handleiding leerjaar 8 blok 4
|
|
|
- Adriana Brabander
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 handleiding leerjaar 8 blok 4 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie: Broodtekst redactie, Utrecht/Marieke van Osch Wies Gloudemans, Uithoorn Redactie: Fundamentaal, Culemborg Ontwerp: Criterium, Arnhem Opmaak: Grafi Data, Deventer ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Beroepsonderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: of via onze klantenservice (088) Deze uitgave is voorzien van het FSC-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw voor het gebruikte papier op een verantwoorde manier heeft plaatsgevonden. ISBN Tweede druk, eerste oplage, 2010 De 2e editie van Alles telt is een volledige herziening van de 1e editie ThiemeMeulenhoff, Amersfoort De 1e editie van Alles telt is gebaseerd op Das Zahlenbuch Ernst Klett Verlag GmbH, Stuttgart, Federal Republic of Germany Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp ( Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, fi lm en het maken van kopieën in het onderwijs zie nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
2 2 blok 4 overzicht van de leerdoelen Leerlijn Getalrelaties en getalbegrip Cijferend vermenigvuldigen Procenten Kommagetallen Verhoudingen Rekenmachine Leerdoelen De leerlingen beheersen het lezen van en rekenen met Romeinse cijfers. Maatschrift De leerlingen hebben kennis gemaakt met het lezen van en rekenen met Romeinse cijfers. De leerlingen hebben geleerd schattend en cijferend te vermenigvuldigen met en zonder kommagetallen. De leerlingen kunnen de samenstelling van supermarktproducten aflezen en berekenen. Zij kunnen de percentages en hoeveelheden van de samenstellingen bepalen. Zij kunnen percentages op de getallenlijn plaatsen en omrekenen in kommagetallen. Ook beheersen de leerlingen het inkleuren van percentages in potten. Maatschrift De leerlingen hebben geleerd vierkeuze vraagstukken te maken over procenten. Zij kunnen percentages suiker in jam berekenen. Zij kunnen percentages van geldbedragen berekenen. Ook kunnen de leerlingen percentages berekenen via de 1% regel. De leerlingen kunnen het gemiddelde berekenen van negatieve en positieve kommagetallen. Zij kunnen thermometers aflezen op 1 decimaal nauwkeurig. Zij leren het meten van lengte verder te verfi jnen met kommagetallen. Zij kunnen kommagetallen met drie decimalen plaatsen op de getallenlijn. Ook hebben de leerlingen geleerd verder te tellen met kommagetallen en zijn ze in staat kommagetallen te vergelijken en (handig) op te tellen en af te trekken. Maatschrift De leerlingen kunnen het gemiddelde berekenen van kommagetallen. Zij hebben geleerd kommagetallen te gebruiken bij geld, inhoud, gewicht en afstand. Zij kunnen kommagetallen met 1 decimaal plaatsen op de getallenlijn. Ook beheersen zij het verder tellen met kommagetallen met 1 decimaal. De leerlingen hebben bij het verkennen van de cirkel de bekende verhouding tussen omtrek en middellijn leren kennen (pi). Ook hebben zij de verhoudingen bij A-formaten leren kennen. Maatschrift De leerlingen weten dat de verhouding tussen omtrek en middellijn van een cirkel constant is (ongeveer 3). Ook hebben zij kennis gemaakt met de papierformaten A4 t/m A7. De leerlingen beheersen het handig rekenen op de rekenmachine. Zij kunnen met de rekenmachine kortingen en btw berekenen en uitkomsten vergelijken. Zij kunnen bewerkingen in de goede volgorde uitvoeren en rekenen met en zonder haakjes. Ook kunnen zij sommen uitvoeren met uitkomst 0. Maatschrift De leerlingen kunnen telefoonkosten berekenen op de rekenmachine. Zij kunnen op de rekenmachine btw en totaalbedrag berekenen. Ook kunnen de leerlingen totaalbedragen schatten en daarna berekenen op de rekenmachine.
3 Alles telt Handleiding 8 3 Leerlijn Lengte en omtrek Gewicht Meetkunde Geld Tijd Tabellen en grafieken Leerdoelen De leerlingen zijn in staat de breedte van een atletiekbaan te berekenen. Ook weten zij van de verschillende afmetingen van enveloppen Maatschrift De leerlingen hebben geleerd de omtrek van een rechthoek en een driehoek te berekenen in mm nauwkeurig. Ook kunnen zij de omtrek meten in een context. De leerlingen hebben geleerd het gewicht van papierformaten te berekenen. Maatschrift De leerlingen kunnen de goede maateenheid kiezen bij voorwerpen. De leerlingen hebben de cirkel verkend en weten van de verhouding tussen omtrek en middellijn (pi). Zij kunnen een vierkant steeds verder in kwarten verdelen. De leerlingen kunnen spiegellijnen vinden en symmetrie in fi guren onderzoeken. De leerlingen kunnen patronen herkennen en afmaken. Ook kunnen de leerlingen vierhoeken vergelijken. Maatschrift De leerlingen hebben kennis gemaakt met de verhouding tussen omtrek en middellijn van een cirkel (iets meer dan 3). Zij kunnen een vierkant steeds verder halveren. De leerlingen kunnen patronen afmaken. Ook kunnen de leerlingen rekenen met tegelpatronen. De leerlingen leren welke Europese landen de euro gebruiken en leren ook andere munteenheden als de (Engelse pond, Zwitserse frank, Amerikaanse dollar en Zweedse kroon). Zij weten wat wisselkoersen zijn en kunnen de aankoop en verkoop van buitenlandse valuta s berekenen. Ook kunnen de leerlingen met de rekenmachine kortingen en btw berekenen en uitkomsten vergelijken. Maatschrift De leerlingen hebben kennis gemaakt met de aankoop van buitenlandse valuta s. Zij kunnen met behulp van een verhoudingstabel met buitenlandse valuta s rekenen. Zij kunnen op de rekenmachine btw en totaalbedrag berekenen. Ook kunnen de leerlingen totaalbedragen schatten en daarna berekenen op de rekenmachine. De leerlingen kunnen werken met jaarkalenders en seizoenen. Maatschrift De leerlingen kunnen gebeurtenissen op een tijdbalk plaatsen. Ook kunnen zij rekenen met jaartallen. De leerlingen hebben geleerd om staafgrafi eken te lezen en te interpreteren. Zij kunnen ook een staafgrafi ek afmaken Zij hebben de verhouding pi in een grafi ek leren tekenen Maatschrift De leerlingen hebben geleerd om lijngrafi eken te lezen en te interpreteren. Zij kunnen ook een staafgrafi ek afmaken
4 4 blok 4 les 1 en 2 Leerlijn Tabellen en grafi eken Tijd Leerdoelen Nieuwe stof Werken met jaarkalender en seizoenen Staafgrafi eken aflezen en interpreteren Staafgrafi ek afmaken Thermometers precies aflezen Gemiddelde berekenen met negatieve en positieve kommagetallen Oefenen Rekenen met geldbedragen Rekenen met kommagetallen Nieuwe stof Lijnrafi ek aflezen en interpreteren Staafgrafi ek afmaken Gemiddelde berekenen met kommagetallen Oefenen Rekenen met geldbedragen Optelsommen naar analogie Bij keersom de bijbehorende deelsommen bedenken Optellen en aftrekken met rijgen Zelf sommen bedenken met procent en oppervlakte Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Handig rekenen (1) = (410) = (189) Bespreking: Bespreking: = = = = = (652) = (228) = (852) = (737) = (644) = (667) = (901) = (302) 2 Handig rekenen (2) = (1800) 287 : 7 = (41) Bespreking: = = : 6 = (83) = (2400) 828 : 9 = (92) = ( 594) 496 : 8 = (62) = (5100) 165 : 3 = (55) 3 Kommagetallen Tel verder met 0,3 vanaf 5. (5,3 5,6 5,9 6,2 6,5 6,8 7,1 7,4 7,7 8,0) Tel verder met 0,7 vanaf 1. (1,7 2,4 3,1 3,8 4,5 5,2 5,9 6,6 7,3 8,0) Tel verder met 1,2 vanaf 0. (1,2 2,4 3,6 4,8 6,0 7,2 8,4 9,6 10,8 12,0) Tel verder met 0,12 vanaf 2. (2,12 2,24 2,36 2,48 2,60 2,72 2,84 2,96 3,08 3,20) Tel verder met 3,03 vanaf 4. (7,03 10,06 13,09 16,12 19,15 22,18 25,21 28,24) Maatschrift Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 2 en 3 Werkschrift 8 blz. 32 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 32 en 33 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Braille-alfabet (zie 'Stap even uit de les') 1 Welk getal hoort er precies tussen? 234 ( 235) ( 1236) ( 679) ( 1469) (12 568) (12 760) (12 580) (13 345) Eenvoudige optel- en aftreksommen = (270) = (1024) = (22) = (98) = (490) = (1290) = (22) = (98) = (648) = (1520) = (21) = (98) = (822) = (1648) = (20) = (99) 3 Rekenen met de rekenmachine Laat de leerlingen eerst het antwoord schatten en dan uitrekenen op de rekenmachine = (1330) = ( 7221) 381 : 2 = (190,5) 561 : 4 = (140,25) = (1547) = (11 704) 826 : 5 = (165,2) 662 : 3 = (220,67)
5 Alles telt Handleiding 8 5 Waar gaat deze les over? In deze les worden koude winters bekeken. Hierbij komt het precies kunnen aflezen van thermometers aan de orde. De leerlingen berekenen de gemiddelde temperatuur met negatieve en positieve kommagetallen. Ook worden verschillende temperatuurgrafi eken afgelezen, geïnterpreteerd en afgemaakt. Taal en rekenen Taaltip Start een klassengesprek over het onderwerp van deze les, de winter. Het aantal schaatswinters is dun gezaaid tegenwoordig. Stel vragen als: Hoe vaak kan er in de winter op natuurijs geschaatst worden? Wanneer is de laatste Elfstedentocht gehouden? (In 1997.) Wie kan zich een witte kerst herinneren? (Er was er een in In de 20 e eeuw is het zes keer voorgekomen, in 1906, 1938, 1940, 1950, 1964 en 1981.) Rekenwoorden Negatief getal Temperatuur Grafi ek/diagram Maximum Minimum Gemiddelde Etmaal Seizoen Lastige woorden Natuurijs Winters (als bijvoeglijk naamwoord) Elfstedentocht Periode Temperatuurverloop
6 6 Blok 4 Les 1 en 2 Lesverloop van les 1 C1 Hoelang duurde de winter van 2009? De kalender Bekijk samen het plaatje bij deze opgave en ga nog even in op de winter van en het schaatsen. Wie heeft er al eens op natuurijs geschaatst? Vanaf tweede kerstdag was het winters. Wat betekent dat? (Het vriest en er valt sneeuw.) Vraag de leerlingen in groepjes opgave a te bekijken en uit te rekenen hoelang die winter van 2009 heeft geduurd. (17 dagen) Duurt het winterseizoen ook maar 17 dagen? (nee) Laat de leerlingen weer in groepjes uitzoeken hoeveel dagen het winterseizoen duurt. (90 of 91 dagen) Wat is het verschil? (73 of 74 dagen) Is het die dagen geen winter? (Jawel, maar ) Welke maanden zijn wintermaanden? (december, januari en februari) C2 Kijk naar de temperaturen van begin januari Staafgrafi ek Bekijk samen de tabel en bijbehorende grafi ek die de maximum- en minimumtemperaturen in De Bilt laten zien. Wat staat er in De Bilt? (het KNMI) Vraag de leerlingen in de tabel te zoeken naar dagen waarop het de hele dag (etmaal) gevroren heeft. (bijvoorbeeld 6 januari) Vertel dat dit ijsdagen worden genoemd. De dagen dat de temperatuur onder nul daalt (maar niet het hele etmaal) worden vorstdagen genoemd. Hoeveel vorst- en ijsdagen zijn er in die periode? Bespreek hoe het antwoord gevonden en berekend kan worden. Vraag nog eens naar de staafgrafi ek te kijken. Laat de leerlingen vertellen wat ze daar allemaal op kunnen zien en laat ze de vragen a, b en c beantwoorden. Bereken ten slotte samen de gemiddelde temperatuur op 7 januari en 10 januari. (+3,5 en 6,7 = 3,2 : 2 = 1,6 en 3,6 en 10,5 = 14,1 : 2 = 7,05) C3 Op welke dag was het temperatuurverschil het grootst? Staafgrafi ek Laat deze opgave eerst zelfstandig maken. Bespreek daarna samen de oplossingen. Hebben de leerlingen een gokje gewaagd door te meten met een liniaal? Wie meet het grootste verschil? Vertel dat er wel gerekend moet worden. Eerst kan een keuze gemaakt worden met behulp van de grafi ek. Daarna rekenen met negatieve getallen door ze op te tellen of af te trekken. De grafi ek is hierbij een belangrijk hulpmiddel. C4 Bereken het gemiddelde. Temperatuurgemiddelde Vergelijk samen per subopgave beide thermometers. Vertel dat, om het gemiddelde te bepalen, je precies tussen de twee waarden een streep kunt trekken. Maar hoe bereken je dat? Doe dit samen: bij a 1,7 en +1,6 = 0,1 en dat moet gehalveerd worden: 0,05. Bereken b ook samen: 1,6 en 4,3 wordt samen 5,9, daar de helft van is 2,95.
7 Alles telt Handleiding 8 7 Aandachtspunten bij les 2 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz. 3 1 Controleer of de leerlingen weten wat een etmaal is. 2 Laat bij a eventueel een getallenlijn tekenen. Bij b, c en d eerst de som bepalen. 3 Vraag wat stekjes zijn en een partij (boeken). Vertel dat je bij dit soort vierkeuzevragen vaak meteen al een of meer antwoorden kunt elimineren (uitsluiten). Observatie en extra hulp Ga na wie nog moeite heeft met de negatieve getallen. Maak met die leerlingen een getallenlijn van 10 tot en met 10 met 0 in het midden en tel vanaf 10 naar beneden en weer terug. Zien ze de symmetrie? Spring nu van 3 naar 7. Welke som is dat? ( 3 4 = 7 of = 7) werkschrift blz De differentiatie zit in de nauwkeurigheid van de grafi ek. Let op de zaterdag, daar komt geen staaf voor de maximumtemperatuur. 2 Wijs er bij a op dat je de getallen kunt zien als geldbedragen. Dat maakt het vaak gemakkelijker. 3 Let erop dat de fout 0,4 + 0,6 = 0,10 niet wordt gemaakt. maatschrift blz. 32 en 33 1 Controleer of de leerlingen weten wat maximum en minimum is. Bij de laatste vraag moet de grafi ek geïnterpreteerd worden. 2 Laat de leerlingen eerst alleen de minima inkleuren en daarna aanvullen tot de maximumtemperaturen. 3 Let op: met de Wescal rekenmachine moet eerst worden opgeteld en dan apart worden gedeeld. Anders gaat de deelsom voor. 4 Controleer of de leerlingen weten wat stekjes zijn en wat 'een partij boeken' betekent. Laat de leerlingen eerst goed kijken naar de antwoorden. Hebben ze gevoel voor de orde van grootte van getallen? (30 stekjes voor 45 euro kan natuurlijk nooit.) 5 Wijs op de structuur in de rijtjes. Het geeft leerlingen zelfvertrouwen om dit te zien en te gebruiken. 6 Vertel dat bij elke vermenigvuldiging twee omkeringen horen. 7 Wijs op het spreekwolkje. De leerlingen mogen de tussenantwoorden opschrijven. Bij c de tafelsommen laten gebruiken. 8 Bekijk hoe moeilijk of hoe gemakkelijk de leerlingen het zichzelf maken. Stap even uit de les Braille (1) Bekijk samen met de kinderen het braille-alfabet, bijvoorbeeld op Stel dan de volgende vragen: Hoe kunnen blinde kinderen dit lezen? (De dikke stippen zijn in het echt bobbeltjes.) Welke letters hebben alleen stippen op de bovenste twee rijen? (a tot en met j) Welke letters hebben op de onderste rij alleen links een stip? (k tot en met t.) Welke bijzonderheid hebben alle letters daarna, behalve één letter? (Ze hebben twee stippen op de onderste rij.) Welke letter is nog anders? (De letter w. Dat was omdat Braille dit als een tweeklank beschouwde.) Hoe zou je die omschrijven? Afronding Bespreek werkschrift opgave 2 en 3. Kijk bij opgave 2 hoe de leerlingen hebben gerekend en bij opgave 3 welke strategieën er gebruikt zijn. Vraag bij maatschrift opgave 1 of de maximumtemperatuur lager kan zijn dan de minimumtemperatuur. Controleer of alle deelsommen van opgave 6 zijn gevonden. Laat ten slotte enkele werkschriftleerlingen de maatschriftleerlingen eens iets vertellen over het temperatuurverloop in week 6 (werkschrift opgave 1). Vraag daarna enkele maatschriftleerlingen een verhaal te vertellen over de dag in mei (maatschrift opgave 1) waarin ook de temperatuur een rol speelt. Hierbij de beide grafi eken laten gebruiken.
8 8 blok 4 les 3 en 4 Leerlijn Kommagetallen Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof Kommagetallen bij meten Kommagetallen tot en met 3 decimalen op de getallenlijn Verder tellen met kommagetallen Kommagetallen vergelijken, optellen en aftrekken Oefenen Delen met rest Percentages in cirkeldiagram Diverse bewerkingen in tabel Nieuwe stof Kommagetallen bij geld, inhoud, gewicht en afstand Kommagetallen met 1 decimaal op de getallenlijn Verder tellen met kommagetallen De goede maateenheid kiezen Oefenen Klokkijken met digitale tijden Prijzen berekenen Handig vermenigvuldigen Delen met en zonder rest Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 4 en 5 Werkschrift 8 blz. 33 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 34 en 35 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Eventueel: braille-alfabet van 'Stap even uit de les' van les 1 en 2 1 Rekenen aan de kassa Hoeveel geef je de klant terug van 20 als hij het volgende moet betalen? Je geeft geen munten van 1 en 2 cent terug! 12,36 ( 7,65) 15,55 ( 4,45) 19,06 ( 0,95) 17,19 ( 2,80) 7,29 ( 12,70) 1,22 ( 18,80) Hoeveel geef je de klant terug van 50 als hij het volgende moet betalen? 12,34 ( 37,65) 19,78 ( 30,20) 34,56 ( 15,45) 41,76 ( 8,25) 1,99 ( 48,00) 14,04 ( 35,95) 2 Eenvoudige contexten met breuken Veerle krijgt 1 5 deel van Hoeveel krijgt zij? ( 250) Silke heeft 2 van een literfles sinas op. Hoeveel 5 cm3 is er nog in de fles? (600 cm 3 ) Steinar heeft 3 4 deel van de verhuisdozen uitgepakt. Hij moet er nog 24. Hoeveel heeft hij al uitgepakt? (72 dozen) Mara heeft 2 3 deel van de verf uit de verfbus gebruikt. Op de bus staat inhoud 1,8 liter. Dat is genoeg voor 27 m 2. Hoeveel verf is er gebruikt en hoeveel m 2 is er al geschilderd? (1,2 l en 18 m 2 ) Hendrik-Jan loopt tijdens de Vierdaagse 50 km per dag. Als hij op de derde dag 35 km heeft gelopen, heeft hij dan al meer dan 2 3 van de totale afstand gelopen? (Ja, want 2 3 van de totale afstand is iets meer dan 133 km en hij heeft op dat moment 135 km gelopen.) Maatschrift 1 Tellen met sprongen Schrijf de volgende rijtjes op het bord en laat de leerlingen de volgende drie sprongen maken ( ) ( ) ( ) ( ) ( ) ( ) 2 Getalbegrip Wat is de 8 waard in de volgende getallen? 18 ( 8) 0,80 ( 8 ) ( 8) 8000 ( 8000) 181 (80) 0,08 ( 8 ) 100 0,8 ( 8 10 ) (80 000)
9 Alles telt Handleiding 8 9 Waar gaat deze les over? Deze les gaat het over het gebruik van kommagetallen bij het meten van afstand, gewicht en inhoud. Diverse metingen worden verfi jnd. Een cijfer meer achter de komma en de meting is tienmaal nauwkeuriger. Hoe precies maataanduidingen moeten of kunnen zijn, hangt af van het gebruik. (Denk in dit verband aan gezondheid en geld, maar ook in de sport wordt steeds fi jner gemeten.) Hierbij komen de aanduidingen op verpakkingen aan de orde. Vervolgens worden de kommagetallen op een getallenlijn geplaatst. Taal en rekenen Taaltip Bespreek de betekenis van de op de verpakking achter elke maatopgave ( = estimated, 'geschat, ongeveer'). Dat geeft aan dat het genoemde gewicht of volume een gemiddelde is. Er zijn allerlei redenen waarom iets niet nauwkeuriger kan. Waarom niet precies 40 l potgrond? (Daarvoor is een vulmachine niet nauwkeurig genoeg, ook kan er water verdampt zijn.) Laat leerlingen op verpakkingen die opzoeken en beredeneren waarom die aanduiding daar staat. Rekenwoorden Digitaal Hectometer Lastige woorden Wondpoeder Verdeling bevolking
10 10 Blok 4 Les 3 en 4 Lesverloop van les 3 C1 C2 Hoe nauwkeurig moet het zijn? Kommagetallen, verfi jningen Vraag wanneer er heel precies gemeten moet worden. Worden door een tuinman en een timmerman dezelfde maten gebruikt? (Nee, de timmerman moet preciezer meten.) Hoe zit dat met de nauwkeurigheid van de getallen? (De verschillen kunnen groot zijn.) Vertel dat er beroepen zijn waarbij de nauwkeurigheid essentieel is, zoals opticien, goudsmid, elektricien en chirurg. Waarom? Vraag bij welke sport die precisie een grote rol speelt. (Bijvoorbeeld bij wielrennen, schaatsen en zwemmen.) Bekijk vervolgens de diverse artikelen bij de opgave. Wat betekent de letter achter de grammen en liters? (Estimated, dit is om klachten te voorkomen, want een zak potgrond van 40 l zal nooit precies 40 l bevatten.) Welke hoeveelheid is heel precies? (50 tabletten, maar 500 mg weer niet.) Welke maat is nauwkeurig? (De dikte van de schroeven.) Welke maat is betrekkelijk nauwkeurig? (1,5 l) Welke zijn wel heel onnauwkeurig? (De maten van de kamer.) Kan de hoeveelheid potgrond ook 50 l of 29 l zijn? (Nee, zo groot is die marge niet.) En kan de fl es van 1,5 l ook 1,6 l zijn? (Nee, zelfs niet met een stroperige vloeistof.) Hoe zit dat met de wondpoeder? (Daar staat ± voor, dus dat is ook niet precies 7 g.) Waar wordt het voor gebruikt? (Om wondjes te desinfecteren.) Bespreek hierna de nauwkeurigheid van een weersverwachting met de temperatuur. Bekijk ten slotte samen de getallenlijntjes bij deze opgave, waarin schematisch de nauwkeurigheid verbeeld is. Hoeveel cijfers komen er achter de komma te staan? (3) Welke getallen horen bij de streepjes? Kommagetallen, verfi jningen Bespreek samen de getallenlijnen bij a en b. Laat de leerlingen zelf de getallen bepalen bij de lijnen c en d. Controleer samen de antwoorden. C3 Ken je deze kommagetallen langs de weg? Kommagetallen, verfi jningen Bekijk samen het plaatje (ring Groningen). Wie heeft er wel eens zo n hectometerpaaltje gezien? Vraag de leerlingen wat die 197,6 kan betekenen. (Dat geeft een afstand van 197 km en 6 hm aan, gemeten vanaf het begin van die weg.) Vertel dat er om de 100 m een hectometerpaaltje staat. Hoeveel zijn er dat in 1 km? (10) De cijfers voor de komma geven km aan. Wat geeft het cijfer achter de komma dan aan? (hectometer) Hoeveel meter is een hectometer dus? (100m) Bespreek nu samen welke getallen er bij de gele vakjes horen. C4 Hoeveel meter heb je gereden? Kommagetallen, verfi jningen Bekijk samen deze hectometerpaaltjes. Wat betekenen 6,5 en 9,2? (km) Wat is het verschil in km? (2,7) Hoeveel m is dat? (2700 m) Laat de leerlingen zelf de andere opgaven maken. Controleer samen de antwoorden.
