5 De speciale relativiteitstheorie
|
|
|
- Annelies van den Brink
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 83 5 De speiale relativiteitstheorie 5.1 Historishe introdutie en Einsteins postulaten De relativiteitstheorie is geboren in het prille begin van de twintigste eeuw. De negentiende eeuw was net ten eind gekomen, en de natuurkunde bevond zih in een unieke positie: voor het eerst in de geshiedenis leken alle fundamentele vraagstukken opgelost te zijn. Al in de 17e eeuw had Sir Isaa Newton ( ) een theoretish model opgesteld waarmee beweging en krahten in detail konden worden berekend en voorspeld, samengevat in drie wetten die nu zijn naam dragen. Tezamen met Newtons universele wet van de zwaartekraht konden deze drie wetten zelfs de banen van de planeten om de zon perfet 51 beshrijven. Ook konden deze wetten, wanneer toegepast op de aanname dat materie bestaat uit vele minisule deeltjes in onstante botsing, de wetten van de warmteleer reprodueren; hiermee was het vakgebied van de thermodynamia vrijwel geheel 52 verklaard, wat een triomf is van de newtoniaanse bewegingsleer. Verder was er nog de theorie van de elektrishe en magnetishe velden, onderzoht door Faraday, Oersted, Coulomb en Savart, en uiteindelijk halverwege de 19e eeuw tot een wiskundig geheel samengesmeed door James Clerk Maxwell ( ); de vier wetten van deze theorie dragen nu zijn naam. Er geldt B t E = 4πJ, E + t B = 0, E = 4πρ, B = 0, (177) voor de elektrishe en magnetishe velden E en B in vauüm in eenheden waarbij µ 0 = ɛ 0 = = 1. Hierbij stelt ρ de dihtheid van elektrishe lading voor en J de stroomdihtheid. Ook deze theorie, de elektrodynamia geheten, was uitermate suesvol. Het beshrijft, onder andere, de interatie tussen elektriiteit en magnetisme en laat zien dat zij eigenlijk een aspet zijn van een en dezelfde kraht. Ook laten de wetten van Maxwell zien dat elektrishe en magnetishe velden verstoord kunnen worden, en dat deze verstoring zih voortplant met een snelheid van kilometer per seonde, een waarde nu universeel aangegeven door de letter. 53 Dit is preies de snelheid waarvan men al lang eerder gemeten had dat het liht zih ermee voortplant, en de onlusie werd dan ook al snel getrokken dat liht niets anders is dan een verstoring in het elektromagnetishe veld. Al snel konden alle regels uit de lenzen- en spiegelleer afgeleid worden uit de elektrodynamia, en hiermee werd het gehele vakgebied van de optia een solide fundament gegeven. Het was dan ook geen wonder dat de natuurkundigen aan het eind van de negentiende eeuw in een euforishe staat verkeerden. Er waren weliswaar nog bepaalde berekeningen in detail uit te voeren, maar niets leek erop te wijzen dat er meer zou bestaan dan de elektromagnetishe kraht en de zwaartekraht, en dat alle relaties tussen krahten en bewegingen beshreven konden 51 Later zullen we zien dat er wel degelijk een afwijking bekend was van de planeetbanen zoals beshreven door newtoniaanse wetten, te weten de periheliumvershuiving van Merurius. Het verklaren van deze afwijking was een van de eerste experimentele veriaties van Einsteins theorie van de zwaartekraht: de algemene relativiteitstheorie. We komen hier in latere hoofdstukken op terug. 52 Ook hier geldt een kleine opmerking: er waren enkele onduidelijkheden (zoals de Gibbs orretiefator) die later verklaard zijn door de quantummehania. 53 De keuze voor de letter komt van het Griekse woord voor snelheid, eleritas.
2 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 84 worden door de leer van Newton. Alle andere krahten en vershijnselen (liht, warmte,..) waren al aangetoond een diret gevolg te zijn van de wetten van Newton of de wetten van Maxwell (of een ombinatie van beide), en er waren simpelweg weinig aanwijzingen om te vermoeden dat de natuur zih aan meer wetten hield dan deze. Er waren in het begin van de twintigste eeuw dan ook maar weinig natuurkundigen die zih realiseerden dat er wel degelijk een fundamenteel probleem versholen zat in deze twee grote theorieën. Het probleem zat hem niet in de theorieën afzonderlijk, maar in hun ombinatie. De wetten van Maxwell laten zien, zoals we besproken hebben, dat er golven bestaan die zih voortplanten door de ruimte en dat zij dit doen met preies de snelheid van het liht. De elektrodynamia zegt bovendien dat deze snelheid dezelfde is voor alle waarnemers, ook als deze zih ten opzihte van elkaar met onstante snelheid bewegen. Dat is op zihzelf wel wonderlijk, maar hoeft nog geen probleem te zijn (zolang het maar niet door experiment tegengesproken wordt). Het probleem openbaart zih pas wanneer nu tegelijkertijd de wetten van Newton worden beshouwd: deze zeggen namelijk dat alle snelheden (ook die van het liht) wel degelijk behoren te vershillen tussen waarnemers die zelf een snelheid hebben ten opzihte van elkaar: dit zit onmiskenbaar ingebouwd in de wetten van Newton. Het was dan ook duidelijk dat de wetten van Newton en de wetten van Maxwell elkaar op enkele punten tegenspreken, en dat een van deze sets aangepast zou moeten worden. Het bleken de wetten van Newton te zijn. Het is deze noodzaak tot aanpassing die de jonge Albert Einstein in 1905 leidde tot de theorie die wij nu de speiale relativiteitstheorie (SRT) noemen. Als startpunt van de SRT nam Einstein twee postulaten, twee prinipes waar geen bewijs van bekend is, maar waarvan hij vermoedde dat de natuur die altijd in aht nam. Beide zijn gebaseerd op vermoedens gevoed door de elektrodynamia, en beide zullen nu in zeker detail besproken worden. De wetten van Maxwell laten zien dat een elektromagnetishe verstoring zih voortplant met de snelheid van het liht ongeaht met welke snelheid een waarnemer zelf beweegt. Dit is een wonderlijk resultaat: als waarnemer A een foton voorbij ziet vliegen met de snelheid van het liht,, en een waarnemer B beweegt zih met een zekere snelheid v ten opzihte van A in dezelfde rihting als het foton, dan zegt het `gezond verstand' dat waarnemer B het foton met een snelheid v ziet bewegen. De wetten van Maxwell zeggen ehter dat ook waarnemer B het foton met ziet bewegen, en dat hetzelfde geldt voor alle waarnemers C, D,... die zih met een onstante snelheid bewegen ten opzihte van waarnemer A. Nogmaals: de verklaring voor dit gegeven is niet bekend, maar Einstein nam het als een gegeven, een feit van de natuur. Hij breidde het zelfs uit: waar de elektrodynamia suggereert dat dit een eigenshap is van louter en alleen het liht, nam Einstein aan dat alles wat zih met deze snelheid beweegt aan deze eigenshap voldoet. Dit vormt dan het eerste postulaat van de SRT: Postulaat 1: de lihtsnelheid heeft dezelfde waarde voor alle waarnemers die zih ten opzihte van elkaar bewegen met een onstante snelheid. Dit gegeven staat bekend als het prinipe van de invariantie van de lihtsnelheid. De fysishe (en zelfs lososhe!) impliaties van dit postulaat zijn enorm, omdat het diret tot gevolg heeft dat de duur van tijd en de grootte van afstanden niet hetzelfde kunnen zijn voor al deze waarnemers. Het tweede postulaat komt voort uit een andere eigenshap van de elektrodynamia. Zoals verteld gaat de elektrodynamia over de relatie tussen elektrishe velden en magnetishe velden, waar een elektrish veld een maat is voor de invloed van een stilstaand geladen deeltje op alle andere geladen deeltjes in zijn omgeving; een magnetish veld is een maat voor de invloed van een bewegend geladen deeltje op alle andere geladen deeltjes in zijn omgeving. Op het eerste geziht lijken deze denities in elkaar over te gaan. Immers, een stilstaand deeltje kan ook gezien worden als een bewegend deeltje wanneer de waarnemer van een stilstaand geladen deeltje besluit
3 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 85 met onstante snelheid te gaan bewegen; dientengevolge zal het elektrish veld van het deeltje gedeeltelijk overgaan in een magnetish veld. In zoverre lijkt het vershil tussen de twee velden slehts een keuze. Ehter, er is een heel fysish vershil tussen de twee velden, en dat is dat een ervan voldoet aan twee van de vier wetten van Maxwell, waar het andere veld voldoet aan de twee andere wetten van Maxwell, met fysish heel vershillende eigenshappen. Bovendien is het gevolg van een elektrish veld op een tweede geladen deeltje een kraht F = qe die parallel is aan het elektrishe veld, waar het gevolg van een magnetish veld een kraht F = qv B is die loodreht staat op het magnetishe veld. Als het vershil tussen elektrishe en magnetishe velden slehts een keuze is van de snelheid van de waarnemer, hoe kan het dan zijn dat een fysish meetbaar vershijnsel als kraht op een geladen deeltje zo vershillend is? Blijkbaar is er wel degelijk een heel fundamenteel vershil tussen elektrishe en magnetishe velden. Ondanks dit shijnbare vershil, is er de volgende wonderlijke eigenshap van de elektrodynamia: als twee waarnemers, die relatief ten opzihte van elkaar bewegen met onstante snelheid, de wetten van Maxwell toepassen op een en hetzelfde systeem van geladen deeltjes, dan zullen zij tot dezelfde fysishe resultaten komen, ongeaht alle shijnbaar fundamentele vershillen tussen elektrishe en magnetishe velden. De waarnemers vershillen dan wel van mening over welke rihting de krahten op wijzen, of de deeltjes al dan niet bewegen, en elektrishe velden voor de ene waarnemer zijn magnetishe voor de ander, maar het totaal van al deze eeten geeft uiteindelijk preies dezelfde fysishe voorspellingen. Hiermee wordt bedoeld dat als de twee waarnemers hun voorspellingen orrigeren voor het feit dat zij met onderling snelheid bewegen ten opzihte van elkaar, deze altijd preies overeenkomen: de wetten van Maxwell kunnen dus worden toegepast door beide waarnemers zonder op onderlinge tegenstrijdigheden te stuiten. Blijkbaar maakt de natuur, in ieder geval wat elektromagnetishe velden betreft, geen ondersheid tussen waarnemers met onderling vershillende onstante snelheden. Einstein nam dit aan als een gegeven, en nam aan dat dit geldt voor alle natuurkundige vershijnselen (niet alleen de elektromagnetishe). Dit vormt het tweede postulaat van de SRT: Postulaat 2: de natuur maakt geen ondersheid tussen waarnemers die zih ten opzihte van elkaar bewegen met onstante snelheid. Praktish betekent dit postulaat dat het onmogelijk is om via experimenten te bepalen of een waarnemer in absolute beweging is of niet: het vershil tussen vershillende waarnemers is fundamenteel niet meetbaar. Hierdoor is elke waarnemer even `orret' als elke andere waarnemer die zih met onstante snelheid beweegt ten opzihte van de eerste. In het bijzonder betekent dit dat er geen waarnemersstelsel is ten opzihte waarvan fysishe grootheden gemeten moeten worden: elk ander stelsel voldoet namelijk even goed. De gemeten waarden van de grootheden vershillen in het algemeen 54 per waarnemer, maar de wetten waaraan deze grootheden voldoen dienen allemaal preies hetzelfde te zijn. Daarom moet bij elke meting van een grootheid aangegeven worden ten opzihte van welke waarnemer het gemeten is. Dit wil zeggen: uitkomsten van metingen hebben nooit absolute betekenis, maar slehts louter relatief. Dit postulaat staat daarom bekend als het relativiteitsprinipe. Dit levert een wiskundig voorshrift: teneinde een theorie te formuleren die voldoet aan het relativiteitsprinipe, moeten de wiskundige wetten van deze theorie geshreven worden in een vorm die geen ondersheid maakt tussen waarnemers met vershillende onstante snelheden. Dit zullen we dan ook expliiet doen in het vervolg. 5.2 Het minkowskilijnelement Nu de twee postulaten van de SRT zijn gemotiveerd, kunnen we deze gaan gebruiken om de relatie tussen tijd en ruimte te onderzoeken, en de wetten van beweging af te leiden. Startpunt 54 Er zijn uitzonderingen op deze regel: er bestaan ook grootheden die hetzelfde zijn voor alle waarnemers. Een ervan is al genoemd: de lihtsnelheid.
4 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 86 is het lijnelement ds 2 = g µν dx µ dx ν. (178) De metriek speelt zoals altijd de hoofdrol. In het geval van de SRT (en wanneer geshreven in artesishe oördinaten) wordt de metriek gegeven door η µν = (179) Deze metriek draagt de naam minkowskimetriek, en wordt onventioneel aangeduid door de griekse letter η, oftewel g µν = η µν. De inverse van de minkowskimetriek is eenvoudig te vinden, en blijkt preies dezelfde vorm te hebben als de metriek zelf, η µν = Als we het lijnelement uitshrijven vinden we (180) ds 2 = 2 dt 2 + dx 2 + dy 2 + dz 2. (181) Dit kunnen we meteen gebruiken om een fysishe interpretatie toe te kennen aan het lijnelement. Ten eerste kan worden opgemerkt dat de laatste drie termen preies de stelling van Pythagoras vormen 55. Dit betekent dat als een waarnemer de afstand tussen twee punten in ruimtetijd meet, en dat op hetzelfde tijdstip doet, voor deze waarnemer geldt dat ds 2 niets anders is dan de afstand tussen deze twee punten. Verder kan worden opgemerkt dat als een waarnemer het tijdsvershil meet tussen twee gebeurtenissen en dat doet zonder ondertussen van positie te veranderen ten opzihte van de gebeurtenissen (dit wil zeggen: deze waarnemer is in rust ten opzihte van de gebeurtenissen!), de laatste drie termen van het lijnelement gelijk zijn aan nul; voor deze waarnemer geldt dus dat het lijnelement de interpretatie heeft van minus de verstreken tijd tussen twee gebeurtenissen. Het lijnelement is een maat voor de tijd verstreken tussen twee gebeurtenissen voor een waarnemer die in rust is ten opzihte van deze gebeurtenissen, ds 2 = 2 dτ Tijddilatatie We zullen nu de eerste paar direte gevolgen van het minkowskilijnelement beshouwen. Zoals al eerder aangestipt, suggereert het eerste postulaat dat vershillende waarnemers van mening zullen vershillen over de afstand en het tijdvershil tussen twee gebeurtenissen. Allereerst zal het eet van tijddilatatie worden beshouwd. Startpunt is het lijnelement 2 dτ 2 = 2 dt 2 dx 2 dy 2 dz 2. (182) Hierin is dτ op te vatten als de tijd die verstrijkt op de klok van een waarnemer (W1) voor wie de twee gebeurtenissen plaatsvinden op dezelfde positie, en is dt de tijd die verstrijkt tussen die gebeurtenissen zoals gemeten door een andere waarnemer (W2). Wanneer nu de rehterkant van deze vergelijking gedeeld wordt door 2 dt 2, kan de relatie tussen verstreken tijd van de eerste waarnemer (dτ) en die van de tweede waarnemer (W2) (dt) geshreven worden als ( v dτ = ± 1 ) 2dt dτ = dt γ. (183) 55 Merk op dat met de denitie dt idt, we het lijnelement kunnen shrijven als ds 2 = dt 2 + dx 2 + dy 2 + dz 2.
