; restwaarde ,= Papmango: Investering ,=; restwaarde ,=

24 2. Bereken de jaarlijkse cashflow na belasting van beide projecten. Antwoord: Cashflow initieel Cashflows jaar 1t/m5 resp.3 Finale cashflow Acaifruit ,= ,= ,= Papamango ,= ,= ,= 3. Bereken de terugverdientijd van beide projecten ervan uitgaande dat de netto cashflows aan het eind van de jaren binnenkomen? Antwoord: Project Acaifruit: 3 jaar Project Papamango: 3 jaar 4. Bereken van beide projecten de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit na belasting. Antwoord: Project Acaifruit; \ = 40,3% Project Papamango \ = 36,8% 5. Bereken de netto-contante-waarde van beide projecten als de cashflows aan het eind van het jaar binnenkomen. Antwoord: Project Acaifruit: ,40 = ,40 Project Papamango: = ,00

Waarom gaan we investeren We verwachten winst te maken! Alleen rekening houden met toekomstige ontvangsten en uitgaven.

Waarom gaan we investeren We verwachten winst te maken! Alleen rekening houden met toekomstige ontvangsten en uitgaven. www.jooplengkeek.nl Investeringsselectie Waarom gaan we investeren We verwachten winst te maken! Alleen rekening houden met toekomstige ontvangsten en uitgaven. belangrijk Calculaties voor beslissingen

Nadere informatie

ZEEËN VAN KANSEN FINANCIEEL MANAGEMENT

ZEEËN VAN KANSEN FINANCIEEL MANAGEMENT ZEEËN VAN KANSEN FINANCIEEL MANAGEMENT (Innovatieve) projecten Financiële haalbaarheid Welke kennis is essentieel Bedrijfsplan Investeringsselectie Inkoopmarkt Bedrijf Verkoopmarkt Productiemiddelen Gelduitgaven

Nadere informatie

BEDRIJFSWETENSCHAPPEN. 2. De investeringsbeslissing en de verantwoording ervan

BEDRIJFSWETENSCHAPPEN. 2. De investeringsbeslissing en de verantwoording ervan BEDRIJFSWETENSCHAPPEN Hoofdstuk 2: INVESTERINGSANALYSE 1. Toepasbare beoordelingsmethodes 1.1. Pay-back 1.2. Return on investment 1.3. Internal rate of return 1.4. Net present value 2. De investeringsbeslissing

Nadere informatie

De investeringsanalyse

De investeringsanalyse Het programma van vandaag: het investeringsproject de cashflow het gemiddelde rendement de terugverdientijd de netto contante waarde Adele 1 Investeringsbeslissingen Waarom investeren? We verwachten winst

Nadere informatie

Meerkeuzevragen: 5. Bereken voor dit jaar de totale constante kosten. A. 1.082.000,- B. 158.800,- C. 142.000,- D. 114.400,-

Meerkeuzevragen: 5. Bereken voor dit jaar de totale constante kosten. A. 1.082.000,- B. 158.800,- C. 142.000,- D. 114.400,- Meerkeuzevragen: 1. John maakt voetballen in Afrika. Hij verdient netto 45,- per week. Hij krijgt een loonsverhoging tijdens het WK voetbal van 1,5 %. Hoeveel verdient deze jongen dan netto per kwartaal?

Nadere informatie

Bedrijfseconomische Aspecten Examennummer: 71533 Datum: 14 april 2012 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur

Bedrijfseconomische Aspecten Examennummer: 71533 Datum: 14 april 2012 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur Bedrijfseconomische Aspecten Examennummer: 71533 Datum: 14 april 2012 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur Dit examen bestaat uit 8 pagina s. De opbouw van het examen is als volgt: - 30 meerkeuzevragen (maximaal

Nadere informatie

BUSINESS VALUATION UITWERKING TOPAAS B.V.

BUSINESS VALUATION UITWERKING TOPAAS B.V. BUSINESS VALUATION UITWERKING TOPAAS B.V. VERONDERSTELLINGEN Vraagprijs 2.500.000 (pand en inventaris). Inkomsten: In totaal 40 kamers; Bezetting kamers: T1 45%, T2 52%, T3 63%, vanaf T4 en verder 68%;

Nadere informatie

Examen PC 2 vak Cash Management

Examen PC 2 vak Cash Management Examen PC 2 vak Cash Management Instructieblad Betreft: examen: PC 2 leergang 6 onderdeel: CAS datum: 19 december 2013 tijd: 16.00 17.30 uur Deze aanwijzingen goed lezen voor u met uw examen start Aanwijzingen:

Nadere informatie

Hoofdstuk 22. De kosten van duurzame productiemiddelen. Wat zijn afschrijvingen? Waardevermindering van je bezit!