11 Alles telt Handleiding 8 11 Aandachtspunten bij les 4 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz. 5 1 De sommen klimmen op in moeilijkheidsgraad, maar door de systematiek wordt de beantwoording vergemakkelijkt. 2 De getallen als 5 bij opgave b en 8 bij opgave c kunnen geschreven worden als 5,0 en 8,00. 3 Vraag welke getallen je zonder rest door 10, 100, 1000 kunt delen. 4 Bespreek bij welk aantal 100% hoort. Vraag hoe = % van uitgerekend kan worden. Via 1% of kan het anders? werkschrift blz Geef aan dat de verdeling steeds fi jner wordt. 2-3 Wijs erop de komma s goed onder elkaar te zetten. Dit is een toepassing van kommagetallen waarbij de nauwkeurigheid een rol speelt. 4 Bekijk wie wel en wie niet de rekenmachine gebruikt. De meeste sommen kunnen gemakkelijk uit het hoofd worden uitgerekend. maatschrift blz. 34 en 35 1 Wijs er nog eens op dat een kommagetal veel betekenissen kan hebben. 2 Zien de leerlingen de overeenkomst met de telrij? 3 Bespreek het patroon bij de sprongen. Als de laatste sprong niet klopt met het eindgetal is er ergens een fout gemaakt. 4 Het gaat hier om begrip van en gevoel voor de maten. Met welke maten meet je deze dingen? Een stuk kaas kan nooit 650 kg zijn. 5 De leerlingen moeten een aantal dingen doorzien. Bijvoorbeeld: kan geen tijdstip met '4 voor' of '34 voor' zijn. En als er meer dan 20 minuten verstreken zijn na het hele uur, noem je het volgende uur. 6 Wijs de leerlingen er zo nodig op dat ze altijd eerst de hele berekening moeten maken en dan pas mogen afronden. 7 Verwijs naar het spreekwolkje. Laat gebruikmaken van verdubbelen en halveren. 8 Ook hier kan het spreekwolkje helpen. (Via een tafelsom een splitsing zoeken.) Afronding Ga bij leerlingenboek opgave 4 in op de berekening bij d. Laat op de rekenmachine delen door Dat is 0,224. Zien de leerlingen dat dit 22,4% voorstelt? Probeer samen de sommen van werkschrift opgave 4 uit het hoofd uit te rekenen. Bespreek bij maatschrift opgave 3 het patroon bij a en c. Bekijk bij opgave 7 of de leerlingen de techniek van het verdubbelen en halveren beheersen. Observatie en extra hulp Laat de leerlingen de namen benoemen van de cijfers achter de komma in meetgetallen. 12,35 l is 12 liter, 3 deciliter en 5 centiliter. 2,005 kg is 2 kilogram en 5 gram. 135,7 km is 135 kilometer en 7 hectometer. Stap even uit de les Braille (2) Vertel de leerlingen eerst iets over de uitvinder van het braille-alfabet, de Fransman Louis Braille. Louis Braille ( ) werd op driejarige leeftijd blind. Op het Nationale Instituut voor Blinde Kinderen in Parijs maakte hij kennis met een speciaal nachtschrift, dat door een militair was bedacht om s nachts boodschappen over te brengen aan het front. Bij dit schrift werd een raster van twaalf voelbare puntjes gebruikt. Braille vond dit een heel goed idee. Hij vereenvoudigde het systeem tot zes puntjes en veranderde het zo, dat je er behalve letters en hoofdletters ook leestekens, cijfers, tweeklanken en andere tekens mee kon maken. Blinden lezen met twee handen tegelijk zodat ze net als ziende mensen een beetje vooruit kunnen lezen. Ze lezen hiermee vrijwel net zo snel als ziende mensen. Maar boeken in braille zijn natuurlijk wel veel dikker dan gewone boeken! Bekijk nogmaals samen het braille-alfabet ( en stel er nog wat vragen over. Waar zijn de hoofdletters? (Er zijn geen aparte hoofdletters. Je maakt een hoofdletter door vóór de letter het speciale hoofdletterteken te zetten.) Waar zijn de cijfers? (Dat zijn de letters a tot en met j, maar dan met het cijferteken ervoor.) Hoeveel combinaties zijn er te maken? (Er zijn twee mogelijkheden per puntje: wel of geen bobbeltje. Er zijn zes puntjes, dus = 64, maar dan tellen we alles leeg ook mee en dat kun je niet lezen, dus 63.) Laat nu iedere leerling zijn of haar eigen naam in braille schrijven. Denk aan de hoofdletters!
12 12 blok 4 Les 5 herhalen en oefenen Leerlijn Tabellen en grafi eken Kommagetallen Leerdoelen Nieuwe stof Verschil berekenen tussen minimum- en maximumtemperaturen Gemiddelde berekenen met negatieve en positieve kommagetallen Kommagetallen aanvullen tot hele getallen Verder tellen met kommagetallen Oefenen Vermenigvuldigen en delen met kommagetallen Percentages in cirkeldiagram Vermenigvuldigen met breuken Breuken optellen en aftrekken Waarde bepalen van cijfers in getallen Nieuwe stof Lijngrafi ek aflezen Gemiddelde berekenen met kommagetallen Verder tellen met kommagetallen Komma plaatsen in getallen Oefenen Breuken als deel van een geheel Rekenen met breuken Bij keersom de bijbehorende deelsommen bedenken Deelsommen met en zonder rest Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Aanvullen Vul aan tot het Vul aan tot het Vul aan tot het honderdtal: duizendtal: tienduizendtal: (113) = (1813) = (10 813) = (513) = (4813) = (34 813) = (713) = (7813) = (75 813) = Restsommen Wat is de rest als je 125 deelt door: 2 (1), 5 (0), 8 (5), 3 (2), 6 (5), 9 (8), 4 (1), 7 (6), 10 (5) Wat is de rest als je 250 deelt door: 2 (0), 5 (0), 8 (2), 3 (1), 6 (4), 9 (7), 4 (2), 7 (5), 10 (0) Laat de leerlingen vertellen hoe ze aan het antwoord komen. Maatschrift 1 Breuken Laat de leerlingen sommen maken met als uitkomst 1, 1, 1 of (Bijvoorbeeld: = 1 of 2 : 6 = 1 of 1 1 = 1 of = 1 ) Delen Geef de volgende sommen in een redelijk vlot tempo. 42 : 6 = (7) 56 : 8 = (7) 420 : 6 = (70) 640 : 8 = (80) 42 : 7 = (6) 56 : 7 = (8) 630 : 7 = (90) 420 : 7 = (60) 63 : 9 = (7) 72 : 8 = (9) 560 : 8 = (70) 630 : 9 = (70) 63 : 7 = (9) 72 : 9 = (8) 810 : 9 = (90) 560 : 7 = (80) 5. Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 6 en 7 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 36 en 37 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware
13 Alles telt Handleiding 8 13 Aandachtspunten bij les 5 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 6 en 7 1 Laat bij b en c eventueel een getallenlijn tekenen om het verschil te bepalen. 2 Geef aan dat er bij de notatie van temperatuur altijd maar één cijfer achter de komma staat, dus bij meer cijfers afronden. 3 Bekijk of de leerlingen aanvullen of aftreksommen maken als ,5 = 0,5. 4 Laat de leerlingen eerst goed kijken hoe groot de sprongen zijn voor ze de getallen verder noteren. Zien de leerlingen het verband met de hele getallen? 5 Wijs erop dat vooral de decimalen belangrijk zijn om naar te kijken. 6 Stimuleer de leerlingen te schatten bij a en b. Bij c en d is het een kwestie van beredeneren waar de komma komt te staan. 7 Bespreek even met de leerlingen wat een kantoor, een werkplaats en een bedrijf zijn. 8 Wijs op het inzetje rechtsboven. 1 4 betekent delen door 4. Dan is 2 4 twee keer zoveel. 9 Geef aan dat de breuken gelijknamig gemaakt moeten worden. 10 Laat de antwoorden uitspreken en let vooral op c en e. Een fout die nog wel eens gemaakt wordt, is om 0,06 als 'zes tiende' uit te spreken en 0,006 als 'zes honderdste'. maatschrift blz. 36 en 37 1 Controleer of de leerlingen nog weten wat maximum en minimum is. 2 Laat hier van tevoren schatten wat het gemiddelde ongeveer kan zijn. 3 Hele getallen mogen ook met een 0 achter de komma worden genoteerd, dan zien de leerlingen het verband met getallenreeksen als 99, 110, Vraag de leerlingen aan welke woorden je kunt zien waar de komma moet staan. (Aan tiende en honderdste.) 5 Controleer of de leerlingen kunnen beredeneren dat 1 3 van 6 hokjes, 2 hokjes is. 1 6 Vraag wat 5 van betekent. (Delen door 5) Wat is dan 2 5? (Twee keer zoveel.) 7 Als de leerlingen bij c maar één keer 81 : 9 = 9 hebben genoteerd, is dat ook goed. 8 Wijs op de valkuil: omdat 7 : 2 = 3 r 1, denk je 70 : 2 = 30 r 10, maar 10 kun je nog verder delen door 2. Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 4 < Opgave 2 8 < Opgave 3 15 < Opgave 4 40 < Opgave 5 15 < Opgave 6 4 < Opgave 7 7 < Opgave 8 16 < Opgave 9 22 < Opgave 10 6 < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 3 < Opgave 2 3 < Opgave 3 25 < Opgave 4 4 < Opgave 5 9 < Opgave 6 8 < Opgave 7 18 < Opgave 8 16 <
14 14 blok 4 les 6 en 7 Leerlijn Meetkunde Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof Verkenning van de cirkel Verhouding tussen omtrek en middellijn Breedte van atletiekbaan berekenen Verband middellijn en omtrek tekenen in een grafi ek (pi) Oefenen Breuken omrekenen naar kommagetallen Vierkeuzevraagstukken over procenten Breuken aftrekken en halveren Patroon tekenen en/of kleuren Nieuwe stof Omtrek van rechthoek en driehoek berekenen in mm Omtrek in een context Verhouding tussen omtrek en middellijn Oefenen Cijferend optellen en aftrekken Cijferend vermenigvuldigen en delen Vermenigvuldigen met ronde getallen Tellen met sprongen van en Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 8 en 9 Werkschrift 8 blz. 34 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 38 en 39 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Blikjes, damschijven, sjoelschijven, munten van 2, 0,50 en 0,05 Huishoudcentimeters, touwtjes Eventueel: schuifmaat Passer Eventueel: ronde voorwerpen zoals schoteltje, bordje, glas, enzovoort Eventueel: fi etscomputertje 1 Kommagetallen Tel terug tot 0 of 5 met sprongen van: 0,3 vanaf 8. (7,7 7,4 7,1 6,8 6,5 6,2 5,9 5,6 5,3 5) 0,7 vanaf 7. (6,3 5,6 4,9 4,2 3,5 2,8 2,1 1,4 0,7 0) 1,2 vanaf 12. (10,8 9,6 8,4 7,2 6,0 4,8 3,6 2,4 1,2 0) 0,12 vanaf 1,20. (1,08 0,96 0,84 0,72 0,60 0,48 0,36 0,24 0,12 0) 1,25 vanaf 10. (8,75 7,50 6,25 5,00 3,75 2,50 1,25 0) 3,03 vanaf 30,3. (27,27 24,24 21,21 18,18 15,15 12,12 9,09 6,06 3,03 0) 2 Restsommen Wat is de rest als je 123 deelt door: 2 (1), 3 (0), 4 (3), 5 (3), 6 (3), 7 (4), 8 (3), 9 (6), 10 (3) Wat is de rest als je 246 deelt door: 2 (0), 3 (0), 4 (2), 5 (1), 6 (0), 7 (1), 8 (6), 9 (3), 10 (6) Laat de leerlingen vertellen hoe ze aan het antwoord komen. 3 Spelen met breuken 3 : 3 = ( 1 ) 1 3 : 5 = ( : 5 = ( 1 ) 1 5 : 3 = ( : 3 = ( 1 ) 2 1 : 5 = ( : 5 = ( 1 ) 2 4 : 3 = ( ) 7 ) 7 ) 7 ) 7 ) 3 6 : 3 = ( 2 ) 3 1 : 5 = ( Maatschrift 1 Kommagetallen ordenen Schrijf de volgende kommagetallen op het bord. Laat de leerlingen de getallen ordenen van klein naar groot. 3,9-6,12-4,8-6,89-3,2-6,67-6,9-6,34-4,7-6,71 (3,2-3,9-4,7-4,8-6,12-6,34-6,67-6,71-6,89-6,9) 2 Rekenen met de rekenmachine Schat eerst het antwoord. Reken de sommen daarna precies uit op de rekenmachine 56 x 86 = (50 x 90 = Precies: 4816) 29 x 99 = (28 x 100 = Precies: 2871) = ( = Precies: ) = ( = Precies: 9990) 47 x 55 = (50 x 50 = Precies: 2585) 3 Breuken en procenten Schrijft de twee rijtjes breuken en procenten op het bord. Welke breuk hoort bij welk percentage? 4, 3, 3, 2, 2, 1, %, 40%, 80%, 50%, 60%, 75%, 20% en 80%, 4 en 75%, 5 en 60%, 5 en 40%, 3 en 67%, 5 en 20%, 2 en 50%)
15 Alles telt Handleiding 8 15 Waar gaat deze les over? Deze les is een vervolg op les 6 van blok 1. Hier komt de verhouding, omtrek en middellijn van de cirkel aan de orde. De leerlingen gaan die verhouding onderzoeken en komen zo weer in aanraking met het beroemde getal pi (π). Pi (π) is de Griekse letter p en de afkorting van perifereia (omtrek van een ronde vorm). Het verband tussen middellijn en omtrek van een cirkel wordt in een grafi ek nog eens inzichtelijk gemaakt en getekend. Taal en rekenen Taaltip Bespreek met de leerlingen het begrip omtrek. Het heeft verschillende betekenissen: Zij tekende de omtrek van het huis. In de wijde omtrek is geen dorp te vinden. Deze cirkel heeft een omtrek van 15 cm. Hij maakte een omtrekkende beweging. Rekenwoorden Pi (π) Omtrek Middellijn (diameter) Verhouding Lastige woorden N.v.t.
16 16 Blok 4 Les 6 en 7 Lesverloop van les 6 C1 C2 Hoe meet je de omtrek van een cirkel? Verhouding omtrek/middellijn cirkel Bekijk en bespreek samen de illustraties met de cirkel als onderwerp. Vraag de leerlingen er nog een paar te noemen. (Een rotonde, een middencirkel op het voetbalveld, een reuzenrad op de kermis.) Laat de leerlingen van allerlei ronde dingen in de klas de omtrek en de middellijn opmeten. Maak daar samen een tabel van op het bord. omtrek middellijn verhouding schoteltje ± 47 cm ± 15 cm ± 3,13 Gebruik hierbij een huishoudcentimeter, touwtjes, eventueel een schuifmaat en een rekenmachine. Het doel is: weten dat de omtrek van elke cirkel iets meer is dan drie maal de middellijn. Weten jullie nog hoe dat getal heet, dat de verhouding is tussen omtrek en middellijn? (Dat is het getal pi (π).) Pi is 3, (Op de meeste rekenmachientjes komt pi niet voor. Een benadering is ook 3 1 7, dat is 3,1428.) Geef aan dat de verhouding tussen omtrek en middellijn van elke cirkel gelijk is. Er moet wel precies worden gemeten. Wat is de omtrek in millimeters ongeveer? Verhouding omtrek/middellijn cirkel Laat de leerlingen deze opgave eerst zelfstandig maken. Bespreek daarna de antwoorden samen. Wat is de middellijn van de munt van 50 cent? (± 24 mm) En die van de munt van 5 cent? (± 21 mm) Waar moet je de middellijn mee vermenigvuldigen als je de omtrek wilt weten? (3,14 of preciezer, 3,14159) Bekijk welke leerlingen het gelukt is de omtrek zo te berekenen. Laat eventueel van twee echte munten de omtrek nog eens opmeten. Klopt het? C3 Meet de omtrek en de middellijn. Verhouding omtrek/middellijn cirkel Maak deze opgave samen. Laat de leerlingen in groepjes meten, tekenen en rekenen. De omtrek van de munt van 2 is 8,1 cm, van de sjoelschijf 16,3 cm en van de damschijf 10 cm (officieel). De diameters zijn: 2,6 cm; 5,2 cm en 3,2 cm. De omtrekken van blikjes kunnen verschillen. Vertel dat de getallen mogen worden afgerond. C4 Hoe breed is de baan? Verhouding omtrek/middellijn cirkel Laat zo mogelijk de afbeelding van de atletiekbaan zien op het digibord. Laat de leerlingen met behulp van de afbeelding ontdekken dat de breedte van de baan net zo lang als de middellijn van de halve cirkels is. Reken dan samen uit: ongeveer 200 m : pi (3,14159) = 63,66 m. Het gaat hier om de breedte van het groene deel van de baan, dus het middenterrein.
17 Alles telt Handleiding 8 17 Aandachtspunten bij les 7 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz. 9 1 Laat de leerlingen die ook de plusvraag beantwoorden, bij a t/m e de antwoorden afronden op 5 decimalen. Anders kunnen ze vraag f niet beantwoorden. 2 Let op het antwoord van Dat is 3,0000 en niet 3. 3 Laat eerst rekenen en dan pas naar de antwoorden kijken. Welke breuk hoort bij 12 1 %? ( 1 ) Bij het aftrekken van breuken gaat het eigenlijk om het vergelijken van breuken. werkschrift blz De middellijn kan worden gemeten, maar ook berekend. 2 Ga na of de lijn precies door de punten loopt. Met deze grafi ek is de omtrek van een cirkel af te lezen als je de middellijn weet (en omgekeerd). Hoe precies kan dat? 3 Differentiatie kunt u aanbrengen door de leerlingen alleen het patroon in het werkschrift te laten inkleuren of door hen zelf met een passer een patroon te laten tekenen (en inkleuren). Observatie en extra hulp Laat leerlingen die deze materie nog moeilijk vinden, de omtrek en de middellijn bepalen van verschillende voorwerpen (schoteltje, bordje, glas, enzovoort). Laat de resultaten in een tabel zetten en bespreek de verhouding. (Als ze kunnen verwoorden dat de omtrek iets meer dan drie keer de middellijn is, is dat al mooi.) Stap even uit de les Omtrek toegepast Laat leerlingen die een fi etscomputertje op de fi ets hebben, vertellen hoe je zo n computer aanpast aan de omtrek van het fi etswiel. Wat kun je allemaal meten met zo n fi etscomputertje? (Afstand, tijd, gemiddelde snelheid, hoogste snelheid.) maatschrift blz. 38 en 39 1 Wijs erop dat er heel precies in mm gemeten moet worden. 2 Bespreek hoe zo n onregelmatige fi guur opgemeten kan worden. (Een rechthoek er strak omheen maken geeft een aardige benadering.) 3 Middellijn en omtrek van een cirkel behoren niet echt tot de basisstof voor de maatschriftleerlingen, maar een korte kennismaking kan geen kwaad. Het gaat erom dat ze weten wat de middellijn is en die kunnen opmeten. Bij het uitrekenen van de omtrek gaat het erom dat ze weten te kiezen op basis van iets meer dan drie keer zo groot. 4-5 Vertel de leerlingen dat ze met steeds grotere getallen leren rekenen. Maak de sommen eventueel samen en laat ontdekken dat de werkwijze hetzelfde blijft. Besteed nog even aandacht aan de nullen. 6 Vertel dat ze hier kunnen laten zien of ze goed kunnen rekenen met nullen. 7 Laat de getallen ook uitspreken. Afronding Controleer bij leerlingenboek opgave 2 a, b en c of alle getallen op 4 decimalen zijn afgerond, dus ook 21 7 = 3,0000. Laat zien dat d een bijzondere deling is: de 6 decimalen zijn gelijk aan de eerste 6 decimalen van pi. (Deze breuk is al in de 5e eeuw in China gevonden komt uit het oude Griekenland.) Begeleid bij maatschrift opgave 4 en 5 de leerlingen die nog moeite hebben met het cijferend rekenen. Doe van elke bewerking één som stap voor stap voor.
