Inhoudsopgave INHOUDSOPGAVE 1
|
|
|
- Rebecca Peters
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 INHOUDSOPGAVE 1 Inhoudsopgave 1 Ringen Definitie, voorbeelden, elementaire eigenschappen Eenheden en nuldelers Constructies van ringen Opgaven Ringhomomorfismen en idealen Ringhomomorfismen De factorring R/I Rekenen met idealen Opgaven Polynoomringen Polynomen Evaluatiehomomorfismen Delen met rest van polynomen Polynoomringen over een lichaam Polynoomringen over een domein Differentiëren Opgaven Priemidealen en maximale idealen Priemidealen Maximale idealen Het lemma van Zorn Opgaven Deling in ringen Irreducibele elementen Hoofdideaaldomeinen Ontbindingsdomeinen Deelbaarheid Het factoriseren van polynomen Opgaven Modulen Definities R-moduulhomomorfismen Direkte sommen Een bovendriehoeksvorm voor matrices
2 INHOUDSOPGAVE Opgaven Lichamen Priemlichamen en karakteristiek Algebraïsch en transcendent Eindige en algebraïsche uitbreidingen Het bepalen van het minimumpolynoom Opgaven Lichaamsautomorfismen en ontbindingslichamen Lichaamshomomorfismen Ontbindingslichamen Opgaven Eindige lichamen Classificatie van eindige lichamen Structuur van eindige lichamen Irreducibele polynomen in F q [X] De vermenigvuldigingsgroep van een eindig lichaam Opgaven Algebraïsch afgesloten lichamen Opgaven Symmetrische polynomen Opgaven De getallen van Gauss Sommen van kwadraten Euclidische ringen Het Euclidische algoritme Opgaven Projectieve Modulen Quotiënten van modulen Homomorfismen van R-modulen Hom en exactheid Eigenschappen van projectieve modulen Opgaven
3 INHOUDSOPGAVE 3 14 Cyclotomische lichamen De kwadratische reciprociteitswet De p-de eenheidswortels over Q Opgaven
4 1 RINGEN 4 1 Ringen 1.1 Definitie, voorbeelden, elementaire eigenschappen Definitie 1.1 Een ring (met 1) (ook wel unitaire ring genoemd) is een vijftupel (R, +,, 0, 1) met R een verzameling, + en afbeeldingen: + : R R R, (a, b) a + b : R R R, (a, b) ab, en 0 en 1 elementen van R, zodanig dat de volgende eigenschappen (R1) t/m (R4) gelden: (R1) (R, +, 0) is een abelse groep; dit houdt dus in: (G1) a + (b + c) = (a + b) + c voor alle a, b, c R; (G2) 0 + a = a + 0 = a voor alle a R; (G3) voor elke a R is er een tegengestelde a R waarvoor geldt a + ( a) = ( a) + a = 0; (G4) a + b = b + a voor alle a, b R. (R2) a(bc) = (ab)c voor alle a, b, c R (associativiteit van ); (R3) a(b + c) = ab + ac en (b + c)a = ba + ca voor alle a, b, c R (de distributieve wetten). (R4) 1a = a1 = a voor alle a R. Een ring R heet commutatief als bovendien voldaan is aan (R5): (R5) ab = ba voor alle a, b R. Als a, b R dan heten a + b en ab de som en het product van a en b; het product ab wordt soms ook genoteerd als a b. De afbeeldingen + en heten de optelling en de vermenigvuldiging in R. Als (R, +,, 0, 1) een ring is zegt men wel dat R een ring is met optelling +, vermenigvuldiging, nulelement 0 en eenheidselement 1. Een triviaal voorbeeld van een ring is de nulring ({0}, +,, 0, 0), met = 0 0 = 0. Men komt ook definities tegen van ringen (R, +,, 0) waarbij (R1) t/m (R3) moeten gelden; zulke ringen noemen we niet-unitaire ringen. Een delingsring (of scheeflichaam) is een ring R die behalve aan (R1) t/m (R4) ook voldoet aan (R6): (R6) 1 0, en voor alle a R, a 0 is er een inverse a 1 R waarvoor geldt a a 1 = a 1 a = 1.
5 1 RINGEN 5 Een lichaam (Engels: field; Frans: corps; Duits: Körper) is een commutatieve delingsring (dus (R1) t/m (R6)). Een eenvoudig voorbeeld van een lichaam is de verzameling {0, 1} met optelling als in de abelse groep Z/2Z en product 0 0 = 0 1 = 1 0 = 0 en 1 1 = 1. Het eenheidselement is 1 ( 0), dit lichaam geven we aan met F 2. Voorbeeld 1.2 De verzamelingen Z, Q, R, C der gehele, rationale, reële, complexe getallen (respectievelijk) zijn met de gebruikelijke optelling en vermenigvuldiging ringen. Verder zijn Z, Q, R en C commutatief. De ringen Q, R en C zijn lichamen, maar Z niet (aan (R6) is niet voldaan). Voorbeeld 1.3 Laat n Z >0. Op de verzameling Z/nZ = {0, 1,..., n 1} met i = i + nz Z, is een optelling gedefinieerd, omdat dit de nevenklassen zijn van de normale ondergroep nz van Z. De regel a b := a b, waarbij de rechts de gewone vermenigvuldiging in Z is, definieert een product (ga na dat als a = a 1 en b = b 1 dat dan a b = a 1 b 1 ). Ten opzichte van deze bewerkingen is Z/nZ een commutatieve ring met eenheidselement 1. In 1.18 zullen we zien dat Z/nZ een lichaam is dan en slechts dan als n een priemgetal is. Voor n = 1 is Z/nZ de nulring. Voorbeeld 1.4 Laat n Z 0. De verzameling M(n, R) der n n-matrices met reële coëfficiënten is, met de gebruikelijke matrix-optelling en matrixvermenigvuldiging, een ring met eenheidselement. Voor n 2 is deze ring niet commutatief. Op analoge wijze kan men voor een willekeurige ring R en n Z 0 de ring M(n, R) definiëren. Voorbeeld 1.5 Laat K een lichaam zijn (bv. R of Q) en laat α, β K {0}. De quaternionenalgebra (α, β) K bestaat uit uitdrukkingen (quaternionen) van de vorm: a + bi + cj + dk, met a, b, c, d K. Twee quaternionen zijn gelijk als de componenten het zijn: a + bi + cj + dk = a + b i + c j + d k a = a, b = b, c = c, d = d. De quaternionenalgebra is een ring. Quaternionen worden componentsgewijs opgeteld: (a+bi+cj +dk)+(a +b i+c j +d k) = (a+a )+(b+b )i+(c+c )j +(d+d )k.
6 1 RINGEN 6 De vermenigvuldiging van quaternionen berust op de regeltjes: ij = ji = k, i 2 = α, j 2 = β, en x(a + bi + cj + dk) = (a + bi + cj + dk)x = ax + bxi + cxj + dxk, met x = x + 0 i + 0 j + 0 k K. Om een ring te verkrijgen moet dan zeker gelden: k 2 = (ij)(ij) = ((ij)i)j = (i(ji))j = i 2 j 2 = αβ, ik = i(ij) = αj, ki = ( ji)i = αj, jk = j( ji) = βi, kj = (ij)j = βi. Uitgewerkt levert dit (a + bi + cj + dk) (a + b i + c j + d k) = = (aa + bb α + cc β dd αβ) +(ab + ba cd β + dc β)i +(ac + bd α + ca db α)j +(ad + bc cb + da )k Men kan nu rechtstreeks verifiëren dat de quaternionen een ring vormen. Voor een quaternion q = a + bi + cj + dk schrijven we We definiëren q := a bi cj dk. N(q) := qq = (a + bi + cj + dk)(a bi cj dk) = a 2 αb 2 βc 2 + αβd 2, i.h.b. geldt N(q) K voor elk quaternion q. Merk op dat N(q) 0 (a+bi+cj +dk) 1 = 1 N(q) q = Dit impliceert: a N(q) b N(q) i c N(q) j d N(q) k. (α, β) K is een delingsring precies dan als voor alle a, b, c, d K geldt: N(a + bi + cj + dk) = 0 = a = b = c = d = 0.
7 1 RINGEN 7 Als nl. geldt: N(q) = 0 q = 0 dan heeft q 0 als inverse q 1 := 1 N(q) q en dus is (α, β) K een delingsring. Omgekeerd, als er een q 0 is met N(q) = 0 dan is qq = 0. Zou deze q toch een inverse q 1 hebben, dan: 0 = q 1 qq = 1 q = q, maar dan is ook q = 0, een tegenspraak. Zo n q kan dus geen inverse hebben en (α, β) K is geen delingsring. In geval K = R definieert men de quaternionen van Hamilton (1843; Sir William Rowan Hamilton, Engels-Iers wiskundige, ) als zijnde de quaternionen algebra ( 1, 1) R en men schrijft: H := ( 1, 1) R, dwz. in H : i 2 = j 2 = k 2 = 1. In het bijzonder is H een delingsalgebra want N(q) = a 2 +b 2 +c 2 +d 2 = 0 met a, b, c, d R precies dan als a = b = c = d = 0. Tenslotte een voorbeeld van een quaternionenalgebra die geen delingsalgebra is. In M(2, R) vinden we de volgende matrices: i := ( ), j := ( ), k := ij = ji := ( ) p q Voorts is iedere matrix in M(2, R) te schrijven als = r s = p + s 2 ( ) + p s ( ) + q + r ( ( ). ) + q r ( Op deze wijze zien we dat M(2, R) geïdentificeerd wordt met de quaternionenalgebra (1, 1) R. Het is geen delingsalgebra want bv. j + k 0 maar N(j+k) = 0, dus (j+k) kan geen inverse hebben in de quaternionen algebra (1, 1) R. Voor meer voorbeelden van ringen en methoden om ringen te construeren verwijzen we naar paragraaf 1.3. Definitie 1.6 Een deelverzameling R van een ring R heet een (unitaire) deelring van R als aan (D1), (D2) en (D3) voldaan is: (D1) 1 R ; (D2) R is een ondergroep van de additieve groep van R, d.w.z. a b R voor alle a, b R ; (D3) ab R voor alle a, b R. ).
8 1 RINGEN Een deelring R van een ring R is zelf een ring, met de optelling en vermenigvuldiging van R. Is R commutatief, dan is R het ook. Een triviaal voorbeeld van een deelring van R is R zelf. Voorbeeld 1.7 De verzameling Z[i] = {a + bi : a, b Z} C is met de gewone optelling en vermenigvuldiging van complexe getallen een ring, en is dus een deelring van C. We noemen Z[i] wel de ring van gehele getallen van Gauss. Het is een commutatieve ring met 1, maar geen lichaam. De verzameling Q[i] = {a + bi : a, b Q} is ook een deelring van C en is wèl een lichaam: de inverse van a + bi ( 0) wordt gegeven door Analoge opmerkingen zijn van toepassing op Z[ m] = {a + b m : a, b Z}, Q[ m] = {a + b m : a, b Q}, a + a 2 +b 2 b i. a 2 +b 2 waar m een geheel getal voorstelt dat niet een kwadraat is (dus met m = 1 vindt men Z[i] en Q[i]). Stelling 1.8 Laat R een ring zijn. Dan geldt voor alle a, b, b 1,..., b n, c R: a(b 1 + b b n ) = ab 1 + ab ab n, (b 1 + b b n )a = b 1 a + b 2 a b n a, a(b c) = ab ac a 0 = 0 a = 0. Bewijs. De eerste twee volgen met volledige inductie naar n uit de distributieve wet (R3). Verder geldt a(b c) + ac = a( (b c) + c) = ab dus a(b c) = ab ac. Tenslotte a 0 = a (0 0) = a 0 a 0 = 0 en analoog 0 a = 0. Dit bewijst de stelling. 1.2 Eenheden en nuldelers Wegens (R1) is elke ring R een abelse groep ten opzichte van de optelling. Deze groep geeft men wel aan met R + ; dus R + is dezelfde verzameling als R, met dezelfde optelling, maar de vermenigvuldiging is vergeten. Ten opzichte van de vermenigvuldiging vormt een (unitaire) ring R nooit een groep, tenzij R = {0}. De volgende definitie geeft ons de mogelijkheid toch over een multiplicatieve groep te spreken.
9 1 RINGEN 9 Definitie 1.9 Zij R een ring met 1. Een element a R heet een eenheid (of inverteerbaar) als er een b R bestaat met ab = ba = 1. (Let op het merkwaardige taalgebruik: het eenheidselement is wel een eenheid, maar niet andersom.) De verzameling eenheden van R wordt genoteerd R en heet de eenhedengroep van R (het is namelijk een groep, zie stelling 1.11). Men vindt ook wel de notatie U(R) (unit (Engels) = eenheid). Een element a R noemt men een linkseenheid als b R : ab = 1, en een rechtseenheid als c R : ca = Als a R zowel een links- als rechtseenheid is, dan is a een eenheid, nl. ab = 1, ca = 1 = cab = c = b = c. In een commutatieve ring is linkseenheid (of rechtseenheid) natuurlijk hetzelfde als eenheid, maar in een niet-commutatieve ring hoeft een linkseenheid niet een rechtseenheid te zijn: zie Voorbeeld 1.10 Z = {1, 1}, Q = Q {0}, R = R {0}, C = C {0}, H = H {0} In het algemeen geldt, zie (R6): R is een delingsring R = R {0}. Stelling 1.11 De eenhedengroep R van een ring R met 1 is een groep ten opzichte van de vermenigvuldiging. Bewijs. Eerst tonen we aan dat ab R als a, b R. Welnu, als a, b R dan zijn er c, d R met ac = ca = 1, bd = db = 1, en hieruit volgt dat (ab) (dc) = (dc) (ab) = 1, met dc R; dus ab R. De associativiteit van het product volgt direct uit (R2). R heeft een neutraal element, immers 1 R want 1 1 = 1, en uit (R4) laat zien dat 1 aan de eis a 1 = 1 a = a voldoet. Als tenslotte a R dan is er een b R met ab = ba = 1; voor deze b geldt natuurlijk b R, dus elk element van R heeft een inverse in R. Hiermee zijn de 4 axioma s voor een groep geverifieerd en de stelling is bewezen.
10 1 RINGEN Als R commutatief is, is R natuurlijk abels. De omkering geldt niet: men kan een niet-commutatieve (unitaire) ring R construeren waarvoor R abels is, zie opgave 18. Voorbeeld 1.12 Indien A M(n, R) inverteerbaar is met inverse B dan geldt AB = BA = I, met I de identiteitsmatrix. Bovendien geldt: A is een linkseenheid A is een rechtseenheid det(a) 0. Dus M(n, R) = GL(n, R) (dit is in feite de definitie van de groep GL(n, R)). We kunnen hier R ook vervangen door een willekeurige andere (unitaire) commutatieve ring. Voorbeeld 1.13 Zij R = Z[ m] als in 1.7, waar m een geheel getal is dat geen kwadraat is. We definieren de norm N : R Z, N(a + b m) = (a + b m) (a b m) = a 2 mb 2. Gemakkelijk rekent men na: N(αβ) = N(α) N(β) voor alle α, β R, en verder N(0) = 0, N(1) = 1. We beweren: α R N(α) = ±1; : als α = a + b m en N(α) = ±1, dan geldt (a + b m) (a b m) = ±1, dus ±(a b m) is een inverse van α. : als αβ = 1 dan N(α) N(β) = N(αβ) = N(1) = 1, en N(α), N(β) Z, dus N(α) = N(β) = ±1. Hiermee zien we dat het zoeken van eenheden in Z[ m] equivalent is met het oplossen van de vergelijking a 2 m b 2 = ±1 in gehele getallen a, b. Voor m < 0 is het oplossen van deze vergelijking eenvoudig: er geldt a 2 m b 2 = a 2 + m b 2, en omdat kwadraten positief zijn kan dit alleen gelijk aan ±1 zijn in de gevallen a = ±1, b = 0, en Dus er geldt a = 0, b = ±1, m = 1. Z[i] = {1, i, 1, i} (het geval m = 1), Z[ m] = {1, 1} als m < 1.
11 1 RINGEN 11 Voor m > 0 (maar geen kwadraat) is de vergelijking x 2 my 2 = ±1 veel interessanter. Men kan bewijzen dat de vergelijking van Pell x 2 my 2 = 1 steeds een oplossing x, y Z >0 heeft. Dit levert een eenheid ɛ = x + y m > 1 van R, en oneindig veel eenheden van R worden dan gegeven door..., ±ɛ 2, ±ɛ 1, ±1, ±ɛ, ±ɛ 2,... Blijkbaar heeft de vergelijking van Pell dus ook oneindig veel oplossingen. Voorbeeld: voor m = 2 is x 1 = y 1 = 1 een oplossing van x 2 2y 2 = ±1, dus ɛ = Z[ 2]. Beschouwing van ɛ n, n 0, levert de oplossingen x 0 = 1 y 0 = 0 x 5 = 41 y 5 = 29 x 1 = 1 y 1 = 1 x 6 = 99 y 6 = 70 x 2 = 3 y 2 = 2 x 7 = 239 y 7 = 169 x 3 = 7 y 3 = 5 x 4 = 17 y 4 = 12 (Algemeen: x n+1 = 2x n + x n 1, y n+1 = 2y n + y n 1.) Voor m = 67 is de eenvoudigste eenheid die met x = 48842, y = Voor meer informatie zie: H. Davenport, The higher arithmetic, Ch.IV, sec. 11. Daar vindt men ook uitgelegd dat de naam van John Pell ( ) ten onrechte aan de vergelijking verbonden is In een willekeurige ring kan het gebeuren dat a b = 0 terwijl a 0, b 0. Bijvoorbeeld geldt 2 3 = 0 in Z/6Z. In Z/8Z geldt zelfs 2 3 = 0. Definitie 1.14 Een element a van een ring R heet een linkernuldeler als: a 0 en b R : b 0 ab = 0; een rechternuldeler als a 0 en c R : c 0 ca = 0; en een nuldeler als het een linker- of rechternuldeler is. Een nilpotent element is een a R, a 0, en met a n = 0 voor zekere n N. Een nilpotent element is i.h.b. een nuldeler, zowel links als rechts. Een element a R noemt men een idempotent element als a 2 = a en 0 a 1. Een idempotent element is altijd een nuldeler (zowel links als rechts), want a 2 = a impliceert a(a 1) = (a 1)a = 0 en 0 a 1 impliceert a, a 1 0. Voorbeeld 1.15 In M(2, R) bekijken we de volgende elementen: ( ) ( ) ( ) a :=, b :=, c :=, Ga na dat ab = 0, dus a is een linkernuldeler en b is een rechternuldeler. Merk op dat ba 0, maar ca = 0, dus a is (toch) een rechternuldeler. Bovendien is
12 1 RINGEN 12 a 2 = 0, dus a is een nilpotent element (dit toont ook aan dat a zowel rechterals linkernuldeler is). Merk op dat b 2 = b en c 2 = c, dus b en c zijn idempotente elementen. Stelling 1.16 Een element a van een commutatieve ring R met 1 kan niet tegelijk nuldeler en eenheid zijn. Bewijs. Stel dat a een linkernuldeler is: a 0, en ab = 0, met b R, b 0; en tevens een eenheid: ac = ca = 1 (c R). Dan geldt c a b = 1 b = b en ook c a b = c 0 = 0, dus b = 0, een tegenspraak. Het geval dat a een rechternuldeler is wordt analoog afgehandeld. Dit bewijst Opmerking 1.17 Het bewijs van 1.16 laat in feite zien dat in een willekeurige (niet noodzakelijk commutatieve) ring een linkernuldeler geen rechtseenheid (zie voor 1.2.1) kan zijn. Evenzo kan een rechternuldeler geen linkseenheid zijn. In zullen we aan de hand van een voorbeeld zien dat een linkernuldeler wel een linkseenheid kan zijn. Gevolg Een delingsring heeft geen nuldelers. Bewijs. Dit volgt uit 1.2.2, want alle elementen 0 van een delingsring zijn eenheden. Stelling 1.18 Voor n Z >0 geldt: Z/nZ is een lichaam n is een priemgetal. Voor een priemgetal p noteren we het lichaam Z/pZ met F p := Z/pZ. Bewijs. Voor een commutatieve ring R met 1 geldt (zie 1.2.2): R is een lichaam R = R {0}. Als n niet priem is, dan kunnen we schrijven n = ab, met 0 < a, b < n en dus ā, b 0 Z/nZ maar ā b = n = 0. Het element ā Z/nZ { 0} kan dus geen eenheid zijn (zie 1.16) en dus is Z/nZ geen lichaam. Als n wel priem is, en ā 0, dan moeten we laten zien dat ā een inverse heeft. Welnu, de optelgroep (Z/nZ) + heeft orde n, een priem. De ondergroep voortgebracht door ā is dus heel (Z/nZ) +. Omdat 1 (Z/nZ) +, is er dan een m Z zodat mā := ā ā (m keer) gelijk is aan 1. Dan is dus mā = ā m = 1, en m is de gezochte inverse van ā. Hiermee is stelling 1.18 bewezen.
13 1 RINGEN In hoofdstuk 9 zullen we ook voor zekere andere getallen q een lichaam F q definiëren; als q niet priem is, is F q niet hetzelfde als Z/qZ. Definitie 1.19 Een domein (of integriteitsgebied) is een commutatieve ring met 1 0 zonder nuldelers. Voorbeeld 1.20 Voorbeelden van domeinen zijn lichamen (wegens 1.2.5), zoals Q, R, C, F 59, en ook (unitaire) deelringen van lichamen, zoals Z, Z[i]. In zullen we zien dat ieder domein deelring van een lichaam is. Geen domeinen zijn H (niet commutatief), Z/1Z (1 = 0), Z/57Z (3 19 = 0, dus nuldelers). Stelling 1.21 Zij R een ring zonder nuldelers (bijv. een domein), en a, b, c R. Dan geldt: a. ab = 0 a = 0 of b = 0, b. ab = ac a = 0 of b = c. Bewijs. a. is een gevolg van 1.8; : als ab = 0 en a 0 b, dan zouden a en b nuldelers zijn, een tegenspraak. b. ab = ac ab ac = 0 a(b c) = 0 (wegens 1.8) a = 0 of b c = 0 (wegens onderdeel (a)) a = 0 of b = c. Dit bewijst Constructies van ringen We geven nog enkele belangrijke manieren om ringen te construeren Product van ringen Als R 1 en R 2 ringen zijn, dan definiëren we op R = R 1 R 2 een optelling en een vermenigvuldiging door (r 1, r 2 ) + (s 1, s 2 ) = (r 1 + s 1, r 2 + s 2 ), (r 1, r 2 ) (s 1, s 2 ) = (r 1 s 1, r 2 s 2 ) Hierin zijn r 1, s 1 R 1, r 2, s 2 R 2. Het is eenvoudig na te gaan dat R hiermee een ring wordt. Als we het nulelement en het eenheidselement van R met 0 R en 1 R resp. aanduiden dan geldt 0 R = (0, 0) en 1 R = (1, 1). Deze ring is commutatief dan en slechts dan als R 1 en R 2 beide commutatief zijn.
14 1 RINGEN 14 Er geldt R = R 1 R 2. De bewijzen van al deze beweringen worden aan de lezer overgelaten. Een ring R 1 R 2 met R 1 {0} en R 2 {0} heeft altijd nuldelers, want (a, 0) (0, b) = (a 0, 0 b) = (0, 0), voor alle a R 1, b R 2. Tenslotte merken we op dat de elementen (1, 0) en (0, 1) idempotenten van R 1 R 2 zijn Quotiëntenlichamen. Laat R een domein zijn. We gaan een lichaam construeren, het quotiëntenlichaam (ook wel breukenlichaam genoemd) van R, notatie: Q(R), dat R omvat, en waarvan elk element geschreven kan worden als a s 1, met a, s R, s 0. De constructie is een directe generalisatie van de constructie van Q = Q(Z) uitgaande van Z. Laat S = R {0}. Op de verzameling R S = {(a, s) : a, s R, s 0} definiëren we een equivalentierelatie door (a, s) (b, t) at = bs. Dat dit inderdaad een equivalentierelatie is is gemakkelijk na te gaan: reflexiviteit ((a, s) (a, s)) en symmetrie ((a, s) (b, t) (b, t) (a, s)) zijn triviaal, en transitiviteit ((a, s) (b, t) (b, t) (c, u) (a, s) (c, u)) wordt als volgt bewezen. Uit (a, s) (b, t) volgt at = bs, dus ook atu = bsu. Uit (b, t) (c, u) volgt bu = ct, dus ook bus = cts. Maar R is commutatief, dus aut = atu = bsu = bus = cts = cst. Omdat aut = cst = (au cs)t = 0, en t 0, volgt uit 1.19 (b): au = cs. Hieruit volgt dat (a, s) (c, u), zoals verlangd. Laat nu Q(R) de verzameling equivalentieklassen van zijn: Q(R) = (R S)/. Voor de equivalentieklasse waar (a, s) in zit voeren we de suggestieve notatie a in. Dus er geldt: s { a } Q(R) = s : a, s R, s 0, a s = b t at = bs.
15 1 RINGEN 15 We definieren op Q(R) nu een optelling en een vermenigvuldiging door a s + b at + bs = t st a s b t = ab st. (merk op : st 0 want R is een domein), Natuurlijk moeten we wel nagaan dat dit niet afhangt van de keuze van de representanten, d.w.z., als a = a b en = b dan moeten we nagaan dat s s t t a t +b s = at+bs en a b = ab. Inderdaad geldt: s t st s t st a s = a s b t = b t = a s = as b t = bt = (a t + b s )st = a st t + b ts s = as t t + bt s s = (at + bs)s t = a t +b s s t = at+bs st en voor het product is het eenvoudiger. De verificatie dat Q(R) met deze optelling en vermenigvuldiging aan (R1) t/m (R6) voldoet is enigszins tijdrovend maar biedt in het geheel geen moeilijkheden. We concluderen dat Q(R) een lichaam is. We beschouwen R als een deelring van Q(R) door het element a R te identificeren met a 1 Q(R): R Q(R), r = r 1. Merk hierbij op dat er zo geen twee verschillende elementen van R aan elkaar gelijk gemaakt worden, want a = b a 1 = b 1 a = b. Verder verandert 1 1 ook de optelling of vermenigvuldiging niet, want a + b = a 1+b 1 = a+b en evenzo a + b = ab Voor a Q(R) geldt tenslotte a s = a s = as = a = a, dus a = s s s 1 s 1 s as 1. Hiermee is de constructie van het quotiëntenlichaam van R met de aan het begin aangekondigde eigenschappen voltooid. De in voorbeeld 1.20 gedane bewering dat elk domein deelring van een lichaam is hebben we hiermee tevens bewezen. Als K een lichaam is dan is de polynoomring K[X] een domein, en we definiëren het lichaam van rationale functies in één variabele over K door K(X) := Q(K[X]) (voor een precieze definitie van K[X] zie verderop in 3.1). Elementen van K(X) zijn bijvoorbeeld 1 = X 1 X, 2. 1+X X+X 2 1 X+X 3 Voor een in de theorie van de commutatieve ringen belangrijke generalisatie van de constructie van het quotiëntenlichaam verwijzen we naar opgave 28.
16 1 RINGEN Endomorfismenringen. Zij A een additief geschreven abelse groep, en End(A) de verzameling endomorfismen van A: End(A) := {f : A A : f(a + b) = f(a) + f(b) a, b A }. Voor f, g End(A) definiëren we f + g : A A en fg : A A door (f + g)(a) = f(a) + g(a), fg(a) = f(g(a)). Omdat A abels is geldt f + g End(A), en ook geldt fg End(A). Het is gemakkelijk na te gaan dat End(A) met deze optelling en vermenigvuldiging een ring vormt, de endomorfismenring van A. Het is een ring met als eenheidslement id A, de identieke afbeelding. Deze is niet het nulelement, behalve in het geval A = 0. Laat A = R n, met n Z >0. Aangezien elke n n-matrix over R is op te vatten als een R-lineair endomorfisme van de vectorruimte A, en matrix optelling en -vermenigvuldiging corresponderen met de boven gedefinieerde optelling en vermenigvuldiging van endomorfismen, zien we dat M(n, R) te beschouwen is als deelring van End(A). Omdat M(n, R) niet-commutatief is voor n 2 zien we dat End(A) niet voor elke abelse groep A commutatief is. Vervolgens nemen we A = R[X] + (de additieve groep van de polynoomring over R), een oneindigdimensionale vectorruimte over R. Definieer f, g, x End(A) door f : a 0 + a 1 X a n X n a 1 + a 2 X a n X n 1, g : a 0 + a 1 X a n X n a 0, x : a 0 + a 1 X a n X n a 0 X + a 1 X a n X n+1. We schrijven verder 1 = id A, het eenheidselement van End(A). Men rekent nu eenvoudig na, dat in End(A) geldt: fx = 1, fg = 0, gx = 0. Dus f is een linkseenheid en een linkernuldeler in End(A). Wegens opmerking 1.17 kan f geen rechtseenheid of rechternuldeler zijn. Evenzo is x een rechtseenheid en een rechternuldeler, maar geen linkseenheid of linkernuldeler. Differentiatie geeft een d End(A): d : a 0 + a 1 X a n X n a 1 + 2a 2 X na n X n 1.
17 1 RINGEN 17 Merk op dat geldt: en dx(a 0 + a 1 X a n X n ) = d(a 0 X + a 1 X a n X n+1 ) = a 0 + 2a 1 X (n + 1)a n X n, xd(a 0 + a 1 X a n X n ) = x(a 1 + 2a 2 X na n X n 1 ) = a 1 X + 2a 2 X na n X n. Voor elke f A is blijkbaar (dx xd)f = f, dus in de ring End(A) geldt: dx xd = id A. We beschouwen R als deelring van End(A) door: a : a 0 + a 1 X a n X n aa 0 + aa 1 X aa n X n. Omdat End(A) een ring is, zit ook elke eindige lineaire combinatie D := < i,j a ij x i d j, a ij R in End(A). Door herhaald toepassen van de regel dx xd = 1 zien we dat { < } W := a ij x i d j End(A) een deelring van End(A) is. We noemen W de Weylalgebra. i,j Ringen van functies. Zij V een verzameling, R een ring, en T = R V de verzameling afbeeldingen van V naar R. Men maakt T tot een ring door voor f, g : V R som f + g en product fg als volgt te definiëren: (f + g)(v) = f(v) + g(v) R, (fg)(v) = f(v) g(v) R, voor v V. Geldt V = {v 1, v 2,..., v n }, met n Z >0, dan zien we dat R V dezelfde ring is als R R... R (product van ringen: zie 1.3.1) ziet men in dat R V voor #V 2, R {0} steeds nuldelers heeft. Andere interessante ringen krijgt men door extra voorwaarden aan de functie in T op te leggen. Zij bijvoorbeeld V = [0, 1], het gesloten interval van 0 tot 1, en R = R, en beschouw C([0, 1]) = {f : [0, 1] R : f is continu}.
18 1 RINGEN 18 Dit is een deelring van de zojuist gedefinieerde ring R [0,1], en deze deelring heeft nog steeds nuldelers: definieer f, g C([0, 1]) door x 1, x f(x) = 0 x < x, x g(x) = 0 x > 1 2 dan geldt f 0 g en fg = Groepenring. Zij R een ring en G een multiplicatief genoteerde groep. De groepenring R[G] van G over R bestaat uit alle uitdrukkingen a g g g G met a g R voor alle g G, en a g = 0 voor bijna alle g G. Twee dergelijke uitdrukkingen a g g en b g g beschouwt men alleen als gelijk g G g G als g G : a g = b g. Optelling geschiedt componentsgewijs: ( ) ( ) a g g + b g g = g + b g ) g, g G(a g G g G en de vermenigvuldiging vindt men door de vermenigvuldiging in R met die in G te combineren: (a g g) (b h h) = (a g b h ) gh (a g, b h R, g, h G), dus uitgewerkt met de distributieve wet: ( g G a g g) ( h G b h h) = k G ( g,h,gh=k a g b h )k. We laten het aan de lezer over na te gaan dat R[G] met deze bewerkingen inderdaad een ring is. Als R en G beide commutatief zijn, is ook R[G] commutatief. Heeft R een 1, dan heeft ook R[G] een eenheidselement, nl. 1.e, waarbij e het neutrale element van G aangeeft; in het vervolg schrijven we hiervoor gewoon 1.
19 1 RINGEN 19 Als R een 1 heeft, kunnen we G opvatten als ondergroep van R[G], door g = { 0 als h g a h h, met a h = 1 als h = g. h G Heeft g orde n, met 1 < n <, dan is een nuldeler van R[G], want 1 + g + g g n 1 (1 g)(1 + g g n 1 ) = 1 g n = 0, en 1 g 0. Het is een onopgelost probleem of R[G] nuldelers kan hebben in het geval dat R een lichaam is en G een groep die geen elementen van eindige orde behalve e bevat.
20 1 RINGEN Opgaven 1. Stel dat een element 1 in een ring R de eigenschap heeft dat 1 a = a1 = a voor alle a R. Bewijs dat 1 = Zij R een ring. Bewijs dat elke a R precies één inverse heeft. 3. Bewijs dat de verzameling 2Z der even gehele getallen met de gebruikelijke optelling en vermenigvuldiging een commutatieve ring zonder eenheidselement is. 4. Laat M(2, 2Z) de deelverzameling van M(2, R) (zie 1.4) zijn bestaande uit die 2 2-matrices waarvan de coefficienten tot 2Z behoren. Bewijs: M(2, 2Z) is met de gewone matrixoptelling en -vermenigvuldiging een niet-commutatieve ring zonder eenheidselement. 5. Zij A een additief geschreven abelse groep, en definieer op A een vermenigvuldiging door a b = 0 voor alle a, b A. Bewijs dat A hiermee een commutatieve ring wordt. Heeft deze ring een eenheidselement? 6. Laat R een niet-unitaire ring zijn met R + = Q/Z. Bewijs dat voor alle a, b R geldt: ab = Zij m een geheel getal dat geen kwadraat is, en α := 1+ m 2 C. a. Voor welke m is Z[α] := {a + bα : a, b Z} een deelring van C? b. Hoe ziet Z[α] er als deelverzameling van het complexe vlak uit als m = 3? 8. Zij R een ring (niet noodzakelijk unitair), en definieer op Z R een optelling en een vermenigvuldiging door voor n, m Z, r, s, R (met (n, r) + (m, s) = (n + m, r + s), (n, r) (m, s) = (nm, ns + mr + rs) ns = s + s s (n keer) voor n > 0, etc.). a. Bewijs dat Z R hiermee een ring met eenheidselement wordt.
21 1 RINGEN 21 b. Bewijs dat iedere ring kan worden ingebed als deelring in een ring met eenheidselement. 9. Zij R een ring met 1, en H een additieve ondergroep van R. Laat R 0 = {x R : h H : xh H}. Bewijs dat R 0 een deelring van R is, R 0 {0} als R {0}. 10. Laat R een ring zijn, en a R. Definieer λ a, φ a : R R door λ a (x) = ax, φ a (x) = xa. Bewijs dat λ a en φ a endomorfismen van de additieve groep R + van R zijn. 11. Laat R een ring zijn. Definieer op R een nieuwe vermenigvuldiging door a b = ba, voor a, b R. Bewijs dat R met zijn oorspronkelijke optelling en deze nieuwe vermenivuldiging een ring is. Deze ring heet de tegengestelde ring van R, notatie: R Zij R een ring. Het centrum van R is Z(R) = {a R : x R : ax = xa}. Bewijs dat dit een deelring van R is. 13. Laat R een ring zijn met de eigenschap: x 3 = x voor alle x R. Bewijs: x + x + x + x + x + x = 0 voor alle x R. 14. Stel dat R een ring is die uit 10 elementen bestaat. Bewijs dat R commutatief is. 15. ( Binomium van Newton). Laat R een ring zijn. Voor n Z, r R definiëren we nr R als in opgave 8. a. Stel R is commutatief. Bewijs dat ( ) (a + b) n = voor alle a, b R en n Z >0. n k=0 ( n k ) a k b n k b. Bewijs omgekeerd, dat als ( ) voor alle a, b R en n Z >0 geldt, de ring R commutatief is. 16. Zij α = 1, het reële getal waarvoor geldt α 3 = α + 1. Bewijs dat Z[α] := {a + bα + cα 2 : a, b, c Z} een deelring van R is, en dat α, α 1, α 2 1, α 3 1 Z[α].
22 1 RINGEN Zij R een commutatieve ring met 1 en n Z >0. Voor A M(n, R) is det(a) volgens de uit de lineaire algebra bekende formule gedefinieerd: det(a) = σ S n ɛ(σ) n a iσ(i) als A = [a ij ] 1,i,j n. i=1 Bewijs: A M(n, R) det(a) R. {( a b 18. Zij R een ring met 1 0, en T = c d ) } M(2, R) : c = 0. a. Bewijs dat T een deelring van M(2, R) is, en dat T niet commutatief is. b. Bewijs: [ a b 0 d ] T a R en d R. c. Bewijs: T is commutatief R = {1}. d. Stel dat R = Z/2Z. Bewijs: T is een niet-commutatieve ring met een commutatieve eenhedengroep. 19. Laat m Z >0, m / Z. a. Laat ɛ = a + b m Z[ m]. Bewijs: {ɛ, ɛ 1, ɛ, ɛ 1 } = {±a ± b m}, en concludeer hieruit: ɛ > 1 a > 0 b > 0. b. Laat gegeven zijn dat Z[ m] {±1}. Bewijs dat Z[ m] een kleinste eenheid ɛ 1 met ɛ 1 > 1 bezit, en dat Z[ m] =< 1, ɛ 1 > = (Z/2Z) Z. 20. Laat R een ring zijn, en a R. Definieer S = {x R : ax = xa}. a. Bewijs dat S een deelring van R is. b. Bewijs: S = R S. 21. Laat A M(n, R). Bewijs: A is een linkernuldeler A is een rechternuldeler A 0 en det(a) = Geef een voorbeeld van een commutatieve ring R met 1, die een element a bevat met de eigenschappen: a 0, a is geen eenheid van R, en a is geen nuldeler van R. 23. Geef een voorbeeld van een oneindige commutatieve ring die nuldelers bezit.
23 1 RINGEN Zij K een lichaam, en definieer op R = K K een optelling en een vermenigvuldiging door (x, y) + (u, v) = (x + u, y + v), (x, y) (u, v) = (xu, xv). a. Bewijs dat R een niet-commutatieve ring zonder eenheidselement is. b. Bepaal de linkernuldelers van R en de rechternuldelers van R. 25. Zij R een commutatieve ring met 1, en R een deelring van R met 1 R. Geef voor elk van de volgende beweringen een bewijs of een tegenvoorbeeld: a. als R een lichaam is, is R ook een lichaam; b. als R een domein is, is R ook een domein; c. als R een domein is, is R ook een domein. 26. Laten R 1 en R 2 ringen zijn. Bewijs: R 1 R 2 is een domein één van beide ringen R 1, R 2 is een domein en de ander is de nulring {0}. Zelfde opgave met domein vervangen door delingsring, of door lichaam. 27. Een arithmetische functie is een functie f : Z >0 C. De som f 1 + f 2 van twee arithmetische functies f 1 en f 2 is gedefinieerd door (f 1 + f 2 )(n) = f 1 (n) + f 2 (n), door n Z >0. Het convolutieproduct f 1 f 2 van twee arithmetische functies f 1 en f 2 is gedefinieerd door (f 1 f 2 )(n) = d n f 1 (d)f 2 ( n d ) door n Z >0; hierbij wordt gesommeerd over de positieve delers d van n. a. Bewijs dat de verzameling R van alle arithmetische functies een domein is ten opzichte van deze twee bewerkingen. b. Laat f R. Bewijs: f R f(1) Zij R een commutatieve ring met 1, en S R een niet-lege deelverzameling met de eigenschap s, t S = st S.
24 1 RINGEN 24 a. Bewijs dat de relatie gedefinieerd door (a, s) (b, t) u S : atu = bsu een equivalentierelatie op R S is. b. Laat S 1 R = (R S)/, en zij a s S 1 R de klasse waar (a, s) in zit. Bewijs dat S 1 R met de volgende optelling en vermenigvuldiging een commutatieve ring met 1 wordt: a s + b t at + bs =, st a s b t = ab st. c. Bewijs: S 1 R is de nulring 0 S. 29. Zij A een abelse groep. Bewijs: End(A) = Aut(A). 30. Bewijs dat {f C[0, 1]): f is driemaal continu differentieerbaar} een deelring van C([0, 1]) is. 31. Zij R een ring met 1, en a, b R zò, dat ab = 0. Dan geldt (ba) 2 = 0 en 1 + ba R ; bewijs dit. 32. (G. Higman, Proc. London Math. Soc. 46 (1940), ). a. Laat R = Z[S 3 ], a = (13) {1 (12)}, b = 1 + (12) R. Bewijs dat ab = 0, en vind een eenheid van Z[S 3 ] die niet van de vorm ±σ, met σ S 3, is. b. Zij G een groep en g G een element van G van eindige orde waarvoor < g > geen normaaldeler in G is. Bewijs dat Z[G] een eenheid heeft die niet van de vorm ±h, met h G, is. c. Zij G een groep, en g G van orde 5. Bewijs: 1 g g 1 Z[G]. 33. Een Boolese ring (naar de Engelse wiskundige George Boole, ( )) is een ring R waarin geldt x 2 = x voor alle x R. a. Bewijs: x + x = 0 voor alle x in een Boolese ring R. b. Bewijs dat elke Boolese ring commutatief is. c. Stel dat de Boolese ring R een lichaam is. Bewijs: R = F 2.
25 1 RINGEN Zij X een verzameling, en R = P (X) de verzameling deelverzamelingen van X. Voor A, B R (dus A, B X) definiëren we A + B = (A B) (A B), AB = A B. Bewijs dat R hiermee een commutatieve ring met 1 wordt, en dat R een lichaam is dan en slechts dan als #X = 1. Bewijs ook dat R een Boolese ring is (opgave 33). 35. Zij R een (unitaire) ring. Zij v R een rechtsinverse van u R: uv = 1. Bewijs dat de volgende 3 beweringen equivalent zijn: a. u heeft meer dan één rechtsinverse; b. u is geen eenheid; c. u is een linksnuldeler, d.w.z. x 0 : ux = (Kaplansky) Zij R een (unitaire) ring. Bewijs: u heeft meer dan één rechtsinverse = u heeft veel rechtsinverses. (Hint: als uv = 1 en vu 1, beschouw dan de rechtsinverses v + (1 vu)u n.) 37. Zij R een eindige (unitaire) ring en zij u R met u 0. Bewijs dat de volgende uitspraken equivalent zijn: a. u heeft een rechtsinverse; b. u heeft een linksinverse; c. u is geen linksnuldeler; d. u is geen rechtsnuldeler; e. u is een eenheid. 38. Zij R een (unitaire) ring. Bewijs dat voor a, b R geldt: ( ) 1 a 1 ab R 1 ba R M(2, R). b 1
26 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 26 2 Ringhomomorfismen en idealen 2.1 Ringhomomorfismen Definitie Een afbeelding f : R 1 R 2 van een (unitaire) ring R 1 naar (unitaire) een ring R 2 heet een (unitair) ringhomomorfisme als geldt f(1) = 1, f(a + b) = f(a) + f(b), f(ab) = f(a) f(b) voor alle a, b R 1. (Het (unitair) in de definitie van ringhomomorfisme correspondeert met de eerste eis.) Een bijectief ringhomomorfisme heet een ringisomorfisme, de inverse is dan nl. ook een ringhomomorfisme. Twee ringen R 1 en R 2 heten isomorf als er een isomorfisme R 1 R 2 bestaat; notatie: R 1 = R2. Een isomorfisme van een R naar zichzelf heet een (ring)-automorfisme van R. Een (unitair) ringhomomorfisme van een lichaam naar een lichaam heet een lichaamshomomorfisme, en analoog spreken we van een lichaamsisomorfisme en een lichaamsautomorfisme Voorbeelden. a. Is R een deelring van een ring R, dan is de inclusie afbeelding R R een injectief ringhomomorfisme. b. Laat n Z >0. De kanonieke afbeelding f : Z Z/nZ, f(a) = a, is een ringhomomorfisme, omdat a + b = a + b, a b = ab. c. Voor iedere s R is de afbeelding (conjugatie met s): γ s : R R, r srs 1 een (bijectief) ringhomomorfisme. Als R commutatief is, geldt uiteraard dat γ s = id R voor elke s R. In geval R = M(n, R) induceert de overgang op een andere basis van R n een conjugatie met s op M(n, R). d. Zijn R 1, R 2 ringen, dan is de projectie f : R 1 R 2 R 1, f((a, b)) = a, een ringhomomorfisme.
27 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 27 Definitie Zij f : R 1 R 2 een ringhomomorfisme, dan is het beeld van f: f(r 1 ) := {y R 2 : x R 1 met y = f(x)}. De kern van f is (als bij additieve groepen): ker(f) := {x R 1 : f(x) = 0} Ringhomomorfismen hebben eigenschappen die in verscheidene opzichten analoog zijn aan die van groepshomomorfismen. Bijvoorbeeld: is f : R 1 R 2 een ringhomomorfisme, dan is het beeld f(r 1 ) van f een deelring van R 2. Het eenvoudige bewijs laten we aan de lezer over. Omdat een ringhomomorfisme een homomorfisme op de optelgroepen geeft, geldt: ker(f) = {0} f is injectief. De kern van een (unitair) ringhomomorfisme f is een niet-unitaire deelring, immers f(1) hoeft niet 0 te zijn. In de groepentheorie bleek dat niet alle ondergroepen als kern kunnen optreden, maar alleen de normaaldelers. Evenzo zullen we nu zien dat niet alle niet-unitare deelringen als kern van een ringhomomorfisme optreden, maar alleen de idealen, die we nu definiëren. Definitie Laat R een ring zijn. Een ideaal van R is een deelverzameling I R die de volgende twee eigenschappen heeft: (I1) I is een ondergroep van de additieve groep van R, d.w.z.: (H0) 0 I; (H1) a b I voor alle a, b I; (I2) voor alle r R en a I geldt ra I en ar I. Opmerking In plaats van ideaal zegt men ook wel tweezijdig ideaal. Vervangt men (I2) door de zwakkere eis (I2 ) r R : a I : ra I dan krijgt men de definitie van een linksideaal van R. De definitie van een rechtsideaal verkrijgt men door ra door ar te vervangen. Voor een voorbeeld van een linksideaal dat geen rechtsideaal - en dus ook geen ideaal - is zie men opgave 23. We zullen voornamelijk in commutatieve ringen geïnteresseerd zijn, en daar vallen de drie begrippen natuurlijk samen.
28 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 28 Voorbeeld Triviale voorbeelden van idealen zijn {0} en R zelf. Voor iedere n Z is de deelverzameling: een ideaal van Z (ga na). nz := {nk Z : k Z} ( Z) Opmerking Ieder ideaal is een deelring, in het algemeen niet-unitair, maar de omkering geldt bij lange na niet: Z is wel een deelring van Q, maar geen ideaal, want r = 1 2 Q, a = 1 Z, maar ra = 1 2 / Z waaruit blijkt dat niet aan (I2) voldaan is. In het algemeen zien we: is R een ring met 1, en I een ideaal van R met 1 I, dan is I = R (want pas (I2) op a = 1 toe); zie voor een generalisatie hiervan. Stelling Zij f : R 1 R 2 een ringhomomorfisme. Dan is ker(f) een ideaal van R 1. Bewijs. We controleren (I1) en (I2) voor I = ker(f). (I1) Dit volgt uit het feit dat f ook een groepshomomorfisme is R + 1 R + 2. (I2) Voor r R 1, a ker(f) geldt f(a) = 0, dus f(ra) = f(r)f(a) = f(r) 0 = 0, f(ar) = f(a)f(r) = 0 f(r) = 0, waaruit blijkt dat ra, ar ker(f), zoals verlangd. Dit bewijst Verderop (zie 2.2.6) zullen we zien dat ook de omkering van geldt: elk ideaal I, I R, is de kern van een geschikt gekozen ringhomomorfisme. Voorbeeld Voor n > 1 is de kern van het kanonieke ringhomomorfisme f : Z Z/nZ, a ā gelijk aan het ideaal nz uit voorbeeld
29 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 29 Voorbeeld Men rekent eenvoudig na dat: f : Z[i] F 2 (= Z/2Z), a + bi ā + b (a, b Z) een (surjectief, unitair) ringhomomorfisme is. We beweren: ker(f) = { 2r + (1 + i)s Z[i] : r, s Z[i]} = { (1 + i)t Z[i] : t Z[i]}. (Als we hierboven overal i = 1 vervangen door 5, dan blijft het eerste = teken waar, maar het tweede niet, zie opgave 17.) Om te beginnen bewijzen we het eerste = teken: omdat f een ringhomomorfisme is, geldt voor alle r, s Z[i]: f(2r + (1 + i)s) = f(2)f(r) + f(1 + i)f(s) = 0 f(r) + 0 f(s) = 0. Als a + bi ker(f) met a, b Z, dan geldt a + b 0 mod 2 en dus a = b+2k voor zekere k Z. Dan is inderdaad a+bi = b+2k +bi = 2k +(1+i)b met k, b Z Z[i]. Voor het tweede = teken merken we op: 2r + (1 + i)s = (1 + i)(1 i)r + (1 + i)s = (1 + i) ((1 i)r + s) = (1 + i)t, met t = (1 i)r + s, hetgeen bewijst. Anderzijds is evident omdat we r = 0, s = t kunnen nemen. Volgens stelling zijn beide verzamelingen idealen. Ga dit ook zelf na met de definitie van ideaal Zoals we in het vorige voorbeeld zagen, zijn de deelverzamelingen 2Z[i] + (1 + i)z[i], (1 + i)z[i] idealen in Z[i], ze bleken zelfs gelijk te zijn. Algemener: Zij R een commutatieve (unitaire) ring en laat a 1, a 2..., a n R. Het door a 1, a 2,..., a n voortgebrachte ideaal is gedefinieerd als: Ra 1 + Ra Ra n = {r 1 a 1 + r 2 a r n a n : r 1, r 2,..., r n R}. Ga na, met definitie 2.1.5, dat dit inderdaad een ideaal is (indien R niet commutatief is, dan is dit i.h.a. slechts een linksideaal). Als het duidelijk is om welke ring het gaat noteren we dit ideaal ook wel als: (a 1, a 2,..., a n ) := Ra 1 + Ra Ra n.
30 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 30 In geval n = 1, d.w.z. het ideaal is voortgebracht door één element a 1, noemen we het door a 1 voortgebrachte ideaal een hoofdideaal: (a 1 ) = a 1 R = Ra 1 = {ra 1 : r R}. Een voorbeeld van een hoofdideaal is dus het ideaal (2, 1 + i) Z[i], want (2, 1 + i) = (1 + i). Ook het ideaal I = (4, 6) Z blijkt een hoofdideaal te zijn, nl. 2 = ( 1)4 + 6 I dus ook 2Z I (gebruik (I2)) terwijl anderzijds 4, 6 2Z dus ook I = 4Z + 6Z 2Z waarmee aangetoond is dat (4, 6) = (2). Merk op dat a 1, a 2,..., a t zelf bevat zijn in het ideaal Ra 1 +Ra Ra t, (immers 0, 1 R). Ieder ideaal I dat alle a i bevat, bevat ook alle elementen uit Ra 1, Ra 2,..., Ra n (I2) en bevat dan ook alle elementen uit Ra 1 + Ra Ra t. Dus Ra Ra t is het kleinste ideaal waar a 1, a 2,..., a t in zitten. In paragraaf 2.3 zullen we nader ingaan op voortbrengers van idealen Voor een willekeurige ring R kan men een polynoomring R[X] definiëren, zie 3.1 verderop, die geheel analoog is aan polynoomringen zoals Z[X] en R[X]. De volgende stelling formuleren we daarom alvast voor het algemenere geval. Stelling Laat R een commutatieve ring met 1 zijn en α R. Dan is ( n ) n Φ α : R[X] R, Φ α a i X i = a i α i i=0 een (surjectief, unitair) ringhomomorfisme (merk op dat Φ α (f) = f(α)). Bovendien geldt: i=0 ker(φ α ) = (X α) = {(X α)g : g R[X]}. Bewijs. Dat Φ α een ringhomorfisme is, is eenvoudig na te rekenen voor de u bekende R[X], het algemene bewijs gaat net zo (zie ook 3.2.1). We bewijzen nu het tweede deel. : Er geldt Φ α (X α) = α α = 0, dus X α ker(φ α ), en omdat ker(φ α ) een ideaal is geldt dan ook R[X](X α) ker(φ α ). : Stel dat n a i X i ker(φ α ), dan geldt n a i α i = 0, dus i=0 n i=0 a ix i = n i=0 a ix i n i=0 a iα i = n i=0 a i(x i α i ) = n i=0 a i(x i 1 + αx i α i 3 X 2 + α i 2 X + α i 1 )(X α) R[X](X α). i=0
31 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 31 Hiermee is stelling bewezen. Voorbeeld Een eenvoudig voorbeeld is het ringhomomorfisme Φ 0 : R[X] R, f f(0). Als f = a i X i, dan is f(0) = a 0 en dus: ker(φ 0 ) = {f R[X] : f = a i X i en a 0 = 0}. Omdat a 0 = 0 d.e.s.d.a. f = Xg met g = n i=1 a ix i 1 R[X] volgt inderdaad dat ker(φ 0 ) = XR[X]. Voor een tweede voorbeeld merken we op dat in R[X, Y ] elk polynoom te schrijven is als: ( m n ) m a ij X i Y j = a ij X i Y j = f j (X)Y j. i,j j=0 i=0 met f j (X) = n i=0 a ijx i. Een polynoom in twee variabelen X, Y kan dus worden gezien als een polynoom in één variabele Y met coëfficiënten uit de ring R[X]: R[X, Y ] = (R[X])[Y ]. j=0 Voor iedere f R[X] is er dan een ringhomomorfisme: Φ f : R[X, Y ] = (R[X])[Y ] R[X], F (X, Y ) F (X, f(x)). De kern van dit ringhomomorfisme is volgens de stelling het ideaal ker(φ f ) = { (Y f(x))g(x, Y ) : G(X, Y ) R[X, Y ] }. Een speciaal geval hiervan krijgt men voor f = 0. Ga na (zonder de stelling te gebruiken) dat dan bovenstaande inderdaad de kern is. 2.2 De factorring R/I Laat R een ring zijn en I R een ideaal. Dan is I een normale ondergroep van de additieve groep van R (wegens (I1) en het feit dat R + abels is). De verzameling van nevenklassen van I in R: R/I := { ā := a + I R : a R } is dus een (optel)groep. Twee elementen ā, b R/I, d.w.z. twee deelverzamelingen van R als boven, zijn gelijk precies dan als a b I: ā = b a + I = b + I a b I,
32 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 32 immers : a + I = b + I en 0 I geeft dat a + 0 = b + i voor zekere i I, dus a b = i I; : Als a = b + i met i I dan geldt, omdat I een ondergroep van R + is, dat i + I = I en dus dat a + I = b + i + I = b + I. De groepsbewerking wordt gegeven door: (a + I) + (b + I) := (a + b) + I, d.w.z. ā + b = a + b. We definiëren op R/I een vermenigvuldiging door: (a + I) (b + I) := ab + I, d.w.z. ā b = ab. Om na te gaan dat dit goed gedefinieerd is, moeten we bewijzen: als ā = ā 1, b = b1 dan geldt ab = a 1 b 1. Welnu, uit ā = ā 1 volgt a 1 = a + i met i I en analoog is b 1 = b + j voor een j I. Dan is: a 1 b 1 = (a + i)(b + j) = ab + ib + aj + ij = ab + k met k I, immers I is een ideaal zodat ai, bj, ij I wegens (I2) en omdat I een optelgroep is, zit ook hun som k in I. Omdat a 1 b 1 = ab+k, k I, equivalent is met a 1 b 1 = ab, is aangetoond dat de vermenigvuldiging op R/I goed gedefinieerd is. Ga na dat de regel ā b = ab niet goed gedefinieerd is in de groep Q/Z (probeer a = 1, b = 3, a 2 1 = 1, b 2 1 = 2). De ondergroep Z van Q is dan ook geen ideaal in Q, zie We beweren dat R/I nu een ring is. Bij wijze van voorbeeld controleren we één der distributieve wetten (R4): ā( b + c) = ā(b + c) (per definitie van +) = a(b + c) (per definitie van ) = ab + ac (want (R4) geldt in R = ab + ac (per definitie van +) = ā b + ā c (per definitie van ). Op analoge wijze controleert men de overige ring-axioma s. Is R commutatief, dan is R/I het natuurlijk ook. Heeft R een 1, dan is 1 een eenheidselement van R/I. Voorbeeld De ringen Z/nZ zijn speciale gevallen van deze constructie. Nemen we bijvoorbeeld n = 6, dan zien we dat R/I best nuldelers kan hebben als R ze niet heeft.
33 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN De afbeelding φ : R R/I, φ(a) := ā = a + I, heet de natuurlijke of canonieke afbeelding. Stelling Laat R een ring zijn en I een ideaal van R. Dan is de natuurlijke afbeelding φ : R R/I een surjectief ringhomomorfisme met ker(φ) = I. Bewijs. Surjectiviteit van φ is duidelijk. Uit φ(a + b) = a + b = ā + b = φ(a) + φ(b), φ(ab) = ab = ā b = φ(a) φ(b) blijkt dat φ een ringhomomorfisme is. Tenslotte geldt φ(a) = 0 ā = 0 a I dus I = ker(φ). Dit bewijst stelling Gevolg Zij R een ring en I R een deelverzameling. Dan geldt: I is een ideaal van R d.e.s.d.a. er is een ringhomomorfisme f : R R 1 waarvoor geldt ker(f) = I. Bewijs. : dit is : neem R 1 = R/I, f = φ als in Dit bewijst Bovenstaande twee resultaten zijn analoog aan resultaten uit de groepentheorie. We zullen nu de resultaten die overeenkomen met de homomorfieen isomorfiestellingen formuleren. Wegens de verregaande analogie zal het niet nodig zijn lang stil te staan bij de bewijzen. Stelling (De homomorfiestelling voor ringen). Laat f : R 1 R 2 een ringhomomorfisme zijn, en I R 1 een ideaal waarvoor geldt I ker(f). Zij φ : R 1 R 1 /I het canonieke ringhomomorfisme. Dan is er precies één ringhomomorfisme g : R 1 /I R 2 waarvoor geldt f = g φ. Bovendien geldt : ker(g) = φ(ker(f)). R 1 f R2 φ R 1 /I g
34 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 34 Bewijs. Als g bestaat, dan moet gelden: f(a) = g(φ(a)) = g(a + I), voor elke a R 1. We zouden dus willen definiëren: g(a + I) := f(a). Het (mogelijke) probleem van dit voorschrift is dat zou kunnen gelden: a + I = b + I terwijl f(a) f(b). We kunnen dan niet het beeld van de nevenklasse definiëren, want de keuze van de representant van de nevenklasse speelt een rol. In dat geval definieert g(a + I) := f(a) geen afbeelding g : R 1 /I R 2. Uit de aanname I ker(f) volgt evenwel, dat het hier geschetste probleem niet optreedt: a+i = b+i a b I ker(f) f(a b) = 0 f(a) = f(b). Aan een nevenklasse a + I van I kunnen we dus wel een eenduidig bepaald element f(a) in R 2 toevoegen en we hebben een goed gedefinieerde afbeelding g : R 1 /I R 2, a + I f(a). Reken zelf na dat g een ringhomomorfisme is met kern φ(ker(f)). Stelling (De eerste isomorfiestelling voor ringen). Laat f : R 1 R 2 een ringhomomorfisme zijn. Dan is er een isomorfisme van ringen: R 1 /ker(f) = f(r 1 ), ā = a + ker(f) f(a) (a R 1 ). Is in het bijzonder f surjectief, dan geldt R 1 /ker(f) = R 2. Bewijs. We passen de vorige stelling toe met I = ker(f). Dan geeft g : R 1 /ker(f) R 2 een ringhomomorfisme met ker(g) = φ(ker(f)) = 0, d.w.z. g is injectief. Maar dan is g : R 1 /ker(f) f(r 1 ) R 2 een bijectief ringhomomorfisme, en is dus een isomorfisme van ringen. Dit bewijst Voorbeeld De voorbeelden uit de vorige paragraaf, gecombineerd met de eerste isomorfiestelling, laten zien dat: Z[i]/(1 + i) = F 2, R[X]/(X α) = R, R[X, Y ]/(Y f(x)) = R[X]. Voorbeeld We gebruiken de eerste isomorfiestelling om te bewijzen: Z[X]/NZ[X] = (Z/NZ)[X], (N Z), hierin is (Z/NZ)[X] de ring van polynomen met coëfficiënten in Z/NZ.