Hoofdstuk 22. De kosten van duurzame productiemiddelen. Wat zijn afschrijvingen? Waardevermindering van je bezit! www.jooplengkeek.nl De kosten van duurzame productiemiddelen Hoofdstuk 22 Wat zijn afschrijvingen? Waardevermindering van je bezit! Duurzame bezittingen gaan we afschrijven in meerdere jaren. (niet in

Nadere informatie

Hoofdstuk 6: Beoordelen

Hoofdstuk 6: Beoordelen Hoofdstuk 6: Beoordelen M&O VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Overzicht H6: Beoordelen Management & Organisatie Centraal Examen (CE) 1. Rechtsvormen 2. Prijsberekening 3. Resultaten 4. Balans 5. Liquiditeitsbegroting

Nadere informatie

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016

TOELATINGSTOETS M&O. Datum 14-1-2016 TOELATINGSTOETS M&O VUL IN: Datum 14-1-2016 Naam en voorletters. Adres. Postcode. Woonplaats. Geboortedatum / / Plaats Land. Telefoonnummer. E-mail. Gekozen opleiding. OPMERKINGEN: Tijdsduur: 90 minuten

Nadere informatie

Daarna komen de economische levensduur en het afschrijvingsplan nog aan de orde.

Daarna komen de economische levensduur en het afschrijvingsplan nog aan de orde. 1 Kosten van duurzame productiemiddelen 1.1 Inleiding Een onderneming maakt kosten om omzet te kunnen behalen. De kosten vormen de basis voor de totstandkoming van de verkoopprijs. Een belangrijk onderdeel

Nadere informatie

Financieel economisch management Examennummer: 11344 Datum: 21 november 2009 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur

Financieel economisch management Examennummer: 11344 Datum: 21 november 2009 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur Financieel economisch management Examennummer: 11344 Datum: 21 november 2009 Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur Dit examen bestaat uit 5 pagina s. De opbouw van het examen is als volgt: - een case met 12 open

Nadere informatie

Examen PC 2 vak Cash Management

Examen PC 2 vak Cash Management Examen PC 2 vak Cash Management Instructieblad Betreft: examen: PC 2 leergang 5 onderdeel: Cash Management datum: 28 juni 2013 tijd: 16.00 17.30 uur Deze aanwijzingen goed lezen voor u met uw examen start

Nadere informatie

Aurington. Administratie en Advies

Aurington. Administratie en Advies Aurington Administratie en Advies Let op de houdbaarheidsdatum! Mei 5 Pincode 6 7 8 Boetes Dit jaar Deze maand De balans Tandorine B.V. Debet Activa Bezittingen Wat heb ik? Credit Passiva Vermogen Hoe

Nadere informatie

OEFENOPGAVEN LESBRIEF INDUSTRIE

OEFENOPGAVEN LESBRIEF INDUSTRIE OEFENOPGAVEN LESBRIEF INDUSTRIE 6 VWO Opgave 1. De onderneming Haakma BV heeft voor 2005 de volgende voorcalculatie met betrekking tot de toegestane kosten opgesteld. De constante fabricagekosten bestaan

Nadere informatie

De resultatenrekening

De resultatenrekening De resultatenrekening format resultatenrekening kosten/uitgaven en opbrengsten/ontvangsten afschrijvingen rente eindbalans Joop Lengkeek Kamer H0.012 Email: Lengkeek.J@NHTV.nl www.jooplengkeek.nl 1 De

Nadere informatie

Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43

Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43 Management en Organisatie VWO 6 Hst 31, 37 t/m 43 25 januari 2011 proeftoets 100 minuten Opgave 1 Handelsonderneming Astan bv heeft gegevens verzameld. Deze gegevens zijn nodig voor het opstellen van de

Nadere informatie

www.boekhouder.be Wat is de waarde van een onderneming?... 4 De Discounted Cash Flow-methode (DFC)... 6

www.boekhouder.be Wat is de waarde van een onderneming?... 4 De Discounted Cash Flow-methode (DFC)... 6 door Inhoud Over omzet, nettowinst, ebit, ebitda,...... 1 Omzet... 1 Brutowinst... 1 Ebitda... 2 EBITDA... 2 Ebit... 3 Winst voor belastingen... 3 Nettowinst... 3 En toen was er ook nog de r...... 3 Wat

Nadere informatie

Het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht 8 Het kasstroomoverzicht 801 Ingaande geldstromen 1 Toename eigen vermogen a Winst vóór belasting d 400.000** b Opbrengst aandelenemissie - 20.000** 2Toename langlopende schulden - 190.000** 3 Desinvestering

Nadere informatie

2015 Nederlandse Associatie voor Examinering Financiering niveau 5 1 / 12

2015 Nederlandse Associatie voor Examinering Financiering niveau 5 1 / 12 Financiering niveau 5 Correctiemodel voorbeeldexamen 2015 Nederlandse Associatie voor Examinering Financiering niveau 5 1 / 12 Vraag 1 Toetsterm 6.4 - Beheersingsniveau: K - Aantal punten: 1 Voor welke

Nadere informatie

Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing

Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing Hoofdstuk 1 Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing 1.1 Inleiding In het boek Elementaire kennis Bedrijfsadministratie heb je geleerd om boekingen te

