OEFENSCHRIFT DEEL 2 A1-A2 Basisleergang Nederlands voor anderstaligen Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Nederlands Taalonderwijs en Taaladvies (INTT) Nicky Heijne Marten Hidma Karolien Kamma Vrije Universiteit Amsterdam, Afdeling Nederlands Tweede Taal Titia Boers Gerrie Gastelaars Vita Olijhoek Eindredactie Vita Olijhoek
Inhoud 4 Hoofdstuk 1 Dat is een koopje! 4 Woorden 12 Grammatica & spelling 20 Hoofdstuk 2 Wat kan ik voor u doen? 20 Woorden 27 Grammatica & spelling 30 Hoofdstuk 3 Lees eerst de bijsluiter 30 Woorden 37 Grammatica & spelling 39 Hoofdstuk 4 Alleen is maar alleen 39 Woorden 47 Grammatica & spelling 50 Hoofdstuk 5 Hoe gaat het met je studie? 50 Woorden 57 Grammatica & spelling 62 Hoofdstuk 6 Naar het museum 62 Woorden 70 Grammatica & spelling 74 Hoofdstuk 7 En wat doe jij? 74 Woorden 81 Grammatica & spelling 87 Hoofdstuk 8 Het laatste nieuws 87 Woorden 96 Grammatica & spelling 98 Antwoorden
4 HOOFDSTUK 1 WOORDEN Hoofdstuk 1 Dat is een koopje! Woorden Taak 1 1 Lees de woorden. Hoort het bij afrekenen? ja nee 1 het bedrag 2 de bak 3 chippen 4 contant 5 groeien 6 de pincode 7 het procent 2 Wat hoort bij elkaar? 1 de kleding a nu, op dit moment 2 groeien b groter worden 3 tegenwoordig c de kleren 4 lukken d goed gaan 5 afrekenen e betalen 3 Kies het goede woord. 1 Bij kun je geen benzine kopen. a het benzinestation b de kiosk 2 Ik eet graag een met kaas. a broodje b pak 3 Zij haar oude auto via internet. a past b verkoopt 4 Kies het goede woord. 1 Bij het chippen kun je geen code. a afrekenen b intoetsen 2 Zij drinkt graag water, in de zomer. a tegenwoordig b vooral
WOORDEN HOOFDSTUK 1 5 3 Dat koop ik iedere maand in de kiosk. a tijdschrift b zegeltje 5 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: Tegenwoordig pas frisdrank beker de kantine 1 Ik drink altijd een melk bij het ontbijt. 2 In op school kun je broodjes en drinken kopen. 3 U kunt uw insteken en de code intoetsen. 4 Ik houd niet van. Ik drink liever thee of koffie. 5 betalen Nederlanders minder vaak met contant geld. 6 Schrijf de woorden in de tekst. Kies uit: genoeg lukt terug gepast afrekenen Spaart 1 klant Goedemorgen, kan ik? 2 verkoper Natuurlijk. Dat is dan 2,30. u ook zegeltjes? 3 klant Nee, dank u. Hebt u van 50,-? 4 verkoper Nee, sorry. Hebt u het misschien? 5 klant Even kijken. Ja hoor, dat wel. Ik heb kleingeld. 7 Wat hoort bij elkaar? 1 het bakje a de frisdrank 2 het pakje b de kauwgom 3 de beker c de champignons 8 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: broodje betalingen tijdschriften het benzinestation pakje 1 Ik lees meer kranten dan. 2 Ik heb altijd een kauwgom in mijn tas. 3 Het aantal met de chipknip zal kleiner worden. 4 Bij verkopen ze ook broodjes en frisdrank. 5 In de kantine koop ik altijd een voor de lunch. 9 Wat hoort bij elkaar? 1 gepast a intoetsen 2 je pas b insteken 3 je pincode c betalen 4 zegeltjes d van 50,- 5 terug hebben e sparen
