OEFENSCHRIFT DEEL 2 A1-A2

Vergelijkbare documenten
takenboek DeeL 2 A1-A2

Dat is een koopje! HOOFDSTUK 8 WOORDEN. Kies het goede woord. Ik ga even naar de... Ik ga sla en tomaten halen. a groenteman b slager

OEFENSCHRIFT DEEL 3 A2-B1

TAKENBOEK DEEL 1 0-A1

Spreekopdrachten thema 2 Boodschappen

ANTWOORDEN TAALCOMPLEET A2 THEMA 2 GELD

Te huur HOOFDSTUK 4 WOORDEN. Kies het goede woord. 1 Ik woon in een flat op de vierde... a verdieping b appartement

Spreekopdrachten thema 7 Werken

Wat gaan we doen? Kies uit: bijzondere dagelijks gratis aanstaande praktisch. 1 Dick en Anna gaan vrijdag trouwen. Dat is over twee dagen.

- je kan me wat - module 3. docere delectare movere. je kan me wat nt2taalmenu.nl module 3. tekeningen -

Spreken. Les 4: Wat zeg je? In een kledingzaak. SPREKEN NIVEAU A1

Gewoon zo! Geld: Wat moet je weten als je gaat winkelen? MAKKELIJKLEZENGIDS OVER GELD

Spreken. Les 4: Wat zeg je? In een kledingzaak OPDRACHTKAART.

afgeven de kleur gaat in de Dit rode overhemd moet je apart wassen, want het g a. andere kleren zitten

Wat eten we vanavond?

REGELS. Onderstreep de pluralisvorm in de zin.

Lees je mee? Blaffende agent en andere bijzondere verhalen. werkbladen om methodisch en thematisch te werken aan leesbeleving

Werkwoordoefeningen bij les 5

Cursistenboek Taalklas.nl Hoofdstuk 7 In huis

2.7 In de supermarkt **

ALFA A ANTWOORDEN STER IN LEZEN

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

Cursistenboek Taalklas.nl Hoofdstuk 1 Het huis

Cursistenboek Taalklas.nl Hoofdstuk 11 In de winkel

1c nr. 1: zinnen maken

Spreekopdrachten thema 2 Boodschappen

Herhalingsoefeningen. Thema 3 Familie en relaties. 1 Woorden. Familie

Grammatica. Inhoud. 1. De en het. 2. Meervoud. 3. Werkwoord. 4. Vraagwoorden. 5. Zinnen maken Zinnen maken 2. 7.

- je kan me wat - module 4. docere delectare movere

Spreekopdrachten thema 1 Nederland

- je kan me wat - module 4. docere delectare movere

REGELS. Kies het goede woord. 1 Ik vind de fiets niet mooi. Ik koop... niet. a het b hem

Wat zie je er leuk uit!

Spreken Oefentoets spreken. SPREKEN NIVEAU A1

TAKENBOEK DEEL 4 B1-B2

Alles onder de knie? 1 Herhalen. Intro. Met de docent. 1 Werk samen. Lees het begin van de gesprekjes. Maak samen de gesprekjes af.

Leesboekje eten en drinken

1. De verjaardag OPDRACHT 1. OPDRACHT 2 1. b) niet waar 2. a) waar 3. b) niet waar 4. a) waar 5. b) niet waar

Thema Kinderen en school. Lesbrief 18. Voor het eerst naar school

Lees eerst de bijsluiter

Thema Kinderen en school. Les 18. Voor het eerst naar school

AANWIJZEND VOORNAAMWOORD. A) Welk woord past in de zin? Kies uit die of dat. 1. Heb je het huiswerk gemaakt? 7. Ga je naar één van onze feestjes?