5 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 87 Het plusmin-teken van deze uitdrukking is het wiskundige gevolg van het nemen van een wortel; fysish zijn we ehter alleen geïnteresseerd in het plusteken, aangezien een minteken zou implieren dat de twee waarnemers tegengesteld lopende tijden ervaren. We zullen daarom vanaf nu altijd het plusteken gebruiken. Verder is geshreven v dx dt, oftewel het is de afstand tussen de twee gebeurtenissen zoals gemeten door de tweede waarnemer, gedeeld door de tijdsduur zoals gezien door de tweede waarnemer (W2). Dit is de snelheid v waarmee deze waarnemer zih beweegt ten opzihte van de twee gebeurtenissen (en hiermee ook ten opzihte van de eerste waarnemer, die immers stil staat ten opzihte van de gebeurtenissen). Uit de gevonden vergelijking blijkt dat de twee waarnemers hun tijden vershillend registeren: de hoeveelheid tijd die voor de ene waarnemer verstrijkt tussen twee gebeurtenissen is niet dezelfde als die voor de ander. ( De fator 1 ( ) ) v 2 1/2 is een maat daarvoor. Deze fator wordt de lorentzfator genoemd, en zal nog vaker voorkomen in de SRT; hij wordt onventioneel aangeduid met de letter γ, waarbij 1 γ 1 ( ). (184) v 2 Merk alvast op dat deze fator oneindig groot wordt als de twee waarnemers een onderlinge snelheid hebben gelijk aan ; verder kan al worden opgemerkt dat als de twee waarnemers een onderlinge snelheid hebben groter dan, de fator imaginair wordt en daardoor nooit fysish relevant kan zijn. Dit is een eerste hint dat de lihtsnelheid niet alleen invariant is, maar ook de maximale snelheid is die fysish mogelijk is. Voor het eet van tijddilatatie is het alleen nodig op te merken dat de lorentzfator altijd groter is dan 1. Hieruit volgt dat dτ kleiner is dan dt, oftewel: de tijd verstreken tussen twee gebeurtenissen is voor de waarnemer die stilstaat ten opzihte van de twee gebeurtenissen, kleiner dan voor de waarnemer die zih met snelheid v beweegt ten opzihte van de gebeurtenissen (dτ < dt). Wat betekent dit nu fysish? Op eerste geziht lijkt dit te betekenen dat de tijd sneller verloopt voor de eerste waarnemer (W1) dan voor de tweede: immers, de eerste waarnemer heeft minder tijd nodig om van een gebeurtenis naar de andere te gaan. We kunnen het ehter ook vanuit de andere waarnemer W2 bekijken. Laat de eerste gebeurtenis het moment zijn waarop de twee waarnemers nog gelijk lopende klokken hebben, en waarop beide waarnemers kijken naar de slinger van de klok van waarnemer W1, die net op het punt staat een slinger te maken. Na een zekere tijd T heeft de slinger de andere kant bereikt, gezien vanuit de waarnemer die de klok bij zih heeft: dτ = T. De stilstaande waarnemer W2 kijkt ondertussen naar dezelfde klok (die zih ten opzihte van hem voortbeweegt met snelheid v), en voor deze waarnemer doet de slinger er een tijd dt = γdτ over: langer. Dit wil dus zeggen, dat de stilstaande waarnemer observeert dat de voorbijvliegende klok langer nodig heeft dan T om een enkele slinger te maken. De onlusie van de stilstaande waarnemer zou dan ook zijn dat de voorbijkomende klok te langzaam loopt. Dit is wat er bedoeld wordt met tijddilatatie: voor een stilstaande waarnemer lijkt een voorbij komende klok langzamer te lopen dan voor de waarnemer die met de klok meebeweegt. Dit wordt vaak aangeduid met de slogan `bewegende klokken lopen langzamer'; ehter, de lading zou welliht beter gedekt zijn door de uitspraak `voor een stilstaande waarnemer lijkt de bewegende klok langzamer te lopen'. Een vraag komt dan al snel op: loopt een bewegende klok nu `eht' langzamer dan de stilstaande klok? Want goed beshouwd hebben we hier alleen maar laten zien dat de bewegende klok langzamer lijkt te lopen wanneer bekeken door een stilstaande waarnemer. Het antwoord is dat er geen vershil is tussen langzamer lijken te lopen, en daadwerkelijk langzamer lopen: fysia gaat immers alleen over gemeten eeten, wat wil zeggen dat wij over alle eeten die zih niet via een meting openbaren, geen zinnige (dat wil zeggen testbare) uitspraak kunnen doen. Elke gemeten waarneming is net zo `waar' als elke andere gemeten waarneming. Het heeft dan ook geen zin ons af te vragen of de slinger van een klok nu `eht' langzamer slingert wanneer het beweegt, of dat het alleen maar zo `lijkt' in onze waarneming: alleen onze meting geldt.
6 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 88 Wat de relativiteitstheorie ons nu geleerd heeft, is dat de gemeten tijdsduur van een proes afhankelijk is van de snelheid van de waarnemer, en de vraag hoe snel een proes nu `eht' verloopt, is onzinnig geworden. Dit is, zoals ook al genoemd in de disussie over het relativiteitsprinipe, de kern van het woord `relativiteit': er is geen absoluut antwoord meer op de vraag wat de `werkelijke' waarde is van bepaalde grootheid; elke waarde is waarnemer-afhankelijk geworden, en elke gemeten waarde is even `waar'. Enkele laatste opmerkingen over tijddilatatie. Het moge duidelijk zijn dat dit vershijnsel niets te maken heeft met de mehaniek van de klokken. Het is een puur geometrish vershijnsel, diret voortkomend uit de minkowskimetriek. Het vershijnsel beperkt zih dan ook niet tot klokken, en geldt voor elk fysish meetbaar tijdsvershil: de slinger van een klok, de duur van een harteklop, het verval van een atoomkern, de levensduur van een mens, het vallen van een steen, et, alle vershijnselen lijken langzamer te gaan voor een waarnemer, wanneer deze vershijnselen zih bewegen ten opzihte van deze waarnemer. 5.4 Lorentzontratie Een tweede diret gevolg van het minkowskilijnelement is de lorentzontratie: afstanden tussen gebeurtenissen zijn korter voor een waarnemer die beweegt ten opzihte van de gebeurtenissen. Startpunt is wederom het invariante lijnelement ds 2 en we kiezen de x-as als rihting van relatieve beweging. Er geldt ds 2 = 2 dt 2 + dx 2 = 2 dt 2 + dx 2. (185) Om lorentzontratie aan te tonen beshouwen we allereerst een waarnemer O die met snelheid v beweegt ten opzihte van een meetlat. Voor deze waarnemer vinden de volgende twee gebeurtenissen plaats: de voorkant van de lat passeert de waarnemer, en de ahterkant van de lat passeert deze waarnemer. Voor deze waarnemer vinden de twee gebeurtenissen plaats op dezelfde positie, dus geldt dx = 0. De tijd die de lat erover doet om de waarnemer te passeren, dt, kan gebruikt worden door deze waarnemer als een maat voor de lengte van de lat. Als de lat passeert met een snelheid v, onludeert deze waarnemer dat de lat een lengte heeft van L = vdt. De rehterkant van deze vergelijking kan dan ook worden geshreven als 2 dt 2 + dx 2 = 2 L 2 v 2. (186) De linkerkant van deze vergelijking heeft betrekking op een andere waarnemer, O, die stilstaat ten opzihte van de lat. Voor deze waarnemer vinden de twee gebeurtenissen (het de eerste waarnemer passeren van voor en ahterkant van de lat) plaats op een onderlinge afstand van L, de lengte van de lat zoals gemeten door deze tweede waarnemer. De tijdsduur tussen de twee momenten, dt is ehter anders voor deze waarnemer, omdat er een tijddilatatie optreedt 56. Er geldt dt = γ 1 dt. Als we dan vervolgens weer gebruiken dat de tijd dt een maat is voor de lengte L van de lat zoals gemeten door de eerste waarnemer, dan kan vergelijking (186) geshreven worden als 2 γ 2 L 2 v 2 + L2 = 2 L 2 v 2. (187) Dit is nu een relatie tussen de lengte van de lat zoals gemeten door de waarnemer die de lat stil ziet staan, en zoals gemeten door de waarnemer die de lat ziet passeren met een snelheid v. Vereenvoudigd is deze relatie L = γl. (188) 56 De orrete plaatsing van de lorentzfator γ kan soms verwarrend zijn: welke waarnemer meet nu een langere tijdsduur? De vuistregel is altijd, dat de waarnemer die in rust is ten opzihte van de twee gebeurtenissen, de kortste tijdsduur meet tussen de twee gebeurtenissen. Dit betekent hier dat dt < 1, wat aangeeft hoe de fator dt γ geplaatst dient te worden.
7 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 89 Wanneer herinnerd wordt dat γ altijd groter is dan 1, zien we nu dat de lengte van een lat korter lijkt voor iemand die de lat ziet bewegen, dan iemand die de lat in rust ziet. Dit is de lorentzontratie: afstanden lijken korter wanneer waargenomen door een bewegende waarnemer. Merk op dat dit niet alleen geldt voor latten, maar natuurlijk voor alle fysish meetbare afstandsvershillen. Net als tijddilatatie, is lorentzontratie een puur geometrish eet, een diret gevolg van het minkowskilijnelement. Bovendien geldt ook hier weer dat er geen absoluut antwoord is op de vraag hoe lang een lat nu `eht' is: afstand is een snelheids-afhankelijke grootheid geworden, en kan dientengevolge alleen bepaald worden ten opzihte van een gegeven waarnemer: het relativiteitsprinipe! 5.5 De lorentztransformaties Uit het relativiteitsprinipe volgde al dat het lijnelement invariant dient te zijn onder transformaties van oördinaten. Dit betekent dat er een beperkte set waarnemers is die onderling het minkowksilijnelement mogen gebruiken. We vragen ons af welke transformaties tussen waarnemers het minkowskilijnelement niet van vorm doen veranderen. Wiskundig gezien betekent dit het beantwoorden van de vraag welke funties x = x (t, x, y, z), y = y (t, x, y, z), z = z (t, x, y, z) de volgende vergelijking oplossen, 2 dt 2 dx 2 dy 2 dz 2 = 2 dt 2 dx 2 dy 2 dz 2. (189) Er zijn meerdere transformaties te bedenken die hieraan voldoen. De makkelijkste die we bedenken kunnen is dat we gewoon bij elke oordinaat een onstante optellen, t = t + a t, x = x + a x, y = y + a y, z = z + a z. (190) Ingevuld in vergelijking (189) laat diret zien dat dit een oplossing is. Fysish betekent deze oplossing niets anders dan dat de twee waarnemers een (vaste) afstand van elkaar staan (a x, a y, a z ), en dat de klok van een van de waarnemers een (vaste) hoeveelheid tijd voor of ahter loopt op die van de ander (a t ). Zulke transformaties noemt men translaties. Een tweede set transformaties die het lijnelement gegeven in vergelijking (189) invariant laten, kan bijvoorbeeld gevonden worden door veranderingen in de tijd en één van de plaats-oördinaten (we kiezen hier voor z) niet te beshouwen. In dat geval moet voldaan worden aan dx 2 + dy 2 = dx 2 + dy 2, (191) oftewel de som van twee kwadraten dient niet te veranderen. Deze vergelijking is eenvoudig op te lossen door te shrijven x = A x x + A y y y = B x x + B y y, (192) waar A x, A y, B x, B y onstanten zijn. Ingevuld in vergelijking (191) laat dan zien dat voor deze onstanten dient te gelden A 2 x + B 2 x = 1, A 2 y + B 2 y = 1 A x A y = B x B y. (193) Aan de eerste twee eisen kan diret voldaan worden: als een som van twee kwadraten een onstante moet opleveren, dan ligt het voor de hand om sinussen en osinussen te proberen, aangezien voor deze funties geldt os 2 α + sin 2 α = 1 voor elke hoek α. Men kan dus kiezen A x = os α, B x = sin α en A y = os β, B y = sin β om aan de eerste twee vergelijkingen te voldoen; aan de derde vergelijking is dan ook voldaan wanneer gekozen wordt β = α. Op deze manier is de transformatie ompleet, en vinden we x = (os α)x + (sin α)y, y = (sin α)x (os α)y. (194)
8 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 90 Deze transformatie orrespondeert met een draaiing om de z-as over een hoek α. Bijvoorbeeld, als die hoek π 2 is (een draaiing van 90 ), dan is x = y, en y = x: de twee waarnemers staan stil ten opzihte van elkaar, maar zijn onderling 90 gedraaid. Transformaties als deze heten rotaties. In het voorgaande hebben we alleen een draaiing over de z-as beshouwd, maar de uitbreiding naar draaiingen om de andere assen zijn net zo eenvoudig te vinden. Een derde soort transformatie kan gevonden worden door nu niet de tijd en een plaatsoördinaat onstant te houden, maar in plaats daarvan twee ruimtelijke oördinaten (bijvoorbeeld y en z). In dat geval dient de transformatie te voldoen aan Door nu te shrijven 2 dt 2 + dx 2 = 2 dt 2 + dx 2. (195) t = A t t + A x x, x = B t t + B x x, (196) (waar A t, A x, B t, B x onstanten zijn) en in te vullen in vergelijking (195), wordt gevonden dat de onstanten moeten voldoen aan A 2 t B 2 t = 1, A 2 x + B 2 x = 1 A t A x = B t B x. (197) Deze keer zullen sinussen en osinussen niet voldoen, omdat hier nu het vershil van twee kwadraten een onstante moet zijn om aan de eerste twee vergelijkingen te voldoen. Dit is preies wat de hyperbolishe funties osh en sinh denieert: voor deze geldt namelijk dat osh 2 η sinh 2 η = 1, voor elke waarde van η. Het ligt dan ook voor de hand te kiezen A t = osh η, B t = sinh η en A x = sinh ρ, B x = osh ρ zodat aan de eerste twee vergelijkingen is voldaan. Aan de derde vergelijking kan vervolgens voldaan worden door ρ = η te kiezen. Hiermee is dan de transformatie ompleet, en vinden we t = (osh η)t + (sinh η)x, x = (sinh η)t + (osh η)x. (198) Wiskundig is dit een draaiing in ruimtetijd, maar dan over een `hyperbolishe hoek' η in plaats van een normale. Maar wat betekent dit fysish? Met name: wat is de betekenis van de hyperbolishe hoek η? Dit kan worden gevonden door de tijddilatatie te beshouwen: we hadden al gezien dat de tijden van twee waarnemers die met snelheid v ten opzihte van elkaar bewegen, gerelateerd zijn via vergelijking (183). Als we de dierentiaalvorm nemen van vergelijking (198) en kiezen dt = dτ, dan kunnen we de eerste uitdrukking in vergelijking (198) shrijven als dτ = (osh η)dt + (sinh η) 1 dx (199) Kwadrateren, delen door dt 2 en vergelijken met de tijddilatatie formule geeft dan ( v ) 2 ( v ) ( v ) 2 osh 2 η + sinh 2 η + 2 osh η sinh η = 1. (200) Dit is een kwadratishe vergelijking voor de variabele v, en geeft een relatie tussen de snelheid v en de hyperbolishe hoek η. Zo is al meteen te zien dat η niets anders is dan een ingewikkelde manier om de snelheid tussen twee waarnemers te beshrijven 57. Wat de preieze relatie is tussen 57 Deze alternatieve maat voor de snelheid wordt in sommige takken van de fysia meer gebruikt dan de snelheid v; hij heeft als naam de rapidity. De reden voor deze voorkeur is dat de snelheid v tussen waarnemers nooit groter kan zijn dan de lihtsnelheid, terwijl de rapidity wel degelijk groot kan worden. Rapidity is ook een ontinue parameter van de Lorentzgroep.