18 18 blok 4 les 8 en 9 Leerlijn Geld Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof De euro Wisselkoersen Aankoop en verkoop buitenlandse valuta's Oefenen Contextsommen met geld Delen en vermenigvuldigen met breuken Snelheden berekenen Getallenmuurtjes en rekendriehoeken Nieuwe stof Aankoop buitenlandse valuta's Buitenlandse valuta's in een verhoudingstabel Vierkeuzevraagstukken met procenten Oefenen Gewichten ordenen Prijs van stukken kaas berekenen Omtrek en oppervlakte Plattegrond tekenen van eigen kamer Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 10 en 11 Werkschrift 8 blz. 35 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 40 en 41 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Euromunten van verschillende landen Namaakgeld Lijstje met recente wisselkoersen 1 Ongeveer rekenen 4,9 8,2 ( 5 8 = 40) 124,5 19,7 ( = 2500) 7,2 9,9 ( 7 10 = 70) 199,8 26,3 ( = 5000) 18,1 39,8 (18 40 = 720) 78,5 118,1 ( = 9000) 40,1 24,9 (40 25 = 1000) 111,2 190,3 ( = ) Laat de leerlingen daarna deze sommen op de rekenmachine narekenen. 2 Spelen met breuken 4 : 2 = ( 2 ) 6 : 3 = ( 2 ) 1 1 : 5 = ( 1 ) 8 : 4 = ( : 2 = ( 3 ) 3 : 3 = ( 1 ) 3 : 4 = ( 3 ) 3 : 5 = ( : 3 = ( 1 2 ) 4 9 : 4 = ( 1 9 ) : 7 = ( 1 4 ) : 6 = ( 1 3 Grote getallen Wat is meer: een miljoen of ? (1 miljoen) een half miljoen of ? ( ) een kwart miljoen of ? (kwart miljoen) een derde miljoen of ? (een derde miljoen) 2 keer een half miljoen of een half keer 1 miljoen? (2 keer een half miljoen) 6 keer een derde miljoen of 3 keer 2 miljoen? (3 keer 2 miljoen) 4 keer een derde miljoen of 3 keer een kwart miljoen (4 keer een derde miljoen) Maatschrift 1 Sliertsommen 10 x 34 = ( 340) 80 x 85 = (6800) 100 x 34 = (3400) 40 x 85 = (3400) 200 x 34 = (6800) 40 x 8,5 = ( 340) 20 x 340 = (6800) 20 x 17 = ( 340) 40 x 170 = (6800) 10 x 34 = ( 340) 2 Breuken Teken eventueel een getallenlijn op het bord als visuele steun. Noem 5 breuken die liggen tussen 0 en 1. (Bijvoorbeeld 1, 2, 3, 4, ) 5 Noem 5 breuken die liggen tussen 1 en 1. (Bijvoorbeeld 1, 1, 1, 1 en Noem 3 breuken die liggen tussen 1 4 en 3 4. (Bijvoorbeeld 3 8, 1 2, 5 Noem 2 breuken die liggen tussen 1 3 en 3 4. (Bijvoorbeeld 5 12 en 1.) 8.) 2 ) 9 ) 25 ) 5 8.) 3 Getalbegrip Schrijf de volgende getallen op het bord en laat die uitspreken Lees de volgende getallen hardop voor en laat de die opschrijven
19 Alles telt Handleiding 8 19 Waar gaat deze les over? In deze les gaan de leerlingen bekijken welke landen in Europa de euro als munt gebruiken en welke landen (nog) niet. Ook andere munten (zoals frank, pond, dollar en kroon) komen hierbij aan de orde. De leerlingen leren aan de hand van wisselkoersen deze vreemde valuta's om te wisselen. De aan- en verkoop van buitenlands geld wordt besproken en vergeleken. Taal en rekenen Taaltip Wat betekent valuta? (Algemeen geldig betaalmiddel in bepaald land.) Bij vreemde valuta s is er verschil in prijs tussen aankoop en verkoop. Waarom? (De aankoopprijs is hoger, omdat de bank eraan moet verdienen. Maar ook zijn de koersen afhankelijk van aan- en verkoop. Hoe meer vraag er naar een munt is, des te duurder wordt hij.) Geef een voorbeeld met Amerikaanse dollars: bij de bank staat op een bord de dagkoers (gebruik de recente wisselkoersen, te vinden op internet). Je koopt 100 dollar. Hoeveel euro moet jij voor de dollars betalen? (Zie de dagprijs op internet.) Hoeveel euro krijg je als je ze weer inlevert? (Zie de dagprijs op internet.) Rekenwoorden N.v.t. Lastige woorden Valuta (Wissel)koers Dollar Pond Kroon Yen Frank
20 20 Blok 4 Les 8 en 9 Lesverloop van les 8 C1 C2 Hoe goed ken jij de euro? Een andere kennismaking met de euro Bekijk samen het kaartje met de eurolanden. In hoeveel landen wordt de euro als munt gebruikt? (16 op 1 januari 2010) Welke landen zijn dat? (België, Duitsland, Cyprus, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Slovenië, Slowakije en Spanje. Verder is de euro het wettige betaalmiddel in Andorra, Monaco, San Marino, Vaticaanstad, Kosovo en Montenegro, maar dat zijn geen officiële eurolanden.) Vraag de leerlingen of die munten overal hetzelfde zijn. (Nee, ieder land heeft een eigen opdruk.) Hoeveel verschillende euromunten waren dat in 2010? (16 8 = 128. Van de nietofficiële eurolanden mogen Monaco, San Marino en Vaticaanstad ook eigen euromunten slaan. Dus dat zijn er dan nog 3 8 = 24 meer, en dan hebben we alle speciale munten, zoals herdenkingsmunten, nog niet eens meegerekend!) Vraag de leerlingen, als ze munten bij zich hebben, die met elkaar te vergelijken. Laat er zelf ook een aantal uit verschillende landen zien. Wat staat er op de achterkant? Bespreek vervolgens samen vraag e. Wat zou de volgorde naar grootte van alle euromunten zijn? Verwijs hierbij eventueel naar de vorige les. Vraag ten slotte naar de voordelen van het gebruik van één muntsoort in meerdere landen. (Geen wisselkoersen, je weet in die andere landen gelijk of iets duur of goedkoop is.) Reken met wisselkoersen. Rekenen met geld Bespreek het lijstje met de koersen. Vertel dat deze koersen steeds veranderen. Geef aan dat het aantal decimalen groot is. (Dit komt door de grote bedragen in de geldhandel.) Bekijk de verschillen tussen verkoop en aankoop. Wat betekent verkoop en aankoop? (De klant koopt dollars bij de bank (aankoop). De klant verkoopt de dollars aan de bank (verkoop).) Geef een leerling 700 aan namaakgeld. Laat een andere leerling voor bank spelen. Vraag de eerste leerling het geld bij de bank te wisselen tegen dollars. Laat de bank met de rekenmachine uitrekenen hoeveel dollar dit is. Schrijf de berekening op het bord. (700 x 1,1415 = $ 799,05). Welke koers is gebruikt? (aankoop) Vraag nu bij de bank $ 800 in te wisselen voor euro s. Welke koers moet nu gebruikt worden? (verkoop) Laat de bank dit uitrekenen. Hoe doe je dat? (Door te delen: $ 800 : 1,3430 = 595,68.) Schrijf ook deze berekening op het bord. Hoeveel heeft de bank ongeveer verdiend? ( 100!) Een ezelsbruggetje: je betaalt zoveel mogelijk, je krijgt zo weinig mogelijk. Laat zo ook 500 inwisselen voor Engelse ponden en omgekeerd. (500 x 0,7700 = : 0,9088 = 423,64.) Let ook op de afronding. Laat de leerlingen opgave c zelfstandig uitvoeren. C3 Koop en verkoop Engelse ponden. Rekenen met geld Laat de leerlingen deze opgave zelfstandig maken. Bespreek hoe er gerekend is. C4 Hoeveel euro kosten de Engelse ponden? Rekenen met geld Stel samen met de leerlingen vast dat deze som uit het hoofd kan worden berekend.
21 Alles telt Handleiding 8 21 Aandachtspunten bij les 9 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Bespreek deze opgave vooraf. Bij a 100 x en bij b 800 x de aankoopkoers. Bij c 100 gedeeld door de verkoopkoers. Bij d 175 gedeeld door de verkoopkoers. 2 Controleer of de leerlingen hier nu uitkomen (zie opgave 1). 3 Vraag bij b het hoeveelste deel 5% is. 4 Bespreek nog even 1 2 keer = de helft van = delen door 2. Bespreek ook de verschillen tussen 2 : 2 =, 2 x 2 =, 2 : 1 =, 2 x 1 =, 1 x 2 = en 1 : 2 =. 2 5 Geef aan dat bij dit soort berekeningen een verhoudingstabel handig is. Voorbeeld bij opgave f: afstand 475 m 950 m 633,33 m m = 38 km tijd 45 sec. 90 sec. = 1,5 min. 1 min. 60 min. = 1 uur werkschrift blz Geef aan dat de kronen en de franken per 100 zijn. 2 Als 1 euro 1,39 dollar waard is, dan is 1 dollar 1 : 1,39 = 0,72 euro waard. Zo kan via de waarde van de euro weer de waarde van andere valuta's worden berekend. 3 De bekende rekendriehoeken, nu met cijferend optellen en aftrekken. 4 Stimuleer de leerlingen de sommen uit het hoofd uit te rekenen. Bij b mag de laatste optelling cijferend worden opgelost. Observatie en extra hulp Maak met leerlingen die nog moeite hebben met wisselkoersen nog eens leerlingenboek les 9 opgave 1 en 2. Laat eerst de rekensom formuleren en reken dan uit, al dan niet met de rekenmachine. Stap even uit de les Kommagetallen Welke kommagetallen kun je maken in dit positieschema met vier fi ches? Wat is het grootste en wat is het kleinste getal? (4,00 is het grootste getal en 0,04 is het kleinste.) Werken de leerlingen systematisch? E, t h 4, 0 0 3, 1 0 3, 0 1 2, 2 0 maatschrift blz. 40 en 41 1 Het gaat vooral om het idee dat muntsoorten en de waarde daarvan in landen kunnen verschillen. 2 Een toepassing van het rekenen met nullen bij vreemde valuta's, in de verhoudingstabel. 3 De beredenering en het inschatten is hier belangrijk, niet zozeer de berekening. 4 Laat eerst alles omrekenen naar gram. 5 Wijs erop dat bij het bedrag afgerond moet worden. 6 Controleer of het verschil tussen omtrek en oppervlakte nog bekend is. 7 Laat de leerlingen elkaar de plattegrond van hun kamer toelichten. Afronding Vergelijk nog eens de belangrijke munteenheden in de wereld. De Amerikaanse dollar ($), de Engelse pond ( ), de Japanse yen ( ) en de Europese euro ( ). Bespreek de voor- en nadelen van valutaomwisseling en valutaschommelingen. Wat zijn de gevolgen voor onze vakantie in een land met een lage/hoge koers? En wat zijn de gevolgen voor de toeristen die hier op bezoek komen? Waarom is in veel landen met een eigen munt toch de dollar de handelsmunt? Bespreek maatschrift opgave 6. Hebben de leerlingen andere fi guren dan alleen vierkanten en rechthoeken? Bespreek het gegeven dat een hokje 1 m 2 is. Merken ze zelf op dat ze niet steeds de oppervlakte hoeven uit te rekenen? (16 hokjes is altijd 16 m 2, de omtrek kan natuurlijk erg variëren.)
22 22 Blok blok 4 les 10 herhalen en oefenen Leerlijn Meetkunde Geld Leerdoelen Nieuwe stof Omtrek cirkels berekenen als middellijn bekend is Middellijn cirkels berekenen als omtrek bekend is Aankoop en verkoop buitenlandse valuta's Oefenen Kommagetallen halveren Breuken en kommagetallen vergelijken Rekenen met breuken en kommagetallen Aftrekken met kommagetallen Inhoud aquarium berekenen Delen met kommagetallen Nieuwe stof Omtrek van fi guren berekenen in mm Verhouding tussen omtrek en middellijn Aankoop en verkoop buitenlandse valuta's Oefenen Sommen halen uit contexten Inhoud aquarium berekenen Aftrekken met kommagetallen Korting en nieuwe prijs berekenen Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 12 en 13 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 42 en 43 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Handig optellen = (801) Bespreking: = = = (924) = (534) = (611) Bespreking: = = Handig aftrekken = (667) Bespreking: = = = (788) = (488) = (422) Bespreking: = = 422 Maatschrift 1 Wat is de 7 waard in de volgende getallen? 17 (7) 6798 (700) 7000 (7000) 0,7 (7/10) 0,70 (7/10) 7,01 (7) 2 Optellen en aftrekken = (310) = (888) = (60) = (313) = (310) = (878) = (70) = (312) = (310) = (868) = (80) = (311) = (310) = (858) = (90) = (310)
23 Alles telt Handleiding 8 23 Aandachtspunten bij les 10 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 12 en 13 1 Stimuleer de leerlingen zonder rekenmachine te werken. Bij e wordt het dan wel lastig, maar voor de echte cijferaars is het een uitdaging. Bij d ligt het veel eenvoudiger. 2 Ook hier de keus: met of zonder rekenmachine. Welke kunnen uit het hoofd? 3 De berekeningen zijn als volgt: bij b 1200 : 1,2740. Bij c 825 : 1,4820. Bij d het verschil tussen 825 : 1,2740 = 647,57 en 825 : 1,4820 = 556,68, dus 90,89. 4 Vergelijk deze koersen eens met de recente koersen op internet. 5 Controleer bij d of het antwoord juist is. (geen 0,599!) 6-7 Het makkelijkst is er allemaal kommagetallen van te maken. 8 Wijs de leerlingen eventueel op geld als ze van 10 of 100 kommagetallen moeten aftrekken. 9 Bekijk welke uitrekenstrategie gebruikt wordt. ( cm cm 3 of direct cm 3.) Herhaal de omrekening van cm 3 naar liter even. 10 Maken de leerlingen gebruik van de relatie tussen de sommen? maatschrift blz. 42 en 43 1 Als extra vraag kunt u ook de oppervlakte laten berekenen. 2 Wijs op het denkwolkje: eerst 3 uitrekenen en dan zo dicht mogelijk erboven. 3-4 Rekenen met de rekenmachine mag, maar echt nodig is het niet. 5 Vertel bij b dat er zes spelers in een volleybalteam spelen. Let op de nullen bij opgave c. 6 Vraag c is om leerlingen te laten nadenken over het formaat dat bij de getallen past. 7 Controleer of het rijgend rekenen nog bekend is. Bijvoorbeeld: 10 6,5 = ,5 = 4 0,5 = 3,5. Bij c en d helpt het om aan geld te denken. 8 Geef aan dat je hier moet uitgaan van een prijs van Waarom kostte de tv eerst 999 en niet gewoon 1000? Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 6 < Opgave 2 5 < Opgave 3 4 < Opgave 4 5 < Opgave 5 4 < Opgave 6 10 < Opgave 7 4 < Opgave 8 16 < Opgave 9 4 < Opgave < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 3 < Opgave 2 6 < Opgave 3 12 < Opgave 4 6 < Opgave 5 4 < Opgave 6 3 < Opgave 7 16 < Opgave 8 2 < 1 1-2
24 24 blok 4 les 11 en 12 Leerlijn Getalrelaties en getalbegrip Tijd Leerdoelen Nieuwe stof Romeinse cijfers Oefenen Staafgrafi eken aflezen en interpreteren Gebeurtenissen op de tijdbalk plaatsen Tellen met kommagetallen Nieuwe stof Romeinse cijfers Gebeurtenissen op de tijdbalk plaatsen Rekenen met jaartallen Oefenen Staafgrafi ek aflezen en interpreteren Rekenen met geldbedragen Tellen met sprongen van 0,50 Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 14 en 15 Werkschrift 8 blz. 36 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 44 en 45 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Handig optellen = (300) = (600) = (300) = (300) = (600) = (300) = (300) = (600) = (600) = (600) 2 Handig aftrekken = (113) = (134) = (113) = (211) = (113) = (189) = (113) = (156) = (113) = (156) 3 Reken je rijk Marjo heeft 3 briefjes van 50, 2 briefjes van 20, 3 munten van 0,50 en 2 munten van 0,20. Elske heeft 8 briefjes van 20, 5 briefjes van 10, 2 munten van 0,05 en 6 munten van 0,01. Reduan heeft 1 briefje van 100, 5 briefjes van 20, 6 munten van 0,20 en 5 munten van 0,05. Wie is het rijkst en wie is het armst? (Elske is het rijkst en Marjo het armst.) Maatschrift 1 Delen met kommagetallen 100 : 8 = (12,5) 26 : 5 = (5,2) 1,4 : 7 = (0,2) 5,6 : 8 = (0,7) 200 : 16 = (12,5) 27 : 5 = (5,4) 2,8 : 7 = (0,4) 2,1 : 3 = (0,7) 84 : 8 = (10,5) 28 : 5 = (5,6) 3,5 : 7 = (0,5) 4,2 : 6 = (0,7) 42 : 4 = (10,5) 29 : 5 = (5,8) 4,9 : 7 = (0,7) 6,3 : 9 = (0,7) 2 Getalbegrip Wat is de 7 waard in de volgende getallen? 17 (7), 172 (70), 7000 (7000), 0,7 ( ), 0,70 ( 10 ), 0,07 ( ) 100 7% ( deel), buslijn 7 (Deze bus rijdt een vast traject.) 7 als bijzonder getal (7 dagen in een week, de 7 wereldwonderen, de 7 zeeën, enzovoort.) 7 als geluksgetal (7 wordt het meest gegooid met 2 dobbelstenen.) 3 Optellen met kommagetallen 3,6 + 6,4 = (10) 28,6 + 1,3 = (29,9) 3,2 + 5,8 = ( 9) 34,5 + 3,2 = (37,7) 5,5 + 7,5 = (13) 56,2 + 8,3 = (64,5) 12,3 + 7,7 = (20) 78,1 + 5,2 = (83,3)
25 Alles telt Handleiding 8 25 Waar gaat deze les over? In deze les wordt een uitstapje naar de Romeinse cijfers gemaakt. De leerlingen gaan bekijken waar die cijfers voorkomen. (Als cijfer op een klok, jaartal op een huis of nummering in boeken, maar ook bij koningen, zoals Lodewijk XIV.) Ze leren met Romeinse cijfers getallen te maken en zullen ontdekken dat het op een andere manier gaat dan bij ons positiesysteem. Vervolgens gaan ze deze getallen in Romeinse cijfers ordenen en plaatsen op een getallenlijn. Ten slotte gaan ze ermee rekenen, wat ook heel anders blijkt te gaan. Taal en rekenen Taaltip Leg uit waar de Romeinse cijfers vandaan komen. Het ontstaan van die cijfers ligt bij de Etrusken, een volk dat vóór de Romeinen in Italië leefde. De Etrusken telden door streepjes in een stok te kerven. 1 was I en 2 was II, enzovoort. Een soort turven dus. Elk vijfde streepje werd dubbel gekerfd, bijvoorbeeld als een V. Elk tiende streepje werd als twee gekruiste kerven gemaakt, waaruit de X ontstond. Ook voor de getallen 50, 100, 500 en 1000 bedachten de Etrusken tekens, die later uitgroeiden tot de L (voor 50), de C (voor 100), de D (voor 500) en de M (voor 1000). Rekenwoorden Cijfer Getal Romeinse cijfers Arabische cijfers Lastige woorden Gevel Jongste (in verband met de leeftijd van huizen) Oudste (in verband met de leeftijd van huizen) à (per stuk) Bezet (van hotelkamers)
26 26 Blok 4 Les 11 en 12 Lesverloop van les 11 C1 C2 Wat betekenen ze allemaal? Romeinse cijfers Bespreek samen de plaatjes bij de opgave. Vertel dat Romeinse cijfers al meer dan 2000 jaar oud zijn. Waarop komen ook vaak Romeinse cijfers voor? (Op klokken en horloges.) Welke cijfers kennen jullie al? Schrijf alle (hoofd)letters I, V, X, L, C, D en M met hun vaste waarde op het bord: I - 1, V - 5, X - 10, L - 50, C - 100, D - 500, M Laat het jaartal op het huis bekijken. Vraag de leerlingen of ze het getal kunnen ontcijferen. (1609) Vertel dat de optelling van alle waarden het getal aangeeft. Maar er is een uitzondering: elke letter komt hoogstens drie keer naast elkaar voor. Dus geen VIIII voor 9, maar IX (10 1). Het kleinere cijfer komt dan voor het grotere cijfer te staan. Zoek er samen nog een paar op. (Geen XXXX, maar XL (50 10) en geen DCCCC, maar CM ( ).) Bekijk het spreekwolkje en laat de leerlingen raden wat juist is. Vertel dan dat er afspraken zijn voor de schrijfwijze. MIM, IC en VC worden niet gebruikt. Vraag welk getal bij plaatje c op het boek staat. (24) Oefen samen nog even met het ontcijferen van een paar Romeinse getallen. Het getal bij plaatje a is een grapje. Als het een Romeins getal was, wat zou het dan zijn? (60) Maar wat als de jongen een shirt in maat M pakt? En in S? Ter informatie: het Romeinse systeem is additief (optelsom van de symbolen) zodat een C altijd 100 is in tegenstelling tot ons positiesysteem (plaatswaardesysteem). Tip: vraag eens waar onze cijfers vandaan komen. (Van Arabische cijfers.) Zet de Romeinse getallen op volgorde. Romeinse getallen Vertel dat de Romeinen de 0 niet kenden, ze hadden er in elk geval geen teken voor. Bij een getal niets optellen levert niks meer op! Zet samen de getallen op volgorde. C3 Schrijf de jaartallen van 2000 tot en met 2015 op in Romeinse cijfers. Romeinse getallen Laat deze opgave zelfstandig maken op een getallenlijn in het schrift. C4 Schrijf deze getallen in Romeinse cijfers. Romeinse cijfers Laat ook deze opgave eerst zelfstandig maken. Bespreek hierna opgave 3 en 4 samen. C5 Hoe pak je dit aan? Romeinse cijfers Probeer samen deze opgave te maken. Het vermenigvuldigen met XL is heel lastig omdat de X voor de L staat. Eerst vermenigvuldigen met L (50) en daarna X maal het vermenigvuldigtal XXV aftrekken. XXV met LX vermenigvuldigen is wel te doen: alle zes producten (X x V = L, X x X = C, enzovoort) opschrijven en optellen. Twee Romeinse getallen vermenigvuldigen is dus erg omslachtig. Het werd vroeger wel gedaan. Nu hebben we een ander positiesysteem, waarin de 0 heel goed past.