35 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 35 We definiëren een afbeelding: ψ : Z[X] (Z/NZ)[X], n a i X i i=0 n a i X i, i=0 met a i Z/NZ. Ga zelf na dat ψ een surjectief ringhomomorfisme is. Stel n a i X i = 0 dan : a i = 0 i i=0 wegens de definitie ( a i X i = b i X i precies dan als a i = b i ). Als a i = 0 dan is a i = Nb i voor zekere b i Z. Door N buiten haakje te halen zien we n ψ( a i X i ) = 0 i=0 n n a i X i = N( b i X i ), i=0 i=0 oftewel ker(ψ) = NZ[X] Z[X]. Uit de eerste isomorfiestelling volgt nu het gezochte isomorfisme Voor het ringentheoretische equivalent van de tweede isomorfiestelling verwijzen we naar opgave 28. Met de derde isomorfiestelling correspondeert de volgende stelling. Stelling Zij R een ring, I een ideaal van R en φ : R R/I de natuurlijke afbeelding. Er is een bijectie tussen de idealen J van R/I en de idealen J van R met I J. Deze bijectie voegt aan het ideaal J van R/I het ideaal J van R toe met: J := {x R : φ(x) J } (merk op φ(j) = J ). Voor elk ideaal J van R met I J geldt bovendien: R/J = (R/I) / φ(j) Bewijs. Dit is geheel analoog aan het bewijs van de analoge stelling in de groepentheorie, zie opgave 25 op blz. 48. Dit bewijst stelling Voorbeeld Zij (a, b) R en laat I := (Y b) = (Y b)r[x, Y ]
36 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 36 en J := (X a, Y b) = (X a)r[x, Y ] + (Y b)r[x, Y ]. Dan zijn I en J idealen van R[X, Y ] en er geldt I J. We laten zien dat R[X, Y ]/J = R. De ring R[X, Y ]/I heeft een eenvoudige beschrijving, zie : Φ b : R[X, Y ]/I = R[X], F + I F (X, b). Gebruik makende van het ringisomorfisme Φ b, zien we dat: (R[X, Y ]/I) / φ(j) = R[X]/Φb (φ(j)), met φ : R[X, Y ] R[X, Y ]/I de natuurlijke afbeelding. Om stelling toe te kunnen passen, bepalen we het ideaal Φ b (φ(j)) van R[X]. Definieer Ψ b := Φ b φ : R[X, Y ] R[X], omdat Φ b (φ(f )) = Φ b (F + I) = F (X, b), geldt: Φ b φ = Ψ b : R[X, Y ] R[X], F (X, Y ) F (X, b). Het ideaal Ψ b (J) = Φ b (φ(j)) van R[X] is dan: Φ b (φ(j)) = Ψ b (J) = Ψ b (Y b)ψ b (R[X, Y ]) + Ψ b (X a)ψ b (R[X, Y ]) = 0 + (X a)r[x] = (X a)r[x]. We concluderen dat: R[X, Y ]/J = R[X]/(X a) = R, F + J F (X, b) + (X a) F (a, b), waarbij we stelling nogmaals gebruikten. Omdat de kanonieke afbeelding ψ : R[X, Y ] R[X, Y ]/J een surjectief homomorfisme is met ker(ψ) = J geldt blijkbaar dat ψ : R[X, Y ] R, F F (a, b), een (surjectief) ringhomomorfisme is met kern J. Ga dat zelf nog eens rechtstreeks na als a = b = 0.
37 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN Rekenen met idealen In definieerden we (a 1,..., a n ) = {r 1 a r n a n : r i R}, het ideaal voortgebracht door a 1,..., a n in een commutatieve ring R. Verder is een hoofdideaal een ideaal dat door een enkel element kan worden voortgebracht. We zeggen dat R een hoofdideaalring is als ieder ideaal in R een hoofdideaal is. Stelling De ring Z is een hoofdideaalring. Bewijs. Zij I een ideaal in Z. Als I = {0} dan is I zeker een hoofdideaal. Als I {0}, dan is er een n I, n 0. Zij nu N := min{n I : n > 0 }. We beweren dat I = (N) = NZ, een hoofdideaal. Omdat N I geldt NZ I, wegens (I2). Omgekeerd, zij n I. Deling met rest in Z geeft een q Z en een r Z >0 met: n = qn + r 0 r < N. Omdat I een optelgroep is en n, qn I geldt r = n qn I. Omdat N het kleinste, positieve element in I is, en 0 r < N moet gelden r = 0. Maar dan is: n = qn NZ = (N), dus ook I NZ zodat I = NZ, een hoofdideaal. Hiermee is stelling bewezen. Voorbeeld We laten zien dat het ideaal (X, Y ) = XR[X, Y ] + Y R[X, Y ] R[X, Y ] géén hoofdideaal is. Bewijs van deze bewering. Stel dat (X, Y ) wel een hoofdideaal was. Dan was er een f R[X, Y ], f = a 00 + a 10 X + a 01 Y +..., met fr[x, Y ] = (X, Y ).
38 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 38 Uit fr[x, Y ] XR[X, Y ]+Y R[X, Y ] volgt f = f 1 = Xh+Y k voor zekere h, k R[X, Y ]. Dit impliceert dat a 00 = 0. Merk op dat { X = fh (f) (X, Y ) = Y = fk voor zekere h, k R[X, Y ]. Uit X = fh volgt dat a 10 0 en h(0, 0) = a en uit Y = fk volgt a 01 0 (hierbij gebruiken we a 00 = 0). Dit geeft al een tegenspraak, want nu is: fh = (a 10 X + a 01 Y +...)(a ) = X + a 01 a 1 10 Y +... X, omdat a 01 a De aanname dat (X, Y ) een hoofdideaal is leidt dus tot een tegenspraak, en we concluderen dat (X, Y ) géén hoofdideaal is We zullen verderop nog zien dat R[X] en Z[i] hoofdideaalringen zijn (het bewijs daarvan is analoog aan dat van stelling 2.3.2), maar dat Z[X] en Z[ 5] geen hoofdideaalringen zijn. We laten nu zien dat elke delingsring een hoofdideaalring is, zie gevolg Stelling Zij R een ring met 1, en I een ideaal van R met I R φ. Dan geldt I = R. Bewijs. Laat a I R. Uit a R volgt dat b R : ab = 1. Uit (I2) (met r = b) volgt nu 1 I. Weer met (I2) (met a = 1) volgt dat elke r R tot I behoort, dus R = I. Dit bewijst stelling Gevolg De enige idealen van een delingsring R zijn {0} en R = R 1. Bewijs. Zij I R een ideaal. Bevat I een element a 0, dan a R dus I = R wegens Bevat I geen element 0, dan I = {0}. Dit bewijst gevolg Gevolg Elk (unitair) ringhomomorfisme f : K R van een lichaam K naar een ring R {0} is injectief. In het bijzonder is elk lichaamshomomorfisme injectief. Bewijs. De kern ker(f) van f is een ideaal van K, dus ker(f) = {0} of K (wegens 2.3.6). Maar f(1) = 1 0, dus 1 / ker(f) en ker(f) K. Daarom geldt: ker(f) = {0}, d.w.z. f is injectief. De laatste bewering volgt direct uit de eerste.
39 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN Laat R een ring zijn, en I en J idealen van R. We definiëren de som van I en J door I + J = {x + y : x I, y J}. Aan de hand van definitie gaat men direct na dat I + J een ideaal van R is. Voorts is het duidelijk dat I + J de beide idealen I en J omvat, en dat ieder ideaal dat I en J omvat ook I + J omvat. Dus I + J is het kleinste ideaal dat I en J omvat. Men noemt I en J onderling ondeelbaar of relatief priem als I + J = R, beneden lichten we deze terminologie toe aan de hand van het geval R = Z. Omdat R een 1 heeft, geldt I + J = R 1 I + J (wegens 2.3.5) x I, y J : x + y = 1. De doorsnede I J van twee idealen I en J is ook een ideaal van R, zoals men aan de hand van nagaat. Dit is kennelijk het grootste ideaal dat zowel in I als in J bevat is. Het product van I en J is gedefinieerd door { n } I J = x i y i : n Z 0, x i I, y i J. i=1 Hiervan is ook weer makkelijk na te gaan dat het een ideaal van R is; uit opgave 31 blijkt dat {xy : x I, y J} geen ideaal van R hoeft te zijn. Aangezien x i y i I voor elke x i I en y i J (wegens (I2)), zit elk element n i=1 x i y i van I J in I. Omdat evenzo volgt dat I J J, is hiermee bewezen dat I J I J. I J I J I J I + J R. Sommen, doorsneden en producten kunnen in het algemeen ook voor meer dan twee idealen (maar wel eindig veel, in het geval van producten) gedefinieerd worden, en zijn ook weer idealen. Voorbeeld We gaan nu kijken waar deze begrippen op neerkomen in het geval R = Z. Ieder ideaal van Z is een hoofdideaal Za (zie 2.3.2).
40 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 40 Het nemen van de som van twee idealen (beide {0}) correspondeert nu met het nemen van de ggd van de voortbrengers: Za + Zb = Zd met d = ggd(a, b). Bewijs: volgens stelling geldt: Za + Zb = ZN, d.w.z. (a, b) = (N), voor zekere N Z >0 zodat we alleen nog moeten bewijzen: d = N. Omdat a en b deelbaar zijn door d, en er k, l Z zijn met ak + bl = N geldt d N. Anderzijds, (a, b) = (N) impliceert dat a = a 1 + b 0 = r 1 N en ook b = r 2 N voor zekere r 1, r 2 Z. Dan geldt blijkbaar N a en N b, dus N is een gemeenschappelijke deler van a, b. Omdat d de grootste gemeenschappelijke deler is, geldt N d. Uit d, N Z >0, d N, N d volgt d = N waarmee het bewijs geleverd is. In het bijzonder zien we dat ggd(a, b) = d = ka + lb = d voor zekere k, l Z. De idealen Za en Zb zijn dus onderling ondeelbaar dan en slechts dan als ggd(a, b) = 1, d.w.z. als a en b onderling ondeelbaar zijn. Hiermee is de boven ingevoerde terminologie verklaard. Het nemen van de doorsnee van twee idealen correspondeert met het nemen van de kgv van de voortbrengers: Za Zb = Zc met c = kgv(a, b). Bewijs: x Za Zb x is een veelvoud van zowel a als b x is een veelvoud van c x Zc; einde bewijs. Tenslotte komt het nemen van het product van twee idealen neer op het nemen van het product van de voortbrengers: Za Zb = Zab. Het eenvoudige bewijs hiervan laten we aan de lezer over. Voorbeeld Als R een commutatieve ring is, dan geldt: (a 1,..., a n ) (b 1,... b m ) = (a 1 b 1,..., a i b j,..., a n b m ) zoals je eenvoudig nagaat met de definities. Verder geldt: (a, b) = (a + rb, b)
41 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 41 voor alle a, b, r R (ga na), je mag dus vegen met de voortbrengers. In de ring Z[ 5] geldt bijvoorbeeld: (2, 1 + 5) (3, 1 5) = = (6, 2 2 5, , 6) = (6, 2 2 5, ) = (6, 6 5, 2 2 5, ) = (6, 2 2 5, 1 5) = ((1 + 5) (1 5), 2(1 5), 1 5) = (1 5). De idealen (2, 1+ 5) en (3, 1 5) zijn geen van beide hoofdidealen (zie opgave 17), we zien dat desalniettemin hun product wél een hoofdideaal is. Het vermenigvuldigen van idealen speelt een belangrijke rol in de getaltheorie. Stelling (Chinese reststelling voor ringen). Laat R een commutatieve ring met 1 zijn, en laat I, J onderling ondeelbare idealen van R zijn: Dan is er een ringisomorfisme I + J = R. R/(I J) = (R/I) (R/J), a + (I J) (a + I, a + J) en bovendien geldt: I J = I J. Bewijs. We bewijzen eerst I + J = R impliceert dat I J = I J. De inclusie I J I J is algemeen geldig. Omgekeerd, omdat I +J = R zijn er x I, y J met x + y = 1. Voor iedere z I J geldt dan: z = z 1 = z (x + y) = x z + z y met x z I J (want x I, z J) en z y I J (want z I, y J). Dus z I J. Hiermee is I J = I J bewezen. Laten φ 1 : R R/I en φ 2 : R R/J de canonieke ringhomomorfismen met kern I resp. J zijn, en definieer φ : R (R/I) (R/J) φ(a) := (φ 1 (a), φ 2 (a)). We gaan bewijzen dat φ een surjectief ringhomomorfisme met kern I J is. Dan volgt de verlangde isomorfie R/I J = (R/I) (R/J) direct uit de eerste isomorfiestelling
42 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 42 i. φ is een ringhomomorfisme: φ(ab) = (φ 1 (ab), φ 2 (ab)) = (φ 1 (a)φ 1 (b), φ 2 (a)φ 2 (b)) (want φ 1, φ 2 zijn ringhomomorfismen). Verder geldt: φ(ab) = (φ 1 (a)φ 1 (b), φ 2 (a)φ 2 (b)) = (φ 1 (a), φ 2 (a)) (φ 1 (b), φ 2 (b)) = φ(a)φ(b) (zo is de vermenigvuldiging op een product van twee ringen immers gedefinieerd). Evenzo φ(a + b) = φ(a) + φ(b). Dus φ is een ringhomomorfisme. ii. ker(φ) = I J. Er geldt a ker(φ) (φ 1 (a), φ 2 (a)) = (0, 0) a ker(φ 1 ) a ker(φ 2 ) a I J a I J (want we weten al dat I J = I J). iii. φ is surjectief. Laat x + y = 1 als boven, met x I, y J. Dan en uit x = 1 y volgt Al met al hebben we φ 1 (x) = 0, φ 2 (y) = 0 φ 2 (x) = φ 2 (1) φ 2 (y) = 1 0 = 1 R/J, φ 1 (y) = φ 1 (1 x) = 1 R/I. φ(x) = (0, 1), φ(y) = (1, 0). Laat nu (φ 1 (a), φ 2 (b)) een willekeurig element van (R/I) (R/J) zijn, met a, b R (elk element van (R/I) (R/J) heeft deze vorm, want φ 1 en φ 2 zijn surjectief). Met c = bx + ay geldt nu en evenzo φ 1 (c) = φ 1 (b)φ 1 (x) + φ 1 (a)φ 1 (y) = φ 1 (b) 0 + φ 1 (a) 1 = φ 1 (a) φ 2 (c) = φ 2 (b) dus : φ(c) = (φ 1 (a), φ 2 (b)) waarmee de surjectiviteit van φ bewezen is.
43 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 43 Dit bewijst de chinese reststelling. Gevolg Laten n, m Z onderling ondeelbaar zijn. Dan is er een ringisomorfisme Z/nmZ = (Z/nZ) (Z/mZ), a + nmz (a + nz, a + mz). Bewijs. Dit volgt uit want Zn+Zm = Zggd(n, m) = Z. Dit bewijst gevolg Merk op dat de eis van de ondeelbaarheid van n, m niet gemist kan worden. Bijvoorbeeld Z/4Z = Z/2Z Z/2Z, immers de optelgroepen zijn niet isomorf. Voorbeeld Laat R = Q[X] en laat Er geldt I = Q[X] (X 1) en J = Q[X] (X + 1). 1 2 (X 1) I, 1 2 (X + 1) J, en 1 2 (X 1) + 1 (X + 1) = 1, 2 dus de idealen I en J zijn onderling ondeelbaar. Verder is: en uit volgt dan: I J = Q[X] (X + 1)(X 1) = Q[X] (X 2 1), Q[X]/Q[X](X 2 1) = (Q[X]/I) (Q[X]/J). Blijkens geldt Q[X]/I = Q, f f(1) en Q[X]/J = Q, f f( 1), dus Q[X]/Q[X](X 2 1) = Q Q, f + (X 2 1) (f(1), f( 1)). Voorbeeld Als R = R 1 R 2, waarbij R 1, R 2 ringen met 1 zijn, dan zijn (1,0) en (0,1) idempotenten van R. We gaan nu bewijzen dat in het commutatieve geval alle idempotenten zo verkregen worden. Laat R dus een commutatieve ring (met 1) zijn, en e R een idempotent. We passen toe op I = R e, J = R (1 e).
44 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 44 Uit e + (1 e) = 1 blijkt dat I en J inderdaad onderling ondeelbaar zijn. Verder geldt I J = Re(1 e) = R(e e 2 ) = {0}, omdat e idempotent is. Dus R/I J = R/{0} = R, en levert R = (R/Re) (R/R(1 e)). Onder dit isomorfisme wordt e op (0,1) afgebeeld, en 1 e op (1,0). Blijkbaar is 1 e ook een idempotent, hetgeen ook gemakkelijk direct na te rekenen is. We concluderen dat er een eenduidig verband bestaat, voor een commutatieve ring R met 1, tussen de idempotenten van R en de manieren waarop men R als product van twee ringen R 1 en R 2 kan schrijven. Een expliciet voorbeeld: met R = Z/6Z, e = 4, vindt men de isomorfie Z/6Z = (Z/2Z) (Z/3Z) (zie ook ).
45 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN Opgaven 1. Zij R een ring. Bewijs dat er precies één unitair ringhomomorfisme f : Z R bestaat. N.B. De niet-negatieve voortbrenger van ker(f) noemt men wel de karakteristiek van R, notatie: kar(r). 2. Bewijs dat de karakteristiek van een domein 0 of een priemgetal is. 3. Bewijs dat de volgende ringen geen ringautomorfisme behalve de identiteit hebben: Z, Z/nZ (voor n Z >0 ), Q. 4. Zij σ een ringautomorfisme van R. a. Bewijs: x > 0 σ(x) > 0. b. Bewijs: σ = id R. 5. Laat zien dat C een ringautomorfisme verschillend van de identiteit heeft. 6. Zij K een lichaam, R K een deelring met 1 R, en veronderstel dat elk element van K geschreven kan worden als as 1, met a, s R, s 0. Bewijs: K is isomorf met het quotientenlichaam Q(R) van R. 7. Is det: M(n, R) R een ringhomomorfisme? 8. Laat f : R 1 R 2 een (unitair) ringhomomorfisme zijn. Bewijs dat g = f R 1 een groephomomorfisme R 1 R 2 is, en laat aan de hand van een voorbeeld zien dat g niet surjectief hoeft te zijn als f het is. 9. Zij G = {1, σ} een multiplicatief geschreven groep van orde twee. Definieer f : R[G] R R door f(a + bσ) = (a + b, a b), voor a, b R. Bewijs dat f een ringisomorfisme is. 10. a. Zij R een domein en R een deelring van R met 1 R. Laat zien dat Q(R ) kan worden opgevat als deelring van Q(R) (hint: toon aan dat a a, waarbij de eerste breuk b b in Q(R ) zit en de tweede in Q(R), een goedgedefinieerd en injectief homomorfisme is). b. Bewijs, voor een domein R: R Q(R) : r r 1 is surjectief R is een lichaam.
46 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 46 c. Laat m Z, m / Z. Bewijs dat Q(Z[ m]) kan worden geïdentificeerd met Q[ m]. 11. Bewijs: End(Z + ) = Z, End(Q + ) = Q, End((Z/nZ) + ) = Z/nZ als ringen. 12. Zij A een additief geschreven abelse groep, en B = {a A : a heeft eindige orde}. Definieer I End(A) door I = {σ End(A) : σ(x) = 0 voor alle x B}. Bewijs dat I een ideaal van End(A) is, en dat End(A)/I isomorf is met een deelring van End(B). 13. Zij R een ring. Voor a R definiëren we λ a, ρ a : R R door λ a (x) = ax, ρ a (x) = xa. a. Bewijs: λ a, ρ a End(R + ) voor alle a R. b. Bewijs dat de afbeelding f : R End(R + ), f(a) = λ a, een ringhomomorfisme is. Bewijs voorts dat f unitair en injectief is als R een 1 heeft. c. Bewijs dat de afbeelding g : R 0 End(R + ), g(a) = ρ a, een ringhomomorfisme is, met R 0 de tegengestelde ring gedefinieerd in opgave Een Cauchyrij over Q is een rij (a n ) n=1, met a n Q, waarvoor geldt: ɛ Q >0 : n 0 : n, m > n 0 : a n a m < ɛ. De verzameling Cauchyrijen over Q vormt een ring R, met componentsgewijze bewerkingen. Een nulrij is een rij (a n ) n=1 met a n Q waarvoor geldt: lim a n = 0. Bewijs dat de verzameling I R bestaande uit alle nulrijen een ideaal van R is, en dat R/I = R, het n lichaam der reële getallen. 15. Laat R een ring met 1 zijn en G een groep. Definieer f : R[G] R door f( a g g) = a g. Bewijs dat f een ringhomomorfisme is, en g G g G dat ker(f) wordt voortgebracht door {g 1 : g G}. 16. Zij R = Z[X] en definieer: φ : Z[X] Z/2Z, f f(0) + 2Z.
47 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 47 a. Bewijs dat φ een surjectief homomorfisme is en dat ker(φ) = (2, X). b. Bewijs dat (2, X) geen hoofdideaal is. 17. Zij R = Z[ 5] en zij φ : Z[ 5] Z/3Z, a + b 5 a + b (a, b Z). a. Bewijs dat φ een surjectief ringhomomorfisme is. b. Bewijs dat ker(φ) = (3, 1 5) c. Bewijs dat ker(φ) geen hoofdideaal is. (Aanwijzing: stel ker(φ) = (x), met 3 = xy en 1 5 = xz, bekijk dan N(xy) en N(xz) met N uit 1.13.) d. Bewijs ook dat (2, 1 + 5) geen hoofdideaal is. e. Is het ideaal (3, 1 5) (3, 1 5) een hoofdideaal? 18. Definieer ϕ : Z[i] F 13 door ϕ(a + bi) = a + 5b mod 13. Bewijs dat ϕ een homomorfisme is, en dat ker(ϕ) wordt voortgebracht door 13 en i 5. Vind één voortbrenger voor ker(ϕ). 19. Zij R een ring en I R een linksideaal dat een rechtseenheid bevat. Bewijs: I = R. 20. Laten R 1 en R 2 ringen zijn, en I = {0} R 2 R 1 R 2. a. Bewijs dat I een ideaal van R 1 R 2 is. b. Toon aan dat (R 1 R 2 )/I = R 1. c. Stel dat R 1 en R 2 commutatief zijn. Bewijs dat I een hoofdideaal is. 21. Laten R 1 en R 2 ringen zijn. Bewijs dat alle idealen van R 1 R 2 van de vorm I 1 I 2 zijn, met I i een ideaal van R i (i = 1, 2). 22. Zij R een ring met 1, met de eigenschap dat f : R R, f(x) = x 2, een ringhomomorfisme van R naar zichzelf is. Bewijs: R is commutatief, en kar(r) = 1 of 2 (zie opgave 1); bewijs ook: x ker (f) : 1 + x R.
48 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN a. Bewijs dat {( a b c d ) } M(2, R) : b = d = 0 een linksideaal maar geen rechtsideaal van M(2, R) is. b. Vind een rechtsideaal van M(2, R) dat geen linksideaal is. 24. Laat n Z >0. In deze opgave vatten we de elementen van M(n, R) op als R-lineaire endomorfismen van R n. Met W geven we een R-lineaire deelruimte van R n aan. a. Bewijs dat {A M(n, R) : w W : Aw = 0} een linksideaal van M(n, R) is. b. Bewijs dat {A M(n, R) : v R n : Av W } een rechtsideaal van M(n, R) is. c. Bewijs: elk linksideaal van M(n, R) is van de onder a. aangegeven vorm, en elk rechtsideaal van M(n, R) is van de onder b. aangegeven vorm. d. Bewijs dat {0} en M(n, R) de enige tweezijdige idealen van M(n, R) zijn. 25. Zij I R een ideaal in een ring en zij φ : R R/I de natuurlijke afbeelding. a. Zij J R/I een ideaal. Bewijs dat φ 1 (J ) := {x R : φ(x) J } een ideaal van R is. Merk op dat I φ 1 (J ). b. Bewijs dat J φ 1 (J ) een bijectie geeft tussen de idealen J van R/I en de idealen J van R met I J. c. Bewijs dat voor een ideaal J met I J geldt: (R/I)/φ(J) = R/J. 26. Zij K een lichaam. De ring van de duale getallen over K, notatie: K[ɛ], bestaat uit de uitdrukkingen a + bɛ, met a, b K, die als volgt opgeteld en vermenigvuldigd worden: (a + bɛ) + (c + dɛ) = (a + c) + (b + d)ɛ, (dus ɛ 2 = 0), voor a, b, c, d K. (a + bɛ) (c + dɛ) = (ac) + (ad + bc)ɛ
49 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 49 a. Bewijs: K[ɛ] = K[X]/(X 2 ). b. Bewijs dat K[ɛ] precies drie idealen heeft. c. Bewijs: K[ɛ] = K K + (als groepen). 27. Zij R een ring met 1 0, en I = R R. Stel dat x I : n Z >0 : x n = 0. Bewijs dat I een tweezijdig ideaal van R is, en dat R/I een delingsring is Zij R een ring, I R een ideaal, en R R een deelring. Bewijs: a. R I is een ideaal van R ; b. R + I = {r + s : r R, s I} is een deelring van R; c. R /(R I) = (R + I)/I. 29. Zij R een ring met 1, en definieer { n } [R, R] = r i (x i y i y i x i ) : n Z >0, r i, x i, y i R. i=1 Bewijs dat [R, R] een ideaal van R is, en dat R/[R, R] een commutatieve ring is. 30. Laat en {( ) a b R = c d I = {( 0 b 0 0 Bewijs de volgende uitspraken: ) a. R is een deelring van M(2, R); } M(2, R) : c = 0 } M(2, R) : b R. b. I is een ideaal van R, en R/I = R R; c. R is niet commutatief maar R/I wel. 31. Zij R = Z[X] en I = (2, X) R. Bewijs dat X I I, maar dat X niet geschreven kan worden als xy, met x, y I. Concludeer dat {xy : x, y I} geen ideaal van R is. 32. Zij R een ring, en I, J idealen van R. Bewijs: (I + J) (I J) (I J) + (J I). Bewijs dat gelijkheid geldt als R = Z.
50 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN Bewijs dat ook geldig is voor niet-commutatieve ringen, als men op beide plaatsen I J door I J + J I vervangt. 34. Laat R een ring met 1 zijn, en I 1, I 2, I 3 idealen van R. Bewijs: I 1 + I 3 = R I 2 + I 3 = R (I 1 I 2 ) + I 3 = R. 35. (Chinese reststelling voor meer idealen). Zij R een commutatieve ring met 1, en laten I 1, I 2,..., I t idealen van R zijn die paarsgewijs onderling ondeelbaar zijn, d.w.z. I i + I j = R voor 1 i < j t. Bewijs: R/( t i=1 I i) = t i=1 (R/I i). (Aanwijzing: bewijs (I 1 I 2... I t 1 )+I t = R als in opgave 34, en pas inductie naar t toe.) 36. Zij R een ring met 1 zodanig dat R. Bewijs: R[X]/R[X](X 2 1) = R R. 37. Laat R = {(a, b) Z Z : a b mod 2}. a. Bewijs dat R een deelring van Z Z is. b. Bewijs: Z[X]/Z[X] (X 2 1) = R. c. Bewijs: Z[X]/Z[X] (X 2 1) is niet isomorf met Z Z (aanwijzing: bepaal de idempotenten van R en Z Z). d. Laat zien: er is geen f Z[X] met f(1) = 1, f( 1) = 0. (Wat is het verband tussen dit onderdeel en de rest van de som?) 38. Zij R een commutatieve ring met 1, en laten w 1, w 2,..., w m elementen van R zijn met w i w j R voor alle i, j, 1 i < j m. Laat f = m i=1 (X w i) R[X]. Bewijs: R[X]/R[X]f = R R... R (m factoren). 39. Bewijs: en Q[X]/Q[X](X 3 + X) = Q Q[X]/(X 2 + 1), R[X]/R[X](X 4 1) = R R C. 40. Zij R een commutatieve ring met 1, en Id(R) de verzameling idempotenten van R (inclusief de triviale idempotenten 0, 1). Bewijs: e 1, e 2 Id(R) e 1 + e 2 2e 1 e 2 Id(R), e 1 e 2 Id(R).
51 2 RINGHOMOMORFISMEN EN IDEALEN 51 Laat zien dat Id(R) een commutatieve ring vormt als de optelling en de vermenigvuldiging gedefinieerd worden door e 1 e 2 = e 1 + e 2 2e 1 e 2, e 1 e 2 = e 1 e 2. Onder welke omstandigheden is Id(R) een deelring van R?
52 3 POLYNOOMRINGEN 52 3 Polynoomringen 3.1 Polynomen Laat R een ring zijn. We gaan een ring R[X] definiëren, de polynoomring in een veranderlijke X. Een polynoom (of veelterm) met coëfficiënten in R is een uitdrukking < i=0 a i X i = a 0 + a 1 X + a 2 X 2..., a i R en bijna alle a i gelijk aan nul (d.w.z. n : i > n : a i = 0). De a i heten de coëfficiënten van het polynoom i=0 a ix i. Twee polynomen i=0 a ix i en i=0 b ix i zijn gelijk dan en slechts dan als i 0 : a i = b i. In plaats van het symbool X gebruikt men ook wel andere letters, zoals Y, Z, U, T, X 0, X 1,.... Als a i = 0 voor i > n dan schrijft men het polynoom i=0 a ix i ook wel als a 0 + a 1 X +... a n X n. Termen a i X i met a i = 0 kan men hierin weglaten. Verder schrijft men 1 X i als X i, en ( a) X i als ax i. Bijvoorbeeld: 1 2X + X 3 = 1 + ( 2) X + 0 X X 3. Men duidt een polynoom a i X i vaak aan met een letter als f, of als f(x). De graad gr(f) (of graad(f) of deg(f); Engels: degree) van een polynoom f = i=0 a ix i is de grootste n met a n 0; dus gr(1 2X + X 3 ) = 3. Voor het nulpolynoom 0 = i=0 0 Xi definiëren we gr(0) = (men komt ook andere definities voor gr(0) tegen). De j-de coëfficiënt van een polynoom f = i=0 a ix i is a j. De constante coëfficiënt is de nulde coëfficiënt a 0. Een constant polynoom f is een polynoom met gr(f) 0, dwz met a n = 0 voor n 1 Als f 0 en n = gr(f), dan heet a n de kopcoëfficiënt van f. Een polynoom met kopcoëfficiënt 1 heet monisch (of moniek) We definiëren nu een som en een product op de verzameling van polynomen. De som van twee polynomen is gedefinieerd door: ( ) ( ) a i X i + b i X i = (a i + b i ) X i. i=0 Vermenigvuldigen van polynomen is bepaald door de regel i=0 i=0 (a i X i ) (b j X j ) = (a i b j )X i+j
53 3 POLYNOOMRINGEN 53 en de distributieve wet; dus: ( ) ( ) a i X i b j X j = i=0 j=0 ( ) a i b j X k. k=0 i+j=k Voorbeeld (7 + 3X)(5 X + 2X 2 ) = = ( )X + ( )X X 3 = X + 11X 2 + 6X 3. De verzameling van alle polynomen met coëfficiënten in R wordt aangegeven met R[X]. Stelling De verzameling R[X] is met de zojuist gedefinieerde optelling en vermenigvuldiging een ring, de polynoomring in één veranderlijke over R. De ring R kan opgevat worden als de deelring van R[X] van de constante polynomen: R R[X], r r + 0 X X i Bewijs. Het bewijs hiervan is rechttoe rechtaan. Bij wijze van voorbeeld controleren we (R3), de associativiteit van de vermenigvuldiging: ( ( i=0 a i X i )( ) j=0 b ( j X j ) k=0 c k X k) = ( ( ) ) l=0 i+j=l a ( ib j X l k=0 c k X k) = ( ) m=0 k+l=m ( i+j=l a ib j )c k X m = ( ) m=0 i+j+k=m a ib j c k X m, en analoog laat men zien dat ook ( ) a i X (( i i=0 ) b j X j )( c k X k ) j=0 hieraan gelijk is. Dit bewijst (R3). We laten (R1), (R2) en (R4) aan de lezer over. In de laatste uitspraak is het eenvoudig na te gaan dat de gegeven afbeelding een injectief ringhomomorfisme is. k=0
54 3 POLYNOOMRINGEN 54 Als R commutatief is, dan is R[X] het ook. Heeft R een 1, dan is deze 1 ook een eenheidselement van R[X]. Als R geen nuldelers heeft, dan heeft R[X] evenmin nuldelers (zie opgave 1), en er geldt dan gr(f g) = gr(f) + gr(g) voor f, g R[X], waarbij we + n = n + ( ) = + ( ) = nemen. Als R een domein is, dan is R[X] ook een domein Met inductie definieert men de polynoomring in n variabelen over R door R[X 1, X 2,..., X n ] := (R[X 1,..., X n 1 ])[X n ]. Elementen van R[X 1, X 2,..., X n ] zijn dus uitdrukkingen: f = g 0 + g 1 X n + g 2 X 2 n +..., g i R[X 1..., X n 1 ], met slechts eindig veel g i 0. Men schrijft ook wel: f = a i1 i 2...i n X i 1 1 X i Xn in i 1 0,i 2 0,...,i n 0 met coëfficiënten a i1 i 2...i n R waarvan er slechts eindig veel ongelijk nul zijn. Men gebruikt ook wel de multi-index-notatie f = I a I X I waarbij de multi-index I = (i 1, i 2,..., i n ) loopt over (Z 0 ) n en X I een afkorting is voor X i 1 1 X i X in n Voor polynomen in meer variabelen laten zich verschillende graden definiëren. Voor elke j, 1 j n, is de graad in X j van het bovenstaande polynoom gedefinieerd door gr j (f) := max {m Z 0 : i 1,..., i n : a i1...i n 0 en i j = m} (dus de hoogste macht van X j die echt voorkomt ). De totale graad is gedefinieerd door { } n totgr(f) = max m Z 0 : i 1,... i n : a i1...i n 0 en i j = m Voor het nulpolynoom zullen we deze graden als definiëren. Voorbeeld Voor f = X 1 X 4 2 X 2 1X 2 2 geldt gr 1 (f) = 2, gr 2 (f) = 4, totgr(f) = 5. j=1
55 3 POLYNOOMRINGEN Evaluatiehomomorfismen Zoals bekend kan men in een polynoom f R[X] een reëel of zelfs een complex getal z invullen. Bij vaste z krijgen we zo een afbeelding R[X] C. Als f Z[X] dan kunnen we een a Z invullen en vervolgens f(a) Z/(n) nemen. Dit is hetzelfde als eerst de coëfficiënten van f modulo n nemen en vervolgens ā in te vullen (ga na). De volgende stelling geeft een generalisatie van deze operaties. Stelling (Het evaluatiehomomorfisme) Laat R en S twee ringen zijn. a. Een ringhomomorfisme φ : R S induceert een ringhomomorfisme Φ : R[X] S[X], Φ : a a n X n φ(a 0 )+...+φ(a n )X n. b. Voor iedere s S die voldoet aan st = ts voor alle t S is de afbeelding Ψ s : S[X] S, Ψ s : a 0 +a 1 X+...+a n X n a 0 +a 1 s+...+a n s n een ringhomomorfisme. We schrijven vaak f(s) voor Ψ s (f). c. Voor ieder s S die voldoet aan sφ(r) = φ(r)s voor alle r R is de samenstelling: Φ s : R[X] Φ Ψ S[X] s S een ringhomomorfisme. Het ringhomomorfisme Φ s heet het evaluatiehomomorfisme in s. Bewijs. Voor het eerste onderdeel moeten we laten zien dat voor alle polynomen f = a 0 + a 1 X +..., g = b 0 + b 1 X +... R[X] geldt: Φ(f + g) = Φ(f) + Φ(g), en Φ(fg) = Φ(f)Φ(g). Omdat f + g = (a 0 + b 0 ) + (a 1 + b 1 )X + (a 2 + b 2 )X 2... geldt: Φ(f + g) = φ(a 0 + b 0 ) + φ(a 1 + b 1 )X + φ(a 2 + b 2 )X = φ(a 0 ) + φ(a 1 )X + φ(a 2 )X φ(b 0 ) + φ(b 1 )X +... = Φ(f) + Φ(g)
56 3 POLYNOOMRINGEN 56 Voor de tweede eis schrijven we fg = c 0 + c 1 X + c 2 X , dwz c k = a 0 b k + a 1 b k a k b 0. Dan is φ(c k ) = φ(a 0 )φ(b k ) φ(a k )φ(b 0 ), waaruit volgt dat Φ(fg) def = φ(c 0 ) + φ(c 1 )X + φ(c 2 )X +... = Φ(f)Φ(g). Hiermee is het eerste onderdeel bewezen. Voor het tweede onderdeel moeten we laten zien dat: Ψ s (f + g) = Ψ s (f) + Ψ s (g), Ψ s (fg) = Ψ s (f)ψ s (g) f, g S[X]. Het bewijs van de eerste eis is rechttoe rechtaan. Voor de tweede eis merken we op dat wegens st = ts voor alle t S geldt dat (a i s i )(b j s j ) = a i b j s i+j a i, b j S. Schrijven we f = a 0 + a 1 X +... en g = b 0 + b 1 X +... dan is: Ψ s (f)ψ s (g) = (a 0 + a 1 s +...)(b 0 + b 1 s +...) = a 0 b 0 + (a 0 b 1 + b 0 a 1 )s ( i+j=k a ib j )s k +... = Ψ s (fg). Het laatste onderdeel volgt uit het eenvoudig te bewijzen feit dat de samenstelling van twee ringhomomorfismes weer een ringhomomorfisme is. Hierbij dient opgemerkt te worden dat Ψ s : S[X] S niet noodzakelijk een ringhomomorfisme is (immers s commuteert a priori alleen met elementen in φ(r)), maar Ψ s beperkt tot Φ(R[X]) is wel een homomorfisme. Opmerking Voor r := (r 1,..., r n ) R n kunnen we ook een evaluatiehomomorfisme Φ r : R[X 1,..., X n ] R, Φ r (f) := f(r 1,..., r n ) definiëren mits r i s = sr i voor alle s R. Voorbeeld Zij K een (commutatief) lichaam, zij V een lineaire ruimte over K en zij End K (V ) de ring van K-lineaire afbeeldingen van V naar V. Bij een lineaire afbeelding A End K (V ) definiëren we een evaluatiehomomorfisme Φ A : K[X] End K (V ), d.w.z. we willen X := A substitueren in elk polynoom f K[X]. Tevens bestuderen we de kern van Φ A. Voordat Φ A gedefinieerd kan worden, moeten we een homomorfisme φ : K End K (V ) definiëren dat voldoet aan φ(λ)a = Aφ(λ) voor alle λ K, A End K (V ). Zij φ : K End K (V ), φ : λ λi
57 3 POLYNOOMRINGEN 57 met I de identiteit op V (d.w.z. (λi)v := λ v voor alle v V ). Dan is voor elke A End K (V ) en elke v V : (φ(λ)a) v = φ(λ)(av) = λ(av) = A(λv) = (Aφ(λ)) v, dus φ(λ)a = Aφ(λ) voor elke λ K en elke A End K (V ). We schrijven λa i.p.v. (λi) A. (Als V = K n dan is End K (V ) = M(n, K), ring van n n matrices met coëfficiënten in K, en λa is de matrix waarin alle coëfficiënten van A met λ vermenigvuldigd zijn.) Neem A End K (V ) en zij Φ A het evaluatiehomorfisme in A: Φ A : K[X] End K (V ), Φ A (f) := f(a), waarin we in plaats van Φ A (f) = φ(a 0 ) + φ(a 1 )A + φ(a 2 )A schrijven f(a) := a 0 + a 1 A + a 2 A gewoon Het beeld van Φ A noteren we met K[A]. Dit is dus een deelring van End K (V ). Merk op, dat deze deelring commutatief is (omdat ook K[X] dat is). Als de dimensie van de lineaire ruimte V minstens 2 is, dan is End K (V ) niet commutatief. Hieruit concluderen we dat als dim K (V ) 2, dan is Φ A niet surjectief. We laten nu zien dat Φ A ook niet injecief is als voor V een eindig dimensionale lineaire ruimte wordt genomen. Zij dim K V = n, dan geldt dim K End K (V ) = n 2 (kies een basis van V, dat geeft End K (V ) = M(n, K)). De n elementen I, A, A 2,..., A n2 End K (V ) zijn dus zeker lineair afhankelijk. Daarom zijn er c i K, niet allemaal nul, zodat: c 0 + c 1 A + c 2 A c n 2A n2 = 0. Dan is dus g(a) = 0 met g = c 0 +c 1 X +...+c n 2X n2 K[X], dwz g ker Φ A. Voor het geval K = R of K = C herinnert u zich wellicht nog dat het eigenwaardepolynoom P A van A ook in de kern van Φ A zit, P A (X) := det(a X I) K[X]. De graad van P A is n. We zullen de kern van Φ A later nog uitvoeriger bestuderen, zie voorbeeld Opmerking Laat R een ring zijn, dan geeft elk polynoom f = a 0 + a 1 X + a 2 X R[X] een functie ρf : R R, r ρf(r) := a 0 + a 1 r + a 2 r
58 3 POLYNOOMRINGEN 58 Het kan best zijn dat f g maar dat toch ρf(r) = ρg(r) voor alle r R. De afbeelding ρ : R[X] Afb(R, R), f ρf, is dus niet altijd injectief. Bijvoorbeeld als R = Z/(2), dan hebben de polynomen X en X 2 dezelfde functiewaarden ( 0 = 0 2, 1 = 1 2 ), maar zijn wel verschillend. Men dient zich dus te realiseren dat er een verschil is tussen polynomen (zoals f) en de afbeeldingen die ze geven (zoals ρf). 3.3 Delen met rest van polynomen We geven nu een techniek waarmee het bepalen van de kern van een evaluatie homomorfisme vereenvoudigd wordt. Deze deling met rest voor polynomen is analoog aan de deling met rest voor gehele getallen. Stelling Zij R een ring met 1, en f, g R[X]. Neem aan dat g 0 en dat de kopcoëfficiënt van g een eenheid van R is. Dan bestaan er unieke q, r R[X] zodanig dat f = qg + r, en gr(r) < gr(g). Men noemt q en r het quotiënt en de rest bij de deling door g. Bewijs. We gaan eerst de existentie van q en r bewijzen, de uniciteit komt daarna. Laat n = gr(f) en m = gr(g) 0. We voeren het bewijs, bij vaste g, met inductie naar n. Als n < m dan kunnen we q = 0, r = f nemen; dit geval is het begin van de inductie. Laat nu n m. Zij a de kopcoëfficiënt van f, en b die van g. Er is gegeven dat b een eenheid is, dus er is een c R met cb = 1. Het polynoom acx n m g heeft dan graad n en kopcoëfficiënt a cb = a, evenals het polynoom f. Hieruit volgt dat f 1 := f acx n m g een graad heeft die kleiner dan n is: de n-de graads termen vallen immers tegen elkaar weg. We kunnen op f 1 nu de inductiehypothese toepassen, en we vinden dat er q 1, r 1 R[X] bestaan met: f 1 = q 1 g + r 1, gr(r 1 ) < gr(g). Er geldt dus: f = f 1 + acx n m g = ( acx n m + q 1 ) g + r1.
59 3 POLYNOOMRINGEN 59 Zet nu q := acx n m + q 1 en r := r 1 dan hebben we: f = qg + r, en gr(r) < gr(g), zoals verlangd. Nu bewijzen we de uniciteit van q en r. Stel dat ook f = q g + r en dat gr(r ) < gr(g). Dan hebben we: (q q )g = r r. De graad van de rechterkant is kleiner dan gr(g). Zou nu q q, dan was de graad van de linkerkant groter dan of gelijk aan gr(g), aangezien de kopcoëfficient van g een eenheid is. Maar dan hebben we gr(g) gr((q q )g) = gr(r r) < gr(g). Dit levert een tegenspraak, dus moet wel q = q, en dan ook r r = 0 dus r = r. Hiermee is Stelling bewezen. Merk op dat we niet verondersteld hebben dat R commutatief is. Voorbeeld Het delen van polynomen gaat in de praktijk met een staartdeling. Zij R = Z en laat f, g Z[X]: f = X 4 X 3 2X 2 + 3X 4, g = X 2 1. het quotiënt q en de rest r worden alsvolgt bepaald: X 2 1 / X 4 X 3 2X 2 +3X 4 \X 2 X 1 X 4 X 2 X 3 X 2 X 3 +X X 2 +2X X X 5 Dus q = X 2 X 1, r = 2X De stelling over deling met rest stelt ons in staat om eenvoudige representanten van nevenklassen van een hoofdideaal (g) R[X] te vinden. Deze zijn analoog aan de representanten 0, 1,..., n 1 van het hoofdideaal (n) Z.
60 3 POLYNOOMRINGEN 60 Stelling Zij R een ring met 1 en zij g R[X], gr(g) > 0. Neem aan dat de kopcoëfficiënt van g een eenheid van R is. Dan is er een bijectie tussen de verzamelingen: { h R[X] : } gr(h) < gr(g) R[X]/(g) h h + (g). D.w.z. dat iedere nevenklasse van het ideaal (g) een unieke representant h R[X] heeft met gr(h) < n. Bewijs. We bewijzen eerst dat de afbeelding surjectief is. Zij f + (g), met f R[X], een nevenklasse van het ideaal (g). We mogen Stelling toepassen met deze f en g en we vinden q, r R[X] met gr(r) < gr(g): f = qg + r = f + (g) = r + qg + (g) = r + (g), immers qg (g). Om de injectiviteit te bewijzen merken we op: h 1 + (g) = h 2 + (g) h 1 h 2 (g) h 1 h 2 = fg, voor zekere f R[X]. Omdat de kopcoëfficiënt van g een eenheid is, is gr(fg) = gr(f) + gr(g). Als gr(h 1 ), gr(h 2 ) < gr(g) kan de gelijkheid alleen gelden als f = 0, dus als h 1 = h 2. Uit surjectief en injectief volgt bijectief en de stelling is bewezen. Opmerking Zowel de linker als de rechter verzameling in de stelling zijn optelgroepen, de linker omdat gr(h 1 + h 2 ) max(gr(h 1 ), gr(h 2 )) < gr(g) als gr(h 1 ), gr(h 2 ) < gr(g) en de rechterzijde is zelfs een ring. Omdat h 1 + (g) + h 2 + (g) = h 1 + h 2 + (g) is de bijectie zelfs een isomorfisme van de optelgroepen. In het bijzonder hangt de optelgroep van R/(g) alleen maar af van de graad van g. In feite is de optelgroep van R/(g) isomorf met R m als m = gr(g), via a 0 + a 1 X a m 1 X m 1 (a 0, a 1,..., a m 1 ). Het product op de ring rechts hangt daarentegen wel sterk af van g, zoals we in de voorbeelden hieronder zullen zien. Voorbeeld Zij g = X 2 + X + 1 F 2 [X], waarbij we 0 := 0, 1 := 1 schrijven voor de elementen van F 2 = Z/(2). Aangezien een polynoom in F 2 [X] coëfficiënten uit {0, 1} heeft, zijn er volgens Stelling slechts 4 nevenklassen van (g), representanten zijn: 0, 1, X, X + 1.
61 3 POLYNOOMRINGEN 61 Schrijven we, als gebruikelijk, x := X + (g) dan is F 2 [X]/(g) = {0, 1, x, x + 1}. De optelgroep van F 2 [X]/(g) is isomorf met (Z/(2)) 2 door ax + b (a, b). Het product is iets ingewikkelder. Bij vermenigvuldigen geldt de regel: x 2 + x + 1 = 0 omdat X 2 + X + 1 = g 0 + (g). Zo is bv: x(x + 1) = x 2 + x = 1 (x 2 + x + 1) + 1 = 1. (bij het tweede = teken hebben we de deling met rest gebruikt (!)). In de ring F 2 [X]/(g) zijn dus x + 1 en x elkaars inverse! Verder is 1 1 = 1, dus elk element ongelijk aan nul heeft een inverse. We concluderen dat F 2 [X]/(X 2 + X + 1) een lichaam met 4 elementen is! De ring F 2 [X]/(X 2 + X) is daarentegen geen lichaam. De representanten voor de nevenklassen zijn hetzelfde, maar nu is X(X + 1) 0 + (X 2 + X), de nevenklassen X + (X 2 + X) en X (X 2 + X) zijn dus nuldelers. In de ring F 2 [X]/(X 2 ) is het element X + (X 2 ) zelfs een nilpotent want (X + (X 2 )) 2 = X 2 + (X 2 ) = 0 + (X 2 ). Deze ring is dus niet isomorf met F 2 [X]/(g) en ook niet met F 2 [X]/(X 2 + X), want deze ring heeft geen nilpotenten ( in F 2 [X]/(X 2 + X) geldt zelfs r 2 = r voor elke r (ga na)). Voorbeeld Zij S 1 := {(a, b) R 2 : a 2 + b 2 = 1}, de cirkel met straal 1 en midden (0, 0) in R 2. De ring van continue functies van S 1 naar R geven we aan met C(S 1, R). Een polynoom f R[X, Y ] geeft een functie f : R 2 R (eigenlijk zouden we ρf moeten schrijven). Deze functie kunnen we beperken tot S 1 R 2. Op deze wijze verkrijgen we een ringhomomorfisme: Φ : R[X, Y ] C(S 1, R), f f S 1. De afbeelding Φ is niet injectief, bijvoorbeeld X 2 + Y 2 1 ker(φ) want a 2 + b 2 1 = 0 voor alle (a, b) S 1. We bewijzen: ker(φ) = (X 2 + Y 2 1) = (X 2 + Y 2 1)R[X, Y ]. Bewijs. Elk element in (X 2 + Y 2 1) is te schrijven als (X 2 + Y 2 1)f, en Φ((X 2 + Y 2 1)f) = Φ(X 2 + Y 2 1)Φ(f) = 0 Φ(f) = 0. Zij f ker(φ) d.w.z. f(a, b) = 0 voor alle (a, b) S 1. We delen f door
62 3 POLYNOOMRINGEN 62 X 2 + Y 2 1 in de ring (R[X])[Y ] = R[X, Y ]. Omdat gr Y (X 2 + Y 2 1) = 2 zijn er q, r R[X, Y ] met: f = q(x 2 + Y 2 1) + r, r = r 0 + r 1 Y, met r 0, r 1 R[X]. De aanname f ker(φ) impliceert: r(a, b) = r 0 (a) + r 1 (a)b = 0, (a, b) S 1. Merk op dat als (a, b) S 1 dat dan ook (a, b) S 1, dus er geldt ook: r(a, b) = r 0 (a) r 1 (a)b = 0 (a, b) S 1. Door optellen en aftrekken van de twee vergelijkingen volgt (ga na): r 0 (a) = r 1 (a) = 0 a ( 1, 1) R. De polynomen r 0, r 1 R[X] hebben dus ieder oneindig veel nulpunten, en daaruit volgt r 0 = r 1 = 0 (zie ook stelling 3.5.2). Maar dan is f = q(x 2 + Y 2 1) (X 2 + Y 2 1). Hiermee is bewezen dat ker(φ) = (X 2 + Y 2 1). Uit de eerste isomorfiestelling volgt nu dat R[X, Y ]/(X 2 + Y 2 1) = Φ(R[X, Y ]) ( C(S 1, R)), het beeld Φ(R[X, Y ]) noemen we ook wel de ring van polynoomfuncties op de cirkel. Met behulp van stelling (toegepast op R[Y ], met R = R[X] en g = Y 2 + X 2 1 R[Y ]) kunnen we deze ring expliciet beschrijven. De representanten voor het ideaal I := (X 2 + Y 2 1) van R[X, Y ] zijn: f + gy f, g R[X]. In R[X, Y ]/I definiëren we de volgende elementen: x := X = X + I, y := Y = Y + I. Omdat X 2 + Y 2 1 I geldt x 2 + y 2 1 = 0, oftewel y 2 = 1 x 2. Samenvattend: R[X, Y ]/I = {f + gy : f, g R[x]} en zulke elementen worden vermenigvuldigd volgens de regel (f + gy)(h + ky) = (fh + gk(1 x 2 )) + (fk + gh)y.
63 3 POLYNOOMRINGEN Polynoomringen over een lichaam We bewijzen in deze paragraaf dat een polynoomring K[X] in een variabele X over een lichaam K een hoofdideaalring is. In het bijzonder is de kern van een evaluatiehomomorfisme Φ s : K[X] S van de vorm (g) voor zekere g K[X]. Stelling Zij K een lichaam. Dan is ieder ideaal van K[X] een hoofdideaal. Als het ideaal I 0 is, dan is iedere polynoom g I, g 0 met minimale graad een voortbrenger van I, d.w.z. I = (g). Bewijs. Zij I K[X] een ideaal. We moeten een g I vinden met I = K[X] g. Als I = {0}, dan kunnen we g = 0 kiezen. Laat nu I {0} en kies g I, g 0, zódanig dat gr(g) zo klein mogelijk is. We beweren dat geldt: I = K[X] g. De inclusie is duidelijk, want g I en I is een ideaal dus fg I voor alle f K[X]. De inclusie wordt als volgt bewezen. Zij f I willekeurig. Omdat K een lichaam is, is de kopcoëfficiënt van g een eenheid in K, dus we mogen Stelling toepassen. Dit levert q, r K[X] met f = qg + r, gr(r) < gr(g). Omdat f, qg I en I een optelgroep is, zit ook r = f qg I. Als r 0, dan is r een element van I, niet 0, met een graad kleiner dan die van g, in tegenspraak met de minimale keuze van g. Dus moeten we hebben r = 0, en f = qg K[X]g. Iedere f I zit dus in K[X] g en dit bewijst. Hiermee is Stelling bewezen. Opmerking De voorwaarde in Stelling dat K een lichaam is, kan niet gemist worden. Het ideaal (2, X) Z[X] is bijvoorbeeld geen hoofdideaal, zie opgave 16, blz. 46. Ook in de polynoomring R[X, Y ] zijn er idealen die geen hoofdideaal zijn, bijvoorbeeld (X, Y ), zie voorbeeld Voorbeeld Zij Φ i het evaluatiehomomorfisme (we gebruiken R C): Φ i : R[X] C, f f(i). Merk op dat Φ i surjectief is. Aangezien i R, zitten er geen polynomen 0 van graad 1 in ker(φ i ). Omdat i 2 = 1 zit het tweede graads polynoom
64 3 POLYNOOMRINGEN 64 g := X in ker(φ i ). Dan is g een polynoom met minimale graad in ker(φ i ) dus, met stelling 3.4.1, ker(φ i ) = (g). Uit de eerste isomorfiestelling volgt verder nog: R[X]/(X 2 + 1) = C. Voor generalisaties zie opgave 12. Voorbeeld Zij V een lineaire ruimte over een lichaam K, en zij A End K (V ). Dan is de kern van het evaluatiehomorfisme Φ A : K[X] End K (V ), f f(a), (zie ook 3.2.3) waarbij we λ K identificeren met het endomorfisme λi van V, een hoofdideaal (g) in K[X]. Als a n K {0} de kopcoëfficiënt van g is, dan is (a 1 n g) = (g) en a 1 n g is een monisch polynoom. Het minimumpolynoom van A is het monische polynoom m A K[X] dat de kern van Φ A voortbrengt: ker(φ A ) = (m A ) := m A K[X]. Als bijvoorbeeld A = λi, en λ K {0}, dan is m A = X λ. Laat λ, µ K en zij ( ) λ 0 A =, f := (X λ)(x µ). 0 µ Als λ = µ dan is A = λi en dus m A = X λ. Als λ µ dan geldt A τi 0 voor elke τ K, dus het minimumpolynoom heeft graad 2. We berekenen: f(a) = (A λ)(a µ) = (( λ 0 0 µ ) ( λ 0 0 λ ( µ λ )) (( ) λ 0 0 µ ) ( = ) λ µ 0 = ( µ 0 0 µ Omdat f(a) = 0 en gr(f) = 2 is f het polynoom met de laagste, positieve, graad in ker(φ A ), dus ker(φ A ) = (f). Omdat f bovendien monisch is, concluderen we dat f = m A. Algemener, zij )) A = diag(λ 1, λ 2,..., λ n ), met λ i λ j als i j, d.w.z. A is een diagonaalmatrix met coëfficiënten A ii = λ i, A ij = 0 als i j. Laat dan f = (X λ 1 )(X λ 2 )... (X λ n ).
65 3 POLYNOOMRINGEN 65 Omdat Φ A (f) = f(a) = 0 (ga na) geldt f (m A ). Dus geldt: f = gm A voor zekere g K[X]. Als f m A dan ontbreekt minstens een van de factoren (X λ i ) van f in m A. Dit is echter in tegenspraak met m A (A) = 0, zoals je makkelijk narekent. De conclusie is dat f = m A. Bepaal zelf m A als de λ i ook gelijk mogen zijn. 3.5 Polynoomringen over een domein Stelling Laat R een domein zijn, laat f R[X], en laat α 1, α 2,..., α n R onderling verschillende nulpunten van f zijn. Dan is er een q R[X] met f = q (X α 1 ) (X α 2 )... (X α n ). Bewijs. We gebruiken inductie naar n. Voor n = 1 passen we Stelling toe: f = q(x α 1 ) + r met gr(r) 0, d.w.z. r is een constante. Vul nu X = α 1 in (preciezer gezegd, gebruik het evaluatiehomomorfisme in α 1 ; dat kan omdat R een domein, dus in het bijzonder commutatief, is), dan komt er: 0 = 0 + r dus r = 0, hetgeen de uitspraak voor n = 1 bewijst. Laat nu n > 1. Uit f(α n ) = 0 en deling met rest (als bij n = 1) volgt: Voor 1 i n 1 geldt: f = f 1 (X α n ). f 1 (α i ) (α i α n ) = f(α i ) = 0, α i α n 0, (want alle α i zijn verschillend) en omdat R geen nuldelers heeft volgt hieruit: f 1 (α i ) = 0 (1 i n 1). De inductiehypothese, toegepast op f 1, laat zien dat voor zekere q R[X], dus f 1 = q (X α 1 )(X α 2 )... (X α n 1 ) f = f 1 (X α n ) = q (X α 1 )(X α 2 )... (X α n ), zoals verlangd. Hiermee is Stelling bewezen.