Nadere informatie

Financiën en risicomanagement

Financiën en risicomanagement Financiën en risicomanagement Leergang Bedrijfskunde voor de Agribusiness Miranda Meuwissen, Alfons Oude Lansink Bedrijfseconomie, Wageningen Universiteit Inhoud Risico-identificatie & stress test (Miranda)

Nadere informatie

Module 4 Inzicht in cijfers

Module 4 Inzicht in cijfers Geleerd in vorige presentaties Module 4 Inzicht in cijfers 1. Balans in detail 2. Kengetallen Les 4. Vergelijk je resultaten op 4 manieren + maak goede investeringsbeslissingen Les 4 Vergelijk je resultaten

Nadere informatie

Kosten van huisvesting en duurzame productiemiddelen 7

Kosten van huisvesting en duurzame productiemiddelen 7 1 Kosten van huisvesting en duurzame productiemiddelen Kennisvragen paragraaf 1.1 en 1.2 1. Wat bestudeert de bedrijfseconomie? 2. We onderscheiden bij uitgaven kosten en verspillingen. Wat is het verschil

Nadere informatie

Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting.

Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting. Hoofdstuk 4 Beoordeling van de liquiditeit Extra opgaven Opgaven 4.4a en 4.4b horen bij paragraaf 4.2, Liquiditeitsbegroting en resultatenbegroting. Opgave 4.4a De handelsonderneming Hartema vof heeft

Nadere informatie

Eindexamen vwo m&o II

Eindexamen vwo m&o II Opgave 1 1 maximumscore 2 De zakelijke lasten zijn door de verkoper vooruitbetaald. Uitsluitend 0 of 2 scorepunten toekennen. 2 maximumscore 3 maand in 2011 schuldrest ( ) begin van de maand interestdeel

Nadere informatie

a. Stel de beginbalans op 1 januari 2006 samen volgens het model van bijlage I.

a. Stel de beginbalans op 1 januari 2006 samen volgens het model van bijlage I. Opdracht 1 De Wilde en Timmer De dames De Wilde en Timmer gaan een autobedrijf beginnen: zij kopen auto s en accessoires in en verkopen die. Om het autobedrijf te kunnen openen op 1 januari 2006 zijn in

Nadere informatie

Beoordeling van investeringsvoorstellen

Beoordeling van investeringsvoorstellen Beoordeling van investeringsvoorstellen C2010 1 Beoordeling van investeringsvoorstellen Ir. drs. M. M. J. Latten 1. Inleiding C2010 3 2. De onderneming C2010 3 3. Investeringen G2010 3 4. Selectiecriteria

Nadere informatie

Oefenopgaven Hoofdstuk 8

Oefenopgaven Hoofdstuk 8 Oefenopgaven Hoofdstuk 8 Opgave 1 Hazelkoning Onderneming Hazelkoning NV heeft 7 jaar geleden een obligatielening uitgegeven met een oorspronkelijke looptijd van 30 jaar. De couponrente van de lening bedraagt

Nadere informatie

Examen PC 2 Financiële Rekenkunde

Examen PC 2 Financiële Rekenkunde Examen PC 2 Financiële Rekenkunde Instructieblad Examen : Professional Controller 2 leergang 8 Vak : Financiële Rekenkunde Datum : 18 december 2014 Tijd : 14.00 15.30 uur Deze aanwijzingen goed lezen voor

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2008-I

Eindexamen m&o vwo 2008-I Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 2 introductiefase groeifase rijpheidsfase/volwassenfase verzadigingsfase/stabilisatiefase neergangsfase/aftakelingsfase/eindfase Opmerking: Wanneer niet in de

Nadere informatie

Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 61562 Datum: 30 juni 2012 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur

Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 61562 Datum: 30 juni 2012 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 61562 Datum: 30 juni 2012 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur Dit examen bestaat uit 5 pagina s. De opbouw van het examen is als volgt: - 10 open vragen (maximaal 70

Nadere informatie

EEN ANDERE KIJK OP INVESTERINGSPROJECTEN

EEN ANDERE KIJK OP INVESTERINGSPROJECTEN EEN ANDERE KIJK OP INVESTERINGSPROJECTEN Themadag van het stoomplatform Efficiency in stoomsystemen Duiven, 13 mei 2009 Franka Morssink PROGRAMMA Introductie Dynamiek Begrippen Investeringsvoorbeeld Gegevens

Nadere informatie

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Financiering niveau 5 Examenopgaven voorbeeldexamen Belangrijke informatie Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Dit voorbeeldexamen

Nadere informatie

Welkom. RB Studiekring Lezing ondernemingswaardering. ValuePro - RB Studiekring 1

Welkom. RB Studiekring Lezing ondernemingswaardering. ValuePro - RB Studiekring 1 Welkom RB Studiekring Lezing ondernemingswaardering 1 Voorstellen drs. Chris Denneboom RV RAB cdenneboom@valuepro.nl Master in Business Valuation Register Valuator Register adviseur bedrijfsopvolging Gerechtelijk