27 Alles telt Handleiding 8 27 Aandachtspunten bij les 12 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Let op: aftrekken als er een kleiner cijfer voor een groter staat. 2 Wijs erop dat er nooit meer dan drie gelijke tekens achter elkaar staan. 3 Laat rekenen op de gewone manier en dan weer terugvertalen naar Romeinse cijfers. 4 Controleer of de leerlingen weten wat bezet betekent. Vraag d en e: de aantallen zijn afgerond op 10%. Het hoeven dus niet precies 80 respectievelijk 8 kamers te zijn. Zijn er leerlingen die dit opmerken? werkschrift blz Alle jaartallen beginnen met MD, dus om vraag a en b te beantwoorden, hoeven de leerlingen alleen te kijken naar de cijfers die daarna komen. 2 Laat ook de jaartallen bij de streepjes zetten. 3 Bekijk wie de kommagetallen 10 of 100 x groter maakt. maatschrift blz. 44 en 45 1 Hier alleen een kennismaking met de Romeinse cijfers. De ingewikkelder getallen met voorplaatsing, zoals XC, komen niet aan de orde. 2 Laat de leerlingen een beetje schatten ligt heel dicht bij Laat de leerlingen eventueel opgave b cijferend uitrekenen. 4 Controleer of de leerlingen het woord periode kennen. Aftrekken of aanvullen? 5 Bekijk of de leerlingen de grafi ek begrijpen en kunnen aflezen. 6 Wijs erop dat de prijzen goed ingetoetst moeten worden. Bekijk of de leerlingen doorhebben dat heel afwijkende antwoorden, bijvoorbeeld boven 50, niet kunnen kloppen. 7 Zien de leerlingen het patroon en maken ze daar gebruik van? Observatie en extra hulp Teken een klok met Romeinse cijfers en laat de leerlingen de tijd aflezen. Als ze dit beheersen, is de basiskennis over dit onderwerp voldoende. Stap even uit de les Tweetallig stelsel (1) De computer en andere rekenmachines rekenen met het tweetallig stelsel. Ze hebben alleen de cijfertekens 0 en 1. Laat de leerlingen daarmee tellen: 0, 1, 10, 11, 100, 101, 110, 111, Zeg niet tien bij 10, maar één-nul en niet honderd bij 100, maar één-nul-nul. Wat zeg je bij 101? (één-nul-één) En bij 1010? (één-nul-één-nul) Bewaar deze telrij voor de volgende 'Stap even uit de les' (in de computer of achter op het bord). Afronding Ga nog even in op opgave 3 van het leerlingenboek. Hoe zouden de Romeinen dit uitgerekend hebben? Wat is het dubbele van XXV? (XXVXXV= XXXXX = L. Wij rekenen XXV = 25. Het dubbele is 50 = L.) Doe zo nog een paar andere sommen. Vertel bij werkschrift en maatschrift opgave 2 iets over de schilder Rembrandt en zijn beroemdste schilderij De Nachtwacht.
28 28 blok 4 les 13 en 14 Leerlijn Cijferend vermenigvuldigen Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof Schattend en cijferend vermenigvuldigen met en zonder kommagetallen Handig rekenen met kommagetallen Handig rekenen met de rekenmachine Oefenen Vierkeuzevraagstukken met breuken, kommagetallen en procenten Verdubbelen met kommagetallen Nieuwe stof Rekenen met geld op de rekenmachine Oefenen Telefoonkosten berekenen met de rekenmachine Tijdsduur berekenen Vermenigvuldigen en delen naar analogie Delen met en zonder rest Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 16 en 17 Werkschrift 8 blz. 37 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 46 en 47 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Eventueel: klokje 1 Gebroken sprongen Tel van 1 tot en met 5 in sprongen van 1 ( ) Tel van 2 tot en met 4 in sprongen van 1 ( ) Tel van 12 tot en met 14 in sprongen van 1. 4 ( ) Tel van 100 tot en met 120 in sprongen van ( ) 2 Tel van 200 tot en met 205 in sprongen van ( ) Getallen Dicteer de volgende getallen en laat daarna de cijfers oplezen ter controle. 234, 2156, , , , Restsommen Wat is de rest als je 134 deelt door: 11 (2), 12 (2), 13 (4), 14 (8), 15 (14), 16 (6), 17 (15), 18 (8), 19 (1), 20 (14) Wat is de rest als je 268 deelt door: 11 (4), 12 (4), 13 (8), 14 (2), 15 (13), 16 (12), 17 (13), 18 (16), 19 (2) Laat de leerlingen vertellen hoe ze aan het antwoord komen. Maatschrift 1 Schatten en uitrekenen met de rekenmachine Laat de onderstaande sommen schatten en daarna uitrekenen op de rekenmachine ( = 1500; 1410) ( = 1300;1375) ( = 1400; 1440) ( = 1500; 1690) ( = 6000; 5725) ( = 6000; 5750) ( = 6000; 5697) ( = 6000; 6250) 465 : 6 (480 : 6 = 80; 77,5) 412 : 5 (400 : 5 = 80; 82,4) 590 : 4 (600 : 4 = 150; 147,5) 666 : 9 (700 : 10 = 70; 74) Vermenigvuldigen met ,2 = (120) 100 1,25 = ( 125) 100 1,20 = (120) 100 0,24 = ( 24) 100 0,20 = ( 20) ,2 = (1220) 100 0,02 = ( 2) ,02 = (1202) 3 Delen door : 100 = (12 ) 12 : 100 = (0,12) 1500 : 100 = (15 ) 120 : 100 = ( 1,2) 122 : 100 = (1,22) 150 : 100 = ( 1,5 ) 15 : 100 = (0,15) 155 : 100 = ( 1,55)
29 Alles telt Handleiding 8 29 Waar gaat deze les over? In deze les wordt het cijferend vermenigvuldigen nadrukkelijk gekoppeld aan het schattend rekenen. Vooral het vermenigvuldigen met kommagetallen komt hierbij aan de orde. De rekenmachine wordt daarna ingezet als controlemiddel. Omdat deze stof te moeilijk is voor de maatschriftleerlingen, sluit het maatschrift niet echt aan bij de stof van het leerlingenboek. In plaats daarvan is er in het maatschrift extra aandacht voor het goed kunnen gebruiken van de rekenmachine. Taal en rekenen Taaltip Het woord 'uitkomst' is bij het rekenen synoniem met 'antwoord'. Deze woorden worden door elkaar gebruikt. In het dagelijks taalgebruik heeft 'uitkomst' meerdere betekenissen. Bespreek met de leerlingen de volgende zinnetjes: Die antilekbanden zijn echt een uitkomst, ik heb nooit meer een lekke band! Met die uitkomst was de kaartspeler heel tevreden. De uitkomst van die som is 12. Rekenwoorden Uitkomst Lastige woorden Servicekosten Verzekering
30 30 Blok 4 Les 13 en 14 Lesverloop van les 13 C1 Wat is de uitkomst van ? Cijferen, schatten Bekijk samen met de leerlingen het denkwolkje. Is dat slim of niet? Laat ze andere mogelijkheden noemen om deze som te schatten. Bespreek, als de leerlingen er niet zelf mee komen, ook = , = = en is ongeveer ) Laat de som op het bord cijferend uitrekenen en de andere leerlingen meedoen op een blaadje. Let daarbij op de notatie, de beheersing van de tafels en de optellingen. Controleer samen het antwoord op de rekenmachine. C2 Wat is de uitkomst van 3,87 9,8? Cijferen, schatten Vraag de leerlingen hoe ze deze som zouden schatten. (3,87 is bijna 4 en 9,8 is bijna 10.) Laat een leerling de som cijferend uitrekenen op het bord en de andere leerlingen op een kladblaadje meedoen. (37,926) Waar komt de komma in het antwoord? (3 cijfers achter de komma.) Hoe weet je dat zeker? (Er moet ongeveer 40 uitkomen.) Vertel dat de uitkomst ook nog anders gecontroleerd kan worden. Laat dit eventueel zien op het bord: de cijfers zijn samen 18 en dat is deelbaar door 9. De som van de cijfers van het antwoord moet dan ook deelbaar zijn door 9. ( = 27 en dat is deelbaar door 9.) Als die som niet deelbaar is door 9, weet je zeker dat het antwoord fout is. Maar als de som wel deelbaar is door 9, weet je nog niet zeker dat het antwoord goed is! Er kunnen immers ook cijfers verwisseld zijn. Ten slotte een laatste mogelijkheid voordat de rekenmachine het overneemt: 10 3,87 0,2 3,87. Laat leerlingen die graag een stapje verder gaan met rekenen, op internet de negenproef opzoeken en deze toepassen op een aantal sommen. C3 Hoeveel is meer dan ? Cijferen, schatten Laat de leerlingen beide vermenigvuldigingen eerst zelfstandig maken. Bespreek daarna samen de cijfers in deze getallen. 46 en 64 verschillen in grootte evenveel als 375 en 357, namelijk 18, maar relatief gezien maakt het een groot verschil. Laat ook eens de sommen en uitrekenen. (En dat is toevallig, omdat eenheden en tientallen 2 verschillen.) C4 Welke som hoort hierbij? En wat komt eruit? Cijferen, schatten Bespreek met de leerlingen wat eerst moet worden uitgerekend. De regel: eerst vermenigvuldigen en dan optellen is hier van toepassing. Maak samen de opgave. Laat ze ook eens uitrekenen wat er uit komt. C5-6 Vergelijk deze sommen. Cijferen, schatten Bespreek en maak samen deze sommen om het inzicht te verbeteren.
31 Alles telt Handleiding 8 31 Aandachtspunten bij les 14 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Wijs erop dat er nauwkeurig gewerkt moet worden. 2 Bespreek wanneer wel en wanneer geen 0 achter de komma moet komen. Bij meten is 38,0 nauwkeuriger dan 38. Maar bij schoenmaten zeg je niet 38,0, maar gewoon Controleer of de leerlingen weten wat servicekosten zijn. 4 Let op bij d: 14,40 is nauwkeuriger dan 14,4! 5 Wijs op de verschillende soorten bewerkingen. werkschrift blz Wijs bij d op de plaats van de komma. Laat eerst het antwoord schatten! 2 Oefening van tafelkennis, onthouden bij vermenigvuldigen en optellen. Het gaat hier om een reconstructie van verschillende vermenigvuldigingen. 3 Laat de leerlingen zelf ontdekken hoe dit in elkaar zit. Het is een opgave met een natuurlijke differentiatie. 4 De antwoorden zijn te vinden door op te tellen of door te vermenigvuldigen met 2. maatschrift blz. 46 en 47 1 Besteed in deze les extra aandacht aan het correct intoetsen op de rekenmachine. 2 Bespreek welke som de leerlingen moeten maken. Hoe toets je 0,90 in? (.90 of, nog korter:.9) 3 Vraag of de leerlingen weten wat een verzekering is. 4 Controleer of duidelijk is dat de monteur 5 kwartier heeft gewerkt. (5 12,50) 5 Wijs op het handig berekenen van de prijs (62 min. is min.). 6 Laat aanvullend rekenen. Bijvoorbeeld bij 2: De begintijd is en de eindtijd Van naar is 1 uur en dan nog 25 minuten. Eventueel een klokje of tijdlijn gebruiken. 7 Wijs op het gebruikmaken van het verband tussen de sommen. 8 Ook hier kan de ene som de leerling helpen bij de andere sommen. Observatie en extra hulp Bekijk of alle leerlingen goed schatten. Oefen met de leerlingen die dat nodig hebben nog de sommen van leerlingenboek les 13 opgave 1, 2 en 3. Waarom is ? Was ook goed geweest? Kan 3,87 9,8 ook met 4 9? Kijk eens naar de uitkomst. Stap even uit de les Tweetallig stelsel (2) Bespreek het tweetallig stelsel. Stel de volgende vragen: Wie weet nog hoe je met alleen 0 en 1 kunt tellen? Spreek uit: nul, één, één-nul, éénéén, enzovoort: 0 (0), 1 (1), 2 (10), 3 (11), 4 (100), 5 (101), 6 (110), 7 (111), 8 (1000), 9 (1001) Om je eigen leeftijd (bijvoorbeeld 12) in dit stelsel te weten te komen, zou je gewoon door kunnen tellen. Maar het kan ook anders. Zet eerst ons gewone getallenstelsel eronder. Wat ontdek je? Juist, onder de 10 staat 2, onder de 100 staat 4 en onder de 1000 staat 8. Dus wat staat er onder de ? 16 (en dat is ). Nu je leeftijd: 12, dus in ieder geval heb je een 8 nodig (dus 1000). Nu houd je nog 4 over en dat is 100. Samen is dat 1100 en dat is dus je leeftijd. (Oud hè?) Afronding Bespreek werkschrift opgave 3. Ga elke stap na met de som = = (8 7) + 8 en (8 7) (7 7) = 1 7. Totaal = 15. Herhaal dit met = 23 1; (12 12 = (12 11) + 12 en (12 11) = 1 11) De getallen in de som hierboven verschillen steeds 10. Analoog met zeggen we hier = ( ) 10 = Ga bij maatschrift opgave 1 en 2 na of de leerlingen alles correct intoetsen. En hoe vlot gingen opgave 7 en 8?
32 32 blok 4 les 15 herhalen en oefenen Leerlijn Getalrelaties en getalbegrip Cijferend vermenigvuldigen Leerdoelen Nieuwe stof Romeinse cijfers Schattend en cijferend vermenigvuldigen met en zonder kommagetallen Vermenigvuldigen op de rekenmachine Oefenen Breuken op de getallenlijn Contextsommen met verhoudingen Deelsommen met breuken Schatten totaalprijs boodschappen Nieuwe stof Romeinse cijfers Rekenen met jaartallen Tijdbalk maken Rekenen met geld op de rekenmachine Oefenen Contextsommen met geld Breuken, kommagetallen en procenten vergelijken Breuken als deel van een geheel Percentages berekenen Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Sliertsom (1) = (144 ) 4 25 = (100 ) 1,2 12 = ( 14,4 ) 0,4 25 = ( 10 ) 1,2 1,2 = ( 1,44) 0,4 2,5 = ( 1 ) 2,4 1,2 = ( 2,88) 0,4 0,25 = ( 0,1 ) 2,4 2,4 = ( 5,76) 0,04 0,25 = ( 0,01) 2 Sliertsom (2) 5,76 : 2,4 = ( 2,4) 0,01 : 0,25 = (0,04) 57,6 : 24 = ( 2,4) 0,1 : 2,5 = (0,04) 576 : 24 = (24 ) 1 : 2,5 = (0,4 ) 144 : 24 = ( 6 ) 1 : 25 = (0,04) 144 : 12 = (12 ) 100 : 25 = (4 ) Maatschrift 1 Optellen met kommagetallen 1,36 + 1,64 = ( 3) 2,56 + ( 2,44) = 5 3,26 + 6,74 = (10) 8,91 + ( 1,09) = 10 7,68 + 7,32 = (15) 13,99 + ( 1,01) = 15 12,65 + 7,35 = (20) 7,89 + (12,11) = 20 2 Aftrekken met kommagetallen 1,36 0,36 = ( 1) 2,26 1,16 = ( 1,10) 3,26 1,26 = ( 2) 8,91 6,90 = ( 2,01) 7,68 5,68 = ( 2) 13,99 3,90 = (10,09) 12,65 1,65 = (11) 7,89 2,68 = ( 5,21) Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 18 en 19 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 48 en 49 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware
33 Alles telt Handleiding 8 33 Aandachtspunten bij les 20 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 18 en 19 1 Stimuleer deze opgave te maken zonder de vertaling naar gewone getallen. 2 Ook hier is die vertaling vaak niet echt nodig. (10 erbij is een X erbij. Wijs er nogmaals op dat er nooit meer dan drie gelijke tekens achter elkaar mogen staan.) 3 Bekijk wie dit eerst schattend kan oplossen. 4 Wijs op het plaatsen van de komma en het logisch redeneren bij b en c. 5 Let op dat vermenigvuldigen voorgaat boven optellen en aftrekken! Laat eerst schatten en hoofdrekenen. 6 Laat eerst kijken naar de verdeling van de getallenlijn. 7 Bij b euro opdelen in tien gelijke delen. ( 6 10 (groente) 4 (fruit) = 2 = 1 ) Pas op bij delen door een breuk! 9 Naar boven afronden op hele euro s is de veiligste manier. maatschrift blz. 48 en 49 1 Geen basisstof, maar wel een leuke puzzel. 2 Geef aan dat aanvullen het makkelijkst rekent. 3 Mooi om te zien wat leerlingen van deze leeftijd belangrijk vinden. 4 Wijs op het tabelletje met de verschillende tarieven. 5 Controleer of de leerlingen weten wat voorrijkosten zijn. Wijs erop dat de tarieven per 15 minuten zijn. 6 Cijferend laten uitrekenen met of zonder hulpsommen, maar voor sommige leerlingen is de rekenmachine de enige oplossing. 7 Laat eventueel alles op een getallenlijn zetten om de verschillende soorten getallen te kunnen vergelijken. 8 Laat de tekst goed lezen. Het is een herhaling van elementair breukenbegrip. 9 Eerst overal 1% van uitrekenen en dan het grotere percentage. Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 4 < Opgave 2 16 < Opgave 3 8 < Opgave 4 4 < Opgave 5 8 < Opgave 6 4 < Opgave 7 3 < Opgave 8 20 < Opgave 9 4 < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 12 < Opgave 2 6 < Opgave 3 * Opgave Opgave Opgave 6 4 < Opgave 7 5 < Opgave 8 4 < Opgave 9 7 < * Ter beoordeling van de leerkracht.