66 3 POLYNOOMRINGEN 66 Stelling Zij R een domein, en f R[X] een polynoom ongelijk aan nul. Dan is het aantal onderling verschillende nulpunten van f in R ten hoogste gelijk aan gr(f). Bewijs. Dit volgt uit Stelling 3.5.1, want als α 1,..., α n verschillende nulpunten zijn van f dan is f = q (X α 1 )... (X α n ). Vergelijken we de graad links en rechts dan volgt gr(f) = gr(q) + n, dus gr(f) n. Opmerking De eis dat R een domein is, is essentieel. Het polynoom X 2 1 in Z/(8)[X] heeft graad 2 maar heeft vier nulpunten in Z/(8), nl 1, 3, 5, 7. In het niet-commutatieve lichaam van de quaternionen H, zie 1.5, heeft het polynoom X van graad 2 bijvoorbeeld de nulpunten ±i, ±j, ±k ( het heeft zelfs oneindig veel nulpunten in de quaternionen, zie opgave 4 op blz. 69). 3.6 Differentiëren Laat in het vervolg van deze paragraaf R een commutatieve ring met 1 zijn. Zij f R[X], en beschouw het polynoom in twee variabelen f(x + Y ) f(x) R[X, Y ]. Vullen we in dit polynoom 0 voor Y in, dan is de uitkomst 0. Wegens (toegepast op α = 0, en met als grondring R[X]) heeft f(x + Y ) f(x) nu een factor Y : f(x + Y ) f(x) = Y H, H R[X, Y ]. De afgeleide f van f is nu gedefinieerd door f = H(X, 0) wat we ook kunnen schrijven als ( ) f(x + Y ) f(x) Y (èèrst door Y delen, dan Y = 0 substitueren!). Andere notaties voor de afgeleide zijn df of d f of, als f ook als polynoom in een andere variabele dx dx f kan worden opgevat:. Merk op dat in de definitie niet over limieten wordt X gesproken. Uit de volgende stelling blijkt dat het nemen van de afgeleide geschiedt volgens de uit het college analyse bekende formule. Y =0
67 3 POLYNOOMRINGEN 67 Stelling Zij R een commutatieve ring met 1. Bewijs. a. Voor alle f, g R[X] geldt (f + g) = f + g, (fg) = f g + fg. b. Als f = n a k X k R[X], dan k=0 f = (Met ka k = a k + a k a k n ka k X k 1. k=1 (k termen).) a. Als f(x + Y ) f(x) = Y H 1 en g(x + Y ) g(x) = Y H 2, met H 1, H 2 R[X, Y ], dan geldt en ( f(x + Y ) + g(x + Y ) ) ( f(x) + g(x) ) = Y (H 1 + H 2 ) f(x + Y ) g(x + Y ) f(x) g(x) = Y (f(x) H 2 + g(x) H 1 + Y H 1 H 2 ). Deel door Y en substitueer Y = 0, dan vinden we (f + g) = H 1 (X, 0) + H 2 (X, 0) = f + g, (fg) = f H 2 (X, 0) + g H 1 (X, 0) + 0 = fg + gf. b. We bewijzen eerst met inductie naar k dat (a X k ) = kax k 1 voor a R, k Z >0. Voor k = 1 rekent men dit direct na. Voor k 2 schrijven we a X k = (a X k 1 ) X, en met a. en de inductiehypothese vinden we (a X k ) = (a X k 1 ) X + (a X k 1 ) X = (k 1)aX k 2 X + ax k 1 1 = kax k 1, zoals verlangd. Verder geldt (zx 0 ) = 0, en met a. vinden we nu n n n ( a k X k ) = (a k X k ) = ka k X k 1, k=0 zoals verlangd. Dit bewijst stelling k=0 k=1
68 3 POLYNOOMRINGEN Met de formule uit 3.6.2b hadden we f natuurlijk ook kunnen definiëren. Dan moet a. wel anders bewezen worden De belangrijkste toepassing van de afgeleide is voor ons gelegen in het ontdekken van dubbele nulpunten. Als α R een nulpunt van f R[X] is, dan kunnen we volgens schrijven: f = (X α) q, met q R[X]. Als we zelfs kunnen schrijven f = (X α) 2 q 1, met q 1 R[X], dan noemen we α een dubbel of meervoudig nulpunt van f. Stelling Zij R een commutatieve ring met 1, en f R[X]. Stel dat α R een nulpunt van f is. Dan geldt: α is een dubbel nulpunt van f α is een nulpunt van f. Bewijs. Schrijf f = (X α) q, met q R[X]. Kennelijk geldt: α is een dubbel nulpunt van f er is een q 1 R[X] met q = (X α)q 1 q(α) = 0. Uit f = (X α) q en 3.6.2(a) volgt f = (X α) q + (X α) q = q + (X α)q. Vul α voor X in, dan vinden we f (α) = q(α). We zien dus: q(α) = 0 f (α) = 0. Hiermee is stelling bewezen.
69 3 POLYNOOMRINGEN Opgaven 1. Laat R een ring zonder nuldelers zijn, en f, g R[X]. Bewijs: heeft. gr(f g) = gr(f) + gr(g). Bewijs dat R[X] geen nuldelers 2. Laat aan de hand van een voorbeeld zien dat de voorwaarde dat de kopcoëfficiënt van g een eenheid van R is in niet gemist kan worden. 3. Zij K een lichaam, f K[X] een polynoom, en α 0, α 1,... α n een n + 1- tal verschillende elementen van K, met n gr(f). Bewijs: f = n n j=0,j i f(α i ) (X α j) n j=0,j i (α i α j ), i=0 de interpolatieformule van Lagrange. 4. Zij x = a+bi+cj +dk H, met a, b, c, d R. Bewijs: x is een nulpunt van X (x x = 1 en x = x) a = 0 en b 2 + c 2 + d 2 = 1. Concludeer dat X oneindig veel nulpunten in H heeft. 5. Laat f, g R[X] (R een comm. ring met 1) en k Z >0. (a) Toon aan dat f R[X] g k = f R[X] g k 1. (b) Laat aan een voorbeeld zien dat omgekeerd als f R[X] g k 1, dan hoeft niet te gelden f R[X] g k. 6. Laat R = F 2 en f R[X]. a. Bewijs: f = 0 f kan geschreven worden als f = n a k X 2k met a k F 2 g F 2 [X] : f = g 2. k=0 b. Bewijs: (f ) = Voor f R[X] en k Z 0 definiëren we f (k) inductief door f (0) = f, f (k) = (f (k 1) ). Bewijs dat voor alle f, g R[X] en n Z 0 geldt: (f g) (n) = (formule van Leibniz). n k=0 ( n k ) f (k) g (n k)
70 3 POLYNOOMRINGEN Zij R een eindige ring. Bewijs: n, m Z : n > m > 0, zodat x n = x m voor alle x R. 9. Laat R een domein zijn, en f, g R[X] polynomen met max {gr(f), gr(g)} < #R (dat geldt bijvoorbeeld als R oneindig is). Bewijs: ( x R : f(x) = g(x)) f = g. 10. Zij p een priemgetal, en f, g F p [X]. Bewijs: ( x F p : f(x) = g(x)) f g F p [X] (X p X). 11. We definiëren een evaluatiehomomorfisme: Φ : R[X, Y ] R[T ], f(x, Y ) f(t 2, T 3 ). Bewijs dat ker(φ) = (X 3 Y 2 ) en dat Φ(R[X, Y ]) = { a i T i : a 1 = 0}. 12. a. Zij z = a + bi C en z R. Bewijs dat het evaluatiehomomorfisme Φ z : R[X] C, f f(z), (waarbij we de inclusie R C gebruiken), surjectief is. b. Zij g = X 2 2aX + a 2 + b 2. Bewijs dat: ker(φ z ) = (g), en dat R[X]/(g) = C. c. Zij f = ax 2 + bx + c R[X], waarbij a 0. Bewijs dat: R[X]/(f) = C als b 2 4ac < 0, = R[ɛ] als b 2 4ac = 0, = R R als b 2 4ac > 0, hierin is R[ɛ] de ring van duale getallen (zie opgave 26 op blz. 48). Probeer ook expliciete isomorfismen aan te geven. 13. Laat z, w C R en zij Φ z,w : R[X, Y ] C, f f(z, w), het evaluatiehomomorfisme. Laat zien dat Ker(Φ z,w ) wordt voortgebracht door èèn lineair polynoom en èèn polynoom van graad 2. Bepaal zulke polynomen expliciet als z = 1 + i, w = 3 2i.
71 3 POLYNOOMRINGEN a. Ga na dat de raaklijn aan de cirkel S 1 := {(a, b) R 2 : a 2 + b 2 = 1} in het punt (a, b) S 1 gegeven wordt door waarbij l (a,b) (X, Y ) = 0, l (a,b) = a(x a) + b(y b) R[X, Y ]. b. Zij R[ɛ] de ring van de duale getallen (d.w.z. ɛ 2 = 0, zie opgave 26 op blz. 48). Definieer S 1 (R[ɛ]) := {(a+sɛ, b+tɛ) R[ɛ] 2 : (a+sɛ) 2 +(b+tɛ) 2 = 1}, de punten van S 1 met coördinaten in R[ɛ]. Laat zien dat: (a + sɛ, b + tɛ) S 1 (R[ɛ]) l (a,b) (a + s, b + t) = Zij K een lichaam en zij R = K[X]/(X n ) voor n N 1. We schrijven x := X + (X n ) R, ieder element r van R is dan van de vorm: r = a 0 + a 1 x +... a n 1 x n 1 a i K. a. Laat zien dat r R een eenheid is precies dan als a 0 0. Bepaal ook de inverse van een eenheid. b. Laat zien dat elke nuldeler in R nilpotent is. Wat is de kleinste k met r k = 0 voor elke nuldeler r in R? c. Geef voor elke a K een ringisomorfisme: K[X]/ ((X a) n ) = K[X]/(X n ). d. Geef voor n > 1 een f K[X] zodat f + (X n ) een eenheid is in R, maar zodat f + (X 1) n K[X]/((X 1) n ) een nilpotent is. 16. Zij R = R[X, Y ]/(Y 2 ) en zij h := Y + (Y 2 ) R. a. Ga na dat iedere r R op unieke wijze te schrijven is als r = r 0 + r 1 h, met r 0, r 1 R[X]. Laat zien dat R 0 := {r R : r 1 = 0} een deelring vormt van R die isomorf is R[X].
72 3 POLYNOOMRINGEN 72 b. Zij Φ h : R[X] R, Φ h (f) := f(x + h) het evaluatiehomomorfisme (hierbij wordt φ : R R gegeven door φ(a) = a + 0 h). Laat zien dat: Φ h (f) = f + f h met f R[X] de afgeleide van f. c. Ga na dat uit Φ h (fg) = Φ h (f)φ h (g) volgt dat de produktregel voor differentiëren geldt. 17. Zij V een eindig dimensionale lineaire ruimte over een lichaam K en zij A End K (V ). Zij λ K een eigenwaarde van A, dwz er is een v V, v 0 met Av = λv, of, equivalent, A λ is niet inverteerbaar in End K (V ). a. Bewijs dat λ een nulpunt van m A is. (Hint: bekijk m A (A)v). b. Bewijs dat ieder nulpunt µ van m A een eigenwaarde van A is. (Hint: schrijf m A = (X µ) g en bekijk 0 = (A µ) g(a).) c. Bewijs dat als alle eigenwaarden van A in K zitten en verschillend zijn, dat dan m A, op teken na, het eigenwaarde polynoom det(a XI) van A is. 18. Bereken de minimumpolynomen van de volgende matrices in M 3 (K) met K een lichaam. Onderscheidt de gevallen λ = µ en λ µ. λ 0 1 λ 1 0 A := 0 µ 1, B := 0 µ µ 0 0 µ 19. Zij R de ring van polynoomfuncties op de cirkel: Definieer x, y R door: R = R[X, Y ]/I, met I = (X 2 + Y 2 1). x := X + I, y := Y + I, en zij M := (x 1, y), een ideaal in R. Merk op dat elke r R op unieke wijze geschreven kan worden als r = f + gy met f, g R[x].
73 3 POLYNOOMRINGEN 73 a. Bewijs dat Ψ (1,0) : R R, f + gy f(1) een surjectief ringhomomorfisme is met ker(ψ (1,0) ) = M. b. Definieer door N : R R[x] N(f + gy) := (f + gy)(f gy) = f 2 g 2 (1 x 2 ). Bewijs: Als N(r) R[x] een constant polynoom is, dan geldt r = f + gy met f constant en g = 0. c. Bewijs dat M géén hoofdideaal is. (Aanwijzing: stel 1 x = α r, y = α s, bekijk dan N(1 x), N(y).) 20. We definiëren de n-sfeer door: S n := {(x 0, x 1,..., x n ) R n+1 : x x x 2 n = 1}, zij C(S n, R) de ring van continue functies van S n naar R. Zij Φ n de restrictie afbeelding: R[X 0, X 1,..., X n ] C(S 1, R), f f S n. Bewijs dat ker(φ n ) = (X X X 2 n 1).
74 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN 74 4 Priemidealen en maximale idealen 4.1 Priemidealen In dit hoofdstuk is R steeds een commutatieve (unitaire) ring Een belangrijke eigenschap van priemgetallen p is, dat voor a, b Z. Anders geformuleerd: p ab = p a of p b ab pz = a pz of b pz. In het algemeen worden idealen die deze eigenschap hebben priemidealen genoemd: Definitie Laat R een commutatieve ring met 1 zijn. Een priemideaal van R is een ideaal I R dat voldoet aan: (P1) I R; (P2) Voor alle a, b R met ab I geldt: a I of b I. Voorbeeld Boven hebben we gezien dat pz een priemideaal van Z is voor elk priemgetal p. Voor getallen n Z >0 die niet priem zijn is nz geen priemideaal van Z: immers, voor n = 1 is niet aan (P 1) voldaan, en als n > 1 dan kunnen we schrijven n = ab met 1 < a, b < n; dan ab = n nz maar a / nz, b / nz, dus nz voldoet niet aan (P 2). Het ideaal {0} Z is wel een priemideaal. Stelling Het ideaal {0} R is een priemideaal d.e.s.d.a. R is een domein. Bewijs. Als R een domein is, dan is 1 0 dus {0} R en bovendien geldt ab = 0 a = 0 of b = 0 zodat ook aan (P2) voldaan is. Omgekeerd, als {0} een priemideaal is, dan geeft (P2) dat er geen nuldelers zijn. Omdat R ook unitair is, is R dan een een domein. Dit bewijst Voorbeeld Het ideaal R[X].(X 2 1) R[X] is geen priemideaal, want het bevat wèl (X + 1)(X 1), maar niet (X + 1) of (X 1).
75 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN 75 Het ideaal R[X] (X 2 + 1) R[X] is echter wel een priemideaal. Om dit te bewijzen maken we gebruik van het evaluatiehomomorfisme (zie 3.4.3): Ψ i : R[X] C, f f(i). We weten al dat: Voor f, g R[X] geldt nu: ker Ψ i = R[X] (X 2 + 1). fg R[X] (X 2 + 1) (fg)(i) = f(i)g(i) = 0 f(i) = 0 of g(i) = 0 f R[X] (X 2 + 1) of g R[X] (X 2 + 1). Hiermee is (P 2) gecontroleerd; we laten (P 1) aan de lezer over De volgende stelling, die een generalisatie is van 4.1.4, zegt dat men kan zien of een ideaal I priem is door naar de restklassenring R/I te kijken. Stelling Zij R een commutatieve ring met 1, en I R een ideaal. Dan geldt: I is een priemideaal van R R/I is een domein. Bewijs. Voor a R schrijven we ā = (a + I) R/I. De ring R/I is volgens de definitie 1.19 een domein dan en slechts dan als 1 0 en R/I geen nuldelers heeft. Nu geldt: en / I I R (P 1) geldt, R/I heeft geen nuldelers ( ā, b R/I : ā b = 0 ā = 0 of b = 0) ( a, b R : ab I a I of b I) (P 2) geldt. Hier hebben we steeds gebruikt dat c = 0 hetzelfde wil zeggen als c I. Al met al vinden we: R/I is een domein (P 1) en (P 2) gelden I is een priemideaal van R. Dit bewijst Voorbeeld Er geldt R[X]/(X 2 + 1) = C, en dit is een domein. Met stelling zien we nu direct dat (X 2 + 1) een priemideaal is van R[X].
76 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN Een snelle manier om te zien of een ideaal I R priem is bestaat vaak uit het berekenen van de ring R/I en dan toepassen. Voor speciale ringen bestaan er ook andere manieren: zie bijvoorbeeld stelling verderop Voorbeelden. a. Laat J = (X + Y, X 2 + X + Y + 1) R = R[X, Y ] en zij I = (X + Y ) = (Y ( X)) R. Dan is (zie ) R/I = R[X], F (X, Y ) F (X, X). Zij φ : R R/I de canonieke afbeelding, dan is φ(j) = (0, X 2 + X + ( X) + 1) = (X 2 + 1) R[X] en met : R/J = R[X]/(X 2 + 1) = C. Dus J is een priemideaal van R. b. Laat J = (5, X 2 + Y + 1) R = Z[X, Y ] en zij I = (Y ( X 2 1)) J. Dan is: R/I = Z[X], F (X, Y ) F (X, X 2 1), en J/I = (5, 0) = (5). Men rekent eenvoudig na dat: φ : Z[X] F 5 [X], a i X i a i X i, i i dus met a i F 5 ) een surjectief ringhomomorfisme is met ker(φ) = (5) = 5Z[X] (zie ook ). Met en volgt dan R/J = F 5 [X], een domein is omdat F 5 een domein (zelfs een lichaam) is. Daarom is J een priemideaal. c. Laat I = (Y Z X 2, X 2 Z) C[X, Y, Z] = R. Dan R/I = C[X, Y ]/(Y X 2 X 2 ). Uit terwijl X 2 (Y 1) (Y X 2 X 2 ), X 2 / (Y X 2 X 2 ), Y 1 / (Y X 2 X 2 ), blijkt dat (Y X 2 X 2 ) geen priemideaal van C[X, Y ] is. Dus R/I is geen domein, en I is geen priemideaal van R.
77 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN Maximale idealen Definitie Zij R een commutatieve ring met 1. Een ideaal M van R heet maximaal als geldt (M1) M R; (M2) voor elk ideaal J van R met M J R geldt J = M of J = R Dus een maximaal ideaal is niet meer groter te maken zonder meteen de hele ring te krijgen. Voorbeelden van idealen die niet maximaal zijn: 9Z Z, want het ideaal 3Z ligt er tussenin ; en (2) Z[X], want (2, X) ligt er tussenin. Voorbeelden van idealen die wèl maximaal zijn kunnen het gemakkelijkst gegeven worden als we eenmaal het analogon van voor maximale idealen bewezen hebben. We beginnen met het analogon van 4.1.4: Stelling Het ideaal {0} R is maximaal d.e.s.d.a. R is een lichaam. Bewijs.. In een lichaam geldt 1 0, dus {0} = R, en {0} voldoet aan (M1). Verder zijn er in een lichaam geen idealen behalve {0} en R, wegens 2.3.6, dus ook aan (M2) is voldaan. Dit bewijst.. We bewijzen dat elke a R, a 0, een inverse heeft. Hiertoe passen we (M2) op het ideaal J = Ra toe. Dit ideaal is niet gelijk aan {0}, dus volgens (M2) (met M = {0}) moet gelden Ra = R. Dan geldt 1 Ra, dus 1 = ba voor een b R, en a heeft een inverse. Omdat R unitair is, is volgt dat R een lichaam is. Dit bewijst. Hiermee is bewezen. Stelling Zij R een commutatieve ring met 1, en M R een ideaal. Dan geldt: M is een maximaal ideaal van R R/M is een lichaam. Bewijs. Het idee van het bewijs bestaat er uit de bewering terug te voeren tot het speciale geval 4.2.3, door gebruik te maken van Schrijf R = R/M. Volgens corresponderen de idealen J in R met M J R éénéénduidig met de idealen J = J/M van R. Dus een R-ideaal J dat echt tussen M en R in ligt geeft aanleiding tot een R-ideaal dat echt tussen { 0} en R in ligt, en omgekeerd. Hieruit zien we: M is een maximaal ideaal van R { 0} is een maximaal ideaal van R = R/M. Volgens is dit weer hetzelfde als: R = R/M is een lichaam. Hiermee is bewezen.
78 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN Men gebruikt stelling op dezelfde manier om te zien of een ideaal maximaal is als men stelling gebruikt om te zien of een ideaal priem is Voorbeelden. Laat n Z >0 Dan is Z/nZ een lichaam, precies dan als n priem is (zie 1.18), dus pz Z is maximaal, voor p priem en de idealen (n) met n niet priem zijn niet maximaal. Inderdaad geldt als n = ab met 1 < a, b < n dat (n) (a) en (a) Z want a ±1. Zoals we eerder zagen geldt: Z[X, Y ]/(5, X 2 + Y + 1) = F 5 [X] dit is een domein, maar geen lichaam (X 1 F 5 [X]), dus het priemideaal (5, X 2 + Y + 1) Z[X, Y ] is niet maximaal. Voor elke (a, b) R R geldt dat (X a, Y b) een maximaal ideaal in R[X, Y ] is omdat (zie ) en R is een lichaam. R[X, Y ]/(X a, Y b) = R[X]/(X a) = R, Gevolg Elk maximaal ideaal is priem. Bewijs. Dit volgt direct uit 4.2.4, 4.1.7, en de opmerking dat elk lichaam een domein is. Opmerking Zoals uit het bovengegeven voorbeeld (5, X 2 + Y + 1) Z[X, Y ] blijkt, is de omkering van fout. Een nog simpeler voorbeeld is {0} Z: de ring Z is wel een domein maar geen lichaam, dus {0} Z is wel priem maar niet maximaal. 4.3 Het lemma van Zorn Stelling Elke commutatieve ring R met 1 0 bezit een maximaal ideaal Het idee van het bewijs is erg eenvoudig: begin met het nul-ideaal {0}, en maak dit net zo lang groter tot dit niet meer kan zonder de hele ring te krijgen. We doen het eerst voor een geval waar het bewijs met gewone middelen voltooid kan worden. Voor het algemene geval hebben we namelijk een hulpmiddel uit de verzamelingenleer nodig: het lemma van Zorn (genoemd naar Max Zorn, ).
79 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN Speciaal geval. Elke commutatieve ring R met aftelbaar veel elementen en met 1 0 bezit een maximaal ideaal. Bewijs. (van het speciale geval) De ring is aftelbaar en we zetten de elementen van de ring dus op een rij: r 1, r 2,.... Definieer inductief de rij idealen I 0 I 1... door : I 0 = (0); { In 1 + (r I n = n ) als I n 1 + (r n ) R anders. Zet nu: I n 1 M = n N I n. We beweren dat M het gezochte maximale ideaal is. Daartoe moeten we eerst nagaan dat M een ideaal is. Welnu, als a, b M dan zijn er n, m N met a I n en b I m. Als n m dan is I n I m, dus a, b I m, een ideaal. I.h.b. geldt a b I m M. Het geval n > m gaat analoog. Verder geldt als r R en a M dat ra M omdat immers a I n, een ideaal, dus ook ra I n M. Als M geen maximaal ideaal is dan kan dat aan twee dingen liggen. Het eenheidselement zou in M kunnen liggen of er zou een nog groter echt ideaal N kunnen zijn. In het eerste geval zou het eenheidselement al in een van de I n moeten liggen, en deze I n is dan gelijk aan R, in tegenspraak met de definitie van de idealen I n. In het andere geval zou er een r n zijn die er nog wel bij had gemogen, maar die we er toch niet bij hebben gedaan. Merk echter op dat als M + (r n ) R dat dan zeker I n 1 + (r n ) R, immers I n 1 M. De definitie van I n laat zien dat dan r n I n M. Zulke r n zijn er dus niet. Hiermee is bewezen Hoe moet het nu als R niet aftelbaar is? Om toch alle elementen van R aan de beurt te laten komen, heb je meer dan aftelbaar veel beurten nodig. Dus n zou voorbij oneindig door moeten tellen. Dat kan, en leidt dan tot een bewijs met transfiniete inductie. Maar wij geven er de voorkeur aan om een principe uit de verzamelingenleer aan te roepen waarmee als het ware het inductieproces in een klap voltooid wordt. Dit is het zogenaamde lemma van Zorn. (Om historische redenen heet het geen stelling van Zorn, wat wel logischer zou zijn.) Men kan bewijzen dat het lemma van Zorn equivalent is met het Keuze axioma, en voor het gemak nemen we het lemma van Zorn dus ook maar als axioma aan. (Het Keuze axioma is de tamelijk evidente uitspraak dat je bij elke surjectieve afbeelding ten minste één rechtsinverse hebt.)
80 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN 80 Lemma van Zorn. Zij P een partieel geordende verzameling. Dan bezit P tenminste één maximale keten Verklaringen van de vetgedrukte woorden: een partieel geordende verzameling is een verzameling P die voorzien is van een binaire relatie met de volgende twee eigenschappen: x, y, z P : (x y y z) x z, x, y P : (x y y x) x = y; een keten in een partieel geordende verzameling P is een deelverzameling K P met de eigenschap x, y K : x y y x. Merk op dat de lege deelverzameling φ P een keten is. Een keten K heet maximaal als er geen deelverzameling van P is die K strikt bevat en ook weer een keten is. Dus een keten is maximaal als voor elke y in het complement van K in P een x K bestaat waarvoor niet x y en ook niet y x. In de praktijk is het lemma van Zorn alleen goed bruikbaar als P niet leeg is. Voor een bewijs van het lemma van Zorn, uitgaande van het keuze-axioma, verwijzen we naar Van der Waerden, Algebra I, 69, of naar de syllabus Inleiding in de wiskunde (H.C. Doets & A.S. Troelstra, Mathematisch Instituut, Universiteit van Amsterdam, 1979/80). Bewijs. (van stelling 4.3.1) Neem als partieel geordende verzameling P de verzameling van alle idealen in R verschillend van R: P = {I : I is een ideaal van R, en 1 / I}. met als partieële ordening de inclusierelatie. Dus I J in P als I J. Merk op dat in het bewijs van de verzameling van idealen {I n } n N een (genummerde) keten in P definieert. Waarschijnlijk geen maximale keten overigens, (er past waarschijnlijk nog wel een ideaal tussen I 0 en I 1 ), maar wel een die zo ver mogelijk groeit. Daarom proberen we in het algemene geval het zelfde idee: Volgens het lemma van Zorn mogen we een maximale keten K in P kiezen, zeg K = {I n } n X, waarbij de indexverzameling X nu dus willekeurig groot mag zijn. Zo n keten is een collectie idealen in P met de eigenschap dat I, J K: I J J I.
81 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN 81 Merk wel even op dat P in ieder geval niet leeg is, immers {0} R is een ideaal. Dus de maximale keten K is ook niet leeg. We bekijken nu M = n X I n. We beweren dat M het gezochte maximale ideaal is. Daartoe moeten we eerst nagaan dat het een ideaal is, en dat gaat als in het bewijs van Als het geen maximaal ideaal is dan kan dat aan twee dingen liggen. Het eenheidselement zou in M kunnen liggen of er zou een nog groter echt ideaal N kunnen zijn. In het eerste geval zou het eenheidselement al in een van de I n moeten liggen, en in het andere geval zou de keten niet maximaal zijn (zie ook 4.3.3). We concluderen dat M inderdaad een maximaal ideaal is. Gevolg Zij R een commutatieve ring (met 1), en I R een ideaal, I R. Dan bezit R een maximaal ideaal M met I M. Bewijs. Wegens heeft de ring R/I een maximaal ideaal, en dit moet wegens van de vorm M/I zijn, waar M een ideaal van R is met M I. Voorts zegt dat R/M = (R/I)/(M/I) en dit is een lichaam; dus M is maximaal in R (stelling 4.2.4). Hiermee is bewezen. (Alternatief bewijs: pas het lemma van Zorn toe op de verzameling idealen R van R die I omvatten.) Gevolg Zij R een commutatieve ring met 1. Dan geldt M = R R, M waar de vereniging genomen wordt over alle maximale idealen M van R. Bewijs : Is M maximaal, dan M R R wegens en 4.2.1(M1). Dus M M R R. : Als a R R dan Ra R, en Ra is een ideaal van R. Wegens is er dus een maximaal ideaal M van R met Ra M. Dus a M M voor alle a R R. Hiermee is bewezen. Voorbeeld Laat R = C([0, 1]) de ring van continue functies f : [0, 1] R zijn. Voor x [0, 1] zij M x = {f R : f(x) = 0}. Dit is de kern van het surjectieve ringhomomorfisme R R, f f(x), dus R/M x = R
82 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN 82 en dus is M x R maximaal. Uit opgave 18 blijkt dat elk maximaal ideaal van R van deze vorm is. Er geldt R M x = {f R : x [0, 1] : f(x) 0}. x [0,1] Dit is juist de eenhedengroep R van R, in overeenstemming met Een typische toepassing van stelling is het volgende resultaat, dat iets zegt over de oplosbaarheid van een stelsel vergelijkingen over een lichaam. Gevolg Laat K een lichaam zijn, n, t Z >0, en f 1, f 2,..., f t K[X 1, X 2,..., X n ]. Dan zijn de volgende twee beweringen equivalent. a. Er bestaan geen g 1, g 2,..., g t K[X 1, X 2,..., X n ] met g 1 f 1 + g 2 f g t f t = 1. b. Er bestaat een lichaam L, met K L, en er zijn x 1, x 2,..., x n L met f 1 (x 1, x 2,..., x n ) = f 2 (x 1, x 2,..., x n ) =... = f t (x 1, x 2,..., x n ) = 0. Bewijs. (b) (a). Laten L, x 1,..., x n als in (b) zijn, en stel dat toch g 1 f g t f t = 1, met g 1,..., g t K[X 1,..., X n ]. Substitueer x 1, x 2,..., x n voor X 1, X 2,..., X n in deze relatie, dan vinden we 0 = 1, een tegenspraak. (a) (b). Laat I K[X 1,..., X n ] het door f 1, f 2,..., f t voortgebrachte ideaal van K[X 1,..., X n ] zijn. Dan wil (a) precies zeggen dat 1 / I, dus I K[X 1,..., X n ]. Volgens is er nu een maximaal ideaal M van K[X 1,..., X n ] met I M. Neem L = K[X 1,..., X n ]/M. Dit is volgens een lichaam. Stellen we de ringhomomorfismen K K[X 1,..., X n ] L = K[X 1,..., X n ]/M, samen, dan vinden we een ringhomomorfisme K L, dat volgens injectief is. We kunnen K dus als deellichaam van L opvatten. Voor de x i nemen we tenslotte x i = X i + M L, voor 1 i n. Dan geldt f j (x 1,..., x n ) = f j (X 1,..., X n ) + M 0 + M aangezien f j (X 1,..., X n ) = f j I M, voor 1 j t, zoals verlangd. Hiermee is bewezen.
83 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN 83 Voorbeeld Neem K = R, n = t = 1, f 1 = X R[X]. Door naar de graad te kijken zien we dat er geen g 1 R[X] is met g 1 f 1 = 1, dus aan voorwaarde a. is voldaan. Volgens de stelling is er nu een uitbreidingslichaam L van R met een element x L dat voldoet aan x = 0. Inderdaad kunnen we hiervoor nemen L = C, x = i. Aan dit voorbeeld zien we ook dat het niet steeds mogelijk is L = K te nemen. Opmerking Men kan bewijzen dat elk maximaal ideaal van C[X 1,..., X n ] van de vorm: M = (X 1 a 1, X 2 a 2,..., X n a n ) (a i C) is. De maximale idealen corresponderen dus met de punten van C n (het ideaal M correspondeert uiteraard met het punt (a 1, a 2,..., a n ) C n ). Stelling impliceert dan: Als een stel polynomen f 1,... f k C[X 1,..., X n ] geen gemeenschappelijk nulpunt in C n heeft, dan bestaat er een relatie g 1 f 1 + g 2 f g t f t = 1 tussen de f i.
84 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN Opgaven 1. Laat R een domein zijn. Bewijs: het door X en Y voortgebrachte ideaal van R[X, Y ] is gelijk aan {f R[X, Y ] : f(0, 0) = 0} en dit is een priemideaal van R[X, Y ]. 2. Laat K een lichaam zijn, n Z >0, en α 1, α 2,..., α n K. Bewijs: het door X 1 α 1, X 2 α 2,..., X n α n voortgebrachte ideaal van K[X 1, X 2,..., X n ] is maximaal. 3. Bewijs: 5Z[i] Z[i] is geen priemideaal. 4. Zij K een lichaam. Bewijs dat het door Y en Z voortgebrachte ideaal van K[X, Y, Z] wel priem maar niet maximaal is. 5. Ga voor elk van de volgende idealen van Z[X] na, of het een priemideaal is, en of het een maximaal ideaal is: (X, 3); (X 2 3); (5, X 2 + 3). 6. Zij M = (X a, Y b) R[X, Y ]. Laat zien f M f(a, b) = 0 en bewijs dat M maximaal is. 7. Ga voor elk van de volgende idealen van Q[X, Y ] na, of het een priemideaal is, en of het een maximaal ideaal is: (X 2 + 1); (X Y, Y 2 + 1); (X 2 + 1, Y 2 + 1); (X 2 + 1, Y 2 2). 8. Zij R een commutatieve ring met 1 en I R een ideaal. Bewijs: I is een priemideaal van R er is een lichaam K en een ringhomomorfisme f : R K met f(1) = 1 en I = ker(f). 9. Laat R een commutatieve ring met 1 zijn, I R een ideaal en φ : R R/I de natuurlijke afbeelding. Laat J R een priemideaal zijn met I J. Bewijs dat φ(j) een priemideaal is van R/I, en dat omgekeerd elk priemideaal van R/I van deze vorm is. (Aanwijzing: combineer en ). 10. Als opgave 9, met overal priemideaal vervangen door maximaal ideaal.
85 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN Zij f : R 1 R 2 een (unitair) homomorfisme van commutatieve ringen, I 2 R 2 een ideaal, en I 1 = f 1 (I 2 ) R 1. a. Bewijs: I 1 is een ideaal in R 1, en R 1 /I 1 is isomorf met een deelring van R 2 /I 2. b. Bewijs: als I 2 priem is in R 2 dan is I 1 priem in R 1. c. Laat aan de hand van een voorbeeld zien dat b. fout kan zijn als priem beide malen vervangen wordt door maximaal. 12. Zij R een Boolese ring (zie opgave 33 op blz. 24) met 1. a. Bewijs: R is een domein R is een lichaam R = F 2. b. Zij I R een ideaal. Bewijs: I is een priemideaal I is een maximaal ideaal R/I = F Zij R een commutatieve ring met 1, en I R een ideaal, I R. Gegeven is, dat voor elke x R, x / I, geldt dat x 2 1 I. a. Bewijs: R/I = F 2 of R/I = F 3. b. Is I een priemideaal van R? 14. Zij R een commutatieve ring met 1, en I R een ideaal van eindige index. Bewijs: I is een priemideaal I is een maximaal ideaal. 15. Zij R een commutatieve ring met 1 0 waarvan elk ideaal I R een priemideaal is. Bewijs dat R een lichaam is. 16. Zij R een commutatieve ring met 1, met de eigenschap dat I J {0} voor elk tweetal idealen I {0}, J {0} van R. Bewijs dat {a R : a is een nuldeler } {0} een priemideaal van R is. 17. Zij R de ring waarvan de additieve groep die van Q is, maar met als vermenigvuldiging x, y R : xy = 0. Bewijs: R heeft geen ideaal M dat aan de voorwaarden (M1) en (M2) uit voldoet. Waarom is dit niet in tegenspraak met 4.3.1? 18. Laat R = C([0, 1]), en zij M x R voor x [0, 1] gedefinieerd als in voorbeeld a. Zij I R een ideaal met x [0, 1] : I M x. Bewijs: x [0, 1] : f x I : f x (x) 0. Laat de f x zo gekozen zijn. Bewijs dat er x 1, x 2,..., x n [0, 1]
86 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN 86 zijn met x [0, 1] : n f xi (x) 2 > 0. (Aanwijzing: gebruik i=1 compactheid van [0, 1], d.w.z. als [0, 1] = i I U i met U i open, dan is er een eindige deelverzameling J I zodat [0, 1] = j J U j.) Concludeer: I = R. b. Zij M R een maximaal ideaal. Bewijs: x [0, 1] : M = M x. Laat ook zien dat deze x eenduidig bepaald is door M. 19. Zij R = R[X, Y ]/I met I = (X 2 +Y 2 1) de ring van polynoomfuncties op de cirkel. Zij x := X + I, y = Y + I R. a. Bewijs dat (x a, y b) met a, b R een maximaal ideaal van R is precies dan als a 2 + b 2 = 1. b. Voor welke b R is (y b) een maximaal ideaal in R? 20. Zij R een commutatieve ring met 1, en a R een element met n Z >0 : a n 0. Bewijs dat R een priemideaal I bezit met a / I. (Aanwijzing: pas het lemma van Zorn toe op de verzameling idealen die geen enkele macht van a bevatten.) 21. Het radicaal 0 van een commutatieve ring R met 1 is gedefinieerd door 0 = {a R : n Z>0 : a n = 0}. Bewijs dat 0 een ideaal van R is. Bewijs dat 0 = I I, waar I loopt over alle priemidealen van R (aanwijzing: gebruik opg. 20). 22. Het Jacobson-radicaal J(R) van een commutatieve ring R met 1 is gedefinieerd door J(R) = {x R : r R : 1 + rx R }. a. Zij x J(R), zij M R een maximaal ideaal en defineer een ideaal I van R door I := M + xr. Bewijs dat I R en concludeer dat x M. b. Zij M een maximaal ideaal van R en zij x M. Bewijs dat 1 + x M. c. Bewijs dat J(R) = M M, waar M loopt over alle maximale idealen van R. d. Bewijs dat J(R) een ideaal van R is.
87 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN Zij R een commutatieve ring met 1, en S R een niet-lege deelverzameling met de eigenschap 0 / S en s, t S: st S. Laat zien dat er een priemideaal I van R is met I S = φ. (Aanwijzing: gebruik de ring S 1 R uit opgave 28 op blz. 23, en pas en opgave 11(b) toe). Wat is de relatie met opgave 20? 24. Zij R een commutatieve ring met 1. We noemen R locaal als R R een ideaal van R is. a. Bewijs: R is locaal R heeft precies één maximaal ideaal. b. Zij R locaal, x R, en stel dat x 2 = x. Bewijs: x = 0 of x = Zij R een commutatieve ring met 1 en I R een priemideaal. Laat S = R I. a. Bewijs: s, t S : st S. b. Bewijs dat de ring S 1 R uit opgave 28 op blz. 23 een locale ring is (zie opgave 24). 26. Zij R = {a/b Q : a, b Z, b 0 mod 5}. Bewijs dat R een locale ring is. Wat is het maximale ideaal M van R? Bewijs: R/M = F Zij X een verzameling. Een filter op X is een collectie F van deelverzamelingen van X met de volgende eigenschappen: X F; φ / F; A, B F A B F; als A B X en A F, dan B F. Een ultrafilter is een filter F met de eigenschap: A, B X : (A B F A F B F). Laat R de ring P (X) uit opgave 34 op blz. 25 zijn. a. Zij F een collectie deelverzamelingen van X. Bewijs: F is een filter op X {A X : X A F} is een ideaal R van R, en F is een ultrafilter op X {A X : X A F} is een maximaal ideaal van R. (Aanwijzing: 12(b) op blz. 85.)
88 4 PRIEMIDEALEN EN MAXIMALE IDEALEN 88 b. Een ultrafilter F op X heet vrij als x X : {x} / F. Bewijs: vrije ultrafilters op X bestaan dan en slechts dan als X oneindig is. (Aanwijzing: 4.3.6). 28. Zij X een verzameling, en K x een lichaam voor elke x X. Laat R = K x ; dit is, met componentsgewijze bewerkingen, een commutatieve x X ring met 1. Voor een ultrafilter F op X definiëren we I F R door (α x ) x X I F {x X : α x = 0} F. Bewijs dat I F een maximaal ideaal van R is, en dat alle maximale idealen van R van deze vorm zijn.
89 5 DELING IN RINGEN 89 5 Deling in ringen In de ring Z der gehele getallen geldt de stelling van de eenduidige priemfactorontbinding: elk positief geheel getal kan op eenduidige wijze in priemfactoren worden ontbonden. In dit hoofdstuk gaan we onderzoeken in hoeverre deze stelling zich voor algemenere ringen R laat generaliseren. We zullen ons hierbij voortdurend tot domeinen R beperken (zie 1.19). 5.1 Irreducibele elementen Het ligt voor de hand eerst te onderzoeken welke elementen van R de rol van priemgetallen moeten gaan spelen. Als p Z een priemgetal is, dan geldt: a. als p = ab, met a, b Z dan is a = ±1 of b = ±1. b. Zp := {np : n Z} Z is een priemideaal. We gaan de eerste eigenschap generaliseren, maar we zullen zien dat de tweede eigenschap in sommige gevallen verloren gaat, zie bv en de opgaven 1 en 2. Definitie Een element a van een domein R heet irreducibel als a geen eenheid is, en als voor alle b, c R met bc = a geldt, dat b R of c R. Met andere woorden: een element is irreducibel als het alleen maar triviale ontbindingen toelaat, zoals 5 = ( 1) ( 5). De irreducibele elementen van Z zijn juist de priemgetallen p en hun tegengestelde p Als R een domein is, en f, g R[X], dan geldt gr(fg) = gr(f) + gr(g). Omdat gr(1) = 0 zijn de eenheden in R[X] die polynomen van graad 0 die een inverse hebben. De eenheden van R[X] zijn dus precies de eenheden van R: (R[X]) = R. Een polynoom van graad een is in het algemeen niet irreducibel: 2X 2 = 2 (X 1) is reducibel in Z[X] (!), het is echter wel irreducibel in Q[X], want daar is 2 een eenheid.
90 5 DELING IN RINGEN 90 Algemener, als R = K een lichaam is, dan is ieder polynoom van graad 0 een eenheid, en dus is ieder polynoom van graad 1 irreducibel. Voor polynomen van hogere graad is het in het algemeen een subtiele zaak om te bepalen of ze irreducibel zijn of niet, zie paragraaf 5.5 verderop. Stelling Zij K een lichaam en zij f K[X] een polynoom met gr(f) = 2 of gr(f) = 3. Dan is f irreducibel in K[X] precies dan als f geen nulpunt in K heeft. Bewijs. Als α K een nulpunt van f is, dan is f = (X α)g (zie 3.5.1) en dus is f reducibel. Stel nu dat f geen nulpunt in K heeft. Omdat gr(f) > 0 is f geen eenheid. Stel f = gh, met gr(g) gr(h). Als gr(g) 0 dan moet gelden gr(g) = 1 want gr(f) = gr(g) + gr(h). Maar dan heeft g een nulpunt in K en f dus ook, in tegenspraak met de aanname. Daarom geldt gr(g) = 0 en dus is g een eenheid in K[X]. We concluderen dat f irreducibel is. De volgende stelling geeft een verband tussen irreducibele elementen en priemidealen. Het er op volgende voorbeeld laat zien dat de omkering van de uitspraak van de stelling in het algemeen niet juist is. In de rest van dit hoofdstuk zullen we ringen onderzoeken waarvoor de omkering wel geldt. Stelling Zij a R, a 0 en stel dat Ra een priemideaal is. Dan is a irreducibel. Bewijs. Er is gegeven dat a 0, en dat Ra een priemideaal van R is. Uit (P1) van blijkt dat Ra R, dus a is geen eenheid (zie 2.3.5). Met (P2) volgt uit bc = a Ra dat : b Ra of c Ra, laten we zeggen b Ra. Dan geldt b = ra voor zekere r R. Uit: bc = a en b = ra volgt : (rc 1)a = 0 en dus rc = 1, waarbij we gebruikten dat R commutatief is en dat R een domein is ( (rc 1)a = 0, a 0 rc 1 = 0 ). We zien dat c een eenheid is, met inverse r. In iedere schrijfwijze bc = a geldt dus dat b R of c R en we concluderen dat a irreducibel is. Hiermee is stelling bewezen. Voorbeeld Laat R de ring { n } R = a i X i Q[X] : a 1 = 0, n Z 0 i=0
91 5 DELING IN RINGEN 91 zijn (overigens mag je voor Q een willekeurig lichaam K nemen); men gaat gemakkelijk na dat dit inderdaad een deelring van Q[X] is, en dat X / R. We beweren nu, dat X 2 wel een irreducibel element van R is, maar dat RX 2 geen priemideaal in R is. Eerst het bewijs dat X 2 irreducibel is: ga zelf na dat X 2 geen eenheid is. Dan moeten we nog laten zien: als X 2 = f g, met f, g R, dan f R of g R. Uit X 2 = f g volgt dat f en g samen graad twee hebben. Maar R bezit geen polynomen van graad één, dus dit kan alleen als f of g graad nul heeft, laten we zeggen f. Dan is f een constant polynoom: f Q, en f 0, dus heeft f een inverse in Q, en dus zeker in R, d.w.z. f R. Dit bewijst dat X 2 irreducibel in R is. (Natuurlijk is X 2 niet irreducibel in Q[X], want X 2 = X X.) Nu het bewijs dat RX 2 geen priemideaal van R is. Er geldt X 3 X 3 R X 2 (want X 4 R). Als nu RX 2 een priemideaal van R was, dan zou uit (P2) van (met a = b = X 3 ) volgen dat X 3 RX 2, dus X R, tegenspraak. 5.2 Hoofdideaaldomeinen We gaan nu een belangrijke klasse ringen definiëren waarin ieder irreducibel element wél een priemideaal, en zelfs een maximaal ideaal voortbrengt. Definitie Een hoofdideaaldomein (Engels: PID, principal ideal domain) is een domein R waarin elk ideaal een hoofdideaal is (een hoofdideaal is een ideaal van de vorm Ra, zie ). (N.B. In de literatuur wordt dit soms hoofdideaalring genoemd, die naam wordt overigens ook wel eens gebruikt voor ringen (evt. met nuldelers) waarin elk ideaal hoofdideaal is.) Voorbeeld We bewezen eerder, zie stelling 2.3.2, dat Z een hoofdideaaldomein is. Uit voorbeeld blijkt dat R[X, Y ] geen hoofdideaaldomein is. Alle lichamen zijn hoofdideaaldomeinen; dit volgt op triviale wijze uit Volgens is K[X] een hoofdideaaldomein voor elk lichaam K. De volgende stelling laat zien dat in een hoofdideaaldomein verscheidene van de ingevoerde begrippen samenvallen. Stelling Laat R een hoofdideaaldomein zijn, en a R, a 0. Dan zijn de volgende drie uitspraken equivalent:
92 5 DELING IN RINGEN 92 i. Ra is een maximaal ideaal van R; ii. Ra is een priemideaal van R; iii. a is irreducibel in R. Bewijs. (i) (ii): dit volgt direct uit (ii) (iii): dit is precies stelling Tot zover hebben we geen gebruik gemaakt van het gegeven dat R een hoofdideaaldomein is. Dit gebeurt wel in het bewijs van de laatste implicatie. (iii) (i). Gegeven is dat a R irreducibel is. We moeten bewijzen dat het ideaal Ra voldoet aan de eisen (M1) en (M2) van (M1) a is irreducibel, dus geen eenheid. Hieruit volgt dat Ra R. (M2) Stel dat J een ideaal van R is met Ra J R. We moeten bewijzen dat J = Ra of J = R. Omdat R een hoofdideaaldomein is kunnen we schrijven J = Rb voor zekere b R. Uit a Ra J = Rb blijkt dat a Rb, dus a = rb voor zekere r R. Maar a is irreducibel, dus dit kan alleen als r R of b R. In het geval r R geldt b = r 1 a Ra, dus J = Rb Ra, dus J = Ra. In het geval dat b R geldt J = Rb = R. Hiermee is (M2) gecontroleerd, en de stelling is bewezen. In het bijzonder zien we dat in hoofdideaaldomeinen de omkering van geldt, voor idealen {0}: Gevolg In een hoofdideaaldomein is elk priemideaal {0} maximaal. Bewijs. Dit volgt uit 5.2.3, (ii) (i), aangezien elk ideaal {0} van de vorm Ra is, met a 0. Dit bewijst Voorbeeld Uit stelling volgt dus dat de ring R uit voorbeeld geen hoofdideaaldomein is ( R is overigens wel een domein). In feite is het ideaal voortgebracht door X 2 en X 3 geen hoofdideaal, zie opgave 4. Een belangrijke toepassing van stelling is het vinden (beter: construeren) van een lichaam waarin een polynoom een nulpunt heeft. Stelling Zij K een lichaam en zij f K[X] een irreducibel polynoom. Laat α := X + (f) K[X]/(f). Dan is L := K[X]/(f) een lichaam, K L is een deelring en α is een nulpunt van f in L.
93 5 DELING IN RINGEN 93 Bewijs. Omdat K[X] een hoofdideaaldomein en f irreducibel is, is het ideaal (f) maximaal en dus is L = K[X]/(f) een lichaam. De inclusie K L wordt gegeven door a a+(f) (a K), we schrijven gewoon a i.p.v. a+(f) of ā. Omdat K L kunnen we f opvatten als een element van L[X]. In L geldt: α i = (X+(f)) i := X i +(f) en a i (X i +(f)) = a i X i +(f) (a i K). Als f = a 0 + a 1 X a n X n dan is dus: f(α) = a 0 + a 1 X a n X n + (f) = f + (f) = 0 + (f), en we zien dat α L een nulpunt is van f. Hiermee is de stelling bewezen. Voorbeeld Laat K = R, f = X R[X], L = R[X]/(X 2 + 1) en α := X + (X 2 + 1). Dan is R op te vatten als deelring van L. Ieder element van L is op unieke wijze te schrijven als a + bx + (X 2 + 1) = a + bα. Dan geldt: α 2 = (X + (X 2 + 1)) 2 := X 2 + (X 2 + 1) = (X 2 + 1) + (X 2 + 1) = 1 + (X 2 + 1), dus α 2 = 1 L. Dan is α inderdaad een nulpunt van f. Merk ook op dat we al aangetoond hebben dat L = C (zie 3.4.3), onder dit isomorfisme ging α = X + (f) naar i C en i is een nulpunt van X in C. Algemener, zie opgave 12 op blz. 70, als g = X 2 + bx + c R[X] geen nulpunt in R heeft, dan is R[X]/(X 2 + bx + c) = C en X + (X 2 + bx + c) correspondeert met een nulpunt z C van g. Voorbeeld Zij F p het lichaam Z/pZ, met p een priemgetal (zie 1.18). Als p > 2, dan is er een a F p zodat X 2 a F p [X] irreducibel is, d.w.z. geen nulpunt in F p heeft. Bekijken we nl. de verzameling {x 2 : x F p }, dan heeft deze hoogstens 1 + p 1 (verschillende) elementen, want x 2 = ( x) 2 (in 2 feite heeft de verzameling precies 1 + (p 1)/2 elementen). Er is dus een a F p die geen kwadraat is en dan heeft het polynoom X 2 a inderdaad geen nulpunt in F p. Voor p = 3, 5, 7 kun je resp. a = 2, 2, 3 nemen. Voor iedere p > 2 bestaat er dus een lichaam met p 2 elementen, nl. F p [X]/(X 2 a) met a als boven, en hierin is elk element r op unieke wijze te schrijven als r := a + bα met a, b F p en α := X + (X 2 a). Voor p = 2 kennen we ook al een lichaam met p 2 elementen, zie We zullen later zien, 9.1.1, dat er, op isomorfie na, slechts één lichaam met p 2 elementen bestaat.
94 5 DELING IN RINGEN Ontbindingsdomeinen We gaan ons nu bezighouden met een algemene methode om aan te tonen dat in bepaalde ringen irreducibele elementen priemidealen voortbrengen. Definitie Een factorontbindingsdomein of ontbindingsdomein is een domein R met de eigenschap dat elke a R, a 0, kan worden geschreven als product van een eenheid en een eindig aantal irreducibele elementen: a = u p 1 p 2 p t, u R, t Z 0, p i R irreducibel en een dergelijke ontbinding bovendien eenduidig bepaald is op volgorde en eenheden na, d.w.z. als ook a = v q 1 q 2 q s, v R, s Z 0, q i R irreducibel, dan geldt s = t en er is een permutatie σ van {1, 2,..., t} zodat p i = v i q σ(i) voor zekere eenheden v i R, i = 1, 2,..., t. (Kennelijk geldt dan v = uv 1 v 2 v t.) We noemen zo n schrijfwijze voor a de priemontbinding van a, naar de analogie met de priemontbinding in Z. (De idealen Rp i zijn inderdaad priemidealen, zie stelling ) Ruw gesproken: een ontbindingsdomein is een ring waarin de stelling van de eenduidige priemfactorenontbinding geldt. In het engels schrijft men UFD, unique factorization domain, voor ontbindingsdomein. Men schrijft ook wel factorontbindingsring voor ontbindingsdomein Merk op dat de zorgvuldigheid ten aanzien van eenheden die in de definitie betracht wordt niet nodig was in het geval R = Z, aangezien we ons daar indertijd tot positieve getallen beperkt hebben. Een dergelijke regeling is echter in willekeurige ringen niet zonder meer te treffen. Stelling Zij R een ontbindingsdomein, en a R. Dan geldt: a is irreducibel Ra is een priemideaal (0). Bewijs. : dit is algemeen waar, zie : Laat a R irreducibel zijn. Dan a 0, en we moeten alleen nog bewijzen
95 5 DELING IN RINGEN 95 dat Ra een priemideaal is van R. Er geldt zeker (P1): Ra R, want a is geen eenheid. We controleren (P2). Stel dat b, c R voldoen aan bc Ra, we moeten bewijzen dat b Ra of c Ra. Dit is duidelijk als b = 0 of c = 0, dus stel dat b, c 0. Dan geldt bc 0, en omdat bc Ra kunnen we schrijven bc = da, met d R, d 0. Ontbinden we d in irreducibele factoren (en een eenheid), dan zien we dat bc zo n ontbinding bezit waarin het irreducibele element a voorkomt. Een andere ontbinding van bc in irreducibele factoren (en een eenheid) wordt verkregen door zo n ontbinding voor b met zo n ontbinding voor c te combineren. Wegens de eenduidigheid van de ontbinding moet ook hierin het element a (eventueel vermenigvuldigd met een eenheid) voorkomen; d.w.z. a komt voor in de ontbinding van b of van c, dus b Ra of c Ra. Hiermee is bewezen. In een ontbindingsdomein geldt de omkering van stelling dus wel. Om te verifiëren of een ring een ontbindingsdomein is, is het volgende lemma van belang. Lemma Laat R een domein zijn waarin elke a R, a 0, geschreven kan worden als product van een eenheid en een eindig aantal elementen: a = u p 1 p 2 p t, u R, t Z 0, p i R met de eigenschap dat voor iedere i = 1, 2,..., t geldt dat: p i R is een priemideaal. Dan is R een ontbindingsdomein. Bewijs. Merk op dat in zo n ontbinding voor een a 0 ook iedere p i 0 is. Omdat p i R een priemideaal is volgt dus uit Stelling dat de p i irreducibel zijn. We hoeven dus alleen de eenduidigheid van de ontbinding nog te bewijzen, want het bestaan hebben we al. Stel dus dat a = up 1 p t nog een ontbinding heeft: up 1 p 2 p t = vq 1 q 2 q s met u, v R, t, s Z 0, p i irreducibel met Rp i een priemideaal voor (1 i t) en irreducibele q j (1 j s). We willen bewijzen dat s = t, en dat de q j s op eenheden en volgorde na samenvallen met de p i s. Dit doen we met inductie naar t. Als t = 0 dan is vq 1 q 2...q s = u een eenheid. Aangezien irreducibele elementen geen eenheden zijn kan dit alleen als s = 0, v = u, zoals verlangd.
96 5 DELING IN RINGEN 96 Laat nu t > 0. Dan geldt q 1 q 2...q s = v 1 up 1 p 2...p t Rp t, en Rp t is een priemideaal. Als s = 0 zou dit leveren 1 Rp t, hetgeen voor een priemideaal onmogelijk is ((P1) van 4.1.2). Dus s > 0. Het product van de s factoren q 1, q 2,..., q s kan volgens (P2) van alleen tot het priemideaal Rp t behoren, als ten minste één van de factoren, zeg q s, ertoe behoort: q s = r p t. Maar q s is irreducibel, en p t is geen eenheid, dus r moet een eenheid zijn. Omdat R een domein is, kunnen we nu onze oorspronkelijke gelijkheid door p t delen: up 1 p 2 p t 1 = (rv)q 1 q 2 q s 1, rv R. Dit is een dergelijke gelijkheid, met t één kleiner. De inductiehypothese zegt dus dat t 1 = s 1, en dat p 1, p 2,..., p t 1 op volgorde en eenheden na samenvallen met q 1, q 2,..., q s 1. Aangezien ook p t op een eenheid na gelijk aan q s is, concluderen we dat s = t, en dat p 1, p 2,..., p t op volgorde en eenheden na samenvallen met q 1, q 2,..., q s. Hiermee is lemma bewezen. We bewijzen nu dat hoofdideaaldomeinen ontbindingsdomeinen zijn. Stelling Ieder hoofdideaaldomein is een ontbindingsdomein. Bewijs. Zij R een hoofdideaaldomein. We hoeven alleen maar te bewijzen dat elke r R met r 0 een ontbinding r = up 1... p t, met Rp i priemidealen) heeft, de eenduidigheid volgt dan uit lemma Stel dat a 1 R, a 1 0, niet zo n ontbinding heeft. Het ideaal Ra 1 is dan niet de hele ring R (want anders zou a 1 een eenheid zijn en dat was er wel een ontbinding). Dus volgt dat er een maximaal ideaal M bestaat met Ra 1 M. Vanwege onze aanname dat R een hoofdideaalring is, geldt M = Rp 1 voor een p 1 R. Wegens a 1 Ra 1 M = Rp 1 kunnen we schrijven a 1 = a 2 p 1 voor een a 2 R. Dan is Ra 1 Ra 2, en, omdat p 1 geen eenheid is, ook Ra 1 Ra 2. We kunnen nu dit argument herhalen: a 2 0 en a 2 is geen eenheid (want we nemen aan dat a 1 geen ontbinding als product van een eenheid maal een stel voortbrengers van priemidealen heeft), dus bestaat er een maximaal ideaal Rp 2 Ra 2, enz. Zo verder gaande met a 2 vindt men een a 3 R met Ra 2 Ra 3, maar Ra 2 Ra 3, en a 3 is geen eenheid, etcetera. Dit leidt nu tot een keten van idealen (Ra n ) n=1 met Ra n Ra n+1 maar Ra n Ra n+1. Zij I := Ra n ( R). n 1 Er geldt dat I een ideaal in R is. Als nl. a, b I dan is a Ra k en b Ra l voor zekere k, l N en wegens de inclusies van de Ra i geldt a, b Ra m met
97 5 DELING IN RINGEN 97 m = max{k, l}. Omdat Ra m een ideaal is zit dan ook a b Ra m I. Als r R en a Ra n dan zit uiteraard ra Ra n, waarmee bewezen is dat I een ideaal in R is. Omdat R een hoofdideaaldomein is, moet er een d R zijn met: I = Rd. Omdat I de vereniging is van de Ra n, moet er een m zijn met d Ra m. Dan is echter: Ra m Ra m+1 I = Rd Ra m, in tegenspraak met Ra m Ra m+1. De aanname dat er een element a 1 0 in R is dat geen ontbinding bezit als product van een eenheid maal een stel voortbrengers van priemidealen leidt dus tot een tegenspraak. We concluderen dat iedere r R, r 0, wel zo n ontbinding heeft en de stelling is bewezen Als K een lichaam is, dan is K[X] een hoofdideaaldomein, zie 3.4.1, en dus is K[X] een ontbindingsdomein. Ieder irreducibel element g is i.h.b. een polynoom van graad groter dan 0. Omdat de kopcoëfficiënt a n van g een eenheid is, kunnen we elk irreducibel element op unieke wijze schrijven als: g = a n h met h een monisch polynoom (d.w.z. kopcoëfficiënt 1). De priemontbinding van een willekeurige f K[X] wordt dan gegeven door: f = uh n 1 1 h n h n k k, met u K = K[X], de eenheden van K[X], en de h i zijn onderling verschillende monische irreducibele polynomen. Deze schrijfwijze is dan, gegeven f, uniek (op verwisseling van de h i na). Vergelijk dit met de situatie in Z waar we irreducibele elementen positief kunnen nemen door met de juiste eenheid (±1 dus) te vermenigvuldigen. Stelling Zij K een lichaam en zij f = uh n h n k k de priemontbinding van f met verschillende monische irreducibele factoren, en zij k 1 (d.w.z. f is niet constant). Dan is: K[X]/(f) = (K[X]/(h n 1 1 ))... (K[X]/(h n k k )). Bewijs. We voeren inductie naar het aantal irreducibele factoren k van f. Als k = 1 is de uitspraak triviaal waar. Laat nu k > 1. Dan schrijven we f = (uh n h n k 1 k 1 )hn k k := f k 1 h n k k.
