Eindtoets micro-economie propedeuse 18 december 2012 Versie 1 ü Deze toets bestaat uit 28 meerkeuzevragen. ü Op het antwoordformulier dient steeds - met potlood - het correcte antwoord te worden aangestreept. ü De tijdsduur voor het tentamen is 3 uur. ü Tenzij anders vermeld hebben de symbolen die in de toets worden gebruikt dezelfde betekenis als in het boek van Pindyck and Rubinfeld. ü Vergeet niet de versiecode op het antwoordformulier aan te strepen! ü Op Blackboard onder information kan je de relatie zien tussen aantal vragen juist en het cijfer ü Vanavond verschijnen de juiste antwoorden op Blackboard.
1. Opa Jansen besteedt zijn hele inkomen aan koffie en cognac waarbij koffie en cognac perfecte complementen zijn. Wat kunnen we zeggen over de kruiselasticiteit van de vraag naar koffie en de prijs van cognac? 1. <0 2. =0 3. >0 4. kunnen we niets over zeggen zonder meer informatie Antwoord 1 Als cognac duurder wordt, zal opa Jansen minder koffie met cognac kunnen drinken, en dus ook minder koffie. De elasticiteit is dus kleiner dan 0. 2. Beschouw onderstaande mandjes: Mandje Voedsel Kleren A 4 15 B 6 9 C 7 6 Thomas heeft convexe nutsindifferentiecurven. Hij waardeert A even hoog als B. Wat kunnen we zeggen over zijn waarderen voor mandje C? (Tip: teken!) 1. C wordt minder hoog gewaardeerd als A en B 2. C wordt even hoog gewaardeerd als A en B 3. C wordt hoger gewaardeerd als A en B 4. Kunnen we niets over zeggen Antwoord 1. Alle drie de mandjes liggen op een rechte lijn en de nutsindifferentiecurve die door A en B gaat, gaat dus noodzakelijkerwijs boven C langs. 3 Hieronder zijn in vier figuren vier nutsindifferentiecurvenkaarten getekend C Fig. I C Fig II F F
C Fig. III C Fig IV F F In welk geval zal zich ongeacht de prijsverhouding een hoekoplossing (corner solution) voordoen - aangenomen dat de prijzen van C en F positief zijn? 1 I 2 II 3 III 4 IV Antwoord 4 In dit geval hangt het nut alleen af van F; deze consument zal dus altijd alleen voedsel kopen en geen kleren. 4. Appels en sinasappels zijn voor Johan perfecte substituten. Hij is altijd bereid om 1 appel te ruilen voor 2 sinaasappels. D prijs van appels is PA = 5 en van sinasappels is Ps = 3. Hoeveel sinaasappels zal Johan aanschaffen? 1. 5 2. 3 3. 0 4. Dat kunnen we niet zeggen zonder zijn inkomen te weten Johan waardeert een appel twee maal zo hoog als een sinasappel, en de marktprijs van appels is minder dan twee maal die van sinasappels. Hij gaat dus alleen appels eten. 5 Als we de productiefunctie nemen en het productieniveau constant houden, waarbij de hoeveelheid kapitaal en arbeid variëren, krijgen we een curve genaamd: 1. isoquant 2. totale product 3. efficiënt product 4. marginaal product Antwoord 1 6
Gegeven is de productiefunctie Q=L+2K. Bij deze productiefunctie is de MRTS gelijk aan: 1. 1/2 2. 1/3 3. 3 4. dat hangt af van de hoeveelheden arbeid en kapitaal antwoord 1 MPL is de afgeleide van L+2K naar L en dus 1 en MPK is de afgeleide naar K en dus 2. MRTS is dan MPL/PMK=1/2 7 Het producentensurplus is gelijk aan het verschil tussen: 1. prijs en marginale kosten 2. opbrengsten en totale vaste kosten 3. opbrengsten en totale kosten 4. opbrengsten en totale variabele kosten Antwoord 4; zie boek 8 Een winstmaximaliserend bedrijf in een perfect competitieve bedrijfstak heeft op korte termijn kostencurven zoals aangegeven in onderstaande figuur.