9 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 91 v en η vraagt nog een beetje meer rekenwerk. Allereerst moet vergelijking (200) hershreven worden tot ( v ) 2 ( v ) (1 + sinh 2 η) + 2 (osh η sinh η) + (osh 2 η 1) = 0 ( v ) 2 ( v ) (osh 2 η) + 2 (osh η sinh η) + (sinh 2 η) = 0. (201) waar in de laatste stap de relatie osh 2 η sinh 2 η = 1 is gebruikt. Deze vergelijking kan worden opgelost voor v met behulp van de ab-formule. Het resultaat is het direte verband tussen v en η, ( v ) = sinh η ( v ) osh η tanh η η = artanh (202) Dit kan nu worden gebruikt om de transformatievergelijking (202) uit te drukken in de snelheid v, wat vaak een inzihtelijker grootheid is dan de hyperbolishe hoek η. Hiervoor kunnen de volgende rekenregels worden gebruikt 58, ( ( v )) osh artanh ( ( v )) sinh artanh = 1 ( v = 1 ( ) v 2 = γ ) 1 1 ( v ( v ) ) 2 = γ. (203) Merk op dat de lorentzfator γ hier op natuurlijke wijze zijn intrede doet. Hiermee is dan gevonden dat de transformaties tussen de twee waarnemers gegeven worden door dt = γ ( dt ( ) ) v dx dx 0 γ βγ 0 0 dx 0 dx = γ(dx vdt) dy dx 1 = dy dx 2 = βγ γ 0 0 dx dx 2 dxµ = Λ µ νdx ν dz = dz, dx dx 3 (204) (waar de relaties tussen de y en z afstanden ook weer zijn toegevoegd). Hierbij is β = v/ de snelheid als fratie van de lihtsnelheid. Verder gebruiken we x µ met x 0 = t, x 1 = x, x 2 = y en x 3 = z, alsook de transformatiematrix Λ ν µ. De inverse transformaties kunnen we vinden door v door v te vervangen. We vinden dt = γ(dt + βdx ) dx = γ(dx + vdt ) dy = dy dz = dz, dx 0 dx 1 dx 2 dx 3 = γ βγ 0 0 βγ γ dx 0 dx 1 dx 2 dx 3 dxµ = Λ µ ν dx ν. (205) We zien dan dat vergelijking (204) de dierentiaalvorm is van x µ = Λ µ νx ν, terwijl voor de inverse relaties (205) we de dierentiaalvorm van x µ = Λ µ ν x ν hebben verkregen. Deze vergelijkingen heten de lorentztransformaties, en spelen een hoofdrol in de SRT. Fysish stellen zij het vershil voor tussen afstanden en tijdsduren zoals gemeten door waarnemers die zih ten opzihte van elkaar bewegen met een onstante snelheid v in x-rihting. Zulke vergelijkingen zijn eenvoudig af te leiden voor waarnemers die zih met snelheid v in andere rihtingen bewegen. Tezamen met de translaties in alle rihtingen en de rotaties om de drie ruimte-assen, vormen de 58 Deze rekenregels zijn eenvoudig te bewijzen met behulp van de denities: osh x 1 2 (ex + e x ), sinh x 1 2 (ex e x ), artanh x = 1 1+x ln( ) 2 1 x
10 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 92 lorentztransformaties de volledige set transformaties die het lijnelement niet veranderen, oftewel: onder deze transformaties is het relativiteitprinipe veilig gesteld. De onlusie is dan ook de volgende: zolang waarnemers maar louter getranslateerd en/of geroteerd zijn ten opzihte van elkaar, of alleen met onstante snelheid ten opzihte van elkaar bewegen, kunnen zij allen het minkowskilijnelement blijven gebruiken, en gelden dus alle wetten afgeleid in dit hoofstuk voor de oördinaatsystemen voor al zulke waarnemers. Zulke stelsels noemen we inertiaalstelsels. Dit is wat de speiale relativititeitstheorie het predikaat `speiaal' geeft: alle wetten afgeleid gelden voor een beperkte set waarnemers. Door dierentiaalvormen te gebruiken en deze te integreren kunnen we zelfs deeltjes beshrijven die versnellingen ondergaan in het inertiaalsysteem van een waarnemer O. In latere hoofdstukken zullen we onze bevindingen uitbreiden naar alle waarnemers, leidend tot de theorie van de algemene relativiteit. Voor nu zullen we in de rest van dit hoofdstuk altijd louter inertiaalstelsels beshouwen: vanaf nu zal er met `waarnemer' een waarnemer bedoeld worden die zih in een inertiaalstelsel bevindt. De lorentztransformaties geven ons alle mogelijke relaties tussen de tijdsduren en afstanden zoals gemeten door vershillende waarnemers die zih bewegen met snelheid v ten opzihte van elkaar. Twee speieke voorbeelden van zulke relaties hadden we al eerder gezien, toen nog diret afgeleid uit het minkowskilijnelement: de tijddilatatie en de lorentzontratie. Deze liggen dan ook automatish opgesloten in de lorentztransformaties. Voor tijddilatatie hoeven we alleen maar te kijken naar het speiale geval dat een van de waarnemers een tijdsduur meet tussen twee gebeurtenissen die ten opzihte van hem op een en dezelfde positie plaatsvinden, zodat dx = 0; voor deze waarnemer shrijven we dt = dτ; er volgt dan diret uit vergelijking (205) dat een andere waarnemer een tijdsduur meet tussen deze twee gebeurtenissen gelijk aan dt = γdτ. Dit is preies de tijddilatatieformule in vergelijking (183). Verder, om de lorentzontratie af te leiden uit de lorentztransformaties hoeft alleen naar het speiale geval gekeken te worden dat de twee gebeurtenissen de metingen zijn van voor- en ahterkant van een lat door een waarnemer die deze metingen doet op een en hetzelfde tijdstip (immers: als dat niet het geval is, zal de lat `voorbij' vliegen in de tijd die deze waarnemer waht tussen meting van voor- en ahterkant, en stelt de afstand tussen gemeten positie van voor- en ahterkant dus niet meer de lengte van de lat voor). Voor deze waarnemer geldt dan ook dt = 0, en zal de lengte van de lat gegeven zijn door dx = L; volgens vergelijking (205) meet de waarnemer in rust ten opzihte van de lat een lengte van dx = L = γl. Dit is preies de lorentzontratie formule, vergelijking (188). De tijddilatatie en lorentzontratie zijn slehts speiale gevallen van de lorentztransformaties, een set algemene relaties tussen tijdsduren en afstanden zoals gemeten door waarnemers die bewegen ten opzihte van elkaar met een snelheid v. 5.6 Invariantie van de lihtsnelheid We zijn nu op het punt aangekomen dat we ons kunnen buigen over de vraag hoe snelheden veranderen tussen waarnemers die zih bewegen ten opzihte van elkaar. Snelheid is niets anders dan een verandering van positie gedeeld door de verstreken tijd benodigd om de afstand tussen de begin- en eindposities te overbruggen. Maar zoals al gezien, zijn afgelegde afstanden en verstreken tijden niet meer absoluut: zij vershillen van waarnemer tot waarnemer. Het is dan ook te verwahten dat het onept gemeten snelheid op een nieuwe manier zal transformeren tussen vershillende waarnemers. Hiervoor beshouwen we twee waarnemers, 1 en 2, die ten opzihte van elkaar bewegen met een onstante snelheid v. Beiden kijken naar een bewegend deeltje, en meten daar de snelheid van, waarbij u 1 de snelheid is zoals gemeten door waarnemer 1, en u 2 de snelheid zoals gemeten door waarnemer 2. De vraag is nu hoe deze twee gemeten snelheden zih tot elkaar verhouden. Voor het gemak kiezen we alle snelheden in de x-rihting.
11 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 93 Per denitie is de snelheid zoals gemeten door waarnemer 2 gegeven door u 2 dx 2 dt 2. (206) De transformatie tussen tijd- en positievershillen wordt gegeven door de lorentztransformatie, vergelijking (205); teller en noemer kunnen dan ook diret worden ingevuld, en worden uitgedrukt in de gemeten afstand en verstreken tijd dx 1 en dt 1 zoals gemeten door waarnemer 1. Dit levert u 2 = γ γ dx 1 + vdt 1 dt 1 + ( v 2 ) dx1 = dx 1 dt 1 + v 1 + ( v 2 ) dx1 = u 1 + v 1 + ( ) v, (207) dt 1 2 u1 waarin is gebruikt dat dx 1 gedeeld door dt 1 preies de snelheid u 1 is zoals gemeten door waarnemer 1. Dit is de zogenaamde regel van Einstein voor het samenstellen van snelheden: gegeven de snelheid u 1 van een objet zoals gemeten door waarnemer 1, geeft deze formule ons de snelheid u 2 van dit objet zoals gemeten door waarnemer 2 die zih zelf met snelheid v beweegt ten opzihte van waarnemer 1. Voor kleine snelheden gaat de relatie over in de normale optelling van snelheden in de klassieke mehania: u 2 = u 1 + v. Een aantal interessante eigenshappen kan nu worden opgemerkt. Zo kan eenvoudig worden aangetoond dat als een waarnemer een deeltje ziet bewegen met een snelheid lager dan de lihtsnelheid (oftewel u 1 < ), elke andere waarnemer dit deeltje ook ziet bewegen met een snelheid lager dan de lihtsnelheid (u 2 < ). Ook kan worden aangetoond dat als een waarnemer het deeltje ziet bewegen met een snelheid hoger dan de lihtsnelheid, elke andere waarnemer dit deeltje ook ziet bewegen met een snelheid hoger dan de lihtsnelheid. Dit laatste is overigens alleen wiskundig waar: het zal later worden aangetoond dat niets sneller kan gaan dan het liht 59. Het belangrijkste gevolg van Einsteins snelheidsregel is dat alle waarnemers dezelfde snelheid voor een lihtsignaal zullen meten, ongeaht de onderlinge snelheden tussen deze waarnemers: voor elke waarnemer zal een foton zih voortplanten met snelheid. Neem als bewegend objet een foton, dat voor waarnemer 1 met een snelheid van u 1 = beweegt. Einsteins snelheidsregel zegt dan vervolgens dat ook waarnemer 2 dit foton met snelheid u 2 = ziet bewegen, u 2 = u 1 + v 1 + ( v 2 ) u1 u1 = = + v 1 + ( ) v =. (208) Dit betekent dat liht zih altijd (dit wil zeggen voor elke waarnemer in elk inertiaalsysteem) met de lihtsnelheid voortbeweegt! Stel dat waarnemer 1 een lihtstraal afvuurt. De fotonen snellen met de lihtsnelheid weg ten opzihte van waarnemer 1. Waarnemer 2 besluit om met hoge snelheid het liht ahterna te gaan. Hiertoe beweegt hij bijvoorbeeld met 99% van de snelheid ten opzihte van waarnemer 1. Als hij nu een meting uitvoert van de snelheid van de lihtbundel uitgezonden door waarnemer 1, meet hij toh weer dezelfde snelheid. Ten opzihte van het liht heeft hij geen enkele vordering gemaakt! De snelheid v tussen de twee waarnemers blijkt geheel irrelevant (hij werd weggedeeld in de laatste stap). Blijkbaar maakt het niet uit hoe snel de twee waarnemers zih bewegen ten opzihte van elkaar: als een van hen een foton ziet dat met de lihtsnelheid gaat, dan ziet elke andere waarnemer dit ook. De onlusie is dan ook: liht gaat voor elke waarnemer met de lihtsnelheid. Men zegt ook wel: de lihtsnelheid is invariant. Op deze manier hebben we Einsteins oorspronkelijke eerste postulaat teruggevonden, louter en alleen door uit te gaan van de minkowskimetriek en het relativiteitsprinipe. 59 Dit geldt in de onventionele leer van de natuurkunde. Er zijn wel degelijk exotishe theorieën waarin deeltjes bestaan die sneller gaan dan het liht (de zogenaamde tahyonen); ehter, theorieën met tahyonen hebben doorgaans de eigenshap instabiele materie te voorspellen. Zulke deeltjes zullen daarom niet worden beshouwd.
12 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 94 Tijddilatatie kan ook diret worden afgeleid uit de onstantheid van de lihtsnelheid voor vershillende waarnemers. Om dit duidelijk te maken beshouwen we een eenvoudige klok gebaseerd op reeterend liht. De klok is weergegeven in Fig. 39. Elke kloktik orrespondeert met de heen- en Figuur 39: Een klok gebaseerd op een foton dat reeteert tussen twee spiegels. Links: de klok is in rust en een kloktik komt overeen met de vluhttijd van het foton. Rehts: een waarnemer die een bewegende klok ziet, meet dat deze klok langzamer loopt. terugreis van een foton tussen de spiegels. Voor een stilstaande klok duurt een kloktik t = 2L. Als de klok ten opzihte van een waarnemer beweegt met snelheid v, dan ziet deze waarnemer het foton een langere weg aeggen om de heen- en terugreis te maken. De geometrie laat toe om de kloktik van de bewegende klok te bepalen. Er geldt t = 2D en de diagonale afstand D kan met behulp van de stelling van Pythagoras bepaald worden als D = L v2 ( t ) 2. Invullen en oplossen van t levert t 1 = 2L 1 v2 tijddilatatie. 2 = γ t. We vinden hiermee weer de formule voor Een goed voorbeeld van tijddilatatie zijn muonen die gereëerd worden door bosingen van hoogenergetishe kosmishe deeltjes met de buitenste laag van de aardatmosfeer en die rihting de aarde bewegen. Vanwege tijddilatatie is hun levensduur beduidend langer dan de levensduur zoals die op aarde (in het rustsysteem van de muonen) gemeten wordt: 2.2 µs. Dit laat toe dat dergelijke kosmishe muonen een grotere weg aeggen en het oppervlak van de aarde bereiken kunnen. Voor een waarnemer die meereist met een muon nadert de aarde met een snelheid in de buurt van de lihtsnelheid, maar kan de afgelegde weg desondanks niet meer dan t = ( m/s)( ) = 660 m aeggen. Toh bereiken deze muonen het aardoppervlak, terwijl de afstand van de buitenste laag van de atmosfeer tot het oppervlak ongeveer 20 km is. De verklaring is dat deze lengte van 20 km voor de meereizende waarnemer lorentz-geontraheerd is tot minder dan 660 m. We kunnen onze lihtklok ook gebruiken om lorentzontratie te begrijpen. We tonen de geometrie in Fig. 40. Twee waarnemers A en B hebben een relatieve snelheid v ten opzihte van elkaar. Waarnemer B houdt een staaf vast in de rihting van v (en is dus in rust ten opzihte van de staaf). We beshouwen eerst de situatie vanuit waarnemer A. Panel (a) toont de situatie waarbij uiteinde 1 van de staaf waarnemer A passeert. Op dat moment stuurt A een lihtits in de rihting van de spiegel. In panel (b) wordt de situatie getoond waarbij uiteinde 2 van de staaf waarnemer A passeert. De afstand tussen waarnemer A en de spiegel is dusdanig dat preies op dit tijdstip de lihtits weer bij A aankomt. Voor A is er inmiddels een tijd t verstreken. Waarnemer A die op deze manier de lengte van een ten opzihte van hem bewegende staaf meet, onludeert dus dat de lengte van de staaf L gegeven wordt 60 door L = v t. Panel () shetst 60 We gebruiken het aent om aan te geven dat hij de lengte van een ten opzihte van hem bewegende staaf
13 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 95 Figuur 40: Een klok gebaseerd op een foton dat reeteert tussen twee spiegels. Panel (a): uiteinde 1 van de staaf passeert waarnemer A; panel (b): uiteinde 2 passeert A; panel (): de situatie zoals gezien door waarnemer B. de situatie voor de met de staaf meebewegende waarnemer B. B ziet A's lihtklok langskomen met snelheid v. In B's tijd t legt deze klok een afstand L af 61. Dus geldt L = v t. Vervolgens gebruikt hij de tijddilatatie formule, t = γ t en vindt L = L 1 v2 = L 2 γ. 5.7 Verlies van universele denitie van tijd en gelijktijdigheid Als twee gebeurtenissen plaatsvinden op vershillende plaatsen, maar een waarnemer meet dat ze gelijktijdig gebeuren, dan kan het zo zijn dat een andere waarnemer (die beweegt ten opzihte van de eerste) meet dat ze voor hem niet gelijktijdig gebeuren. We noemen dit het verlies van gelijktijdigheid. Voor Newton en Galileo hadden voor en na een invariante betekenis: iedereen zou het erover eens zijn dat gebeurtenis A plaatsvond vóór gebeurtenis B. Dit lijkt alleen maar logish omdat A wel eens de reden kan zijn dat B gebeurt, en het zou weleens tegenstrijdig kunnen zijn als iemand anders bepaalt dat B vóór A heeft plaatsgevonden. In de SRT is het alleen vereist dat de begrippen vóór en na nodig zijn als de gebeurtenissen elkaar kunnen beïnvloeden. Dus als A de gebeurtenis B kan veroorzaken, dan moet iedereen het erover eens zijn dat A eerder was. Ehter A kan alleen B veroorzaken als liht (of een langzamer signaal) kan reizen van A naar B: geen enkele invloed kan sneller reizen dan het liht. Derhalve, als B te ver verwijderd is om liht van A te ontvangen tegen de tijd dat B plaatsvindt, dan is er geen logishe reden dat vershillende waarnemers het erover eens moeten zijn welke van de gebeurtenissen het eerst plaatsvond. Gebeurtenissen die op dezelfde tijd maar op vershillende posities plaatsvinden, zoals gezien door een waarnemer, zijn preies van dit soort: geen van beide kan de ander veroorzaken. Daarom geeft de SRT ze geen unieke volgorde: voor de ene waarnemer gebeuren ze gelijktijdig, voor een ander gebeurt A eerst, en voor een derde kan B eerst gebeuren. Ehter alle drie de waarnemers zullen het erover eens zijn dat liht niet van de ene naar de andere gebeurtenis kan reizen, en er dus geen ausaal verband tussen beide gebeurtenissen kan zijn. Als ehter liht kan reizen van A naar B, dan zullen alle waarnemers het hierover eens zijn en gebeurt B later dan A (maar wel met vershillende tijddilatatie eeten). Dus SRT behoudt het begrip van vóór en na, van toekomst en verleden, maar het past deze relatie niet toe op alle mogelijke paren gebeurtenissen. Dit betekent dat het niet mogelijk is om Newtons idee van een drie-dimensionale absolute ruimte meet. 61 We gebruiken hier L zonder aent omdat de staaf ten opzihte van B stilstaat.