98 5 DELING IN RINGEN 98 We definiëren idealen I, J in K[X] door I = (f k 1 ) en J = (h n k k ), en we zullen laten zien dat I + J = K[X], zodat we de chinese reststelling kunnen toepassen om K[X]/(f) = K[X]/IJ te berekenen. Omdat K[X] een hoofdideaaldomein is, geldt: I + J = (g) voor een polynoom g K[X]. Omdat h n k k J (g) is er een r K[X] met h n k k = rg. Beschouwen we de priemontbinding van r en g in K[X] en gebruiken we dat h k irreducibel is, dan zien we dat g = vh m k voor zekere m, zelfs m n k, en v een eenheid. Anderzijds geldt ook f k 1 I (g), dus er is een s K[X] met f k 1 = sg, oftewel: uh n h n 1 k 1 = svhm k. Omdat de h i monisch, irreducibel zijn en K[X] een ontbindingsdomein is, moet gelden dat h k = h i voor zekere i {1,..., k 1} of dat m = 0. Omdat gegeven is dat de h j, 1 j k onderling verschillende monische irreducibele polynomen zijn, is h i = h k onmogelijk en dus is m = 0. Dan is g = vh m k = v, een eenheid in K[X], en dus I + J = (g) = K[X]. Met de chinese reststelling, , volgt: K[X]/(f) = K[X]/(f k 1 h n k k ) = K[X]/(f k 1 ) K[X]/(h n k k ). Op de ring K[X]/(f k 1 ) passen we nu de inductiehypothese toe en we vinden K[X]/(f) = K[X]/(h n 1 1 ) K[X]/(h n 2 2 )... K[X]/(h n k k ), zoals verlangd. Hiermee is bewezen. 5.4 Deelbaarheid Als K een lichaam is, dan is K[X] een hoofdideaaldomein en dus in het bijzonder een ontbindingsdomein (stelling 5.3.5). We gaan nu de volgende algemenere stelling bewijzen. Stelling Als R een ontbindingsdomein is, dan is R[X] ook een ontbindingsdomein.
99 5 DELING IN RINGEN 99 Gevolg Voor elke n Z >0 en elk ontbindingsdomein R is ook de polynoomring R[X 1, X 2,..., X n ] een ontbindingsdomein. In het bijzonder zijn de ringen Z[X 1, X 2,..., X n ] en K[X 1, X 2,..., X n ] (K een lichaam) ontbindingsdomeinen. Bewijs. (van gevolg ) naar n uit stelling Dit volgt onmiddelijk met volledige inductie Voor het bewijs van stelling hebben we enige voorbereidingen nodig. We nemen steeds aan dat R een ontbindingsdomein is, en we geven het quotiëntenlichaam Q(R) van R aan met K, zie Aangezien K een lichaam is, weten we al dat K[X] een ontbindingsdomein is; dit speelt een belangrijke rol in het bewijs. We zullen nl. een f R[X] eerst ontbinden in irreducibele factoren in K[X], en vervolgens proberen we met die ontbinding een ontbinding van f in R[X] te vinden, zie bewijs lemma Twee elementen a, b R noemt men wel geassocieerd als a = ub met u R een eenheid. Zij P R een verzameling van irreducibele elementen van R met de eigenschap dat elk irreducibel element van R met precies één element van P geassocieerd is. In geval R = Z kan men voor P bijvoorbeeld de positieve irreducibele elementen nemen, als R = K[X] met K een lichaam dan kan men de monische irreducibele elementen nemen. Definitie Zij R een ontbindingsdomein. Laat a, b R met priemontbinding: a = u p n(p), b = v p m(p), p P hierbij zijn n(p), m(p) Z 0 ( slechts eindig veel n(p), m(p) zijn 0) en P is een verzameling van priemelementen als boven. We definiëren de grootste gemene deler (ggd) van a en b door: p P ggd(a, b) := p P min{n(p), m(p)} p ( R), de ggd is slechts op eenheden na (keuze van P (!)) bepaald. Zie opgave 7 voor een verklaring van de terminologie Laat f = n a i X i i=0 R[X], f 0 een polynoom zijn, en laat d de grootste gemene deler van de coefficiënten a 0, a 1,..., a n van f zijn. We noemen d de inhoud van f, notatie: inh(f) := ggd(a 0, a 1,..., a n ),
100 5 DELING IN RINGEN 100 deze is slechts op eenheden na goed gedefinieerd. We kunnen f = d f 0 schrijven, waarbij f 0 R[X] een polynoom met inhoud 1 is. Polynomen met inhoud 1 heten primitief. In het volgende lemma beschouwen we een dergelijke schrijfwijze voor polynomen met coefficienten uit K. Lemma Elk polynoom f 0 uit K[X] kan worden geschreven als: f = d f 0, met d K en f 0 R[X] een primitief polynoom. Deze schrijfwijze is bovendien op eenheden van R na eenduidig bepaald. Bewijs. geldt Als c het product van de noemers van de coëfficiënten van f is, cf R[X], en cf = inh(cf) f 0 met f 0 R[X] een primitief polynoom. Dan f = c 1 cf = c 1 inh(cf)f 0, dus we kunnen d = c 1 inh(cf) nemen. Stel nu dat d f 0 = e g 0, met d, e K, f 0, g 0 R[X] primitief; we willen bewijzen dat d = e u, f 0 = u 1 g 0 voor een u R. Door d en e met een gemeenschappelijke noemer te vermenigvuldigen mogen we aannemen dat d, e R. Dan zijn d en e allebei gelijk aan de inhoud van het polynoom d f 0 = e g 0, dus ze vallen, op een eenheid na, samen, zoals verlangd. Hiermee is bewezen. Uit het volgende lemma zien we, hoe de in aangegeven schrijfwijze zich gedraagt als we producten van polynomen gaan vormen. Lemma Het product van twee primitieve polynomen uit R[X] is weer primitief. Bewijs. Stel dat f = a i X i en g = b j X j primitief zijn, maar dat f g = c k X k het niet is. Dan is er een irreducibel element p van R dat alle coefficienten c k van f g deelt: c k Rp voor alle k. Laat nu f = a i X i (R/pR)[X] en g = b j X j (R/pR)[X] (hier a = (a mod pr) R/pR, voor a R). Dan geldt in (R/pR)[X]: f g = ( a i X i ) ( b j X j ) = c k X k = 0 X k = 0. Omdat Rp een priemideaal van R is (stelling 5.3.3), is R/pR een domein, en dan is ook (R/pR)[X] een domein. Maar een domein heeft geen nuldelers, dus het product f g kan alleen nul zijn als een der factoren f of g nul is; laten we zeggen f. Dan zijn alle a i nul, d.w.z. alle a i zijn deelbaar door p, in tegenspraak met onze aanname dat f primitief is. Hiermee is lemma bewezen.
101 5 DELING IN RINGEN 101 Lemma Elke f R[X], f 0, kan geschreven worden in de vorm f = u p 1 p 2 p s g 1 g 2 g t met u R, s, t Z 0, waarbij p 1, p 2,..., p s irreducibele elementen uit R zijn, en g 1, g 2,..., g t primitieve polynomen uit R[X], die in K[X] irreducibel zijn. Bovendien is deze schrijfwijze op volgorde en eenheden van R na eenduidig bepaald. Bewijs. als Omdat K[X] een ontbindingsdomein is, kan f geschreven worden f = d g 1 g 2 g t, met d K[X] = K, t Z 0, en g 1, g 2,..., g t K[X] irreducibel. Verder is deze schrijfwijze op volgorde en elementen van K na eenduidig bepaald. Schrijf nu elke g i in de door lemma aangegeven vorm, dan zien we dat we zelfs mogen aannemen dat elke g i primitief in R[X] is (hierbij wordt d eventueel veranderd). Bovendien liggen, met deze extra voorwaarde, de g i op eenheden van R na vast, en wegens f = dg 1 g 2 g t geldt hetzelfde voor d. Merk op dat, met de g i, ook het product g 1 g 2 g t primitief is, wegens Dus f = d (g 1 g 2 g t ) is de eenduidig bepaalde schrijfwijze uit Dit betekent dat d gelijk moet zijn aan de inhoud van f; in het bijzonder moet d tot R behoren. Ontbinden we d nu in R: d = u p 1 p 2 p s (u R, s Z 0, p i R irreducibel) (dit is weer uniek, op volgorde en R na), dan vinden we de verlangde schrijfwijze f = up 1 p 2 p s g 1 g 2 g t. De eenduidigheid hebben we in de loop van het bewijs gezien. Hiermee is bewezen Bewijs van stelling Zij f R[X], f 0. We gaan bewijzen dat de ontbinding van f die door lemma gegeven wordt de priemontbinding van f is. We hoeven alleen nog te bewijzen dat de irreducibele elementen van R[X] precies de irreducibele elementen p van R en de primitieve, in K[X] irreducibele polynomen g zijn. Laat hiertoe eerst f R[X] irreducibel zijn, en schrijf f als in Dan s + t 0 (want f is geen eenheid), en s + t < 2 (anders krijgen we een ontbinding van f in twee niet-eenheden). Dus s + t = 1, d.w.z. f is (op een eenheid na) gelijk aan een p of een g, zoals verlangd. Omgekeerd, laat p (resp. g) een irreducibel element van R (resp. een primitief, in K[X] irreducibel polynoom uit R[X]) zijn. Dit is dan geen
102 5 DELING IN RINGEN 102 eenheid van R[X], want R[X] = R, en als het als product f 1 f 2 van twee niet-eenheden van R[X] geschreven kon worden, zouden we direct een tegenspraak met de eenduidigheid van de schrijfwijze uit krijgen door de ontbinding van f 1 en f 2 tot een ontbinding voor p (resp. g) = f 1 f 2 te combineren. We concluderen dat p (resp. g) irreducibel in R[X] is. Hiermee is bewezen. Aan dit bewijs verbinden we nog diverse conclusies. Gevolg Zij R een ontbindingsdomein met quotiëntenlichaam K, en f R[X] een primitief polynoom. Dan geldt: f is irreducibel in K[X] f is irreducibel in R[X]. Bewijs. : We hebben net gezien dat elke irreducibele f R[X] óf irreducibel in K[X] is, óf een irreducibel element uit R is; maar het laatste geval valt uit omdat f primitief is. : Stel f = g h met g, h R[X]. Omdat f in K[X] irreducibel is moet één van beide factoren, zeg g, een eenheid in K[X] zijn, dus g K R[X] = R {0}. Uit f = g h blijkt nu dat g de inhoud van f deelt. Maar inh(f) = 1, dus g is een eenheid in R. Hieruit volgt dat f irreducibel in R[X] is. Hiermee is gevolg bewezen. Gevolg (Lemma van Gauss) Zij R een ontbindingsdomein met quotiëntenlichaam K, en f R[X] een monisch polynoom. Stel dat f = g h, waar g, h K[X] monisch zijn. Dan geldt g, h R[X]. Bewijs. Wegens zijn er u, v K zodat u g en v h primitief zijn in R[X]. Deze polynomen hebben kopcoëfficiënten u en v, dus u, v R. Nu is enerzijds f zelf primitief, want f is monisch. Anderzijds is ook uv f primitief, wegens uv f = (ug) (vh) en Dit is alleen mogelijk als uv een eenheid van R is. Uit uvz = 1 volgt u(vz) = v(uz) = 1, dus u en v zijn eenheden van R. We concluderen: g = u 1 ug R[X], h = v 1 vh R[X]. Dit bewijst Het factoriseren van polynomen We bespreken enkele practische methoden om polynomen in factoren te ontbinden.
103 5 DELING IN RINGEN Bepaling van een nulpunt van een polynoom. Laat K een lichaam zijn en f K[X]. Elk eerstegraads polynoom in K[X] is (op een eenheid na) van de vorm X a, met a K, en volgens is X a een factor van f dan en slechts dan a een nulpunt van f is. Het zoeken van eerstegraads factoren van f is dus gelijkwaardige met het zoeken van nulpunten van f. De volgende drie opmerkingen kunnen hierbij behulpzaam zijn. a. als f = ax 2 + bx + c, met a 0, dan geldt 4a f = (2aX + b) 2 (b 2 4ac) ( kwadraat afsplitsen ). Hieruit zien we dat f een nulpunt in K heeft dan en slechts dan als b 2 4ac een kwadraat in K is. We moeten hierbij wel aannemen dat 2 0 in K geldt (anders 4af = 0; in het lichaam K = F 2 geldt wél 2 = 0). b. als K eindig is kan men alle elementen van K proberen. Voorbeeld: K = F 3, f = X 3 + X + 1; dan f(0) = 1, f(1) = 0, f(2) = 11 = 2, dus 1 is het enige nulpunt van f in K. c. als K = Q, dan mogen we aannemen dat f primitief is: f = a n X n a 1 X + a 0, a i Z, a n 0, a 0 0. Er geldt nu: elk rationaal nulpunt van f heeft de vorm b c, met b een positieve of negatieve deler van a 0 en c een positieve deler van a n. Bewijs hiervan: stel dat b/c een nulpunt is van f, met b, c Z, c > 0, ggd(b, c) = 1. Dan geldt f = (cx b) g met g Q[X], en omdat cx b primitief is moet zelfs gelden g Z[X]. Door vergelijking van de hoogstegraadscoëfficiënten ziet men nu c a n, en de laagstegraadscoëfficiënten geven b a 0. Einde bewijs. Voorbeeld: f = 2X 3 + X 2 X + 3. Voor b komen ±1, ±3 in aanmerking, voor c alleen 1 en 2. Probeert men alle acht waarden voor b/c dan vindt men dat f als enige rationale nulpunt 3/2 heeft. Belangrijk speciaal geval: f is monisch (a n = 1). Dan moet c = 1, dus elk rationaal nulpunt is geheel en een deler van a 0. Vaak kan men het aantal te proberen getallen verkleinen door op het teken van f(x) te letten of modulo een klein priemgetal te rekenen. Voorbeeld: f = X 3 + X 2 + X + 6. Voor b/c komen in aanmerking: ±1, ±2, ±3, ±6. Maar het is duidelijk dat: x >
104 5 DELING IN RINGEN f(x) > 0, en: x oneven f(x) oneven. Dus alleen -2 en -6 hoeven bekeken te worden, en het blijkt dat alleen -2 een nulpunt is Reduceren modulo een priemgetal. Is f Z[X] monisch, en bestaat er een priemgetal p zodat (f mod p) F p [X] irreducibel is, dan is f irreducibel in Z[X] en in Q[X]. Bewijs: een ontbinding f = g h in Z[X] zou een ontbinding f = g h van f = (f mod p) in F p [X] geven, tegenspraak. Dus f is irreducibel in Z[X], en wegens het lemma van Gauss dan ook in Q[X]. Voorbeeld: f = X 4 + 3X 3 X 2 X Kies p = 2. Het polynoom f = X 4 +X 3 +X 2 +X +1 is irreducibel in F 2 [X], want het heeft geen nulpunt in F 2, en het is ook niet deelbaar door het enige tweedegraads irreducibele polynoom in F 2 [X], nl. X 2 + X + 1. Er volgt dat f irreducibel is in Z[X] en in Q[X]. Ook als f niet irreducibel is levert deze methode informatie. Voorbeeld: f = X 4 X 2 +X +2. Met methode 5.5.1(c) gaat men na dat f geen nulpunt in Q heeft, dus als f reducibel is in Z[X] dan f = g h met g, h van de graad twee. Dit geeft f = g h in F 2 [X]. Maar in F 2 [X] splitst f in de irreducibele factoren X en X 3 +X +1, dus f kan niet ontbonden worden in tweedegraads factoren. Conclusie: f is irreducibel in Z[X] en in Q[X] Het kenmerk van Eisenstein (Gotthold Eisenstein, Duits wiskundige, ). Laat R een ontbindingsdomein zijn, p een irreducibel element van R, en f = a n X n a 1 X + a 0 R[X], n > 0. We zeggen dat f een Eisensteinpolynoom (bij p) is als geldt: p a n, p a i voor i = 0, 1,..., n 1, p 2 a 0 (maar p a 0 ) Belangrijke eigenschap: een Eisensteinpolynoom f is irreducibel in K[X] (met K = quotiëntenlichaam van R) en, als f primitief is, ook in R[X]. Bewijs. Omdat inh(f) niet door p deelbaar is, is ook het primitieve polynoom f/inh(f) een Eisensteinpolynoom. Zonder beperking der algemeenheid
105 5 DELING IN RINGEN 105 mogen we dus aannemen dat f primitief is. Stel nu f = g h, g, h R[X], graad(g) > 0, graad(h) > 0. In (R/pR)[X] geldt wegens p a n, p a i (i = 0, 1,..., n 1): en bovendien Dit kan alleen als f = (f mod p) = a n X n met a n = (a n mod p) 0, f = g h, graad(g) > 0, graad(h) > 0. g = bx k, h = cx l voor zekere b, c R en k, l Z >0. Dan moeten de constante coëfficiënten van g en h allebei door p deelbaar zijn, en hieruit volgt dat de constante coëfficiënt a 0 van f door p 2 deelbaar is, in tegenspraak met het gegeven. Het primitieve polynoom f is dus irreducibel in R[X] en daarom ook in K[X] (gevolg ). Einde bewijs. Voorbeeld R = Z, f = X 5 + 2X 3 6; dit is een Eisensteinpolynoom bij p = 2, dus irreducibel. R = R[Y ], f = X 3 + (Y 4 1)X (Y 2 + 1): dit is een Eisensteinpolynoom bij p = Y 2 + 1, en ook primitief, dus irreducibel in R[X, Y ]. Hetzelfde geldt voor het polynoom X 2 + Y 2 1 (R[Y ])[X] met p = Y Coëfficiënten vergelijken Wil men bijvoorbeeld 4 a i X i in Z[X] ontbinden, a 0 0, a 4 0, en weet men dat er geen factor van graad 1 is (methode 5.5.1(c)), dan kan men schrijven dus i. b 2 c 2 = a 4 i=0 4 a i X i = (b 2 X 2 + b 1 X + b 0 ) (c 2 X 2 + c 1 X + c 0 ) i=0 ii. b 2 c 1 + b 1 c 2 = a 3 iii. b 2 c 0 + b 1 c 1 + b 0 c 2 = a 2 iv. b 1 c 0 + b 0 c 1 = a 1 v. b 0 c 0 = a 0.
106 5 DELING IN RINGEN 106 Voor b 2, c 2, b 0, c 0 zijn er wegens i. en v. slechts eindig veel mogelijkheden: voor vaste b 2, c 2, b 0, c 0 kan men b 1 c 1 uit iii. bepalen, enzovoort. Deze methode is meestal tijdrovend maar leidt, in het vierdegraads geval, gegarandeerd in een eindig aantal stappen tot een ontbinding van f in irreducibele factoren. Opmerking In Van der Waerden, Algebra I, 32, staat een algorithme waarmee elke f Z[X] in een eindig aantal stappen in factoren kan worden ontbonden. Dit algorithme is voornamelijk van theoretische waarde. Voor verdere literatuur zie men: H.G. Zimmer, Computational problems, methods, and results in algebraic number theory, Chapter 2.
107 5 DELING IN RINGEN Opgaven 1. We beschouwen de ring: R = Z[ 5] = { a + b 5 : a, b Z } a. Bewijs dat 2, 3 R irreducibel zijn. Aanwijzing: gebruik, zie 1.13, de afbeelding N : R Z, N(a + b 5) = a 2 + 5b 2. Deze heeft de eigenschap r R N(r) = ±1. b. Bewijs dat R2 en R3 geen priemidealen zijn. Is R een ontbindingsdomein? c. Is dit niet in tegenspraak met stelling 5.2.3? d. Laat zien dat 6 = 2 3 en 6 = (1 + 5)(1 5) twee verschillende ontbindingen van 6 als product van irreducibele elementen zijn. 2. Zij R de ring van polynoomfuncties op de cirkel: R = R[X, Y ]/I, I = (X 2 + Y 2 1), en zij x := X + I, y := Y + I R. a. Bewijs dat x 1 en y 1 irreducibel zijn in R. (Aanwijzing: gebruik de afbeelding N : R R[X] uit opgave 19 op blz. 72.) b. Bewijs dat (x 1) en (y 1) geen priemidealen zijn en dat R geen ontbindingsring is. c. Laat zien dat a = (x + y 1) 2 = 2(x 1)(y 1) twee verschillende ontbindingen van a als product van irreducibele elementen (en een eenheid 2) zijn. d. Teken een plaatje met de cirkel en de lijnen X + Y 1 = 0, X 1 = 0 en Y 1 = 0. Probeer zelf elementen in R te vinden die twee verschillende ontbindingen in irreducibele elementen toelaten.
108 5 DELING IN RINGEN Geef van elk van de volgende elementen van Z[ 3] aan of ze irreducibel zijn en of ze een priemideaal voortbrengen : 3, 1, 2, 1 + 3, Zij R = { a i X i Q[X] : a 1 = 0}, zie voorbeeld a. Zij Φ 0 : R R, f f(0) het evaluatiehomomorfisme in 0. Bewijs dat ker(φ 0 ) = (X 2, X 3 ) = {f = X 2 g + X 3 h R : g, h R}. b. Bewijs dat ker(φ 0 ) geen hoofdideaal is, maar wel een maximaal ideaal is. 5. Laat R = {a/b Q : a, b Z, b oneven }. Dit is een deelring van Q. a. Bepaal R. b. Bewijs dat elke x R, x 0, een eenduidige schrijfwijze x = 2 k u heeft, met k Z 0, u R. c. Laat zien dat 2, op eenheden na, het enige irreducibele element van R is. Is 2R een priemideaal? 6. Zij R = Z[X]/(5X, X 2 ). a. Bewijs dat elk element van R op eenduidige wijze geschreven kan worden als waarbij a + b X met a Z, b Z, 0 b < 5. de restklasse modulo (5X, X 2 ) aangeeft. b. Bewijs: a + bx R a {±1}. c. Bewijs: als α = X, β = 2 X, dan geldt R α = R β en α / R β. 7. Zij R een ontbindingsdomein en zij d R de ggd van a, b R : d = ggd(a, b). Stel c R is een deler van a en van b, d.w.z. er zijn a 1, b 1 R met a = ca 1, b = cb 1. Bewijs dat c een deler van d is. 8. Ontbind X 8 16 en X in irreducibele factoren in Q[X].
109 5 DELING IN RINGEN Is 5X X + 10 een Eisensteinpolynoom in Z[X]? Is het irreducibel in Z[X]? en in Q[X]? 10. Bewijs dat X n + 2 irreducibel in Z[X] is voor alle n Z 0. Bewijs dat Y n X irreducibel is in K[X, Y ] (K een lichaam) voor alle n Z a. Vind een voorbeeld van een irreducibel polynoom f Z[X] met de eigenschap dat f(x 2 ) niet irreducibel is. b. Laat f Z[X] een monisch Eisensteinpolynoom zijn. Bewijs dat f(x 2 ) irreducibel in Z[X] is. 12. Zij R een ontbindingsdomein. Bewijs dat een ontbindingsdomein is. n 0 R[X 1, X 2,..., X n ] 13. Ontbind de volgende polynomen in irreducibel factoren in Z[X] en in Q[X]: 4X 2 + 4, 2X X 5 + 3, X 4 7X 2 + 5X 3, X X X , X 3 + X Ontbind de volgende polynomen in irreducibele factoren in Z[X] en in Q[X]: 1 7 ((X + 1)7 X 7 1), X 3 + 3X 2 + 6X + 9, X 4 + 2X 3 + 3X 2 + 9X + 6, X 12 1, X 4 X 3 + X 2 X Ontbind de volgende polynomen in irreducibele factoren in Q[X, Y ]: Y 4 + X 2 + 1, Y 3 (X + 1)Y 2 + Y + X(X 1), X n + Y 3 + Y (n 1), X 4 + 4Y 4, X 4 + 2X 3 + X 2 Y 2 2Y 1, Y n 13X 4 (n 1).
110 5 DELING IN RINGEN Zij I Z[X] een priemideaal. a. Bewijs dat I Z een priemideaal in Z is. b. Bewijs dat ofwel I = {0} ofwel I = (f) met f Z[X] irreducibel, ofwel I = (p) met p Z een priemgetal ofwel I = (p, f) met f Z[X] een polynoom dat modulo het priemgetal p irreducibel is. c. Bepaal alle maximale idealen van Z[X]. 17. Stel dat n een positief geheel getal is waarvoor n n een priemgetal is. Bewijs dat n = Laat f Z[X] een monisch polynoom zijn waarvoor f(0) een priemgetal is. Bewijs dat f ten hoogste drie verschillende nulpunten in Q heeft. 19. Bepaal alle irreducibele polynomen f F 2 [X] met graad (f) Zij R = C[U, V ]/(UV 1). a. Bewijs dat C[T, T 1 ] := { } f(t ) C(T ) : f(t ) C[T ], i Z T i een deelring van het lichaam C(T ) is. b. Bewijs dat R = C[T, T 1 ]. c. Bewijs dat R een hoofdideaaldomein is. d. Bewijs dat R = C[X, Y ]/(X 2 + Y 2 1) (hint: X 2 + Y 2 = (X + iy )(X iy )). e. Bepaal een r C[X, Y ]/(X 2 + Y 2 1) met (r) = (x 1, y) waarin x := X + (X 2 + Y 2 1) en y = Y + (X 2 + Y 2 1). (vergelijk opgave 19 op blz. 72).
111 6 MODULEN Modulen 6.1 Definities Het analogon van lineaire ruimten over een lichaam zijn modulen over een ring. Definitie Zij R een (unitaire) ring. Een links-r-moduul M is een abelse (optel)groep (we schrijven + voor de groepsoperatie), met een actie van een ring R, d.w.z. er is een afbeelding: R M M, (a, m) am, zodanig dat voor alle a, b R en alle m, n M geldt: (RM1) a(m + n) = am + an, (RM2) (RM3) (a + b)m = am + bm, a(bm) = (ab)m, (RM4) 1m = m. Een rechts-r-moduul wordt analoog gedefinieerd, maar dan met een actie M R M et cetera. Opmerking Tenzij anders vermeld zijn alle modulen die we beschouwen links-r-modulen en we schrijven gewoon R-modulen Voorbeelden. a. Zij R = K, een lichaam. Dan zijn de axioma s voor een links-rmoduul precies de axioma s voor een lineaire ruimte over K. b. Zij K een lichaam. De ring R van n n matrices met coëfficiënten in K werkt op de optelgroep (K n ) + van de lineaire ruimte K n : R = M(n, K), M = (K n ) + met actie (A, v) A v, het gebruikelijke product van een matrix met een vector. Hiermee is K n een links-m(n, K)-moduul. c. Zij R = Z en zij M = G een abelse goep. Definieer 0g := 0, ( 1)g := g met 0 G het eenheidselement en met g de inverse van g in G. Definieer vervolgens ng := g + g g (n keer) en ( n)g = ( g) + ( g) ( g) (n ) als n 1. Ga na dat G op deze wijze een Z-moduul is.
112 6 MODULEN 112 d. Zij R een ring en zij I R een ideaal. Dan is I een R-moduul. Bovendien is R/I ook een R-moduul, met actie: R R/I R/I (r, a + I) ra + I. Merk op dat dus geldt: rā := ra + I = ra. Opmerking Uit de axioma s van links-r-moduul volgt: Verder geldt: 0m = (0 + 0)m = 0m + 0m dus 0m = 0. 0 = (a + ( a))m = am + ( a)m dus ( a)m = (am), i.h.b. geldt ( 1)m = (1m) = m, dus a( m) = a (( 1)m) = (a( 1)) m = ( a)m, hetgeen de notatie am voor ( a)m = (am) = a( m) rechtvaardigt. Definitie Een deelmoduul N van een links-r-moduul M is een ondergroep van M die gesloten is onder de actie van R. Precieser, een N M met voor alle a, b N en alle r R: (DM1) 0 N, a b N, (DM2) ra N, we schrijven hiervoor ook wel rn N. Een deelmoduul N van een R-moduul M is zelf ook een R-moduul Voorbeelden. a. Zij R = K, een lichaam, en zij M een lineaire ruimte over K. De deelmodulen van M zijn precies de lineaire deelruimten van M. b. De enige deelmodulen van het M(n, K)-moduul K n zijn { 0} en K n. Als immers x, y K n { 0} dan is er een A M(n, K) met A x = y (ga na). c. De deelmodulen van het Z-moduul G, met G een abelse groep, zijn precies de ondergroepen van G (ga na). d. De ring R is zelf een R-moduul, en de R-deelmodulen van R zijn precies de idealen van R (ga na). e. Zij A M(n, K), K een lichaam en zij R = K[A] = { i< a ia i : a i K}. Zij v K n een eigenvector van A met eigenwaarde λ K. Dan is de (één dimensionale) deelruimte K v = v een deelmoduul van het R-moduul K n. Immers, een deelruimte is een optelgroep en omdat v een eigenvector is, geldt A v = λ v v zodat ook ( i< a ia i ) v v.
113 6 MODULEN R-moduulhomomorfismen De R-moduulhomomorfismen zijn de generalisatie van de lineaire afbeeldingen. Definitie Zij R een ring en laat M, N (links)-r-modulen zijn. Een R-moduulhomomorfisme is een afbeelding f : M N, die een homomorfisme van abelse groepen is en die R-lineair is, preciezer, voor alle x, y M en alle r R voldoet f aan: (H1) (H2) f(x + y) = f(x) + f(y), f(rx) = rf(x). In het bijzonder geldt: f(0) = 0. Een R-moduulisomorfisme is een bijectief R-moduulhomomorfisme. (Ga na dat de inverse van een R-moduulisomorfisme weer een (bijectief) R- moduulhomomorfisme is, d.w.z. de inverse is ook een R-moduul isomorfisme.) De kern van een R-moduulhomomorfisme f : M N is gedefinieerd door: ker(f) := {m M : f(m) = 0 ( N) }. Het beeld van een R-moduulhomomorfisme is gedefinieerd door beeld(f) = im(f) = f[m] = {f(m) N : m M} Voorbeelden. a. Omdat 0 = {0} R een R-moduul is (het is immers een ideaal van R) zijn de afbeeldingen 0 M, M 0 R-moduulhomomorfismen (de eerste afbeelding stuurt ten gevolge van de definitie van R-moduulhomomorfisme 0 naar 0 M, de tweede stuurt uiteraard elke m M naar 0). b. Voor een commutatieve ring R en een R-moduul M en een a R definieert φ a : M M, m am, een R-moduulhomomorfisme.
114 6 MODULEN 114 c. Een homomorfisme f : G H van abelse groepen is een Z- moduulhomomorfisme, immers f(2g) = f(g + g) = f(g) + f(g) = 2f(g) etc. d. Zij R een ring en zij I een ideaal, dan zijn R en R/I beide R- modulen. De kanonieke afbeelding (een ringhomomorfisme): φ : R R/I, m m = m + I, is een R-moduulhomomorfisme. Aan eis (H1) is voldaan omdat φ een ringhomomorfisme en dus een homomorfisme van optelgroepen is. Verder geldt (zie 6.1.3): φ(rm) := rm + I = rφ(m), (r, m R) zodat ook aan (H2) voldaan is. Stelling Zij f : M N een R-moduulhomomorfisme. Dan geldt: a. ker(f) is een deelmoduul van M. b. im(f) is een deelmoduul van N. Bewijs. (ga na). De bewijzen van de twee uitspraken volgen direct uit de definities 6.3 Direkte sommen In deze paragraaf zijn alle modulen links-modulen Zij R een ring en zij M i een R-moduul voor iedere i I, waarbij I een index verzameling is (bv. I = {1, 2,..., n} of I = Z). De direkte som M van de M i is gedefinieerd door: M = i I M i := { (..., x i,...) i I : slechts eindig veel x i 0 }. Op deze verzameling definiëren we de structuur van een R-moduul door: (..., x i,...) + (..., y i,...) = (..., z i,...), met z i = x i + y i i I 0 = (..., 0,...), d.w.z. x i = 0 i I r (..., x i,...) = (..., z i,...) met z i = rx i i I. Ga na dat deze regels inderdaad een R-moduul definiëren.
115 6 MODULEN 115 Definitie Een R-moduul F heet vrij (ook wel een vrij R-moduul) indien er een verzameling I bestaat en een isomorfisme van R-modulen: F = i I R. Hierbij namen we voor de M i uit steeds R. In het bijzonder is i I R voor iedere niet-lege I een vrij R-moduul. We definiëren voor elke i I: e i = (..., x j,...) j I i I R door : x i = 1, x j = 0 als i j. Iedere x F is dan, op unieke wijze, te schrijven als: x = i I x i e i, (x, e i F, x i R), waarbij slechts eindig veel x i 0 zijn. Voor n Z 1 definieert men een vrij R-moduul: R n := R. i {1,2,...n} Voorbeelden. Als K een lichaam is, dan is K n de bekende lineaire ruimte over K. De polynoomring R[X] kan gezien worden als een R-moduul (gebruikelijke optelling en scalaire vermenigvuldiging). De afbeelding: φ : R[X] F := n a i X i (a 0, a 1,..., a n, 0, 0,...), i Z 0 R, i=0 geeft een isomorfisme van R-modulen; φ is surjectief omdat slechts eindig veel x i ongelijk nul zijn in een element (..., x i,...) F Als R niet-commutatief is, dan blijkt het mogelijk te zijn (zie opgave 7), dat: R = R 2 (!). Als R commutatief is, dan kan zoiets niet gebeuren: Stelling Zij R een commutatieve (unitaire) ring; R (0). Dan geldt: R m = R n = m = n. Men noemt m (= n) dan wel de rang van het R-moduul R m. geldt: R m = i I R = m = #I. Algemener
116 6 MODULEN 116 Bewijs. Een bewijs van deze stelling dat gebaseerd is op de bekende regel det(ab) = det(a) det(b) voor determinanten van n n matrices, is te vinden in Section 3.4 van het boek N. Jacobson, Basic Algebra I. Het voordeel van dat bewijs is dat het geen gebruik maakt van het Lemma van Zorn, wat we in het onderstaande bewijs wel doen (we gebruiken namelijk het bestaan van een maximaal ideaal in een commutatieve ring). Neem aan dat φ : R m R n een R-moduulisomorfisme is. Zij M een maximaal ideaal in R. Dan is M m = m i=1m een deelmoduul van R m. De factorgroep R m /M m is op een natuurlijke manier een K = R/M-moduul, en dus, omdat K een lichaam is, een lineaire ruimte over K. Men gaat eenvoudig na dat de afbeelding (r 1,..., r m ) + M m (r 1 + M,..., r m + M) een welgedefinieerd isomorfisme tussen de lineaire ruimten R m /M m en K m over K geeft. Er volgt dus dat dim K (R m /M m ) = m. Het beeld φ(m m ) is een deelmoduul van R n. De factorgroep R n /φ(m m ) is dan een R-moduul, en zelfs een K-moduul: immers, is m M en v R n, dan is mv = φφ 1 (mv) = φ(mφ 1 (v)) φ(m m ). Met andere woorden, de vermenigvuldiging van een klasse v + φ(m m ) R n /φ(m m ) met een element r R hangt alleen van de klasse van r in R/M = K af, oftewel anders gezegd, R n /φ(m m ) is een K-moduul. Het isomorfisme φ induceert een isomorfisme R m /M m = R n /φ(m n ) van lineaire ruimten over K, dus in het bijzonder dim K (R n /φ(m m )) = m. Iedere x R n is op unieke wijze te schrijven als: x = (x 1, x 2,..., x n ) = x 1 (1, 0..., 0) + x 2 (0, 1, 0,..., 0) x n (0, 0,..., 1) = x 1 e 1 + x 2 e x n e n, analoog aan de schrijfwijze in een lineaire ruimte. Bijgevolg wordt de lineaire ruimte R n /φ(m m ) over K opgespannen door de klassen e 1 +φ(m m ),..., e n + φ(m m ). We concluderen hieruit dat n dim K (R n /φ(m m )) = m. Als we in het hierboven gegeven bewijs de rol van R n en R m verwisselen en φ door φ 1 vervangen, volgt geheel analoog dat ook m n. Met andere woorden, n = m. De algemenere uitspraak in de stelling volgt geheel analoog. Hiermee is de stelling is bewezen We hebben al gezien dat modulen over een lichaam K lineaire ruimten zijn. I.h.b. geldt: als K n de direkte som is van twee modulen: K n = V W = V = K a, W = K n a,
117 6 MODULEN 117 voor zekere a omdat V en W immers ook (eindig dimensionale) lineaire ruimten zijn. Bij modulen over een ring is de situatie veel interessanter. Een eenvoudig voorbeeld daarvan is: Z/6Z = Z/2Z Z/3Z, n + 6Z ( n + 2Z, n + 3Z) hierbij nemen we R = Z/6Z (zie ). Met de chinese reststelling kunnen we, geheel analoog, nog meer voorbeelden construeren. Een interessanter voorbeeld is het volgende. Voorbeeld We beschouwen de deelring R van de ring van C -funkties op R bestaande uit de periodieke funkties met periode 2π: R := {f C (R) : f(x + 2π) = f(x) x R}. Merk op dat R geïdentificeerd kan worden met de ring van C funkties op de cirkel S 1. Zij M het R-moduul gedefinieerd door: M := {m C (R) : m(x + 2π) = m(x) x R}, dan is M een (optel)groep (het is een ondergroep van C (R) + ) en de actie van R wordt gegeven door de vermenigvuldiging in de ring C (R): (m + n)(x) := m(x) + n(x), m, n M, x R, (fm)(x) := f(x)m(x), f R, m M, x R, merk op dat fm M (!) en ga na dat M inderdaad een R-moduul is. De bekende formules voor sinus en cosinus laten zien dat de volgende funkties in het moduul M zitten: a R : C a, S a M, met We laten nu zien dat: C a : R R, S a : R R, M = R, maar wel : M M = R 2, en we bewijzen ook dat M niet vrij is. Stel er bestaat een R-moduulisomorfisme: φ : R M, dan φ(f) = f φ(1), x cos x a 2, x sin x a 2. met 1 R de funktie die overal de waarde 1 heeft. We schrijven g := φ(1) M. Omdat g continu is en g(2π) = g(0) heeft g tenminste één nulpunt in het interval [0, 2π]. Zij a [0, 2π] zo n nulpunt.
118 6 MODULEN 118 Omdat φ ook surjectief is, is iedere m M dan te schrijven als m = φ(f) dus: m = fg, i.h.b. m(a) = f(a)g(a) = 0. Iedere m M moet dus een nulpunt in a hebben. Nemen we m = C a M dan is echter C a (a) = cos a a = 1 0, een tegenspraak. We concluderen 2 dat er géén isomorfisme φ : R M bestaat, waarmee de eerste uitspraak bewezen is. We definiëren een R-moduulhomomorfisme: ψ : R 2 M M, (f, g) ( fc 0 + gs 0, fs 0 + gc 0 ) (ga na dat ψ inderdaad een R-moduulhomomorfisme is). In termen van matrices (met coëfficiënten in het R-moduul M) wordt ψ gegeven door: ( ) ( ) C0 S A := 0, i.h.b. A 1 C0 S = 0, S 0 C 0 S 0 C 0 waarbij we gebruiken dat C 2 0 +S 2 0 = 1, immers (cos x 2 )2 +(cos x 2 )2 = 1 voor alle x R. (De berekening van de determinant kan eigenlijk niet plaats vinden in M, omdat er immers geen product van elementen van M gedefinieerd is. Het resultaat 1 zit ook niet in M (!). We gebruiken echter dat M C (R), een ring.) De inverse van ψ wordt dan hopelijk gegeven door: ψ 1 : M M R 2, (m, n) ( C 0 m S 0 n, S 0 m + C 0 n ) (merk op dat C 0 m R (!) etc. ). Ga na dat inderdaad ψ 1 ψ = id R 2 en ψψ 1 = id M M (dit moet men echt nagaan; onze argumenten waren immers heuristisch). Tenslotte bewijzen we dat M niet vrij is. Als F := i I R = M, dan F F = M M = R 2. Omdat F F vrij is, met indexverzameling I I, volgt uit stelling dat # I I = 2, dus #I = 1 en F = R. Maar we hebben al gezien dat R = M, dus is M niet vrij. Hiermee is de laatste uitspraak bewezen. Opmerking We proberen een meetkundige verklaring voor het voorbeeld hierboven te geven. Om te beginnen kunnen we de ring R, wegens de periodiciteit van de funkties in R, opvatten als de ring van C funkties op de cirkel S 1 := {(x, y) R 2 : x 2 + y 2 = 1}, R = C (S 1, R) = C (S 1 ).
119 6 MODULEN 119 Maar we willen er anders tegenaan kijken. Een funktie g in het R-moduul R zullen we opvatten als een afbeelding g : S 1 C := S 1 R, t (t, g(t)). merk op dat g(s 1 ) nu de grafiek van de functie g is. We kunnen C = S 1 R R 2 R = R 3 zien als een cylinder in R 3, (de lijnen door (x, y, 0) met x 2 +y 2 = 1 evenwijdig aan de z-as). Er is een projectie: π C : C S 1, (t, u) t, t S 1, u R. Voor iedere t S 1 noemen we π 1 C (t) de vezel van π C boven t, de vezel boven t is dus de lijn evenwijdig aan de z-as door het punt (t, 0). Men noemt C wel een vezelbundel over S 1. Voor iedere t S 1 en g R geldt: π C g(t) = π C (t, g(t)) = t, dus π C g = id S 1. Men noemt algemener een g : S 1 C een sectie van de vezelbundel C als aan de eis π C g = id S 1 voldaan is ( g voegt dan aan iedere t S 1 een punt (t, g(t)) in π 1 C (t) toe). Deze secties vormen een moduul over R: de som g + h van twee secties van C en ook het vermenigvuldigen met een f R definiëren we vezelsgewijs, dwz. ( g + h)(t) := (t, g(t) + h(t)) en f g(t) = f (t, g(t)) := (t, f(t)g(t)). Al met al zien we dat: R = Γ(S 1, C) := { g : g : S 1 C, g is C, en π C g = id S 1 }, waar g g een isomorfisme van R-modulen is. We noemen Γ(S 1, C) het moduul van C sneden van de vezelbundel C. Deze vezelbundel (een cylinder) is nu ons meetkundig beeld van het R-moduul R. We bekijken nu het moduul M. Omdat m(x + 2π) = m(x) kunnen we m niet opvatten als een funktie op S 1. Merk op dat m geheel bepaald is door zijn restrictie tot het interval [0, 2π] (verschuif x over gehele veelvouden van 2π en gebruik m(x + 2kπ) = ( 1) k m(x)). De funktie m is dus bepaald door de afbeelding m : [0, 2π] [0, 2π] R, x (x, m(x)). Als we {0} R met {2π} R willen identificeren door (0, u) = (2π, u) te eisen (zodat we C krijgen) dan geeft m, als m(0) m(2π) d.w.z. als m(0) 0, geen sectie meer van C. Merk echter op dat dit probleem opgelost wordt door
120 6 MODULEN 120 (0, u) met (2π, u) te identificeren, de verzameling die zo ontstaat noemen we M := ([0, 2π] R)/ met (x, u) (y, v) ( x y = 2π en u = v ). Ook M kunnen we zien als een vezelbundel, met projectie: π M : M S 1, (x, u) x, merk op dat we de laatste x interpreteren als een punt van S 1, en dat (0, u) en (2π, u) hetzelfde beeld in de cirkel hebben, zodat π M goed gedefinieerd is. De vezels van π M zijn steeds reële rechten (wegens de identificatie is ook de vezel boven het punt corresponderende met 0 én 2π ook één reële rechte). Iedere m M geeft dan een C sectie m : S 1 M, t (t, m(t)). Door vezelsgewijs optellen en vezelsgewijs vermenigvuldigen met een f R vormen de C sneden van M een moduul over R. Op deze wijze krijgen we een isomorfisme van R-modulen: M = Γ(S 1, M) := { m : m : S 1 M, m is C, en π M m = id S 1 }, met m m. De vezelbundel M is ons meetkundig beeld van het R-moduul M. Om M te visualiseren kun je beter eerst R herschalen, m.b.v. een veelvoud van de bv. de arctangens, tot een interval ( ɛ, ɛ), met 0 < ɛ < 1. Je moet dan van de rechthoek [0, 2π] ( ɛ, ɛ) de zijden {0} ( ɛ, ɛ) en {2π} ( ɛ, ɛ) zo aan elkaar plakken dat (0, u) op (2π, u) komt. De zo ontstane figuur heet de Möbiusband. Zoals je ziet zijn de Möbiusband en de cylinder inderdaad verschillend. Het is dan ook niet verbazend dat de R-modulen R en M, bestaande uit de (C ) secties van C en M respectievelijk, niet isomorf zijn. We proberen te zien dat R 2 en M 2 = M M isomorf zijn. We kunnen R 2 identificeren met de C afbeeldingen: ( g, h) : S 1 T := S 1 R R, t (t, g(t), h(t)) g, h R. Wederom is T een vezelbundel met projectie π T : T S 1 en de vezels zijn nu isomorf met R 2. De afbeelding s := (g, h) s := ( g, h) geeft dan een R-moduulisomorfisme: R 2 = Γ(S 1, T ) := { s : S 1 T, s is C, en π T s = id S 1 },
121 6 MODULEN 121 de R-moduulstructuur op Γ(S 1, T ) is weer via vezelsgewijs optellen en vezelsgewijs vermenigvuldigen met een f R. De vezelbundel T is ons meetkundig beeld van het R-moduul R 2. We laten zien dat M M hetzelfde beeld oplevert. Allereerst merken we op dat we M als deelvezelbundel van T kunnen zien. Daartoe definiëren we: α : M T, (x, u) (x, u cos x 2, u sin x 2 ) = (x, u f 1 (x)) merk op dat α(0, u) = α(2π, u), dus dat α inderdaad welgedefinieerd is. Bovendien reken je makkelijk na dat α : M = Γ(S 1, M) Γ(S 1, T ), m α m een R-moduulhomomorfisme is. Merk op dat geldt: α m : x (x, m(x) f 1 (x)), (x S 1 ), en dat f1 (x) = (C 0 (x), S 0 (x)), met de notatie van het voorbeeld. Als we in iedere vezel het loodrechte complement van de vezel van α(m) nemen, dan vinden we een tweede deelvezelbundel van T die ook isomorf is met M. Precieser, definieer: β : M T, (x, v) (x, v sin x 2, v cos x 2 ) = (x, v f 2 (x)), dan is het beeld van β ook isomorf met M. Geheel analoog aan α kan men ook β definiëren. (Merk op dat: f2 (x) = ( S 0 (x), C 0 (x)).) Voor iedere x S 1 geldt: f 1 (x) f 2 (x), dus {x} R R = {x} (< f 1 (x) > < f 2 (x) >), d.w.z. dat elke vezel van T wordt opgespannen door vectoren uit het beeld van α en het beeld van β. De afbeelding: M M Γ(S 1, T ), (m, n) α m + β ñ, is dan een injectief R-moduulhomomorfisme. Het is zelfs surjectief, want de inverse wordt gegeven door een sectie s van T (vezelsgewijs) te projecteren op α(m) resp. β(m). (Merk op dat de matrix van de afbeelding M M Γ(S 1, T ) gegeven wordt door de matrix A 1 uit het voorbeeld.) Hiermee hebben we dan uiteindelijk: R 2 = Γ(S 1, T ) = M M,
122 6 MODULEN 122 hetgeen we zochten. Om dit te visualiseren, schalen we R R tot een schijfje D := {(u, v) R 2 : u 2 + v 2 < ɛ } (ɛ (0, 1)). We kunnen dan T zien als een massieve fietsband: voor iedere t S 1 nemen we een schijfje D t R 3 met midden t en D t ligt in het vlak opgespannen door de lijn van (0, 0, 0) naar t = (x, y, 0) S 1 en de z-as { e(t) = (x, y, 0), D t = {t + u e(t) + v e 3 R 3 : u 2 + v 2 < ɛ }, met e 3 = (0, 0, 1). De vereniging van deze schijven, over alle t S 1, is dan isomorf met (de geschaalde) T : T := t S1 D t. Anderzijds kunnen we in D ook de twee möbiusbanden α(m) en β(m) zien, deze zijn nl. het beeld van de afbeeldingen: [0, 2π] ( ɛ, ɛ) R 3, (x, u) t x + u(c 0 (x) e(t x ) + S 0 (x) e 3 ) [0, 2π] ( ɛ, ɛ) R 3, (x, v) t x + v( S 0 (x) e(t x ) + C 0 (x) e 3 ) met t x = (cos x, sin x, 0) S 1. Zowel R 2 als M M zien er dus uit als een massieve fietsband, hetgeen overeenstemt met het feit dat de modulen isomorf zijn. Tenslotte merken we nog op dat het moduul M isomorf blijkt te zijn (als R-moduul) met een (niet-hoofd)ideaal in R (zie opgave 3): M = I := ker(φ (1,0) : R R), Φ (1,0) : f(x, y) f(1, 0). De moraal is dat niet-hoofdidealen te maken hebben met interessante meetkundige verschijnselen. 6.4 Een bovendriehoeksvorm voor matrices Zij K een lichaam, zij V een eindig dimensionale lineaire ruimte over K en zij α : V V een K-lineaire afbeelding. Indien alle eigenwaarden van α in K zitten, dan construeren we een basis van V zodat de matrix A van α, t.o.v. die basis, een bovendriehoeksmatrix is (d.w.z. A ij = 0 als i > j).
123 6 MODULEN Zij α als boven en zij K[α] := beeld(φ α ) = { i< a i α i : a i K }, het beeld van het evaluatiehomomorfisme: Φ α : K[X] End K (V ), f f(α), zie voorbeeld De ring K[α] is een commutatieve deelring van End K (V ) (commutatief omdat α i α j = α i+j = α j α i en aα = αa). Omdat beeld(φ α ) = K[α] geeft de eerste isomorfie stelling, zie 2.2.9, dat: K[α] = K[X]/(m α ), α X + (m α ), hierin is m α K[X] het minimumpolynoom van α (zie 3.4.4), d.w.z. het unieke monische polynoom dat ker(φ α ) voortbrengt (m α ) = ker(φ α ) We kunnen de lineaire ruimte V de structuur van K[α]-moduul geven, met de optelling als in de lineaire ruimte, en met actie van K[α] gegeven door: K[α] V V, ( n a i α i, v) i=0 n a i α i v, hierbij is α v het beeld van v onder de lineaire afbeelding α : V V. Omdat K K[α] (de constante polynomen), is een K[α]-deelmoduul ook een K-deelmoduul, d.w.z. een lineaire ruimte. We gaan hieronder V als direkte som van K[α]-deelmodulen van V schrijven. In elk van deze deelmodulen kunnen we de actie van α op eenvoudige wijze beschrijven Omdat de hoofdideaalring K[X] een ontbindingsring is, kunnen we elk monisch polynoom (op unieke wijze) als product van monische, irreducibele polynomen schrijven. In het bijzonder kunnen we schrijven: m α = h n 1 1 h n h n k k, met de h i monisch en irreducibel en met h i h j als i j. Deze schrijfwijze is uniek op verwisseling van de indices 1, 2,... k na. Dan geldt dat (zie 5.3.7): K[α] = K[X]/(h n 1 1 ) K[X]/(h n 2 2 )... K[X]/(h n k k ). We laten zien dat dit een direkte som splitsing van het K[α]-moduul V geeft. i=0
124 6 MODULEN 124 Stelling Zij K een lichaam, zij V (0) een eindig dimensionale lineaire ruimte over K en zij α : V V een lineaire afbeelding met minimumpolynoom m α = h n 1 1 h n h n k k, met irreducibele, monische h i en met h i h j als i j. Definieer K[α]-deelmodulen van het K[α]-moduul V door: V i := {v V : h n i i (α)v = 0}. Merk op dat de V i inderdaad K[α]-modulen zijn; men noemt de V i wel de gegeneraliseerde eigenruimten van α. Dan geldt dat V i 0 voor iedere i = 1, 2,..., k en bovendien: V = V i. i {1,2,...,k} Bewijs. We voeren het bewijs met inductie naar k. Als k = 1 geldt h n 1 1 (α) = m α (α) = 0. Dan is per definitie V = V 1 hetgeen het geval k = 1 bewijst. Zij nu k > 1. We definiëren: h := h n k k, f := hn 1 1 h n h n k 1, en N := ker( f(α) : V V ). k 1 De polynomen h en f zijn onderling ondeelbaar, dus (zie het bewijs van stelling 5.3.7) geldt (f) + (h) = K[X], en daarom zijn er g 1, g 2 K[X] met g 1 f + g 2 h = 1, i.h.b. g 1 (α)f(α) + g 2 (α)h(α) = 1. We bewijzen nu eerst dat het K[α]-moduulhomorfisme: een K[α]-moduulisomorfisme is. Elke v V is te schrijven als: ψ : N V k V (n, v k ) n + v k, v = 1v = f(α)g 1 (α)v + h(α)g 2 (α)v = v k + n. Omdat m α (α) = f(α)h(α) = 0 geldt: h(α)v k = m α (α)g 1 (α)v = 0 = v k V k f(α)n = m α (α)g 2 (α)v = 0 = n N,
125 6 MODULEN 125 Dus ψ is surjectief. Verder geldt voor n N en v k V k : n + v k = 0 = x := n = v k N V k. Dan is dus f(α)x = 0 en h(α)x = 0. Uit x = 1x en 1 = f(α)g 1 (α)+h(α)g 2 (α) volgt dan x = 0. Dus ψ is ook injectief en we concluderen dat V = N V k. Noem β de beperking van α tot N, dus β : N N. Dan is (vergelijk opgave 9) m β = f. Uit de inductiehypothese volgt dat: N = k 1 i=1 V i, dus : V = N V k = V1 V 2... V k. Tenslotte zijn de V i {0} omdat anders h i (α) n i een injectieve, en dus (dim K (V ) is eindig) een inverteerbare afbeelding is. Uit m α (α) = 0 volgt dan m α (α)h i (α) n i = 0, dus het polynoom m α h n i i zit in de kern van het evaluatiehomomorfisme Φ α en heeft lagere graad dan m α, een tegenspraak. Hiermee is de stelling bewezen. Voorbeeld Zij α : K n K n een lineaire afbeelding met n onderling verschillende eigenwaarden λ 1,..., λ n K. Dan is m α = (X λ 1 )... (X λ n ) (zie 3.4.4) en in dit geval is m α gelijk aan het eigenwaarden polynoom van α. Definiëren we dan V = K n (gezien als K[α]-moduul), dan geldt: V i := ker(α λ i ), dus V i := { v V : α v = λ i v } m.a.w. V i is precies de eigenruimte van α bij de eigenwaarde λ i. Omdat iedere V i { 0} en i dim K V i = n is iedere V i één dimensionaal. Kies nu voor i = 1, 2,..., n een f i V i { 0}, d.w.z. f i is een eigenvector voor α met eigenwaarde λ i. Dan is V i =< f i > en uit: V = n i=1v i =< f 1 >... < f n > volgt dat de f i onafhankelijk zijn over K en dus een basis van K n vormen. Omdat α f i = λ i fi is de matrix A van α t.a.v. deze basis dus de diagonaalmatrix diag(λ 1, λ 2,..., λ n ) We beschouwen in de rest van deze paragraaf het speciale geval dat: m α = (X λ 1 ) n 1 (X λ 2 ) n 2... (X λ k ) n k,
126 6 MODULEN 126 met λ i K. In het bijzonder zijn de λ i dan de eigenwaarden van α (zie opgave 17 op blz. 72), maar m α is niet noodzakelijkerwijs het eigenwaarde polynoom P α (X) = det(α XI). Wel geldt dat m α een deler van P α is (immers P α (α) = 0 impliceert P α (m α )). Omdat we volgens de stelling de lineaire ruimte V kunnen schrijven als een direkte som van de K[α]-modulen V λi : V λi := ker( (α λ i ) n i ) { 0}, geldt voor v i V λi dat ook α v i V λi. Daarom kunnen we een matrix van α in een blokvorm schrijven: V = k i=1 V λi α k i=1 V λi, α(v λi ) V λi. We bekijken nu hoe ieder blok eruit ziet, d.w.z. hoe de restrictie van α tot V λi er uit ziet. Merk op dat de restrictie van α tot V λi minimum polynoom (X λ i ) n i heeft. Voorbeeld Zij V = R 3 en zij A := We bepalen het minimumpolynoom van A en de (beter: een) blokvorm van A. Omdat de nulpunten van het minimumpolynoom de eigenwaarden van A zijn, berekenen we eerst: det(a XI) = (X 3 7X X 12) = (X 2) 2 (X 3). Het minimumpolynoom van A is dan (X 2)(X 3) of (X 2) 2 (X 3). Omdat (A 2)(A 3) 0 (ga na) volgt: m A = (X 2) 2 (X 3). De gegeneraliseerde eigenruimten zijn de kernen van: (A 2) 2 = 1 1 0, A 3 = Hieruit volgt dan (met V λ de gegeneraliseerde eigenruimte bij de eigenwaarde λ): V 2 =< (1, 1, 0), (1, 1, 1) >, V 3 =< (0, 1, 1) >..
127 6 MODULEN 127 Beperken we A tot V 2 dan geldt: A(1, 1, 0) = (0, 0, 1) = 1 (1, 1, 0) + ( 1) (1, 1, 1) A(1, 1, 1) = (4, 4, 3) = 1 (1, 1, 0) + 3 (1, 1, 1) }, dus ( ) is de matrix van A beperkt tot V 2 (tov. de basis (1, 1, 0), (1, 1, 1) van V 2 ). De beperking van A tot V 3 is de 1 1 matrix 3. De matrix van A tov. deze basis van V is dan inderdaad in blokvorm: Stelling Zij W een eindig dimensionale lineaire ruimte over K en zij gegeven een lineaire afbeelding Dan geldt:. B : W W, met m B = (X λ) m. B = λ + N, met N m = 0, hierbij is, zoals gebruikelijk, λ de diagonaalmatrix diag(λ,..., λ). Merk op dat N een nilpotente lineaire afbeelding is, d.w.z. een nilpotent in End K (W ) is. Er is een basis van W zodat de matrix van N t.o.v. die basis in de bovendriehoeksvorm staat, en bovendien zijn alle diagonaalcoëfficiënten van deze matrix 0. De matrix van B ziet er, t.o.v. van die basis dus uit als: λ λ λ. Bewijs. De eerste bewering volgt door te definiëren: N := B λ dan geldt nl. : N m = (B λ) m = 0. Voor iedere i = 1, 2,... m definiëren we een lineaire deelruimte W i van W door: W 1 = ker(n),..., W i = ker(n i ),... W m = ker(n m ) = ker(0) = W. Merk op dat geldt: W i W i+1, want N i v = 0 = N i+1 v = 0.