1. Dit bedrijf zal bij elke marktprijs produceren 2. Dit bedrijf zal produceren wanneer de marktprijs hoger is dan 9 3. Dit bedrijf zal niet produceren wanneer de marktprijs lager is dan 12 4. Dit bedrijf zal niet produceren wanneer de marktprijs lager is dan 21 9 Een bedrijf dat onder condities van volkomen mededinging werkt, heeft als totale kostenfunctie C = 20q 10q 2 + 2q 3. Hoeveel eenheden biedt het bedrijf aan als de prijs gelijk is aan 4? 1. 0 2. 4/3 3. 2 4. geen van bovenstaande antwoorden is juist antwoord 1 MC=20-20q+6q 2 =P=4 dus 6q 2-20q+16=0 q is dan 4/3 of 2; in beide gevallen is echter de AVC>P=4; nl. AVC=20-10q+2q 2, AVC(4/3)=10.2 en AVC(2)= 8; het bedrijf zal dus niets produceren.
10 Alle bedrijven in een bedrijfstak hebben als totale kostenfunctie C(q) = 25q 6q 2 + q 3. Er is sprake van perfecte competitie. Welke prijs geldt in het lange termijn evenwicht? 1. 8 2. 12 3. 16 4. 20 MC=25-12q+3q 2 =AC=25-6q+q 2 dus 2q 2 =6q dus q=3 en de P=AC=25-18+9=16 11 Een winstmaximaliserende monopolist heeft te maken met de vraagfunctie P = 100 5Q, en kostenfunctie C = 5Q. Hoeveel biedt deze monopolist aan als prijsdiscriminatie onmogelijk is? (afgerond op 1 cijfer achter de komma) 1. Q = 6.7 2. Q = 9.5 3. Q = 10 4. Q = 19 antwoord 2 R=100Q- 5Q 2, MR=100-10Q=MC=5 dus Q=95/10=9.5 12 Een monopolist die de winst maximaliseert, niet aan prijsdiscriminatie doet en positieve marginale kosten heeft, zal een prijs vragen waarbij geldt: 1. 1<ED<0 2. ED<- 1 3. 0<ED<1 4. ED>1 Antwoord 2 13 Een winstmaximaliserende monopolist heeft twee productievestigingen met marginale kosten van respectievelijk MC1 = 4Q1 en MC2 = 2Q2 waarbij Q1 en Q2 de productie in respectievelijk vestiging 1 en 2 is. De aanbodcurve is Q = 56 2P, waarbij Q = Q1 + Q2. Hoeveel zal deze monopolist produceren in beide vestigingen? 1. Q1 = 2, Q2 = 4 2. Q1 = 4, Q2 = 2 3. Q1 = 4, Q2 = 8 4. Q1 = 8, Q2 = 4
P = 28 Q/2 dus MR = 28 (Q1+Q2); MC1 = MC2 = MR, dus Q2 = 2Q1 en MC1 = 4Q1 = MR = 28 3Q1, dus 7Q1 = 28 en Q1 = 4, dus Q2 = 8. 14 Een winstmaximaliserende monopolist heeft de kostenfunctie C = Q 2 + Q + 1. De marktvraag is P = 16-3Q. Om de marktefficiëntie te maximaliseren, zal de overheid de maximumprijs vaststellen van: 1. P = 1 7/8 2. P = 3 3. P = 7 4. P = 10 3/8 Answer 3 With a normal monopolist, whose MC is increasing, it is efficient to find a price where MC equals the demand (not MC = MR). MC = 2Q+1 = 16 3Q, thus Q = 3, thus P = 7. 15 Een winstmaximaliserende monopolist heeft te maken met vraagcurve P = 15 Q. De marginale kosten zijn constant en gelijk aan 5. Hoe groot is het consumentensurplus als de monopolist eerstegraads prijsdiscriminatie toepast? 1. 0 2. 12.5 3. 25 4. 37.5 Antwoord 1 Bij eerstegraads prijsdiscriminatie is het consumentensurplus 0 omdat iedere consument een prijs betaalt die gelijk is aan zijn waardering voor het goed. 16 Een monopolist die derdegraads prijsdiscriminatie toepast, heeft te maken met twee deelmarkten. Op deelmarkt A is er sprake van constante prijselasticiteit van de vraag gelijk aan 3, op deelmarkt B is er sprake van constante prijselasticiteit van de vraag gelijk aan 5. Voor de prijzen die tot maximale winst leiden, geldt: 1. de prijs op deelmarkt A is 3/5 van de prijs op deelmarkt B 2. de prijs op deelmarkt A is 5/3 van de prijs op deelmarkt B 3. de prijs op deelmarkt A is 5/6 van de prijs op deelmarkt B 4. de prijs op deelmarkt A is 6/5 van de prijs op deelmarkt B Antwoord 4 P=MC/(1+1/E) dus PA=MC/(2/3)=(3/2)MC en PB=MC/(4/5)=(5/4)MC. PA is dus (3/2)/(5/4)=12/10=6/5