14 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 96 te handhaven, met tijd als alleen een parameter. In Newtons wereld zal iedereen het erover eens zijn hoe ruimte eruit ziet op een gegeven tijdstip. In Einsteins wereld is er alleen ruimtetijd, het vier-dimensionale ontinuüm van alle gebeurtenissen die op elk mogelijk tijdstip kunnen plaatsvinden. Gebeurtenissen zijn de punten in ruimtetijd. Een waarnemer zal een bepaalde verzameling gebeurtenissen groeperen in de drie-dimensionale ruimte op een bepaald tijdstip. Ehter een andere waarnemer kan evenwel besluiten dat een andere verzameling gebeurtenissen ruimte vertegenwoordigt op een bepaald tijdstip. Twee gebeurtenissen die geen ausaal verband met elkaar kunnen hebben, worden ruimtelijk gesheiden in ruimtetijd genoemd. Twee gebeurtenissen die verbonden kunnen worden door iets dat reist met een snelheid lager dan de lihtsnelheid worden tijdahtig gesheiden genoemd. Gebeurtenissen die verbonden kunnen worden door één enkel foton worden lihtahtig gesheiden genoemd. Relativiteitstheorie mengt de begrippen ruimte en tijd. Als we het gezihtspunt van de waarnemer veranderen dan is er een transformatie van hoe we ruimte van tijd ondersheiden (zie vergelijkingen (205)), hoe we tijdvershillen behandelen en hoe we afstanden meten. Dit alles wordt door de lorentztransformaties uitgedrukt. 5.8 Ruimtetijd Hier stellen we ons wederom de vraag: wat is ruimtetijd? Waarom is het onjuist om over ruimte en tijd als aparte grootheden te spreken in plaats van over ruimtetijd als geheel? In de natuurkunde van Aristoteles werd ruimte voorgesteld als een Eulidishe drie-dimensionale ruimte E 3. De punten van de ruimte behouden hun identiteit van het ene moment op het andere. Stel een deeltje bevindt zih in rust op een bepaald ruimtelijk punt. We nemen dan aan dat wanneer we dit ruimtelijk punt nu beshouwen en ook op een later tijdstip, we te maken hebben met hetzelfde ruimtelijk punt. Ons beeld van realiteit orrespondeert dan met het sherm in een biosoop, waar een bepaald punt op het sherm zijn identiteit behoudt wat er ook op dat sherm geprojeteerd wordt. Evenzo wordt tijd voorgesteld als een Eulidishe ruimte, maar dat is de triviale E 1 één-dimensionale ruimte 62. De Eulidishe ruimte geeft een denitie van het begrip afstand tussen punten. Verder is er een begrip van gelijktijdigheid. Het is dus absoluut zinvol om te spreken van gebeurtenissen die gelijktijdig hier en elders plaatsvinden. Om in de beeldspraak van de biosoop te blijven: als we een bepaald frame van de lm beshouwen dan worden alle gelijktijdige gebeurtenissen op vershillende plaatsen op het sherm geprojeteerd. De ruimtetijd van Aristoteles is het produt A = E 1 E 3. (209) Het is eenvoudig de ruimte opgespannen door de paren (t, x) voor te stellen, met t een element van E 1, een tijd, en x een element van E 3, een punt in de ruimte. Deze ruimtetijd wordt weergegeven in Fig. 41 (linker guur). Laten we nu eens kijken wat Galileo's relativiteitsprinipe voor een gevolg heeft op ons begrip van ruimtetijd. Galileo vertelt ons dat de dynamishe wetten hetzelfde zijn in elk inertiaalsysteem. Er is niets in de natuurkunde dat gebruikt kan worden om een systeem van rust te ondersheiden van een systeem dat met uniforme snelheid beweegt. Dit betekent dat er geen dynamishe betekenis is in het stellen dat een bepaald ruimtelijk punt op dit moment hetzelfde is als het ruimtelijk punt een moment later. Het is zinloos te stellen dat het ruimtelijk punt waar mijn koekop zih nu bevindt, hetzelfde ruimtelijk punt is een minuut later. Gedurende deze minuut is de aarde om zijn as geroteerd en in dat systeem is mijn koekop op een ander ruimtelijk punt. Ehter de aarde draait ook om de zon en dat levert weer een ander 62 Tijd wordt door Aristoteles niet voorgesteld als een kopie van de reële lijn R, want R bevat het voorkeurselement 0. Er is ehter geen sprake van een voorkeur voor een oorsprong in de beshrijving van dynamishe objeten.
15 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 97 Figuur 41: Links: de ruimtetijd van Aristoteles A = E 1 E 3 bestaat uit paren (t, x). Rehts: de ruimtetijd van Galileo, G, is een berruimte. Er is geen puntsgewijze onnetie tussen vershillende E 3 bers: er bestaat geen absolute ruimte! Er is ehter wel een unieke tijd voor elke ruimtetijd gebeurtenis: absolute tijd bestaat. punt op. Kortom, de analogie van een projetiesherm is onjuist! We hebben niet één enkele Eulidishe ruimte E 3 als de arena waarin de aties van de fysishe wereld zih in de tijd afspelen. We hebben vershillende E 3 s voor elk tijdstip en er is geen natuurlijke identiatie tussen deze vershillende E 3 s. Wiskundig gezien is Galileo's ruimtetijd G geen produtruimte E 1 E 3, maar iets dat wiskundigen een berbundel noemen met als basis E 1 en ber E 3. De situatie is geshetst in Fig. 41 (rehter guur). Een berbundel heeft geen puntgewijze onnetie tussen één ber en de volgende. Desalnietemin vormen de bers samen een geheel. Aan elk ruimtetijd element van G wordt een tijd toegekend, en deze laatste is een element van de `klokruimte' E 1. Het bestaan van een lihtsnelheid die voor elke waarnemer hetzelfde is, heeft het verdwijnen van de absolute tijd tot gevolg. In Fig. 42 nemen we een gebeurtenis P in ruimtetijd en beshouwen we alle lihtstralen die door P gaan voor elke rihting (zie Fig. 42a). We kunnen ruimtetijd voorstellen door horizontaal de x en y rihting uit te zetten, terwijl we de tijdoördinaat (t) vertiaal kiezen. De lihtstralen vormen een kegel in ruimtetijd, de zogenaamde lihtkegel. Als we de lihtsnelheid als fundamenteel nemen, dan betekent dit dat we de lihtkegel als fundamenteel nemen. De lihtkegel denieert een strutuur in de tangentenruimte T P die hoort bij P. De lihtkegel wordt gevormd door gebeurtenissen waarvoor geldt s 2 = 2 t 2 + r 2 = 0. (210) Gebeurtenissen die van P gesheiden zijn door een tijdahtig interval, vallen binnen de lihtkegel en er geldt s 2 < 0 2 t 2 > r 2. Dergelijke gebeurtenissen kunnen ausaal verbonden zijn. Dat is niet mogelijk voor zogenaamde ruimtelijk gesheiden gebeurtenissen die buiten de lihtkegel vallen. Hiervoor geldt s 2 > 0 2 t 2 < r 2. Merk op dat de lihtkegel uit twee delen bestaat: een verleden kegel en een toekomst kegel. We kunnen ons de verleden kegel voorstellen als de geshiedenis van een lihtits die implodeert op P. De toekomst kegel zien we als een lihtits die explodeert vanuit punt P. Fotonen liggen op de rand van de kegel, terwijl de wereldlijnen van massieve deeltjes die door P gaan, binnen de kegel dienen te liggen. De strutuur van ruimtetijd in de SRT is zodanig dat voor elke gebeurtenis van ruimtetijd een lihtkegel bestaat die voor deze gebeurtenis de ausale strutuur bepaalt. We zullen dit uitdiepen in de volgende setie.
16 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 98 Figuur 42: De lihtkegel speieert de fundamentele snelheid van het liht. In (a) worden de banen van de uitgezonden fotonen ruimtelijk geshetst als een bol die expandeert vanuit punt P. In (b) zien we dat in ruimtetijd de fotonen een kegel uitsnijden. In () zien we dat de kegel ruimtetijd opsplitst in een verleden en een toekomst. De wereldlijn van een massief deeltje in P heeft een vetor die naar de toekomst wijst en tijdahtig is. Deze vetor ligt dus binnen de toekomst lihtkegel van P. 5.9 Ruimtetijddiagrammen We kunnen ruimtetijddiagrammen gebruiken om gebeurtenissen in de vierdimensionale ruimtetijd op een geometrishe wijze te beshrijven. In een ruimtetijd diagram (ook wel minkowskidiagram genoemd) tonen we één ruimtelijke dimensie op de x-as en de tijd op de y-as. Een ruimtetijd diagram stelt typish het oördinatenstelsel van een waarnemer voor. Deze waarnemer is dan zelf in rust in dit systeem en zijn wereldlijn orrespondeert met de tijd-as. Typish wordt vertiaal niet t, maar t uitgezet, zodat de wereldlijn van een foton een rehte lijn wordt met een helling van 45. We beginnen met het verhelderen van het vershil tussen de ruimtetijd van Galileo Figuur 43: Links: in de klassieke mehania heeft een gebeurtenis A plaats op hetzelfde tijdstip. Rehts: in de SRT kennen vershillende waarnemers vershillende tijden toe aan gebeurtenis A. en die van de SRT. In de linker guur stelt de shuine lijn de tijd-as voor van een waarnemer die ten opzihte van het oördinatensysteem beweegt met snelheid v. Op tijdstip t = t = 0 vallen beide oördinatensystemen samen (x = x = 0). De as van de bewegende waarnemer
17 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 99 staat niet loodreht op de x-as en de tijdshaal is uitgerekt. Beide waarnemers observeren gebeurtenis A en kennen er dezelfde tijd aan toe, omdat de klassieke mehania een absolute tijd t = t voor gebeurtenissen kent. De plaats x A = x A vt x A is vershillend, omdat de bewegende waarnemer naar gebeurtenis A toe beweegt. Deze grashe representatie noemen we een galileotransformatie. Einstein ontdekte dat deze beshijving onjuist is. Het oördinatensysteem van een bewegende waarnemer dient getekend te worden zoals gedaan is in de rehter afbeelding in Fig. 43. Dit volgt diret uit de lorentztransformaties, zie vergelijking (204). Voor de hoek α geldt tan α = v. Er bestaat geen absolute tijd meer en beide waarnemers kennen vershillende tijden toe aan gebeurtenis A. Figuur 44: Ruimtetijddiagram voor een stilstaande waarnemer heeft assen x en t, terwijl het diagram voor een waarnemer die met snelheid v ten opzihte van de eerste beweegt, de assen x en t heeft. Voor de stilstaande waarnemer O vinden gebeurtenissen A en B gelijktijdig plaats. Dat is niet zo voor de bewegende waarnemer O. Ook het verdwijnen van gelijktijdigheid kunnen we diret zien in een ruimtetijd diagram; zie Fig. 44. Hiertoe beshouwen we twee waarnemers die relatief ten opzihte van elkaar bewegen met snelheid v. Het oördinatensysteem van de bewegende waarnemer is aangegeven met x en t in het systeem van de stilstaande waarnemer. De oriëntatie van deze assen kan gevonden worden uit de lorentztransformaties. We beshouwen twee ruimteahtig gesheiden gebeurtenissen A en B. Deze gebeurtenissen kunnen geen ausaal verband met elkaar hebben, omdat ze niet door fotonen (dat zijn lijnen onder ±45 ) of langzamere signalen verbonden kunnen worden. De gebeurtenissen gebeuren gelijktijdig in het systeem van de stilstaande waarnemer. In het systeem van de bewegende waarnemer gebeurt B op tijdstip C en gebeurtenis A op tijdstip D. In zijn systeem gebeurt B eerder dan A. Er is ehter ook een systeem te vinden waarin A eerder gebeurt dan B. Dat is een waarnemer die met snelheid v beweegt ten opzihte van stilstaande waarnemer. We zien dat tijd haar absolute betekenis heeft verloren. Welke deelverzameling gebeurtenissen van ruimtetijd de gelijktijdige gebeurtenissen vormt, hangt af van de beweging van de waarnemer Relativistish Dopplereet De verandering van het begrip tijd in de SRT leidt tot een eenvoudige modiatie van de formule voor de roodvershuiving van een foton, zie vergelijking (13) en ook Fig. 2. In setie 2.4 telden
18 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 100 we het aantal golronten dat een bewegende detetor passeert, en vergeleken dat met het aantal dat een detetor in rust registreerde. Het aantal golronten dat per tijdseenheid passeert is de frequentie van de golf. We dienen nu in rekening te brengen dat de klok van een bewegende detetor iets langzamer loopt dan die van een detetor in rust. Dit betekent dat als de detetor in rust N golronten telt in tijd t, dan telt de bewegende detetor N = N(1 v ) golronten (zie Fig. 2) in een tijd t = t/γ (Einsteins tijddilatatie). Als we het aantal golronten delen door de tijd, dan meet de stilstaande detetor een frequentie f = N/t, terwijl de bewegende detetor een frequentie f = N /t meet. Dit levert f = (1 v )γf = 1 v 1 v2 2 f = 1 v 1 + v f. (211) Bovenstaande relatie geldt als de bewegende waarnemer zih verwijdert van de lihtbron, zoals gezien door een waarnemer in rust. Dit produeert een verlaging van de frequentie, een roodvershuiving. In het geval de waarnemer de bron nadert, spreken we over een blauwvershuiving. Omdat de noemer altijd kleiner is dan 1, zijn de waarden van de rood- of blauwvershuiving groter dan die op basis van de niet-relativistishe Doppler formule. Merk op dat er zelfs een vershuiving is als de bewegende waarnemer loodreht beweegt op de rihting naar de lihtbron. In dat geval is de niet-relativistishe Doppler vershuiving gelijk aan nul, omdat de loodrehte beweging geen golronten toevoegt of aftrekt van het aantal dat geteld wordt door een stilstaande detetor. Ehter is er nog steeds de tijddilatatie en die redueert de hoeveelheid tijd dat een bewegende detetor kan meten. Dit produeert een blauwvershuiving in de SRT, terwijl er geen eet is in de klassieke Doppler formule. Dit wordt het transversale Dopplereet genoemd Relativistishe mehania De lagrangiaanse methode beshreven in setie 2.8 leent zih uitstekend voor de uitbreiding van de mehania van Newton naar een versie die overeenkomt met het relativiteitsprinipe. Allereerst zullen we een vrij deeltje beshouwen, oftewel een deeltje met massa m dat beweegt zonder beïnvloed te worden door een kraht. De lagrangiaan voor een dergelijk deeltje bestaat dan alleen uit een kinetishe term, L = K. (212) In de klassieke mehania wordt de kinetishe energie gegeven door K = 1 2 m v2. Deze uitdrukking kunnen we ehter niet overnemen in de relativiteitstheorie. Immers, het relativiteitsprinipe eist dat de natuurwetten zodanig geformuleerd dienen te worden, dat zij niet van vorm veranderen wanneer naar een ander inertiaalstelsel wordt getransformeerd. Dit betekent dat de gezohte lagrangiaan invariant moet zijn onder transformaties tussen inertiaalstelsels, en daar voldoet bovenstaande uitdrukking zeker niet aan. Ehter, met enige aanpassing is er een vorm te vinden die erg lijkt op de oude uitdrukking, maar die wel degelijk invariant is. Hiervoor shrijven we eerst de oude uitdrukking uit als L = K = 1 2 mdxi dt dx i dt, (213) met i = 1, 2, 3 en waar Einsteins sommatieonventie gebruikt is: dx i dx i = dx 2 + dy 2 + dz 2. Wat de invariantie van deze uitdrukking in de weg staat zijn twee dingen: allereerst zijn de dx-en inertiaalstelsel-afhankelijk; ten tweede zijn de dt's dat eveneens. We hadden immers al gezien dat waarnemers in vershillende inertiaalsystemen, vershillende afstanden en tijdsduren meten. Deze uitdrukking kan daarom nooit voldoen aan het relativiteitsprinipe. Ehter, wanneer we dx i dx i vervangen door dx µ dx µ = η µν dx µ dx ν staat in de teller nu preies het lijnelement ds 2,