Herhalingsoefeningen. Thema 7 Wonen. 1 Woorden. 2 Woorden. Zet de objecten in de juiste kolom:

ANTWOORDEN TAALCOMPLEET A1 THEMA 2 BOODSCHAPPEN

3 Jij gaat toch volgende week verhuizen? Je mag het... van mijn vriendin wel gebruiken! a bus b busje

Thema Op zoek naar werk. Lesbrief 7. Werk vragen in een winkel

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

2c nr. 1 zinnen met want en omdat

Veertien leesteksten. Leesvaardigheid A1. Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek. Ad Appel

Geregeld spreken. Ditte Oost & Monique Schoorl ANTWOORDEN

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

Spreekopdrachten thema 4 Wonen

Thema Op zoek naar werk. Lesbrief 10. Het sollicitatiegesprek Afspraken maken

Thema Op zoek naar werk. Les 10. Het sollicitatiegesprek Afspraken maken

Spreekopdrachten thema 4 Wonen

Thema In en om het huis

Thema Op het werk. Lesbrief 12. De eerste werkdag

de appel het fruit de peer de sinaasappel de banaan

Thema Op het werk. Les 12. De eerste werkdag

Thema In en om het huis.

Hoe gaat het met je studie?

Thema Informatie vragen bij een instelling

Voor jou. Verhalen van mantelzorgers. Anne-Rose Hermer

Rekenmodule procenten Pagina 1

Rekenmodule procenten Pagina 1

Thema Kinderen en school. Lesbrief 10. Voor het eerst naar school

Taak 1 en 2 opdracht 3 De Balans deel 1

Kijk nog eens in het boek op bladzijde 80 naar Werkwoorden in een andere tijd.

Spreekopdrachten thema 2 Geld

Thema Op zoek naar werk. Demet TV. Lesbrief 7. Het sollicitatiegesprek Afspraken maken

ISK Leerlijn. Alfabetisering. zitten. een twee drie vier vijf zes zeven acht negen tien

Spreekopdrachten thema 3 Vervoer

Antwoorden Thema 5 Vrije tijd

Kun jij slim shoppen?

Actielessen. Lesbrief 1. Nederlands leren. Wat leert u in deze les? Veel succes!

Meander. Aardrijkskunde WERKBOEK

Cursistenboek Taalklas.nl Hoofdstuk 5 Eten

Cursistenboek Taalklas.nl Hoofdstuk 3 Het weer

Thema In en om het huis

Thema In en om het huis

Cursistenboek Taalklas.nl Hoofdstuk 9 Lekker vrij!

Thema 2 Boodschappen. Inhoudsopgave

REGELS. Onderstreep het onregelmatige werkwoord in de zin.

Programma Nederlands Praten

Extra spreekopdrachten

Signaalwoorden en verschillende vormen van woorden

de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop.

Toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen

De wereld op zijn kop! Kan de wereld op zijn kop staan? Met gym heb je het vast wel eens geprobeerd Op je kop staan, bedoel ik, soms lukt het

HOOFDSTUK 14. En wat doe jij? Lees de woorden. Hoort het bij een baan of bij werk zoeken?

Ontdek jouw aanpak Gezond eten met de Schijf van Vijf

Geef antwoord op de vraag met een complete zin. VOORBEELD: Waar slaap jij? ANTWOORD: Ik slaap in een bed. (Schrijf uw antwoorden ook in uw schrift).

BEGINNERSCURSUS DAG 8

Wat gebeurt er nadat je iets hebt besteld op het internet? Kijk naar het volgende filmpje:

Groeten. Wie groet je? Hoe laat? Welke woorden gebruik je?

Inhoud. Woord vooraf 8

MODULE 1 OPDRACHT 16. OPDRACHT heten 2. heet 3. heet 4. heten 5. heet 6. heten 7. heet 8. heet 9. heten 10. heet

Actielessen. Lesbrief 3. Leren in de bibliotheek. Wat leert u in deze les? Veel succes!

Melkweg. Een volle tas. Lezen van Alfa A naar Alfa B. Boodschappen

Spekkoek. Op de terugweg praat zijn oma de hele tijd. Ze is blij omdat Igor maandag mag komen werken.