128 6 MODULEN 128 Kies nu een basis van W door eerst een basis van W 1 te kiezen, en vervolgens deze basis aan te vullen tot een basis van W 2. Zo voortgaande kies je basis van W i+1 door de basis van W i W i+1 aan te vullen tot een basis van W i+1, totdat je uiteindelijk een basis { f i } van W = W m hebt. Merk nu op: NW i W i 1, immers N i v = 0 = N i 1 (N v) = 0, en hier staat dat N v W i 1. Zij f l een van deze basisvectoren met f l W i, fl W i 1. De basis van W i 1 bestaat dan uit f k s met 1 k dim W i 1 < l. Omdat NW i W i 1 geldt: N f l W i 1, dus : N f l = i x il fi en x il = 0 als i > dim W i 1. Omdat l > dim W i 1 geldt i.h.b. dat x il = 0 als i l. De matrix van N t.o.v. deze basis wordt gegeven door de x ij s en is dus inderdaad een boven driehoeksmatrix, zoals gewenst, met nullen op de diagonaal (want x ll = 0, voor elke l). Omdat de diagonaalmatrix diag(λ,..., λ) op elke basis dezelfde is, heeft de matrix B = λ + N λ s op de diagonaal en nullen daaronder. Hiermee is de stelling bewezen. Voorbeeld We beschouwen de lineaire afbeelding ( ) 1 1 B : R 2 R 2, met matrix. 1 3 Het minimumpolynoom m B is een deler van het eigenwaardepolynoom van van B. Dit gebruiken we om m B te bereken. Het eigenwaarde polynoom is: det(b XI) = X 2 4X + 4 = (X 2) 2. Omdat B 2 0 (immers B diag(2, 2)), geldt m B X 2. Dan is: ( ) 1 1 m B = (X 2) 2, en N := B 2 =. 1 1 Ga zelf na dat inderdaad N 2 = 0. We bepalen nu de W i s: W 1 = ker(n) =< (1, 1) >, W 2 = R 2 ; kies : f 1 := (1, 1), f 2 := (0, 1),
129 6 MODULEN 129 merk op dat je voor f 1 elke vector van vorm (a, a) met a 0 mag nemen en voor f 2 mag je elke vector in R 2 nemen, mits deze niet in van de vorm (a, a) is. Er geldt: Nf 1 = 0, Nf 2 = ( ( ) ) = f1, dus 0 0 is de matrix van N t.o.v. de basis f 1, f 2. (Bij andere keuze van f 1 en f 2 kan er een ander getal dan 1 rechtsboven staan, de drie nullen staan er altijd zoals het bewijs van de stelling laat zien.) Op de basis f 1, f 2 is de matrix van B dan inderdaad in bovendriehoeks vorm: ( ).
130 6 MODULEN Opgaven 1. Zij R = R[X], voor a R definiëren we: I a := (X a) = R[X](X a), een ideaal van R (en dus een R-moduul). a. Voor a, b R definiëren we: φ : I a R(X) = Q(R), f f X b X a. Ga na dat φ een injectief R-moduulhomomorfisme is met beeld im(φ) = I b. Concludeer dat I a en I b isomorfe R- modulen zijn. b. Bewijs dat de R-modulen R a := R/I a en R b := R/I b niet isomorf zijn als a b. 2. Bepaal, met de methodes uit het dictaat, een bovendriehoeksvorm voor de volgende matrices: A = 4 2 1, B = Zij R de ring van C functies met periode 2π en zij: M := { g C (R) : g(x+2π) = g(x) }, I := { f R : f(0) = 0 }, dan zijn M en I beide R-modulen (voor M zie en I is een ideaal van R). a. Bewijs dat φ : M I, g gs 0, met S 0 (x) := sin x, een injectief R-moduulhomomorfisme is. 2 b. Zij f I. Bewijs dat de functie g gedefinieerd door: { g(x) := f(x)/s0 (x), als x 0 mod 2π g(x) := 2f (x) als x 0 mod 2π een C functie is (hint: f(x) = 1 0 en ga na dat g M. f (tx)dt = x 1 f (tx)dt), t 0
131 6 MODULEN 131 c. Bewijs dat de R-modulen M en I isomorf zijn. 4. Zij R een commutatieve ring en laat I, J R idealen zijn met I + J = R en laat i 1 + j 1 = 1 (i 1 I, j 1 J). a. Bewijs dat φ : I J R, (i, j) i + j een surjectief R-moduulhomomorfisme is met ker(φ) = I J = IJ (iso van R-modulen). b. Bewijs dat ψ : I J R IJ, (i, j) (i + j, ij 1 ji 1 ) een R-moduulisomorfisme is. 5. We geven een algebraïsch analogon van de möbiusband, vergelijk opgave 3. Zij R de ring van polynoomfuncties op de cirkel: en definieer R = R[X, Y ]/(X 2 + Y 2 1) x := X + (X 2 + Y 2 1), y := Y + (X 2 + Y 2 1) R. Omdat X 2 + Y 2 1 irreducibel is (Eisenstein bij p = Y 1 in de ontbindingsring (R[X])[Y ]), is (X 2 + Y 2 1) een priemideaal en dus is R een domein. Het breukenlichaam van R noteren we met Q(R). We definiëren idealen I := (x 1, y) en J := (x, y 1), zoals bekend is I geen hoofdideaal (zie opgave 19 op blz. 72). a. Bewijs dat in R geldt: (x+y 1) 2 = 2(x 1)(y 1), (x+y 1)(x y+1) = 2y(y 1). (Teken een plaatje met de cirkel en deze lijnen, waar zijn de snijpunten en wat zijn de snijmultipliciteiten?)
132 6 MODULEN 132 b. Definieer een R-moduulhomomorfisme ψ : I Q(R), i i 2(y 1) x + y 1, waarbij Q(R) het quotiëntenlichaam van R is. Ga na dat ψ een injectief R-moduulhomomorfisme is en dat im(ψ) = J R Q(R). c. Bewijs dat I + J = R en dat IJ = (x + y 1)R = R (iso van R-modulen). d. Concludeer (gebruik opgave 4): I = R, maar I I = R Zij R = Z[ 5], zij I := (2, 1 + 5) en zij J := (3, 1 5) (I en J zijn dus idealen van R). a. Ga na dat: ψ : I Q[ 5], i i , een injectief R-moduulhomomorfisme is met im(φ) = J R = Z[ 5] Q( 5). b. Bewijs dat I + J = R en dat IJ = (1 5)R. c. Bewijs dat I = R, maar dat I I = R 2 (gebruik opgave 4). 7. We geven een voorbeeld van een ring R met R = R 2. We definiëren R als zijnde de ring van rij-eindige matrices met coëfficiënten in een lichaam K. Dat wil zeggen, iedere r R is een oneindig grote matrix r = (r ij ) met i, j Z >0, waarbij voor elke i geldt, dat r ij 0 voor slechts eindig veel j. Optelling en product zijn analoog aan de gebruikelijke matrixoperaties: r + s = t, met t ij := r ij + s ij, rs = u, met u ij := r ik s kj, k=0 merk op dat dit in feite een eindige som is, omdat slechts eindig veel r ik s ongelijk nul zijn. a. Bewijs dat R een ring is. b. Definieer b, c R door: b := (b ij ), b ij = 1 als j = 2(i 1) + 1 en b ij = 0 anders,
133 6 MODULEN 133 c := (c ij ), c ij = 1 als j = 2(i 1) + 2 en c ij = 0 anders, hierbij is i Z >0. Bewijs dat de volgende R-modulen isomorf zijn: R = Rb Rc = R R. 8. Een R-moduul M 0 heet enkelvoudig als M 0 en als elk deelmoduul van M gelijk is aan ofwel {0} ofwel M. Laat nu M een enkelvoudig R-moduul zijn. Bewijs dat voor elk R-moduulhomomorfisme f : M M geldt: f = 0 of f is een R-moduulisomorfisme. Concludeer dat End R (M) een delingsring is. Bepaal End R (M) in geval R = M(n, K) en M = K n met K een (commutatief) lichaam (zie voorbeeld 6.1.3). 9. Gegeven eindig dimensionale lineaire ruimten V, W over een lichaam K. Laat α : V V en β : W W lineaire afbeeldingen over K zijn, met minimum polynomen m α en m β. Definieer α β : V W V W : (v, w) (α(v), β(w)). Bewijs dat als m α en m β onderling ondeelbaar zijn, dan is m α β = m α m β.
134 7 LICHAMEN Lichamen 7.1 Priemlichamen en karakteristiek Laat K een lichaam zijn. Een deelverzameling K K heet een deellichaam als aan de volgende drie voorwaarden voldaan is: a. 1 K, b. a, b K = a b K, c. a, b K, b 0 = ab 1 K. Een deellichaam K van K is, met de op K gedefinieerde bewerkingen, zelf ook een lichaam. Het is gemakkelijk na te gaan dat de doorsnede van een willekeurige collectie deellichamen ook een deellichaam is. De doorsnede van alle deellichamen van een lichaam K wordt het priemlichaam K 0 van K genoemd: K 0 := K, K K waarbij de doorsnede over alle deellichamen K van K genomen wordt. Dit is het kleinste deellichaam van K (kleinste m.b.t. de inclusie relatie). Merk op dat 0, 1 K 0. Stelling Laat K een lichaam zijn. Dan is het priemlichaam van K isomorf met òfwel het lichaam Q der rationale getallen òfwel één van de lichamen F p = Z/pZ, met p een priemgetal. Bewijs. Laat K 0 het priemlichaam van K zijn. Definieer door: κ : Z K 0 κ(n) = K 0 (n termen) κ(0) = 0 K 0 κ( n) = ( ) K 0 (n termen) waarbij de 1 in het rechterlid steeds de één van K is. Uit de lichaamsaxioma s volgt op gemakkelijke wijze dat κ een ringhomomorfisme is. Dat κ(z) K 0 volgt uit het feit dat K 0 een lichaam is en 1 K 0. Het beeld κ(z) is een deelring van K 0, en heeft geen nuldelers omdat K 0 een lichaam is. Verder heeft κ(z) een eenheidselement verschillend van nul.
135 7 LICHAMEN 135 We concluderen dat κ(z) een domein is. Omdat κ(z) = Z/ker(κ) (Stelling 2.2.9), is ker(κ) een priemideaal van Z, dus ker(κ) = {0} of ker(κ) = pz, waarbij p een priemgetal is. Laat eerst ker(κ) = 0. Dan is κ injectief, en κ(z) = Z. We kunnen κ voortzetten tot een functie κ 1 : Q K 0, κ 1 (a/b) := κ(a) (κ(b)) 1, (a, b Z, b 0). Men gaat gemakkelijk na dat dit een goed gedefinieerde afbeelding is, en dat κ 1 : Q K 0 een lichaamshomomorfisme is. Omdat {0} en Q de enige idealen van Q zijn, is κ 1 injectief, dus Q = κ 1 (Q), en κ 1 (Q) is een deellichaam dat in K 0 bevat is. Maar K 0 is het kleinste deellichaam van K, dus noodzakelijkerwijze K 0 = κ 1 (Q) = Q. Veronderstel vervolgens dat ker(κ) = pz, waarbij p een priemgetal is. Dan is κ(z) = Z/pZ, hetgeen volgens Stelling 1.18 een lichaam is. Dus κ(z) is een deellichaam van K dat in K 0 bevat is, hetgeen weer alleen kan als κ(z) = K 0, dus inderdaad K 0 = Z/pZ. Definitie Laat K een lichaam zijn met priemlichaam K 0. Als K 0 = Q zeggen we dat K karakteristiek nul heeft, notatie: kar(k) = 0. Als K 0 = Fp zeggen we dat K karakteristiek p heeft, notatie: kar(k) = p. We zien dat in beide gevallen kar(k) de niet-negatieve voortbrenger van het ideaal ker(κ) Z is, waarin κ : Z K het unieke ringhomomorfisme met κ(1) = 1 is. 7.2 Algebraïsch en transcendent Als L een lichaam is en K L is een deellichaam van L, dan noemen we L een uitbreiding of lichaamsuitbreiding van K. Voor iedere α L is er dan een evaluatiehomomorfisme: Φ α : K[X] L, f f(α). De kern van Φ α is een ideaal in K[X], en is dus een hoofdideaal, zie Dan is ofwel ker(φ α ) = (0) (dus Φ α is injectief) ofwel ker(φ α ) = (f α K), met f α K K[X], een (uniek) monisch polynoom, dat we het minimumpolynoom van α over K noemen.
136 7 LICHAMEN 136 In geval Φ α injectief is, noemen we α transcendent over K. Er is dan geen enkel polynoom f K[X], f 0 met f(α) = 0. De ring K[X] is, via Φ α, isomorf met z n beeld Φ α (K[X]). In geval Φ α niet injectief is, dan voldoet α aan een algebraïsche vergelijking (een polynoom vergelijking) en noemen we α algebraïsch over K. Merk op: als g K[X], g(α) = 0, dan g ker(φ α ) = (f α K) = g = qf α K voor zekere q K[X]. In beide gevallen is K[α] := beeld(φ α ) L een domein, en heeft dus een quotiëntenlichaam Q(K[α]) (zie 1.3.2) dat isomorf is met het deellichaam K(α) van L gedefinieerd door: { } x K(α) := L : x, y K[α], y 0. y Een uitbreiding L van K noemt men enkelvoudig indien er een α L is met L = K(α). In geval α transcendent is over K, is K(α) = K(X), het lichaam van rationale functies in een variabele met coëfficiënten in K. In het bijzonder is α 1 K[α] en K(α) K[α]. In het geval α algebraïsch is over K, geldt daarentegen K[α] = K(α) en dus α 1 K[α] als α 0, zoals we in zullen zien. Opmerking Merk op dat het onderscheid transcendent/algebraïsch in deze paragraaf analoog is aan het onderscheid karakteristiek nul/karakteristiek p > 0 in In deze analogie correspondeert het evaluatiehomomorfisme Φ α : K[X] K[α], Φ α (X) := α met het ringhomomorfisme κ : Z K, κ(1) := 1 in het bewijs van 7.1.2, en f α K correspondeert met p. Voorbeeld Nemen we L = K(X), en α = X K(X) dan hebben we een heel eenvoudig voorbeeld van een enkelvoudige uitbreiding L van K met een transcendente α.
137 7 LICHAMEN 137 Lastiger is het bestaan van getallen in R of C die transcendent zijn over Q, deze noemt men transcendent (zonder meer). Zo n getal is dus niet een nulpunt van een polynoom ( 0) met coëfficiënten in Q. Met een telargument (zie opg 2) kan men laten zien dat er transcendente getallen bestaan, maar het is lastig er expliciet een op te schrijven. Dit werd voor het eerst gedaan door Liouville (Joseph Liouville, Frans wiskundige, ) die aantoonde dat k=1 10 k! transcendent is. Tegenwoordig is ook bekend dat een getal als 0, transcendent is. In 1873 werd door Hermite (Charles Hermite, Frans wiskundige, ) bewezen dat het getal e, de basis der natuurlijke logarithmen, transcendent is, en in 1882 deed Lindemann (Carl Louis Ferdinand von Lindemann, Duits wiskundige) hetzelfde voor π, de halve omtrek van een cirkel met straal 1. Literatuur hierover: I. Steward, Galois Theory Ch.6. Voorbeeld Het complexe getal i C is algebraïsch over R, met fr i := X 2 +1, en is ook algebraïsch over Q met fq i = X2 +1. Als a R transcendent is, dan is ia C wel algebraïsch over R, met fr ia = X2 + a 2 maar ia is niet algebraïsch over Q (ga na). In het algemeen geldt: als α L dan is fl α = X α, het minimumpolynoom van α over een deellichaam K van L hangt dus i.h.a. van de keuze van K af. Voor elke k, n Z >0 is het getal α = n k R algebraïsch over Q, het is immers nulpunt van het polynoom X n k. Ook zijn de complexe getallen: e 2πik n := cos 2πk n 2πk + i sin n (k Z) algebraïsch over Q, ze zijn immers nulpunt van X n 1. Deze laatste getallen noemt men eenheidswortels. Het minimumpolynoom is i.h.a. niet zo eenvoudig te bepalen, zie 7.4 en Stelling Laat L een uitbreiding van een lichaam K zijn, en zij α L algebraïsch over K. Dan is fk α, het minimumpolynoom van α over K, irreducibel in K[X]. Verder is K[α] = K[X]/(fK α ) en K[α] is een lichaam, i.h.b.: K(α) = K[α]. Bewijs. Het evaluatiehomorfisme Φ α : K[X] K[α] L geeft volgens de eerste isomorfiestelling een isomorfisme K[X]/ker(Φ α ) = K[α]. Omdat L een lichaam is, is K[α] een domein en dus is ker(φ α ) = (fk α ) een priemideaal in K[X]. Omdat K[X] een hoofdideaalring is, is fk α dan irreducibel, zie
138 7 LICHAMEN 138 Stelling Volgens dezelfde stelling is dan (fk α ) ook een maximaal ideaal, dus is K[α] een lichaam. Omdat K(α) := Q(K[α]) het kleinste deellichaam van L is waar K[α] in zit, geldt K(α) = K[α]. Voorbeeld Zij d Q met α := d Q. Dan is fq α = X2 d. Dit polynoom is irreducibel want het heeft (wegens de keuze van d) geen nulpunt in Q. Verder geldt: Q[α] = Q[ d ] = { a + b d C : } a, b Q. We laten zien dat Q[ d] inderdaad een lichaam is door de inverse van een x = a + b d 0 aan te geven. Definieer x := a b d en N(x) = x x = (a + b d)(a b d) = a 2 b 2 d ( Q). Omdat d in Q geen kwadraat is, en x 0, geldt N(x) 0 (ga na). Daarom geldt voor x 0: x 1 := x N(x) = a a 2 b 2 d b d a 2 b 2 d Q[ d]. Voorbeeld Zij α C = L een nulpunt van het polynoom f = X 3 + X 2 1. Dan is α algebraïsch over Q = K (immers f ker(φ α )). Het polynoom f is irreducibel in Q[X], want f heeft geen nulpunt in Z en dus ook niet in Q (zie ). Daarom geldt f α Q = f en Q[α] = Q[X]/(f) is een lichaam. We geven een methode om de inverse van een a Q[α] met a 0 te bepalen. (Voor een andere methode die het Euclidisch algoritme gebruikt, zie ). Uit stelling weten we dat iedere a Q[α] op unieke wijze te schrijven is als a = a 0 + a 1 α + a 2 α 2 met a 0, a 1 a 2 Q. Om de inverse te bepalen moeten we de vergelijking: ax = 1 dwz (a 0 + a 1 α + a 2 α 2 )(x 0 + x 1 α + x 2 α 2 ) = 1 oplossen met x i Q. Omdat 1, α, α 2 onafhankelijk zijn over Q (dit volgt uit de uniciteit van de schrijfwijze) en α 3 = α 2 + 1, α 4 = α α 3 = α 3 + α = α 2 + α 1 moeten we (voor gegeven a i ) het volgende stelsel lineaire vergelijkingen oplossen: a 0 x 0 + a 2 x 1 + (a 1 a 2 )x 2 = 1 a 1 x 0 + a 0 x 1 + a 2 x 2 = 0 a 2 x 0 + (a 1 a 2 )x 1 + (a 0 a 1 + a 2 )x 2 = 0
139 7 LICHAMEN 139 Dit stelsel kan in matrixvorm met een matrix M worden geschreven: a 0 a 2 a 1 a 2 x 0 1 a 1 a 0 a 2 x 1 = 0. a 2 a 1 a 2 a 0 a 1 + a 2 x 2 0 Het probleem is dus opgelost als we de 3 3 matrix M inverteren. Men kan dit (zonder eerst speciale waarden voor de a i te kiezen) doen met de regel van Cramer uit de lineaire algebra. In geval a = 1 + α 2, dus (a 0, a 1, a 2 ) = (1, 0, 1), is de inverse eenvoudig te bepalen met Gauss-eliminatie, er geldt: M = dus M 1 = Dan is M 1 (1, 0, 0) = 1 (3, 1, 1) en: 5 a = 1 + α 2 = a 1 = α 1 5 α Eindige en algebraïsche uitbreidingen Laat L een uitbreiding van een lichaam K zijn. Dan kunnen we L opvatten als een lineaire ruimte (=vectorruimte) over K. Dat wil zeggen, de elementen van K zien we als scalairen (met de gebruikelijke regels voor een lichaam), de elementen van L zien we als vectoren (een optelgroep) en de vectoren kunnen met scalairen vermenigvuldigd worden (hierbij gebruiken we dat K een deellichaam van L is). Zo kunnen we bv. de complexe getallen zien als vectoren over R, via het reële en imaginaire deel van een complex getal is er zelfs een isomorfisme van lineaire ruimtes over R : C = R 2. Definitie Laat L een uitbreiding van een lichaam K zijn. We zeggen dat L eindig over K is, als de dimensie van L, opgevat als vectorruimte over K, eindig is. De graad van L over K, notatie: [L : K], is de dimensie van L opgevat als K-vectorruimte: [L : K] := dim K (L). We noemen L algebraïsch over K, als elke α L algebraïsch over K is (zie 7.2.1).
140 7 LICHAMEN 140 Voorbeeld [C : R] = 2, [Q( 3 2) : Q] = 3. Immers, het minimumpolynoom van 3 2 over Q is X 3 2. Dus weten we dat Q( 3 2) = Q[X]/(X 3 2) en met behulp van stelling ziet men gemakkelijk in dat dit een vectorruimte van dimensie 3 over Q definieert. Zie ook stelling hieronder voor een generalisatie van dit argument. Omdat een eindigdimensionale vectorruimte over Q aftelbaar is (als S en T aftelbaar zijn, dan is S T ook aftelbaar), is R niet eindig over Q. Stelling Laat L een uitbreiding van het lichaam K zijn, en α L. Dan geldt: α is algebraïsch over K K(α) is eindig over K. Voorts geldt: als α algebraïsch over K is, dan is n := [K(α) : K] = gr(f α K) en 1, α, α 2,..., α n 1 is een K-basis van K(α). Bewijs. : Stel [K(α) : K] = n <. Omdat in een n-dimensionale vectorruimte elk (n + 1)-tal vectoren lineair afhankelijk is, moet er tussen de n + 1 elementen 1, α, α 2,..., α n K(α) een relatie a a 1 α a n α n = 0 bestaan, met a 0, a 1,..., a n K, niet alle nul. Dat wil zeggen dat α een nulpunt is van het polynoom a 0 +a 1 X +...+a n X n K[X], dus α is algebraïsch over K. : Stel, omgekeerd, dat α algebraïsch over K is. Dan is K(α) = K[α] = K[X]/(fK α) (zie stelling 7.2.5). Omdat ieder element van K[X]/(f K α) wegens stelling op unieke wijze te schrijven is als a 0 +a 1 X+...+a n 1 X n 1 +(fk α) met a i K en n := gr(fk α) geldt dim K(K[X]/(fK α )) = n. De lineaire ruimte K[X]/(fK α ) wordt immers opgespannen door de nevenklassen van 1, X,..., X n 1 en uit de uniciteit van representanten van graad < n voor elementen van K[X]/(fK α) volgt dat de nevenklassen van 1, X,..., Xn 1 onafhankelijk zijn. Ze vormen dus een basis van K[X]/(fK α). Het isomorfisme K[X]/(fK α) = K[α] wordt gegeven door het evaluatiehomorfisme Φ α ; het stuurt de nevenklasse X i +(fk α) naar αi en is ook K-lineair. Dus is n = gr(fk α) = dim K(K[X]/(fK α)) = dim K(K[α]) en 1, α,..., α n 1 is een K-basis van K[α] = K(α). Hiermee is bewezen. Stelling Stel dat L een eindige lichaamsuitbreiding van K is. Dan is L algebraïsch over K. Bewijs. Laat α L. Omdat L eindig over K is, en K(α) een deelvectorruimte van L is, is ook K(α) eindig over K. Uit volgt nu dat α algebraïsch over K is. Aangezien α willekeurig gekozen was concluderen we dat L algebraïsch over K is. Dit bewijst
141 7 LICHAMEN Uit en volgt direct: als α algebraïsch over K is, dan is K(α) algebraïsch over K, d.w.z. elke β K(α) is algebraïsch over K. Aan het eind van dit hoofdstuk zullen we methoden aangeven om in zulke gevallen het minimumpolynoom van β over K te berekenen, zie 7.4. Zoals uit opgave 9 blijkt is de omkering van fout: er bestaat voor sommige lichamen een algebraïsche uitbreiding die niet eindig is. Stelling Laat K een lichaam zijn, L een uitbreiding van K en M een uitbreiding van L (dus K L M). Dan geldt: M is eindig over K M is eindig over L en L is eindig over K. Voorts geldt, als M eindig over K is: [M : K] = [M : L] [L : K]. Bewijs. : Stel dat M eindig over K is. Omdat L een deel K-vectorruimte van M is, is dan ook L eindig over K. Als α 1,..., α n de vectorruimte M over K opspannen, dan kan elke x M uitgedrukt worden als n i=1 a iα i, met a i K. Dan geldt zeker a i L, dus ook over L wordt M opgespannen door α 1,..., α n, en [M : L] n dus M is eindig over L. Stel dat [M : L] = n en [L : K] = m allebei eindig zijn. Kies een basis α 1, α 2,..., α m van L over K en een basis β 1, β 2,..., β n van M over L. We gaan bewijzen dat {α i β j : 1 i m, 1 j n} een basis van M over K is. Elk x M kan geschreven worden als n x = y j β j met y 1,..., y n L. j=1 Omdat α 1,..., α m een basis van L over K is, kan elke y j geschreven worden als m y j = a ij α i met a ij K (1 i m, 1 j n). We vinden i=1 x = 1 i m,1 j n a ij α i β j. en omdat x M willekeurig was bewijst dit dat de K-vectorruimte M wordt opgespannen door de α i β j. Om te laten zien dat {α i β j : 1 i m, 1 j n} een basis van M over K is moeten we nog aantonen dat het een lineair onafhankelijk stelsel is. Stel dus dat c ij α i β j = 0, met c ij K. 1 i m,1 j n
142 7 LICHAMEN 142 Dan geldt n m ( c ij α i )β j = 0 j=1 i=1 met m c ij α i L en omdat de β j s lineair onafhankelijk over L zijn is dit alleen mogelijk als m c ij α i = 0 i=1 voor elke j = 1, 2,..., n. Maar de α i s zijn lineair onafhankelijk over K, dus tenslotte vinden we c ij = 0 voor alle i en j. De α i β j zijn dus inderdaad lineair onafhankelijk over K. Hiermee is aangetoond dat de dimensie van M over K gelijk is aan mn, dus inderdaad eindig. De laatste formule uit de stelling volgt nu direct: i=1 [M : K] = m n = [L : K] [M : L]. Hiermee is bewezen Is L een uitbreiding van een lichaam K, en α 1, α 2,..., α n L, dan definiëren we inductief K(α 1, α 2,..., α n ) = K(α 1, α 2,..., α n 1 )(α n ). Gevolg Laat L een lichaamsuitbreiding van K zijn, en stel dat α 1, α 2,..., α n L algebraïsch over K zijn. Dan is K(α 1, α 2,..., α n ) eindig over K. Bewijs. Met inductie naar n. Voor n = 1 kan men toepassen. Laat vervolgens n > 1, en K = K(α 1, α 2,..., α n 1 ). Uit de inductiehypothese volgt dan: K is eindig over K. Omdat α n algebraïsch over K is, is α n zeker algebraïsch over K, dus K (α n ) is eindig over K. Uit stelling (met L = K, M = K (α n )) volgt nu dat K (α n ) = K(α 1, α 2,..., α n ) eindig over K is, zoals verlangd. Dit bewijst Stelling Laat L een uitbreiding van een lichaam K zijn. Dan geldt: a. als α, β L algebraïsch over K zijn, dan zijn ook algebraïsch over K. α + β, α β, αβ, α/β (β 0)
143 7 LICHAMEN 143 Bewijs. b. de verzameling {α L : α is algebraïsch over K} is een deellichaam van L dat K omvat. a. Wegens is K(α, β) eindig over K, dus ook algebraïsch (zie 7.3.4). Volgens definitie betekent dit dat alle elementen van K(α, β), in het bijzonder α ± β, αβ, α/β (β 0), algebraïsch over K zijn. b. Uit a. en de definitie van deellichaam volgt dat de verzameling een deellichaam M van L vormt. Uiteraard is elke α K algebraïsch over K, zodat K een deellichaam van M is. Hiermee is bewezen De verzameling in b. noemt men wel de algebraïsche afsluiting van K in L. De laatste stelling van deze paragraaf is het analogon van 7.3.6, met eindig vervangen door algebraïsch. Stelling Laat K een lichaam zijn, L een uitbreiding van K, en M een uitbreiding van L. Dan geldt: M is algebraïsch over K M is algebraïsch over L en L is algebraïsch over K. Bewijs. : Deze implicatie volgt onmiddelijk uit de definities, zoals de lezer als opgave mag controleren. : Stel dat M algebraïsch is over L, en L algebraïsch over K, en zij α M willekeurig. We moeten bewijzen dat α algebraïsch over K is. Omdat M algebraïsch over L is, zijn er n Z >0 en β 1, β 2,..., β n L zodanig dat α n + β 1 α n β n 1 α + β n = 0. Kennelijk is α ook algebraïsch over het deellichaam K = K(β 1, β 2,..., β n ) van L, dus K (α) is eindig over K. Omdat L algebraïsch is over K, zijn alle β i algebraïsch over K, dus wegens is K = K(β 1, β 2,..., β n ) eindig over K. Passen we nu toe op K K K (α) dan vinden we dat K (α) eindig is over K. Wegens is K (α) dan algebraïsch over K, en in het bijzonder is α algebraïsch over K, zoals verlangd. Hiermee is aangetoond.
144 7 LICHAMEN Het bepalen van het minimumpolynoom Stel dat L een gegeven eindige uitbreiding van K is, en β L een gegeven element, hoe kunnen we dan het minimumpolynoom f β K bepalen? (Uit weten we dat het bestaat.) Drie methoden hiervoor zullen we illustreren aan de hand van het geval K = Q, L = Q( 2, 3) (vgl. opgave 11), β = a. De eerste methode maakt gebruik van technieken uit de lineaire algebra. We kiezen een basis van Q( 2, 3) over Q, bijvoorbeeld 1, 2, 3, 2 3 (zie het bewijs van en opgave 11). Met behulp van deze basis drukken we elementen van Q( 2, 3) uit als rijvectoren: de vector (a, b, c, d) staat dan voor het element a + b 2 + c 3 + d 2 3. Schrijf nu de machten β 0, β 1, β 2,... van β als rijvectoren: β 0 = 1 = (1, 0, 0, 0) β 1 = β = (1, 1, 1, 0) β 2 = = (6, 2, 2, 2) β 3 = = (16, 14, 12, 6) β 4 = = (80, 48, 40, 32). Hiermee gaat men door totdat de vectoren die men heeft opgeschreven lineair afhankelijk zijn. In dit geval ziet men dat dit pas bij β 4 gebeurt, en met de technieken die bij lineaire algebra worden onderwezen vindt men de lineaire afhankelijkheid, β 4 4β 3 4β β 8 = 0. Er moet nu gelden f β Q = X4 4X 3 4X X 8, want als er een relatie van lagere graad zou bestaan dan zouden de vectoren β 0, β 1,... eerder lineair afhankelijk worden. Bij het bepalen wanneer precies de vectoren β 0, β 1,... afhankelijk worden kan in het algemene geval opgave 12 behulpzaam zijn. b. De tweede methode berust op gedachten uit de Galoistheorie. Zij gaat er van uit dat aangezien f 2 Q = X2 2 de nulpunten 2 en 2 heeft, en f 3 Q de nulpunten ± 3, het voor de hand ligt te veronderstellen dat f Q als nulpunten de vier getallen 1± 2± 3 zal hebben. Berekent men het vierdegraads monische
145 7 LICHAMEN 145 polynoom dat deze vier nulpunten bezit: dan vindt men het polynoom (X ( )) (X ( )) (X ( )) (X (1 2 3)) X 4 4X 3 4X X 8 dat rationale coëfficiënten heeft, en natuurlijk als nulpunt. Met behulp van de hoofdstelling over symmetrische functies, zie stelling verderop, is het niet lastig in te zien dat men op deze wijze een polynoom met coëfficiënten in het grondlichaam verkrijgt, maar het is niet altijd waar (in dit geval wèl) dat dit polynoom irreducibel is. Dit moet dus nog apart gecontroleerd worden, vgl. opgave 13. Wel is het zo verkregen polynoom steeds deelbaar door het minimumpolynoom, het zit immers in (f β Q ) = ker(φ β) met Φ β : Q[X] Q( 2, 3), Φ β (f) := f(β) = f( ). c. De derde methode bestaat uit handig rekenen : men probeert de worteltekens uit β = weg te werken. Dit kan bijvoorbeeld zo geschieden: β 1 = (β 1) 2 = ( 2 + 3) 2 = = ((β 1) 2 5) 2 = (2 2 3) 2 = 24 en als men de gevonden relatie uitwerkt ontdekt men weer dat β een nulpunt is van het polynoom ((X 1) 2 5) 2 24 = X 4 4X 3 4X X 8. Om aan te tonen dat dit polynoom irreducibel over Q is, is het voldoende na te gaan dat het minimumpolynoom van β graad 4
146 7 LICHAMEN 146 over Q heeft, hetgeen wegens neerkomt op [Q(β) : Q] = 4. Inderdaad: de bovenstaande berekening levert ons 2 3 Q(β), dus ook (β 1) 2 3 = Q(β). Door geschikt met β 1 = te combineren vindt men 2, 3 Q(β), en dan moet het hele lichaam Q( 2, 3) bevat zijn in Q(β). Uiteraard ook Q(β) Q( 2, 3), dus Q(β) = Q( 2, 3) en wegens opgave 11 heeft dit lichaam graad 4 over Q, zoals verlangd.
147 7 LICHAMEN Opgaven 1. Bewijs dat elke α Q( 2) algebraïsch over Q is. 2. Bewijs dat de verzameling {α C : α is algebraïsch over Q} aftelbaar is (aanwijzing: Q[X] is aftelbaar, en elke f Q[X], f 0, heeft maar eindig veel nulpunten in C). Concludeer dat er complexe, en zelfs reële, getallen bestaan die transcendent over Q zijn. 3. Bestaat er een α R met Q(α) = R? (Aanwijzing: bereken de cardinaliteit.) 4. Bewijs: f n 2 Q = X n 2 voor elke n Z >0. 5. Laat α algebraïsch over een lichaam K zijn, en f α K = n i=0 a ix i, met a n = 1. Bewijs: als α 0 dan a 0 0, en α 1 = n i=1 a 1 0 a i α i Bereken fq α en dim Q Q(α) voor elk van de volgende α s: 2 3, , ; β 1, β+1 met β 3 +3β 3 = a. Bewijs: Q( 2)( 7) = Q( 2+ 7), en dim Q Q( 2+ 7) = 4. b. Bereken f 2+ 7 Q. 8. Laat α R, α 3 α 1 = 0. Schrijf elk van de volgende elementen in de vorm a + bα + cα 2, met a, b, c Q: 9. Laat L = n=1q( n 2). Bewijs: α 10, α 10, (α 2 + α + 1) 2, (α 2 + 1) 1. a. L is een lichaam (aanw.: Q( n 2) Q( m 2) Q( nm 2)); b. L is algebraïsch over Q; c. L bevat voor elke n Z 1 een deellichaam van graad n over Q, en is dus zelf niet eindig over Q. 10. Als α, β L algebraïsch over K zijn, dan geldt Bewijs dit. [K(α, β) : K] [K(α) : K] [K(β) : K].
148 7 LICHAMEN a. Bewijs dat er geen a, b Q zijn met (a + b 2) 2 = 3, en concludeer hieruit dat X 2 3 irreducibel is in Q( 2)[X]. b. Bewijs: [Q( 2, 3) : Q] = Laat L een eindige uitbreiding van een lichaam K zijn, en α L. Bewijs dat graad(fk α ) een deler van [L : K] is. 13. Laat f = X 4 4X 3 4X X 8. Bewijs dat 1 8 X4 f(2/x) een Eisensteinpolynoom bij 2 is. Concludeer dat f irreducibel is in Q[X]. 14. Laat β = Druk 2, 3 en β 1 uit op de Q-basis 1, β, β 2, β 3 voor Q(β). 15. a. Bewijs: Q( 2, 3 5) = Q( 2 3 5) = Q( ). b. Bereken f α Q voor α = en voor α = a. Ga na dat X 5 1 = (X 1)(X 4 + X 3 + X 2 + X + 1) =: (X 1)Φ 5 en dat Φ 5 irreducibel is in Q[X] (hint: substitueer X:=X+1 in Φ 5 ). b. Zij M := Q[X]/(Φ 5 ), ζ := X + (Φ 5 ), en zij β := X + X 4 + (Φ 5 ) M, L := Q[β] M. Bepaal a, b Q zodat β 2 = aβ + b en bepaal f β Q. c. Bepaal [M : L] en f ζ L. waarin alleen wortels van rati- d. Geef een formule voor cos 2π 5 onale getallen voorkomen. 17. Laat α R, α 3 α 1 = 0. Bereken van elk van de volgende elementen het minimumpolynoom over Q: α 1, α 2 + α + 1, (α 2 + 1) Laat α algebraïsch over een lichaam K zijn, en stel dat [K(α) : K] oneven is. Bewijs: K(α) = K(α 2 ). 19. Laat L een uitbreiding van een lichaam K zijn, en laten α, β L algebraïsch over K zijn. Veronderstel dat [K(α) : K] en [K(β) : K] onderling ondeelbaar zijn. Bewijs: [K(α, β) : K] = [K(α) : K] [K(β) : K]
149 7 LICHAMEN Laat L een uitbreiding van K zijn, en zij K 0 de algebraïsche afsluiting van K in L (zie ). Bewijs: elke α L, α / K 0 is transcendent over K Laat α transcendent over een lichaam K zijn, en β K(α), β / K. Bewijs: a. α is algebraïsch over K(β) (aanwijzing: laat β = f(α)/g(α), en beschouw het polynoom f(x) βg(x) K(β)[X]). b. β is transcendent over K. 22. Laat K een lichaam zijn. a. ( breuk-splitsen ). Bewijs dat de volgende collectie een basis van K(X) over K is: {X n : n Z 0 } {X i f m : f K[X]}, met in de tweede verzameling alleen irreducibele en monische f K[X] en m Z >0, 0 i < gr(f)}. b. Laat α transcendent over K zijn. Bewijs dat [K(α) : K] gelijk is aan de cardinaliteit van K als K oneindig is, en dat [K(α) : K] aftelbaar oneindig is als K eindig is. 23. Zij K = F 2 (X, Y ) = Q(F 2 [X, Y ]), (het quotiënten lichaam van de polynoomring F 2 [X, Y ]). a. Zij f = T 2 + X K[T ]. Bewijs dat f irreducibel is en zij L := K[T ]/(f), t := T + (f) L. b. Zij g = S 2 + Y L[S]. Bewijs dat g irreducibel is en zij M := L[S]/(g), s := S + (g) M. c. Merk op dat K L M en bewijs dat 1, t, s, st een K-basis van M vormen. d. Bewijs dat voor elke α M, α K, geldt: gr(f α K ) = 2. Concludeer dat de uitbreiding M van K niet enkelvoudig is.
150 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN Lichaamsautomorfismen en ontbindingslichamen 8.1 Lichaamshomomorfismen Ter herinnering: Als K en L lichamen zijn, dan is φ : K L een lichaamshomomorfisme als φ een (unitair) homomorfisme van ringen is (zie 2.1.1), i.h.b. geldt φ(1) = 1. In het bijzonder is φ( 1 a ) = φ(a) 1, φ( a b ) = φ(a) φ(b), want uit φ(a) φ(a 1 ) = φ(a a 1 ) = φ(1) = 1 volgt φ(a 1 ) = (φ(a)) 1. Omdat φ( ) = , is het beeld van het priemlichaam K 0 van K (zie 7.1.1) het priemlichaam L 0 van L. I.h.b. geeft φ een isomorfisme van K 0 naar L 0. Als K L dan is K 0 = L 0 en φ beperkt tot K 0 is de identiteit Het beeld φ(k) van een lichaamshomomorfisme is weer een lichaam. Een lichaamshomomorfisme is injectief (omdat K alleen (0) en K als ideaal heeft en 1 ker(φ)). Het hoeft niet surjectief te zijn (bv. R C), zelfs niet als K = L (zie voorbeeld hieronder). De samenstelling van lichaamshomomorfismen K φ L ψ M is weer een lichaamshomomorfisme, zoals je makkelijk narekent. In geval kar(k) = p is er het volgende interessante lichaamshomomorfisme. Stelling Zij K een lichaam met kar(k) = p > 0. Zij F : K K, F : x x p. Dan is F een lichaamshomomorfisme, en F heet het Frobeniushomomorfisme. Indien K eindig is, is F zelfs een lichaamsautomorfisme. Bewijs. Merk op dat F (1) = 1 en dat F (ab) = (ab) p = a p b p = F (a)f (b) (want K is commutatief). We moeten nog bewijzen dat F (a + b) := (a + b) p gelijk is aan F (a) + F (b) := a p + b p.
151 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 151 Volgens het binomium van Newton, dat geldig is in iedere commutatieve ring, hebben we: p (a + b) p = ( p k ) ak b p k, met ( p k ) = p! k!(p k)! Z. k=0 De teller van ( p k ) is deelbaar door p, maar de noemer niet als 0 < k < p omdat p een priemgetal is. Dan is (a + b) p = a p + b p + p c, voor zekere c K. Omdat p = (p ) en kar(k) = p volgt dat p = 0 K. We concluderen dat (a + b) p = a p + b p. Als K eindig is, is iedere injectieve afbeelding van K naar zichzelf (dus i.h.b. F ) ook surjectief, dus F is bijectief. Dat F 1 ook een lichaamshomomorfisme is, is eenvoudig na te rekenen. Hiermee is Stelling bewezen. Voorbeeld Zij K = F p (T ), het lichaam van rationale functies (= quotiënten van polynomen) met coëfficiënten in F p. Zij f(t ) = a 0 +a 1 T +...+a nt n b 0 +b 1 T +...+b mt F m p (T ), dan is ( ) a0 + a 1 T a n T n F (f(t )) = F b 0 + b 1 T b m T m = F (a 0 + a 1 T a n T n ) F (b 0 + b 1 T b m T m ) = F (a 0) + F (a 1 )F (T ) F (a n )F (T n ) F (b 0 ) + F (b 1 )F (T ) F (b m )F (T m ) = a 0 + a 1 T p a n T pn b 0 + b 1 T p b m T pm = f(t p ), want F (a) = a voor alle a F p, het priemlichaam van F p (T ). Het beeld van het Frobeniushomomorfisme F bestaat dan precies uit alle rationale functies in de variabele T p met coëfficiënten in F p. Daarom is F niet surjectief op F p (T ), immers T / beeld(f ) (ga na) Als L en L twee uitbreidingen van een lichaam K zijn, dan is een K-homomorfisme L L een ringhomomorfisme φ : L L met φ K = id K, de identiteit op K, en een K-isomorfisme is een bijectief K-homomorfisme. De lichamen L en L heten K-isomorf als er een K-isomorfisme L L bestaat, notatie L = K L Een K-automorfisme is een K-isomorfisme met L = L.
152 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN In het bijzonder is elk homomorfisme K L een K 0 -homomorfisme met K 0 het priemlichaam van K, zie Voor een uitbreiding L van K schrijven we Aut K (L) voor de groep van K-automorfismen van L (voor φ, ψ Aut K (L) is het product φψ Aut K (L) gedefinieerd door samenstelling: (φψ)(x) = φ(ψ(x))). Stelling Zij L een eindige uitbreiding van het lichaam K en zij α L met minimumpolynoom f α K K[X]. a. Voor elke φ Aut K (L) geldt dat φ(α) weer een nulpunt van f α K is. b. Zij m het aantal nulpunten van fk α in het lichaam K[α] L. Dan is #Aut K (K[α]) = m, waarbij # het aantal elementen in de groep aangeeft. In het bijzonder is het aantal K-automorfismen van K[α] gr(fk α). Bewijs. We schrijven f α K = X n + a n 1 X n a 1 X + a 0 met a i K. Passen we φ Aut K (L) toe op de identiteit 0 = fk α (α) dan komt er: 0 = φ(α n + a n 1 α n a 1 α + a 0 ) = φ(α) n + φ(a n 1 )φ(α) n 1... φ(a 1 )φ(α) + φ(a 0 ) = φ(α) n + a n 1 φ(α) n a 1 φ(α) + a 0 = fk α(φ(α)), waarbij we gebruikten dat φ(a i ) = a i (immers a i K en φ K = id K ). We concluderen dat φ(α) inderdaad ook een nulpunt van f α K is. Voor het tweede onderdeel bewijzen we dat de afbeelding: : Aut K (K[α]) {α 1, α 2,..., α m }, (φ) := φ(α) een bijectie is, hierin is {α 1,..., α m } K[α] de verzameling van nulpunten van f α K in K[α], met α 1 = α. Dat goed gedefinieerd is volgt uit het eerste onderdeel. We laten nu zien dat injectief is. Iedere x K[α] is op unieke wijze te schrijven als x = x 0 + x 1 α x n 1 α n 1 met x i K. Dan is φ(x) = φ(x 0 ) + φ(x 1 )φ(α) φ(x n 1 )φ(α) n 1 = x 0 + x 1 φ(α) x n 1 φ(α) n 1,
153 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 153 dus φ(x) is volledig bepaald door φ(α) = (φ). Als (φ) = (ψ) dan geldt dus: φ(x) = ψ(x) voor iedere x K[α] oftewel φ = ψ. Om surjectiviteit te bewijzen, moeten we voor elke nulpunt β K[α] van een K-automorfisme φ construeren met φ(α) = β. Dat gaat als volgt. Zij f α K Φ β : K[X] K[α], Φ β (f) := f(β), het evaluatiehomorfisme. Aangezien β een nulpunt is van fk α K[X] geldt fk α ker(φ β). Omdat fk α irreducibel is in K[X] geldt dan ker(φ β) = (fk α). Dus induceert Φ β een injectief K-homomorfisme Φ β : K[X]/(fK α) K[α] met als beeld K[β] K[α]. De eerste isomorfiestelling voor ringen levert dan dat K[β] = K[X]/(f α K ); in het bijzonder is dit isomorfisme K-lineair. Dus is K[β] een lineaire deelruimte van K[α] van dimensie dim K (K[X]/(fK α)) = dim K(K[α]). Deze dimensie is eindig en dus volgt K[β] = K[α]; met andere woorden Φ β is een isomorfisme. Schrijf Φ α voor het isomorfisme K[X]/(f α K ) = K[α] dat door het evaluatiehomomorfisme Φ α wordt geïnduceerd. We hebben dan isomorfismen: K[X]/(f α K ) Φ α K[α] Φ β K[β] = K[α] Dit geeft een K-automorfisme φ := Φ β Φ α 1 : K[α] = K[α]. Uit de definitie van evaluatiehomomorfisme volgt: Φ α 1 (α) = X + (f α K ) en Φ β (X + (f α K)) = β, en dus: φ(α) = β. Hiermee is de stelling bewezen. Voorbeeld Zij f K[X] een monisch irreducibel polynoom van graad 2 en zij L = K[X]/(f). We schrijven α := X + (f) L dan is α een nulpunt van f in L = K[α]. We kunnen f schrijven als f = X 2 + ax + b en zoals je makkelijk narekent met het delingsalgoritme, geldt in L[X]: X 2 + ax + b = (X α)(x ( a α)).
154 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 154 Er zijn nu twee gevallen: (i) α = a α, (ii) α a α. In het eerste geval volgt 2α = a. Als 2 0 in K, dan is α = a/2 K in tegenspraak met de irreducibiliteit van f. Het eerste geval treed dus alleen op als kar(k) = 2 en a = 0. Een voorbeeld van zo n irreducibele f is het polynoom f = X 2 +T in de polynoomring K[X] met K = F 2 (T ), het lichaam van de rationale functies in de variabele T met coëfficiënten in F 2. (Als f reducibel was, dan was (g/h) 2 = T ofwel g 2 = T h 2 voor zekere g, h F 2 [T ] maar vergelijken van de graden laat zien dat dit onmogelijk is.) In het tweede geval zijn er twee verschillende nulpunten in L en dus is #Aut K (L) = 2. Omdat er maar één groep is met twee elementen geldt: Aut K (L) = {id L, φ} = Z/2Z. Dan is φ(α) = a α en dus is φ(x+yα) = φ(x)+φ(y)φ(α) = x+y( a α) zodat: φ : L L, x + yα (x ay) yα (x, y K). Een zeer bekend voorbeeld is natuurlijk K = R en f = X In dit geval is φ de complexe conjugatie. Een ander voorbeeld wordt gegeven door de eindige lichamen L = F p [X]/(X 2 d) met d een niet-kwadraat in F p (zie 5.2.8), i.h.b. is p > 2. In dat geval is φ : L L, φ : x + yα x yα, x, y F p het lichaamsautomorfisme. Anderzijds geeft stelling ook het Frobeniusautomorfisme F. geldt: F (x + yα) = F (x) + F (y)f (α) = x + yα p, want x, y F p, het priemlichaam van L. We zullen laten zien: Er F = φ. Omdat #Aut Fp (L) = 2 is het voldoende te bewijzen dat F id L. Welnu, als wel F = id L, dan zou x p = x voor elke x L, dus het polynoom X p X zou minstens #L > p nulpunten hebben. Maar dat is in tegenspraak met stelling Dus concluderen we F id L en daarom F = φ.
155 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 155 Uit F = φ volgt α p = F (α) = φ(α) = α. Omdat p > 2 priem en dus oneven is, kunnen we schrijven: p = 2( p 1 p 1 ) + 1 met Z. Dan is: 2 2 α p = (α 2 ) p 1 2 α = d p 1 2 α. Kennelijk is dus d p 1 2 = 1 in F p L. We komen hier in stelling nog op terug. 8.2 Ontbindingslichamen We hebben al gezien dat er voor ieder irreducibel polynoom f K[X] een eindige uitbreiding M van K bestaat waarin f een nulpunt heeft, we kunnen nl. M = K[X]/(f) nemen, zie In M[X] kan f dan geschreven worden als f = (X α)g, maar we weten i.h.a. niet of g nulpunten heeft in M. Om een lichaam te vinden waarin f precies gr(f) nulpunten heeft (geteld met multipliciteit), ontbinden we f (in feite g) in irreducibele factoren in M[X]. Indien er nog een irreducibele factor van graad 2 is, kunnen we opnieuw een eindige uitbreiding maken (van M en dus ook van K) waarin deze factor een nulpunt heeft. Na een eindig aantal stappen verkrijgen we zo een lichaam L, een eindige uitbreiding van K, zodat f in L[X] in lineaire factoren ontbonden kan worden: f = (X α 1 )(X α 2 )... (X α n ), α i L. We werken dit uit in (het bewijs van) stelling Definitie Laat K een lichaam zijn, en f K[X] een monisch polynoom. Een uitbreiding L van K heet een ontbindingslichaam (ook wel splijtlichaam) van f over K, als er α 1,..., α n L zijn zodanig dat a. f = n i=1 (X α i) in L[X], b. L = K(α 1,..., α n ) Onnauwkeurig kan men dit uitdrukken door te zeggen: een ontbindingslichaam van f over K ontstaat door alle nulpunten van f aan K te adjungeren (maar ja, nulpunten in wat?). Merk op dat een ontbindingslichaam van f eindig over K is, wegens b) van de definitie en gevolg Voorbeeld Zij f = X 3 n met n Q en n k 3 voor alle k Q. We bepalen een ontbindingslichaam M voor f en we bepalen Aut(M) = Aut Q (M).
156 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 156 Het polynoom f is irreducibel in Q[X], want het heeft graad 3 en geen nulpunt in Q wegens de keuze van n. Zij L := Q[X]/(f), α 1 := X + (f) L, dan is L een lichaam en α 1 is een nulpunt van f in L. Dus α 1 L en α 3 1 = n en [L : Q] = 3. In L[X] bezit f de ontbinding f(x) = X 3 n = (X α 1 )(X 2 + α 1 X + α 2 1) =: (X α 1 )g(x). We laten nu zien dat g(x) irreducibel is in L[X]. Voldoende hiervoor is om aan te tonen dat g geen nulpunt heeft in L. Welnu, ( zou β L) een nulpunt van g zijn, dan zou 0 = β 2 + α 1 β + α1 2 = α1 2 ( β α 1 ) 2 + ( β α 1 ) + 1 en dus zou β α 1 L een nulpunt van X 2 + X + 1 zijn. Het polynoom X 2 + X + 1 Q[X] is monisch en irreducibel, dus het zou dan het minimumpolynoom van β α 1 over Q moeten zijn. Maar dit is onmogelijk wegens [L : Q] = 3; vergelijk opgave 12 in hoofdstuk 7. We concluderen dus dat g(x) irreducibel in L[X] is. Vervolgens adjungeren we een nulpunt van g aan L. Zij M := L[Y ]/(g) en α 2 := Y + (g) M. (We schrijven Y in plaats van X om verwarring te voorkomen(!)) Dan is M een tweedegraadsuitbreiding van L en dus een uitbreiding van graad 6 van Q (stelling 7.3.6). α 2 M is een nulpunt van g en dus ook van f. In M[Z] geldt g(z) = Z 2 + α 1 Z + α 2 1 = (Z α 2 )(Z α 3 ) met α 3 = α 1 α 2. Merk op dat α 2 α 3, want anders zou α 2 M ook een nulpunt van de afgeleide van f zijn. Dus concluderen we dat f precies drie verschillende nulpunten α 1, α 2, α 3 in M heeft, en in M[X] geldt f = (X α 1 )(X α 2 )(X α 3 ). Omdat M = L(α 2 ) = L(α 2, α 3 ) en L = Q(α 1 ) geldt: M = Q(α 1, α 2, α 3 ), zodat M een ontbindingslichaam voor f over Q is. In feite geldt zelfs dat M = Q[α 1, α 2 ] en elke m M is te schrijven als: m = a 0 + a 1 α 1 + a 2 α (b 0 + b 1 α 1 + b 2 α 2 1)α 2, met a i, b i Q (ga na). We bewijzen nu dat: Aut Q (M) = S 3,
157 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 157 waar S 3 de groep van permutaties van {1, 2, 3} is. Merk op dat Aut(M) = Aut Q (M) want Q is het priemlichaam. Iedere φ Aut Q (M) permuteert de drie wortels van f in M. Dit geeft een homomorfisme π : Aut Q (M) S 3, π : φ σ, waarbij σ S 3 gedefinieerd wordt door: φ(α i ) = α σ(i). We laten zien dat π injectief en surjectief is, waarmee Aut Q (M) bepaald is. Laat φ ker(π), dan is dus φ(α i ) = α i voor elke i. Passen we φ toe op m M dan laat de schrijfwijze voor m hierboven zien dat φ(m) = m, dus φ is de identiteit op M. We concluderen dat π injectief is. Om de surjectiviteit van π te bewijzen, construeren we lichaamsautomorfismen van M. Omdat Q L M, is Aut L (M) Aut Q (M) een ondergroep. Omdat M = L[Y ]/(g), met g een tweedegraads polynoom met verschillende nulpunten, heeft Aut L (M) precies één element φ 1 ongelijk aan de identiteit. Omdat φ 1 de identiteit is op L geldt φ 1 (α 1 ) = α 1. Omdat φ 1 niet de identiteit is op M verwisselt φ 1 de nulpunten α 2 en α 3 van g, dus: φ 1 (α 1 ) = α 1, φ 1 (α 2 ) = α 3, φ 1 (α 3 ) = α 2 = π(φ 1 ) = (2 3), een paarwisseling in S 3. Laat L 2 := Q(α 2 ) M. Omdat α 2 een nulpunt is van het irreducibele polynoom f volgt dat L 2 = Q[X]/(f), en we kunnen bovenstaande redering herhalen met L 2 i.p.v. L. I.h.b. vinden we een φ 2 Aut L2 (M) Aut Q (M) met: φ 2 (α 1 ) = α 3, φ 2 (α 2 ) = α 2, φ 2 (α 3 ) = α 1 = π(φ 2 ) = (1 3). Omdat S 3 wordt voortgebracht door de twee paarwisselingen (1 3) en (2 3) is het homomorfisme π surjectief. Hiermee is bewezen dat Aut(M) = S 3. Stelling Laat K een lichaam zijn en f K[X] een monisch polynoom. Dan bestaat er een ontbindingslichaam van f over K. Bewijs. We voeren het bewijs met inductie naar n = gr(f). Als n = 1 dan is K kennelijk zelf een ontbindingslichaam van f over K. Laat vervolgens n > 1. We onderscheiden twee gevallen: f is irreducibel of niet. Stel eerst dat f te ontbinden is: f = g h, met g, h K[X] monisch van graad < n. Uit de inductiehypothese weten we dan dat er een ontbindingslichaam E = K(β 1, β 2,..., β m ) van g over K is, met g = m i=1 (X β i) in E[X]. Verder weten we uit de inductiehypothese, nu toegepast met E
158 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 158 als grondlichaam, dat er een ontbindingslichaam L = E(γ 1, γ 2,...γ k ) van h over E is, met h = k i=1 (X γ i) in L[X]. Dan is L een ontbindingslichaam van f over K, want f = m i=1 (X β i) k i=1 (X γ i) in L[X] en L = E(γ 1, γ 2,..., γ k ) = K(β 1,..., β m, γ 1,..., γ k ). Neem vervolgens aan dat f irreducibel is in K[X]. Dan is er wegens een uitbreiding K(α) met f(α) = 0. Volgens bestaat er dan een h K(α)[X] met f = (X α)h. Kennelijk is h een monisch polynoom van graad n 1. Passen we dus de inductiehypothese toe, met K(α) als grondlichaam, dan vinden we dat er een ontbindingslichaam L = K(α)(α 1,..., α n 1 ) van h over K(α) bestaat, met h = n 1 i=1 (X α i) in L[X]. Met α n = α hebben we dan L = K(α 1, α 2,..., α n ) en f = n i=1 (X α i) in L[X], dus L is een ontbindingslichaam van f over K. Dit bewijst We gaan vervolgens de uniciteit van het ontbindingslichaam bewijzen. Eerst bewijzen we iets algemeners. Stelling Laat φ : K 0 K 1 een isomorfisme van een lichaam K 0 naar een lichaam K 1 zijn, en zij Φ : K 0 [X] K 1 [X], a i X i φ(a i )X i i i het door φ geinduceerde isomorfisme van polynoomringen. Zij f 0 K 0 [X] een monisch polynoom en zij L 0 een ontbindingslichaam van f 0 over K 0. Zij L 1 een ontbindingslichaam van f 1 := Φ(f 0 ) K 1 [X] over K 1. Dan is er een isomorfisme ψ : L 0 L 1 ψ K0 = φ : K 0 L 0 φ ψ K 1 L 1 Bewijs. Uit 8.2.1(b) en volgt dat de graad [L 0 : K 0 ] eindig is. We voeren het bewijs met inductie naar deze graad. Als [L 0 : K 0 ] = 1 dan geldt L 0 = K 0, dus f 0 = n i=1 (X β i) met β 1,..., β n K 0. Dan is f 1 = Φ(f 0 ) = n i=1 Φ(X β i) = n i=1 (X Φ(β i)) K 1 [X]. De nulpunten van f 1 in L 1 liggen dus allemaal binnen K 1, en omdat L 1 ontstaat door het adjugeren van deze nulpunten geldt L 1 = K 1. We kunnen dus ψ = φ nemen. Laat vervolgens [L 0 : K 0 ] > 1. We construeren enkelvoudige uitbreidingen K 0 (α 0 ) en K 1 (α 1 ) en een isomorfisme χ : K 0 (α 0 ) K 1 (α 1 ) met χ K0 = φ. Omdat [L 0 : K 0 ] > 1 is er een nulpunt α 0 L 0 van f 0 waarvoor geldt α 0 / K 0. Zij h 0 K 0 [X] het minimumpolnoom van α 0 over K 0 : h 0 := f α 0 K 0, en zij h 1 := Φ(h 0 ).