19 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 101 waarvan bekend is dat dit invariant is. Op dezelfde manier ligt een uitbreiding van de twee dt's ook voor de hand: vervang dtdt door dτ 2, zodat ook dit nu invariant is geworden. Een natuurlijke suggestie voor een relativistishe lagrangiaan van een vrij deeltje is dan L = 1 2 mη dx µ dx ν µν dτ dτ. (214) Deze overwegingen zijn natuurlijk geen bewijs voor de geldigheid van deze uitdrukking: het is een aanname. Er zijn ook andere Lagrangianen denkbaar die voldoen aan het relativiteitsprinipe. Ehter, deze uitdrukking is de meest eenvoudige, en bovendien zal blijken dat de bewegingswetten die hieruit volgen, redueren tot de oude vertrouwde bewegingswetten van Newton wanneer ze toegepast worden in situaties waarbij snelheden veel lager zijn dan de lihtsnelheid. Uiteindelijk zal het ehter aan het experiment zijn om aan te tonen of de gevonden wetmatigheden orret zijn. Tot nu toe wijzen alle experimenten uit dat dit inderdaad het geval is. De atie S behorend bij deze lagrangiaan wordt verkregen door de lagrangiaan te integreren over de tijd. Ook hier moet het relativiteitsprinipe in aht worden genomen: de uitdrukking moet worden geïntegreerd over de eigentijd dτ (in tegenstelling tot over de waarnemer-afhankelijke tijd t) om zo de invariantie van de atie te waarborgen. De atie wordt dan dus S = τ2 τ 1 { 1 2 mη dx µ µν dτ dx ν dτ } dτ. (215) Om de bewegingswet voor het deeltje af te leiden, dient het prinipe van extreme atie weer te worden toegepast: er moet gezoht worden naar het pad x µ (τ) dat de waarde van deze integraal minimaal of maximaal maakt. De Euler-Lagrange vergelijkingen voor deze situatie hebben de vorm 63 L x α = d dτ ( ) L ( ). (216) dx α dτ Merk op dat dit vier vergelijkingen zijn: voor elk van de vier oordinaten van het pad x µ (t) is er een vergelijking die moet worden opgelost. Wanneer de relativistishe lagrangiaan wordt ingevuld en beide zijden van de Euler-Lagrange vergelijkingen worden uitgerekend, wordt gevonden dat een vrij relativistish deeltje een pad x µ (τ) volgt waarvan de omponenten voldoen aan de vergelijkingen m d2 x µ = 0. (217) dτ 2 Dit lijkt sprekend op de tweede wet van Newton voor een vrij deeltje, met twee subtiele vershillen. Ten eerste doet de wet van Newton uitspraken over de drie plaatsoördinaten van het deeltje, waar deze nieuwe uitdrukking ook uitspraak doet over de tijd. Deze laatste stelt dat m dt2 = 0, (218) dτ 2 waaruit volgt dat dt dτ gelijk is aan een onstante. Dat is niet verrassend: we hadden immers al gezien dat de tijd τ zoals gemeten door een waarnemer die het deeltje ziet stilstaan, een andere is dan de tijd t gemeten door een waarnemer die het deeltje ziet bewegen. Dit was preies het tijddilatatie eet zoals besproken in setie 5.3, en de waarde van deze onstante laat zih dan ook aezen van vergelijking (183): het is preies de lorentzfator γ. Het tweede vershil met de wet van Newton is het feit dat er hier afgeleiden worden genomen naar de eigentijd τ, waar in Newtons theorie afgeleiden werden genomen naar de tijd t. Dit 63 Dit is een generalisatie van vergelijking (33). Het bewijs van deze stelling gaat op eenzelfde wijze aan dat van vergelijking (33).
20 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 102 Figuur 45: Ruimtetijddiagram in een speiek lorentzframe dat de 3D ruimte toont op t = 0, alsook de viersnelheid U = (U 0, u) van een deeltje dat deze 3D ruimte passeert (op t = 0) als raakvetor aan het pad, en twee 3D vetoren die in deze 3D ruimte liggen: het ruimtelijke deel van de viersnelheid U en de gewone snelheid v van het deeltje. maakt van deze nieuwe afgeleide een soort `gemengd-objet': de gemeten afstanden x worden genomen zoals gemeten door een willekeurige waarnemer ten opzihte van wie het deeltje beweegt, waar de tijd gemeten wordt door de waarnemer die stilstaat ten opzihte van het bewegende deeltje. Dit objet wordt de viersnelheid U met omponenten U µ (t) = (U 0, u) genoemd. Er geldt U = d x/dτ en voor de omponenten geldt U α = dx α /dτ. Dit betekent voor de gewone snelheid v dat v j dxj dt = dxj /dτ dt/dτ = U j U 0. Deze relatie in ombinatie met de normering van U: U µ U µ = dx µ dx µ /dτ 2 = ds 2 /dτ 2 = 2 dτ 2 /dτ 2 = 2 en dus U µ U µ = 1 voor eenheden met = 1. Hiermee vinden we U 2 = g αβ U α U β = (U 0 ) 2 + δ ij U i U j = 2, betekent dat de omponenten van de viersnelheid van de vorm U 0 = γ, U i = γv i, met γ = 1/(1 δ ij v i v j ) 1 2 zijn. We vatten een en ander nog een samen in Fig. 45. Het is nuttig om v j te zien als de omponenten van een 3D vetor v, de gewone snelheid, die leeft in de 3D eulidishe ruimte t = onstant van het gekozen lorentzstelsel. Deze 3D ruimte is niet goed gedenieerd totdat er een lorentzstelsel gekozen is, en daarom hangt het bestaan van v af van de speieke keuze. Op het moment dat een lorentzframe gekozen is, kunnen we v zien als een oördinaten-onafhankelijk objet. Teneinde weer ontat te maken met de klassieke mehania, shrijven we de viersnelheid om naar een meer natuurlijk objet (te weten: afstand en tijd gemeten door een en dezelfde waarnemer). Dit kunnen we doen door te beseen dat de verlopen tijd gemeten door het deeltje, en die door een andere waarnemer, met elkaar gerelateerd zijn via de formule van tijddilatatie: dτ = γ 1 dt. Op deze manier is de gevonden wet uit te drukken als mγ 2 d x2 = 0. (219) dt2 De wet van Newton kan nu gezien worden als een speiaal geval van deze nieuwe wet. Als we aannemen dat het deeltje veel langzamer beweegt dan het liht ten opzihte van de waarnemer in wiens tijdsduur en afstand we nu alles hebben uitgedrukt (oftewel we nemen aan dat v ), dan kan vergelijking (219) benaderd worden door mγ 2 d x2 dt 2 m 1 ( v ) 2 d x 2 dt 2 m ( ( v ) ) 2 d x dt 2 md x2 = 0, (220) dt2
21 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 103 waar gebruik is gemaakt van de wiskundige regel (1+x) m 1+mx, welke geldt als x 1. Dit is preies de wet van Newton! Zo is nu aangetoond dat de wet van Newton slehts een speiaal geval is van een meer algemene bewegingswet, vergelijking (217)! Dit geeft ons vertrouwen dat onze keuze voor de lagrangiaan waarshijnlijk de juiste was: hij voldoet aan het relativiteitsprinipe, en geeft ons bovendien onze oude vertrouwde bewegingswetten terug. Met dit in het ahterhoofd kunnen we nu verder gaan met het aeiden van wetten betreende de energie en impuls. Zoals besproken in setie 2.8, volgt een impuls uit een gegeven lagrangiaan via vergelijking (41). Toegepast op de relativistishe lagrangiaan levert dit voor de impuls van het vrije deeltje p α = L ẋ α = L dxα dτ = m dxν dτ η αν, (221) en na beide kanten te ontraheren met de inverse η µα van de minkowksimetriek wordt dit ( ) p µ = m dxµ dτ = mu µ γm =. (222) γm v Merk op dat door de metriek te gebruiken we de ovariante vetor p µ vinden en als we deze ontraheren met de vetor p µ verkrijgen we de invariant p µ p µ = m 2 U µ U µ = m 2 2. (223) Wederom lijkt de uitdrukking voor p µ in vergelijking (222) erg op de impuls zoals bekend uit de mehania van Newton: een massa vermenigvuldigd met een snelheid. Ehter, de snelheid is hier nu weer de viersnelheid, en deze nieuwe impuls wordt dan ook de vierimpuls genoemd. Merk op dat dit uiteraard een ontravariante viervetor is. Vergeleken met de uitdrukking voor de newtoniaanse variant, vergelijking (42), gaan weer twee vershillen op: ten eerste is er een nulomponent aanwezig, en ten tweede is het weer een `gemengd-objet': afgelegde afstand gemeten door een willekeurige waarnemer, en tijdsduur gemeten door een waarnemer die stilstaat ten opzihte van het deeltje. Het tweede vershil kunnen we weer een plaats geven door de relatie tussen eigentijd en tijd te gebruiken. Dit levert p α = mγ dxα dt, (224) en via dezelfde benaderingsmethode als gebruikt in vergelijking (220) volgt diret dat de i- omponent (i = 1, 2, 3) hiervan redueert tot de impuls zoals bekend uit de mehania van Newton, wanneer het deeltje veel langzamer beweegt dan het liht. De i = 1, 2, 3 omponenten van dit objet worden daarom opgevat als de relativistishe uitdrukkingen van de impuls. Wat de nul-omponent betreft, deze moet nog een interpretatie krijgen. Deze omponent is p 0 = mγ. (225) Via een dimensie-analyse is meteen te zien dat p 0 de dimensie van een energie heeft, en dit wekt de suggestie dat het gaat om de energie van het vrije deeltje. De vraag dringt zih dan al snel op: op welke manier is deze uitdrukking gerelateerd aan de newtoniaanse uitdrukking voor de energie van een vrij deeltje, K = 1 2 mv2? Ook hier biedt de benadering van lage snelheden uitkomst. Er geldt ) ) 2 p 0 = m ( v ) 2 m 2 ( ( v = } m 2 {{ + K }, (226) E waar de uitdrukking voor de newtoniaanse energie K van een vrij deeltje is ingevuld. Hier blijkt nu dat, in de benadering van lage snelheden, de nul-omponent van de relativistishe impuls
22 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 104 redueert tot de newtoniaanse energie plus een extra term. Afgezien van deze onstante term, is de nul-omponent bij lage snelheden inderdaad gelijk aan de kinetishe energie van het deeltje zoals voorspeld door de newtoniaanse mehania. Het ligt dan ook voor de hand om aan te nemen dat we p 0 ook bij hoge snelheden mogen opvatten als de energie van het deeltje. Wat de onstante term betreft kan de vraag worden gesteld hoe fysish interessant deze is. Immers, in de klassieke natuurkunde kennen alleen energievershillen een meetbare betekenis 64, en dus zal elke extra onstante term toegevoegd aan de energie van een systeem uit de berekening vallen wanneer een energievershil opgeshreven wordt. Toh heeft de onstante term m hier wel degelijk een fysishe betekenis: het is namelijk niet zomaar een willekeurige onstante, het is een onstante die een eigenshap van het deeltje bevat (de massa)! Deze energie is ook aanwezig wanneer het deeltje geen bewegingsenergie heeft voor een gegeven waarnemer, K = 0; we spreken dan ook over rust-energie, en deze is gelijk aan E = m 2. (227) Dit is welliht de bekendste formule uit de natuurkunde. Hij zegt dat elke massa een energie met zih meedraagt gelijk aan deze massa maal 2, en dat dit energie is die zih niet laat wegtransformeren door naar een ander inertiaalstelsel te gaan. Het is daarom een fundamentele hoeveelheid energie voor een gegeven massa m: voor alle waarnemers geldt dat een massa op zijn minst deze hoeveelheid energie met zih meedraagt. Resumerend is nu gevolgd dat onze keuze voor de lagrangiaan ons een uitdrukking geeft voor de impuls, waarvan de i-omponenten netjes redueren tot de impuls zoals die in de newtoniaanse mehania bekend was; de nul-omponent van de vierimpuls blijkt overeen te komen met de energie van het deeltje. We shrijven dan ook waarin geldt p µ = E p x p y p z = mu µ = m ( γ γ v ), (228) E = γm 2, p i = γmv i. (229) We vinden ook diret de handige relaties γ = E/m en β = p/e = v/. De naam is niet de enige overeenkomst tussen de vierimpuls en viersnelheid: beide transformeren op dezelfde manier tussen inertiaalsystemen. Met name de lorentztransformaties werken op deze objeten op dezelfde manier; dit betekent dat twee waarnemers die zih in de x-rihting met snelheid v bewegen ten opzihte van elkaar, vershillende energie (E en E ) en impuls (p x en p x) meten van een en hetzelfde deeltje, en dat deze zih tot elkaar verhouden als E = γ ( E ( ) ) v px p x = γ ( p x v E ) 2 p y = p y p z = p z p 0 p 1 p 2 p 3 = γ βγ 0 0 βγ γ p 0 p 1 p 2 p 3 pµ = Λ µ νp ν (230) Bovendien kunnen we de ontratie p µ p µ van de vierimpuls met zihzelf nemen, omdat we al gezien hadden dat de ontratie van een viervetor met zihzelf altijd een invariant oplevert. Het is dan eenvoudig om aan te tonen dat deze invariant gelijk is, op een fator 2 na, aan de massa 64 Denk bijvoorbeeld aan de relatie tussen een kraht F in de x-rihting en de potentiële energie V : F = dv dx, oftewel een meetbare grootheid is uitgedrukt als een vershil in energie.