34 34 blok 4 les 16 en 17 Leerlijn Verhoudingen Lengte en omtrek Oppervlakte Leerdoelen Nieuwe stof Papierformaten (A0 tot en met A10) Papiergewichten Afmetingen van enveloppen Een vierkant steeds verder in kwarten verdelen Oefenen Rekenen in rekendriehoeken Cijferend optellen Snelheden van vogels grafi sch weergeven Getallenreeksen voortzetten Nieuwe stof Papierformaten (A4 tot en met A7) Een vierkant steeds verder halveren Oefenen Kommagetallen op de getallenlijn Handig vermenigvuldigen Optellen en aftrekken tot en met 100 Omtrek en oppervlakte berekenen door fi guren op schaal te meten Omtrek en oppervlakte berekenen in een tabel Breuken en procenten vergelijken Getallen zoeken die samen 1000 zijn Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 20 en 21 Werkschrift 8 blz. 38 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 50 en 51 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware A4-papier Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Omrekenen van maten Hoeveel meter is: Hoeveel gram is: Hoeveel liter is: 1 km (1000 m) 1 kg (1000 g) 1 dm 3 (1 l) 12 hm (1200 m) 20 kg ( g) 12 hl (1200 l) 160 km ( m) 1 ton ( g) 20 cl (0,2 l) 12 dm (1,2 m) 0,002 kg (2 g) 1200 ml (1,2 l) 3400 cm (34 m) 0,45 ton ( g) 80 cc (0,08 l) 2 Kommagetallen 0,2 + 0,8 = (1 ) 0,1 0,1 = (0,01) 0,12 + 0,88 = (1 ) 1 0,02 = (0,02) 1,34 0,36 = (0,98) 0,3 0,8 = (0,24) 3,23 2,25 = (0,98) 0,6 : 0,2 = (3 ) 0,36 + 1,65 = (2,01) 0,6 : 2 = (0,3 ) 3 Grote getallen Dicteer de volgende getallen en laat daarna de cijfers oplezen ter controle Maatschrift 1 Getalbegrip Wat is de 5 waard in de volgende situaties? Buslijn 5 (Een buslijn die een bepaalde vaste route rijdt.) 5 euro (500 cent) 5 jaar (5 omwentelingen van de aarde om de zon.) 5 km (5000 m) 5 ha (500 are) Kerklaan 5 (Adres tussen Kerklaan 3 en Kerklaan 7.) Windkracht 5 (Vrij krachtige wind, windsnelheid 8 10 m/sec.) 2 Metriek stelsel Maak er meters van: Maak er km van: Maak er liters van: 300 cm (3 m) 3000 m (3 km) 1000 ml (1 liter) 320 cm (3,2 m) 3200 m (3,2 km) 1200 ml (1,2 liter) 324 cm (3,24 m) 3240 m (3,24 km) 1250 ml (1,25 liter) 34 cm (0,34 m) 340 m (0,34 km) 350 cl (3,5 liter) 2 cm (0,02 m) 20 m (0,02 km) 20 dl (2 liter) Zet de drie stelsels eens naast elkaar en vergelijk. Zien de leerlingen de overeenkomsten? Noem nog een keer de betekenis van kilo (1000), hecto (100), deca (10), deci ( ), centi ( 100 ) en milli ( ). 1000
35 Alles telt Handleiding 8 35 Waar gaat deze les over? In deze les gaan de leerlingen een aantal A-formaten van vellen papier bekijken. Een A4 tje zullen de meesten wel kennen, maar de overige formaten (in deze les: A0 tot en met A10) nog niet. Bij het dubbelvouwen van de vellen zullen de leerlingen ontdekken dat de verhouding tussen de zijden gelijk blijft en de breedte van bijvoorbeeld een A4 de lengte van een A5 wordt. Ook wordt ingegaan op het gewicht van papier. Vervolgens komen de afmetingen van enveloppen aan de orde en worden steeds kwarten uit een vierkant gehaald. Taal en rekenen Taaltip Het woord formaat is misschien niet bij alle leerlingen bekend. Ga met de leerlingen de volgende zinnetjes na: Het formaat van dit papier is A4. Heb je die moeilijke sommen al af? Dat is een prestatie van formaat!. Ik zoek een klein formaat televisie. Rekenwoorden Verhouding Lastige woorden A-formaten Chemicus
36 36 Blok 4 Les 16 en 17 Lesverloop van les 16 C1 C2 Reken met A-formaten. Verhoudingen Bekijk en bespreek samen de twee vellen papier met de verdelingen in A-formaten. Het linkervel wordt steeds vanuit de linkerbovenhoek gehalveerd, terwijl het rechtervel telkens wordt dubbelgevouwen. Vraag waar en hoe je kunt zien dat de verhoudingen van de papierformaten gelijk blijven. (Op het linkervel is dit te zien aan de diagonale lijn, waar telkens twee hoekpunten op liggen.) Wat is een A4 tje? Geef twee leerlingen samen 2 A4 tjes. Laat ze een A4 tje vier keer halveren en precies doorknippen (A5, A6, A7 en A8). Vraag ze vervolgens een diagonale lijn te trekken (zie linkerfi guur) op het tweede A4 tje en de geknipte formaten erop te leggen. Komen de hoekpunten precies tegen de lijn? Vraag ook de lengte en breedte van het A4 tje op te meten. Controleer samen de verhouding met het rekenmachientje: 297 mm : 210 mm = 1,4142. Hoe kwam die Duitse chemicus aan 1, ? Laat dit op een rekenmachientje controleren. (Bij de Wescal: druk op het teken onder OFF en daarna op de 2; druk dan op het =-teken. Bij andere rekenmachientjes eerst 2 intoetsen en dan ( ). Het antwoord is 1, = 2. Wat is de breedte van een A0? (4 21 cm = 84 cm). En de lengte? (4 29,7 = 118,8 cm) Wat is dus de oppervlakte? (84 118,8 = 9979,2 cm 2 = afgerond 1 m 2 ) Laat ten slotte kaarten, posters en dergelijke verzamelen en controleer of ze een van deze A-formaten hebben. Hang ze, eventueel met een A-formaat erop geschreven, in volgorde van grootte op het prikbord. Doe niet meer dan de groep aankan. Het meetkundig aspect verdient meer aandacht dan het rekenaspect. Wat is er hetzelfde bij een A4 tje en een A5 je? Verhoudingen Laat de leerlingen dit zelfstandig uitvoeren. Een kwestie van vouwen, knippen en vergelijken. Bespreek samen het antwoord. C3 Wat betekent 80-grams papier? Verhoudingen Vertel dat 80-grams papier betekent dat 1 m 2 van dat papier 80 gram weegt. Hoeveel weegt een A0-vel dus? (80 gram) Hoeveel velletjes A4-papier heb je nodig om 80 gram te krijgen? (16) Hoeveel weegt een A4 tje van 80-grams papier? (5 g) En hoeveel weegt een pak van 500 vel?(500 5 g = 2,5 kg)
37 Alles telt Handleiding 8 37 Aandachtspunten bij les 17 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Elk formaat is qua oppervlakte steeds de helft van het formaat daarboven. Zijn er leerlingen die de fout maken om steeds lengte en breedte te halveren? 2 Controleer of het formaat van een A1 tje bekend is. 3 Zien de leerlingen het verband met de A-formaten? 4 In de rekendriehoek bij d is de som van de drie getallen de helft van (1110). Als je daar 777 van aftrekt, krijg je het antwoord linksonder, enzovoort. 5 Bekijk of dit nu bij alle leerlingen vlot en probleemloos gaat. werkschrift blz De differentiatie zit vooral in het precieze tekenen en de notatie in kommagetallen. 2 Wijs op de sprong van A7 naar A9. Hier mag afgerond worden op 1 decimaal. Weten de leerlingen nog dat 1 mg is van 1 g?. 3 Bekijk of de leerlingen de vogels herkennen (eend, buizerd, zwaan, zwaluw en spreeuw). 4 Bij opgave c is elk volgend getal anderhalf keer zo groot. maatschrift blz. 50 en 51 1 Het gaat vooral om het meten, maar bespreek ook wat er met de vorm gebeurt. (Steeds kleiner, maar toch dezelfde vorm.) 2 Wijs erop dat het de bedoeling is om eerst het vierkant te halveren tot twee rechthoeken, dan een van die rechthoeken te halveren tot twee vierkanten, enzovoort. 3 Indien nodig alle getallen bij de streepjes laten plaatsen. 4 Laat een leerling het spreekwolkje verwoorden. 5 Wijs erop dat de laatste twee rijtjes aftreksommen zijn. Eventueel splitsend rekenen. 6 Controleer of de leerlingen nog weten dat l b = oppervlakte. Van fi guur b twee rechthoeken laten maken. 7 Laat eventueel een vierkant tekenen voor de laatste opgave. De leerlingen begrijpen dan dat een vierkant gelijke zijden heeft en de omtrek, voor de lengte van een zijde, door 4 moet worden gedeeld. 8 Laat eventueel eerst alle breuken in procenten schrijven. 9 Pas op: er zijn ook combinaties in dezelfde rij. Observatie en extra hulp Geef leerlingen die nog moeite hebben met de A-formaten een vel A4. Laat daar, door dubbelvouwen, A5, A6, A7 en A8 van maken. Laat de formaten er met viltstift inschrijven. Stap even uit de les Twee moppen Vertel de volgende twee moppen en laat de leerlingen de clou uitleggen. Een bioloog, een wiskundige en een logicus (dat is iemand die heel logisch en precies redeneert) rijden in de trein door Schotland en ze zien een zwart schaap. De bioloog: Hé, de schapen hier zijn zwart! De wiskundige: Nee, je bedoelt: er is minstens één zwarte schaap in Schotland. De logicus: Nee, we weten alleen dat er minstens één schaap is dat aan één kant zwart is en misschien aan de andere kant ook! Een bioloog, een natuurkundige en een wiskundige staan voor een huis. Na een poosje gaan er twee mensen naar binnen en daarna komen er weer drie uit. De bioloog: Dat lijkt me een duidelijk geval van voortplanting. De natuurkundige: Ik denk dat het een meetfout is. De wiskundige: Als er nu nog iemand naar binnengaat is het huis leeg. Afronding Bespreek werkschrift opgave 1. Begrijpen de leerlingen dat de oppervlakte kwadratisch afneemt? Vergelijk de snelheden van de vogels bij opgave 3 met fi ets (20 km/u) en auto (50 km/u in de bebouwde kom en 120 km/u op de snelweg). Controleer of maatschrift opgave 4 nog problemen gaf. Maak de handige regel nog eens duidelijk met het rechthoekmodel. Als leerlingen dit echt niet begrijpen, is splitsend rekenen (3 39 = = ) de oplossing.
38 38 blok 4 les 18 en 19 Leerlijn Procenten Gewicht Leerdoelen Nieuwe stof Samenstelling van supermarktproducten aflezen en berekenen Percentages en de hoeveelheden van de samenstellingen bepalen Percentages op de getallenlijn plaatsen Percentages omrekenen in kommagetallen Percentages inkleuren in potten Oefenen Inhoudsmaten herleiden Afstanden ordenen Kommagetallen in vermenigvuldigtabel Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Schatten Schat (zonder te rekenen) welke uitkomst goed is = = 356 x 256 = : 178 = (10 060) (8695) (91 136) (712) 2 Buurgetallen Wat zijn de buurgetallen van? (244) 245 (246) (34 566) (34 568) (22 999) (23 001) ( 1) 0 (1) Let op de uitspraak van de getallen. Maatschrift Nieuwe stof Percentages suiker berekenen in jam Percentages van geldbedragen berekenen Percentages berekenen met de 1%-regel Oefenen De maten km en m splitsen Afstanden en inhouden ordenen Breuken optellen Vermenigvuldigen met breuken Positiewaarde van cijfers in kommagetallen Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 22 en 23 Werkschrift 8 blz. 39 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 52 en 53 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Verschillende potjes jam Eventueel: meetlint, bal (bijvoorbeeld een voetbal), stuk touw van ca. 2 meter 1 Waar of niet waar? Lees de volgende uitspraken voor en vraag of ze waar of niet waar zijn: Een schrikkeljaar heeft 357 dagen. (niet waar) 33% is precies 1 3.(niet waar) is meer dan 6. (niet waar) 1346 is deelbaar door 3. (niet waar) 23 spinnen hebben 184 poten. (waar) Er wonen 15 miljoen mensen op de wereld. (niet waar) De oppervlakte van de stad Groningen is 2000 dm 2. (niet waar) 2 Op de klok Laat de leerlingen een klok tekenen met bij ieder heel uur een stip. Laat ze een lijn trekken van 1 naar 2, van 2 naar 3, enzovoort. Hoeveel lijnen zijn het? (12) Nu een nieuwe klok: trek vanuit 1 lijnen naar alle andere punten. Hoeveel lijnen zijn het? (11) De laatste klok: trek vanuit ieder punt lijnen naar ieder ander punt. Hoeveel lijnen zijn het? (12 11 : 2 = 66) Toelichting: er zijn 12 punten en vanuit elk punt kun je 11 lijnen trekken naar de andere punten. Dat zijn er = 132. Maar nu is elke lijn dubbel gerekend, dus zijn het er 66.
39 Alles telt Handleiding 8 39 Waar gaat deze les over? In deze les gaan de leerlingen de inhoud van supermarktproducten, zoals jam, melkproducten en mayonaise onderzoeken. Het percentage suiker en vruchten in jams wordt berekend en vergeleken. Ook wordt bekeken hoeveel gram vet er in chips, mayonaise en melkproducten zit. Ten slotte oefenen de leerlingen met het omzetten van procenten in kommagetallen. Taal en rekenen Taaltip N.v.t. Rekenwoorden Rekenstrook Lastige woorden Marmelade
40 40 Blok 4 Les 18 en 19 Lesverloop van les 18 C1 C2 Hoeveel zit erin? Percentages Bespreek de inhoud van de pot marmelade bij de opgave en van de meegebrachte jam. Vertel en laat zien dat het aandeel suiker of vruchten per 100 gram wordt aangegeven. Dat is ook de kracht van de omrekening naar percentages. Vraag de leerlingen hoe ze te werk gaan bij het berekenen van procenten. (De 1%-regel, rekenmachine, cijferend of uit het hoofd.) Als de marmelade bereid is met 25 g vruchten per 100 g, hoeveel procent is dat dan? ( 1 4 = 25%) Hoeveel procent suiker zit er in de marmelade? (66%) Het hoeveelste deel is dat? ( 2 3 ) Ga even in op de grote hoeveelheid suikers. Vertel dat zelfs de niet-zoete jams nog bijna voor de helft (45%) uit suikers bestaan. Een deel van die suikers komt uit de vruchten. Laat eens een papieren rekenstrook inkleuren waarop de vruchten en de suikers te zien zijn. Bereken ten slotte samen hoeveel gram vruchten de hele pot marmelade bevat (112,5 g) en hoeveel gram suiker erin zit. (297 g, bijna 1 kg!) 3 Maak rekenstroken bij de sommen. Percentages Bespreek de manier van rekenen. Hoe reken je op de rekenmachine 45% van 218 uit? (Meteen 0, intoetsen. Het is raadzaam deze manier aan te houden.) Bekijk vervolgens samen de getallenlijn. (Het verband tussen de procenten met de getallen tussen 0 en 1.) Hierop is duidelijk te zien dat 3% 0,03 is. Laat de leerlingen vervolgens rekenstroken maken bij de sommen en aan de hand van hun rekenstroken de percentages op de rekenmachine uitrekenen. Bekijk samen de antwoorden en enkele getekende stroken. C3 Reken uit. Percentages Laat de leerlingen de inhoud van het blikje kattenvoer zelfstandig berekenen. Dat kan cijferend (0,04 85 g), maar ook uit het hoofd. Bespreek de antwoorden en de hoeveelheid vocht in zo n blikje. C4 Welke jam is zoeter? Percentages Lees en bespreek eerst samen opgave a en bepaal daarna de strategie. Er moet hier een omrekening naar procenten worden gemaakt. Vraag wat meer is: of 400? Laat, om deze vraag te beantwoorden, er decimale getallen van maken op de rekenmachine. (0,5556 en 0,5625) Welke percentages horen erbij en hoe rekenen we dat uit? (55,56% en 56,25%) De b-opgave is eenvoudiger, maar welke leerling grijpt direct naar het rekenmachientje? Wie wat beter kijkt, zie meteen dat 225 g de helft is van 450 g, dus 50%. De andere pot is nog gemakkelijker: 65 g is natuurlijk 65% van 100 g.
41 Alles telt Handleiding 8 41 Aandachtspunten bij les 19 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Veel antwoorden zijn uit vorige af te leiden. Volg de werkwijze van de leerlingen of laat ze notities (opmerkingen) maken tijdens het maken van deze opgave. 2 Stimuleer de leerlingen om de berekening bij a uit het hoofd te maken, bij b en c is de rekenmachine handig. 3 Laat de vragen goed lezen. Alles is per 100 ml aangegeven. 4 Wijs erop dat de tweede som bij c moet worden afgerond. werkschrift blz Geef eventueel nog eens aan dat procent per 100 betekent. 2 Laat alles omrekenen naar 10 cm, dan is het percentage bekend. 3 Geef aan dat bij even grote afstanden ze zelf mogen bepalen welke eerst komt. 4 Wijs op de onderlinge verhoudingen (10x, 100x of 20x zo klein). maatschrift blz. 52 en 53 1 Laat goed naar de getallen kijken, dan zijn de breuk en het percentage wel te zien. 2 Een herhaling van basale stof. Controleer of de leerlingen nog weten dat 50% 1 2 deel is, enzovoort. 3 Nog eens oefenen met de 1%-regel. 4 Wijs op het spreekwolkje. Begrijpen de leerlingen dat bij a het cijfer achter de komma staat voor cm (steeds een tiental) en bij b voor m (steeds een honderdtal)? 5 Laat eerst overal m of l van maken. 6 De vaten dienen hier als model. 1 7 Bespreek nog even wat 4 deel betekent (delen door 4). 8 Laat eventueel invullen in een DHTE,thd-schema. Afronding Bespreek welke berekening de leerlingen bij werkschrift opgave 2 hebben gemaakt. Vraag of ze bij opgave 3 de maten hebben omgerekend. Ga bij maatschrift opgaven 1, 2 en 3 na hoe de leerlingen hebben gerekend. Laat ze hun oplossingen verwoorden. Observatie en extra hulp Kijk wie nog fouten maakte bij leerlingenboek les 19 opgave 1. Observeer welke sommen uit het hoofd kunnen en welke met de rekenmachine. Hoe reken je 19% uit? (19 x en dan : 100.) Stap even uit de les Voer met de leerlingen het volgende experiment uit. Meet met een meetlint de omtrek van een voetbal. Neem nu een stuk touw en knip daarvan een stuk af dat net zo lang is als de omtrek van de bal plus 1 meter. Als we dit touw rondom de bal houden, hoeveel cm zit er dan tussen de bal en het touw? (Schrijf een paar antwoorden op het bord.) Houd nu met z n allen het touw rondom de bal, waarbij de afstand tussen touw en bal overal even groot is. Wat is de afstand? De uitslag is heel verrassend: ongeveer 16 cm! In gedachten voeren de leerlingen nu hetzelfde experiment uit met een touw om de aarde. Hoeveel cm zit er dan tussen de aarde en het touw? (Schrijf een paar antwoorden op het bord.) De leerlingen hebben al eerder ontdekt dat de omtrek van een bol (en daar gaat het hier om) 3,14 de middellijn is. Neem nu de bal. Die heeft een omtrek van laten we zeggen 63 cm. De middellijn is dus 63 : 3,14 = 20,06 cm, afgerond 20 cm. De omtrek van de cirkel van touw is 163 cm en de nieuwe middellijn is dus 163 : 3,14 = 51,91 cm, afgerond 52 cm. Er is dus 32 cm bijgekomen; aan één kant is dat 16 cm en dat zit m in de 100 cm die het touw langer is geworden. Dat is precies zo bij de aarde. De omtrek van de aarde is km, dus m. De middellijn is dus : 3,14 = ,50 m. Wat zijn de cijfers achter de komma? (De centimeters.) De omtrek van het touw is 1 m groter. De middellijn is dus : 3,14 = ,82 m. Wat is het verschil? (32 cm) Wat is dus de afstand tussen de aarde en het touw? (16 cm, net als bij de bal!)
42 42 blok 4 les 20 herhalen en oefenen Leerlijn Verhoudingen Lengte en omtrek Oppervlakte Procenten Leerdoelen Nieuwe stof Papierformaten (A0 tot en met A10) Contextopgave met vermenigvuldigen en procenten Kommagetallen omrekenen in percentages Oefenen Temperatuurverschillen en gemiddelde temperatuur berekenen Gemiddelde berekenen, ook met kommagetallen Middellijn en omtrek van cirkels meten of berekenen Rekenen met dollars en ponden Nieuwe stof Een vierkant steeds verder halveren Percentages berekenen Sommen bedenken met korting, schaal, gewicht en verhouding Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Wat is groter: 3 25 of 2 37? (3 x 25) 8 km of 8001 m? (8001 m) 0,645 of 0,9? (0,9) 0,710 of 0,71? (even groot) 9 of 0,3 : 0,03? (0,3 : 0,03, want dat is 10) 2 Percentages Bereken de volgende percentages uit het hoofd: 5% van 20 (1), 200 (10), 100 (5), 150 (7,5) en 300 (15) 25% van 20 (5), 100 (25), 50 (12,5), 150 (37,5) en 300 (75) 75% van 100 (75), 200 (150), 20 (15), 10 (7,5) en 30 (22,5) Maatschrift 1 Grapje Geef de volgende sliertsom: = (8) : 2 = (4) 56 = (224) 24 = (200) = (481) x 0 = (0) 2 Raar maar waar = ( = (5 1 3 Hoe kan dat? Hoe kan dat? ) 3 ) 3 Oefenen Rekenen met kommagetallen Positiewaarde van cijfers in kommagetallen Vierkeuzevraagstukken over gewicht Tijdsduur berekenen Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 24 en 25 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 54 en 55 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware
43 Alles telt Handleiding 8 43 Aandachtspunten bij les 20 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 24 en 25 1 Wijs op de opgegeven maten van een A4 tje om de verhouding te berekenen. 2 Laat bij a precies meten met een liniaal. Verwijs voor de vragen c en d zo nodig naar de afbeelding bij opgave 1 op bladzijde Laat eerst kijken hoe vaak het ene formaat in het andere past en wat er dus bij komt of af gaat. Bijvoorbeeld vraag b: er passen twee A5'jes in een A4'tje. Er komt dus 100% bij. 4 Bekijk hoe de leerlingen deze opgave organiseren. Zien ze snel welke berekeningen ze moeten maken? 5 Geef aan dat de kommagetallen met 2 decimalen handig zijn om het percentage te vinden. 6 Vraag d: bij het optellen van de getallen kun je sommige tegen elkaar wegstrepen ( bijvoorbeeld 5 5 = 0). 7 Wijs erop dat ook het vierde antwoord 2 decimalen heeft. 8 Controleer of de leerlingen nog weten dat de omtrek 3,14 de middellijn is. Bij de berekeningen van b en c moeten ze gebruikmaken van de onderlinge verhoudingen. Bij b 1,5 62,8 en bij c 5 62, Als een dollar een halve euro waard zou zijn, is een euro 2 dollar waard. Bij b en c gaat het om 1 : 0,8 en 1 : 1,22. Bij d hangt het ervan af welke deling is gekozen, 1,22 : 0,80 of 1,25 : 0,82. Bij die laatste deling kom je na afronden uit op 1,52. maatschrift blz. 54 en 55 1 Ook hier is het weer de bedoeling om eerst het vierkant te halveren tot twee rechthoeken, dan een van die rechthoeken te halveren tot twee vierkanten, enzovoort. 2 Het spreekwolkje maakt nog eens de relatie tussen breuken en procenten duidelijk. 3 Controleer of de leerlingen nog weten dat 25% betekent delen door 4. 4 Bekijk of de leerlingen het zich makkelijk of moeilijk maken. 5 De deelsommen eventueel uitleggen aan de hand van een meetcontext (10 meter verdelen in 2 stukjes van 5 meter en die weer verdelen in 20 stukjes van een halve meter). 6 Gebruik eventueel een DHTE,th-schema. 7 Controleer of de leerlingen nog weten wat een ton is. 8 Bekijk of het begrip tijdsduur bekend is en niet verward wordt met duur als in het kost veel geld. Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 5 < Opgave 2 6 < Opgave 3 3 < Opgave 4 4 < Opgave 5 7 < Opgave 6 6 < Opgave 7 4 < Opgave 8 5 < Opgave 9 4 < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 9 < Opgave 2 6 < Opgave 3 8 < Opgave 4 4* < Opgave 5 16 < Opgave 6 4 < Opgave 7 4 < Opgave 8 9 < * Ter beoordeling van de leerkracht.