Nadere informatie

Oefenopgaven Hoofdstuk 2

Oefenopgaven Hoofdstuk 2 Oefenopgaven Hoofdstuk 2 1 Berekening Vrije Kasstroom voor de Investeringsanalyse Een keten van financiële dienstverleners is in gesprek met een nieuwe aanbieder op de markt van generatiehypotheken. Het

Nadere informatie

M&O VWO 2011/2012. www.lyceo.nl

M&O VWO 2011/2012. www.lyceo.nl Hoofdstuk 4: Balans M&O VWO 2011/2012 www.lyceo.nl Overzicht H4: Balans Management & Organisatie Centraal Examen (CE) 1. Rechtsvormen 2. Prijsberekening 3. Resultaten 4. Balans 5. Liquiditeitsbegroting

Nadere informatie

Acumulus & Co. Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB)

Acumulus & Co. Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB) Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB) 2013 Acumulus & Co Inhoud: - Verlies- en Winstrekening - Balans - Priveonttrekkingen/-stortingen - Bijlagen BTW-nummer Van 01-01-2013 Tot en met 31-12-2013

Nadere informatie

Examen HAVO. management & organisatie. tijdvak 2 woensdag 18 juni 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.

Examen HAVO. management & organisatie. tijdvak 2 woensdag 18 juni 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Examen HAVO 2014 tijdvak 2 woensdag 18 juni 13.30-16.30 uur management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 33 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing

Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing Hoofdstuk 1 Verwerken van financiële mutaties met betrekking tot duurzame productiemiddelen en leasing Opgave 1.1 In een onderneming wordt voor het verpakken van producten Kappa gebruikgemaakt van de machine

Nadere informatie

Appendix Bedrijfseconomie

Appendix Bedrijfseconomie Appendix Bedrijfseconomie De Nederlandse Associatie voor Praktijkexamens ( de Associatie ) organiseert twee keer per jaar examens voor het in ons land erkende Praktijkdiploma Boekhouden (PDB). Voor het

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2008-I

Eindexamen m&o vwo 2008-I Opgave 1 De productlevenscyclus geeft de ontwikkeling van de afzet van een product gedurende de tijd weer. De productlevenscyclus bestaat uit vijf fasen. 2p 1 Noem de vijf fasen van de productlevenscyclus

Nadere informatie

1 november 2011 Examenhal (18:30 21:30)

1 november 2011 Examenhal (18:30 21:30) Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen Naam: Studentnummer: Tentamen Financiering voor Vastgoedkunde Antwoordsuggesties 1 november 2011 Examenhal (18:30 21:30) Omcirkel het meest juiste antwoord bij de Multiple

Nadere informatie

TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC)

TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC) TOETS 1 - Basiskennis Calculatie (BKC) Het maximaal aantal te behalen punten voor deze toets is 90. Bij elke vraag of opdracht staat aangegeven hoeveel punten u daarvoor kunt halen. De beschikbare examentijd

Nadere informatie

Beginner. Beginner. Beginner

Beginner. Beginner. Beginner Beginner Nummer 1 Beginner Nummer 2 Beginner Antwoordmodel Antwoordmodel Antwoordmodel Nummer 3 2014: uitgave 0/kosten 30 Afschrijving De waardevermindering van de auto (een onderdeel van de vaste activa)

Nadere informatie

Examen VWO. management & organisatie. tijdvak 1 donderdag 22 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.

Examen VWO. management & organisatie. tijdvak 1 donderdag 22 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Examen VWO 2008 tijdvak 1 donderdag 22 mei 13.30-16.30 uur management & organisatie Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Toepassen van Adjusted Present Value

Toepassen van Adjusted Present Value Toepassen van Adjusted Present Value Blz. 1 van 8 In deze bijdrage wordt ingegaan op het berekenen van economische waarde. Naast de bekende discounted cash flow (DCF) methode wordt ook wel gebruik gemaakt

Nadere informatie

Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 91401 Datum: 28 juni 2014 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur

Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 91401 Datum: 28 juni 2014 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 91401 Datum: 28 juni 2014 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur Dit examen bestaat uit 6 pagina s. De opbouw van het examen is als volgt: - 3 cases met in totaal 15 open

Nadere informatie

Tijdens het spelen van deze Business Game zet je samen met andere leerlingen een eigen onderneming op, en stippelen jullie een strategie uit.

Tijdens het spelen van deze Business Game zet je samen met andere leerlingen een eigen onderneming op, en stippelen jullie een strategie uit. VECON Business Game Leerlinghandleiding Spelregels De VECON BUSINESS GAME is een educatief spel, dat door docenten gebruikt wordt om jou in een realistische omgeving kennis te laten maken met het beheren

Nadere informatie

De gemiddelde vermogenskosten en optimale vermogensstructuur

De gemiddelde vermogenskosten en optimale vermogensstructuur Hoofdstuk 5 De gemiddelde vermogenskosten en optimale vermogensstructuur 5.1 Inleiding In de vorige hoofdstukken hebben we het vreemd vermogen en het eigen vermogen van een onderneming besproken. De partijen