23 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 105 van het deeltje in het kwadraat. Er geldt ( ) E 2 η µν p µ p ν = + p 2 = m 2 2 γ 2 + m 2 v 2 γ 2 ( v ) ) 2 = m 2 2 γ (1 2 = m 2 2. (231) Dit leidt dan tot de volgende uitdrukking voor de relatie tussen de energie en de impuls, E 2 = p m 2 4. (232) Deze is bijna geheel 65 equivalent aan de eerder gevonden uitdrukking voor de relativistishe energie, vergelijking (226), maar is in de praktijk soms te prefereren omdat deze ons in staat stelt de energie van een deeltje uit te rekenen zonder de snelheid v van het deeltje te hoeven kennen. Met name in de deeltjesfysia, waar men vaak de impulsen van de deeltjes beter kan meten dan louter hun snelheid, wordt deze formule veel gebruikt. Het belang van energieën en impulsen in de relativiteitstheorie is dezelfde als die in de Newtoniaanse mehania. Daar is het een experimenteel gegeven dat energie en impuls behouden grootheden zijn; dit levert enorme voordelen op tijdens het berekenen van mehanishe proessen. Het blijkt experimenteel dat dit nog steeds geldt voor onze nieuwe uitdrukkingen voor de energie en impuls: elk experiment toont aan dat deze twee grootheden niet veranderen tijdens fysishe proessen. Dit maakt het uitermate handig om met energie en impuls te werken wanneer een relativistish probleem wordt beshouwd. Het is hier nu van belang om het vershil tussen `behouden' en `invariant' te onderstrepen: een grootheid is behouden wanneer geldt dat zijn waarde voor en na een proes dezelfde is; een grootheid is invariant als geldt dat zijn waarde voor alle waarnemers in vershillende inertiaalstelsels dezelfde is. Enkele voorbeelden: de lihtsnelheid is een invariant en is behouden; de massa van een deeltje is invariant maar in het algemeen niet behouden; de energie van een deeltje is behouden maar niet invariant; snelheden zijn in het algemeen zowel niet behouden noh invariant. Nog enkele woorden over snelheden. Zoals al besproken, volgt uit de minkowskimetriek de snelheidsregel van Einstein, waaruit we hebben laten volgen dat het onmogelijk is een deeltje sneller te zien gaan dan het liht als het voor een enkele waarnemer niet sneller gaat dan het liht. De vraag of er een waarnemer bestaat voor wie het deeltje sneller gaat dan het liht is nog niet aan de orde gekomen. Met de uitdrukking voor de relativistishe energie kan die vraag nu denitief worden beantwoord, en wel als volgt. De uitdrukking gegeven in vergelijking (226) voor de relativistishe energie vertelt ons dat er in een deeltje dat zih ten opzihte van ons met snelheid v beweegt, een energie E versholen is. Omgekeerd kan de relatie ook gelezen worden als de hoeveelheid energie benodigd om een deeltje vanuit stilstand tot deze snelheid te versnellen. Als wij nu een deeltje naar de lihtsnelheid willen versnellen, dan geldt v = en wordt de noemer van vergelijking (226) gelijk aan nul: de benodigde energie E wordt oneindig groot. Dit is een andere manier van zeggen dat het onmogelijk is een deeltje de lihtsnelheid te geven! Hiermee is dan ook aangetoond dat deeltjes voor deze waarnemer niet sneller kunnen gaan dan de lihtsnelheid; via Einsteins snelheidsregel volgt dan diret dat geen enkele andere waarnemer het deeltje sneller dan het liht kan zien bewegen. 65 Er is een subtiel maar belangrijk vershil: deze uitdrukking geeft niet de energie van een deeltje, maar het kwadraat van de energie; er moet dus nog een wortel worden genomen! Nu heeft een kwadratishe vergelijking altijd twee oplossingen: een met een plusteken, en een met een minteken. De laatste oplossing duidt op deeltjes met een negatieve energie, iets wat vergelijking (226) nog niet deed! Het orret interpreteren van deze nieuwe oplossingen leidde Paul Dira tot het voorspellen van het bestaan van antimaterie.
24 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 106 Er is een uitzondering op deze regel. Om tot de energie E van te komen, hebben we opgemerkt dat een deeltje met snelheid v = de noemer in vergelijking (226) gelijkmaakt aan nul, en delen door nul geeft oneindig. Dit is inderdaad waar, mits de teller niet gelijk is aan nul. Als de teller van een breuk ook gelijk is aan nul, levert delen door nul niet altijd meer oneindig op. De waarde van de uitkomst is dan onbepaald: afhankelijk van de ontext kan er iets eindigs uitkomen. Hier staat in de teller van de breuk de massa van het deeltje, dus al met al ziet het ernaar uit dat er wel degelijk deeltjes zouden kunnen bestaan die met preies de lihtsnelheid bewegen mits de massa van zulke deeltjes maar gelijk is aan nul 66. Zulke deeltjes kennen we: fotonen 67 gaan met de lihtsnelheid, en deze hebben inderdaad een massa gelijk aan nul. Dit volgt uit alle metingen, maar het is interessant om te zien dat dit resultaat ook volgt uit puur theoretishe overwegingen. De impuls van een foton heeft de waarde p µ p µ = 0 E = p. Zoals elke keer weer blijkt dit een diret gevolg te zijn van de minkowskimetriek en het relativiteitsprinipe! De vraag dient zih dan aan wat de waarde is van de energie van een foton: wat is hier de uitkomst van nul gedeeld door nul? De uitdrukking voor de relativistishe energie doet geen uitspraak. Dit betekent niet dat er geen antwoord bestaat voor de energie van een massaloos deeltje, maar alleen dat deze waarde niet door vergelijking (226) of door de relativiteitstheorie bepaald kan worden, en dat een andere formule nodig is. In het geval van een foton is de formule bekend uit de quantummehania, E = hf (233) waar f de frequentie (kleur) van het liht is, en h de onstante van Plank. De ontdekking van deze formule door Max Plank in 1900, was de start van de studie van de quantummehania. Samen met de ontdekking van de speiale relativiteitstheorie leidde de ontwikkeling van de quantummehania tot een gehele hershrijving van de grondslagen van de natuurkunde Lorentztransformaties vormen een groep Groeptheorie is een belangrijk deel van de wiskundige beshrijving van de moderne fysia. In het volgende zullen we enkele aspeten hiervan demonstreren aan de hand van de Lorentztransformaties. We beginnen met de abstrate denities en gaan dan over naar representaties met matries Denities Een groep G is een verzameling van elementen, g 1, g 2,.., g n met een denitie van vermenigvuldiging. Dit betekent 1. g i g j = g k G. Produten van elementen zijn ook elementen van de groep, 2. vermenigvuldiging is assoiatief, (g i g j ) g k = g i (g j g k ), 3. het identiteits-element bestaat en is een element van de groep, 1 G, 1 g i = g i 1 = g i, 4. de groep bevat een unieke inverse voor elk element, g i G gi 1 gi 1 g i = 1. G, zodat g i g 1 i = 66 Een omgekeerde onlusie kan ook worden getrokken uit vergelijking (226): als een deeltje een massa gelijk aan nul zou hebben maar niet zou bewegen met de lihtsnelheid, zou alleen de teller nul zijn, en daarmee de hele uitdrukking voor de energie. Deeltjes zonder energie bestaan niet (alles heeft energie), en dus volgt nu ook dat als een deeltje geen massa heeft, het noodzakelijkerwijs met de lihtsnelheid moet bewegen. 67 Er zijn nog meer massaloze deeltjes die met de lihtsnelheid bewegen: gluonen en gravitonen. Voor het gemak spreken we alleen over de fotonen, maar impliiet bedoelen we hier alle massaloze deeltjes mee.
25 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 107 Merk op dat het niet nodig is dat vermenigvuldiging ommutatief is. We ondersheiden g i g j = g j g i (ommutatief) een Abelse groep, g i g j g j g i (niet ommutatief) een niet Abelse groep. (234) Als het aantal elementen eindig is (n < ), dan hebben we te maken met een eindige of disrete groep. De kleinste groep is de triviale groep met n = 1 en met enkel het element g = 1. Ga maar na dat aan alle eisen op een triviale manier voldaan is. In de natuurkunde hebben de relevante groepen een oneindig aantal elementen, maar kunnen de individuele elementen g gespeieerd worden door een eindig aantal parameters N. Er geldt g = G(x 1, x 2,.., x N ). (235) Van bijzonder belang zijn groepen waarvan de parameters ontinue variëren over een bepaald bereik. Het aantal parameters is eindig, maar het aantal elementen is dan oneindig. Als het bereik van deze parameters gebonden is (dus niet oneindig wordt), dan noemen we een dergelijke groep ompat. Bijvoorbeeld, de parameterruimte van de ompate groep SO(3) is een bol met straal π. Tenslotte hebben de groepen die wij nu gaan beshouwen de additionele eigenshap dat de afgeleiden g/ x i naar alle parameters bestaat. Groepen met deze eigenshap worden Lie groepen genoemd. Als we naar het gedrag bij de oorsprong van de parameterruimte kijken, dan geldt per denitie dat g(0, 0,.., 0) 1 (236) het identiteits-element is. In de buurt van de oorsprong van de parameterruimte orresponderen de groepelementen met innitesimale transformaties en zijn de afgeleiden erg belangrijk. Men spreekt over de generatoren X k en er geldt g x k X k. (237) xi =0, all j De generatoren deniëren de N-dimensionale algebra (vetorruimte), waar zowel optelling (van elementen van de algebra) als vermenigvuldiging met onstanten gedenieerd zijn. Het algemene element van deze Lie algebra kan worden uitgedrukt als een lineaire ombinatie van de generatoren N X = k X k. (238) k=1 Dit is analoog aan de vertrouwde drie-dimensionale vetorruimte, afgezien van het feit dat hier de generatoren de basisvetoren zijn (in plaats van i, j en k). We kunnen ons de generatoren voorstellen in termen van een soort Taylor expansie van de groepelementen in de buurt van de oorsprong. De groepelementen kunnen verkregen worden uit de elementen van de algebra door exponentiëren (we komen hier straks over te spreken). De algebra laat ook de denitie van een vetor produt (uitprodut) toe, dat weer een element van de algebra produeert. De algebra is gesloten onder deze operatie. Dit produt is de vertrouwde ommutator [X k, X l ] X k X l X l X k = C klm X m. (239) De tensor C ijk wordt de strutuuronstante(n) van de algebra genoemd en speieert volledig de strutuur van de algebra en hiermee van de groep zelf (in de buurt van de oorsprong van de parameterruimte).
26 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE Groeptheoretishe aspeten van de Lorentztransformaties We kunnen Lorentztransformaties (we kiezen als voorbeeld een boost in de z-rihting) uitdrukken in matrixnotatie als γ 0 0 βγ E p µ Λ µ νp ν = p x p y. (240) βγ 0 0 γ p z De invariantie van het salair produt implieet de volgende eigenshap voor de matrixrepresentatie van de boost p µ 1 p 2µ = Λµ νp ν 1g µσ Λ σ δ pδ 2 = p ν 1g νδ p δ 2 = p ν 1p 2ν Λ µ νg µσ Λ σ δ = g νσ. (241) Als we de eerste Λ transponeren, kunnen we de laatste relatie opshrijven in onventionele matrixnotatie. Er geldt Λ T gλ = g. (242) We gebruiken nu de eigenshappen van de metriek, g 2 = 1, g = g 1 = g T (merk op dat 1 staat voor de eenheidsmatrix) en vermenigvuldigen vergelijking (242) met g en vinden (merk op dat deze resultaten niet van de keuze van de metriek afhangen) 1 = gλ T gλ Λ 1 Λ Λ 1 = gλ T g. (243) We hebben hiermee aangetoond dat zowel Λ als Λ 1 bestaat en het is ook makkelijk aan te tonen dat het resultaat van ahtereenvolgende boosts weer een boost is, Λ 1 Λ 2 = Λ 3. Dit zijn de eigenshappen die we eisen als boosts een groep moeten vormen. Het is ook eenvoudig te demonstreren dat boosts, net als rotaties, in het algemeen niet ommuteren (dus Λ 1 Λ 2 Λ 2 Λ 1 ). We verwahten dat de matrixvoorstelling van de boosts de representatie van een niet-abelse groep is (dat is een groep waarvan de elementen niet ommuteren). De groep is kwestie is de Lorentzgroep SO(3,1), waar de O staat voor "orthogonaal" en de notatie (3,1) uitdrukt dat we 3 ruimtelijke dimensies en 1 tijddimensie hebben, met vershillende tekens in de metriek. Algemene 4 4 reële matries hebben 16 reële parameters. We hebben ehter te maken met bepaalde eisen die gesteld worden aan de Lorentzgroep. De matrixvergelijkingen (242) leveren 10 relaties (1 voor elke term op de diagonaal en 6 voor de niet-diagonale elementen) 68. Er zijn dus 6 = parameters die de groep beshrijven. We laten geen reeties toe in de "proper" Lorentzgroep (dat duiden we aan met de letter "S" in SO(3,1)) en eisen verder dat det(λ) = +1 (en niet -1). We staan ook de vorm diag( 1, 1, 1, 1) niet toe, hetgeen een reetie in alle 4 dimensies voorstelt. Deze 6 parameters kunnen makkelijk begrepen worden als de 3 Euler hoeken die de gebruikelijke rotaties in de 3D-ruimte voorstellen (dat zijn orthogonale transformaties die de lengte van 3- vetoren invariant houden) plus de 3 parameters die de boosts zelf beshrijven. Deze laatste transformaties kunnen we ons voorstellen als de "hyperbolishe" (imaginaire) rotaties die de tijddimensie met een van de ruimtelijke dimensies mengt. Ze zijn orthogonaal in de zin dat ze de lengte van 4-vetoren behouden die gedenieerd zijn in termen van het geshikte salaire produt. Het feit dat de metriek de 4 dimensies niet op dezelfde manier behandelt, verklaart de (3, 1) notatie 69. De relatie is bijzonder helder als we de uitdrukking voor de gebruikelijke rotatie over een hoek φ om de z-as (hetgeen de x en y omponenten mengt; zie ook vergelijking (194)) 68 De elementen boven de diagonaal zijn identiek aan die onder de diagonaal, want als de vergelijking transponeren, krijgen we weer dezelfde vergelijking: (Λ T gλ) T = Λ T gλ. 69 In de Eulidishe 4D-ruimte, waarin de metriek diag(1, 1, 1, 1) is, vindt men SO(4).