44 44 blok 4 les 21 en 22 Leerlijn Meetkunde Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof Spiegellijnen vinden Patronen afmaken Symmetrie in fi guren onderzoeken Vierhoeken vergelijken Oefenen Kommagetallen op de getallenlijn Rekenen naar analogie Tangram Nieuwe stof Patroon afmaken Rekenen met tegelpatroon Oefenen Middengetal zoeken Aantal pakken berekenen van een lading Rekenen met nullen Contextsommen Totaalbedragen schatten Wisselgeld berekenen Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 26 en 27 Werkschrift 8 blz. 40 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 56 en 57 Plusschrift 8 blok 4 Kopieerblad 8.41 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Spiegeltjes Kopieën van patronen uit leerlingenboek 5 mm-papier Kranten met weerkaartjes 1 Reken je een breuk Zet 1 en op het bord. Laat met deze breuken een optel-, een aftrek-, een keer- en een deelsom maken. ( = 5, 1 1 = 1, 1 1 = 1, 1 : 1 = 1 1 ) Bespreking van de deelsom 1 2 : 1 3 = 3 6 : 2 6 = 1 1 Doe hetzelfde met de breuken: 1 2 en 1 5 ( 7 10, 3 10, 1 10, 2 1 En met 1 3 en 1 4 ( 7 12, 1 12, 1 12, ). 2 Maak het je gemakkelijk 7,2 : 0,6 = (12) Bespreking: 7,2 : 0,6 = 72 : 6 = 12 8,1 : 0,9 = (9) 0,96 : 0,12 = (8) 14,4 : 1,2 = (12) 12,5 : 0,5 = (25) 22,5 : 1,5 = (15) 25,6 : 1,6 = (16) 3 Schatten Schat zonder te rekenen welke uitkomst goed is: 23 x 23 = = 1245 : 5 = = (529) (1468) (249) (2999) Maatschrift 1 Getallen Welk getal hoort er precies tussen? 835 (836) (105) (536) (25 000) (136) ( ) Kommagetallen, breuken en procenten Schrijf de volgende rijtjes op het bord en laat bij elkaar zoeken wat bij elkaar hoort. 1, 3, 4, 9, ,75 0,9 0,5 0,8 1,25 90%, 50%, 80%, 75%, 125% ( en 0,5 en 50%; 4 en 0,75 en 75%; 5 en 0,8 en 80%; 10 en 0,9 en 90%; en 1,25 en 125%) Zien de leerlingen het verband tussen de kommagetallen en de procenten? 2. 2 ). 3 Deelsommen Geef de volgende deelsommen in een gematigd tempo. 125 : 5 = (25) 120 : 12 = (10) 125 : 25 = (5) 144 : 12 = (12) 240 : 8 = (30) 240 : 30 = (8) 108 : 4 = (27) 560 : 8 = (70) 560 : 70 = (8) 114 : 6 = (19) 568 : 8 = (71) 480 : 60 = (8)
45 Alles telt Handleiding 8 45 Waar gaat deze les over? In deze les gaan de leerlingen spiegellijnen zoeken in een aantal patronen en verschillende patronen afmaken en natekenen. Patronen worden herhaald door draaien, spiegelen en verschuiven of een combinatie daarvan. Hierbij komt ook de symmetrie aan de orde. De leerlingen moeten een fi guur zodanig uitbreiden dat er zo veel mogelijk symmetrieassen ontstaan. Taal en rekenen Taaltip Het woord patroon heeft verschillende betekenissen. Bespreek met de leerlingen de volgende zinnen: - Het behang heeft een patroon van bloemen en bladeren. - In de vakantie ben je een tijdje uit het vaste patroon van school, huiswerk en sportclub. - Ik wil wel een trui voor je breien, maar dan heb ik een patroon nodig. In de eerste twee voorbeeldzinnen heeft patroon eigenlijk dezelfde betekenis, namelijk: een zich herhalende vaste vorm. Dat is de betekenis die het woord in deze les heeft. Er zijn nog meer betekenissen: huls met kogel en kruit (bijvoorbeeld een hagelpatroon), beschermheilige en leermeester (bijvoorbeeld in de advocatuur), maar die zijn voor de leerlingen minder relevant. Laat enkele afbeeldingen zien van patronen. Vertel dat het volgens de Koran verboden is om levende wezens af te beelden. Vandaar dat je in Moorse paleizen zoals het Alhambra in Granada (Spanje) abstracte (tegel)patronen ziet. Vraag de leerlingen op internet naar afbeeldingen te zoeken. Rekenwoorden (Punt)spiegeling Symmetrieas (spiegellijn) Symmetrisch Lastige woorden Patroon
46 46 Blok 4 Les 21 en 22 Lesverloop van les 21 C1 C2 Waar kun je een spiegel plaatsen zonder dat het patroon verandert? Symmetrie Bespreek samen de vraag bij de opgave en de drie plaatjes met patronen. Geef de leerlingen spiegeltjes om de spiegellijn in de fi guren te zoeken. Vraag ze te verwoorden waar en hoe het spiegeltje moet worden geplaatst. Controleer samen of het klopt. Bij deze opgave gaat het ook om de frequentie. De derde fi guur is het lastigst. Via de diagonaal is hier geen symmetrie. Besteed aandacht aan het begrip symmetrieas. Laat symmetrieassen tekenen op de gekopieerde patronen of laat de leerlingen verwoorden waar de symmetrieassen zijn. Vertel dat er bij de tweede en derde fi guur sprake is van puntspiegeling. Vraag de leerlingen in gedachten een willekeurige (rechte) lijn door het midden van het vierkant te trekken. Wat zie je dan? (Rechts en links van het midden worden de punten gespiegeld.) Maak de patronen verder af en kleur ze in. Symmetrie Geef de leerlingen kopieerblad 8.41 om zelf een patroon te kleuren. Vraag de leerlingen de gemaakte patronen aan elkaar te laten zien. C3 Kijk goed naar deze figuur. Symmetrie Geef de leerlingen een vel van 5 mm-papier om de fi guur over te tekenen en uit te breiden. Laat de symmetrie controleren met het spiegeltje.
47 Alles telt Handleiding 8 47 Aandachtspunten bij les 22 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz De fi guur is op twee manieren te zien: 1 Met drie kubussen: boven in het midden en links en rechts onderaan. 2 Met drie kubussen: onderaan in het midden en links en rechts bovenaan. Je ziet dus drie kubussen aan de bovenkant en drie kubussen aan de onderkant. 2 Bespreek nog even wat een regelmatige zeshoek is. 3 Laat eerst bepalen wat elk streepje voorstelt. (5,25; 5,50; 5,75) 4 Controleer of de leerlingen gebruikmaken van de analogie. werkschrift blz Bespreek eerst wat het basiselement in de patronen is. 2 Vraag welke (meetkundige) vormen voorkomen in het tangramvierkant. Wat is de onderlinge verhouding van de stukken wat betreft hun oppervlakte? (Kies het kleinste driehoekje en geef dat de waarde 1.) maatschrift blz. 56 en 57 1 Bekijk of de leerlingen het patroon kunnen voortzetten. Het geheel inkleuren mag. 2 Vraag of er evenveel witte als zwarte tegels zijn. (ja) De lengte via het aantal tegels maal 40 cm berekenen is handiger dan via de schaal. 3 Wijs erop dat het om de laatste twee cijfers gaat. (Alleen na veranderen er drie cijfers.) Hoe bepaal je het middelste getal als het verschil meer dan 2 is? (Uitschrijven is een goede manier.) 4 Wijs erop dat er in iedere doos nog 26 pakken suiker zitten, dus moet je l b h 26 doen. 5 Geef aan dat bij d de komma verplaatst moet worden. 6 Alleen als het cijferen echt niet lukt, kan het kopieerblad gebruikt worden. Ga bij b en c na of er eerst zonder de komma gerekend wordt en dan de komma wordt teruggeplaatst. Laat zien hoe je overal centen van kunt maken. Bij d is er een rest. 7 Soms is een heel grove schatting al voldoende. Bijvoorbeeld bij b: als je alleen de hele euro's optelt, zie je al dat het meer is dan Uitrekenen kan via doortellen. Observatie en extra hulp Laat leerlingen die moeite hebben met het begrip symmetrie met een spiegel allerlei plaatjes spiegelen. Laat ze beschrijven wat ze zien. Stap even uit de les Het weer Vraag de leerlingen een weerbericht (met kaartje) uit de krant te knippen. Hierop staan symbolen voor de neerslag, de windrichting en de zonneschijn. Met getallen zijn de temperatuur en de zonneschijn aangegeven. Laat de leerlingen op een A4 tje een ruwe schets maken van de woonplaats en diezelfde symbolen gebruiken voor de weerstoestand ter plekke. Daarvoor moeten de leerlingen meten. Hoe meet je de neerslag? Hoe meet je de windkracht? Laat ze de taken verdelen. Afronding Bespreek een aantal patronen die de leerlingen op internet hebben gevonden en patronen die ze zelf hebben getekend en gekleurd. Welke ervaringen hebben ze opgedaan? Kunnen jullie nog een paar voorbeelden geven van dit soort patronen? (Behang, caleidoscoop, kleding, enzovoort.)
48 48 blok 4 les 23 en 24 Leerlijn Rekenmachine Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof Met de rekenmachine - Korting en btw berekenen - Uitkomsten vergelijken - Samengestelde sommen uitrekenen Bewerkingen in de goede volgorde uitvoeren Sommen met uitkomst 0 Rekenen met en zonder haakjes Oefenen Inwonersaantallen EU-landen vergelijken Bevolkingsdichtheid EU-landen berekenen Getallenmuurtjes met kommagetallen en breuken Breuken vermenigvuldigen Nieuwe stof Met de rekenmachine btw en totaalbedrag berekenen Totaalbedragen schatten en met de rekenmachine uitrekenen Oefenen Staafgrafi ek aflezen en interpreteren Sommen bedenken met als uitkomst 20 Komma op de goede plek zetten Rekenen met ronde getallen Percentages van gewicht en inhoud berekenen Zelf getallenmuurtjes maken Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 28 en 29 Werkschrift 8 blz. 41 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 58 en 59 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware 1 Welke som heeft de grootste uitkomst? ,5 of 0,5 18 (even groot) 1 of (even groot) 3 0,02 of 2 0,03 (even groot) of ( ) 27 1 of 3 1 ( ) 6 0,8 of 8 0,6 (even groot) of (35 35) of 850 : 2 (850 : 2) 2 Welk getal is kleiner? 3 1 of 3,49 (3,49) of 11 (11) 1,26 of 3 2 (1,26) 0,1 of 1,0 (0,1) 6,26 of (6 1 4 ) 12,01 of 12,10 (12,01) 7 of 8 ( 7 ) of 0,011 (0,011) 3 Breuken en kommagetallen op de getallenlijn Teken op het bord een getallenlijn van 0 tot 10 met verdeling in eenheden en vraag de leerlingen de volgende breuken en kommagetallen op de lijn te zetten: 3, ,75 4,1 7, ; (volgorde is: ; 1 2 Maatschrift 9,5 3 ; 3,25; 4,1; 6,75; 7,99; 9,5) 1 Getalbegrip Schrijf de volgende getallen in cijfers: zeshonderdduizend ( ) zevenhonderdduizend zeven ( ) achthonderdduizend achthonderdacht ( ) negenhonderdnegenennegentigduizend ( ) vijfhonderdvijfenvijftigduizend vijfhonderdvijfenvijftig ( ) 2 Procenten 50% van 50 (25) 25% van 80 (20) 20% van 70 (14) 25% van 60 (15) 20% van 60 (12) 20% van 120 (24) 20% van 50 (10) 5% van 120 ( 6) 50% van 80 (40) 10% van 120 (12) 50% van 70 (35) 25% van 120 (30) 50% van 60 (30) 25% van 100 (25) 20% van 80 (16)
49 Alles telt Handleiding 8 49 Waar gaat deze les over? In deze les wordt de rekenmachine ingezet om belangrijke rekenregels vast te leggen. Omdat vermenigvuldigen en delen voor optellen en aftrekken gaan, behalve als er met haakjes wordt gewerkt, leren de leerlingen hoe ze dat op de rekenmachine moeten toepassen. Taal en rekenen Taaltip Gaat u nogmaals de Engelse termen na die bij rekenmachines en computer worden gebruikt: ON, OFF, DEL (delete), CL (clear), INS (insert) en error. De laatste term is geen knop op de rekenmachine, maar verschijnt in het scherm bij een fout. Laat maar eens de som 6 : 0 intoetsen. Error betekent niet dat de rekenmachine een fout heeft gemaakt, maar dat de som onmogelijk is! Laat elke knop op de rekenmachine opzoeken en laat de leerlingen vertellen wat er gebeurt als ze die gebruiken. Rekenwoorden Rekenmachine Lastige woorden Error Reductie Btw Inclusief Exclusief
50 50 Blok 4 Les 23 en 24 Lesverloop van les 23 C1 C2 Reken uit. Rekenmachine Bespreek samen deze opgave. Vraag wat reductie betekent. (korting) Hoeveel procent is dat? (10%) Is de prijs 8,10 in- of exclusief btw? (inclusief) Is er over het hele bedrag btw betaald? (nee, over 6,81) Vraag hoe je op de rekenmachine de btw uitrekent en intoetst. Vertel dat 1% uitrekenen van een kommagetal lastig is. 1% van 6,81 is namelijk 0,0681 (de btw is dus19 0,0681). Laat de leerlingen controleren of het btw-bedrag klopt. Laat ze ten slotte de laatste vraag lezen. Hoe reken je dat uit? (6,81 : ) Waarom delen door 90? (6,81 = 90%) Vraag de leerlingen dit uit te rekenen op de rekenmachine en het bedrag af te ronden. ( 7,57) Welke som heeft de grootste uitkomst? En welke de kleinste? Rekenmachine Bespreek de volgorde van berekenen bij deze sommen. Vermenigvuldigen gaat voor optellen! Deze sommen zijn een aanzet tot het gebruik van haken op de rekenmachine. Let op dat eenvoudige rekenmachientjes die voorrangsregel niet gebruiken. Dergelijke rekenmachines werken van links naar rechts (lineair). Laat in dat geval de tussenberekening noteren. De meer geavanceerde rekenmachine rekent eerst alle vermenigvuldigingen en delingen uit en dan pas de optellingen en aftrekkingen. De leerlingen moeten goed letten op de plaatsing van de haken. Als ze bij c bijvoorbeeld een haak vergeten, kunnen ze een error-melding krijgen (bijvoorbeeld op de Wescal). Reken samen deze sommen uit en laat de leerlingen steeds vertellen wat eerst uitgerekend moet worden. C3 Reken uit. Rekenmachine Laat de leerlingen deze opgave zelfstandig uitvoeren en bespreek daarna de antwoorden. De conclusie moet zijn: vermenigvuldigen gaat voor optellen! C4 Waar mag je de haken plaatsen zonder dat de uitkomst verandert? Rekeneigenschappen Laat de leerlingen eerst zelf ontdekken dat de uitkomsten heel anders kunnen zijn. Zet vervolgens samen de haken op de juiste plaats. Vraag ze te vertellen waarom de uitkomst dan niet verandert. De computerregel: eerst vermenigvuldigen en delen, daarna optellen en aftrekken. De volgorde bij vermenigvuldigen en delen is van links naar rechts, evenals bij optellen en aftrekken. Dus is 36 : 2 3 = 54 en 36 2 : 3 = 24 en bij de andere bewerkingen: = 17 en = 33. C5 Welk getal hoort op de lege plek? Rekeneigenschappen Zoek samen naar gelijke getallen voor de uitkomst 0. Wijs er nog eens op dat vermenigvuldigen en delen voor optellen en aftrekken gaan, behalve als optellen of aftrekken tussen haakjes staat. Bij d alles omrekenen naar 'zoveel 11'.
51 Alles telt Handleiding 8 51 Aandachtspunten bij les 24 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Wijs erop dat bij d bij het optellen en aftrekken van breuken het gelijknamig maken van de noemers noodzakelijk is. 2 Laat goed op de volgorde van de bewerkingen letten. 3 Zijn er leerlingen die bij c en d de bevolkingsdichtheid van alle landen hebben berekend? werkschrift blz Een belangrijk aandachtspunt bij deze opgave is het zorgvuldig intoetsen van de getallen en de bewerkingstekens. Op de Wescal is controle mogelijk, zodat notatiefouten kunnen worden opgespoord. De manier van noteren en de nauwkeurigheid bepalen de differentiatie. 2 Geef nog eens aan dat bij getallenmuurtjes bij de basis wordt gestart. 3 De verdeling van de cirkel helpt. maatschrift blz. 58 en 59 1 Voor deze leerlingen meer een herhaling van het berekenen van btw. Bespreek de basisberekening in het spreekwolkje. x 0,06 is voor leerlingen die begrijpen dat = 0,06. Let op: deze rekenwijze lukt alleen met de rekenmachines die de computerregel hanteren, zoals de Wescal. Op andere rekenmachines eerst de btw berekenen en dat dan bij de beginprijs optellen. 2 Geef het advies om bij het optellen van een reeks getallen eerst te schatten om de uitkomst te controleren. Bij het intoetsen is een foutje gemakkelijk gemaakt. 3 Controleer of het aflezen (a tot en met e) goed gaat. Vraag f vraagt om algemeen begrip. 4 Let op: het zijn verschillende bewerkingen waar 20 uit moet komen. 5 Laat eerst schatten om de plek van de komma te kunnen bepalen. Een belangrijk criterium is de grootte van de getallen. 6 Denk bij d om de plek van de komma. 7 Herhaal eventueel: 50% is delen door 2, bij 25% door 4 en bij 10% door Vraag het hoeveelste deel is gevuld ( 4 ). Dat is dus (25%). 9 Bekijk wie het zich gemakkelijk of moeilijk maakt. Observatie en extra hulp Wat gebeurt er met de uitkomst van een keersom als je getallen (één of beide factoren) een aantal keren vergroot of verkleint ten opzichte van de vorige som? Voorbeeld: , ,6, enzovoort. Bespreek met de leerlingen de gevolgen en laat ze beredeneren waarom. Stap even uit de les Familiegeschiedenis Laat de leerlingen op een A4 tje een tijdbalk tekenen. Hierop worden thuis de belangrijkste gebeurtenissen van de familie op datum neergezet. Bespreek daarna een aantal tijdbalken: Hoe ver gaat de familiegeschiedenis terug? Op welke manier hebben de leerlingen de gebeurtenissen neergezet? Zijn er ook gebeurtenissen die samenvallen? Afronding Bespreek bij leerlingenboek opgave 2 nog eens het gebruik van haakjes. Vergelijk steeds twee sommen. Bekijk ook werkschrift opgave 1 c. De ontdekking dat het antwoord hetzelfde is, is een bevestiging van de regel dat vermenigvuldigen voor optellen gaat. De wijze van verwoorden zal bij de leerlingen verschillend zijn. Bespreek maatschrift opgave 1. Hoe wordt 6% berekend? Wat is btw? Ga ook wat schattingen na van opgave 2.
52 52 blok 4 les 25 herhalen en oefenen Leerlijn Meetkunde Rekenmachine Leerdoelen Nieuwe stof Symmetrieassen vinden Symmetrie bij cijfers Bewerkingen in de goede volgorde uitvoeren op de rekenmachine Haakjes plaatsen in samengestelde sommen Haakjessom halen uit context Oefenen Kommagetallen op de getallenlijn De goede oppervlaktemaat zoeken Oppervlakte berekenen van rechthoeken Verschil in grammen berekenen Verhoudingen vergelijken bij rechthoeken Nieuwe stof Rekenen met tegelpatroon Patronen afmaken Met de rekenmachine btw en totaalbedrag berekenen Oefenen Totaalbedragen schatten en met de rekenmachine uitrekenen Gewicht van een lading berekenen Afstanden bereken met schaal Oppervlakte hal berekenen Tellen met sprongen van 100 Materiaal Leerlingenboek 8b blz. 30 en 31 Maatschrift 8 blok 3+4 blz. 60 en 61 Plusschrift 8 blok 4 Kwismeester 8b blok 4 Oefensoftware Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Buurgetallen Wat zijn de buurgetallen van? (9999) (10 001) (23 455) (23 457) (5677) 5678 (5679) ( ) ( ) (99 999) ( ) ( ) ( ) Laat de leerlingen eerst de getallen opschrijven en daarna hardop uitspreken. 2 Optellen en aftrekken in maateenheden 12 m + 6 dm = (12,6 m of 126 dm) 2 dm 3 1,2 liter = (0,8 dm 3 of 0,8 liter of 8 dl) 3,2 m 118 cm = (2,02 m of 20,2 dm of 202 cm) 300 cm dl = ( 5 dl of 500 cm 3 ) 0,12 dm cm 2 = (0,48 dm 2 of 48 cm 2 ) 0,25 kg 100 g = (150 g of 0,15 kg) 0,3 m 2 12 dm 2 = (0,18m 2 of 18 dm 2 ) 0,6 ha + 20 a = (0,8 ha of 80 a) 200 a 2 ha = (0 a of 0 ha) Maatschrift 1 Handig rekenen Stimuleer de leerlingen gebruik te maken van handige rekenstrategieën. Laat ze verwoorden hoe ze hebben gerekend = (201) = (1801) = (358) = ( 129) = (350) = ( 864) 560 : 8 = ( 70) 568 : 8 = ( 71) = (1001) = (1154) = ( 277) = ( 450) 8 12,5 = ( 100) 24 12,5 = ( 300) 552 : 8 = ( 69) 560 : 16 = ( 35) 2 Vermenigvuldigen van en met kommagetallen 2 5 = (10) 0,05 2 = (0,1) 0,2 5 = (1) 2 0,5 = (1) 0,02 5 = (0,1) 0,2 0,5 = (0,1) 3 Getalbegrip Schrijf de volgende getallen op het bord en laat de leerlingen die uitspreken: 1234 (twaalfhonderdvierendertig of duizend tweehonderdvierendertig), (een miljoen tweehonderdvierendertigduizend), 365(driehonderdvijfenzestig), (vijfenzestig miljoen), (twee miljard)
53 Alles telt Handleiding 8 53 Aandachtspunten bij les 25 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 30 en 31 1 Bij d wordt fi guur c als een bol beschouwd. Er is dan één horizontale symmetrieas (de 'evenaar'), ervan uitgaande dat de 'zuidpool' er hetzelfde uitziet als de 'noordpool'. Verder lopen er verticale symmetrieassen over het midden van elke zeshoek en tussen elk tweetal zeshoeken. 2 Wijs erop dat de symmetrie niet bij alle lettertypen gelijk is. Bij sommige lettertypen is bijvoorbeeld het bovenste rondje van de 8 kleiner dan het onderste rondje, terwijl bij andere lettertypen de rondjes even groot zijn. Laat de leerlingen eventueel in Word de cijfers in verschillende lettertypen schrijven (in lettergrootte 72) en dan vergelijken. 3 De Wescal werkt anders dan sommige andere rekenmachines. 4 Soms is het niet nodig om haken te plaatsen. 5 Geef aan dat de 50% korting over de totaalprijs berekend moet worden. 6 Laat eerst bepalen wat elk streepje waard is. 7 Controleer of de leerlingen nog weten wat 'ha' betekent en hoeveel m 2 dat is. 8 Bij a en b kan gemakkelijk uit het hoofd worden gerekend. 9 Laat eerst omrekenen in grammen. 10 Kijk naar de verhouding tussen lengte en breedte. Die moet 3 : 5 zijn. maatschrift blz. 60 en 61 1 Zien de leerlingen dat elk vierkantje twee witte en twee blauwe tegels heeft? 2 Laat de leerlingen stippen tellen om het patroon af te maken. 3 Controleer of de leerlingen nog weten dat de btw erbij geteld moet worden. 4 Verschillende manieren van schatten kunnen tot verschillende uitkomsten leiden. Sommige leerlingen ronden alle bedragen af op hele euro's en tellen dan op. Anderen tellen eerst de hele euro's op en daarna globaal de centen. 5 Eerst het gewicht van de lading berekenen. Daarna 3 ton omrekenen in kg en de uitkomsten vergelijken. 6 Wijs erop dat bij een kleinere schaal het getal groter wordt, en dus ook de afstand. (De schaal is eigenlijk een breuk: hoe groter de noemer, hoe kleiner de waarde.) 7 Kennen de leerlingen de formule l b nog? 8 Laat de leerlingen de getallen uitspreken. Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 4 < Opgave 2 10 < Opgave 3 6 < Opgave 4 6 < Opgave 5 1 < 0 1 Opgave 6 4 < Opgave 7 4 < Opgave 8 4 < Opgave 9 3 < Opgave 10 2 < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 3 < Opgave 2 * Opgave 3 10 < Opgave 4 4 < Opgave 5 5 < Opgave 6 9 < Opgave 7 3 < Opgave 8 18 < *Ter beoordeling van de leerkracht.