Nadere informatie

a. U hebt voor deze toets 60 minuten de tijd. VERGEET U NIET UW GEMAAKTE TOETS IN TE LEVEREN BIJ DE SURVEILLANT.

a. U hebt voor deze toets 60 minuten de tijd. VERGEET U NIET UW GEMAAKTE TOETS IN TE LEVEREN BIJ DE SURVEILLANT. TOETS JAARREKENINGLEZEN BEROEPSOPLEIDING ADVOCATUUR VOORJAARSCYCLUS 2011 EN INHALERS 14 OKTOBER 2011 (12.00-13.00 UUR) Naam :..... Cursusgroep :..... a. U hebt voor deze toets 60 minuten de tijd. VERGEET

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Management accounting: plaatsbepaling en ontwikkeling

Hoofdstuk 1 Management accounting: plaatsbepaling en ontwikkeling Hoofdstuk 1 Management accounting: plaatsbepaling en ontwikkeling Meerkeuzevraag 1.8 Eigen vermogen 31 december 220.000 Eigen vermogen 1 januari 250.000 -- Vermogenstoename 30.000 Onttrekkingen 70.000

Nadere informatie

Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 73079 Datum: 29 maart 2014 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur

Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 73079 Datum: 29 maart 2014 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 73079 Datum: 29 maart 2014 Tijd: 10:00 uur - 11:30 uur Dit examen bestaat uit 5 pagina s. De opbouw van het examen is als volgt: - 10 open vragen (maximaal 70

Nadere informatie

Acumulus & Co. Bijlage 2. Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB)

Acumulus & Co. Bijlage 2. Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB) Bijlage 2 Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB) 2014 Acumulus & Co Inhoud: - Verlies- en Winstrekening - Balans - Priveonttrekkingen/-stortingen - Bijlagen BTW-nummer Van 01-01-2014 Tot

Nadere informatie

TA3290 Life-Cycle Modeling and Economic Evaluation 2009-2010

TA3290 Life-Cycle Modeling and Economic Evaluation 2009-2010 TA3290 Life-Cycle Modeling and Economic Evaluation 2009-2010 CiTG, minor Mining and Resource Engineering Economie college 1: Grip op Geldstromen Dr.ir. Gerard P.J. Dijkema Energy & Industry Group December

Nadere informatie

Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 19639 Datum: 26 maart 2011 Tijd: 12:30 uur - 14:00 uur

Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 19639 Datum: 26 maart 2011 Tijd: 12:30 uur - 14:00 uur Bedrijfseconomische aspecten Examennummer: 19639 Datum: 26 maart 2011 Tijd: 12:30 uur - 14:00 uur Dit examen bestaat uit 5 pagina s. De opbouw van het examen is als volgt: - 15 open vragen (maximaal 50

Nadere informatie

Kasstroom uit investeringsactiviteiten Investering in machines / 350 Desinvestering in machines 65 Aandeel in winst C / 20 Aandeel in dividend C 30

Kasstroom uit investeringsactiviteiten Investering in machines / 350 Desinvestering in machines 65 Aandeel in winst C / 20 Aandeel in dividend C 30 Voortgezette Studie Boekhouden 12.1 a De functie van het kasstroomoverzicht is een bijdrage leveren aan de beoordeling door gebruikers van het vermogen van de onderneming om geldmiddelen en kasequivalenten

Nadere informatie

UNIFORM HEREXAMEN MULO tevens 2 e ZITTING STAATSEXAMEN 2008

UNIFORM HEREXAMEN MULO tevens 2 e ZITTING STAATSEXAMEN 2008 MNSTERE VN ONERWJS EN VOLKSONTWKKELNG EXMENUREU VK : ERJFSREKENEN TUM: ONERG 07 UGUSTUS 008 TJ : 07.30 09.30 UUR EZE TK ESTT UT 36 TEMS. UNFORM HEREXMEN MULO tevens e ZTTNG STTSEXMEN 008 NTREST e juiste

Nadere informatie

PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden

PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden onderdeel Bedrijfseconomie Beschikbare tijd 2 uur. Op de netheid van het werk zal worden gelet. Deze opgave is eigendom van de Examencommissie en dient, tezamen met

Nadere informatie

Agenda. Wie is De Hooge Waerder?

Agenda. Wie is De Hooge Waerder? 1 Agenda 1. Wie is De Hooge Waerder? 2. Wat is mijn bedrijf waard? 3. Is uw bedrijf verkoopklaar? Vestigingen Wie is De Hooge Waerder? 2 Wie is De Hooge Waerder? Divisies: op alle vestigingen zijn alle

Nadere informatie

In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 5.