17 Een kapper in Amsterdam biedt studenten op vertoon van hun collegekaart 20% korting aan. Bezie onderstaande stellingen: I De markt voor kappers in Amsterdam is niet perfect competitief II Studenten zijn blijkbaar prijsgevoeliger voor kapsels dan andere Amsterdammers 1. Stelling I is waar, stelling II is niet waar 2. Stelling II is waar, stelling I is niet waar 3. Beide stellingen zijn waar 4. Beide stellingen zijn niet waar. Uit het feit dat deze kapper prijsdiscrimineert kunnen we concluderen dat hij marktmacht heeft (anders zouden de tarieven gelijk zijn aan de MC en zou korting tot verlies leiden). Omdat de prijs voor studenten lager is dan voor anderen, kunnen we concluderen dat de studenten prijsgevoeliger zijn. 18 Bezie de volgende beweringen. I. Peak load pricing is een vorm van prijsdiscriminatie waarbij de prijs varieert tussen verschillende tijdstippen. II. Het consumentensurplus is bij een monopolist die aan peak load pricing doet is altijd kleiner dan bij een monopolist die geen prijsdiscriminatie toepast. 1. I en II zijn beide juist 2. I is juist, II is onjuist 3. I is onjuist, II is juist 4. I en II zijn beide onjuist Antwoord 2. Stelling I is juist, zie boek en peak load pricing kan tot een groter CSP leiden doordat er dan buiten de spits meer gebruikt wordt gemaakt van het product dan zonder prijsdiscriminatie; dit kan opwegen tegen de hogere prijzen in de spits. 19 Twee winstmaximaliserende aanbieders opereren op een markt met vraagfunctie P = 20 Q. Aanbieder 1 heeft als kostenfunctie C1 = 2Q1; aanbieder 2 heeft als kostenfunctie C2 = Q2. Welke prijs geldt in het Cournot evenwicht, afgerond op 1 decimaal? 1. P=7.7 2. P=8.7 3. P=9.2 4. P=12.3 Antwoord 1
R1=Q1(20- Q1- Q2)=20Q1- Q1 2 - Q1Q2, MR1=20-2Q1- Q2=MC1=2, de reactiecurve van firma 1 is dus Q1=9-0.5Q2 R2=Q2(20- Q1- Q2)=20Q2- Q1Q2- Q2 2, MR2=20- Q1-2Q2=MC2=1, de reactiecurve van firma 2 is dus Q2=9.5-0.5Q1 Invullen: Q2=9.5-0.5(9-0.5Q2)=5+0.25Q2 dus Q2=(4/3)5=6 2/3 en Q1 is dan 9-10/3=5 2/3, totale productie is 12 1/3 en de prijs dus 20-12 1/3 =7 2/3, afgerond 7.7 20 In een markt is één winstmaximaliserende dominante firma actief en daarnaast zeer vele kleine bedrijven die alle prijsnemers zijn. De marktvraag is QD=300- P en de aanbodcurve van kleine bedrijven samen is QF=P- 100 voor P>100, waarbij F staat voor fringe. De marginale kosten van het dominante bedrijf zijn MC=50. Wat is de marktprijs? 1. 100 2. 125 3. 150 4. 175 Antwoord 2 De relevante vraagcurve voor de dominante firma is Qdominant=QD- QF=300- P- P+100=400-2P oftewel P=200-0.5Qdominant en MR=200- Qdominant=MC=50 dus Qdominant=150 en P=125 21 Gegeven is de volgende uitbetalingsmatrix: Speler 1 Speler 2 Links Rechts Boven 3,6 1,2 Midden 7,5 5,6 Onder 9,6 4,7 Wat is hier het unieke Nash evenwicht (in pure strategieën)? 1. Midden, Links 2. Midden, Rechts 3. Onder, Links 4. Er is geen uniek Nash evenwicht (in pure strategieën) Antwoord 2: allen midden rechts heeft een combinatie van best replies; beide spellers zullen niet eenzijdig willen veranderen. Speler 1 Speler 2 Links Rechts Boven 3,6 1,2 Midden 7,5 5,6
22 Hieronder is een productiemogelijkhedencurve (production possibility frontier) afgebeeld. C Onder 9,6 4,7 De absolute waarde van de helling van deze curve is gelijk aan: F 1. MCC + MCF 2. MCC/MCF 3. MCF/MCC 4. geen van deze, zie boek 23 Op de (perfect competitieve) Nederlandse papiermarkt is de vraagcurve: QD = 160 2P, en de aanbodcurve QS = 40 + 2P. De vervuiling die door de productie van papier wordt veroorzaakt brengt marginale externe kosten met zich mee ter grootte van MEC = 0,2Q. Hoe groot is maatschappelijk gezien de optimale productie? 1. Q = 0 2. Q = 30 3. Q = 50 4. Q = 60