54 54 Blok 4 Plus Plusopgaven leerlingenboek blz. 40 t/m 43 1 Het honderdtal is hier het belangrijkst. 2 Een variatie op dit spel: je mag om beurten een, twee of drie lucifers pakken. Degene die de laatste lucifer moet pakken, heeft verloren. 3 De eerste twee cijfers moeten samen 9 zijn en het laatste cijfer moet 5 zijn. 4 Giet met de achtliterkan de vijfliterkan vol. Giet dan met de vijfliterkan de drieliterkan vol. Zie verder het schema in het antwoordenboek. Laat dit eventueel met echte kannen of bekers uitvoeren, maar neem dan wel deciliters in plaats van liters! 5 a Bouwplaatje 3 is de enige vorm waarvan de bodem rood kan zijn. b De drie zichtbare vlakken aan de kubus geven aan dat het bouwplaatje 1 is. Het kan helpen om de bouwplaatjes na te tekenen en uit te knippen. 6 Links liggen 28 witte en 27 rode blokjes. Daarom is een rood blokje zwaarder dan een witte. 7 In de antwoorden komt ook het cijfer 1 helemaal niet voor. 8 Een opgave om gewoon te doen. 9 Als de twee cijfers die steeds herhaald worden samen 9 zijn, lukt het. Dus vanaf 1, tot en met 1, Soms komt er echt een heel getal uit, soms een getal met als decimalen Wijs erop dat bij de eerste vier getallen alle cijfers (behalve 0) zijn gebruikt. 11 Als je met getallen werkt, krijg je de driehoek van Pascal, van boven naar beneden: 1; 1 en 1; 1, 2 en 1; 1, 3, 3 en 1. De onderste rij opgeteld levert 8 op (= 2 2 2). Bij een driehoek van vijf lagen wordt de onderste rij: 1, 4, 6, 4 en 1: samen 16 (= ). Laat de leerlingen eventueel op internet de driehoek van pascal opzoeken. 12 a Welke passen er wel in? b De som moet 11 zijn en dan valt de 3 uit de derde kolom door de mand. 13 Wat zou er kunnen gebeuren als 1 wel zou mogen? 14 a Laat het vierkant eerst overnemen op een blaadje. Dan kunnen de leerlingen met potlood wat verdelingen proberen. De twee achten op de onderste regel kunnen een startpunt zijn. b Als leerlingen er echt niet uitkomen, geef dan de hint om met aftrekken te beginnen. 15 a Bovenaan moet 2 komen. Daarna is het een kwestie van 'trial and error'. b Hier zijn vier oplossingen. Kies voor het getal rechts onder de 3 een 3, 4, 5 of 6. Niet hoger of lager, want anders komen er negatieve getallen. c Een makkelijke oplossing is om op elke rij drie keer 11 en één keer 12 te zetten. 16 Het grootste stuk aanvullen met het kleine driehoekje. Dan heb je al de helft van het vierkant. 17 Geef eventueel de tip om eens naar de hoeken te kijken. Plusschrift blz. 26 t/m 33 1 Stel, het getal van de maand is. Vermenigvuldiging met 5 is 5. Dan 6 erbij: Vermenigvuldiging met 4: 4 (5 + 6) = Dan 9 erbij: Vermenigvuldiging met 5: 5 ( ) = Stel de geboortedag op y. De vergelijking wordt dan y. Er gaat 165 af: (100x y) 165 = 100x + y. Er blijft over: 100 x het getal van de maand en het getal van de dag. Omdat het getal van de maand met 100 vermenigvuldigd is, ligt dat links van de cijfers die het getal van de dag aangeven. 2 De tabel bij deze opgave zit anders in elkaar dan de leerlingen gewend zijn uit het leerlingenboek. Daar wordt vanuit de euro gerekend; in deze tabel wordt vanuit de vreemde munt gerekend. Dat betekent dus ook dat nu de bewerkingen omgedraaid zijn. Bijvoorbeeld: je wisselt $ 100 voor euro s. Je krijgt dan 100 1,1097 = 110,97. Je wisselt 100 voor dollars. Je krijgt dan 100 : 1,1279 = $ 88,66. a 125,75 13,18 = 1657,39 b ( 883 : 88,12) = yen. (Hier rekenen met de verkoopkoers, omdat Chang yens heeft gewisseld voor euro's.)
55 Alles telt Handleiding 8 55 c ,5681 = ,90 d ,25 = De vorm is belangrijk! 4 De volgende redenering is ook goed: de ijsjes kosten 1,57 per stuk. De ijscoman accepteert geen centen en rondt af. 5 Alleen de sommen waarvan de uitkomst afwijkt van de gevraagde uitkomst moeten worden uitgerekend. 6 De kenmerken van deelbaarheid laten gebruiken. 7 Een getal is deelbaar door 36 als het gedeeld kan worden door 9 en 4. Het is deelbaar door 4 als de laatste twee cijfers deelbaar zijn door 4. De laatste twee cijfers kunnen hier dus 60, 64 en 68 zijn. Een getal is deelbaar door 9 als de som van de cijfers deelbaar is door 9. Als b 0 is, moet a dus 4 zijn, want Als b 4 is, moet a 0 of 9 zijn. Als b 8 is, moet a 5 zijn. 8 Bij het eerste vierkant zijn alle getallen samen 136. Per rij of kolom is dat 136 : 4 = 34. In de tweede kolom ligt het derde getal in de diagonaal: = 7. Het vierde getal in deze kolom is dan = 14. De overblijvende getallen die nu nog ingevuld kunnen worden zijn: 1, 15, 9, 6, 5 en 8. In de tweede rij moet in totaal nog = 13 worden ingevuld. Dit kan door de combinatie 5 en 8, enzovoort. Bij het tweede vierkant dezelfde aanpak volgen, alleen moeten de getallen in een rij of kolom nu samen 325 : 5 = 65 zijn. 9 De juiste tijd kan gevonden worden door bij elke gegeven tijd de afwijking op te tellen of eraf te trekken. De tijd die op elke rij één keer voorkomt (10.59), is de juiste tijd. De tijd wijkt achteruit af De tijd wijkt vooruit af tijd Stijn Anouk Amel Iris Herkennen de leerlingen het patroon? 11 a Elke zijde van de driehoek krijgt een kleinere driehoek (3 3) = 13 driehoeken. b Dit patroon wordt hier nog een keer herhaald: (9 3) = 40 driehoeken. c Herhaling van het vorige patroon: (27 3) = 121 driehoeken. 12 Gebruik de kennis van opgave 6 en Vierkantsgetallen en kwadraten. Gebruik eventueel het wortelteken ( ) op de rekenmachine. 14 Per jaar heeft hij = nodig. Die is 4%. Hij heeft dus op de bank staan: 100 x ( : 4 ) = = a 2 ( 3 2), 4 ( 3 2), 10 ( 3 2), 28 ( 3 2), 82 ( 3 2), 244 ( 3 2), 730 b 1 ( 2 + 1), 3 ( 2 + 2), 8 ( 2 + 3), 19 ( 2 + 4), 42 ( 2 + 5), 89 ( 2 + 6), 184. c 4 ( 4), 16 (: 2), 8 ( 8), 64 (: 2), 32 ( 32), 1024 (: 2), 512 d I (+ 2), III (+ 3), VI (+ 4), X (+ 5), XV (+ 6), XXI (+ 7), XXVIII 16 Stel dat de weg 100 km lang is, dan is halverwege 50 km. Deze afstand wordt bij 100 km per uur in uur = (3000 : 100) = 30 min. afgelegd. Over de overige 50 km wordt met een snelheid van 50 km per uur precies 1 uur gereden. De totale tijdsduur is dan 1 uur 30 min. Bij een totale tijd van uur over 100 km is de gemiddelde snelheid (100 : 1 2 ) x km per uur = km per uur. 17 Diepte ontstaat door schaduw. Kleur dus een vlak licht en het volgende donker.
56 56 Blok 4 Plus 18 De oppervlakte van de zes rechthoeken samen is 192 cm 2. De oppervlakte van één rechthoek is 192 : 6 = 32 cm 2. De lengtes van de zijden zijn hele getallen. De oppervlakte van een rechthoek kan dan zijn: 32 1 cm 2, 16 2 cm 2 of 8 4 cm 2. De lengte van 2 de lange zijde (b) is 4 de lengte van de korte zijde (a). De oppervlakte van één kleine rechthoek is b a of 2a x a. Dit kan alleen maar bij de maten 8 cm en 4 cm. De totale omtrek is 6a + 4b = 6 4 cm = 24 cm cm = 32 cm = 56 cm. 19 Laat de zandlopers gelijk beginnen. 20 Een kwestie van uitproberen. 21 a Noem het eerste getal van de code A, het tweede B, het derde C, enzovoort. De code van de kluis is dus ABCDE. De aanwijzingen: 1. A + B + C + D + E = C + E = 8 3. D = B A = 2 B 6 5. B + C = 12 Uit aanwijzing 1 en 2 kun je de conclusie trekken dat A + B + D = 24. Op grond van aanwijzing 3 en 4 kun je dit vervangen door 2B B + B + 2 = 24, dus 4B - 4 = 24, dus 4B = 28, dus B = 7. Dan kun je de rest ook invullen. b Stimuleer de uitwisseling van de oplossingen van de leerlingen. 22 Gebruik eventueel de rekenmachine. 23 De kaars wordt in 8 uur 2 cm korter of 1 cm per 4 uur of 1 4 cm per uur. 33 cm kaars is 33 4 uur = 132 branduren. De oorspronkelijke kaars had 45 4 uur = 180 uur branduren. De tweede kaars is na uur = 675 minuten opgebrand. De lengte van de eerste kaars bij een brandtijd van 675 minuten moet dan zijn ,25 cm = 2,8 cm. 24 Noem de getallen a, b en c. De mogelijke combinaties zijn dan: a + b, a + c en b + c. a + b = 10, a + c = 12 en b + c = 16. b = 10 a en c = 12 a. b + c = 16 wordt dan 10 a + 12 a = 16 of 22 2a = 16. Dus a = 3. a + c = 12, dus c = 9. b + c = 16. c = 9 dus b = a Een dag telt 24 x 60 x 60 = sec. In kan keer sec sec. = sec. In een uur zitten 3600 seconden. In ( : 3600) 1 uur zitten 13 uur ( ) = = 2800 sec. In 2800 sec. zitten (2800 : 60) 1 min. = 46 min. Er blijven over 2800 seconden 2760 seconden is 40 sec. Dag en tijdstip is vrijdag 12 januari b Bij dit soort problemen gaat het niet zozeer om de uitkomst, maar eerder of er een strategie bedacht kan worden om het probleem aan te pakken. Er zijn dan ook meerdere uitkomsten. Voor sommige getallen heb je meer tijd nodig om ze uit te spreken (bijvoorbeeld ) en voor andere minder (bijvoorbeeld 6). De oplossing is dan om bijvoorbeeld met gemiddelde tijden te werken. Die zijn afhankelijk van de snelheid waarmee je de getallen uitspreekt. 26 Gebruik het ritme van de kalender (31, 28, 31, 30, enzovoort).
42 blok 6. Een huis inrichten. Teken de meubels in het huis. Plaats ze waar jij wilt. Vul in. Hoeveel eet elke hond? Hoeveel kilo vlees?
42 blok 6 C1 Een huis inrichten. Teken de meubels in het huis. Plaats ze waar jij wilt. C2 Vul in. Hoeveel eet elke hond? Hoeveel kilo vlees? Hoeveel pakken brokken? Hoeveel bakjes water? Fido 3 2 1 4
Leerlijnen groep 7 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 7 Wereld in Getallen 1 2 REKENEN Boek 7a: Blok 1 - week 1 in geldcontext 2 x 2,95 = / 4 x 2,95 = Optellen en aftrekken tot 10.000 - ciferend; met 2 of 3 getallen 4232 + 3635 + 745 = 1600
Reken zeker: leerlijn kommagetallen
Reken zeker: leerlijn kommagetallen De gebruikelijke didactische aanpak bij Reken Zeker is dat we eerst uitleg geven, vervolgens de leerlingen flink laten oefenen (automatiseren) en daarna het geleerde
Leerlijnen groep 6 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 6 Wereld in Getallen 1 REKENEN Boek 6a: Blok 1 - week 1 - buurgetallen - oefenen op de getallenlijn Geld - optellen van geldbedragen - aanvullen tot 10 105 : 5 = 2 x 69 = - van digitaal
Reken zeker: leerlijn kommagetallen
Reken zeker: leerlijn kommagetallen De gebruikelijke didactische aanpak bij Reken Zeker is dat we eerst uitleg geven, vervolgens de leerlingen flink laten oefenen (automatiseren) en daarna het geleerde
Leerstofoverzicht groep 3
Leerstofoverzicht groep 3 Getallen en relaties Basisbewerkingen Verhoudingen Leerlijn Groep 3 uitspraak, schrijfwijze, kenmerken begrippen evenveel, minder/meer cijfer 1 t/m 10, groepjes aanvullen tot
GETALLEN Onderdeel: Getalbegrip Doel: Je bewust zijn dat getallen verschillende betekenissen hebben.
Leerroute 3 Jaargroep: 8 GETALLEN Onderdeel: Getalbegrip Doel: Je bewust zijn dat getallen verschillende betekenissen hebben. Je bewust zijn dat getallen verschillende betekenissen kunnen hebben. (hoeveelheidsgetal,
Leerroutes Passende Perspectieven Alles telt groep 5 blok 1
Leerroutes Passende Perspectieven Alles telt groep 5 blok Legenda kleuren Getalbegrip Optellen en aftrekken Vermenigvuldigen en delen Verhoudingen Meten Meten Tijd Meten Geld Meetkunde Verbanden Legenda
Leerlijnen rekenen: De wereld in getallen
Leerlijnen rekenen: De wereld in getallen Groep 7(eerste helft) Getalbegrip - Telrij tot en met 1 000 000 - Uitspraak en schrijfwijze van de getallen (800 000 en 0,8 miljoen) - De opbouw en positiewaarde
Kennis van de telrij De kinderen kunnen tellen en terugtellen tot 10 met sprongen van 1 en van 2.
Rekenrijk doelen groep 1 en 2 De kinderen kunnen tellen en terugtellen tot 10 met sprongen van 1 en van 2. Aantallen kunnen tellen De kinderen kunnen kleine aantallen tellen. De kinderen kunnen eenvoudige
handleiding leerjaar 7 blok 5
handleiding leerjaar 7 blok 5 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
Wat betekenen de getallen? Samen bespreken. Kies uit kilometer, meter, decimeter of centimeter.
70 blok 5 les 23 C 1 Wat betekenen de getallen? Samen bespreken. 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 60 981 540 C 2 Welke maten horen erbij? Samen bespreken. Kies uit kilometer, meter, decimeter of centimeter.
Zelfstandig werken. Ajodakt. Dit antwoordenboekje hoort bij het gelijknamige werkboek van de serie
Zelfstandig werken Ajodakt Dit antwoordenboekje hoort bij het gelijknamige werkboek van de serie 9 789074 080705 Informatieverwerking Groep 7 Antwoorden Auteur P. Nagtegaal ajodakt COLOFON Illustraties
Groep 5 Leerroute 3< 1F Leerroute 2= 1F (maatschrift) Leerroute 1 = 1S Periode 1
Groep 5 Leerroute 3< 1F Leerroute 2= 1F (maatschrift) Leerroute 1 = 1S Periode 1 Normgerichte doelen: De kinderen behalen op de methodegebonden toetsen Maatschrift een 60% score. Blok 1: De kinderen kennen/kunnen/beheersen:
Leerlijnen voor groep 3-8
Leerlijnen voor groep 3-8 Groep 3, eerste half jaar de begrippen meer, minder, evenveel juist toepassen de ontbrekende getallen op de getallenlijn t/m 12 invullen van hoeveelheden t/m 20 groepjes van 5
handleiding leerjaar 8 blok 1
handleiding leerjaar 8 blok Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Redactie: Fundamentaal,
Scoreblad bewis 01. naam cursist: naam afnemer: werkpunt. niet goed. tellen. getalbegrip. algemeen 01 04. bewerking en. optellen en.
Scoreblad bewis naam cursist: datum: naam afnemer: inhoud vraag opmerkingen OK werkpunt niet goed tellen eieren tellen in dozen van 10 getallen verder aanvullen in kralenketting getalbegrip getallen ertussen
Hieronder ziet u per 2 blokken wat er getoetst wordt in groep 4
Hieronder ziet u per 2 blokken wat er getoetst wordt in groep 4 Blok 1A en 2A Telrij, uitspraak en notatie Getallenlijn en getalvolgorde Opbouw getallen tot 100 Sprongen van 1, 2 en 5 tussen 10 en 20 t/m
Opdracht 2.1 a t/m c. Er zijn veel mogelijkheden. De vorm hoeft dus niet gelijk te zijn om toch een vierkant van dezelfde grootte te krijgen.
Uitwerkingen hoofdstuk Gebroken getallen. Kennismaken met breuken.. Deel van geheel Opdracht. a t/m c. Er zijn veel mogelijkheden. De vorm hoeft dus niet gelijk te zijn om toch een vierkant van dezelfde
handleiding leerjaar 7 blok 4
handleiding leerjaar 7 blok 4 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
handleiding leerjaar 7 blok 6
handleiding leerjaar 7 blok 6 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
Werkwoordspelling 2 Toelichting en Antwoorden
Werkwoordspelling 2 Toelichting en Antwoorden COLOFON Auteurs Frank Pollet Illustraties Liza-Beth Valkema Basisvormgeving LS Ontwerpers bno, Groningen Omslag illustratie Metamorfose ontwerpen BNO, Deventer
Leerlijnen groep 8 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 8 Wereld in Getallen 1 2 3 4 REKENEN Boek 8a: Blok 1 - week 1 Oriëntatie - uitspreken en schrijven van getallen rond 1 miljoen - introductie miljard - helen uit een breuk halen 5/4 = -
C 1 C 2 C 3. les 1. 2 blok 4. Leg de figuren. Samen bespreken. a b c
2 blok 4 les 1 C 1 Leg de figuren. Samen bespreken. a b c d C 2 Leg de figuren. Samen bespreken. a b c C 3 Leg nog meer figuren. Samen bespreken. a Maak een huis. b Maak een boot. c Bedenk zelf een figuur.
Groep 3. Getalbegrip hele getallen. Optellen en aftrekken. Geld
Groep 3 Getalbegrip hele getallen De leerlingen werken de eerste periode in het getallengebied tot 20 en 40. De tweede helft van het jaar ook tot 100. De leerlingen leren het verder- en terugtellen, tellen
UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I WISKUNDE. MAVO-D / VMBO-gt
UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: NIVEAU: WISKUNDE MAVO-D / VMBO-gt EXAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke
Aanbod rekenstof augustus t/m februari. Groep 3
Aanbod rekenstof augustus t/m februari Groep 3 Blok 1 Oriëntatie: tellen van hoeveelheden tot 10, introductie van de getallenlijn tot en met 10, tellen en terugtellen t/m 20, koppelen van getallen aan
Getallen en breuken. 1 Doel: helen in breuken verdelen en helen uit de breuk halen. Herhalen
Getallen en breuken Basisstof structuur van de getallen tot 000 000 breuken Lesdoelen De leerlingen kunnen: helen in breuken verdelen en helen uit de breuk halen; helen en breuken verdelen; getallen op
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 7 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g k o l o m s g e w i j s d e l e n Inleiding Het programma laat de leerlingen kennismaken met vernieuwende elementen
Inhoud kaartenbak groep 8
Inhoud kaartenbak groep 8 1 Getalbegrip 1.1 Ligging van getallen tussen duizendvouden 1.2 Plaatsen van getallen op de getallenlijn 1.3 Telrij t/m 100 000 1.4 Telrij t/m 100 000 1.5 Getallen splitsen en
Getallen. 1 Doel: een getallenreeks afmaken De leerlingen maken de getallenreeks af met sprongen van 150 000.
Getallen Basisstof getallen Lesdoelen De leerlingen kunnen: een reeks afmaken; waarde van cijfers in een groot getal opschrijven; getallen op de getallenlijn plaatsen; afronden op miljarden; getallen in
Overig nieuws Hulp ouders bij rekenen deel 3.