Transcriptie:

OEFENSCHRIFT DEEL 2 A1-A2 Basisleergang Nederlands voor anderstaligen Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Nederlands Taalonderwijs en Taaladvies (INTT) Nicky Heijne Marten Hidma Karolien Kamma Vrije Universiteit Amsterdam, Afdeling Nederlands Tweede Taal Titia Boers Gerrie Gastelaars Vita Olijhoek Eindredactie Vita Olijhoek

Inhoud 4 Hoofdstuk 1 Dat is een koopje! 4 Woorden 12 Grammatica & spelling 20 Hoofdstuk 2 Wat kan ik voor u doen? 20 Woorden 27 Grammatica & spelling 30 Hoofdstuk 3 Lees eerst de bijsluiter 30 Woorden 37 Grammatica & spelling 39 Hoofdstuk 4 Alleen is maar alleen 39 Woorden 47 Grammatica & spelling 50 Hoofdstuk 5 Hoe gaat het met je studie? 50 Woorden 57 Grammatica & spelling 62 Hoofdstuk 6 Naar het museum 62 Woorden 70 Grammatica & spelling 74 Hoofdstuk 7 En wat doe jij? 74 Woorden 81 Grammatica & spelling 87 Hoofdstuk 8 Het laatste nieuws 87 Woorden 96 Grammatica & spelling 98 Antwoorden

4 HOOFDSTUK 1 WOORDEN Hoofdstuk 1 Dat is een koopje! Woorden Taak 1 1 Lees de woorden. Hoort het bij afrekenen? ja nee 1 het bedrag 2 de bak 3 chippen 4 contant 5 groeien 6 de pincode 7 het procent 2 Wat hoort bij elkaar? 1 de kleding a nu, op dit moment 2 groeien b groter worden 3 tegenwoordig c de kleren 4 lukken d goed gaan 5 afrekenen e betalen 3 Kies het goede woord. 1 Bij kun je geen benzine kopen. a het benzinestation b de kiosk 2 Ik eet graag een met kaas. a broodje b pak 3 Zij haar oude auto via internet. a past b verkoopt 4 Kies het goede woord. 1 Bij het chippen kun je geen code. a afrekenen b intoetsen 2 Zij drinkt graag water, in de zomer. a tegenwoordig b vooral

WOORDEN HOOFDSTUK 1 5 3 Dat koop ik iedere maand in de kiosk. a tijdschrift b zegeltje 5 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: Tegenwoordig pas frisdrank beker de kantine 1 Ik drink altijd een melk bij het ontbijt. 2 In op school kun je broodjes en drinken kopen. 3 U kunt uw insteken en de code intoetsen. 4 Ik houd niet van. Ik drink liever thee of koffie. 5 betalen Nederlanders minder vaak met contant geld. 6 Schrijf de woorden in de tekst. Kies uit: genoeg lukt terug gepast afrekenen Spaart 1 klant Goedemorgen, kan ik? 2 verkoper Natuurlijk. Dat is dan 2,30. u ook zegeltjes? 3 klant Nee, dank u. Hebt u van 50,-? 4 verkoper Nee, sorry. Hebt u het misschien? 5 klant Even kijken. Ja hoor, dat wel. Ik heb kleingeld. 7 Wat hoort bij elkaar? 1 het bakje a de frisdrank 2 het pakje b de kauwgom 3 de beker c de champignons 8 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: broodje betalingen tijdschriften het benzinestation pakje 1 Ik lees meer kranten dan. 2 Ik heb altijd een kauwgom in mijn tas. 3 Het aantal met de chipknip zal kleiner worden. 4 Bij verkopen ze ook broodjes en frisdrank. 5 In de kantine koop ik altijd een voor de lunch. 9 Wat hoort bij elkaar? 1 gepast a intoetsen 2 je pas b insteken 3 je pincode c betalen 4 zegeltjes d van 50,- 5 terug hebben e sparen