De aanbodcurve P=20+0.5Q neemt niet de sociale kosten van vervuiling mee. Als we die wel doorberekenen komen we op P=20+0.7Q, gelijkstellen aan de vraagcurve P=80-0.5Q geeft 1.2Q=60 dus Q=50 24 Als de vrije markt een positief extern effect veroorzaakt dan brengt de markt: 1. meer dan de maatschappelijk optimale hoeveelheid voort 2. precies de maatschappelijk optimale hoeveelheid voort 3. minder dan de maatschappelijk optimale hoeveelheid voort 4. daar is zonder verdere informatie geen uitspraak over te doen 25 Een winstmaximaliserende monopolist biedt aan op een markt waarop de prijselasticiteit van de vraag constant en gelijk aan 4 is. De marginale kosten zijn constant, MC=30. De overheid besluit productie en consumptie van dit goed te stimuleren, door de monopolist een subsidie te geven van 3 euro per geproduceerde eenheid. Hoe verandert de prijs die de consumenten moeten betalen voor dit goed? 1. De prijs verandert niet; de monopolist steekt de 3 euro per eenheid in eigen zak 2. De prijs daalt met 3 euro 3. De prijs daalt met 4 euro 4. De prijs stijgt met 3 euro P=MC/(1+1/E)=MC/(3/4)=(4/3)*MC. Voor de subsidie was de prijs 40, na de subsidie zijn de MC gedaald tot 27 en wordt de prijs 36 26 Stel er zijn twee groepen consumenten A en B. Beide groepen bestaan uit 1000 personen. De marginale baten van een publiek goed zijn gelijk aan 4 voor elke consument uit groep A en aan 3 voor elke consument uit groep B. De marginale kosten van het publieke goed zijn gelijk aan MC=2Q, waarbij Q de hoeveelheid van het publieke goed weergeeft. Wat is de efficiënte hoeveelheid van het publieke goed? 1. Q = 500 2. Q = 1500 3. Q = 2000 4. Q = 3500 Antwoord 4 Elke geproduceerde eenheid geeft marginale sociale baten ter grootte van 1000*4+1000*3=7000; als we dit gelijk stellen aan de marginale kosten komen we op Q=3500.
27 Er zijn twee landen, Nederland en België, en twee goederen, kaas en bier. In Nederland kost het 1 uur arbeid om een kilo kaas te produceren en 2 uur arbeid om een fles bier te produceren. In België kost het 2 uur arbeid om een kilo kaas te produceren en 1 uur arbeid om een fles bier te produceren. Veronderstel dat de gemiddelde productiviteiten in beide sectoren in beide landen constant zijn, dat arbeiders perfect mobiel zijn tussen sectoren binnen landen en volledig immobiel tussen landen, en dat transportkosten verwaarloosbaar zijn. Wat is de prijs van kaas bij vrije handel tussen beide landen? 1. een halve fles bier 2. twee flessen bier 3. minstens een halve fles bier en maximaal twee flessen bier 4. geen van deze antwoorden is juist Bij gesloten grenzen kost een kilo kaas in Nederland een halve fles bier, en in België kost een kilo kaas twee flessen bier. Als de grenzen opengaan ontstaat er één prijs, en die zal tussen deze prijzen in moeten liggen. 28 In het keukentje van de onderzoeksgroep CREED staat een afwasmachine. Het is voor alle leden van de onderzoeksgroep van belang dat de afwasmachine regelmatig wordt aangezet en uitgeruimd. Sommige leden van de onderzoeksgroep doen dat echter nooit. Dit is een voorbeeld van: 1. moral hazard 2. adverse selection 3. free- rider gedrag 4. geen van bovenstaande termen zijn van toepassing Antwoord: 3