In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 5. Opgave 2 In deze opgave blijft de btw buiten beschouwing. Bij deze opgave horen de informatiebronnen 1 tot en met 5. Vastgoedmaatschappij Flexbouw bv is eigenaar van het kantoorpand De Borgstaete en heeft

Nadere informatie

Geconsolideerde winst- en verliesrekening

Geconsolideerde winst- en verliesrekening Geconsolideerde winst- en verliesrekening Netto-omzet 265,0 274,3 Kosten van grond- en hulpstoffen -159,3-164,6 Mutatie voorraad halffabrikaten en gereed product 0,0-0,5 Brutomarge 105,7 109,2 Overige

Nadere informatie

De opgaven 6.4a en 6.4b horen bij paragraaf 6.2, De rentabiliteit van het vermogen

De opgaven 6.4a en 6.4b horen bij paragraaf 6.2, De rentabiliteit van het vermogen Hoofdstuk 6 Beoordeling van de rentabiliteit Extra opgaven De opgaven 6.4a en 6.4b horen bij paragraaf 6.2, De rentabiliteit van het vermogen Opgave 6.4a Per 31 december 2013 en 2014 heeft Geurtsen de

Nadere informatie

Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting

Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting Eindtermen en Toetstermen STIBEX Bedrijfseconomie en Periodeafsluiting Voor kandidaten die in beide modules examen doen geldt dit gehele document (zowel de termen van module A. Periodeafsluiting als module

Nadere informatie

STICHTING MAITREYA INSTITUUT VOOR WIJSHEIDSCULTUUR, LOENEN FINANCIEEL PUBLIKATIEVERSLAG HANDELSREGISTER OOST NEDERLAND NUMMER 41200578 RSIN 006832994

STICHTING MAITREYA INSTITUUT VOOR WIJSHEIDSCULTUUR, LOENEN FINANCIEEL PUBLIKATIEVERSLAG HANDELSREGISTER OOST NEDERLAND NUMMER 41200578 RSIN 006832994 Pagina 1 van 7 FINANCIEEL PUBLIKATIEVERSLAG 2012 HANDELSREGISTER OOST NEDERLAND NUMMER 41200578 RSIN 006832994 Pagina 2 van 7 FINANCIEEL PUBLIKATIEVERSLAG 2012 INHOUDSOPGAVE Pagina A - Balans per 31 december

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2001-II

Eindexamen m&o vwo 2001-II 4 Antwoordmodel Opgave Het boekresultaat (winst of verlies) dat ontstaat bij verkoop van vaste activa /deelnemingen. Niet, want in een beoordelingsgesprek staat de beoordeling van de prestaties van de

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2008-I

Eindexamen m&o vwo 2008-I Opgave 1 De productlevenscyclus geeft de ontwikkeling van de afzet van een product gedurende de tijd weer. De productlevenscyclus bestaat uit vijf fasen. 2p 1 Noem de vijf fasen van de productlevenscyclus

Nadere informatie

NIBE-SVV, 2014 OEFENEXAMEN BALANSLEZEN

NIBE-SVV, 2014 OEFENEXAMEN BALANSLEZEN NIBE-SVV, 2014 OEFENEXAMEN BALANSLEZEN 1. De volgende balansposten komen voor op de balans van een onderneming (in EUR 1.000,-). Gebouwen 500 Pensioenvoorziening 190 Winstreserve 270 Goodwill 240 Lening

Nadere informatie

1 Het kasstroomoverzicht

1 Het kasstroomoverzicht Oefeningen Kasstroomoverzicht 1 Het kasstroomoverzicht De gegevens van een bedrijf zijn: Balans per 31 december 2011 en 2012 dec-12 dec-11 dec-12 dec-11 Vaste Activa 1.000.000 1.200.000 Eigen Vermogen

Nadere informatie

UNIFORM HEREXAMEN MULO tevens IIe ZITTING STAATSEXAMEN MULO 2009

UNIFORM HEREXAMEN MULO tevens IIe ZITTING STAATSEXAMEN MULO 2009 MNSTERE VN ONERWJS EN VOLKSONTWKKELNG EXMENUREU UNFORM HEREXMEN MULO tevens e ZTTNG STTSEXMEN MULO 2009 VK : ERJFSREKENEN TUM: MNG 10 UGUSTUS 2009 TJ : 07.30 09.30 UUR EZE TK ESTT UT 36 TEMS. NTREST Welke

Nadere informatie

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Financiering niveau 4 Examenopgaven voorbeeldexamen Belangrijke informatie Dit voorbeeldexamen bestaat uit 27 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Dit voorbeeldexamen

Nadere informatie

PROEFEXAMEN 2 Praktijkdiploma Boekhouden

PROEFEXAMEN 2 Praktijkdiploma Boekhouden PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden onderdeel Bedrijfseconomie Beschikbare tijd uur. Op de netheid van het werk zal worden gelet. Deze opgave is eigendom van de Examencommissie en dient, tezamen met

Nadere informatie

Financieel verslag 2011/2012. Mixed Hockeyclub Voorbeeld Sportpark Hoefslag 12 2342 KM Vlissingen

Financieel verslag 2011/2012. Mixed Hockeyclub Voorbeeld Sportpark Hoefslag 12 2342 KM Vlissingen Financieel verslag 2011/2012 Mixed Hockeyclub Voorbeeld Sportpark Hoefslag 12 2342 KM Voorblad 0 Inhoud Bestuursverslag 2 Algemeen 3 Resultaatvergelijk 4 Financiele positie 5 Jaarrekening 7 Balans 8 Staat