Overig nieuws Hulp ouders bij rekenen deel 3. Het rekenonderwijs van tegenwoordig ziet er anders uit dan vroeger. Dat komt omdat er nieuwe inzichten zijn over hoe kinderen het beste leren. Vroeger lag
Rekenen Oefenboek (2) Geschikt voor LVS-toetsen van CITO 3.0 Groep 6
Rekenen Oefenboek (2) Geschikt voor LVS-toetsen van CITO 3.0 Groep 6 2019 Junior Einstein bv Enschede, the Netherlands Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets
handleiding leerjaar 6 blok 6
handleiding leerjaar 6 blok 6 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
Leerlijnenpakket STAP incl. WIG. Rekenen Rekenen. Datum: 08-05-2014. Schooltype BAO (Regulier) Herkomst Landelijk Periode DL -20 t/m 200
Leerlijnenpakket STAP incl. WIG Schooltype BAO (Regulier) Herkomst Landelijk Periode DL -20 t/m 200 Rekenen Rekenen 1.1 Getallen - Optellen en aftrekken tot 10 - Groep 3 BB/ KB GL + PRO 1.1.1 zegt de telrij
Leerjaar 3: Doelenlijst Rekenen/Wiskunde voor leerroute A, B en C
Leerjaar 3: Doelenlijst Rekenen/Wiskunde voor leerroute A, B en C Getallen, Verhoudingen, Meten en meetkunde, Verbanden GETALLEN Onderdeel 1 Optellen en aftrekken (inclusief getalverkenning en schatten)
Aandachtspunten. blok 8, les 3 blok 8, les 11. blok 8, les 3 blok 9, les 6 blok 9, les 11. blok 7, les 3 blok 7, les 8 blok 9, les 6
Aandachtspunten 299 Aandachtspuntenlijst 3, bij blok 7, 8 en 9 1 De telrij tot en met en boven 100 000. plaatsen van getallen op de getallenlijn. Het kind kan zich geen voorstelling maken van een hoeveelheid.
Leerlijnen groep 4 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 4 Wereld in Getallen 1 REKENEN Boek 4a: Blok 1 - week 1 - optellen en aftrekken t/m 10 (3 getallen, 4 sommen) 5 + 4 = / 4 + 5 = 9 5 = / 9 4 = - getallen tot 100 Telrij oefenen met kralenstang
Groep 7, blok 1, week 1 Passende Perspectieven, leerroute 3
Groep 7, blok 1, week 1 Passende Perspectieven, leerroute 3 LES 1 LES 2 LES 3 LES 4 LES 5 (tot 1000 en boven 1000 getallen herkennen, benoemen en noteren) (tot 1000) (1/10) (1/2 en 1/5) (10 cm = 0,10 m,
TOETS REKENEN / WISKUNDE. Naam:... School:...
TOETS REKENEN / WISKUNDE Naam:... School:... Datum:... Groep:... 1A. Hoofdrekenen: optellen en aftrekken Reken de sommen op je eigen manier uit. Gebruik het kladblaadje als je een tussenstap wilt noteren.
Leerlijnen groep 5 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 5 Wereld in Getallen 1 2 3 4 REKENEN Boek 5a: Blok 1 - week 1 Oriëntatie - Getallen tot en met 1000 - Tafels 0 t/m 6 en 10 - Herhalen strategieën - Herhalen hele, halve uren en kwartieren
Reken zeker: leerlijn breuken
Reken zeker: leerlijn breuken B = breuk H = hele HB = hele plus breuk (1 1/4) Blauwe tekst is theorie uit het leerlingenboek. De breuknotatie in Reken zeker is - anders dan in deze handout - met horizontale
C 1 C 2 C 3. 42 blok 6. Romeinse cijfers.
42 blok 6 C 1 Romeinse cijfers. Amsterdam Dordrecht Nijmegen Gouda a Welk huis is ouder, het huis uit Dordrecht of het huis uit Amsterdam? b Hoelang staat het huis uit Nijmegen er al? c Het huis waar Sam
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Weerstand. J. Kuiper. Transfer Database
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal Reader Weerstand J. Kuiper Transfer Database ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Algemeen Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 7 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g d e r e k e n m a c h i n e Inleiding Het programma laat de leerlingen kennismaken met vernieuwende elementen
2 REKENEN MET BREUKEN 3. 2.3 Optellen van breuken 6. 2.5 Aftrekken van breuken 9. 2.7 Vermenigvuldigen van breuken 11. 2.9 Delen van breuken 13
REKENEN MET BREUKEN. De breuk. Opgaven. Optellen van breuken 6. Opgaven 8. Aftrekken van breuken 9.6 Opgaven 9.7 Vermenigvuldigen van breuken.8 Opgaven.9 Delen van breuken.0 Opgaven. Een deel van een deel.
Onderwijsassistent REKENEN BASISVAARDIGHEDEN
Onderwijsassistent REKENEN BASISVAARDIGHEDEN Verhoudingstabel Wat zijn verhoudingen Rekenen met de verhoudingstabel Kruisprodukten Wat zijn verhoudingen * * * 2 Aantal rollen 1 2 12 Aantal beschuiten 18
2.1 Kennismaken met breuken. 2.1.1 Deel van geheel. Opdracht 1 Welk deel van deze cirkel is zwart ingekleurd?
Oefenopdrachten hoofdstuk Gebroken getallen RekenWijzer, oefenopdrachten hoofdstuk Gebroken getallen. Kennismaken met breuken.. eel van geheel Opdracht Welk deel van deze cirkel is zwart ingekleurd? deel
Passende Perspectieven. Bij Rekenrijk 3 e editie
Passende Perspectieven Bij Rekenrijk 3 e editie 0 Dit document is de beschrijving van de Passende perspectieven Rekenen leerroutes van de SLO binnen de methode Rekenrijk 3 e editie. De uitwerking betreft
Leerdoelen groep 7. Pluspunt rekenen
Leerdoelen groep 7 Pluspunt rekenen NB. De leerdoelen van deze rekenmethode bieden wij de kinderen aan middels Denken in Doelen. Dat betekent dat we niet exact de blokken van de methode volgen, maar dat
Leerjaar 4: Doelenlijst Rekenen/Wiskunde voor leerroute A, B en C
Leerjaar 4: Doelenlijst Rekenen/Wiskunde voor leerroute A, B en C Getallen, Verhoudingen, Meten en meetkunde, Verbanden GETALLEN Onderdeel 1 Optellen en aftrekken (inclusief getalverkenning en schatten)
kommagetallen en verhoudingen
DC 8Breuken, procenten, kommagetallen en verhoudingen 1 Inleiding Dit thema gaat over rekenen en rekendidactiek voor het oudere schoolkind en voor het voortgezet onderwijs. Beroepscontext: als onderwijsassistent
Aandachtspunten. blok 7, les 1 blok 7, les 3 blok 7, les 6 blok 7, les 8 blok 7, les 11 blok 9, les 1
Aandachtspunten 291 Aandachtspuntenlijst 3, bij blok 7, 8 en 9 1 Getalbegrip. Het kind ziet de structuur niet tussen getallen boven en beneden 1 miljoen. uitspreken en opschrijven van grote getallen boven
Klok dag en nacht. Hulpkaart OPTELLEN/AFTREKKEN
OPTELLEN/AFTREKKEN Zet de getallen onder elkaar in je schrift eerst zelf proberen uit te rekenen bij aftrekken: denk om lenen bij optellen: denk om doorschuiven geen vergissingen? bij lang nadenken: rekenmachine
Stenvert. Rekenmeesters 5. Zelfstandig werken Rekenen Groep 7 Antwoorden. Zelfstandig werken Stenvert Rekenen Rekenmeesters 5 Antwoorden Groep 7
Zelfstandig werken Rekenen Groep 7 Antwoorden Stenvert maakt deel uit van ThiemeMeulenhoff Zelfstandig werken (Z). Dit bestaat uit een groot assor ment leermiddelen voor alle leerjaren. Op onze Z-site vindt
Aandachtspunten. blok 1, les 3 blok 2, les 3 blok 2, les 6 blok 3, les 3 blok 3, les 6
Aandachtspunten 307 Aandachtspuntenlijst 1, bij blok 1, 2 en 3 1 Verkennen en benoemen van verschillende betekenissen en functies van getallen t/m 1000. Het kind begrijpt nog niet dat er een verband bestaat
Begin situatie Wiskunde/Rekenen. VMBO BB leerling
VMBO BB leerling Verbanden en Hoge -bewerkingen onder 100 -tafels t/m 10 (x:) -bewerkingen met eenvoudige grote en -makkelijk rekenen -vergelijken/ordenen op getallenlijn -makkelijke breuken omzetten -deel
Hoofdstuk 1: Basisvaardigheden
Hoofdstuk 1: Basisvaardigheden Wiskunde VMBO 2011/2012 www.lyceo.nl Hoofdstuk 1: Basisvaardigheden Wiskunde 1. Basisvaardigheden 2. Grafieken en formules 3. Algebraïsche verbanden 4. Meetkunde Getallen
Tussendoelen rekenen-wiskunde voor eind groep 5
Domein GETALLEN, subdomein Getalbegrip beheerst de doelen van groep 2 t/m 4, ook op het niveau van groep 5 en HELE GETALLEN kan willekeurige delen van de telrij tot ten minste 1000 opzeggen en vanuit elk
Stenvert. Taalmeesters 6. Zelfstandig werken Taal Groep 8 Antwoorden. Zelfstandig werken Stenvert Taal Taalmeesters 6 Antwoorden Groep 8
Zelfstandig werken Taal Groep 8 Antwoorden Stenvert maakt deel uit van ThiemeMeulenhoff Zelfstandig werken (Z). Dit bestaat uit een groot assor ment leermiddelen voor alle leerjaren. Op onze Z-site vindt
Lesopbouw: instructie. Start. Instructie. Blok 4. Lesinhoud Kommagetallen: vermenigvuldigen met kommagetallen Kommagetallen: delen met kommagetallen
Week Blok Bijwerkboek 0 Les Rekenboek Lessen 0 0, 0 0, 0, keer 0, 0,, flesjes 0,, 0, 0 0 plankjes stukjes 0 0 Lesinhoud Kommagetallen: vermenigvuldigen met kommagetallen Kommagetallen: delen met kommagetallen
Lesopbouw: instructie. Lesinhoud. 1 Start. 2 Instructie. Blok 4 Week 2 Les 1. Vermenigvuldigen: rekenen met de factor 10, 100 en
Blok Week Les 6 6 7 7 6 7 96 7 6 6 7 9 a 7 c 76 e 7 6 g 7 79 b d f h 7 7 9 9 () 6 7 6 6 6 9 7 7 6 799 9 6 6 77 6 6 79 7 6 66 6 6 6 7 9 6 Lesinhoud Vermenigvuldigen: rekenen met de factor, en Bewerkingen:
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 7 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g k o l o m s g e w i j s o p t e l l e n e n a f t r e k k e n Jaargroep instap Inleiding Het instapprogramma
Domeinbeschrijving rekenen
Domeinbeschrijving rekenen Discussiestuk ten dienste van de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Rekenen en Taal auteur: Jan van de Craats 11 december 2007 Inleiding Dit document bevat een beschrijving van
Tijd: seconden, minuten, uren, dagen, weken, maanden, jaren
Uren, Dagen, Maanden, Jaren,. Tijd: seconden, minuten, uren, dagen, weken, maanden, jaren 1 minuut 60 seconden 1 uur 60 minuten 1 half uur 30 minuten 1 kwartier 15 minuten 1 dag (etmaal) 24 uren 1 week
a a Hoe hoog is de kleinste toren op het plaatje? 97 m b d Hoe oud zijn de Martinitoren en de Eiffeltoren? De Martinitoren is meer dan
les 14 59 Aan welke keersommen uit de tafels tot 10 denk je? b 9 70 = 630 6 80 = 480 9 7 en 6 8 a a 4 30 = 120 4 50 = 200 4 3 en 4 5 c 8 80 = 640 7 60 = 420 8 8 en 7 6 b d = 5600 = 7200 Meer antwoorden.
Groep 6. Uitleg voor ouders (en kinderen) over de manieren waarop rekenen in groep 6 aan bod komt. Don Boscoschool groep 6 juf Kitty
Groep 6 Uitleg voor ouders (en kinderen) over de manieren waarop rekenen in groep 6 aan bod komt. Getalbegrip Ging het in groep 5 om de hele getallen tot 1000, nu wordt de getallenwereld uitgebreid. Naast
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 7 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g k o l o m s g e w i j s v e r m e n i g v u l d i g e n Inleiding Het programma laat de leerlingen kennismaken
Rekenportfolio. Naam: cm 2. m 3 + = 1 _ 12
Tytsjerksteradiel Rekenportfolio Naam: cm 2 1 5 7 + = 5 10 10 m 3 1 _ 12 X 5 1 + = 5 1 + Inhoudsopgave Voorwoord 3 Domein getallen 4 - Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen 5 - Breuken 6 - Rekenvolgorde
UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I D
UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I D VAK: NIVEAU: EXAMEN: WISKUNDE MAVO 2001-I D De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.
Verdiepingsmodule Getallen Tweede bijeenkomst maandag 8 april 2013 monica wijers en vincent jonker
Verdiepingsmodule Getallen Tweede bijeenkomst maandag 8 april 2013 monica wijers en vincent jonker Programma Breuken PPON Leerlijn Didactiek van bewerkingen Breuken en kommagetallen in het echt Kommagetallen
Strategiekaarten. Deze strategiekaarten horen bij de ThiemeMeulenhoff-uitgave (ISBN 978 90 557 4642 2): Rekenen: een hele opgave, deel 2
Deze strategiekaarten horen bij de ThiemeMeulenhoff-uitgave (ISBN 978 90 557 4642 2): Joep van Vugt Anneke Wösten Handig optellen; tribunesom* Bij optellen van bijna ronde getallen zoals 39, 198, 2993,..
Leerlijnenmatrix De wereld in getallen 4 e editie
3a 3b 4a 4b 5a 5b Getalbegrip Oriëntatie op de getallen - Verder- en terugtellen tot en met 40 - Cijfers schrijven - Structuur van de getallen tot en met 20 (één tiental en wisselende eenheden) Resultatief
Leerlijnenoverzicht groep 3 t/m 8
3a 3b 4a 4b 5a 5b Getalbegrip Oriëntatie op de getallen - Verder- en terugtellen tot en met 40 - Cijfers schrijven - Structuur van de getallen tot en met 20 (één tiental en wisselende eenheden) Resultatief
I I. Noordhoff Uitgevers bv Groningen/Houten
H A N D L E I D I N G 7 I I Noordhoff Uitgevers bv Groningen/Houten H A N D L E I D I N G Lesbeschrijvingen Breuken en procenten Basisstof breuken procenten Lesdoelen De leerlingen kunnen: helen vermenigvuldigen
Tussendoelen domein GETALLEN, subdomein Getalbegrip
Tussendoelen domein GETALLEN, subdomein Getalbegrip HELE GETALLEN kan de telrij opzeggen tot ten minste 20. kan vanuit elk getal tot 20 verder tellen en vanuit elk getal onder 10 terugtellen. herkent en
Foutenberekeningen. Inhoudsopgave
Inhoudsopgave Leerdoelen :... 3 1. Inleiding.... 4 2. De absolute fout... 5 3. De KOW-methode... 7 4. Grootheden optellen of aftrekken.... 8 5. De relatieve fout...10 6. grootheden vermenigvuldigen en
Stenvert. Taalmeesters 2. Antwoorden. Taalmeesters 2. Zelfstandig werken. Antwoorden. Groep 4. Taal COLOFON COLOFON
Taalmeesters 2 Antwoorden COLOFON Taalmeesters 2 Stenvert Zelfstandig werken Taal Groep 4 Antwoorden Auteurs Evelien Klok, Michelle Kraak, Hans Vermeer Conceptontwerp omslag: Metamorfose ontwerpers BNO,
Leerstofoverzicht groep 6
Leerstofoverzicht groep 6 Getallen en relaties Basisbewerkingen Leerlijn Groep 6 Uitspraak, schrijfwijze, kenmerken getallen boven 10 000 in cijfers schrijven haakjesnotatie deler en deeltal breuknotatie
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Spanning. J. Kuiper. Transfer Database
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal Reader Spanning J. Kuiper Transfer Database ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Algemeen Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en
Rekenen met verhoudingen
Rekenen met verhoudingen Groep 6, 7 Achtergrond Leerlingen moeten niet alleen met de verhoudingstabel kunnen werken wanneer die al klaar staat in het rekenboek, ze moeten ook zelf een verhoudingstabel
Toets gecijferdheid augustus 2005
Toets gecijferdheid augustus 2005 Naam: Klas: score: Datum: Algemene aanwijzingen: - Noteer alle berekeningen en oplossingen in dit boekje - Blijf niet te lang zoeken naar een oplossing - Denk aan de tijd
INSIGHT Rekentoets. Spoorboekje. Tijd voor rekenen!
INSIGHT Rekentoets Spoorboekje Tijd voor rekenen! Colofon Titel: Subtitel: Uitgave door: Adres: Insight Rekentoets Spoorboekje AMN b.v. Arnhem Oude Oeverstraat 120 6811 Arnhem Tel. 026-3557333 [email protected]
temperatuur in C 3,75 3,25 3,5
32 lok les en 2 C Teken de rest van het stfdiagram. De maximum- en minimumtemperaturen in week 6. max. min. di 3,2,5 wo 2,5 5, do 0,3 2,0 vr 2,0,8 za 0,5 temperatuur in C 3 2 0 di wo do vr za 2 3 5 Welk
Sietse Kuipers. Oefenen met rekenen voor groep 7
Sietse Kuipers Oefenen met rekenen voor groep 7 Auteur: Sietse Kuipers Omslagontwerp: Studio Willemien Haagsma bno 2018 Visual Steps B.V. Eerste druk: maart 2018 ISBN 978 90 5905 694 7 Alle rechten voorbehouden.
Stenvertblok Rekenen 4 Antwoorden
Stenvertblok Rekenen Antwoorden Stenvertblok Rekenen Antwoorden Auteur Gré Schreuder D. Huigen Illustraties Ben Horsthuis Richard Flohr Omslag Metamorfose ontwerpers BNO, Deventer Uitgeverij Bekadidact,
Uitwerkingen Rekenen met cijfers en letters
Uitwerkingen Rekenen met cijfers en letters Maerlant College Brielle 5 oktober 2009 c Swier Garst - RGO Middelharnis 2 Inhoudsopgave Rekenen met gehele getallen 7. De gehele getallen.....................................
Doelenlijst 5: GETALLEN onderdeel KOMMAGETALLEN
Doelenlijst 5: GETALLEN onderdeel KOMMAGETALLEN 45 Passende Perspectieven rekenen Doelenlijst 5: Getallen, onderdeel Kommagetallen Doel: Orde van grootte, uitspraak, schrijfwijze en betekenis van kommagetallen
Rekenen Oefenboek (1) Geschikt voor LVS-toetsen van CITO 3.0 Groep 6
Rekenen Oefenboek (1) Geschikt voor LVS-toetsen van CITO 3.0 Groep 6 2019 Junior Einstein bv Enschede, the Netherlands Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets
Hoe maak je nu van breuken procenten? Voorbeeld: Opgave: hoeveel procent van de onderstaande tekening is zwart gekleurd?
Procenten Zoals op de basisschool is aangeleerd kunnen we een taart verdelen in een aantal stukken. Hierbij krijgen we een breuk. We kunnen ditzelfde stuk taart ook aangegeven als een percentage. Procenten:
Aandachtspunten. blok 1, les 1 blok 1, les 6 blok 2, les 1 blok 3, les 8. blok 1, les 3 blok 1, les 11 blok 3, les 1
Aandachtspunten 313 Aandachtspuntenlijst 1, bij blok 1, 2 en 3 1 De telrij tot en met en boven 10 000. Het kind kan geen getallen plaatsen op de getallenlijn met steunpunten. Het kind heeft weinig inzicht
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal. Reader. Wet van Ohm. J. Kuiper. Transfer Database
Noorderpoort Beroepsonderwijs Stadskanaal Reader Wet van Ohm J. Kuiper Transfer Database ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Algemeen Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs
Rekenen Oefenboek (2) Geschikt voor Cito 3.0, IEP, LVS en andere toetsen
Rekenen Oefenboek (2) Geschikt voor Cito 3.0, IEP, LVS en andere toetsen 2018 Junior Einstein bv Enschede, the Netherlands Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag
2A LEERLIJN. leerjaar 1. tellen. optellen en aftrekken GROEPEREN VERMENIGVULDIGEN EN DELEN. plaats en waarde. handig rekenen 1 ORDENEN EN UITSPREKEN
2A LEERLIJN leerjaar 1. 1. tellen 1.1 Tellen in groepjes 1.2 Vooruittellen en terugtellen 7. optellen en aftrekken 7.1 Optellen 7.2 Aftrekken 2. GROEPEREN 2.1 Groeperen en inwisselen 2.2 Springen met grotere
handleiding leerjaar 6 blok 1
handleiding leerjaar 6 blok 1 Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Redactie: Fundamentaal,
Deel 12 en 13 van De Wiskanjers Zorg: Curriculumdifferentiatie
Deel 12 en 13 van De Wiskanjers Zorg: Curriculumdifferentiatie Deze mappen willen wegwijzers aanreiken om vanuit begrip en respect het beste te halen uit die leerlingen die de basis wiskundeleerstof uit
Deel C. Breuken. vermenigvuldigen en delen
Deel C Breuken vermenigvuldigen en delen - 0 Sprongen op de getallenlijn. De sprongen op de getallenlijn zijn even groot. Schrijf passende breuken of helen bij de deelstreepjes. 0 Welk eindpunt wordt bereikt
Onthoudboekje rekenen
Onthoudboekje rekenen Inhoud 1. Hoofdrekenen: natuurlijke getallen tot 100 000 Optellen (p. 4) Aftrekken (p. 4) Vermenigvuldigen (p. 5) Delen (p. 5) Deling met rest (p. 6) 2. Hoofdrekenen: kommagetallen
Handleiding. Reken-wiskundemethode voor het primair onderwijs. Katern 1S en 1F
I Handleiding Reken-wiskundemethode voor het primair onderwijs Katern 1S en 1F Handleiding bij de katernen 1F en 1S 1 In 2010 hebben de referentieniveaus een wettelijk kader gekregen. Basisscholen moeten
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 5 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs 20 d e l e n i n s t a p h a n d l e i d i n g Inleiding Middels het programma maken de leerlingen kennis met vernieuwende elementen uit de methode