159 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 159 Omdat f 0 (α 0 ) = 0 is h 0 een deler van f 0 in K 0 [X]: f 0 = h 0 q 0 K 0 [X] dus f 1 = h 1 Φ(q 0 ) K 1 [X]. Maar f 1 ontbindt in L 1 [X] in lineaire factoren, dus hetzelfde moet voor de deler h 1 van f 1 het geval zijn. Dit impliceert dat h 1 een nulpunt α 1 in L 1 heeft. We bewijzen nu dat K 0 (α 0 ) = K 1 (α 1 ). Wegens is er een isomorfisme K 0 [X]/(h 0 ) = K 0 (α 0 ), X + (h 0 ) α 0. (1) Omdat h 0 irreducibel is in K 0 [X] en Φ een isomorfisme is, is h 1 = Φ(h 0 ) irreducibel in K 1 [X]. Omdat h 1 (α 1 ) = 0 moet dus h 1 het minimumpolynoom van α 1 over K 1 zijn. Opnieuw wegens is er dus een isomorfisme K 1 [X]/(h 1 ) = K 1 (α 1 ), X + (h 1 ) α 1. (2) Tenslotte beeldt het isomorfisme Φ : K 0 [X] K 1 [X] het ideaal voortgebracht door h 0 af op het ideaal voortgebracht door h 1 = Φ(h 0 ), en induceert dus een isomorfisme Φ : K 0 [X]/(h 0 ) = K 1 [X]/(h 1 ), X + (h 0 ) X + (h 1 ), (3) dat beperkt tot K 0 gelijk is aan φ. Combineren we de isomorfismen (1), (2) en (3) dan vinden we een isomorfisme χ : K 0 (α 0 ) = K 1 (α 1 ), α 0 α 1, χ K0 = φ. Om ψ te verkrijgen passen we nu de inductiehypothese toe op de rechter helft van het diagram: K 0 K 0 (α 0 ) L 0 φ χ ψ K 1 K 1 (α 1 ) L 1 We hadden α 0 buiten K 0 gekozen, dus [K 0 (α 0 ) : K 0 ] > 1 en daarom is [L 0 : K 0 (α 0 )] = [L 0 : K 0 ] [K 0 (α 0 ) : K 0 ] < [L 0 : K 0 ], d.w.z. de graad is kleiner geworden en de inductiehypothese is inderdaad van toepassing, mits we nagaan dat L 0 een ontbindingslichaam van f 0 over K 0 (α 0 ) is, en analoog voor L 1. Maar dit is evident: als we alle nulpunten
160 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN 160 van f 0 in L 0 aan K 0 adjungeren krijgen we L 0, dus dit geldt zeker als we ze aan K 0 (α 0 ) adjungeren; en dito voor L 1. Passen we de inductiehypothese toe dan vinden we een lichaamsisomorfisme ψ : L 0 L 1 met ψ K0 (α 0 ) = χ, dus ψ K0 = φ. Hiermee is het bewijs van geleverd. We kunnen nu de belangrijkste stelling betreffende ontbindingslichamen uitspreken en bewijzen. Stelling Laat K een lichaam zijn en f K[X]. Dan bestaat er een ontbindingslichaam van f over K, en dit ontbindingslichaam is op K-isomorfie na eenduidig bepaald. In het vervolg kunnen we dus over het ontbindingslichaam van f over K spreken. Dit lichaam wordt aangegeven met Ω f K. Bewijs. Het bestaan van een ontbindingslichaam is al bewezen in Stel nu dat L en L twee ontbindingslichamen van f over K zijn; we moeten bewijzen dat er een K-isomorfisme ψ : L L bestaat. Maar dit volgt direct door toe te passen op K 0 = K 1 = K, f 0 = f 1 = f, φ = id K, L 0 = L, L 1 = L. Hiermee is bewezen Opmerking. Het K-isomorfisme ψ : L L tussen twee ontbindingslichamen van f over K hoeft niet eenduidig bepaald te zijn. Als σ een K-automorfisme van L is, is ook ψ = ψ σ : L L een K-isomorfisme, en men ziet gemakkelijk in dat zo uit één vaste ψ alle mogelijke K-isomorfismen ψ : L L verkregen worden. Voorbeeld We keren terug naar voorbeeld Dan is f = X 3 n en in C[X] geldt: f(x) = (X β 1 )(X β 2 )(X β 3 ) met : β 1 = 3 n, β 2 = 3 n(cos 2π 3 + i sin 2π 3 ), β 3 = 3 n(cos 2π 3 i sin 2π 3 ). Dan is Q(β 1, β 2, β 3 ) ( C) ook een splijtlichaam van f. Daarom is het isomorf met het in onderzochte splijtlichaam M = Q(α 1, α 2, α 3 ). I.h.b. geldt: [Q(β 1, β 2, β 3 ) : Q] = 6 en Aut Q (Q(β 1, β 2, β 3 )) = S 3.
161 8 LICHAAMSAUTOMORFISMEN EN ONTBINDINGSLICHAMEN Opgaven 1. Laat L een ontbindingslichaam van f over K zijn, en f = n i=1 (X α i) in L[X]. Bewijs: L = K(α 1, α 2,..., α n 1 ) (dus met één α minder!). 2. Zij f K[X] monisch van graad n. Bewijs: [Ω f K : K] is een deler van n! (Aanwijzing: gebruik de constructie in het bewijs van ) 3. Bewijs dat L = Q( 4 2, i) een ontbindingslichaam van X 4 2 over Q is. Bepaal ook [L : Q] en Aut(L). Probeer te bewijzen dat Aut Q(i) (L) = Z/4Z. 4. Wat is een ontbindingslichaam van X over Q? 5. Laat ζ C een nulpunt van f = X 4 +X 3 +X 2 +X +1 zijn. Bewijs dat ζ 5 = 1, en dat ζ 2, ζ 3, ζ 4 de andere nulpunten van f in C zijn. Bewijs dat Q(ζ) een ontbindingslichaam van f over Q is. Bepaal ook Aut(Q(ζ)). 6. Bewijs: Ω X2 2 Q = Ω X 2 3 Q, maar Ω X2 2 K Ω X2 3 K voor K = F Bewijs dat Q(i, 2) een ontbindingslichaam van f i+ 2 Q Bewijs: Aut (Q(i, 2)) V 4, de viergroep van Klein. over Q is. 8. Laat L een ontbindingslichaam van f over K zijn, met gr(f) = n. a. Bewijs: elke K-automorfisme van L permuteert de nulpunten van f in L, b. de groep Aut K (L) is isomorf met een ondergroep van S n ; c. #Aut K (L) is een deler van n!. 9. Bewijs: Aut(Q( 3 2, i 3)) S Laat f = X 3 + X 2 2X 1 Q[X], en zij α Ω f Q een nulpunt van f. Bereken f α2 2 Q, en bewijs dat Q(α) = Ω f Q. Bewijs ook dat Aut(Ωf Q ) = Z/3Z. 11. Zij K een lichaam. Bewijs dat de afbeelding φ : K(X) K(X), f f(x + 1) een lichaamsautomorfisme is. Bepaal de orde van φ in Aut(K(X)).
162 9 EINDIGE LICHAMEN Eindige lichamen Een lichaam K heet eindig als het aantal elementen van K eindig is. We hebben al enige voorbeelden van eindige lichamen gezien: Z/pZ met p priem, zie 1.18; een lichaam met 4 elementen, zie 3.3.6; en lichamen met p 2 elementen voor p > 2, zie Classificatie van eindige lichamen. De volgende stelling classificeert de eindige lichamen. Stelling a. Zij K een eindig lichaam. Dan is er een priemgetal p en een geheel getal n 1 met #K = p n. b. Omgekeerd is er voor elk priemgetal p en elk geheel getal n 1 een eindig lichaam met p n elementen, en dit lichaam is op isomorfie na eenduidig bepaald. Het eenduidig bepaalde lichaam met q = p n elementen wordt aangegeven met F q en het is het ontbindingslichaam van X q X over F p : Bewijs. F q = Ω X q X F p. a. Laat K een eindig lichaam zijn. Dan kan K niet het lichaam Q als deellichaam hebben, dus kar(k) 0 (zie 7.1.2). De karakteristiek van K is dus een priemgetal p, en K bevat het lichaam F p als deellichaam. Omdat K eindig is, is K zeker eindig dimensionaal als vectorruimte over F p. Laat n = [K : F p ], en kies een basis e 1, e 2,..., e n voor K over F p. Elk element x K kan dan eenduidig geschreven worden als x = a 1 e 1 + a 2 e a n e n met a i F p, 1 i n. Deze schrijfwijze kunnen we gebruiken om het aantal elementen van K te tellen. Voor elk van a i zijn er p mogelijkheden, en ze kunnen onafhankelijk van elkaar gekozen worden, dus het totale aantal mogelijkheden is p p... p = p n. Dit bewijst #K = p n.
163 9 EINDIGE LICHAMEN 163 b. Laat p een priemgetal zijn, laat n Z >0, en laat q = p n. Zij K het ontbindingslichaam van X q X over F p We laten zien dat K een lichaam met q elementen is, dit bewijst de existentie. Omdat K het ontbindingslichaam van X q X over F p is, zijn er α 1, α 2,..., α q K met X q X = q i=1 (X α i) in K[X]. De verzameling van nulpunten: gaan we nu nader onderzoeken. A = {α 1, α 2,..., α q } ( K) (i) #A = q. Bewijs van (i); als #A < q, dan zouden twee α s samenvallen: α i = α j, met i j; dan is α i een dubbel nulpunt van f = X q X, dus volgens stelling ook een nulpunt van de afgeleide f = q X q 1 1 = 1 (want q = 0 in F p ); maar het constante polynoom 1 heeft helemaal geen nulpunt, en deze tegenspraak bewijst dat #A = q. (ii) A is een deellichaam van K. Bewijs van (ii). De verzameling A bestaat precies uit de nulpunten van X q X in K, dus voor α K geldt: α A α q = α. Hieruit is duidelijk dat 1 A. Verder geldt: α, β A, β 0 = (αβ 1 ) q = α q (β q ) 1 = αβ 1 = αβ 1 A en gebruik makende van vinden we: α, β A = (α + β) q = α q + β q = α + β = α + β A. Dus A is gesloten onder optelling en deling, en 1 = A (p 1) termen. Hieruit volgt dat A een deellichaam van K is. (iii) A = K (:= Ω Xq X F p ). Het priemlichaam F p van K moet (per definitie van priemlichaam) ook in A bevat zijn, en A bevat alle α i (1 i q). Omdat A een lichaam is, moet ook het door F p en α 1,..., α q voortgebrachte lichaam in A bevat zijn: F p (α 1, α 2,..., α q ) A. Maar uit de definitie van ontbindingslichaam 8.2.1(b) volgt dat K = F p (α 1, α 2,..., α q ). We concluderen dat K A, en omdat, per definitie, ook A K volgt hieruit K = A. Wegens (i) is hiermee het bestaan van een lichaam van q elementen aangetoond. Dit bewijst de eerste bewering van 9.1.1(b). We willen nu eenduidigheid bewijzen.
164 9 EINDIGE LICHAMEN 164 Zij dus L ook een lichaam met q elementen, we willen aantonen L = K. Hiertoe merken we ten eerste op dat de karakteristiek van L ook gelijk is aan p, anders zou immers #L een macht van een ánder priemgetal zijn, hetgeen wegens de eenduidige priemfactorontbinding onmogelijk is. Laat nu α L. Omdat L een groep van orde q 1 is, is de (multiplicatieve) orde van α een deler van q 1, dus α q 1 = 1. Hieruit volgt dat α q = α, dus α is een nulpunt van het polynoom X q X, hetgeen natuurlijk ook voor α = 0 het geval is. Dus alle q elementen van L zijn nulpunten van X q X, en omdat dit polynoom graad q heeft moeten we hebben: X q X = α L (X α). Met behulp hiervan is het aan de hand van definitie gemakkelijk te controleren dat L een ontbindingslichaam van X q X over het priemlichaam F p van L is. Hetzelfde geldt voor K, en de eenduidigheidsstelling voor ontbindingslichamen impliceert dus dat L en K isomorf zijn. De laatste uitspraak hebben we in de loop van het bewijs al gezien. Hiermee is stelling bewezen. Opmerking In plaats van F q vindt men in de literatuur wel de notatie GF (q), voor Galois field, genoemd naar Evariste Galois (Frans wiskundige, ) die eindige lichamen het eerst bestudeerde. Als q een priemgetal is, dan F q = Z/qZ; maar als q geen priemgetal is dan is Z/qZ, geen lichaam (stelling 1.18, merk op: als q = p n met n > 1 dan p 0 p n 1, maar p p n 1 = p n = 0), dus dan F q = Z/qZ. Voorbeeld De polynomen f, g F 2 [X]: f := X 3 + X en g := X 3 + X + 1 zijn irreducibel omdat ze graad drie en geen nulpunten hebben. De lichamen K := F 2 [X]/(f) en L := F 2 [X]/(g) hebben dan beiden 8 elementen (van de vorm a 0 + a 1 X + a 2 X 2 met a i F 2 ), en zijn volgens de stelling isomorf. We geven een expliciet isomorfisme. Merk op dat α := X + (f) een nulpunt van f in K is. Als K en L isomorf zijn, moet f dus een nulpunt in L hebben, dat gaan we eerst zoeken. Zij Merk op dat: β := X + (g) L, dan β 3 = β + 1. f(β + 1) = (β + 1) 3 + (β + 1) = (β 3 + β 2 + β + 1) + (β 2 + 1) + 1 = β 2 + (β 2 + 1) + 1 = 0,
165 9 EINDIGE LICHAMEN 165 (we rekenen mod 2 met de coefficienten), waarmee het nulpunt gevonden is. Omdat het nogal lastig is rechtstreeks een lichaamsisomorfisme tussen K en L aan te geven definiëren we eerst een evaluatiehomomorfisme: Φ β+1 : F 2 [X] L, X β + 1. Ga na dat Φ β+1 surjectief is. De kern van Φ β+1 wordt voortgebracht door f want dat is het polynoom van de laagste graad in de kern. Met de eerste isomorfiestelling volgt dan: K = F 2 [X]/(f) = beeld(φ β+1 ) = L, het isomorfisme wordt dus expliciet gegeven door: a 0 + a 1 α + a 2 α 2 a 0 + a 1 (β + 1) + a 2 (β + 1) 2 = (a 0 + a 1 + a 2 ) + a 1 β + a 2 β Structuur van eindige lichamen Uit het feit dat een eindig lichaam F p n een n-dimensionale vectorruimte over F p is, volgt dat de optelgroep van F p n isomorf is met (Z/pZ) n. De productstructuur is uiteraard niet componentsgewijs (dat geeft nl. nuldelers). De volgende stelling laat zien dat ieder eindig lichaam een enkelvoudige uitbreiding van F p is, zodat we de rekenmethodes uit b.v kunnen toepassen. Stelling Zij F q een eindig lichaam met q = p n. Dan is er een α F q met: F q = F p [α]. In het bijzonder is F q = Fp [X]/(f α F p ) en gr(f α F p ) = n. Bovendien is er voor elke n > 0 een irreducibel polynoom van graad n in F p [X]. Bewijs. Voor iedere β F q is F p (β) een eindig lichaam en dus F p (β) = F p k voor zekere k n. Dan is β een nulpunt van X pk X, en dat polynoom heeft hoogstens p k verschillende nulpunten in het lichaam F p n. Bekijken we alle mogelijke k, dan zien we dat het aantal elementen β F p n met F p (β) F p n dus hoogstens p + p p n 1 < p n is. We concluderen dat er een α F p n moet zijn met F p (α) = F p n. (We zullen later een volledige beschrijving van de deellichamen van F q geven, zie ) Omdat α algebraisch is over F p (immers F p n is eindig over F p ) geldt F p (α) = F p [α]. Verder is n = [F p n : F p ] = [F p (α) : F p ] = gr(ff α p ) en dus is ff α p een irreducibel polynoom van graad n. Hiermee is de stelling bewezen.
166 9 EINDIGE LICHAMEN 166 Voorbeeld Om in F 5 3 te kunnen rekenen, zoeken we een irreducibel polynoom van graad 3 in F 5 [X]. Ieder polynoom van de vorm X 3 a met a F 5 blijkt een nulpunt te hebben in F 5 (ga na) en is dus reducibel. Zij f = X 3 + X 1 F 5 [X], deze f is irreducibel want f heeft geen nulpunt in F 5 (ga na). Dan is L = F 5 [X]/(f) een lichaam en [L : F 5 ] = 3 dus #L = 5 3 want ieder element van L is op unieke wijze te schrijven als: x = a 0 + a 1 α + a 2 α 2, met α := X + (f) L, en met a i F 5. Omdat er maar één lichaam is met 5 3 elementen, geldt L = F 5 3. Omdat α een nulpunt is van f, geldt α 3 = α + 1. Zo is b.v.: (3α + 1)(4α 2 + 2) = 2α 3 + 4α 2 + α + 2 = 2( α + 1) + 4α 2 + α + 2 = 4α 2 + 4α + 4, = (α 2 + α + 1). waarbij de coëfficiënten modulo 5 genomen worden Zij f F q [X] een irreducibel polynoom. Dan heeft f een nulpunt α in het lichaam L = F q [X]/(f), merk op dat #L = q m met m = gr(f), dus L = F p nm als q = p n. In L[X] is f dan te schrijven als (X α)g met g L[X] en we hebben gezien, zie voorbeeld 8.2.3, dat g i.h.a. geen nulpunt in L hoeft te hebben. Voor eindige lichamen blijkt echter dat f al zijn nulpunten in L heeft, d.w.z. f is te schrijven als een product van lineaire factoren in L[X]. Dit resultaat stelt ons ook in staat om Aut(F q ) te bepalen Hierbij maken we uiteraard gebruik van het Frobenius-homomorfisme (zie 8.1.3) F : L L x x p. Omdat L eindig is, is F zelfs een lichaamsautomorfisme, F Aut(L). Dan wordt voor iedere k N de samenstelling van k Frobenius-homomorfismen gegeven door: F k : L L, x x pk, en ook F k Aut(L). Stelling Zij f F q [X], met q = p n, een monisch en irreducibel polynoom van graad m. Zij L := F q [X]/(f), en zij α L een nulpunt van f. Dan is: f = (X α)(x α q ) (X α qm 1 ) L[X]. Bovendien zijn de m nulpunten van f onderling verschillend.
167 9 EINDIGE LICHAMEN 167 Bewijs. Omdat F n (a) := a pn = a q en iedere a F q een nulpunt is van X q X, geldt: F n (a) = a, dus F n Aut Fq (L), want F n is immers de identiteit op F q. Voor iedere k N is dan ook (F n ) k Aut Fq (L). Volgens stelling is dan (F n ) k (α) = α qk L ook een nulpunt van f. We laten zien dat we zo m verschillende nulpunten van f krijgen. Als α qk = α ql met 0 k < l m 1, dan is, omdat kar(l) = p: 0 = α ql α qk = (α ql k α) qk. D.w.z. dat α een nulpunt is van X qa X met a = l k < m oftewel α F q a, in tegenspraak met F q (α) = F q m. We concluderen dat de m nulpunten α, α q,..., α qm 1 L van f onderling verschillend zijn en dus kan f in lineaire factoren ontbonden worden in L[X]. Hiermee is de stelling bewezen. Voorbeeld Zoals we zagen in voorbeeld heeft het polynoom f := X 3 + X het nulpunt β + 1 L := F 2 [β] = F 8 met β 3 = β + 1. Reken zelf na dat: (β + 1) 2 = β en (β + 1) 4 = β = β 2 + β + 1 ook nulpunten zijn van f en dat inderdaad X 3 + X = (X (β + 1))(X (β 2 + 1))(X (β 2 + β + 1)). Stelling Zij q = p n met p een priemgetal. Dan is: Aut(F q ) =< F > = Z/nZ, d.w.z. Aut(F q ) is een cyclische groep van orde n en wordt voortgebracht door het Frobenius-homomorfisme. Bewijs. We weten al dat er een α F q is met F q = F p (α) en dat het minimumpolynoom van α precies n onderling verschillende nulpunten in F q heeft. Uit Stelling volgt dan dat #Aut(F q ) = #Aut Fp (F q ) = n (F p is immers het priemlichaam van F q ). Merk op dat de n lichaamsautomorfismen id, F, F 2,..., F n 1 alle verschillend zijn, immers in het bewijs van de vorige stelling zagen we (neem p = q) dat F k (α) = α pk α pl = F l (α) als 0 k < l < n 1. We concluderen dat elk element van Aut(F q ) een product van Frobenius automorfismen is. Hiermee is de stelling bewezen.
168 9 EINDIGE LICHAMEN 168 Stelling Laat q = p k en r = p m. Er geldt: F q is isomorf met een deellichaam van F r precies dan als r een macht van q is (d.w.z. als k m). Als F q isomorf is met een deellichaam van F r dan is dat deellichaam uniek en het bestaat uit de nulpunten van het polynoom X q X. We mogen dus schrijven: F p k F p m k m. Bewijs. Als F q een deellichaam van F r is, dan is F r een eindig dimensionale vectorruimte over F q en dim Fq F r = [F r : F q ] dus: p m = #F r = #(F q ) [Fr:Fq] = p k[fr:fq], dus k m. Neem nu aan dat m = kn voor zekere n Z >0, dan geldt r = q n. We willen laten zien dat het polynoom X q X al zijn nulpunten (die het lichaam F q vormen) in F r heeft. Omdat ieder element van F r een nulpunt van X r X is, moeten we dus laten zien dat: X q X X r X (in F p [X]). Omdat beide polynomen deelbaar zijn door X en omdat r = q n moeten we laten zien dat: X q 1 1 X qn 1 1. Aangezien in Z geldt: q n 1 = (q 1)(q n 1 + q n q + 1) = (q 1)b, met b Z, volgt de deelbaarheid van de polynomen uit: X ab 1 = (X a 1) ( X a(b 1) + X a(b 2) X a + 1 ), met a = q 1, b = q n 1 + q n q + 1. Dit bewijst het eerste deel van de stelling. Als F r een deellichaam K heeft met q elementen, dan geldt x q x = 0 voor elke x K, en dus is K precies de verzameling van nulpunten van X q X. I.h.b. is er hoogstens één deellichaam met q elementen in F r. Hiermee is de stelling bewezen. Opmerking We merken op dat F 4 geen deellichaam van F 8 is, maar dat b.v. F 4 en F 8 beiden deellichamen zijn van F 64, dit is ook het kleinste lichaam waarvan zowel F 4 als F 8 deellichamen zijn.
169 9 EINDIGE LICHAMEN Irreducibele polynomen in F q [X] Met behulp van de classificatie van de eindige lichamen kan men een aantal resultaten bewijzen over irreducibele polynomen in F q [X]. Voorbeeld Zij K een uitbreiding van F p met [K : F p ] = 2. Omdat #K = p 2 en #F p = p, zijn er precies p 2 p elementen in K die niet in F p zitten. Zij α K, maar α F p. Dan is F p (α) = K en dus is gr(ff α p ) = 2. Het polynoom ff α p heeft dan precies twee verschillende nulpunten α en α p (zie 9.2.5) in F p 2 F p. Gegeven K vinden we dus 1 2 (p2 p) irreducibele, monische 2-de graads polynomen in F p [X], en K = F p [X]/(f) voor elk van deze f. Zij nu g F p [X] een monisch, irreducibel polynoom van graad 2. Dan is, wegens de classificatie, F p [X]/(g) = K. Omdat g het minimum polynoom van α := X + (g) is, is g dus één van de 1 2 (p2 p) polynomen die we eerder vonden. We concluderen: Er zijn precies 1 2 (p2 p) monische, irreducibele polynomen van graad 2 in F p [X]. We kunnen ook een rechtstreeks bewijs van dit feit geven. Een monisch, 2-de graads polynoom in F p [X] is van de vorm X 2 + ax + b met a, b F p, daarvan zijn er dus p 2. De reducibele zijn van de vorm (X r) 2 of (X r)(x s) met r s en r, s F p. Er zijn dus p+( p 2) = p+ 1 2 (p2 p) = 1 2 (p2 +p) reducibele monische 2-de graads polynomen in F p [X]. We concluderen dat het aantal monische, irreducibele 2-de graads polynomen in F p [X] gelijk is aan p (p2 + p) = 1 2 (p2 p). Stelling Laat q > 1 een priemmacht zijn en laat n Z 1. Dan geldt: X qn X = f in F q [X] waarbij het product wordt uitgestrekt over de verzameling monische irreducibele polynomen f F q [X] met gr(f) een deler van n. Bewijs. Omdat F q [X] een factorontbindingsring is, kan X qn X op een unieke wijze ontbonden worden in monische irreducibele factoren in F q [X]. Al deze factoren zijn bovendien verschillend want de afgeleide (X qn X) = q n X qn 1 1 = 1 heeft geen nulpunt. We weten nu al dat X qn X = f, met (verschillende) irreducibele f die bovendien monisch gekozen kunnen worden omdat X qn X monisch is. De stelling volgt als we kunnen aantonen: f X q n X gr(f) n,
170 9 EINDIGE LICHAMEN 170 voor monische irreducibele f F q [X]. Zij d = gr(f). Aangezien X qn X = α F (X α) F q n qn[x], geldt: f X q n X f = (X α 1 ) (X α d ) F q n[x]. Ω f F q F q n. Omdat voor een eindig lichaam geldt: Ω f F q nulpunt van f (zie 9.2.5), zien we: = F q [α i ] = F q [X]/(f) met α i een f X qn X F q [X]/(f) F q n. Uit [F q [X]/(f) : F q ] = d volgt F q [X]/(f) = F q d en dus, met stelling f X qn X F q d F q n d n. Hiermee is de stelling bewezen. Voorbeeld Merk op: X 4 X = X(X 3 1) = X(X 1)(X 2 + X + 1) in F 2 [X], en ga na dat X, X +1, X 2 +X +1 inderdaad de enige monische, irreducibele polynomen van graad 2 in F 2 [X] zijn. Algemener, omdat de elementen van F p 2 precies de nulpunten zijn van X p2 X, geldt: X p2 X = α F p 2 (X α). Als α F p, dan is X α F p [X] monisch en irreducibel. Als α F p dan heeft ff α p graad 2 en heeft 2 nulpunten in F p 2. Ieder monisch, irreducibel polynoom van graad 2 is volgens voorbeeld van deze vorm. Daaruit volgt dan ook: X p2 X = f, in F p [X] waarbij we het product over de monische irreducibele polynomen van graad 2 nemen. Gevolg Zij x d het aantal monische irreducibele d-de graads polynomen in F q [X]. Dan geldt voor alle n Z 1 : dx d = q n. d n
171 9 EINDIGE LICHAMEN 171 Bewijs. Merk op dat q n = gr(x qn X). Volgens de stelling is dit polynoom gelijk aan het product van alle monische irreducibele polynomen met graad d n, en de linkerzijde in de te bewijzen formule is precies de graad van dit product. Voorbeeld Met kan men x n, het aantal irreducibele polynomen van graad n, recursief bepalen. Voor n = 1, 2, 3, 6 vindt men: 1 x 1 = q 1 x 1 = q 1 x 1 +2 x 2 = q 2 x 2 = 1 2 (q2 q) 1 x 1 +3 x 3 = q 3 x 3 = 1 3 (q3 q) 1 x 1 +2 x 2 +3 x 3 +6 x 6 = q 6 x 6 = 1 6 (q6 q 3 q 2 + q) In het algemeen vindt men met behulp van de Moebius-inversieformule (zie opgave 11): x n = 1 µ(d)q n/d, n d n met { µ(n) = 0 als er een priemgetal p is met p 2 n µ(p 1 p 2... p r ) = ( 1) r, waarbij de p i onderling verschillende priemgetallen zijn met r Z 0, dus i.h.b. µ(1) = 1 (dan is nl. r = 0). 9.4 De vermenigvuldigingsgroep van een eindig lichaam. We zullen het volgende resultaat uit de groepentheorie gebruiken, waarvan we volledigheidshalve ook het bewijs geven. Stelling Zij G een eindige commutatieve groep, en zij a G een element waarvan de orde m = ord(a) zo groot mogelijk is. Dan geldt voor elke b G dat ord(b) een deler van m is. Bewijs. We gebruiken de structuurstelling van de eindige abelse groepen: G = Z/n 1 Z Z/n 2 Z... Z/n k Z, met n 1 n 2 n 3... n k, d.w.z. dat n i een deler van n i+1 is. In het bijzonder is n k = 0 Z/n i Z voor elke i. Als b = ( b 1, b 2,..., b k ) G, dan is b + b b (n k keer) gelijk aan n k b = (n k b1, n k b2,..., n k bk ) = ( 0, 0,..., 0) = 0 ( G).
172 9 EINDIGE LICHAMEN 172 Dus elke b G heeft een orde die een deler van n k is. Verder heeft het element a = ( 0, 0,..., 1) orde n k (omdat 1 Z/n k Z orde n k heeft). We concluderen dat voor elke b G geldt: ord(b) n k = ord(a). Stelling Zij R een domein en G een eindige ondergroep van de eenhedengroep R van R. Dan is G cyclisch. In het bijzonder is F q een cyclische groep. Bewijs. Omdat R commutatief is, is G abels. Volgens voorgaande stelling is er een a G met ord(a) = m zodanig dat ord(b) m voor alle b G. Dus alle b G zijn nulpunten van het polynoom X m 1 (immers 1 is het eenheidselement van R ). Omdat X m 1 niet meer dan m nulpunten in R heeft (zie 3.5.2), volgt hieruit dat de orde van G, #G, hoogstens m is (er geldt zelfs dat #G een deler van m is). In G zit een element van orde m, nl. a, en de ondergroep die door a wordt voortgebracht heeft dus al m elementen. We concluderen dat G een cyclische groep is, met voortbrenger a. Door dit toe te passen op het domein F q en G = F q volgt de laatste uitspraak. Hiermee is stelling bewezen Een element α F q dat de multiplicatieve groep F q voortbrengt heet een primitieve wortel van F q. Volgens de stelling is α F q een primitieve wortel precies dan als de multiplicatieve orde van α gelijk is aan #F q = q 1. Als α een primitieve wortel van F q is, dan kan iedere x F q geschreven worden als: x = α k, en Λ : F q Z/(q 1)Z, x k is een isomorfisme van (abelse) groepen. In het bijzonder is k uniek bepaald modulo q 1 (door x en door α). Voorbeeld Het element 3 F 7 is een primitieve wortel van F 7 want: 3 1 = 3, 3 2 = 2, 3 3 = 6, 3 4 = 4, 3 5 = 5, 3 6 = 1, dus ord(3) = 6 = #F 7. We bepalen een primitieve wortel van F 9, d.w.z. een element van orde 8 in de groep F 9. Aangezien de orde van een element de orde van de groep deelt, hoeven we alleen maar een α F 9 te vinden met α 4 1. Omdat X geen nulpunt heeft in F 3, geldt: F 9 = F3 [i] := F 3 [X]/(X 2 + 1), met i := X + (X 2 + 1).
173 9 EINDIGE LICHAMEN 173 Ieder element van F 9 is dus op unieke wijze te schrijven als a+bi met a, b F 3 en er geldt i 2 = 1. Zij nu α = 1 + i, dan is: α 2 = (1 + i) 2 = 2i, α 4 = (2i) 2 = 1, dus de orde van α is 8 en α is een primitieve wortel. Bereken zelf α k voor 1 k 8 en ga na dat je zo inderdaad alle elementen van F 9 vindt.
174 9 EINDIGE LICHAMEN Opgaven 1. Bepaal alle primitieve wortels van F 7, F 8 en F Zij p een priemgetal met p 3 mod 4. Bewijs: Z[i]/pZ[i] = F p Bepaal f α F 3 voor alle α F 9, en ontbind X 8 1 in irreducibele factoren in F 3 [X]. 4. Bewijs dat F 25 een primitieve wortel is (met 2 2 = 2). 5. Bewijs dat X irreducibel is in F 125 [X]. 6. Bewijs, met een telargument, dat het aantal monische irreducibele polynomen in F q [X] van graad 3 gelijk is aan 1 3 (q3 q). 7. Ontbind de polynomen X 2 X, X 4 X, X 8 X en X 64 X in F 2 [X] in irreducibele factoren. 8. Leid uit gevolg af: 1 n qn x n 1 n (qn q q 1 q 1 2 n ). 9. Stel dat F p n = F p (α). Bewijs rechtstreeks dat het in voorkomende polynoom n 1 i=0 (X αpi ) coëfficiënten in F p heeft, door na te gaan dat elke coëfficiënt c voldoet aan c p = c. 10. Zij K een lichaam van karakteristiek p > 0, en laat f K[X] een polynoom van de vorm X p X a zijn. Met α geven we een nulpunt van f in een uitbreidingslichaam van K aan. a. Bewijs: f = i F p (X α i), en K(α) = Ω f K. b. Bewijs dat f òf irreducibel in K[X] is, òf in p lineaire factoren splitst in K[X]. (Aanwijzing: als f = gh bekijk dan de gelijkheid f(x j) = g(x j)h(x j) (j F p ) en concludeer dat de irreducibele factoren van f dezelfde graad hebben.) c. Bewijs dat X p X a irreducibel in F p [X] is, voor alle a F p. 11. Zij R de in opgave 27 op blz. 23 gedefinieerde ring van alle arithmetische functies. Een element van R is een functie f : Z >0 C, en twee zulke functies f, g worden opgeteld en vermenigvuldigd door middel van de formules (f + g)(n) = f(n) + g(n)
175 9 EINDIGE LICHAMEN 175 (f g)(n) = d n f(d)g(n/d) (convolutieproduct), voor n Z >0. Definieer de functies e, E R door { 1 als n = 1 e(n) = 0 als n > 1, E(n) = 1 voor alle n Z >0. Laat verder µ R gedefinieerd zijn als in a. Bewijs dat e het eenheidselement van de ring R is. b. Bewijs dat µ E = e (dus µ is de inverse van E in R). c. Laat f R, en definieer g R door g(n) = d n f(d) voor n Z >0 (dus g = f E). Leid uit (b) de Moebius-inversieformule af: f(n) = d n µ(d)g(n/d) voor n Z >0 (dus f = µ g). d. Bewijs (vgl. opgave 11 op blz. 148) a. Bewijs dat de lichamen Q[X]/(X 2 2) en Q[Y ]/(Y 2 3) niet isomorf zijn. b. Bij gegeven priemgetal p is R 2 := F p [X]/(X 2 2) en R 3 := F p [Y ]/(Y 2 3). Bepaal voor alle priemgetallen p vanaf 2 tot en met 23 de structuur van deze twee ringen, en beslis of ze isomorf zijn. 13. Als q een priemgetal is dan schrijven we Φ q = X q X 2 +X +1 = (X q 1)/(X 1) Z[X]; we nemen een priemgetal p en we schrijven f q,p := Φ q mod p F p [X]. Neem q = 11, neem p priem en beschouw f 11,p = g p := X X 2 + X + 1 F p [X].
176 9 EINDIGE LICHAMEN 176 Bewijs dat alle irreducibele factoren van g p dezelfde graad hebben. Zij G een irreducibele factor van g p. Bewijs: graad(g) = 1 desda (p = 11 of p 1 (mod 11)) graad(g) = 2 desda p 1 (mod 11) graad(g) = 5 desda p 3, 4, 5, of 9 (mod 11), graad(g) = 10 desda p 2, 6, 7, of 8 (mod 11). 14. Zij g = f 11,3 (notatie van opgave 13), m.a.w. g = X X + 1 F 3 [X]. Factoriseer g in irreducibele factoren. (Aanwijzing: zij a een nulpunt van G in een uitbreidingslichaam van F 3, laat zien dat a 3 ook een nulpunt is, idem a 9, idem a 27 = a 5, idem a 15 = a 4 ; wat is de constante term van G?, wat zijn de nulpunten van H als g = G H?. wat zijn de nulpunten van X 5 G(1/X)?, welke coëfficienten van G zijn ook nog gemakkelijk te berekenen?). 15. We gebruiken de notatie uit opgave 13. a. Factoriseer f 11,5 F 5 [X] b. idem f 7,13 F 13 [X]. c. idem f 13,5 F 5 [X]. 16. a. Zij K een lichaam, x K, x 4 1, x 8 = 1. Bewijs dat x 4 = 1 en (x + 1 x )2 = 2 (suggestie: teken x en 1/x in geval K = C). b. Bepaal de orde van (3 mod 41) in F 41. Vind een y Z met y 2 2 (mod 41). c. Gegeven is een priemgetal p met p 1 (mod 8). Bewijs dat er een z Z bestaat met z 2 2 (mod p). 17. (in opgave 16 losten we de vergelijking z 2 2 (mod p) op voor p 1 mod 8. Nu bestuderen we x 2 3 (mod p) ) voor p een priemgetal met p 1 (mod 12). a. Bewijs dat er een a F p bestaat met orde (a F p) = 12. b. Kies een a als in (a), en zij b = a 2 ; bewijs dat b + b 5 = 1 (aanwijzing: laat zien dat b 3 = 1, (b 2 ) 2 + b = 0, etc.). c. Bewijs dat (a 5 + a 7 ) 2 = 3 F p. d. Bewijs dat er een x Z is met x 2 3 (mod p). (suggestie: teken voor het complexe getal z C met z = e 2πi/12 plaatjes voor z 2 + z 10 en voor z 5 + z 7, etc.).
177 9 EINDIGE LICHAMEN Bepaal het aantal irreducibele polynomen van graad 4 in F q [X]. 19. Zij a, b F p (p > 2) zodanig dat X 2 a en X 2 b irreducibel zijn in F p [X]. a. Bewijs dat er een r F p is met a = r 2 b. (Hint: het groepshomomorfisme k : F p F p met k(x) = x 2 heeft kern {±1}.) b. Zij β := X + (X 2 b) F p [X]/(X 2 b). Laat zien dat: Φ rβ : F p [X] F p [X]/(X 2 b), f f(rβ), een surjectief ringhomomorfisme is met kern (X 2 a). c. Geef een expliciet lichaamshomomorfisme: φ : F p [X]/(X 2 a) F p [X]/(X 2 b). d. Zij X 2 + tx + s F p [X] een irreducibel polynoom. Geef aan hoe een lichaamsisomorfisme ψ : F p [X]/(X 2 + tx + s) F p [X]/(X 2 b) geconstrueerd kan worden. 20. (Uit een wiskunde olympiade) a. Vind a, b Z met: (a) ab(a + b) 0 (mod 7), (b) (a + b) 7 a 7 + b 7 (mod 7 7 ). Hoeveel oplossingen zijn er voor a en b in (Z/7 7 ) (Z/7 7 )? b. (een suggestie voor oplossingen) Zij p 1 (mod 3) een priemgetal, en k Z >0. Bewijs dat X 2 +X +1 precies 2 nulpunten heeft in Z/p k. Vind die nulpunten voor p k = 7, idem voor p k = 7 2, etc. c. (idem) Zij p 1 (mod 3) een priemgetal, en f := 1 p ((X + 1) p X p 1) Z[X] (waarom heeft dat polynoom gehele coëfficienten?). Vind 4 irreducibele factoren (in Z[X] of in Q[X]) van f (aanwijzing: als w = e 2πi/3, bereken dan (w + 1) 6, of teken een plaatje daarvan, substitueer w in f, etc.). Factoriseer f in geval p = 7.
178 10 ALGEBRAÏSCH AFGESLOTEN LICHAMEN Algebraïsch afgesloten lichamen Definitie Een lichaam K heet algebraïsch afgesloten als er voor elke f K[X], f / K, een α K is met f(α) = Uit de volgende stelling blijkt onder andere dat als K een algebraïsch afgesloten lichaam is, dat dan in feite elk polynoom f K[X], f 0, in K[X] volledig in lineaire factoren splitst. Stelling Laat K een lichaam zijn. Dan zijn de volgende uitspraken equivalent: a. K is algebraïsch afgesloten; b. elk irreducibel polynoom in K[X] is lineair; c. de enige algebraïsche uitbreiding L van K is L = K; d. voor elke monische f K[X] bestaan er α 1, α 2,..., α n K met f = n (X α i ). i=1 Bewijs. (a) (b). Een irreducibel polynoom kan alleen een nulpunt in K hebben als het linear is (vgl ). (b) (c). Laat L algebraïsch over K zijn. Dan is voor elke α L het polynoom fk α irreducibel in K[X], dus graad (f K α ) = 1 wegens (b). Ook weten we [K(α) : K] = graad (fk α ) 7.3.3, dus [K(α) : K] = 1 en K(α) = K. Dit bewijst α K, voor alle α L, dus L = K. (c) (d). Omdat het ontbindingslichaam Ω f K algebraïsch over K is volgt uit (c) dat Ω f K = K, hetgeen precies is wat we moesten bewijzen. (d) (a). Dit is duidelijk, want elke α i is een nulpunt van f. Hiermee is stelling bewezen. Stelling Elk algebraïsch afgesloten lichaam K is oneindig. Bewijs. Als K eindig is, K = {α 1, α 2,..., α n }, dan heeft het polynoom f = 1 + n (X α i ) i=1 geen nulpunt in K, want voor alle α i geldt f(α i ) = 1 0. Dit bewijst
179 10 ALGEBRAÏSCH AFGESLOTEN LICHAMEN 179 De volgende stelling stond vroeger bekend als de hoofdstelling van de algebra. Stelling Het lichaam C der complexe getallen is algebraïsch afgesloten Voor een eenvoudig analytisch bewijs van deze stelling, gebruik makend van de stelling van Liouville, verwijzen we naar het college functietheorie. We zullen hier een bewijs geven waarvan het enige niet-algebraïsche ingrediënt het volgend lemma is. Lemma Zij f R[X], en veronderstel dat er β, γ R bestaan met f(β) > 0 en f(γ) < 0. Dan is er een α R met f(α) = 0. Bewijs. (van ) Dit is een speciaal geval van de tussenwaardestelling uit de analyse, want polynomen zijn continue functies. Dit bewijst lemma Merk op dat we, in , α tussen β en γ kunnen kiezen; maar dit zullen we niet nodig hebben. Voor we het volledige bewijs van stelling geven leiden we enkele hulpresultaten af. Lemma Zij f C[X] een tweedegraads polynoom. Dan heeft f een nulpunt in C. Bewijs. We mogen aannemen dat f monisch is: f = X 2 + βx + γ, met β, γ C. Uit f = (X β)2 ( 1 4 β2 γ) blijkt dat het voldoende is aan te tonen dat het complexe getal 1 4 β2 γ een wortel in C heeft. Schrijf 1 4 β2 γ = a + bi, met a, b R. We beschouwen eerst het geval b = 0. Als a > 0 dan heeft a een wortel a in R, zoals we zien door op het polynoom g = X 2 a toe te passen en op te merken dat g(0) < 0, g(a + 1) > 0. Als a < 0, dan heeft a een wortel i a in C. Als a = 0 dan is 0 natuurlijk een wortel van a. Hiermee is het geval b = 0 afgehandeld. We zoeken nu c, d R met: (c + di) 2 = (c 2 d 2 ) + 2cdi = a + bi.
180 10 ALGEBRAÏSCH AFGESLOTEN LICHAMEN 180 Dit is equivalent met c 2 d 2 = a, 2cd = b. Omdat b 0 zijn ook c, d 0, en dus kunnen we schrijven: c = b 2d, dus b 2 4d 2 d2 = a. Het reële getal d moet dus een nulpunt zijn van het polynoom: g = 4X 4 + 4aX 2 b 2 R[X]. Er geldt g(0) < 0 en g(x) > 0 voor x R voldoende groot, dus er is wegens inderdaad een d R met g(d) = 0. We vinden vervolgens c uit: c = b. 2d Hiermee is bewezen dat a + bi een wortel c + di in C heeft, zoals verlangd. Dit bewijst lemma Lemma Zij f R[X] een polynoom van oneven graad. Dan heeft f een nulpunt in R. Bewijs. We mogen aannemen dat de hoogstegraads coëfficiënt van f positief is. Dan geldt f(x) > 0 als x R voldoende groot is, en omdat f oneven graad heeft is f(x) < 0 als x R <0 voldoende klein is. Uit volgt nu dat f een nulpunt in R heeft. Hiermee is bewezen. Lemma Stel dat elk niet-constant polynoom f R[X] (dus met reële coëfficiënten) een nulpunt in C heeft. Dan is C algebraïsch afgesloten. Bewijs. Zij g = n a i X i C[X], g / C. We moeten bewijzen dat g een i=0 nulpunt in C heeft. Definieer ḡ := n ā i X i i=0 ( C[X]) waar ā i de complex geconjugeerde van a i aangeeft, en definieer f := g ḡ ( C[X]). Gebruik makende van de eenvoudig te controleren regel gh = ḡ h vinden we f = g ḡ = ḡ ḡ = ḡ g = f
181 10 ALGEBRAÏSCH AFGESLOTEN LICHAMEN 181 dus elke coëfficiënt van f is gelijk aan zijn complex geconjugeerde, d.w.z. f R[X]. Verder geldt gr(f) = 2 gr(g), dus f is niet een constante. Op f kunnen we nu het gegeven van het lemma toepassen: er is een α C met f(α) = 0, d.w.z. g(α) ḡ(α) = 0. Als g(α) = 0 dan hebben we het verlangde nulpunt α van g gevonden. Als g(α) 0, dan moeten we hebben ḡ(α) = 0, dus n ā i α i = 0. Neem hiervan de complex geconjugeerde, dan vinden we n a i ᾱ i = 0, i=0 i=0 d.w.z. g(ᾱ) = 0, dus ook in dit geval heeft g een nulpunt in C. Hiermee is lemma bewezen. Bewijs. (van ) Zij f R[X] een niet-constant polynoom. Volgens lemma is het voldoende aan te tonen dat f een nulpunt in C heeft. We mogen, en zullen, aannemen dat f monisch is. Laat n = gr(f). Dan geldt n 1, en we kunnen schrijven n = 2 k u met k Z 0 en u een oneven positief geheel getal. Het bewijs zal nu worden gevoerd met volledige inductie naar k, d.w.z. naar het aantal factoren 2 in n. Als k = 0 dan is de graad van f oneven, dus dan weten we uit dat f een nulpunt in C (zelfs in R) heeft. Laat vervolgens k 1, dus n even. We zullen gaan werken in het lichaam L = Ω f C, dat C omvat. (Natuurlijk blijkt uit lemma uiteindelijk dat L = C, maar dat weten we nu nog niet, en dat zullen we ook niet nodig hebben.) In L[X] kunnen we f volledig in lineaire factoren splitsen: f = n (X α i ), α i L (1 i n). i=1 Zij c een willekeurig reëel getal, en beschouw het polynoom g c = (X (α i + α j + cα i α j )) ( L[X]). 1 i<j n We zullen nu in het bewijs gebruik maken van een resultaat uit hoofdstuk 11. Elk van de coëfficiënten van g c is een symmetrische uitdrukking
182 10 ALGEBRAÏSCH AFGESLOTEN LICHAMEN 182 in α 1, α 2,..., α n, dus behoort wegens stelling (toegepast op R = R, R = L) tot R. Dit bewijst dat g c R[X]. De graad van g c is gelijk aan het aantal keuzen voor i en j met 1 i < j n, en dat is 1n(n 1) = 2 2k 1 u (n 1). Hier is n 1 oneven, dus we zien: het aantal factoren 2 in gr(g c ) is gelijk aan k 1. Op het polynoom g c kunnen we dus de inductiehypothese toepassen, die ons vertelt dat g c een nulpunt in C heeft. Maar de nulpunten van g c zijn precies de 1 n(n 1) 2 uitdrukkingen α i + α j + cα i α j. We concluderen: voor elk reëel getal c zijn er i en j met 1 i < j n en α i + α j + cα i α j C. Hierbij hangen i en j van c af. Maar er is slechts een eindig aantal mogelijkheden voor i en j (nl. n(n 1)), terwijl we oneindig veel reële getallen 1 2 c tot onze beschikking hebben. Dit betekent dat er zeker twee verschillende reële getallen c en c moeten bestaan die het zelfde paar i, j opleveren. Voor deze c, c, i, j, geldt dan α i + α j + cα i α j C, α i + α j + c α i α j C. Nemen we hiervan geschikte lineaire combinaties, dan zien we dat ook de uitdrukkingen β = α i +α j, γ = α i α j C dus (X α i )(X α j ) = X 2 βx+γ C[X]. Uit lemma volgt nu dat dit polynoom een nulpunt in C heeft, dus α i C of α j C. Hiermee is aangetoond dat f een nulpunt in C heeft, zoals verlangd. Dit besluit de inductiestap en het bewijs van stelling Het hier gegeven bewijs van gaat terug op C.F. Gauss ( ). Gevolg Elk irreducibel polynoom f R[X] heeft graad 1 of 2. Een tweede graads polynoom X 2 + bx + c R[X] is irreducibel in R[X] dan en slechts dan als b 2 4c < 0. Bewijs. Zij f R[X] een monisch irreducibel polynoom, en α C een nulpunt van f. Dan f = fr α, en met vinden we gr(f) = [R(α) : R] [C : R] = 2 waarbij we gebruiken dat R(α) C De tweede bewering volgt uit X 2 + bx + c = (X b)2 1 4 (b2 4c) Dit bewijst de eerste bewering van en het feit dat X 2 a irreducibel in R is dan en slechts dan als a < 0. Hiermee is bewezen.
183 10 ALGEBRAÏSCH AFGESLOTEN LICHAMEN 183 Definitie Een algebraïsche afsluiting van een lichaam K is een uitbreiding K K met de eigenschappen a. K is algebraïsch over K; b. K is algebraïsch afgesloten. Verwar dit begrip niet met de bij gedefinieerde algebraïsche afsluiting van K in een uitbreidingslichaam L. Voorbeeld C is een algebraïsche afsluiting van R. Stelling Het lichaam Q der rationale getallen bezit een algebraïsche afsluiting. Bewijs. Zij Q de algebraïsche afsluiting van Q in C: Q = {α C : α is algebraïsch over Q}. Dit is volgens 7.3.9(b) een lichaamsuitbreiding van Q, die kennelijk voldoet aan voorwaarde (a) uit definitie We controleren voorwaarde (b), waarmee dan bewezen is dat Q een algebraïsche afsluiting van Q is. Laat f Q[X] een niet-constant polynoom zijn. We moeten aantonen dat f een nulpunt in Q heeft. Wegens heeft f in ieder geval een nulpunt α in C. Voor deze α geldt dan, dat Q(α) algebraïsch over Q is. Omdat Q op zijn beurt algebraïsch over Q is, volgt uit dat Q(α) algebraïsch over Q is. In het bijzonder is α algebraïsch over Q, d.w.z. α Q, zoals verlangd. Dit bewijst Opmerking De algebraïsche afsluiting van Q is zeker niet gelijk aan C, want er bestaan immers transcendente getallen, d.w.z. complexe getallen die niet algebraïsch over Q zijn, zie Algemener hebben we: Stelling Elk lichaam K heeft een algebraïsche afsluiting K. Bovendien is K op K-isomorfie na eenduidig bepaald, d.w.z.: zijn K en K allebei algebraïsche afsluitingen van K, dan geldt K = K K. Bewijs Een volledig uitgewerkt bewijs van zowel de existentie als de uniciteit kan men vinden in het boek John B. Fraleigh, A first course in abstract algebra, pp (Addison-Wesley, 1989.)
184 10 ALGEBRAÏSCH AFGESLOTEN LICHAMEN 184 Voor de eenvoud schetsen we alleen een bewijs van de existentie, en dit bewijs is niet eens geheel verantwoord. Neem de partieel geordende verzameling P van alle algebraïsche lichaamsuitbreidingen van K, met als partiële ordening dat L M betekent dat M een algebraïsche lichaamsuitbreiding van L is. Pas nu het lemma van Zorn toe en kies een maximale keten {L i } i I in P. Ga nu na dat i I L i een algebraïsche lichaamsuitbreiding van K is die algebraïsch afgesloten is. (Als hij niet algebraïsch afgesloten was, dan kon de keten vergroot worden. Hoe?) Wat is er mis met dit bewijs? Logici verbieden (op goede gronden) om het te hebben over de verzameling van alle algebraïsche lichaamsuitbreidingen van K. Dit heeft immers te veel weg van de de verzameling van alle verzamelingen, die tot bekende paradoxen leidt. Om de situatie te redden moet de algebraïcus veel specifieker zijn over de collectie P van lichaamsuitbreidingen die beschouwd gaan worden. Dit leidt dan tot een lang en technisch verhaal dat alleen maar aantoont dat het bewijs toch goed was.
185 10 ALGEBRAÏSCH AFGESLOTEN LICHAMEN Opgaven 1. Zij K = F q een eindig lichaam van karakteristiek p en f = 1 + α K (X α) het polynoom dat optreedt in het bewijs van Laat verder L = Ω f K. Bewijs: a. f = X q X + 1; b. voor elke α L met f(α) = 0 geldt α qi = α ī voor alle i Z >0 met ī = (i mod p) F p K, en c. L = F q p; α qp = α; d. elke irreducibele factor van f in K[X] heeft graad p. 2. Zij K een algebraïsche uitbreiding van een lichaam K met de eigenschap dat K voor elke monische f K[X] een ontbindingslichaam van f over K bevat. Bewijs dat K een algebraïsche afsluiting van K is. 3. Zij Q de algebraïsche afsluiting van Q in C. Bewijs: [ Q : Q R] = 2.
186 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN Symmetrische polynomen Laat R een commutatieve ring met 1 zijn, en n een geheel getal 1. Een polynoom f R[X 1, X 2,..., X n ] heet symmetrisch als f in zichzelf overgaat bij elke permutatie van X 1, X 2,..., X n Voorbeelden. n X i, i=1 n X i, i=1 n Xi k (met k Z 0 ). i=1 Het polynoom X 1 X 2 + X 2 X 3 + X 3 X 4 + X 4 X 1 is niet symmetrisch: het gaat niet in zichzelf over bij verwisseling van X 1 en X 2 (hier n = 4) Werken we, met een nieuwe variabele Z, het polynoom (Z X 1 )(Z X 2 ) (Z X n ) R[X 1, X 2,..., X n ][Z] uit, dan vinden we dat dit gelijk is aan waarbij Z n σ 1 Z n 1 + σ 2 Z n ( 1) n 1 σ n 1 Z + ( 1) n σ n σ 1 = X 1 + X X n σ 2 = X 1 X 2 + X 1 X X 1 X n + X 2 X X n 1 X n, σ 3 = X 1 X 2 X = 1 i<j<k n X ix j X k,.. σ t = 1 i 1 <i 2 <...<i X t n i 1 X i2 X it,... σ n = X 1 X 2 X n. De coëfficiënten σ 1, σ 2,..., σ n zijn allemaal symmetrische polynomen, de zogenaamde elementaire symmetrische polynomen. Uit σ 1, σ 2,..., σ n kan men andere symmetrische polynomen krijgen door optellen, vermenigvuldigen en het vermenigvuldigen met elementen van R Voorbeelden. met n = 2; σ 1 = X 1 + X 2, σ 2 = X 1 X 2, σ 2 1 = X X 1 X 2 + X 2 2, σ 2 1 2σ 2 = X X 2 2, σ 3 1 3σ 1 σ 2 = X X 3 2, etcetera.
187 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN In het algemeen zien we dat elk polynoom in σ 1, σ 2,..., σ n, met coëfficiënten uit R, d.w.z. elke g(σ 1, σ 2,..., σ n ) met g R[X 1,..., X n ], een symmetrische polynoom is. De omkering hiervan is ook waar: Stelling (Hoofdstelling over symmetrische polynomen) Elk symmetrisch polynoom f R[X 1, X 2,..., X n ] is te schrijven als polynoom in σ 1, σ 2,..., σ n met coëfficiënten uit R (d.w.z. f(x 1,..., X n ) = g(σ 1,..., σ n ) voor zekere g R[X 1,..., X n ]). Deze schrijfwijze is bovendien eenduidig (het polynoom g is dus uniek bepaald door f). Bewijs. Zij f 0. Orden de termen rx a 2 1 X a 2 2 X an n zó, dat een term r X a 1 1 X a 2 2 Xn an vóór r X b 1 1 X b 2 2 Xn bn voor de kleinste i met a i b i ( lexicografische ordening ). De kopterm van f heeft dus rx c 1 1 X c 2 2 X cn n (r R, r 0) die in f voorkomen staat als a i > b i c 1 = (grootste a 1 die in f als exponent bij X 1 voorkomt), c 2 = (grootste a 2 die bij gegeven a 1 = c 1 voorkomt), etcetera. We noemen r de kopcoëfficiënt van f. Omdat f symmetrisch is, geldt c 1 c 2... c n ; anders zou verwisseling van twee der X-en een eerdere term van f geven. We beweren dat het symmetrische polynoom óók kopterm rx c 1 1 X c 2 2 X cn n rσ c 1 c 2 1 σ c 2 c 3 2 σ c n 1 c n n 1 heeft. Immers, σ cn n σ 1 heeft kopterm X 1, σ 2 heeft kopterm X 1 X 2... σ n heeft kopterm X 1 X 2 X n en maakt men nu gebruik van het regeltje kopterm (g) kopterm (h) = kopterm (g h)
188 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN 188 (geldig voor polynomen g en h met kopcoëfficiënt 1), dan vindt men kopterm (σ c 1 c 2 1 σ c 2 c σn cn ) = X c 1 c 2 1 (X 1 X 2 ) c 2 c3 (X 1 X 2 X n ) cn = X c 1 1 X c 2 2 X cn zoals beweerd. De polynomen f en rσ c 1 c 2 1 σn cn hebben dezelfde kopterm. Deze valt bij aftrekken weg, dus in f 1 = f rσ c 1 c 2 1 σ cn n komen alleen maar termen voor die in onze lexicografische ordening later komen. Als f 1 = 0 dan hebben we f op de verlangde wijze uitgedrukt: f = rσ c 1 c 2 1 σ cn n. Als f 1 0, dan merken we op dat f 1 in elk geval weer symmetrisch is, dus we kunnen met f 1 op dezelfde wijze te werk gaan als met f. Dat geeft waarbij alle termen van f 2 r X c 1 1 X c n n n, f 2 = f 1 r σ c 1 c 2 1 σ c n n lexicografisch later komen dan de kopterm van f 1. Als f 2 = 0 dan zijn we weer klaar: f = rσ c 1 c 2 1 σn cn + r σ c 1 c 2 1 σ c n n en anders gaan we verder met f 2. We moeten bewijzen dat het proces afbreekt, d.w.z. dat we in de rij f 1, f 2, f 3,... op een gegeven ogenblik f k = 0 vinden. Hiertoe beschouwen we de totale graad totgr(f) van f, d.w.z. de grootste waarde van a 1 + a a n die er bij de termen r X a 1 1 Xn an ( 0) van f optreedt (vgl ). Kennelijk geldt: totgr(σ i ) = i, en dus Hieruit volgt en algemeen totgr(σ c 1 c 2 1 σ cn n ) = 1 (c 1 c 2 ) + 2 (c 2 c 3 ) n c n = c 1 + c c n totgr(f). totgr(f 1 ) totgr(f)... totgr(f m ) totgr(f m 1 )... totgr(f)
189 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN 189 Maar bij gegeven totale graad zijn er slechts eindig veel termen X a 1 1 Xn an mogelijk. Bij elke stap in het proces verdwijnt één dergelijke term en blijven slechts lexicografische latere over. Op een gegeven ogenblik zijn dus alle termen uitgeput, en dan hebben we f k = 0. Hiermee is de eerste bewering van aangetoond. We moeten nog aantonen: als g 1 en g 2 twee verschillende polynomen in n variabelen over R zijn, dan zijn ook g 1 (σ 1, σ 2,..., σ n ) en g 2 (σ 1, σ 2,..., σ n ) verschillend. Schrijven we g = g 1 g 2 dan zien we dat het voldoende is om aan te tonen: als g R[Y 1,..., Y n ], g 0, dan g(σ 1, σ 2,..., σ n ) 0. Elke term die in g voorkomt kan in de vorm ry a 1 a 2 1 Y a 2 a 3 2 Y an n geschreven worden, met r R, r 0, a i Z 0. Beschouw nu de term waarbij het rijtje a 1, a 2,..., a n zo vroeg mogelijk komt in de boven geïntroduceerde lexicografische ordening. Substitueert men σ i voor Y i, dan geeft deze term een polynoom in X 1,..., X n met als kopterm ( ) rx a 1 1 X a 2 2 X an n en de andere termen r σ a 1 a a 2...σ n n geven polynomen in X 1,..., X n met een later komende kopterm. Dus ( ) kan niet wegvallen, en inderdaad g(σ 1, σ 2,..., σ n ) 0. Hiermee is bewezen. Voorbeeld Laat n = 3, en f = X 3 1X 2 + X 3 1X 3 + X 1 X X 1 X X 3 2X 3 + X 2 X 3 3. De termen staan hier al lexicografisch geordend, en de kopterm X 3 1X 2 heeft c 1 = 3, c 2 = 1, c 3 = 0. Volgens het bovenstaande bewijs moeten we nu van f aftrekken σ c 1 c 2 1 σ c 2 c 3 2 σ c 3 3 = σ 2 1σ 2 = (X 1 + X 2 + X 3 ) 2 (X 1 X 2 + X 1 X 3 + X 2 X 3 ) het levert = X 3 1X 2 + X 3 1X 3 + 2X 2 1X X 2 1X 2 X 3 + 2X 2 1X X 1 X X 1 X 2 2X 3 + 5X 1 X 2 X X 1 X X 3 2X 3 + 2X 2 2X X 2 X 3 3, f 1 = 2X 2 1X 2 2 5X 2 1X 2 X 3 2X 2 1X 2 3 5X 1 X 2 2X 3 5X 1 X 2 X 2 3 2X 2 2X 2 3.