Nadere informatie

Examen PC 2 Cash Management

Examen PC 2 Cash Management Examen PC 2 Cash Management Instructieblad Examen : Professional Controller 2 leergang 8 Vak : Cash Management Datum : 18 december 2014 Tijd : 16.00 17.30 uur Deze aanwijzingen goed lezen voor u met uw

Nadere informatie

Kosten van huisvesting en duurzame productiemiddelen 11

Kosten van huisvesting en duurzame productiemiddelen 11 1 Kosten van huisvesting en duurzame productie middelen 1.1 Inleiding Ieder mens heeft behoeften, de een meer dan de ander. In een welvaartsstaat heeft iedereen middelen om in zijn of haar behoeften te

Nadere informatie

Financiën op een rij

Financiën op een rij Financiën op een rij Leergang ondernemersvaardigheden Kamer van Koophandel en Greenport Arnhem Nijmegen 17 februari 2009 Fred Boersma (Tuinbouw Advies) en Bert de Vries (Rabobank Oost Betuwe) Programma

Nadere informatie

Overzicht financieel plan

Overzicht financieel plan Overzicht financieel plan Privé ontrekking (maandelijks) 1.000 BTW tarief 0,21 % Inkoop kosten 0,18 % Bedrijfskosten (maandelijks) 120 Promotiekosten (maandelijks) 100 Transportkosten (maandelijks) 100

Nadere informatie

Acumulus & Co. Bijlage 2 - Jaarrekening IB-aangifte 2015 uit Acumulus. Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB)

Acumulus & Co. Bijlage 2 - Jaarrekening IB-aangifte 2015 uit Acumulus. Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB) Bijlage 2 - Jaarrekening IB-aangifte 2015 uit Acumulus Jaarrekening t.b.v. aangifte inkomstenbelasting (IB) 2015 Acumulus & Co Inhoud: - Verlies- en Winstrekening - Balans - Priveonttrekkingen/-stortingen

Nadere informatie

2 Constante en variabele kosten

2 Constante en variabele kosten 2 Constante en variabele kosten 2.1 Inleiding Bij het starten van een nieuw bedrijf zal de ondernemer zich onder andere de vraag stellen welke capaciteit zijn bedrijf moet hebben. Zal hij een productie/omzet

Nadere informatie

Vraag 1 Toetsterm 2.5 - Beheersingsniveau: K - Aantal punten: 1 Wat is de juiste omschrijving van het begrip technische voorraad?

Vraag 1 Toetsterm 2.5 - Beheersingsniveau: K - Aantal punten: 1 Wat is de juiste omschrijving van het begrip technische voorraad? Kostencalculatie Correctiemodel Vraag 1 Toetsterm 2.5 - Beheersingsniveau: K - Aantal punten: 1 Wat is de juiste omschrijving van het begrip technische voorraad? De technische voorraad a is de economische

Nadere informatie

19 mei 2008. Wat is de waarde van een bedrijf?

19 mei 2008. Wat is de waarde van een bedrijf? 19 mei 2008 Wat is de waarde van een bedrijf? Wat is de waarde van een bedrijf? P.P.C. Buijsrogge RV Register Valuator Makelaar in bedrijfsbelangen www.corporatesearch.nl buijsrogge@corporatesearch.nl

Nadere informatie

Bij een resultatenbegroting (ook wel exploitatiebegroting genoemd) wordt een overzicht gemaakt van de opbrengsten en van de kosten.

Bij een resultatenbegroting (ook wel exploitatiebegroting genoemd) wordt een overzicht gemaakt van de opbrengsten en van de kosten. De liquiditeits - en resultatenbegroting Een bedrijf wil graag weten of hij aan zijn betaalverplichtingen kan voldoen. Daarom wordt een planning gemaakt in de ontvangsten en de uitgaven (vaak binnen een

Nadere informatie

12 Geconsolideerd kasstroomoverzicht

12 Geconsolideerd kasstroomoverzicht 12 Geconsolideerd kasstroomoverzicht Opgave 12.3* A bezit een aantal deelnemingen. De deelnemingen worden tegen nettovermogenswaarde gewaardeerd. Op 1 juli 2012 verwerft A tegen betaling per bank van 400.000

Nadere informatie

PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden

PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden PROEFEXAMEN Praktijkdiploma Boekhouden onderdeel Bedrijfseconomie Beschikbare tijd 2 uur. Op de netheid van het werk zal worden gelet. Deze opgave is eigendom van de Examencommissie en dient, tezamen met

Nadere informatie

Uitwerking opgaven Brugboek 19.3, 19.5, 19.6 t/m 19.20 en 19.22

Uitwerking opgaven Brugboek 19.3, 19.5, 19.6 t/m 19.20 en 19.22 Uitwerking opgaven Brugboek 19.3, 19.5, 19.6 t/m 19.20 en 19.22 T/m 19.12 zijn activiteitskengetallen. Vanaf 19.13 Rentabiliteitskengetallen Opgave 19.3 A. Bereken de gemiddelde voorraad over 2013 Q1 1-1