6 HOOFDSTUK 1 WOORDEN 10 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: Verkoopt bedragen procent Gebruik de kiosk 1 In vlak bij het station koop ik iedere dag een pakje kauwgom. 2 Nederlanders betalen bij veertig van alle betalingen met hun pinpas. 3 jij vaker contant geld of je chippas? 4 Voor welke gebruik jij je pinpas? 5 u ook tijdschriften? 11 Schrijf de woorden in de tekst. Kies uit: kleingeld genoeg vooral de kantine reken gebruik Hoe ik betaal? Nou, in de meeste winkels ik mijn pinpas, in de supermarkt en in kledingwinkels. Op de markt ik vaak af met contant geld. Daar kun je meestal niet pinnen. In op mijn werk betaal ik met mijn chipknip. Soms staat er niet geld op mijn chipknip. Dan betaal ik toch met. Taak 2 12 Kies het goede woord. 1 Eric vindt een bank van niet zo mooi. a leer b materiaal 2 Onze buren hebben een kindje gekregen. Het is een en het is hun tweede dochter. a koopje b meisje 3 Ik moet, mijn college begint over tien minuten. a meteen b weg 13 Wat hoort bij elkaar? 1 het muziekinstrument a de universiteit 2 tegen elk aannemelijk bod b tegen iedere prijs 3 het college c het hout 4 het materiaal d de piano 5 het apparaat e de wasmachine
WOORDEN HOOFDSTUK 1 7 14 Wat hoort bij elkaar? 1 veel a nu 2 het meisje b alles moet weg 3 een koopje c de jongen 4 redelijk d vrij goed 5 meteen e weinig 15 Kies het goede woord. 1 Die caravan is te koop tegen elk bod. a aannemelijk b ieder 2 In 1930 waren er niet veel elektrische in huis. a apparaten b materialen 3 Mijn zoontje iedere maand de auto. Daar krijgt hij 3,- voor. a steelt b wast 16 Lees de zinnen. Zijn de zinnen waar of niet waar? waar niet waar 1 De verkoper zegt wat de vraagprijs is. 2 Een gestolen auto is gekocht bij een verkoper. 3 Een heel goede, nieuwe fiets is in redelijke staat. 4 In de koelkast blijft het vlees langer goed. 5 Een auto is een muziekinstrument. 6 Je kunt de kamer binnenkomen door een deur. 7 Leer en hout zijn materialen. 17 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: programma's merk advertentie nette college 1 Ik heb vandaag van dr. Bouwman. Dat is een geweldige docent. 2 Ik heb uw op internet gelezen en ik wil die stoelen graag hebben. 3 Van welk is jouw telefoon? Ik geloof van Nokia. 4 De verkoper had kleren aan. Hij droeg een zwarte broek, een witte blouse en mooie schoenen. 5 Mijn nieuwe wasmachine heeft negen! 18 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: de koelkast slechts was apart deel 1 Deze wasmachine heeft een programma voor uw sportkleren.
8 HOOFDSTUK 1 WOORDEN 2 Het onderste van de koelkast is voor de groenten. 3 Die laptop kost 350,-. Dat is een koopje! 4 Hoe vaak jij je haar? Dat doe ik drie keer per week. 5 Op een warme dag is een koud biertje uit heerlijk. 19 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: aparte ieder de deur deel programma 1 In welk van de tuin mogen de kippen komen? 2 Doe eens open! Ik wil naar binnen. 3 De badkamer heeft een bad en een douche. 4 Hier heeft huis een grote tuin. Er zijn geen kleine tuinen. 5 Ik heb deze trui op het verkeerde gewassen! Hij is veel te klein geworden! 20 Schrijf de woorden in de tekst. Kies uit: meteen bod De vraagprijs nette merk slechts weinig advertentie staat koopje gestolen 1 Piet Goedemiddag, ik zag uw van een herenfiets in de supermarkt. Hebt u hem nog? John Ja hoor. 2 Piet In welke is de fiets? 3 John Hij is zo goed als nieuw. Ik heb hem vier keer gebruikt. 4 Piet Dat is echt! Welk is het? Batavus? John Nee, het is een fiets van Sparta. 5 Piet Hij is toch niet hè? Dat hoor je tegenwoordig zo vaak. 6 John Nee, natuurlijk niet. Ik ben een oude heer en ik heb het bonnetje nog! Piet Hoeveel kost de fiets? 7 John is 350,-. 8 Piet Dat is niet veel. Dat lijkt mij een! 9 John Wilt u al een doen? Piet Nee, nog niet. Ik wil eerst komen kijken. Kan dat? 10 John Natuurlijk. Dat kan nu. Lukt dat? Piet Ja hoor, dan ziet u mij over een kwartier.