27 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 109 vergelijken met een boost in de z-rihting geshreven in termen van de rapidity y u (hetgeen de t en z omponenten mengt; zie ook vergelijking (198)). We vinden en Λ({x, y}, φ) = Λ({t, z}, y u ) = os φ sin φ 0 0 sin φ os φ osh y u 0 0 sinh y u sinh y u 0 0 osh y u, (244). (245) De basisvormen zien er hetzelfde uit. De boosts hebben enkel hyperbolishe funties. We kunnen de volledige transformatie uitdrukken in exponentiële vorm als Λ = e L = 1 + L + L (246) waar L zelf weer een reële 4 4 matrix is. We kunnen ons L voorstellen als een generator van "kleine" transformaties, die we dan itereren ot een volledige transformatie Λ. Omdat we enkel de "proper" transformatie toestaan, geldt det(λ) = e Tr(L) = 1 Tr(L) = 0. (247) We vinden dus dat L traeless en reëel moet zijn. Evenzo hebben we Λ T = e LT en Λ 1 = gλ T g = e L = g (1 + L T + LT L T 2 = 1 + L T + LT L T (248) ) +... g = gg+gl T g+ glt ggl T g +... = e glt g. (249) 2 We nemen de logaritme van bovenstaande uitdrukking en gebruiken g = g 1 = g T en vinden gl T g = L L T g = (gl) T = gl. (250) Aldus vinden we dat gl zowel spoorloos als antisymmetrish is, terwijl L spoorloos is en gemengde symmetrie heeft. Hij heeft preies de 6 vrije omponenten die we nodig hebben om SO(3,1) te representeren: de 6 niet-diagonale omponenten van een spoorloze, antisymmetrishe 4 4 tensor. We kunnen de algemene uitdrukking voor L shrijven als L = 0 L 01 L 02 L 03 L 01 0 L 12 L 13 L 02 L 12 0 L 23 L 03 L 13 L 23 0 met L 01, L 02 en L 03 de boosts en L 12, L 13 en L 23 de rotaties., (251) In de 6-dimensionale vetorruimte van deze matries kunnen we de volgende verzameling matries als basis kiezen. Deze matries vormen een representatie van de generatoren van SO(3,1), dus
28 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 110 van de elementen van haar algebra. We kiezen S 1 = , S 2 = K 1 = , K 2 = , en S 3 =, en K 3 = ,. (252) We herkennen de eerste rij als de gebruikelijke basisset voor rotaties: S 1 genereert een rotatie om de x-as (en mengt y en z), S 2 een rotatie om de y-as en S 3 om de z-as. De matries in de tweede rij representeren de orresponderende generatoren van de boosts in de x, y en z rihtingen. Het is eenvoudig te ontroleren dat zowel Si 2 als Ki 2 diagonale matries zijn (elke Si 2 heeft twee -1 elementen op de diagonaal, terwijl elke Ki 2 twee +1 elementen heeft). Verder geldt Si 3 = S i en Ki 3 = K i. Bijvoorbeeld S 2 3 = Vervolgens deniëren we twee reële vetoren, en K2 3 = (253) θ = (θ 1, θ 2, θ 3 ), en y = (y 1, y 2, y 3 ), (254) die de 6 parameters bevatten die we nodig hebben. Met de produten θ S θ 1 S 1 + θ 2 S 2 + θ 3 S 3, y K = y 1 K 1 + y 2 K 2 + y 3 K 3, (255) kan men eenvoudig laten zien dat ( θ S ) 3 = θ S θ 2, ( y K) 3 = y K y 2. (256) Bovenstaande relaties vereenvoudigen de taak van het expanderen van de volgende uitdrukkingen L = θ S y K en Λ( θ, y) = e θ S y K, (257) waar de keuze van het teken (-1) aangeeft dat we het referentiesysteem transformeren, en niet de toestandsvetoren. We demonstreren het formalisme aan de hand van twee voorbeelden. Voorbeeld: passieve rotatie van de assen rond de z-as We kiezen de vetoren θ = (0, 0, φ) en y = (0, 0, 0). Het is eenvoudig te veriëren dat θ S = φs 3 = 0 0 φ 0 0 φ 0 0. (258)
29 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 111 Ook geldt ( θ S) 2 = φ 2 S 2 3 = We shrijven 0 φ φ 2 0, en ( θ S) 3 = φ 2 ( φs 3) = ( ) ) e φs 3 = S 3 φ φ3 3! +... S3 (1 2 φ2 2! We gebruiken de reeksontwikkelingen van de goniometrishe funties en vinden e φs 3 = S 3 sin φ S3 2 os φ + = φ φ os φ sin φ 0 0 sin φ os φ We herkennen de "passieve" rotatie om de z-as (vergelijk dit met uitdrukking (244).. (259). (260). (261) Voorbeeld: een boost langs de z-as We kiezen de vetoren θ = (0, 0, 0) en y = (0, 0, y u). We shrijven weer y u y K = y uk 3 = y u Ook geldt ( K) 2 y = y 2 u K3 2 = yu yu 2 We shrijven de volledige boost als, en ( y K) 3 = y 2 u ( y uk 3) = ( ) ( ) e yuk 3 = K 3 y u y3 u 3! K3 2 1 y2 u 2! (262) yu 3 yu We gebruiken de reeksontwikkelingen van de hyperbolishe funties en vinden osh y u 0 0 sinh y u e yuk 3 = K 3 sinh y h + K3 2 osh y u = sinh y u 0 0 osh y u We herkennen de boost langs de z-as (vergelijk dit met uitdrukking (245).. (263). (264). (265) We weten dat een groep waarvan de elementen geparametriseerd zijn in termen van ontinue variabelen (in ons speieke geval de θ i en y i ) een Lie groep wordt genoemd. De partiële afgeleiden van de groepelementen naar deze parameters in de buurt van het identiteitselement (dat is nabij de oorsprong in de parameterruimte) Λ( θ, y) θ k S k, en Λ( θ, y) K θ=0, y=0 y l l (266) θ=0, y=0 worden de generatoren van de groep genoemd (modulo fatoren i). Zoals reeds eerder opgemerkt is deze naamgeving toepasselijk omdat deze matries (operatoren) geassoieerd zijn met het
30 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 112 genereren van innitesimale transformaties. De ommutatoren van de generatoren deniëren de Lie algebra van de (Lie) groep. We hebben bijvoorbeeld [S 1, S 2 ] = S 3, [S 2, S 3 ] = S 1 en [K 1, K 2 ] = S 3, [S 1, K 2 ] = K 3, (267) et. De algemene strutuur is bespreken we in de volgende setie Connetie met quantummehania We hebben de Lorentzgroep beshouwd en gevonden dat g( θ, y) = Λ( θ, y) = e L, met L = θ S y K. (268) We herkennen de matries S en K als matrixrepresentaties van (minus) de generatoren van de groep SO(3,1). We hebben gezien dat de vershillende matries niet ommuteren en de elementen van de groep doen dat ook niet, e θ 1S 1 e θ 2S2 e θ 2S 2 e θ 1S1 e θ 1S 1 θ 2 S 2. (269) Dit is een niet-abelse groep. Merk op dat in het algemeen geldt dat Als geldt dat dan vinden we Dit wordt het Baker-Hausdorf Lemma genoemd. e A e B = e B e A enkel en alleen als [A, B] = 0. (270) [A, [A, B]] = [B, [A, B]] = 0; [A, B] 0, (271) e A e B = e B e A e [A,B]. (272) De matries S en K werden als reële matries gedenieerd. We willen ehter de generatoren van de groep relateren aan fysishe operatoren in de quantummehania, en dat zijn Hermitishe operatoren die waarshijnlijkheid behouden. We verwahten dat deze operatoren door Hermitishe matries gerepresenteerd worden (dus dat geldt M = ( M T ) = M). Met deze Hermitishe notatie deniëren we 6 nieuwe matries J k = is k en K k = ik k (k = 1, 2, 3), (273) waar de J k (maar niet de K k ) Hermitishe matries zijn. Er geldt J 1 = i, J 2 = i, en J 3 = 0 0 i 0 0 i 0 0 K 1 = 0 i 0 0 i 0 0 0, K2 = 0 0 i 0 i 0 0 0, en K 3 = 0 0 i 0 0 i i i 0 0 0,. (274) We herkennen de J k als de Hermitishe representatie van de operatoren voor het impulsmoment. Met deze keuze wordt de SO(3,1) groep gerepresenteerd door Λ( θ, y) = e i θ J+i y K. (275)
31 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 113 Verder deniëren we de generatoren als 1 g i x k Y k xj =0 voor alle j en [Y j, Y k ] = ic jkl Y l, (276) en vinden de gebruikelijke uitdrukkingen in de quantummehanishe ontext. We kunnen de speieke uitdrukkingen voor de matries gebruiken en vinden de elementen van de strutuuronstanten van de groep SO(3,1) in Hermitishe vorm als [J j, J k ] = iɛ jkl J l, [J j, K ] [ k = iɛ jkl Kl, en Kj, K ] k = iɛ jkl J l. (277) We gebruiken het Levi-Civita symbool ɛ jkl dat een unieke volledige antisymmetrishe 3-tensor in 3 dimensies voorstelt (j, k, l = 1, 2, 3)), 1 = ɛ 123 = ɛ 312 = ɛ 231 = ɛ 213 = ɛ 132 = ɛ 321, terwijl alle andere omponenten gelijk aan nul zijn (merk op dat ɛ ijk ɛ ijl = 2δ kl ). We zien dat het produt van twee rotaties weer een rotatie is. De rotaties vormen een groep. Deze groep is SO(3) en kennen we uit de quantummehania. Dat geldt ehter niet voor het produt van twee boosts (in vershillende rihtingen), hetgeen resulteert in de ombinatie van een boost en een rotatie. We kunnen het formalisme nog verder voeren en beshouwen hiertoe de matries J k en K k als de 6 niet-nul omponenten van een antisymmetrishe tensor in de 4-dimensionale ruimtetijd, in plaats van als 2 vershillende 3-vetoren. We maken dit expliiet en deniëren de tensoren M µν en ω µν met µ, ν = 0, 1, 2, 3 als M kl = ɛ klm J m k, l, m = 1, 2, 3, en M k0 = K k = J 0k, ω kl = ɛ klm θ m k, l, m = 1, 2, 3, en ω k0 = y k = ω 0k. (278) We kunnen de groep nu representeren als Λ( θ, y) = e i θ J+i y K = e i 2 ωµν M µν. (279) De transformaties van de groep SO(3,1) behouden niet alleen de "lengte" van 4-vetoren (dus r µ r µ ), maar laten ook de twee tensoren g µν (de metrishe tensoren) en ɛ µναβ (het 4D analogon van ɛ ijk ) invariant. Wigner realiseerde zih dat de ehte symmetriegroep voor deeltjesfysia niet de homogene Lorentzgroep is, maar dat die ook de translaties in ruimtetijd dient te bevatten. Deze inhomogene Lorentzgroep staat bekend als de Poinaré groep. De generator van ruimtetijd translaties P µ wordt gegeven door x µ x µ = x µ + a µ en P µ = i x µ. (280) Er zijn 4 translatie operatoren in de Poinaré groep, en ook 3 generatoren voor Lorentz boosts en 3 generatoren voor rotaties. In totaal zijn er 10 generatoren in de Poinaré groep, die we met behulp van vergelijking (278) kunnen shrijven als [M µν, M ρσ ] = i (η νρ M µσ η µρ M νσ + η µσ M νρ η νσ M µρ ), (µ, ν, ρ, σ = 0, 1, 2, 3). (281) De ommutatierelaties voor de translatie generatoren zijn [P µ, P ν ] = 0, [P µ, M ρσ ] = i (η µρ P σ η µσ P ρ ). (282)
32 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 114 De algemene inhomogene Lorentztransformaties die de Lorentz boosts, rotaties en ruimtetijd translaties bevatten, worden gegeven door x µ x µ = Λ µ νx ν + a µ, (283) waarbij de matrix Λ die de boosts en rotaties bevat, gegeven wordt door vergelijking (279). Noethers theorema is bekend uit de mehania en stelt dat er met elke symmetrie die door lokale aties gegenereerd wordt, een behouden stroom orrespondeert. Met symmetrie wordt bedoeld de ovariantie van de vorm die een natuurkundige wet heeft met betrekking tot een één-dimensionale Lie groep. We kunnen Noethers theorema toepassen op bovenstaande symmetriën en vinden dat de translatie in de tijd leidt tot de wet van behoud van energie, translaties in positie tot behoud van impuls, en de rotaties tot behoud van impulsmoment. We kunnen de algemene transformatie van de Poinaré groep aangeven met de notatie {Λ, a}. Het eenheidselement wordt aangegeven met {1, 0} en de samengestelde transformatie { Λ, ā}{λ, a} levert x µ = Λ µ ( ν x ν ) + ā µ = Λ µ ( ν Λ ν ρ x ρ + a ν) + ā µ = Λ µ νλ ν ρx ρ + ( Λµ ν a ν + ā µ). (284) Tenslotte merken we op dat er slehts twee invarianten zijn in de Poinaré groep die ommuteren met alle generatoren. Dat zijn de Casimir invarianten (of Casimir operatoren) 70. De eerste Casimir invariant C 1 is geassoieerd met de massa invariantie, en de tweede Casimir invariant C 2 refereert aan spin invariantie. Er geldt C 1 P µ P µ, en C 2 W µ W µ = m 2 s(s + 1), (285) met s de spin van het deeltje, en W µ de zogenaamde Pauli-Lubanski pseudo-vetor die gedenieerd is als W µ = 1 2 ɛ µνρσm νρ P σ. (286) Het is opmerkelijk dat slehts uitgaande van de Minkowski-metriek en het bijbehorende Lorentzinvariante lijnelement, toepassing van wiskunde in de vorm van de groeptheoretishe beshouwing van transformaties die dit lijnelement invariant laten, ons geleid hebben tot belangrijke behoudswetten en essentiële denities van massa en spin in de vorm van Casimir operatoren De elektromagnetishe tensor De Maxwellvergelijkingen voor de elektrishe en magnetishe velden E en B in vauüm in eenheden waarbij µ 0 = ɛ 0 = = 1 luiden B E t = 4πj, E + B t = 0, E = 4πρ, B = 0. Hierbij stelt ρ de dihtheid van elektrishe lading voor en j de stroomdihtheid. (287) We deniëren de antisymmetrishe elektromagnetishe veldtensor F met omponenten 0 E x E y E z F µν = E x 0 B z B y E y B z 0 B x (288) E z B y B x 0 70 De Poinaré groep heeft rang 2, zodat er enkel twee invarianten zijn. In het algemeen is de rang van een SO(N) groep gelijk aan N/2 als N even is en (N 1)/2 als N oneven is.