6 HOOFDSTUK 1 WOORDEN 10 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: Verkoopt bedragen procent Gebruik de kiosk 1 In vlak bij het station koop ik iedere dag een pakje kauwgom. 2 Nederlanders betalen bij veertig van alle betalingen met hun pinpas. 3 jij vaker contant geld of je chippas? 4 Voor welke gebruik jij je pinpas? 5 u ook tijdschriften? 11 Schrijf de woorden in de tekst. Kies uit: kleingeld genoeg vooral de kantine reken gebruik Hoe ik betaal? Nou, in de meeste winkels ik mijn pinpas, in de supermarkt en in kledingwinkels. Op de markt ik vaak af met contant geld. Daar kun je meestal niet pinnen. In op mijn werk betaal ik met mijn chipknip. Soms staat er niet geld op mijn chipknip. Dan betaal ik toch met. Taak 2 12 Kies het goede woord. 1 Eric vindt een bank van niet zo mooi. a leer b materiaal 2 Onze buren hebben een kindje gekregen. Het is een en het is hun tweede dochter. a koopje b meisje 3 Ik moet, mijn college begint over tien minuten. a meteen b weg 13 Wat hoort bij elkaar? 1 het muziekinstrument a de universiteit 2 tegen elk aannemelijk bod b tegen iedere prijs 3 het college c het hout 4 het materiaal d de piano 5 het apparaat e de wasmachine

WOORDEN HOOFDSTUK 1 7 14 Wat hoort bij elkaar? 1 veel a nu 2 het meisje b alles moet weg 3 een koopje c de jongen 4 redelijk d vrij goed 5 meteen e weinig 15 Kies het goede woord. 1 Die caravan is te koop tegen elk bod. a aannemelijk b ieder 2 In 1930 waren er niet veel elektrische in huis. a apparaten b materialen 3 Mijn zoontje iedere maand de auto. Daar krijgt hij 3,- voor. a steelt b wast 16 Lees de zinnen. Zijn de zinnen waar of niet waar? waar niet waar 1 De verkoper zegt wat de vraagprijs is. 2 Een gestolen auto is gekocht bij een verkoper. 3 Een heel goede, nieuwe fiets is in redelijke staat. 4 In de koelkast blijft het vlees langer goed. 5 Een auto is een muziekinstrument. 6 Je kunt de kamer binnenkomen door een deur. 7 Leer en hout zijn materialen. 17 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: programma's merk advertentie nette college 1 Ik heb vandaag van dr. Bouwman. Dat is een geweldige docent. 2 Ik heb uw op internet gelezen en ik wil die stoelen graag hebben. 3 Van welk is jouw telefoon? Ik geloof van Nokia. 4 De verkoper had kleren aan. Hij droeg een zwarte broek, een witte blouse en mooie schoenen. 5 Mijn nieuwe wasmachine heeft negen! 18 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: de koelkast slechts was apart deel 1 Deze wasmachine heeft een programma voor uw sportkleren.

8 HOOFDSTUK 1 WOORDEN 2 Het onderste van de koelkast is voor de groenten. 3 Die laptop kost 350,-. Dat is een koopje! 4 Hoe vaak jij je haar? Dat doe ik drie keer per week. 5 Op een warme dag is een koud biertje uit heerlijk. 19 Schrijf de goede woorden in de zinnen. Kies uit: aparte ieder de deur deel programma 1 In welk van de tuin mogen de kippen komen? 2 Doe eens open! Ik wil naar binnen. 3 De badkamer heeft een bad en een douche. 4 Hier heeft huis een grote tuin. Er zijn geen kleine tuinen. 5 Ik heb deze trui op het verkeerde gewassen! Hij is veel te klein geworden! 20 Schrijf de woorden in de tekst. Kies uit: meteen bod De vraagprijs nette merk slechts weinig advertentie staat koopje gestolen 1 Piet Goedemiddag, ik zag uw van een herenfiets in de supermarkt. Hebt u hem nog? John Ja hoor. 2 Piet In welke is de fiets? 3 John Hij is zo goed als nieuw. Ik heb hem vier keer gebruikt. 4 Piet Dat is echt! Welk is het? Batavus? John Nee, het is een fiets van Sparta. 5 Piet Hij is toch niet hè? Dat hoor je tegenwoordig zo vaak. 6 John Nee, natuurlijk niet. Ik ben een oude heer en ik heb het bonnetje nog! Piet Hoeveel kost de fiets? 7 John is 350,-. 8 Piet Dat is niet veel. Dat lijkt mij een! 9 John Wilt u al een doen? Piet Nee, nog niet. Ik wil eerst komen kijken. Kan dat? 10 John Natuurlijk. Dat kan nu. Lukt dat? Piet Ja hoor, dan ziet u mij over een kwartier.