190 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN 190 Hiervan wordt afgetrokken 2σ 2 2 = 2X 2 1X 2 2 4X 2 1X 2 X 3 2X 2 1X 2 3 4X 1 X 2 2X 3 4X 1 X 2 X 2 3 2X 2 2X 2 3, dus f 2 = f 1 ( 2σ 2 2) = X 2 1X 2 X 3 X 1 X 2 2X 3 X 1 X 2 X 2 3. Trekt men hiervan σ 1 σ 3 af dan blijft nul over, dus al met al hebben we gevonden f = σ 2 1σ 2 2σ 2 2 σ 1 σ 3. Het polynoom g uit de stelling is dus X 2 1X 2 2X 2 2 X 1 X Stelling wordt meestal in de volgende situatie toegepast. Zij f R[X 1,..., X n ] een symmetrisch polynoom, en laat α 1, α 2,..., α n R. Omdat f volgens is uit te drukken in σ 1, σ 2,..., σ n, is f(α 1, α 2,..., α n ) uit te drukken in σ 1 (α 1,..., α n ) = α α n, σ 2 (α 1,..., α n ) = α 1 α 2 + α 1 α α n 1 α n σ n (α 1,..., α n ) = α 1 α 2... α n, en dat zijn juist ± de coëfficiënten van (X α 1 )(X α 2 )...(X α n ). Ruw gesproken betekent dit, dat elke symmetrische uitdrukking in de n nulpunten van een monisch polynoom van graad n in één variabele is uit te drukken in de coëfficiënten van dit polynoom. Bijzonder belangwekkend wordt deze bewering, als deze n nulpunten niet in de ring R zelf, maar pas in een uitbreidingsring R te vinden zijn. We geven eerst een voorbeeld en daarna de algemene stelling. Voorbeeld Laat h = X 3 X 1 Z[X]. In Z, of zelfs in Q, heeft h geen nulpunten (gebruik methode 5.5.1(c)), maar zoals blijkt uit stelling zijn er α 1, α 2, α 3 C waarvoor geldt Coëfficiënten vergelijken levert X 3 X 1 = (X α 1 )(X α 2 )(X α 3 ). σ 1 (α 1, α 2, α 3 ) = α 1 + α 2 + α 3 = 0 σ 2 (α 1, α 2, α 3 ) = α 1 α 2 + α 1 α 3 + α 2 α 3 = 1 σ 3 (α 1, α 2, α 3 ) = α 1 α 2 α 3 = 1.
191 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN 191 Uit volgt nu: is f Z[X 1, X 2, X 3 ] een willekeurig symmetrisch polynoom, dan geldt f(α 1, α 2, α 3 ) Z (hoewel α 1, α 2, α 3 / Z). Nemen we voor f het polynoom uit voorbeeld f = X 3 1X 2 + X 3 1X X 2 X 3 3 = σ 2 1σ 2 2σ 2 2 σ 1 σ 3 dan vinden we, door te substitueren X i := α i : α 3 1α 2 + α 3 1α α 2 α 3 3 = 0 2 ( 1) 2 ( 1) = 2. Stelling Laat R een commutatieve ring (met 1) zijn, en R een deelring van R. Laat h R[X] een monisch polynoom van de graad n zijn met de eigenschap dat er α 1, α 2,..., α n R zijn met h = (X α 1 )(X α 2 )... (X α n ). Dan geldt voor elk symmetrisch polynoom f R[X 1, X 2,..., X n ] dat f(α 1, α 2,..., α n ) R. Bewijs. Het bewijs van is duidelijk uit het voorgaande. Immers, voor elke i geldt: σ i (α 1,..., α n ) R omdat het ± de coëfficiënten van h R[X] zijn. Verder is het symmetrisch polynoom f R[X 1,..., X n ] te schrijven als f = g(σ 1,..., σ n ) voor zekere g R[X 1,..., X n ] (zie ). Invullen van de α i in g(σ 1,..., σ n ) geeft dus een element in R, zoals gewenst. Voorbeeld Een belangrijk symmetrisch polynoom is D = (X i X j ) 2. 1 i<j n De discriminant van een polynoom h = X n + a 1 X n a n = (X α 1 )(X α 2 )...(X α n ) is gedefinieerd als (h) = 1 i<j n (α i α j ) 2 = D(α 1, α 2,..., α n ).
192 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN 192 Deze kan in a 1, a 2,..., a n uitgedrukt worden. Zo heeft men voor n = 2, 3, 4 de volgende formules: (X 2 + ax + b) = a 2 4b, (X 3 + ax 2 + bx + c) = a 2 b 2 4b 3 4a 3 c 27c abc, (X 4 + ax 3 + bx 2 + cx + d) = 1 27 {4(b2 3ac + 12d) 3 (2b 3 72bd + 27a 2 d 9abc + 27c 2 ) 2 } (bij uitwerken blijkt de 27 in de noemer weg te vallen). Door deze formules kan men de discriminant van een monisch polynoom h = X n + a 1 X n a n R[X] ook definiëren als h niet in R[X] in n factoren (X α i ) te splitsen is. De betekenis van de discriminant berust er op, dat in het geval er geen nuldelers zijn geldt (h) = 0 i, j i j : α i = α j, dus: de discriminant is nul dan en slechts dan als het polynoom een dubbel nulpunt heeft. Het geval n = 2 kennen we al van het VWO. Een andere toepassing van de discriminant wordt in opgave 5 gegeven. Als K een lichaam is met kar(k) 3 (zodat 1 K), geeft de substitutie 3 X := X 1a in een derdegraads polynoom f = 3 X3 + ax 2 + bx + c een derdegraads polynoom g = X 3 + px + q. Merk op dat (f) = (g), immers de nulpunten van g zijn β i := α i + 1a en α 3 i α j = β i β j. De discriminant van g is eenvoudig: (g) = (4p q 2 ). Voorbeeld We gebruiken de symmetrische polynomen om de nulpunten van een derdegraads polynoom te vinden. Zij f K[X], met K een lichaam met kar(k) 2, 3, en gr(f) = 3 een monisch polynoom: f = X 3 + ax 2 + bx + c. Laat α 1, α 2, α 3 de nulpunten van f zijn (in een uitbreiding van K, zie 8.2.1). Dan geldt: a = α 1 + α 2 + α 3, b = α 1 α 2 + α 1 α 3 + α 2 α 3, c = α 1 α 2 α 3. Zij ω een primitieve derde eenheidswortel (in een uitbreiding van K, d.w.z. ω 1, ω 3 = 1). Definieer: A 1 := α 1 + ωα 2 + ω 2 α 3, A 2 := α 1 + ω 2 α 2 + ωα 3
193 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN 193 We bestuderen wat er met de A i gebeurt als de α i gepermuteerd worden. Zij ρ := (123) S 3, dan: Verder geldt: ρ = (123) : A 1 α 2 + ωα 3 + ω 2 α 1 = ω 2 A 1, A 2 α 2 + ω 2 α 3 + ωα 1 = ωa 2 τ = (23) : A 1 A 2, (23) : A 2 A 1. Omdat de groep S 3 wordt voortgebracht door ρ en τ zijn A A 3 2, A 1 A 2 symmetrische polynomen in α 1, α 2, α 3. Volgens stelling zijn ze dan uit te drukken in elementair symmetrische funkties σ i en deze zijn weer, op teken na, gelijk aan de coëfficiënten van f (zie boven). Na enig rekenwerk vindt men: 2B := A A 3 2 = 2a 3 + 9ab 27c, A := A 1 A 2 = a 2 3b. In het bijzonder zijn A, B direkt te berekenen uit de coëfficiënten van f. Merk op dat: (T A 3 1)(T A 3 2) = T 2 2BT + A 3, dus we kunnen A 3 1, A 3 2 bepalen: A 3 i = 2B ± 4B 2 4A 3 2 = B ± B 2 A 3, (we weten overigens niet welke i met welk teken correspondeert). Daarmee kunnen we nu ook A i bepalen: A i = 3 B ± B 2 A 3 (hier zijn 3 keuzes voor 3 ). Tenslotte bepalen we α 1 door op te merken: 3α 1 = (α 1 + α 2 + α 3 ) + (α 1 + ωα 2 + ω 2 α 3 ) + (α 1 + ω 2 α 2 + ωα 3 ) = a + A 1 + A 2, waarbij we gebruiken dat 0 = ω 3 1 = (ω 1)(ω 2 + ω + 1) en ω 1. Een expliciet voorbeeld: Zij f = X 3 + 2X 2 X 2 Q[X].
194 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN 194 Dan vinden we: B = 10, A = 7, A 1 = = i 3 (we kozen een + teken, dat blijkt niet belangrijk te zijn). Er zijn 3 oplossingen voor A 3 1 = i 3 in C (gebruik bv. poolcoördinaten voor complexe getallen), en in ons geval blijken die er vrij eenvoudig uit te zien: A 1 = 2 + i 3 of A 1 = 1 2 ( 1 + 3i 3) of A 1 = 1 2 (5 + i 3). Omdat A 1 A 2 = A zijn de corresponderende A 2 s dan: A 2 = 2 i 3, A 2 = 1 2 ( 1 + 3i 3), A 2 = 1 2 (5 i 3). Tenslotte vinden we de drie nulpunten van f uit α = 1 3 ( a + A 1 + A 2 ), ze zijn: 2, 1, 1 resp. Deze formules werden, langs een andere weg, gevonden door Cardano en Tartaglia rond Ze worden de Cardano formules genoemd. Opmerking We komen nog even terug op de oplossingsmethode. Het oplossen van de van de algemene derde graads vergelijking wordt terug gebracht op het oplossen van de vergelijking A 3 i = W, waarbij de A 3 i invariant zijn onder de (normale) ondergroep A 3 = {e, ρ, ρ 2 } van S 3 en waarbij W zelf de oplossing is van een vergelijking van graad 2. In opgave 4 geven we een methode aan om de algemene vergelijking f van graad 4 op te lossen door eerst 3 combinaties C i van de nulpunten van f in te voeren. Deze C i zijn invariant onder de normale ondergroep H := {e, (12)(34), (13)(24), (14)(23)} S 4. Omdat S 4 /H = S 3 worden de C i in feite gepermuteerd door S 3. Dan heeft het polynoom (X C 1 )(X C 2 )(X C 3 ) dus coëfficiënten die invariant zijn onder de hele S 4, d.w.z. het heeft coëfficiënten die uit te drukken zijn in de coëfficiënten van f. Hiermee wordt het vinden van de nulpunten van een vierde graads polynoom teruggebracht tot het vinden van nulpunten van een derde graads polynomen. Helaas is voor n > 4 A n de enige, niet-triviale, normale ondergroep van S n. Het oplossen van een vergelijking van graad n > 4 is inderdaad, om deze reden, ook wezenlijk veel moeilijker dan het oplossen van een vergelijking van graad 4. In het college Galoistheorie wordt hier verder op ingegaan.
195 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN Opgaven 1. Druk het symmetrische polynoom X X X 3 3 (met n = 3) uit in σ 1, σ 2, σ In het bewijs van maakten we gebruik van de regel kopterm (g) kopterm (h) = kopterm (g h) voor polynomen g, h waarvan de kopcoëfficiënt 1 is. Laat zien dat de regel fout kan zijn als g, h nuldelers als kopcoëfficënten hebben. 3. Laat (X α 1 )(X α 2 )(X α 3 ) = X 3 X 1, met α 1, α 2, α 3 C en s k = α k 1 + α k 2 + α k 3 voor k Z. Bewijs: s 1 = 1, s 0 = 3, s 1 = 0 s k = s k 2 + s k 3 voor alle k Z, s k Z voor alle k Z (ook negatief!). 4. Zij f = X 4 + ax 3 + bx 2 + cx + d K[X] met K een lichaam met kar(k) 2, 3 en laat α 1,..., α 4 de nulpunten van f (in een uitbreiding van K) zijn. a. Definieer: C 1 = (α 1 + α 2 α 3 α 4 ) 2 C 2 = (α 1 α 2 + α 3 α 4 ) 2 C 3 = (α 1 α 2 α 3 + α 4 ) 2. Geef een uitdrukking voor α 1 in termen van C i en de coëfficiënt a van f. b. Ga na dat de S 4 actie (permutatie van de α i ) de C i s permuteert. Ga ook na dat de ondergroep H uit opmerking de C i invariant laat. c. Laat zien dat geldt: C 1 + C 2 + C 3 = 3a 2 8b C 1 C 2 + C 1 C 3 + C 2 C 3 = 3a 4 16a 2 b + 16b ac 64d C 1 C 2 C 3 = (a 3 4ab + 8c) 2. d. Ga na dat je met deze informatie de algemene vergelijking van graad 4 kunt oplossen.
196 11 SYMMETRISCHE POLYNOMEN Zij f = X 3 + ax 2 + bx + c Q[X] een irreducibel polynoom met nulpunten α 1, α 2, α 3 C. Dan is dus Ω f Q = Q(α 1, α 2, α 3 ), i.h.b.: := (α1 α 2 )(α 1 α 3 )(α 2 α 3 ) Ω f Q, en Q, met de discriminant van f, zie voorbeeld a. Bewijs dat [Ω f Q : Q] = 3 of 6. b. Bewijs dat Q [Ω f Q : Q] = 6. c. Stel nu dat Q. Schrijf f = (X α 1 )(X 2 + rx + s) Q(α 1 )[X]. Bewijs dat α 2 Q(α 1 ) door een uitdrukking voor α 2 in termen van, a, b, c, r, s, α 1 Q(α 1 ) te geven. Concludeer [Ω f Q : Q] = 3 Q.
197 12 DE GETALLEN VAN GAUSS De getallen van Gauss 12.1 Sommen van kwadraten In deze paragraaf zullen we de vraag beantwoorden, welke gehele getallen als som van twee kwadraten geschreven kunnen worden. We gebruiken hierbij de theorie van ontbindingsringen en een stelling over de vermenigvuldigingsgroep van een domein, stelling Als n Z te schrijven is als som van 2 kwadraten, n = a 2 + b 2 met a, b Z, dan kunnen we dat opvatten als een ontbinding van n in de ring Z[i]: n = a 2 + b 2 n = (a + bi)(a bi). Omgekeerd correspondeert elke ontbinding van n in Z[i] in twee complex geconjugeerde factoren n = α ᾱ met een schrijfwijze voor n als som van twee kwadraten. We noemen de ring Z[i] de ring van (gehele) getallen van Gauss In de volgende paragraaf laten we zien dat Z[i] een hoofdideaaldomein en dus ook een ontbindingsdomein is. Iedere n Z >0 heeft dus ook een priemontbinding in Z[i], d.w.z. een (essentieel unieke) schrijfwijze als product van een eenheid en een aantal irreducibele elementen van Z[i]. (Merk op dat 5 irreducibel is in Z maar er geldt: 5 = = (1 + 2i)(1 2i), en 1 + 2i, 1 2i zijn geen van beide eenheid in Z[i], dus 5 is niet irreducibel in Z[i] (!).) We kunnen dan alle α s in Z[i] met αᾱ = n vinden omdat de irreducibele elementen in de priemontbinding van α een deelverzameling vormen van de irreducibele elementen in de priemontbinding van n Zij n = p n p nt t, n j Z >0 en p j priem, de priemontbinding van n in Z. Als we weten hoe we iedere p j kunnen schrijven als een produkt van irreducibele elementen van Z[i], dan verkrijgen een schrijfwijze voor n als product van irreducibele elementen in Z[i]. Deze schrijfwijze is dan de priemontbinding van n in Z[i]. Stelling a. De eenheden van Z[i] zijn: (Z[i]) = {1, i, 1, i}.
198 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 198 b. Er geldt 2 = ( i)(1 + i) 2, met i (Z[i]) en (1 + i) is irreducibel in Z[i]. c. Als q een priemgetal is en q 3 mod 4 dan is q irreducibel in Z[i]. d. Als p een priemgetal is en p 1 mod 4 dan p = π π, en π u π voor elke eenheid u Z[i]. Zowel π als zijn complex geconjugeerde π is irreducibel in Z[i]. Bewijs. a) In 1.13 zagen we al: hieruit volgt a. direkt. b) Merk op dat a + bi (Z[i]) N(a + bi) := a 2 + b 2 = ±1, N(1 + i) = = 2, en dat N(α)N(β) = N(αβ). Als dus αβ = 1 + i, dan moet ofwel N(α) = 1 ofwel N(β) = 1, en met bovenstaande volgt dan dat α of β een eenheid is. Hiermee is bewezen dat 1 + i irreducibel is in Z[i]. c) Stel q = αβ, waarbij α en β geen van beide eenheden zijn. Dan geldt: N(α)N(β) = q 2, N(α) > 1, N(β) > 1. Omdat q priem is in Z, kan dat alleen als N(α) = N(β) = q. Schrijf α = a + bi, dan is N(α) = a 2 + b 2 = q. Als zowel a als b even zijn, dan zijn a 2 en b 2 4-vouden maar dat is in tegenspraak met het feit dat q geen 4-voud is. Als bv. a oneven is dan kunnen we schrijven: a = 2k + 1 dus a 2 = 4k 2 + 4k + 1 = 4(k 2 + k) + 1. We zien dat a 2 + b 2 1 mod 4 als a óf b oneven is, en dat a 2 + b 2 2 mod 4 als a én b oneven zijn. Er is dus geen α Z[i] met N(α) = q ( 3 mod 4) en we concluderen dat q irreducibel is. d) Als p 1 mod 4 dan is de groep F p = (Z/pZ) een cyclische groep van orde
199 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 199 p 1, zie stelling Als α een voortbrenger van deze groep is, definieer dan x = α p 1 4 ( F p ). De orde van x is dan 4, dus x 2 = 1. Men rekent eenvoudig na dat de afbeelding: φ : Z[i] F p, a + bi ā + bx, een (surjectief) ringhomomorfisme is. Omdat de ring Z[i] een hoofdideaalring is, zie verderop, is er een π Z[i] met (π) := πz[i] = ker(φ), i.h.b. Z[i]/(π) = F p. Omdat p ker(φ), geldt p = πβ voor zekere β Z[i]. Dan is N(p) = p 2 = N(π)N(β). Als N(π) = 1, dan is π een eenheid, dus (π) = Z[i] in tegenspraak met Z[i]/(π) = F p. Als N(π) = p 2 dan is N(β) = 1, dus β is een eenheid en dus geldt (π) = (πβ) = (p). Dit is onmogelijk, want Z[i]/(p) is een ring met p 2 elementen (repesentanten van de nevenklassen worden gegeven door a + bi met a, b {0, 1,..., p 1}) terwijl Z[i]/(π) maar p elementen heeft. We concluderen dat N(π) = p. Merk op dat p = N(π) = π π (dus blijkbaar is β = π), waarmee een ontbinding van p gevonden is. De irreducibiliteit van π volgt uit de opmerking dat π = αγ impliceert dat N(π) = p = N(α)N(γ), dus N(α) = 1 of N(γ) = 1, dus α is een eenheid of γ is een eenheid. Geheel analoog bewijst men de irreducibiliteit van π. Tenslotte bewijzen we dat er geen eenheid u is met π = u π. Schrijf π = a + bi en merk op N(π) = p = a 2 + b 2. Stel a + bi = u(a bi) met u Z[i] = {1, i, 1, i}. Als u = 1 of u = 1 dan levert dit a = 0 of b = 0 in tegenspraak met p = a 2 + b 2. Als u = ±i dan volgt a = ±b, hetgeen wederom in strijd is met p = a 2 + b 2. Hiermee is stelling bewezen. Opmerking Het moeilijkste deel van deze stelling, het ontbinden van een priem p 1 mod 4 in Z[i], kan ook op elementaire wijze bewezen worden. In het bijzonder kan het gebruik van stelling in dit bewijs vermeden worden. het elementaire bewijs is niet erg lang, zie D. Zagier: A one-sentence proof that every prime 1 mod 4 is a sum of two squares, The American Mathematical Monthly, Vol. 97, p.144. Gevolg Zij n Z >0, met priemontbinding: n = 2 k p n p nr r q m q ms s, n j, m j Z >0,
200 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 200 hierin zijn p j, q j onderling verschillende priemgetallen met p j 1 mod 4 en q j 3 mod 4. Dan is n te schrijven als som van twee kwadraten precies dan als: m j 0 mod 2, voor alle j {1,... s}. Bewijs. Merk op dat n te schrijven is als de som van twee kwadraten: n = a 2 + b 2 = (a + bi)(a bi) = αᾱ precies dan als er een α Z[i] is met αᾱ = n. Volgens de stelling wordt de priemontbinding van n in Z[i], waarbij we de factor 2 k echter niet ontbinden, gegeven door: n = 2 k (π n 1 1 π n 1 1 )... (π nr r π nr r )q m q ms s. Als n = αᾱ is de priemontbinding van α van de vorm: α = u(1 + i) l (π a 1 1 π b 1 1 )... (π ar r π br r )q c q cs s, met u een eenheid. Dan geldt (merk op dat uū = 1): αᾱ = 2 l p a 1+b p ar+br r q 2c q 2cs s. Hieruit zien we meteen: als n = αᾱ dan geldt: m j = 2c j, dus m j 0 mod 2 j. Omgekeerd, stel alle m j zijn even. We kunnen dan als volgt een α Z[i] vinden met αᾱ = n. Allereerst kiezen we c j := m j, l := k. 2 Voor a j kiezen we een geheel getal tussen 0 en n j : a j {0, 1,..., n j } en b j := n j a j, dus b j is volledig bepaald door de keuze van a j. Voor u kiezen we tenslotte één van de 4 eenheden van Z[i]. Dan hebben we een α met de gewenste eigenschappen. We merken nog op dat we zo 4 r i=1 (n j + 1) mogelijke α s vinden, dit is dus ook precies het aantal elementen van de verzameling: { (a, b) Z 2 : a 2 + b 2 = n }. Hiermee is bewezen.
201 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 201 Voorbeeld Zij n = 41, dan is n een priemgetal dat congruent 1 modulo 4 is, en het is dus de som van twee kwadraten. Er geldt: 41 = = (4 + 5i)(4 5i) = π π, waarbij π = 4 + 5i en π irreducibel zijn in Z[i]. Zij n = 45, dan geldt: 45 = = (1 + 2i)(1 2i)3 2. met 1 ± 2i en 3 irreducibel in Z[i]. Kiezen we α = (1 + 2i)3 = 3 + 6i, dan 45 = αᾱ = Zij n = 65 = Omdat 5 = (1 + 2i)(1 2i) en 13 = (2 + 3i)(2 3i) is de priemontbinding van 65 in Z[i]: Nemen we Nemen we 65 = π 1 π 1 π 2 π 2, met π 1 = 1 + 2i, π 2 = 2 + 3i. α = π 1 π 2 dan α = 4 + 7i en 65 = ( 4) α = π 1 π 2 dan α = 8 + i en 65 = Dit zijn, op tekens en volgorde van a, b na, de enige twee schrijfwijzes van 65 als som van twee kwadraten Euclidische ringen We gaan ons nu bezighouden met een algemene methode om aan te tonen dat bepaalde ringen hoofdideaalringen zijn. Wanneer we onderzoeken hoe we dat gedaan hebben voor de ringen Z en K[X] (K een lichaam) dan zien we dat in beide gevallen een belangrijke rol is gespeeld door de mogelijkheid van deling met rest: stelling in het geval Z, en stelling in het geval K[X]. Ringen waarin zo n deling met rest mogelijk is heten Euclidisch. De precieze definitie luidt als volgt. Definitie Een domein R heet een Euclidische ring als er een functie g : R {0} Z 0 bestaat met de volgende eigenschap: (**) voor alle a, b R met b 0 bestaan er q, r R met a = qb + r r = 0 of g(r) < g(b).
202 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 202 Opmerking Eigenschap (**) drukt de mogelijkheid van deling met rest uit. De functie g wordt gebruikt om tot uitdrukking te kunnen brengen dat de rest r kleiner moet zijn dan het element b waardoor gedeeld wordt. Voor R = Z kan men g(n) = n nemen, en voor R = K[X], met K een lichaam, voldoet g(f) = graad(f). We zien dat we in het algemeen bij g(a) aan iets als de grootte van a moeten denken. Een lichaam K is op triviale wijze een Euclidische ring, als we g(a) = 0 zetten, voor alle a K {0}. Stelling Elke Euclidische ring R is een hoofdideaalring. Bewijs. We weten al dat R een domein is. Laat nu I R een willekeurig ideaal zijn. We moeten bewijzen dat I een hoofdideaal is. In het geval I = {0} is dit duidelijk: dan geldt immers I = R 0. We nemen dus aan dat I {0}. Dan is I {0} niet leeg, dus g[i {0}] is een niet-lege deelverzameling van Z 0. Aangezien iedere niet-lege deelverzameling van Z 0 een kleinste element bevat, kunnen we b I {0} kiezen met We beweren dat geldt g(b) = min {g(x) : x I {0} }. I = Rb. De inclusie is duidelijk, want b I. We bewijzen de inclusie. Laat a I. Omdat R Euclidisch is, zijn er q, r R met a = qb + r, en r = 0 of g(r) < g(b). Als r = 0 dan geldt a = qb Rb, precies wat we willen bewijzen. Als r 0 geldt g(r) < g(b), en bovendien r I, want r = a qb met a, qb I. Dit is in tegenspraak met de minimale keuze van b. We concluderen dat I = Rb, dus I is een hoofdideaal. Hiermee is stelling bewezen Merk op dat het bewijs van deze stelling geheel analoog verloopt aan de bewijzen van (voor R = Z) en (voor R = K[X]). De omkering van geldt niet: er bestaan hoofdideaalringen die niet Euclidisch zijn. Een dergelijk voorbeeld wordt gegeven door de ring R = Z[ 1 2 (1 + 19)], zie opgaven 2 en 3. Stelling De ring Z[i] van getallen van Gauss is een Euclidische ring met g de norm afbeelding: g(a + bi) := N(a + bi) = a 2 + b 2, voor a, b Z. In het bijzonder is Z[i] een hoofdideaalring.
203 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 203 Bewijs. We verifiëren de voorwaarden. We controleren de voorwaarde op g. Laat α, β Z[i], β 0. We moeten γ, ρ Z[i] vinden met α = γβ + ρ en N(ρ) < N(β) (merk op dat N(0) = 0). Deling door β van de gelijkheid laat zien dat α/β = γ + ρ/β en N(ρ) < N(β) betekent dat N(ρ/β) < 1. We kunnen dit interpreteren door te zeggen dat γ een goede benadering, in Z[i], moet zijn van α/β. Deling van de complexe getallen α en β (in C) geeft α β (in feite u, v Q). Kies = u + vi, met u, v R u, v Z met u u 1 2 en v v 1 2. Een goede benadering, in Z[i], van α/β is dan: Defineer vervolgens de rest ρ door: γ = u + v i Z[i]. ρ := α γβ Z[i], dan α = γβ + ρ. Hiermee is een (niet noodzakelijk unieke) manier aangegeven om te delen met rest in Z[i]. Omdat N(α)N(β) = N(αβ) voor alle complexe getallen, volgt de ongelijkheid N(ρ) < N(β) uit N(ρ/β) < 1: N( ρ β ) = N(α β γ) = N( (u u ) + (v v )i ) = (u u ) 2 + (v v ) 2 ( 1 2 )2 + ( 1 2 )2 = 1 2 < 1 Hiermee is bewezen dat Z[i] een Euclidische ring is, en uit stelling volgt dat Z[i] een hoofdideaalring is.
204 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 204 Voorbeeld We voeren de deling met rest uit voor: α = 5 + 6i, β = 2 + i. Om te beginnen delen we deze getallen in C: α β = (5 + 6i)(2 i) (2 + i)(2 i) = i 5 = i Als goede benadering γ nemen we: γ := 3 + i = ρ := α γβ = 5 + 6i (3 + i)(2 + i) = i. De deling met rest is dus: 5 + 6i = (3 + i)(2 + i) + i, en inderdaad N(i) = 1 < 5 = N(2 + i) Het gegeven bewijs van stelling laat zich als volgt meetkundig interpreteren: we hebben nagegaan dat elk complex getal x(= α in het β bewijs) zodanig door een element van Z[i] kan worden benaderd, dat het verschil absolute waarde < 1 heeft. Met andere woorden: de cirkelschijven met straal 1 en met als middelpunten de elementen van Z[i], overdekken samen het hele complexe vlak. De juistheid van deze bewering ziet men direct in aan de hand van een plaatje. Er zijn verscheidene ringen van hetzelfde soort waarvan op precies dezelfde manier bewezen kan worden dat ze Euclidisch zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor de ring Z[ 2], en ook voor de ring Z[ 1(1 + 3)] = 2 {a + 1(1 + 3)b : a, b Z}. Deze laatste ring vormt in het complexe 2 vlak de verzameling hoekpunten van een regelmatige patroon bestaande uit gelijkzijdige driehoeken. Het feit dat deze ring Euclidisch is kan gebruikt worden om de laatste stelling van Fermat voor n = 3 te bewijzen: deze stelling zegt dat er geen x, y, z Z >0 bestaan met x n + y n = z n, als n een geheel getal groter dan 2 is. Fermat beweerde een bewijs hiervoor te hebben, maar het is niet bekend of dat ook echt zo was. Vele wiskundigen en hobbyisten hebben eeuwenlang zonder succes gepoogd de stelling te bewijzen. In juni 1993 kondigde Andrew Wiles aan dat hij, voortbouwend op het werk van een lange rij algebraïci en meetkundigen, daar eindelijk in geslaagd was. In dit eerste bewijs bleek helaas toch nog een fors probleem te zitten, maar ruim een jaar later wist Wiles dit samen met Richard Taylor te omzeilen. Het nu alom geaccepteerde bewijs is verschenen in Annals of Mathematics 142 (1995).
205 12 DE GETALLEN VAN GAUSS De ring Z[ 5] is geen hoofdideaalring, zie opgave 17 op blz. 47, en is daarom zeker niet Euclidisch. De cirkelschijven van straal 1 met de elementen van Z[ 5] als middelpunten overdekken dan ook niet het gehele complexe vlak. Op dezelfde wijze als voor Z[ 5] kan men laten zien dat Z[ 3] geen hoofdideaalring is, dus ook niet Euclidisch. In dit geval blijkt het niet overdekte gedeelte van het complexe vlak uit een stel losse punten te bestaan Ook voor m > 0 zijn er Euclidische ringen van de vorm Z[ m]. De ringen Z[ 2] en Z[ 3] zijn bijvoorbeeld Euclidisch, met ( ) g(α) = N(α), N als in Voor meer voorbeelden zie men de opgaven. De bewijzen zijn steeds analoog aan het bewijs voor Z[i]. Een interessante ring is Z[ 14]: in dit geval voldoet de door ( ) gedefinieerde functie niet aan de eis, maar men vermoedt dat er wel een andere functie g is die aan de eis voldoet. Dit vermoeden is evenwel onbewezen. Het is dus onbekend of Z[ 14] Euclidisch is. Wel weet men dat Z[ 14] een hoofdideaalring is Het Euclidische algoritme In deze paragraaf is R steeds een Euclidische ring In een hoofdideaaldomein (zoals bv. R, zie stelling ) geldt voor elke a, b R dat het ideaal (a, b) := ar + br dat ze voortbrengen een hoofdideaal is. Er is dus een d in R met: (a, b) = (d), i.h.b. geldt : ar + bs = d, voor zekere r, s in R. We noemen d de grootste gemene deler van a en b, we schrijven ggd(a, b) = d. Merk op dat d i.h.a. niet uniek bepaald is, als u R een eenheid is, dan is (d) = (ud) en ook ud is de grootste gemene deler van a en b. Opmerking Een hoofdideaaldomein is ook een ontbindingsdomein, zie In factorontbindingsdomeinen hebben we eerder al een ggd gedefinieerd, zie Opgave 11 laat zien dat de definities overeenstemmen. In een Euclidische ring is er een algoritme, het Euclidische algoritme, waarmee de grootste gemene deler bepaald kan worden.
206 12 DE GETALLEN VAN GAUSS Laat a, b in een Euclidische ring R geven zijn. Neem aan dat g(b) g(a) (verwissel anders a en b). Delen we met rest, dan vinden we q 0, r 1 R zodat: a = q 0 b + r 1 met r 1 = 0 of g(r 1 ) < g(b). Als r 1 = 0, dan is (a, b) = (q 0 b, b) = (b), waarmee de ggd bepaald is, ggd(a, b) = b. I.h.a. geldt, omdat a, b (a, b), dat ook r 1 = a q 0 b (a, b). Er geldt zelfs: (a, b) = (q 0 b + r 1, b) = (b, r 1 ), met g(r 1 ) < g(b) g(a). We hebben dus kleinere voortbrengers b, r 1 van het ideaal (a, b) gevonden. Als r 1 0, dan delen we r 1 op b: Bovendien geldt: b = q 1 r 1 + r 2, met r 2 = 0 of g(r 2 ) < g(r 1 ). (a, b) = (b, r 1 ) = (q 1 r 1 + r 2, r 1 ) = (r 1, r 2 ). Als r 2 0, dan delen we r 2 op r 1 : r 1 = q 2 r 2 + r 3 met r 3 = 0 of g(r 3 ) < g(r 2 ) en (a, b) = (b, r 1 ) = (r 1, r 2 ) = (r 2, r 3 ). Omdat g(r k ) < g(r k 1 ) en g(r k ) Z 0 is er na eindig veel stappen een n met r n 2 = q n 1 r n 1 + r n en r n = 0. Dan geldt: (a, b) = (r n 1, r n ) = (r n 1 ), dus ggd(a, b) = r n 1, waarmee we de ggd van a en b gevonden hebben De elementen r, s R met ar+bs = d zijn nu eenvoudig te bepalen. } a q 0 b = r 1 = b q b q 1 r 1 = r 1 (a q 0 b) = r 2, ofwel ( q 1 )a+(1+q 0 q 1 )b = r 2, 2 waarbij we de eerste vergelijking in de tweede gesubstitueerd hebben. Algemener, als } h i 1 a+ k i 1 b = r i 1 en r h i a+ k i b = r i 1 q i r i = r i+1, i
207 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 207 dan volgt door substitutie: dus (h i 1 q i h i )a + (k i 1 q i k i )b = r i+1, h i+1 = (h i 1 q i h i ), k i+1 = (k i 1 q i k i ) zodat we na een aantal stappen de gewenste schrijfwijze voor de ggd vinden. Een andere manier om de boekhouding te voeren is door te definiëren: r 1 := a, r 0 := b. Vervolgens merk je op dat de vergelijking r i 1 = q i r i + r i+1 equivalent is met: ( ) ( ) ( ) ri 0 1 ri 1 = 1 q i r i r i+1 Door te kijken naar de tweede coördinaat van de vector: ( ) ( ) ( ) ( rn =... r n 1 1 q n 2 1 q n 3 1 q 0 ) ( a b ) vinden we r, s met r n 1 = ra + bs. Omdat d = r n 1 hebben we dus de gezochte schrijfwijze voor de ggd gevonden. Voorbeeld We bepalen met het algoritme de ggd van 84 en 30 in de euclidische ring Z (dus g(n) = n ). Merk op: 84 = , 30 = , 24 = , dus (84, 30) = (30, 24) = (24, 6) = (6) en ggd(84, 30) = 6. Verder geldt: 24 = , = 6 = 30 1 ( ) = ( 1) = 6, zodat we r = 1 en s = 3 kunnen nemen. Voorbeeld We gebruiken het Euclidische algoritme om de inverse van een element in een enkelvoudige uitbreiding te berekenen. We doen dit aan de hand van een voorbeeld, zie ook Zij f = X 3 + X 2 1 Q[X], dan is f irreducibel omdat hij geen nulpunt in Z en dus ook niet in Q heeft. Zij K := Q[X]/(f), α := X + (f).
208 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 208 Dan is K = Q[α] een lichaam en elk element van K kan op unieke wijze geschreven worden als We bepalen de inverse van a 0 + a 1 α + a 2 α 2, a i Q. b(α) = 1 + α 2, met b = X ( Q[X]). Omdat Q[X] een hoofdideaalring is en f irreducibel is met gr(f) > gr(b), is ggd(f, b)= 1. Er zijn dus r, s Q[X] met fr + sb = 1 ( Q[X]) dus s(α)(α 2 + 1) = 1 ( K = Q[X]/(f)), immers f(α) = 0. Dus s(α) is de inverse van b(α) = α Omdat Q[X] een Euclidische ring is (met g(f) = gr(f)) kunnen we s met het Euclidische algoritme bepalen. Er geldt: X 3 +X 2 1 = (X+1)(X 2 +1)+( X 2), dus q 0 = X+1, r 1 = (X+2). Verder is: X = ( X + 2)( X 2) + 5, dus q 1 = X + 2, r 2 = 5. Omdat 5 een eenheid in Q[X] is, geldt inderdaad dat ggd(f, b) = 1. Deze vergelijkingen kunnen we herschrijven als: X 2 = f (X + 1)b, 5 = b + (X 2)( X 2). Door de eerste vergelijking in de tweede te substitueren komt er: 5 = b + (X 2) (f (X + 1)b) = (X 2)f + (1 (X 2)(X + 1)) b. Dit kunnen we schrijven als: rf + sb = 1 met r = 1 5 (X 2), s = 1 5 (3 + X X2 ). Substitueren we X := α in deze vergelijking dan zien we dat: (α 2 + 1) 1 = 1 5 (3 + α α2 ).
209 12 DE GETALLEN VAN GAUSS Opgaven 1. Zij γ = 1 2 (1 + 19), en R = Z[γ] = {a + bγ : a, b Z} C. Definieer N : R Z 0, N(a + bγ) := a 2 + ab + 5b 2. a. Bewijs dat γ 2 = γ 5, en dat R een deelring van C is. b. Bewijs: N(αβ) = N(α)N(β) voor alle α, β R. c. Laat α R. Bewijs: dus R = {1, 1}. α R N(α) = 1 α {±1}, d. Bewijs dat er geen surjectieve ringhomomorfismen ϕ : R F 2 of ϕ : R F 3 bestaan (aanwijzing: gebruik γ 2 = γ 5, en kijk waar ϕ(γ) aan gelijk zou kunnen zijn). 2. Laat R = Z[γ] zijn als in de vorige opgave. Stel dat g : R {0} Z 0 voldoet aan de voorwaarde uit , en kies b R {0, 1, 1} met g(b) zo klein mogelijk. a. Bewijs dat b geen eenheid is, en dat geldt: a R : r {0, 1, 1} : a r mod Rb. b. Bewijs: R/Rb = { 0, 1, 1}, met r = (r + Rb). Leid hieruit af, dat R/Rb = F 2 of F 3. c. Leid met behulp van opgave 1 (d) een tegenspraak af. Conclusie van dit vraagstuk: zo n g bestaat niet, dus R is niet Euclidisch. 3. Laten R en N als in opgave 1 zijn. Als a, b R, b 0, laten we dan zeggen dat de deling met rest mogelijk is voor het paar (a, b), als er q, r R bestaan met a = qb + r en N(r) < N(b). a. Stel dat (a, b) een paar elementen van R is, met b 0, waarvoor de deling met rest niet mogelijk is. Bewijs dat de deling met rest dan wel mogelijk is voor (2a, b), en ook voor een van beide paren (γa, b), ((1 γ)a, b). (Aanwijzing: teken een plaatje).
210 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 210 b. Bewijs: R2 + Rγ = R, R2 + R(1 γ) = R. c. Bewijs dat R een hoofdideaalring is (aanwijzing: imiteer het bewijs van , gebruik makend van a. i.p.v. de eis van ). 4. Definieer ϕ : Z[i] F 13 door ϕ(a + bi) = ((a + 5b) mod 13). Bewijs dat ϕ een homomorfisme is, en dat ker(ϕ) wordt voortgebracht door 13 en i 5. Vind één voortbrenger voor ker(ϕ). 5. Bereken ggd(4 + 7i, 7 9i) in Z[i], en ontbind 4 + 7i en 7 9i in Z[i] in irreducibele factoren. 6. Zij n = a 2 + b 2. Bepaal p, q in termen van a en b zodat 2n = p 2 + q 2. Bepaal ook r, s zodat 5n = r 2 + s Bewijs dat de ringen Z[ m], m = 2, 2, 3, Euclidisch zijn, met g(α) = N(α). 8. Laat zien dat de ringen Z[ 1 2 (1 + m)], m = 11, 7, 3, 5, 13, Euclidisch zijn met g(a (1 + m)b) = a 2 + ab m 1 b 2. 4 (Hint: ga na dat g(x + y m) = (x + y m)(x y m) als x, y Q.) 9. Laat R = {a/b Q : a, b Z, b oneven }. Dit is een deelring van Q. a. Bepaal R. b. Bewijs dat elke x R, x 0, een eenduidige schrijfwijze x = 2 k u heeft, met k Z 0, u R. c. Laat zien dat de functie g : R {0} Z 0, g(x) = k als x = 2 k u, met x als in b, de ring R tot een Euclidische ring maakt. d. Laat zien dat 2, op eenheden na, het enige irreducibele element van R is. Is 2R een priemideaal van R? i=0 10. De ring R[[X]] van formele machtreeksen over een ring R bestaat uit alle uitdrukkingen a i X i met a i R. De optelling en vermenigvuldiging zijn de voor machtreeksen gebruikelijke.
211 12 DE GETALLEN VAN GAUSS 211 a. Laat f = a i X i R[[X]], en stel dat R een 1 heeft. Bewijs: i=0 f R[[X]] a 0 R. b. Stel dat R een lichaam is. Definieer door g : R[[X]] {0} Z 0 g( a i X i ) = min {i : a i 0}. i=0 Bewijs dat deze functie de ring R[[X]] tot een Euclidische ring maakt. 11. Zij R een hoofdideaaldomein, zij a, b R met priemontbinding: a = up n p nr r, b = vp m p nr r, n i, m i Z 0. Definieer d R als in definitie 5.4.4: d := p k p kr r, met k i := min {n i, m i }. Bewijs dat (a, b) = (d) (hint: bekijk het bewijs van stelling 5.3.7).
212 13 PROJECTIEVE MODULEN Projectieve Modulen 13.1 Quotiënten van modulen Zoals bekend is iedere ondergroep N van een abelse groep M een normale ondergroep, en dus bestaat er een quotientgroep M/N. Als M, N bovendien modulen over een ring R zijn, dan is er in het algemeen geen natuurlijke manier (d.w.z. een manier die R-moduul structuur van M en N gebruikt) om een R-moduulstructuur op M/N te zetten. In geval N een deelmoduul van M is kan dat echter wel, zoals we nu zullen zien Zij N een deelmoduul van een R-moduul M. We definiëren een actie van R op de abelse groep door het volgende voorschrift: M/N = { m = m + N M : m M} R M/N M/N, (r, m + N) rm + N. We moeten uiteraard eerst laten zien dat dit een goed gedefinieerde afbeelding R M/N M/N is, d.w.z. : als m 1 + N = m 2 + N dan rm 1 + N = rm 2 + N. Welnu, omdat geldt: m 1 + N = m 2 + N = m 1 m 2 N, en rn N (N is immers een deelmoduul van M) volgt: m 1 m 2 N = r(m 1 m 2 ) = rm 1 rm 2 N, en dit is equivalent met rm 1 + N = rm 2 + N. We concluderen dat m 1 + N = m 2 + N rm 1 + N = rm 2 + N. Men rekent eenvoudig na dat de gegeven afbeelding inderdaad aan de axioma s voor een actie voldoet. We schrijven overigens gewoon M/N voor het R-moduul bestaande uit de abelse groep M/N en bovenstaande actie. Men noemt het R-moduul M/N het quotient van M door N Voorbeelden.
213 13 PROJECTIEVE MODULEN 213 a. Zij R = K, een lichaam en zij V K n een lineaire deelruimte. Dan heeft de abelse groep K n /V dus op natuurlijke wijze de structuur van een lineaire ruimte over K. We kunnen dit explicieter maken door een (nieuwe) basis f 1,..., f n van K n te kiezen zodat: V :=< f 1, f 2,..., f k > d.w.z. n V = { x ifi K n : x i = 0 als k < i n}. i=1 (dat kan door eerst een basis van V te kiezen en deze dan uit te breiden tot een basis van K n ). Definieer: W :=< f k+1,... f n >, dan is K n = V W. Iedere x K n is dus op unieke wijze te schrijven als x = v + w met v V, w W. I.h.b. geldt x V precies dan dan als w = 0. Zij dan: x 1 = v 1 + w 1, x 2 = v 2 + w 2 dan geldt : x 1 + V = x 2 + V x 1 x 2 V w 1 = w 2. Er geldt dus: en K n /V = { w + V K n : w W }, w 1 + V = w 2 + V w 1 = w 2. Iedere nevenklasse x+v met x = v + w kan dan, op unieke wijze, geschreven worden als: x + V = w + V met w W. De lineaire ruimte K n /V wordt op deze wijze geïdentificeerd met de lineaire ruimte W, precieser, de afbeelding f : K n /V W, w + V w is een isomorfisme van lineaire ruimten over K. Merk op dat er vele keuzes voor W zijn, maar elke keuze geeft een lineaire ruimte die isomorf is met K n k. b. Als G een abelse groep is en H een ondergroep van G is, dan is G/H weer een abelse groep en is dus ook een Z-moduul. De actie van Z die we op de abelse groep G/H definieerden is inderdaad precies de actie van Z die we op het quotiënt G/H definieerden.
214 13 PROJECTIEVE MODULEN 214 c. Als R een ring is en I R is een ideaal, dan is I een deelmoduul van het R-moduul R. De R-moduul structuur op het quotient R/I is dezelfde als die uit (ga na). Stelling Zij f : M N een R-moduulhomomorfisme. Dan geldt: a. Het R-moduulhomomorfisme f induceert een R- moduulisomorfisme M/ker(f) = im(f), m + ker(f) f(m). b. Zij K M een deelmoduul, dan is de kanonieke afbeelding φ : M M/K, m m + K een (surjectief) R-moduulhomomorfisme met ker(φ) = K. c. Als g : N P een R-moduulhomomorfisme is, dan is ook de samenstelling g f : M P een R-moduulhomomorfisme: g f : M f N g P. We schrijven meestal gf voor de samenstelling g f. Bewijs. De eerste twee uitspraken zijn al bewezen voor het speciale geval M = R en ker(f) = K = I, een ideaal in R, in het hoofdstuk over ringen en de voorbeelden hierboven. Het algemene bewijs wordt aan de lezer overgelaten. De laatste uitspraak volgt direkt uit de definitie Homomorfismen van R-modulen De volgende terminologie wordt veel gebruikt voor R- moduulhomomorfismen (niet alleen in de algebra, maar ook bv. ook in de topologie). Een rij van R-moduulhomomorfismen heet exact in N als geldt:... M f N im(f) = ker(g). g P...
215 13 PROJECTIEVE MODULEN Speciale gevallen zijn: 0 N g P is exact dan en slechts dan als g injectief is, immers, het beeld van de linkerpijl is 0 N, dus de rij is exact (in N) precies dan als 0 = ker(g) d.w.z. als g injectief is. De rij M f N 0 is exact dan en slechts dan als f surjectief is, immers, de kern van de rechterpijl is het hele moduul N, dus de rij is exact (in N) precies dan als im(f) = N d.w.z. als f surjectief is. Tenslotte bekijken we de rij: 0 M f N g P 0. Deze noemen we exact als hij bij elk van de drie modulen M, N, P exact is. In dat geval is dus f injectief, we kunnen dan M identificeren met het deelmoduul im(f) van N. Verder is g surjectief en er geldt ker(g) = im(f) = M, dus (zie 6.2.3), f : M = im(f) N, im(f) = ker(g), N/im(f) = P. Op identificaties (d.w.z. R-moduulisomorfismen) na is zo n exact rijtje dus altijd van de vorm: 0 ker(g) N g N/ker(g) De verzameling van de (links-)r-moduulhomomorfismen van M naar N wordt aangegeven met: Hom(M, N) = {f : M N : f is een R moduulhomomorfisme}. Als men de ring R wil benadrukken schrijft men ook wel Hom R (M, N). Deze verzameling is op natuurlijke wijze een abelse groep, met de regel: (f + g)(m) := f(m) + g(m) (f, g Hom(M, N), m M). Men schrijft vaak Hom(M, M) = End(M), de ring van de R- moduulendomorfismen van M. (Het product in deze ring is het samenstellen van afbeeldingen: fg = f g.)
216 13 PROJECTIEVE MODULEN Als R commutatief is, dan vormt Hom(M, N) zelfs een R-moduul, de actie van R wordt gegeven door: (rf)(m) := rf(m), (f Hom(M, N), m M, r R). De commutativiteit van R is essentieel, er moet namelijk gelden dat rf Hom(M, N) dus i.h.b. moet rf R-lineair zijn. Merk op: (rf)(sm) := rf(sm) = rsf(m), de laatste stap wegens het R-lineair zijn van f Hom(M, N). Als R commutatief is, dan kunnen we hiervoor schrijven srf(m), d.w.z. dan geldt (rf)(sm) = s(rf)(m) zodat (rf) inderdaad R-lineair is. Ga zelf na dat Hom(M, N) een R moduul is als R commutatief is In de rest van deze paragraaf nemen we steeds aan dat R commutatief is. (De meeste resultaten die we bewijzen zijn ook juist voor nietcommutatieve ringen als je Hom(M, N) alleen als abelse groep beschouwt.) Voorbeelden a. Zij K een lichaam, en neem M = N = K n. Dan geldt: End(K n ) := Hom(K n, K n ) = M(n, K), hierbij beschouwen we M(n, K) als een K-moduul door matrices op de gebruikelijke wijze op te tellen (d.w.z. componentsgewijs) en met een scalar te vermenigvuldigen. Een α Hom(K n, K n ) is nl., per definitie, een K-lineaire afbeelding. b. Zij R een ring en zij M een R-moduul. Dan geldt dat Φ 1 : Hom(R, M) = M, f f(1), een isomorfismen van R-modulen is. De injectiviteit van Φ 1 volgt uit f(r) = rf(1). Als nl. Φ 1 (f) := f(1) = 0 dan geldt f(r) = rf(1) = r0 = 0 voor elke r R zodat f = 0. Voor de surjectiviteit merken we op dat voor elke m M: f m : R M f m (r) := rm,
217 13 PROJECTIEVE MODULEN 217 een R-moduulhomomorfisme is (ga na), en er geldt Φ 1 (f m ) = m. Rest ons nog te bewijzen dat Φ 1 een R-moduulhomomorfisme is. Welnu, Φ 1 (f + g) := (f + g)(1) := f(1) + g(1) = Φ 1 (f) + Φ 1 (g), Φ 1 (rf) := rf(1) = rφ 1 (f), waarmee de uitspraak bewezen is. c. Voor elke n Z >1 geldt: Hom Z (Z/nZ, Z) = 0. Als f : Z/nZ Z namelijk Z-lineair is dan geldt: 0 = f( 0) = f( n) = f(n 1) = nf( 1), en in Z geldt dat n 0 en nf( 1) = 0 impliceert dat f( 1) = 0. Maar dan geldt f(ā) = af( 1) = a0 = 0 voor elke ā Z/nZ waarmee bewezen is dat f = 0. In woorden: elk element in Z/nZ heeft eindige orde en het beeld onder f heeft dus eindige orde. Maar dan is het beeld 0 omdat 0 het enige element van eindige orde in Z is Hom en exactheid In deze paragraaf is R steeds een commutatieve ring Als A een R-moduul is, en f Hom(M, N), dan kunnen we ieder R-moduulhomomorfisme φ : A M samenstellen met f : M N tot een R-moduulhomomorfisme: f (φ) = f φ : A N: M f φ f (φ) A N met f : Hom(A, M) Hom(A, N), φ f φ. Een andere, suggestieve, schrijfwijze voor f is Hom(A, f). Men rekent met de definities eenvoudig na dat f een R- moduulhomomorfisme is, d.w.z. ga na dat geldt: f (φ + ψ) = f (φ) + f (ψ), f (rφ) = rf (φ), voor alle φ, ψ Hom(A, M) en alle r R.
218 13 PROJECTIEVE MODULEN Een interessant probleem is het volgende. Stel dat f : M N surjectief is, is dan ook f : Hom(A, M) Hom(A, N) surjectief? (Dezelfde vraag met injectief i.p.v. surjectief kan positief beantwoord worden, zie stelling Als f niet surjectief is, dan is f niet surjectief als A = R, zie opgave 1). We laten eerst zien dat f niet noodzakelijk surjectief is als f surjectief is. De R-modulen A met de eigenschap: f : M N surjectief = f : Hom(A, M) Hom(A, N) surjectief blijken nog vele andere interessante eigenschappen te hebben, zie ook Voorbeeld. We beschouwen: Z f h id Z/nZ Z/nZ Z/nZ met f : Z Z/nZ, a a + nz. Als de afbeelding f surjectief is, dan moeten we h : Z/nZ Z kunnen vinden met f h = id Z/nZ. Er geldt echter: Hom(Z/nZ, Z) = 0, zie , dus moet gelden h = 0. Omdat f (0) = 0 id Z/nZ is f niet surjectief Voorbeeld. We laten zien: als A = R en f : M N is een surjectief R-moduulhomomorfisme, dan is ook f : Hom(R, M) Hom(R, N) surjectief. f M h R Zij dan h Hom(R, N), we zoeken een h Hom(R, M) met f (h) = f h = h. Omdat f surjectief is, is er een m M met f(m) = h(1), definieer dan h : R M, h(r) := rm. Dan geldt: h Hom(R, M) (zie ) en bovendien: (f h)(r) := f h(r) = f(rm) = rf(m) = rh(1) = h(r), voor elke r R, zodat inderdaad f h = h. N h
219 13 PROJECTIEVE MODULEN 219 Stelling Zij R een ring en zij 0 M f N een exacte rij van R-modulen. Dan geldt voor ieder R-moduul A dat: g P 0 Hom(A, M) f Hom(A, N) g Hom(A, P ) een exacte rij van R-modulen is (men zegt wel dat Hom(A,-) links-exact is). In het bijzonder geldt: als f : M N injectief is, dan is ook f : Hom(A, M) Hom(A, N) injectief. Bewijs. Zij een exact rijtje en een R-moduul A gegeven. We bewijzen eerst dat f injectief is, d.w.z. dat het tweede rijtje exact is in Hom(A, M). Zij φ Hom(A, M), φ 0 gegeven. Dan is er een a A met φ(a) 0. Omdat φ(a) M en f : M N injectief is, geldt dan (f φ)(a) := f(φ(a)) 0, d.w.z. dat f φ 0. Hiermee is bewezen dat f injectief is. Om de exactheid in Hom(A, N) te bewijzen, moeten we laten zien dat im(f ) = ker(g ). Elk element ψ im(f ) is te schrijven als ψ = f φ voor zekere φ Hom(A, M). Voor elke a A geldt dan dat ψ(a) = fφ(a) im(f). Er geldt im(f) = Ker(g), wegens exactheid van de eerste rij. Maar dan is gψ(a) = 0 voor alle a A dus g ψ = 0. Hiermee is aangetoond dat im(f ) ker(g ). Zij ψ Hom(A, N) met g ψ = 0, dan moeten we een φ Hom(A, M) construeren met f φ = ψ. Omdat g ψ = 0 geldt voor elke a A dat gψ(a) = 0, d.w.z. dat ψ(a) ker(g) voor elke a A. Omdat de eerste rij exact is, geldt ker(g) = im(f). Omdat f bovendien injectief is, geldt f : M = im(f), dus bestaat er een R-moduulisomorfisme: M h im(f) ( N), en fh = id im(f). Definieer nu φ := h ψ : A M, dus φ Hom(A, M). Omdat im(ψ) im(f), het domein van h, is de samenstelling h ψ goed gedefinieerd. Dan geldt voor alle a A: (f φ)(a) := fφ(a) = fhψ(a) = ψ(a), dus f φ = ψ, waarbij we gebruikten dat ψ(a) ker(g) = im(f) en fh = id im(h). Hiermee is aangetoond dat ker(g ) im(f ). We hebben nu de exactheid van de tweede rij bewezen en daarmee is ook de stelling bewezen.