Nadere informatie

Antwoorden Hoofdstuk 18

Antwoorden Hoofdstuk 18 Antwoorden Hoofdstuk 18 Opgave 18.1 a. Uitsluitend gebaseerd op de balans Crediteuren 10 Langlopende lening 20 Voorraden 5 Inventaris 10 Nu met de post Afschrijving Inventaris erbij: Crediteuren 10 Langlopende

Nadere informatie

Proefschoolexamen Management & Organisatie 5 vwo. Hoofdstuk 17 tot en met 28. Normering. Aantal punten x 9 + 1 = cijfer 63

Proefschoolexamen Management & Organisatie 5 vwo. Hoofdstuk 17 tot en met 28. Normering. Aantal punten x 9 + 1 = cijfer 63 Proefschoolexamen Management & Organisatie 5 vwo Hoofdstuk 17 tot en met 28 Normering Opgave 1 Opgave 1 Opgave 2 Opgave 4 Opgave 5 Opgave 6 Opgave 7 1: 2 punten 1: 2 punten a: 2 punten 1: 3 punten 1: 2

Nadere informatie

Wetenschappelijk Onderwijs

Wetenschappelijk Onderwijs Uitwerkingen / waardering 1 Toets 3B1 VWO 6 MO onderdeel 631 Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Toets: M&O Afdeling: A6 PTA aanduiding: Toets 631 Tijdsduur: 80 minuten Weging SE: 15% Herkansbaar:

Nadere informatie

UNIFORM HEREXAMEN EIND MULO tevens II E ZITTING STAATSEXAMEN MULO 2007

UNIFORM HEREXAMEN EIND MULO tevens II E ZITTING STAATSEXAMEN MULO 2007 MNSTERE VN ONERWJS EN VOLKSONTWKKELNG EXMENUREU UNFORM HEREXMEN EN MULO tevens E ZTTNG STTSEXMEN MULO 2007 VK : ERJFSREKENEN TUM: WOENSG 08 UGUSTUS 2007 TJ : 07.30-09.30 UUR EZE TK ESTT UT 36 TEMS. ntrest

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2010 - II

Eindexamen m&o vwo 2010 - II Beoordelingsmodel Opgave 1 1 maximumscore 2 Aantal geplaatste aandelen bij oprichting 1.200.000 4 175.000 = 125.000 1 ( 1.200.000 + 908.000 ) 1.428.000 Emissiekoers bij oprichting = 5,44 125.000 1 2 maximumscore

Nadere informatie

www.jooplengkeek.nl Hoofdstuk 42 belangrijk

www.jooplengkeek.nl Hoofdstuk 42 belangrijk www.jooplengkeek.nl belangrijk 1 Liquiditeitskengetallen Current ratio Quick ratio Working capital (werkkapitaal) Cashflow Kengetallen Kengetallen zijn verhoudingsgetallen, ze geven de verhouding aan tussen

Nadere informatie

Eindexamen m&o vwo 2003-II

Eindexamen m&o vwo 2003-II 4 Antwoordmodel Opgave 1 1 voorbeelden van juiste antwoorden: kosten voor de winkelier bij de administratieve afhandeling; interestvergoeding voor het verstrekte krediet; vergoeding voor het risico van

Nadere informatie

UNIFORM EINDEXAMEN MULO tevens TOELATINGSEXAMEN VWO/HAVO 2010

UNIFORM EINDEXAMEN MULO tevens TOELATINGSEXAMEN VWO/HAVO 2010 MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VOLKSONTWIKKELING EXAMENBUREAU UNIFORM EINDEXAMEN MULO tevens TOELATINGSEXAMEN VWO/HAVO 200 VAK : BEDRIJFSREKENEN DATUM : DINSDAG 06 JULI 200 TIJD : 09.45.25 UUR (MULO-III KANDIDATEN)

Nadere informatie

Notitie Rentebeleid 2007

Notitie Rentebeleid 2007 Notitie Rentebeleid 2007 Inhoudsopgave Inleiding 3 De positie van de nota rentebeleid 3 De werking van het marktconform percentage 3 Totaalfinanciering versus project- of objectfinanciering 4 Rentetoerekening

Nadere informatie

22-1-2014. Cursus Bedrijfseconomie 2 IBK2BEC20. Tentamentraining

22-1-2014. Cursus Bedrijfseconomie 2 IBK2BEC20. Tentamentraining Cursus Bedrijfseconomie 2 IBK2BEC20 1 Tentamentraining 2 1 Kostprijs Normale productie : 40.000 stuks Verwachte werkelijke productie : 44.000 stuks Variabele kosten : 176.000 Constante kosten : 360.000

Nadere informatie

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 22 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen.

Dit voorbeeldexamen bestaat uit 22 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Kostencalculatie niveau 4 Examenopgaven Belangrijke informatie Dit voorbeeldexamen bestaat uit 22 vragen. De opbouw en het aantal vragen komt overeen met het online examen. Dit voorbeeldexamen bestaat

Nadere informatie