220 13 PROJECTIEVE MODULEN Eigenschappen van projectieve modulen In hebben gezien dat Hom(A, ) in het algemeen niet exact is, d.w.z. exacte rijtjes gaan niet altijd over in exacte rijtjes. In paragraaf 6.3 hebben we modulen M, N gezien die niet vrij zijn, maar waarvoor toch M N een vrij moduul is (in voorbeeld was zelfs M = N). In deze paragraaf definiëren we het begrip projectief moduul (definitie ) en we bewijzen dat Hom(P, ) exact is precies dan als P projectief is (zie stelling ). Vervolgens bewijzen we dat P projectief is precies dan als een Q bestaat met P Q = F met F een vrij moduul (zie stelling ) (!). Overigens hebben projectieve modulen nog meer fraaie eigenschappen, maar daar kunnen hier helaas niet op in gaan. Definitie Een R moduul P heet projectief als voor elk surjectief R-moduulhomomorfisme M f N en voor elk R-moduulhomomorfisme h : P N: M f N 0 h P er een R-moduul homomorfisme h : P M bestaat M f N 0 h P h zodat f h = h. We beginnen met drie lemma s, , en , die in de bewijzen van de stellingen gebruikt zullen worden. Lemma Zij F een vrij R-moduul. Dan is F een projectief R-moduul. Bewijs. Volgens de definitie van vrij moduul geldt: F = i I R. Zij nu M f N 0 en h : F N gegeven, dan moeten we een h construeren. Zij n i := h(e i ), kies nu m i M met f(m i ) = n i, deze m i bestaan omdat f surjectief is. Omdat h een R-moduulhomomorfisme is, geldt h( x i e i ) = x i h(e i ) = x i n i.
221 13 PROJECTIEVE MODULEN 221 Vervolgens definiëren we: h : F M, x i e i i I i I x i m i, men rekent eenvoudig na dat h een R-moduulhomomorfisme is en dat inderdaad geldt: f h = h. Hiermee is het lemma bewezen. Lemma Zij R een ring en laat M, N twee R-modulen zijn. Stel er zijn R-moduulhomomorfismen: M f N, en M g N z.d.d. f g = id N merk op dat f surjectief moet zijn (men zegt dan wel dat g het rijtje M f N 0 splijt). Dan geldt: M = im(g) ker(f), en im(g) = N. Bewijs. We bewijzen dat im(g) ker(f) = {0} en dat im(g)+ker(f) = M. Hieruit volgt direkt dat de afbeelding im(g) ker(f) M, (a, b) a + b een isomorfisme van R-modulen is (ga na). We bewijzen eerst im(g) ker(f) = {0}. Zij x im(g) ker(f), dan: } n N : g(n) = x = n = fg(n) = f(x) = 0, f(x) = 0 en dus x = g(n) = g(0) = 0. Zij nu m M, dan is: bovendien geldt: gf(m) im(g) en m = gf(m) + (m gf(m)), f(m gf(m)) = f(m) fgf(m) = f(m) f(m) = 0 dus m gf(m) ker(f). Elke m M is dus als som van een element gf(m) im(g) en een element m gf(m) ker(f) te schrijven. Hiermee is het lemma bewezen.
222 13 PROJECTIEVE MODULEN 222 Lemma Zij P een projectief R-moduul en zij M f P 0 een surjectief homomorfisme van R-modulen. Dan geldt: M = P ker(f). Bewijs. We gebruiken de definitie van projectief R-moduul, met N = P en h = id P : P P = N om een h : P M te vinden: M f P 0 h = P en er geldt f h = h = id P, (de existentie van h volgt uit de het projectief zijn van P. In het bijzonder splijt h het exacte rijtje N f P 0. Dit lemma volgt dan uit lemma Stelling Zij P een projectief R-moduul dan is Hom(P, ) rechtsexact: d.w.z. als A f B g C 0 een exacte rij van R-modulen is, dan is Hom(P, A) f Hom(P, B) g Hom(P, C) 0 ook een exacte rij van R modulen. Bovendien geldt: als een R-moduul A niet projectief is, dan is Hom(A, ) niet rechtsexact. Een R-moduul is dus projectief precies dan als Hom(P, ) rechtsexact is. Bewijs. Zij een exact rijtje en een projectief moduul P gegeven. We bewijzen eerst dat g surjectief is, d.w.z. dat het tweede rijtje exact is in Hom(P, C). Dit volgt onmiddellijk uit de definitie van projectief, zij immers h Hom(P, C) gegeven. Dan is er een h Hom(P, C) met f h = h. Hier staat precies dat f h = h, waarmee de surjectiviteit bewezen is. Om de exactheid in Hom(P, B) te bewijzen, moeten we laten zien dat im(f ) = ker(g ). Elk element in ψ im(f ) is te schrijven als ψ = f φ voor zekere φ Hom(P, A). Voor elke x P geldt dan ψ(x) = fφ(x) im(f). Omdat de eerste rij exact is geldt im(f) = ker(g). Dan is gψ(x) = 0 voor elke x P, dus g ψ = 0. Hiermee is aangetoond dat im(f ) ker(g ).
223 13 PROJECTIEVE MODULEN 223 Zij ψ Hom(P, B), met g ψ = 0. Dan moeten we een φ Hom(P, A) construeren met f φ = ψ. De conditie g ψ = 0 is equivalent met: im(ψ) ker(g) = im(f), en A f im(f) 0 is een exacte rij. We kunnen ψ dus zien als een R-moduulhomomorfisme ψ : P im(f). De definitie van projectief (met h := ψ, en M := A, N := im(f)) impliceert dat er een φ : P A bestaat (φ := h) met fφ = ψ, dus er geldt f φ = ψ. Hiermee is ker(g ) im(f ) bewezen. Tenslotte bewijzen we de laatste uitspraak. Als A niet projectief is, dan is er een exact rijtje R-modulen M f N 0 en een h Hom(A, M) zodat er géén h Hom(A, N) bestaat met f h = h. Dat betekent dat Hom(A, ), toegepast op de exacte rij: ker(f) M f N 0 een rijtje geeft met f : Hom(A, M) Hom(A, N) niet surjectief. Dan is dus Hom(A, ) niet rechts-exact. Stelling Zij R een ring en zij P een R-moduul. Dan geldt: P is een projectief R-moduul dan en slechts dan als er is een R-moduul Q met P Q = F, met F een vrij R-moduul. Bewijs. Stel F = P Q met F een vrij R-moduul. Zij gegeven M f N 0 h P. We moeten een k construeren met f h = h. Definieer eerst g : F = P Q N, g(p, q) := h(p) (p P, q Q). Dan is g P = h. Omdat F projectief is, zie , is er een g met M f N 0 g g P Q = F zodat f g = g. Definieer nu h := g P. Dan volgt f h = h uit f g = g door restrictie tot P. Zij P een projectief R-moduul. We construeren eerst een vrij R-moduul F door P als indexverzameling te nemen: F := R. p P
224 13 PROJECTIEVE MODULEN 224 Definieer nu: f : F P, x p e p x p p. p P p P Dan is f een R-moduulhomomorfisme en f is uiteraard surjectief want f(e p ) = p bij constructie (!). Uit stelling volgt dan dat F = P ker(f), dus voor Q kunnen we ker(f) nemen. Hiermee is stelling bewezen.
225 13 PROJECTIEVE MODULEN Opgaven 1. Zij R een commutatieve (unitaire) ring en zij f : M N een niet surjectief R-moduulhomomorfisme. Bewijs dat f : Hom(R, M) Hom(R, N) niet surjectief is. 2. Zij R een commutatieve ring en laat M, N, P, Q R-modulen zijn. Geef R-moduulisomorfismen: Hom(M N, P ) = Hom(M, P ) Hom(N, P ), Hom(M, P Q) = Hom(M, P ) Hom(M, Q). 3. Zij R een commutatieve ring en laat I, J idealen in R zijn met I + J = R. Bewijs dat het R-moduul Hom(R/I, R/J) = 0. Concludeer dat de R = R[X]-modulen R/(X a) en R/(X b) niet isomorf zijn als a b. 4. Zij R een commutatieve ring en zij I R een ideaal. Bewijs: R/I is een projectief R-moduul dan en slchts dan als er is een ideaal J R is met R = R/I R/J. (Aanwijzing: stel g splijt de kanonieke afbeelding R R/I, bekijk g(r/i) R.) 5. Bewijs dat het ideaal I = (X, Y ) R[X, Y ] geen projectief R-moduul is. (Aanwijzing: stel φ splijt de surjectie R R I, (f, g) fx + gy, bekijk dan φ(xy ) R R. 6. Zij M een projectief moduul over de commututatieve ring R. Bewijs dat Hom(M, R) ook een projectief R-moduul is. (Men noemt dit R-moduul wel de duale van M).
226 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN Cyclotomische lichamen 14.1 De kwadratische reciprociteitswet In deze paragraaf zijn p, q Z >0 steeds priemgetallen De kwadratische reciprociteiswet stelt ons in staat om snel te bepalen of het polynoom X 2 a een nulpunt in F p heeft. Om de reciprociteitswet te bewijzen gebruiken we eenheidswortels, waarmee we handig kunnen rekenen en die via Gauss-sommen in verband staan met nulpunten van de vergelijking X 2 a. Definitie Laat p een oneven priemgetal zijn en zij a Z. Dan is het Legendre-symbool ( a p) { 1, 0, 1} gedefinieerd door: ) = 0 a is deelbaar door p, ( a p ( a ) p = 1 x Z : x 0 mod p en x 2 a mod p, ( a ) p = 1 x Z : x 2 a mod p. In het bijzonder geldt: het polynoom X 2 a heeft een nulpunt in F p Voorbeeld In F 11 geldt: d.e.s.d.a. ( a ) p = +1 of 0. (±1) 2 = 1, (±2) 2 = 4, (±3) 3 = 9, (±4) 2 = 5, (±5) 2 = 3, en met de definitie van het Legendre-symbool volgt dan: ( ) a = 1 als a 1, 3, 4, 5, 9 mod De andere 10/2 = 5 elementen van F 11 zijn geen kwadraat: ( ) a = 1 als a 2, 6, 7, 8, 10 mod Stelling Zij a Z. Identificeren we 1, 0, 1 Z met 1, 0, 1 F p dan geldt: ( ) a = ā p 1 2 ( F p ). p Verder geldt voor alle n, m Z: ( ) ( )( ) nm n m =. p p p
227 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN 227 Bewijs. Als ā = 0 F p, dan is ( ) p 1 a p = 0 en ā 2 = 0, zodat de eerste uitspraak dan juist is. Als ā 0 dan geldt ā p 1 = 1 omdat F p een groep met p 1 elementen is. Daarom is ā p 1 2 een nulpunt van de vergelijking X 2 1 = 0 en dus ā p 1 2 { 1, 1}, omdat dit enige nulpunten van X 2 1 in het lichaam F p zijn. Daarom kunnen we definiëren: ɛ : F p { 1, 1} x x p 1 2. Merk op dat ɛ een homomorfisme van (vermenigvuldigings)groepen is. Omdat F p een cyclische groep is, zie 9.4.2, is er een y F p met y p Dus is ɛ surjectief en i.h.b. geldt #ker(ɛ) = p 1. 2 Als ā = x 2 voor zekere x F p, x 0, dan geldt ā p 1 2 = x p 1 = 1, dus ā ker(ɛ). Omdat ā 2 = b 2 equivalent is met ā = ± b, vinden we zo p 1 2 elementen in ker(ɛ). Omdat #ker(ɛ) = p 1 geldt dus: 2 ker(ɛ) = { ā F p : ā = x 2 voor zekere x F p }. Hieruit volgt dan dat ɛ( b) = 1 als b niet een kwadraat modulo p is, dus: ( ) a = ɛ(ā), p voor alle a Z met ā 0 F p. Hiermee is de eerste bewering bewezen. De tweede bewering is gemakkelijk te bewijzen als als n = 0 of m = 0, beide zijden zijn dan immers 0. In de andere gevallen gebruiken we dat het Legendre-symbool met het homomorfisme ɛ overeenstemt, zoals we zojuist opmerkten. Hiermee is de stelling bewezen. Voorbeeld In F 11 geldt: 2 5 = 32 = 1, 3 5 = 27 9 = 5 9 = 1, 5 5 = = 4 3 = 1, waaruit volgt dat 2 géén kwadraat modulo 11 is, en dat 3 en 5 wél kwadraten modulo 11 zijn, zie ook het vorige voorbeeld. Het is niet moeilijk om ( 1) p 1 2 te berekenen voor oneven priemgetallen p. (als p = 2, dan is 1 = 1 = 1 2 in F 2 ). We kunnen p schrijven als p = 4k+1 of als p = 4k + 3. Dan geldt: ( 1) p 1 2 = 1 als p = 4k + 1, ( 1) p 1 2 = 1 als p = 4k + 3. De vergelijking X heeft dus een oplossing in F p, met p oneven precies dan als p 1 mod 4 (als p = 2, dan is X = (X + 1) 2 in F 2, dus 1 is een nulpunt).
228 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN Een element ζ K, met K een lichaam, noemen we een primitieve p-de eenheidswortel als geldt: ζ p = 1, ζ 1. De primitieve p-de eenheidswortels zijn dus nulpunten van Φ p := (X p 1)/(X 1) K[X]. Omdat K i.h.b. een domein is, zijn er hoogstens p 1 verschillende primitieve p-de eenheidswortels in K. Pas overigens op: het is zeker mogelijk dat 1 een nulpunt is van Φ p ; bijvoorbeeld voor K = F p is dit het geval. Als kar(k) p, dan is (X p 1) = px p 1 0, dus zijn alle nulpunten van X p 1 en van Φ p onderling verschillend. In het bijzonder is dan ook ieder nulpunt van Φ p een primitieve p-de eenheidswortel. Er is dan een eindige uitbreiding L van K met een primitieve p-de eenheidswortel ζ L, neem bijvoorbeeld L = Ω Xp 1 K. Als kar(k) = p, dan is X p 1 = (X 1) p, dus zijn er geen primitieve p-de eenheidswortels in K en ook niet in een uitbreiding van K. Voorbeeld Als kar(k) 2 dan is 1 de enige primitieve 2-de eenheidswortel. Als K = C dan zijn de primitieve p-de eenheidswortels precies de p 1 (verschillende) complexe getallen: ζ k p (1 k p 1), met ζ p := cos 2π p + i sin 2π p. I.h.b. zijn 1±i 3 2 de twee primitieve 3-de eenheidswortels. Voorbeeld De primitieve 3-de eenheidswortels in F 7 zijn 2 en 4 want 2 3 = 8 = 1, 4 3 = 64 = 1. Merk op dat F 25 = F5 [X]/(X 2 2), omdat X 2 2 geen nulpunten heeft in F 5, zie bijvoorbeeld opgave 19 in het hoofdstuk over eindige lichamen. Ieder element van F 25 is dan te schrijven als a + bα met a, b F 5 en α 2 = 2. De primitieve 3-de eenheidswortels zijn dan 3( 1 ± α), immers: (3( 1 + α)) 3 = 2( 1 + 3α 3α 2 + α 3 ) = 2( 1 + 3α 1 + 2α) = 1, en analoog voor 3( 1 α) We zullen primitieve p-de eenheidswortels later nog uitvoeriger onderzoeken. We geven nu een verband tussen eenheidswortels en oplossingen van kwadratische vergelijkingen door de Gauss-som in te voeren. Omdat het rekenen met eenheidswortels betrekkelijk eenvoudig is, verkrijgen we zo informatie over kwadratische vergelijkingen.
229 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN 229 Definitie Zij K een lichaam met kar(k) p en zij ζ K een primitieve p-de eenheidswortel. Voor x Z/pZ = F p definiëren we: ( ) ( ) x n ζ x := ζ n, := als x = n + pz, n Z. p p (Dit hangt niet van de keuze van n Z met n = x af want ζ p = 1 en ( n p hangt alleen van n mod p af.) De Gauss-som τ K is gedefinieerd door: τ := ( ) x ζ x. p x F p ) (De Gauss-som hangt af van de keuze van ζ, maar dat is voor onze toepassing niet van belang.) Voorbeeld We nemen p = 3. Als K = C en ζ = 1+i 3, dan is 2 ( ) ( ) ( ) τ = ζ 0 + ζ 1 + ζ 2 = 0 + ζ ζ 2 = i Als K = F 7 en ζ = 2 dan is: ( ) ( ) 0 1 τ = ( ) = 2 4 = 5. 3 Merk op dat geldt: τ 2 = 5 2 = 3 in F 7, analoog aan het geval K = C, en dat ( ) 1 3 = 1. Stelling Zij K een lichaam met kar(k) p en zij ζ K een primitieve p-de eenheidswortel. Dan geldt: ( ) 1 τ 2 = p. p Bewijs. Er geldt τ 2 = ( ) x ζ x ( ) y ζ y p p x Fp y Fp = ( ) xy ζ x+y p x,y F p ( ) x(z x) ζ z (met z = x + y). = z F p x Fp p
230 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN 230 Voor x = 0 geldt ( x(z x) ) p = 0, voor x 0 geldt: ) ( = x 2) ( 1 zx 1 ( x(z x) p ) p = ( )( 1 x 2 p p p = ( ) ( 1 p 1 zx 1) p, ) ( p 1 zx 1 dus we vinden: ( ) 1 τ 2 = ( ) 1 zx c z ζ z 1 met c z =. p p z F p Als z = 0 dan vinden we: c 0 = x F p x F p ( ) 1 = 1 = p 1. p x F p Als z 0, en x doorloopt F p, dan doorloopt zx 1 ook F p, en w := 1 zx 1 doorloopt F p {1}, dus: c z = ( ) ( ) w 1 = 0 1 = 1 (met z F p p p), w Fp want er zijn in F p evenveel elementen w met ( ( w p) = 1 als met w p) = 1. Al met al vinden we: ( ) 1 τ 2 = p 1 + ( 1)ζ z p z F p ( ) 1 = p 1 ζ z p z F p ( ) ( ) p 1 1 = p ζ z p z=0 ( ) 1 = p, p waarbij we gebruikten dat: z=0 Hiermee is stelling bewezen. p 1 ζ z = ζp 1 ζ 1 = 0. )
231 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN Deze stelling geeft ons dus een nulpunt τ K, als kar(k) p, van het polynoom X 2 ( ) 1 p p. Voor K kunnen we bijvoorbeeld het lichaam Ω Xp 1 F q nemen, met p q. We willen dan nog wel weten of het nulpunt τ in het lichaam F q zit. Lemma Stel kar(k) = q en q is een oneven priemgetal met q p. Dan geldt: ( ) ( ) q q τ q = τ, i.h.b. : τ F q = 1. p p Bewijs. Uit de definitie van Gauss-som en uit het feit dat x x q een lichaamshomomorfisme van K is volgt: τ q = q ( ) x ζ x p x Fp = ( ) q x ζ qx p x F p = ( ) yq 1 q ζ y (met y = x q F p ) p y F p ( ) q 1 = ( ) y ζ y p p y F p ( ) q = τ, p immers als q = x 2 dan is q 1 = (x 1 ) 2. Tenslotte merken we nog op: als x K dan geldt: als x q = x. Hiermee is de stelling bewezen. Stelling (kwadratische reciprociteitswet) (Gauss, 1801). Als p en q verschillende oneven priemgetallen zijn, dan geldt: ( ) ( ) q p = als p 1 mod 4 of q 1 mod 4, p q ( ) ( ) q p = als p q 3 mod 4. p q Anders geformuleerd: ( )( ) p q q p = ( 1) p 1 2 q 1 2. x F q precies dan
232 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN 232 Verder geldt: ( ) 1 p ( ) = ( 1) p 1 2 2, = ( 1) p p Bewijs. Om te beginnen merken we op dat ( ) p 1 1 p = ( 1) 2 direkt volgt uit stelling We bewijzen nu de kwadratische reciprociteitswet. Zij K = Ω Xp 1 F q en zij τ de Gauss-som als boven. Volgens geldt: ( ) q τ q 1 =. p Anderzijds vinden we, door te gebruiken, Uit stelling volgt: ( ) 1 p Invullen geeft dan: τ q 1 = (τ 2 ) q 1 2 = ( 1 = ( 1) p 1 2, p q 1 2 = p ) q 1 2 q 1 p 2. ( ) p q ( ) ( ) q = ( 1) p 1 2 q 1 p 2, p q ( F q ). hetgeen op evidente wijze equivalent is met de kwadratische reciprociteitswet. Tenslotte bewijzen we nog: ( x F p : x 2 = 2) p ±1 mod 8. Zij p een oneven priemgetal, dan heeft de vergelijking X een nulpunt ζ in een eindige uitbreiding K van F p. Dan is ζ 4 = 1 en ζ 8 = 1. Zij x := ζ + ζ 7 K, dan geldt x 2 = (ζ + ζ 7 ) 2 = ζ 2 + ζ = 2, immers ζ 6 = ζ 4 ζ 2 = ζ 2. Als p = 8k + 1 of p = 8k + 7 dan zien we: } ζ p = ζ, ζ 7p = ζ 7 als p 1 mod 8 ζ p = ζ 7, ζ 7p = x p = (ζ+ζ 7 ) p = ζ+ζ 7 = x, = ζ als p 7 mod 8 immers x x p is een lichaamshomomofisme. Omdat x p = x geldt x F p. Voor p ±1 mod 8 is er dus een x F p met x 2 = 2 en daarom is ( 2 p) = 1.
233 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN 233 Als p = 8k + 3 of p = 8k + 5 dan geldt (gebruik ζ 4 = 1): } ζ p = ζ 3 = ζ 7 als p 3 mod 8 ζ p = ζ 5 = x p = (ζ+ζ 7 ) p = (ζ+ζ 7 ) = x, = ζ als p 5 mod 8 dus het nulpunt x van de vergelijking X 2 2 ligt niet in F p. Het andere nulpunt, x, ligt dan ook niet in F p dus ( 2 p) = 1. Hiermee is stelling bewezen. Voorbeeld We geven enige eenvoudige voorbeelden van stelling ( ) ( ) ( ) = = = 1, want 4 = 2 2, dus 7 is geen kwadraat modulo 11. Verder geldt: ( ) ( ) ( ) = = = 1, dus 5 is wel een kwadraat modulo 11, er geldt inderdaad 4 2 = 16 = 5 in F 11. Door te gebruiken dat het Legendre-symbool multiplicatief is (zie ), vinden we: ) ( ) ( ) 11 2 ( 6 11 = ( )( ) 2 3 = ( 1) De p-de eenheidswortels over Q Zij K een lichaam. Merk op dat in K[X] geldt: 3 = ( 1) 3 = 1. Φ p = (X p 1)/(X 1), met Φ p := X p 1 + X p X + 1 K[X]. De primitieve p-de eenheidswortels zijn dus de nulpunten van het polynoom Φ p. We bestuderen nu de situatie als K = Q. Stelling In Q[X] is het polynoom Φ p irreducibel. Zij Q[ζ] := Q[X]/(Φ p ), ζ := X + (Φ p ). Dan is Q[ζ] = Q(ζ) een lichaam met [Q(ζ) : Q] = p 1 en er geldt: Φ p = (X ζ)(x ζ 2 )... (X ζ p 1 ) Q[X]. In het bijzonder is Q(ζ) een splijtlichaam van Φ p.
234 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN 234 Bewijs. Merk op dat Φ p (X) irreducibel is precies dan als Φ p (X + 1) irreducibel is (substitueer X := X ± 1 in een ontbinding). Uit Φ p (X) = (X p 1)/(X 1) volgt dat: Φ p (X +1) = (X + ( ) ( ) ( ) 1)p 1 p p p = X p 1 + X p X +. X 1 p 2 p 1 Omdat ( p i ) deelbaar is door p voor 1 i p 1 en omdat ( ) p p 1 = ( p 1) = p is Φ p (X + 1) een Eisensteinpolynoom (zie 5.5.3) bij p en is dus irreducibel. Zoals bekend is Q(ζ) dan een lichaam en [Q(ζ) : Q] = gr(φ p ) = p 1. Als ζ p = 1 en ζ 1, dan geldt ook (ζ k ) p = (ζ p ) k = 1. Als 1 k p 1 dan is ζ k 1, anders was immers ζ een nulpunt van (X k 1)/(X 1) Q[X], maar dit polynoom heeft lagere graad dan het irreducibele polynoom Φ p en dat kan dus niet. Verder is ook ζ k ζ l als 1 k < l p 1 anders was nl. ζ l k = 1. We vinden zo dus p 1 = gr(φ p ) verschillende nulpunten van het polynoom Φ p in Q(ζ) en daaruit volgt de ontbinding Met de stelling kunnen we op eenvoudige wijze Aut(Q(ζ)) bepalen. Merk op dat iedere x Q(ζ) op unieke wijze te schrijven is als: x = a 0 + a 1 ζ + a 2 ζ a p 2 ζ p 2, i.h.b. : ζ p 1 = 1 ζ ζ 2... ζ p 2. Voor iedere k Z >0 definiëren we een afbeelding: door φ k : Q(ζ) Q(ζ) a 0 + a 1 ζ + a 2 ζ a p 2 ζ p 2 a 0 + a 1 ζ k + a 2 ζ 2k +... a p 2 ζ (p 2)k. Omdat ζ p = 1 geldt: φ k = φ l als k = l Z/pZ, dan is immers l = k + np voor zekere n Z. Stelling Zij ζ een primitieve p-de eenheidswortel. Dan geldt Aut(Q(ζ)) = p 1 en er is een isomorfisme van groepen: φ : (Z/pZ) Aut(Q(ζ)), k φk. In het bijzonder is Aut(Q(ζ)) een cyclische groep van orde p 1.
235 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN 235 Bewijs. Uit stelling volgt meteen dat Aut(Q(ζ)) = p 1 want het minimumpolynoom Φ p van ζ over Q heeft precies p 1 nulpunten in Q(ζ). Uit het bewijs van die stelling blijkt dat de nulpunten van Φ p corresponderen met automorfismen: bij ieder nulpunt β van Φ p is er een uniek automorfisme φ met φ(ζ) = β. Daar β = ζ k, voor zekere k met 1 k p 1, is er voor elk van deze k s dus een automorfisme φ met φ(ζ i ) = φ(ζ) i = (ζ k ) i = ζ ki. Omdat φ(a) = a voor a Q, het priemlichaam, geldt dan: φ(a 0 + a 1 ζ + a 2 ζ a p 2 ζ p 2 ) = = a 0 + a 1 φ(ζ) + a 2 φ(ζ) a p 2 φ(ζ) p 2 = a 0 + a 1 ζ k + a 2 ζ 2k a p 2 ζ (p 2)k = φ k (a 0 + a 1 ζ + a 2 ζ a p 2 ζ p 2 ). Het automorfisme φ is dus volledig bepaald door φ(ζ) = ζ k en er geldt φ = φ k. Ieder element van (Z/pZ) is op unieke wijze te schrijven als k met 1 k p 1 zodat we al een bijecieve afbeelding (Z/pZ) Aut(Q(ζ)), k φ k gevonden hebben. We moeten alleen nog bewijzen dat deze afbeelding een homomorfisme is, d.w.z. dat φ k φ l = φ kl. Dit volgt uit: φ k (φ l (ζ)) = φ k (ζ l ) = ζ kl, dus het automorfisme φ k φ l stuurt ζ naar ζ kl en moet dus hetzelfde zijn als φ kl. Tenslotte merken we op dat volgens stelling de vermenigvuldigingsgroep F p = (Z/pZ) cyclisch is.
236 14 CYCLOTOMISCHE LICHAMEN Opgaven 1. Bewijs dat geldt: 3 is een kwadraat modulo p d.e.s.d.a. p 1, 1 mod Bewijs dat 3 een kwadraat is in F p precies dan als p 1 mod Zij p > 3 een priemgetal dat n 2 2 deelt, (n Z). Bewijs dat p ±1 mod Bepaal de volgende Legendre-symbolen: ( ) ( ) ( ) 5 6 7,,, ( ) In deze opgave is K steeds een deellichaam van Q(ζ), met ζ een primitieve p-de eenheids wortel en met [K : Q] = 2. We bewijzen dat er precies één zo n deellichaam is. a. Bewijs dat K(ζ) = Q(ζ) en dat: b. Bewijs dat: gr(f ζ p 1 K ) = [K(ζ) : K] = 2. Aut K (Q(ζ)) = p 1 2. c. Bewijs dat een cyclische groep van orde p 1 2Z (zoals bv. Aut Q (Q(ζ))) precies één ondergroep van orde (p 1)/2 heeft. d. Zij H Aut Q (Q(ζ)) de unieke ondergroep van orde (p 1)/2. Laat zien dat: H = {x 2 : x (Z/pZ) } Aut Q (Q(ζ)) = (Z/pZ). e. Definieer een deellichaam van Q(ζ) door: Q(ζ) H := {α Q(ζ) : h(x) = x h H}. Zij τ Q(ζ) de Gauss-som. Bewijs: Q(ζ) H = Q(τ). f. Merk op dat H = Aut Q(τ) (Q(ζ)). Concludeer dat K = Q(τ).
237 Index A afbeelding natuurlijk 33 afgeleide 65 algebraïsch 135, 138 algoritme Euclidisch 204 automorfisme K- 150 ring 26 B beeld 27 C chinese reststelling 41 commutatief 4 D deellichaam 133 deelmoduul 111 deelring 7 delingsring 4 domein hoofdideaal- 90 ontbindings E eenheid 9 eenheidswortels 136 eindig 138 Eisenstein kenmerk van 103 Eisensteinpolynoom 103 Euclidisch algoritme 204 Euclidische ring 200 evaluatiehomomorfisme 54 F factorontbindingsdomein 93 factorring 31 Frobenius-homomorfisme 149 G graad 51, 53, 138 H homomorfisme evaluatie 54 K- 150 lichaams- 26 R-moduul 112 ring- 26 hoofdideaal 37 hoofdideaaldomein 90 hoofdideaalring 37 I ideaal hoofd- 37 maximaal 76 priem 73 product 39 som 39 voortbrengers irreducibel 88 isomorfisme K- 150 R-moduul- 112 ring- 26 K karakteristiek 134 kern 27 L lemma van Zorn 79 lichaam deel- 133 homomorfisme 149 ontbindings- 154 priem- 133 quotiënten- 14 scheef- 4 splijt- 154 uitbreidings lichaamshomomorfisme 26,
238 INDEX 238 M maximaal ideaal 76 minimumpolynoom 63, 134 moduul deel- 111 projectief 219 vrij moduulhomomorfisme 112 monisch 51 N natuurlijke afbeelding 33 nilpotent 11 nuldeler 11 O ontbindingsdomein 93 ontbindingslichaam 154 P polynoom Eisenstein 103 minimum- 63, 134 symmetrisch polynoomring 52 priemideaal 73 priemlichaam 133 priemontbinding 93 product van idealen 39 van ringen 13 projectief moduul 219 factor- 31 groepen- 18 homomorfisme 26 hoofdideaal 37 isomorfisme 26 polynoom- 52 product van 13 4 S scheeflichaam 4 som van idealen 39 splijtlichaam 154 symmetrisch polynoom 185 T transcendent 135 U uitbreiding enkelvoudig V veelterm 51 W Weylalgebra 17 Z Zorn, lemma van 79 Q quaternionen 5 quotiëntenlichaam 14 R rechtsexact 221 ring automorfisme 26 commutatief 4 deel- 7 delings- 4 endomorfismen- 16 Euclidische 200
Ringen en lichamen. H.W. Lenstra, Jr en F. Oort. (Herziene versie, 2014) door
Ringen en lichamen door H.W. Lenstra, Jr en F. Oort (Herziene versie, 2014) Inhoudsopgave I RINGEN 1 1 Definitie, voorbeelden, elementaire eigenschappen..................... 3 2 Ringhomomorfismen en idealen...............................
Ringen en lichamen. H.W. Lenstra, Jr en F. Oort. (Herziene versie, augustus 2015) door
Ringen en lichamen door H.W. Lenstra, Jr en F. Oort (Herziene versie, augustus 2015) Inhoudsopgave I RINGEN 1 1 Definitie, voorbeelden, elementaire eigenschappen..................... 3 2 Ringhomomorfismen
Ringen en Lichamen van H.W. Lenstra en F. Oort
Ringen [versie 4.0 (1.I.2008] Dit is een selectie uit het dictaat Ringen en Lichamen van H.W. Lenstra en F. Oort, zoals bewerkt door B. van Geemen en J. Top. INHOUDSOPGAVE 2 Inhoudsopgave 1 Ringen 3 1.1
Ringen en Lichamen van H.W. Lenstra en F. Oort
Ringen [versie 4.0 (1.I.2008)] Dit is een selectie uit het dictaat Ringen en Lichamen van H.W. Lenstra en F. Oort, zoals bewerkt door B. van Geemen en J. Top. INHOUDSOPGAVE 2 Inhoudsopgave 1 Ringen 3 1.1
ALGEBRA II. P. Stevenhagen
ALGEBRA II P. Stevenhagen 2010 INHOUDSOPGAVE ALGEBRA II 11. Ringen 5 Eenheden Voorbeelden van ringen Nuldelers Domeinen Homomorfismen en idealen Isomorfie- en homomorfiestellingen Chinese reststelling
We beginnen met de eigenschappen van de gehele getallen.
II.2 Gehele getallen We beginnen met de eigenschappen van de gehele getallen. Axioma s voor Z De gegevens zijn: (a) een verzameling Z; (b) elementen 0 en 1 in Z; (c) een afbeelding +: Z Z Z, de optelling;
Gehelen van Gauss. Hector Mommaerts
Gehelen van Gauss Hector Mommaerts 2 Hoofdstuk 1 Definities Gehelen van Gauss zijn complexe getallen van de vorm a + bi waarbij a, b Z. De verzameling van alle gehelen van Gauss noteren we met Z(i). Dus
Hoofdstuk 1. Inleiding. Lichamen
Hoofdstuk 1 Lichamen Inleiding In Lineaire Algebra 1 en 2 heb je al kennis gemaakt met de twee belangrijkste begrippen uit de lineaire algebra: vectorruimte en lineaire afbeelding. In dit hoofdstuk gaan
Syllabus Algebra IIa. Prof. Dr G. van der Geer
Algebra II -1 Syllabus Algebra IIa voorlopige versie Prof. Dr G. van der Geer Faculteit Wiskunde en Informatica Universiteit van Amsterdam Plantage Muidergracht 24 1018 TV Amsterdam Versie: 2002 Algebra
Deeltentamen I, Ringen en Galoistheorie, 16-4-2009, 9-12 uur
Deeltentamen I, Ringen en Galoistheorie, 16-4-2009, 9-12 uur Geef een goede onderbouwing van je antwoorden. Succes! 1. (a) (10 pt) Ontbindt het polynoom X 3 3X+3 in irreducibele factoren in Q[X] en in
Het karakteristieke polynoom
Hoofdstuk 6 Het karakteristieke polynoom We herhalen eerst kort de definities van eigenwaarde en eigenvector, nu in een algemene vectorruimte Definitie 6 Een eigenvector voor een lineaire transformatie
Lineaire Algebra 3 en 4. Wieb Bosma
Lineaire Algebra 3 en 4 Wieb Bosma juni 2000/juni 2001 Inhoudsopgave 1 Vectorruimten 3 1.1 Inleiding........................................ 3 1.2 Lichamen....................................... 3 1.2.1
II.3 Equivalentierelaties en quotiënten
II.3 Equivalentierelaties en quotiënten Een belangrijk begrip in de wiskunde is het begrip relatie. Een relatie op een verzameling is een verband tussen twee elementen uit die verzameling waarbij de volgorde
Ter Leering ende Vermaeck
Ter Leering ende Vermaeck 15 december 2011 1 Caleidoscoop 1. Geef een relatie op Z die niet reflexief of symmetrisch is, maar wel transitief. 2. Geef een relatie op Z die niet symmetrisch is, maar wel
Definitie 1.1. Een groep is een verzameling G, uitgerust met een bewerking waarvoor geldt dat:
Hoofdstuk 1 Eerste begrippen 1.1 Wat is een groep? Definitie 1.1. Een groep is een verzameling G, uitgerust met een bewerking waarvoor geldt dat: 1. a, b G : a b G 2. a, b, c G : a (b c) = (a b) c = a
Uitwerkingen tentamen Algebra 3 8 juni 2017, 14:00 17:00
Uitwerkingen tentamen Algebra 3 8 juni 207, 4:00 7:00 Je mocht zoals gezegd niet zonder uitleg naar opgaven verwijzen. Sommige berekeningen zijn hier weggelaten. Die moest je op je tentamen wel laten zien.
RINGEN EN LICHAMEN. Aanvullende opgaven met uitwerkingen
RINGEN EN LICHAMEN Aanvullende opgaven met uitwerkingen Hierna volgen een aantal aanvullende opgaven die gaan over kernbegrippen uit de eerste hoofdstukken van Ringen en Lichamen. Probeer deze opgaven
Algebra and discrete wiskunde
Algebra and discrete wiskunde dr. G.R. Pellikaan Studiewijzer voor het studiejaar 2015/2016 College 2WF50 Contents 1 Algemeen 2 2 Inhoud van het vak 2 3 Leerdoelen 3 4 Berekening tijdsplanning 3 5 Onderwijs-
Lineaire afbeeldingen
Hoofdstuk 4 Lineaire afbeeldingen In de algebra spelen naast algebraïsche structuren zelf ook de afbeeldingen ertussen die (een deel van de structuur bewaren, een belangrijke rol Voor vectorruimten zijn
Hoofdstuk 3. Equivalentierelaties. 3.1 Modulo Rekenen
Hoofdstuk 3 Equivalentierelaties SCHAUM 2.8: Equivalence Relations Twee belangrijke voorbeelden van equivalentierelaties in de informatica: resten (modulo rekenen) en cardinaliteit (aftelbaarheid). 3.1
I.3 Functies. I.3.2 Voorbeeld. De afbeeldingen f: R R, x x 2 en g: R R, x x 2 zijn dus gelijk, ook al zijn ze gegeven door verschillende formules.
I.3 Functies Iedereen is ongetwijfeld in veel situaties het begrip functie tegengekomen; vaak als een voorschrift dat aan elk getal een ander getal toevoegt, bijvoorbeeld de functie fx = x die aan elk
ALGEBRA II. P. Stevenhagen
ALGEBRA II P. Stevenhagen 2004 INHOUDSOPGAVE ALGEBRA II 11. Ringen 5 Eenheden Voorbeelden van ringen Nuldelers Domeinen Homomorfismen en idealen Isomorfie- en homomorfiestellingen Chinese reststelling
Oefenopgaven Grondslagen van de Wiskunde A
Oefenopgaven Grondslagen van de Wiskunde A Jaap van Oosten 2007-2008 1 Kardinaliteiten Opgave 1.1. Bewijs, dat R N = R. Opgave 1.2. Laat Cont de verzameling continue functies R R zijn. a) Laat zien dat
Enkele valkuilen om te vermijden
Enkele valkuilen om te vermijden Dit document is bedoeld om per onderwerp enkele nuttige strategieën voor opgaven te geven. Ook wordt er op een aantal veelgemaakte fouten gewezen. Het is géén volledige
Zomercursus Wiskunde. Module 1 Algebraïsch rekenen (versie 22 augustus 2011)
Katholieke Universiteit Leuven September 011 Module 1 Algebraïsch rekenen (versie augustus 011) Inhoudsopgave 1 Rekenen met haakjes 1.1 Uitwerken van haakjes en ontbinden in factoren............. 1. De
Discrete Wiskunde 2WC15, Lente Jan Draisma
Discrete Wiskunde 2WC15, Lente 2010 Jan Draisma Voorwoord Dit zijn aantekeningen voor het vak Discrete Wiskunde (2WC15), gegeven in het lentesemester van 2010. Dit vak bestaat uit twee delen: algoritmische
Algebra and discrete wiskunde
Algebra and discrete wiskunde dr. G.R. Pellikaan Studiewijzer voor het studiejaar 2016/2017 College 2WF50 Contents 1 Algemeen 2 2 Inhoud van het vak 2 3 Leerdoelen 3 4 Berekening tijdsplanning 3 5 Onderwijs-
Inleiding Analyse 2009
Inleiding Analyse 2009 Inleveropgaven A). Stel f(, y) = In (0, 0) is f niet gedefinieerd. We bestuderen y2 2 + y 4. lim f(, y). (,y) (0,0) 1. Bepaal de waarde van f(, y) op een willekeurige rechte lijn
6 Ringen, lichamen, velden
6 Ringen, lichamen, velden 6.1 Polynomen over F p : irreducibiliteit en factorisatie Oefening 6.1. Bewijs dat x 2 + 2x + 2 irreducibel is in Z 3 [x]. Oplossing 6.1 Aangezien de veelterm van graad 3 is,
Bijzondere kettingbreuken
Hoofdstuk 15 Bijzondere kettingbreuken 15.1 Kwadratische getallen In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat 2 = 1, 2, 2, 2, 2, 2, 2,.... Men kan zich afvragen waarom we vanaf zeker moment alleen maar
Tentamen Grondslagen van de Wiskunde A Met beknopte uitwerking
Tentamen Grondslagen van de Wiskunde A Met beknopte uitwerking 10 december 2013, 09:30 12:30 Dit tentamen bevat 5 opgaven; zie ook de ommezijde. Alle opgaven tellen even zwaar (10 punten); je cijfer is
Discrete Wiskunde 2WC15, Lente Jan Draisma
Discrete Wiskunde 2WC15, Lente 2010 Jan Draisma HOOFDSTUK 3 De Nullstellensatz 1. De zwakke Nullstellensatz Stelling 1.1. Zij K een algebraïsch gesloten lichaam en zij I een ideaal in K[x] = K[x 1,...,
Algebra. Oefeningen op hoofdstuk Groepentheorie Cayleytabellen van groepen van orde Cyclische groepen
Oefeningen op hoofdstuk 5 Algebra 5.2 Groepentheorie 5.2.1 Cayleytabellen van groepen van orde 8 Oefening 5.1. Stel de Cayleytabel op voor de groep van de symmetrieën van een vierkant. Bewijs dat deze
Vectorruimten en deelruimten
Vectorruimten en deelruimten We hebben al uitgebreid kennis gemaakt met de vectorruimte R n We zullen nu zien dat R n slechts een speciaal geval vormt van het (veel algemenere begrip vectorruimte : Definitie
Deelgroepen en normaaldelers
Hoofdstuk 2 Deelgroepen en normaaldelers 2.1 Wat is een deelgroep? Definitie 2.1. Een deelverzameling H van een groep G, is een deelgroep van G als en slechts als H niet leeg is en H, zelf een groep is.
INLEIDING GROEPENTHEORIE
INLEIDING GROEPENTHEORIE 2013-2014 webstek: http://homepages.vub.ac.be/ efjesper HOC: woensdag 8-10 uur, sem 2 WPO: donderdag 13-15 uur, sem 2 E. Jespers Vakgroep Wiskunde Vrije Universiteit Brussel Faculteit
Zomercursus Wiskunde. Katholieke Universiteit Leuven Groep Wetenschap & Technologie. September 2008
Katholieke Universiteit Leuven September 008 Algebraïsch rekenen (versie 7 juni 008) Inleiding In deze module worden een aantal basisrekentechnieken herhaald. De nadruk ligt vooral op het symbolisch rekenen.
Algebraische Meetkunde. S. Caenepeel
Algebraische Meetkunde S. Caenepeel Syllabus 107 bij Algebraische Meetkunde Derde Bachelor Wiskunde (SD-ID 002523) 2015 Inhoudsopgave 1 Voorafgaande begrippen 3 1.1 Veeltermenringen...................................
Hoofdstuk 9. Vectorruimten. 9.1 Scalairen
Hoofdstuk 9 Vectorruimten 9.1 Scalairen In de lineaire algebra tot nu toe, hebben we steeds met reële getallen als coëfficienten gewerkt. Niets houdt ons tegen om ook matrices, lineaire vergelijkingen
er zijn (p 2 p)/2 irreducibele polynomen van de graad 2 over F p het minimaal polynoom van a deelt ieder polynoom f(x) met f(a) = 0
Laatste nieuws van Algebra and Discrete Wiskunde (2WF50) College 8.b: Vragenuur Opgaven 11 en 12 van Test 4 op Oncourse Opgaven 2 en 3 van tentamen van april 2015 Opgaven 16 en 19 van 14.8 College 8.a:
Je hebt twee uur de tijd voor het oplossen van de vraagstukken. µkw uitwerkingen. 12 juni 2015
Je hebt twee uur de tijd voor het oplossen van de vraagstukken. Elk vraagstuk is maximaal 10 punten waard. Begin elke opgave op een nieuw vel papier. µkw uitwerkingen 12 juni 2015 Vraagstuk 1. We kunnen
Lineaire Algebra C 2WF09
Lineaire Algebra C 2WF09 College: Instructie: L. Habets HG 8.09, Tel. 4230, Email: [email protected] H. Wilbrink HG 9.49, Tel. 2783, E-mail: [email protected] http://www.win.tue.nl/wsk/onderwijs/2wf09
Getaltheorie I. c = c 1 = 1 c (1)
Lesbrief 1 Getaltheorie I De getaltheorie houdt zich bezig met het onderzoek van eigenschappen van gehele getallen, en meer in het bijzonder, van natuurlijke getallen. In de getaltheorie is het gebruikelijk
Niet-standaard analyse (Engelse titel: Non-standard analysis)
Technische Universiteit Delft Faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica Delft Institute of Applied Mathematics Niet-standaard analyse (Engelse titel: Non-standard analysis) Verslag ten behoeve
Definitie 4.1. Als H en K normaaldelers zijn van een groep G en H K = {e} en HK = G dan noemt men G het direct product van
Hoofdstuk 4 Groepsconstructies 4.1 Direct product We gaan nu bestuderen hoe we van 2 groepen een nieuwe groep kunnen maken of hoe we een groep kunnen schrijven als een product van 2 groepen met kleinere
Groepen, ringen en velden
Groepen, ringen en velden Groep Een groep G is een verzameling van elementen en een binaire operator met volgende eigenschappen: 1. closure (gesloten): als a en b tot G behoren, doet a b dat ook. 2. associativiteit:
x = b 1 x 1 , b = x n b m i,j=1,1 en een vector [x j] n j=1 m n a i,j x j j=1 i=1
WIS9 9 Matrixrekening 9 Vergelijkingen Stelsels lineaire vergelijkingen Een stelsel van m lineaire vergelijkingen in de n onbekenden x, x 2,, x n is een stelsel vergelijkingen van de vorm We kunnen dit
Oefening 2.2. Welke van de volgende beweringen zijn waar?
Oefeningen op hoofdstuk 2 Verzamelingenleer 2.1 Verzamelingen Oefening 2.1. Beschouw A = {1, {1}, {2}}. Welke van de volgende beweringen zijn waar? Beschouw nu A = {1, 2, {2}}, zelfde vraag. a. 1 A c.
Aanvullingen bij Hoofdstuk 6
Aanvullingen bij Hoofdstuk 6 We veralgemenen eerst Stelling 6.4 tot een willekeurige lineaire transformatie tussen twee vectorruimten en de overgang naar twee nieuwe basissen. Stelling 6.4. Zij A : V W
Uitwerkingen toets 12 juni 2010
Uitwerkingen toets 12 juni 2010 Opgave 1. Bekijk rijen a 1, a 2, a 3,... van positieve gehele getallen. Bepaal de kleinst mogelijke waarde van a 2010 als gegeven is: (i) a n < a n+1 voor alle n 1, (ii)
Tentamen Ringen en Galoistheorie, , uur
Tentamen Ringen en Galoistheorie, 30-6-2008, 14-17 uur Dit is een open boek tentamen. Dat wil zeggen, de dictaten mogen gebruikt worden maar geen andere zaken zoals aantekeningen, uitwerkingen, etc. Geef
opgaven formele structuren tellen Opgave 1. Zij A een oneindige verzameling en B een eindige. Dat wil zeggen (zie pagina 6 van het dictaat): 2 a 2.
opgaven formele structuren tellen Opgave 1. Zij A een oneindige verzameling en B een eindige. Dat wil zeggen (zie pagina 6 van het dictaat): ℵ 0 #A, B = {b 0,..., b n 1 } voor een zeker natuurlijk getal
Opgaven Inleiding Analyse
Opgaven Inleiding Analyse E.P. van den Ban Limieten en continuïteit Opgave. (a) Bewijs direct uit de definitie van iet dat y 0 y = 0. (b) Bewijs y 0 y 3 = 0 uit de definitie van iet. (c) Bewijs y 0 y 3
Tentamen lineaire algebra 2 18 januari 2019, 10:00 13:00 Uitwerkingen (schets)
Tentamen lineaire algebra 8 januari 9, : : Uitwerkingen (schets) Opgave. ( + punten) Gegeven is de matrix ( ) A =. (a) Bepaal een diagonaliseerbare matrix D en een nilpotente matrix N zodanig dat A = N
Tweede huiswerkopdracht Lineaire algebra 1 Uitwerking en opmerkingen
Tweede huiswerkopdracht Lineaire algebra 1 en opmerkingen November 10, 2009 Opgave 1 Gegeven een vectorruimte V met deelruimtes U 1 en U 2. Als er geldt dim U 1 = 7, dimu 2 = 9, en dim(u 1 U 2 ) = 4, wat
Uitwerkingen tentamen Lineaire Algebra 2 16 januari, en B =
Uitwerkingen tentamen Lineaire Algebra 2 16 januari, 215 Deze uitwerkingen zijn niet volledig, maar geven het idee van elke opgave aan. Voor een volledige oplossing moet alles ook nog duidelijk uitgewerkt
Uitwerkingen Lineaire Algebra I (wiskundigen) 22 januari, 2015
Uitwerkingen Lineaire Algebra I (wiskundigen) januari, 5 In deze uitwerkingen is hier en daar een berekening weggelaten (bijvoorbeeld het bepalen van de kern van een matrix) die uiteraard op het tentamen
Geadjungeerde en normaliteit
Hoofdstuk 12 Geadjungeerde en normaliteit In het vorige hoofdstuk werd bewezen dat het voor het bestaan van een orthonormale basis bestaande uit eigenvectoren voldoende is dat T Hermites is (11.17) of
3 De duale vectorruimte
3 De duale vectorruimte We brengen de volgende definitie in de herinnering. Definitie 3.1 (hom K (V, W )) Gegeven twee vectorruimtes (V, K) en (W, K) over K noteren we de verzameling van alle lineaire
III.2 De ordening op R en ongelijkheden
III.2 De ordening op R en ongelijkheden In de vorige paragraaf hebben we axioma s gegeven voor de optelling en vermenigvuldiging in R, maar om R vast te leggen moeten we ook ongelijkheden in R beschouwen.
7.1 Het aantal inverteerbare restklassen
Hoofdstuk 7 Congruenties in actie 7.1 Het aantal inverteerbare restklassen We pakken hier de vraag op waarmee we in het vorige hoofdstuk geëindigd zijn, namelijk hoeveel inverteerbare restklassen modulo
Universiteit Gent. Academiejaar Discrete Wiskunde. 1ste kandidatuur Informatica. Collegenota s. Prof. Dr.
Universiteit Gent Academiejaar 2001 2002 Discrete Wiskunde 1ste kandidatuur Informatica Collegenota s Prof. Dr. Frank De Clerck Herhalingsoefeningen 1. Bepaal het quotiënt en de rest van de deling van
Overzicht Fourier-theorie
B Overzicht Fourier-theorie In dit hoofdstuk geven we een overzicht van de belangrijkste resultaten van de Fourier-theorie. Dit kan als steun dienen ter voorbereiding op het tentamen. Fourier-reeksen van
Complexe functies 2019
Complexe functies 019 Extra opgaves Opgave A Laat zien dat R voorzien van de bewerkingen a + b := (a 1 +b 1,a +b ) a b := (a 1 b 1 a b,a 1 b +a b 1 ) isomorf is met C. Wat is i in deze representatie? Opgave
Velduitbreidingen. Hector Mommaerts
Velduitbreidingen Hector Mommaerts 2 Hoofdstuk 1 Basisbegrippen 1.1 Definities Definitie 1.1. Een veld L is een uitbreiding van het veld K als het ontstaat door aan K één of meerdere elementen toe te voegen.
Tentamen Grondslagen van de Wiskunde A, met uitwerkingen
Tentamen Grondslagen van de Wiskunde A, met uitwerkingen 8 december 2015, 09:30 12:30 Dit tentamen bevat 5 opgaven; zie ook de ommezijde. Alle opgaven tellen even zwaar (10 punten); je cijfer is het totaal
Aanvullingen bij Hoofdstuk 8
Aanvullingen bij Hoofdstuk 8 8.5 Definities voor matrices De begrippen eigenwaarde eigenvector eigenruimte karakteristieke veelterm en diagonaliseerbaar worden ook gebruikt voor vierkante matrices los
ONBETWIST ONderwijs verbeteren met WISkunde Toetsen Voorbeeldtoetsen Lineaire Algebra Deliverable 3.10 Henk van der Kooij ONBETWIST Deliverable 3.
ONBETWIST ONderwijs verbeteren met WISkunde Toetsen Voorbeeldtoetsen Lineaire Algebra Deliverable 3.10 Henk van der Kooij ONBETWIST Deliverable 3.8 ONBETWIST ONderwijs verbeteren met WISkunde Toetsen Inleiding
1 Symmetrieën van figuren
1 Symmetrieën van figuren 1.1 Het mysterie van de hoge eik Als je door een met water gevulde reageerbuis heen de woorden DIE HOHE EICHE FÄLLT LANGSAM UM leest, waarbij de eerste drie woorden rood en de
III.3 Supremum en infimum
III.3 Supremum en infimum Zowel de reële getallen als de rationale getallen vormen geordende lichamen. Deze geordende lichamen zijn echter principieel verschillend. De verzameling R is bijvoorbeeld aanzienlijk
Leeswijzer bij het college Functies en Reeksen
Leeswijzer bij het college Functies en Reeksen Erik van den Ban Najaar 2012 Introductie eze leeswijzer bij het dictaat Functies en Reeksen (versie augustus 2011) heeft als doel een gewijzigde opbouw van
5.2.4 Varia in groepentheorie
Oefeningen op hoofdstuk 5 Algebra 5.2 Groepentheorie 5.2.1 Cayleytabellen van groepen van orde 8 Oefening 5.1. Stel de Cayleytabel op voor de groep van de symmetrieën van een vierkant. Bewijs dat deze
V.4 Eigenschappen van continue functies
V.4 Eigenschappen van continue functies We bestuderen een paar belangrijke stellingen over continue functies. Maxima en minima De stelling over continue functies die we in deze paragraaf bewijzen zegt
V.2 Limieten van functies
V.2 Limieten van functies Beschouw een deelverzameling D R, een functie f: D R en zij c R. We willen het gedrag van f in de buurt van c bestuderen. De functiewaarde in c is daarvoor niet belangrijk, de
Tentamen Lineaire Algebra 1 (Wiskundigen)
Tentamen Lineaire Algebra Wiskundigen Donderdag, 23 januari 24,.-3. Geen rekenmachines. Motiveer elk antwoord.. Voor alle reële getallen a definiëren we de matrix C a als a C a = a 2. a Verder definiëren
2 n 1. OPGAVEN 1 Hoeveel cijfers heeft het grootste bekende Mersenne-priemgetal? Met dit getal vult men 320 krantenpagina s.
Hoofdstuk 1 Getallenleer 1.1 Priemgetallen 1.1.1 Definitie en eigenschappen Een priemgetal is een natuurlijk getal groter dan 1 dat slechts deelbaar is door 1 en door zichzelf. Om technische redenen wordt
Inleiding tot groepentheorie
Hoofdstuk Inleiding tot groepentheorie 1 Basisdefinities Een algebraïsche structuur bestaat meestal uit een verzameling waarop één of meerdere bewerkingen gedefinieerd zijn. Definitie Een inwendige bewerking
Matrixalgebra (het rekenen met matrices)
Matrixalgebra (het rek met matrices Definitie A a a n a a n a m a mn is e (m n-matrix Hierbij is m het aantal rij van A n het aantal kolomm (m n noemt m de afmeting( van de matrix A We noter vaak kortweg
Mogelijke Onderwerpen Projectwerk Bachelor 3 Wiskunde
Mogelijke Onderwerpen Projectwerk Bachelor 3 Wiskunde E. Jespers Departement of Mathematics Vrije Universiteit Brussel 2 Voorbeelden van algebra s van kleine dimensie Een theorie steunt steeds op het goed
Opgaven Functies en Reeksen. E.P. van den Ban
Opgaven Functies en Reeksen E.P. van den Ban c Mathematisch Instituut Universiteit Utrecht Augustus 2014 1 Opgaven bij Hoofdstuk 1 Opgave 1.1 Zij f : R n R partieel differentieerbaar naar iedere variabele
Eigenschap (Principe van welordening) Elke niet-lege deelverzameling V N bevat een kleinste element.
Hoofdstuk 2 De regels van het spel 2.1 De gehele getallen Grof gezegd kunnen we de (elementaire) getaltheorie omschrijven als de wiskunde van de getallen 1, 2, 3, 4,... die we ook de natuurlijke getallen
Getallenleer Inleiding op codeertheorie. Cursus voor de vrije ruimte
Getallenleer Inleiding op codeertheorie Liliane Van Maldeghem Hendrik Van Maldeghem Cursus voor de vrije ruimte 2 Hoofdstuk 1 Getallenleer 1.1 Priemgetallen 1.1.1 Definitie en eigenschappen Een priemgetal
Elliptische krommen en hun topologische aspecten
Elliptische krommen en hun topologische aspecten René Pannekoek 25 januari 2011 Dit is een korte introductie tot elliptische krommen voor het bachelorseminarium van de Universiteit Leiden. De bespreking
Rationale punten op elliptische krommen
Rationale punten op elliptische krommen Anne Barten 6 juli 2015 Bachelorscriptie Begeleiding: dr. S. R. Dahmen Korteweg-de Vries Instituut voor Wiskunde Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica
Bilineaire Vormen. Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 9 Bilineaire Vormen In dit hoofdstuk beschouwen we bilineaire vormen op een vectorruimte V nader. Dat doen we onder andere om in het volgende hoofdstuk de begrippen afstand en lengte in een vectorruimte
4 Positieve en niet-negatieve lineaire algebra
4 Positieve en niet-negatieve lineaire algebra Positieve en niet-negatieve matrices komen veel voor binnen de stochastiek (zoals de PageRank matrix) en de mathematische fysica: temperatuur, dichtheid,
3.2 Vectoren and matrices
we c = 6 c 2 = 62966 c 3 = 32447966 c 4 = 72966 c 5 = 2632833 c 6 = 4947966 Sectie 32 VECTOREN AND MATRICES Maar het is a priori helemaal niet zeker dat het stelsel vergelijkingen dat opgelost moet worden,
PROEFEXAMEN LINEAIRE ALGEBRA donderdag 17 november 2011
PROEFEXAMEN LINEAIRE ALGEBRA donderdag 17 november 2011 Familienaam:....................................................................... Voornaam:.........................................................................
Syllabus Algebra I. Prof. Dr G. van der Geer
Algebra I -1 1 Syllabus Algebra I voorlopige versie Prof. Dr G. van der Geer Faculteit Wiskunde en Informatica Universiteit van Amsterdam Science Park 94248 1090 GE Amsterdam Versie: 2013 Algebra I -2
Examen G0U13 Bewijzen en Redeneren Bachelor 1ste fase Wiskunde. vrijdag 31 januari 2014, 8:30 12:30. Auditorium L.00.07
Examen G0U13 Bewijzen en Redeneren Bachelor 1ste fase Wiskunde vrijdag 31 januari 2014, 8:30 12:30 Auditorium L.00.07 Geef uw antwoorden in volledige, goed lopende zinnen. Het examen bestaat uit 5 vragen.
Polynomen. + 5x + 5 \ 3 x 1 = S(x) 2x x. 3x x 3x 2 + 2
Lesbrief 3 Polynomen 1 Polynomen van één variabele Elke functie van de vorm P () = a n n + a n 1 n 1 + + a 1 + a 0, (a n 0), heet een polynoom of veelterm in de variabele. Het getal n heet de graad van
Lineaire algebra I (wiskundigen)
Lineaire algebra I (wiskundigen) Toets, donderdag 22 oktober, 2009 Oplossingen (1) Zij V het vlak in R 3 door de punten P 1 = (1, 2, 1), P 2 = (0, 1, 1) en P 3 = ( 1, 1, 3). (a) Geef een parametrisatie