33 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 115 en zien dat de elektrishe en magnetishe velden gegeven worden door E = (E x, E y, E z ) = ( F 01, F 02, F 03), B = (B x, B y, B z ) = ( F 23, F 31, F 12). (289) We deniëren ook de stroom viervetor J = (ρ, j x, j y, j z ). Hiermee kunnen we de Maxwellvergelijkingen shrijven als F µν,ν = 4πJ µ, F µν,λ + F νλ,µ + F λµ,ν = 0, (290) met F µν = η µα η νβ F αβ. We hebben nu de Maxwellvergelijkingen uitgedrukt in tensorvorm. De eerste van deze vergelijkingen impliieert het behoud van elektrishe lading. Dan geldt J µ µ = 0 ρ + j = 0, (291) t hetgeen de ontinuiteitsvergelijking voorstelt. We kunnen dat inzien als we de eerste ovariante Mawellvergelijking ontraheren en vinden 4πJ µ µ = F µν,νµ = F νµ,µν = F µν,νµ F µν,νµ = 0 J µ µ = 0. (292) Door een Lorentztransformatie uit te voeren naar een referentiesysteem dat met snelheid v in de x-rihting beweegt, kunnen we uitrekenen hoe de elektrishe en magnetishe velden veranderen. Er geldt F µν = Λ µ αλ ν β F αβ. (293) We vinden dan dat E = E x onveranderd blijft, terwijl E = γ(e + v B), (294) waarbij E en E de elektrishe velden zijn parallel en loodreht met ˆx. We zien dus dat E en B mengen. De vierkraht op een deeltje met lading q en snelheid U in een elektromagnetish veld is K µ = qf µν U ν = qγ (E v, E + v B). (295) Het ruimtelijke deel van K µ is de Lorentzkraht en de tijdomponent is de arbeid die door deze kraht per tijdseenheid wordt verriht. Door J = qu te shrijven, vinden we met behulp van de Maxwellvergelijkingen met K µ = T µν,ν, (296) T µν = 1 (F µα F να 14 ) 4π ηµν F αβ F αβ. (297) Dit is de energie-impuls tensor voor het elektromagnetishe veld. Merk op dat T µν zoals vereist symmetrish is en dat de energiedihtheid gegeven wordt door T 00 = 1 ( E 2 + B 2). (298) 8π
34 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE De extra traagheid van druk We hebben gezien hoe SRT geïsoleerde lihamen beïnvloedt als ze sneller bewegen: klokken (lopen trager), afstanden (worden korter), versnelde deeltjes (hun energie neemt toe), et. De SRT heeft ehter ook gevolgen voor een verzameling deeltjes, een gas. Met name speelt de gasdruk een belangrijke rol in de traagheid van het gas. We zullen ontdekken dat hoe hoger de gasdruk, hoe moeilijker het is om het gas te versnellen (de traagheid neemt toe). Dit heeft belangrijke gevolgen voor de ART. Als we neutronensterren bestuderen zullen we ontdekken dat dit eet ervoor zorgt dat het neutronengas een groter gewiht heeft. Dit zal ertoe leiden dat de ster een grotere gasdruk krijgt, hetgeen ervoor zorgt dat het gewiht toeneemt, et. Deze druk-terugkoppeling leidt er uiteindelijk toe dat het onmogelijk wordt voor de ster om zihzelf in stand te houden: de traagheid van de gasdruk leidt de ineenstorting tot een zwart gat in. De traagheid van de gasdruk is terug te leiden op de lorentzontratie. We bekijken het eet alleen voor kleine snelheden, waar SRT orreties relatief klein zijn. We beshouwen een doos met volume V die gevuld is met een uniform gas met massadihtheid ρ en gasdruk P. Stel dat we een kleine kraht uitoefenen op de doos, waardoor we haar versnellen tot een snelheid v, die klein is ten opzihte van. De vraag is nu: hoeveel energie hebben we moeten leveren om het gas een snelheid v te geven? Ter vereenvoudiging spreken we alleen over het gas en niet over de doos (astronomishe objeten als sterren zitten niet in een doos...). Als het gas een snelheid v heeft, dan heeft het kinetishe energie. Men zou dus kunnen verwahten dat de totale energie die we hebben moeten toevoegen aan de doos om het gas te versnellen gelijk 1 is aan deze kinetishe energie: 2 mv2 = 1 2 ρv v2. Dit is ehter niet het hele verhaal, omdat de lorentzontratie de lengte van de doos kleiner heeft gemaakt en daarmee het volume veranderd heeft. De doos kleiner maken, terwijl er een gas of vloeistof met druk P in zit, betekent het verrihten van arbeid. Deze arbeid is gelijk aan F d s = P V, met V de volumeverandering. Het minteken is nodig omdat de volumeverandering ( V )negatief is, terwijl de verrihte arbeid positief is. Deze extra energie vertegenwoordigt de extra traagheid van het gas: het is moeilijker om het gas te versnellen, omdat niet alleen arbeid verriht dient te worden om de bestaande energie te versnellen, maar ook om het gas te omprimeren, zoals de lorentzontratie vereist. De lengteverandering door de lorentzontratie is gelijk aan L = L 1 v 2 1 v 2 L L. (299) 2 2 De extra energie die nodig is, is gelijk aan 1 v 2 2 P V. Deze energie verdwijnt niet, maar gaat naar 2 de interne energie van het gas (op welke wijze hangt af van het type gasmoleuul). Een deel van de energie wordt gebruikt om het gas te verwarmen (de random kinetishe energie van de moleulen). De totale energie die nodig is om het gas te versnellen kunnen we shrijven als E = 1 2 mv2 P V = 1 2 ρv v2 + 1 v P V = 1 2 (ρ + P 2 ) v 2 V. (300) We zien dat de energie die nodig is om het gas te versnellen evenredig is met de som ρ + P. Dus 2 voor een bepaalde uitgeoefende kraht zal de doos minder versnellen dan we zouden verwahten op basis van alleen haar massa, omdat een deel van de energie gaat naar de interne energie van het gas. We zien dus dat de traagheid groter is dan alleen haar rustmassa. We noemen de grootheid ρ + P de traagheid van de massadihtheid van het gas De energie-impuls tensor Vergelijking (300) geeft de energie die nodig is om een gas te versnellen. De energie is ehter afhankelijk van het referentiestelsel, want het is de 0-omponent van de vierimpuls gegeven door
35 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 117 vergelijking (228). Alhoewel deze vierimpuls een volledige beshrijving geeft van de energie en impuls van een individueel deeltje, zullen we in het vervolg vaak uitgebreide systemen bespreken die zijn samengesteld uit grote aantallen deeltjes. In plaats van het toekennen van vierimpulsen aan ieder individueel deeltje, kiezen we ervoor om het hele systeem als een vloeistof te beshrijven - een ontinuum dat gekarakteriseerd wordt door marosopishe grootheden als druk, dihtheid, entropie en visositeit. In het algemeen heeft deze vloeistof een bepaald viersnelheidveld. Een enkel impuls-viervetorveld is onvoldoende om de energie en impuls van de vloeistof te beshrijven. We deniëren een energie-impuls tensor (ook wel de stress tensor genoemd) met omponenten T µν ( ). Deze symmetrishe 2 tensor vertelt ons alles wat we moeten weten van 0 de energie-ahtige eigenshappen van een systeem: energiedihtheid, druk, spanning, et. Een algemene denitie van T µν is de ux van vierimpuls p µ door een oppervlak met onstante x ν. Beshouw bijvoorbeeld een oneindig klein vloeistofelement in zijn rustsysteem. Dan is T 00 de ux van p 0 (energie) in de x 0 (tijd) rihting: het is de energiedihtheid ρ in het rustsysteem. Op dezelfde manier zien we dat in dit frame T 0i = T i0 de impulsdihtheid is. De ruimtelijke omponenten T ij zijn de impulsux, ofwel de stress, en vertegenwoordigen de krahten tussen aangrenzende volume elementen. Een diagonale term als T 11 geeft de x omponent van de kraht die per eenheid oppervlakte door het element wordt uitgeoefend in de x rihting. We interpreteren dit als de x omponent van de druk (P x ). De druk heeft drie dergelijke omponenten, P i = T ii, in het rustsysteem van de vloeistof. We zullen het bovenstaande onreter maken door `stof' (engels: dust) als voorbeeld te nemen. Kosmologen hebben de neiging om materie als synoniem voor stof te gebruiken. We deniëren stof in de vlakke ruimtetijd als een verzameling deeltjes die in rust zijn ten opzihte van elkaar. Het viervetor snelheidsveld U µ (x) is de onstante viersnelheid van de individuele deeltjes. De omponenten zijn hetzelfde op elk punt. We deniëren de ux viervetor als N µ = nu µ, (301) met n de deeltjesdihtheid gemeten in het rustsysteem. Dan is N 0 de deeltjesdihtheid gemeten in een ander systeem, terwijl N i de deeltjesux is in de x i -rihting. Verder nemen we aan dat elk deeltje massa m heeft. In het rustsysteem wordt de energiedihtheid van de stof gegeven door ρ = nm. (302) Per denitie speieert de energiedihtheid de stof volledig. Ehter ρ 2 meet de energiedihtheid in het rustsysteem. Hoe zit het met de andere systemen? Merk op dat zowel n als m de 0 omponenten zijn van viervetoren in hun rustsysteem, namelijk N µ = (n, 0, 0, 0) en p µ = mu µ = (m, 0, 0, 0). We zien dus dat ρ 2 de µ = 0, ν = 0 omponent is van de tensor p N gemeten in het rustsysteem. Dit leidt tot de volgende denitie van de energie-impuls tensor voor stof, T µν stof = pµ N ν = mnu µ U ν = ρu µ U ν, (303) met ρ 2 de energiedihtheid in het rustsysteem. We zien dat de druk van het stof in elke rihting gelijk is aan nul. Dat klopt ook wel, omdat wij stof gedenieerd hebben als een verzameling deeltjes zonder random bewegingen. Stof is onvoldoende voor een algemene beshrijving van belangrijke fenomenen in de ART. Hiervoor is het onept van een `perfete vloeistof' nodig. Een perfete vloeistof kan volledig worden gespeieerd door twee grootheden: de energiedihtheid ρ in het rustsysteem, en een isotrope druk P in het rustsysteem. De parameter P geeft de druk in elke rihting. Een onsequentie van de isotropie is dat T µν diagonaal is in het rustsysteem. Verder moeten de diagonale omponenten allemaal gelijk zijn: T 11 = T 22 = T 33. Er zijn dus slehts twee onafhankelijke parameters en dat
36 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 118 is de energiedihtheid ρ = T 00 en de druk P = T ii. De energie-impuls tensor van een perfete vloeistof heeft daarmee de volgende vorm in het rustsysteem, ρ T µν = 0 P P 0. (304) P We willen uiteraard een formule die geldig is in elk systeem, een tensorvergelijking. Voor stof hadden we T µν = ρu µ U ν, dus we gokken op (ρ + P/ 2 )U µ U ν. Dit geeft ρ 2 + P (305) en we zien dat dat niet orret is. We dienen er de volgende bijdrage bij op te tellen, P P P 0, (306) P hetgeen we kunnen shrijven als P g µν, met g µν = η µν in de SRT. Hiermee vinden we voor de algemene vorm van de energie-impuls tensor voor een perfete vloeistof T µν = (ρ + P/ 2 )U µ U ν + P g µν. (307) Gegeven dat vergelijking (304) de vorm van T µν in het rustsysteem is, en dat vergelijking (307) een tensorvergelijking is die in het rustsysteem redueert tot vergelijking (304), weten we dat we met vergelijking (307) de orrete uitdrukking voor elk oördinatenstelsel hebben gevonden. Het onept van een perfete vloeistof is algemeen genoeg om een grote versheidenheid van vormen van materie te beshrijven. We speieren de toestandsvergelijking om de evolutie van een dergelijke vloeistof te bepalen. De toestandsvergelijking relateert de druk aan de energiedihtheid, P = P (ρ). Stof is een speiaal geval waarvoor P = 0, terwijl een isotroop gas bestaande uit fotonen P = 1 3ρ heeft. Een meer exotish voorbeeld is de energie van het vauum, waarvoor de energie-impuls tensor evenredig is met de metriek, T µν = ρ vauum g µν. Het idee van een energiedihtheid van het vauum is zinloos in de SRT, omdat daar de absolute shaal van de energie niet relevant is, alleen de energievershillen tussen toestanden. In de ART koppelt alle energie ehter met gravitatie (en veroorzaakt kromming van ruimtetijd), en wordt de mogelijkheid van het bestaan van vauumenergie een belangrijke beshouwing. Behalve dat T µν symmetrish is, heeft hij de belangrijke eigenshap dat hij behouden is. Energieen impulsbehoud worden uitgedrukt door het feit dat de divergentie gelijk is aan nul, µ T µν = 0. (308) Bovenstaande uitdrukking is een verzameling van vier vergelijkingen, een voor elke waarde van ν. De uitdrukking met ν = 0 orrespondeert met energiebehoud, terwijl µ T µk = 0 met k = 1, 2, 3 behoud van de k de omponent van de impuls uitdrukt. Laten we dit eens toepassen op de perfete vloeistof. We vinden dan µ T µν = µ (ρ + P/ 2 )U µ U ν + (ρ + P/ 2 )(U ν µ U µ + U µ µ U ν ) + ν P. (309)
37 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 119 Om te analyseren wat deze uitdrukking betekent, is het nuttig om afzonderlijk te beshouwen wat er gebeurt als we een en ander projeteren langs en loodreht op het viersnelheidsveld U µ. Allereerst merken we op dat de normalisatie U ν U ν = 2 de volgende identiteit levert, Projeteren komt neer op ontraheren met U ν en we vinden U ν µ U ν = 1 2 µ(u ν U ν ) = 0. (310) U ν µ T µν = µ (ρu µ ) P µ U µ. (311) Als we dit gelijkstellen aan nul vinden we de relativistishe vergelijking voor energiebehoud van een perfete vloeistof. Het ziet er vertrouwder uit in de niet-relativistishe limiet, waar geldt U µ = (1, v i ), v i 1, P ρ. (312) De laatste vergelijking is aannemelijk, omdat druk alleen van de random bewegingen van de individuele deeltjes komt, en in deze limiet zijn deze bewegingen (net als de beweging van de bulk met U µ ) klein. We vinden dus in niet-relativistishe taal hetgeen de ontinuïteitsvergelijking is voor de energiedihtheid. t ρ + (ρ v) = 0, (313) Tenslotte gaan we naar het deel van vergelijking (309) dat loodreht staat op de viersnelheid. Om een vetor loodreht op U µ te projeteren, moeten we die vermenigvuldigen met de projetie tensor P σ ν = δ σ ν + U σ U ν. (314) We kunnen ontroleren dat bovenstaande projetie tensor zijn werk doet door een vetor V ν parallel aan U µ en een andere vetor W µ loodreht op U µ te nemen. We vinden dan Toepassen op µ T µν levert P σ νv ν = 0, P σ νw ν = W σ. (315) P σ ν µ T µν = (ρ + P/ 2 )U µ µ U σ + σ P + U σ U µ µ P. (316) We interpreteren deze vergelijking in de niet-relativistishe limiet. Als we de ruimtelijke omponenten gelijkstellen aan nul, vinden we ρ [ t v + ( v ) v] + P + v( t P + v P ) = 0. (317) Merk op dat de laatste paar termen afgeleiden hebben van P keer de driesnelheid v, waarvan we aannemen dat die klein is. Deze termen zijn verwaarloosbaar ten opzihte van de P term. We houden dan over ρ [ t v + ( v ) v] = P, (318) en dit is de vergelijking van Euler uit de vloeistofmehania.
38 5 DE SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 120
2 SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE
2 SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 35 2 SPECIALE RELATIVITEITSTHEORIE 2.1 Historishe introdutie en Einsteins postulaten De relativiteitstheorie is geboren in het prille begin van de twintigste eeuw. De negentiende
RELATIVITEIT. 1. Inleiding. 2. Lorentz en Poincaré
RELATIVITEIT N.G. SCHULTHEISS. Inleiding In deze module wordt er uitgelegd hoe een natuurkundige gebeurtenis door vershillende waarnemers wordt waargenomen. Iedere waarnemer heeft een eigen assenstelsel
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Speciale relativiteitstheorie: 29 September 2015 Copyright (C) Vrije Universiteit 2009 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Speciale relativiteitstheorie: 7 oktober 2013 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica Galileo, Newton Lagrange formalisme
Stevin vwo Uitwerkingen Speciale relativiteitstheorie ( ) Pagina 1 van 8
Stevin vwo Uitwerkingen Speiale relativiteitstheorie (14-09-015) Pagina 1 van 8 Opgaven 1 Het is maar hoe je het ekijkt 1 a Een inertiaalsysteem is een omgeving waarin de eerste wet van Newton geldt. a
Opgave 1 Een inertiaalstelsel is een referentiestelsel waarin de eerste wet van Newton geldt.
Uitwerkingen 1 Opgae 1 Een inertiaalstelsel is een referentiestelsel waarin de eerste wet an Newton geldt. Opgae Een gebeurtenis is een fysishe situatie of ooral op één bepaalde plaats en op één bepaald
Elementaire Deeltjesfysica
Elementaire Deeltjesfysica FEW Cursus Jo van den Brand 10 November, 2009 Structuur der Materie Inhoud Inleiding Deeltjes Interacties Relativistische kinematica Lorentz transformaties Viervectoren Energie
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Speciale relativiteitstheorie: 30 september 013 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica Galileo, Newton Lagrange formalisme
Bewijzen en toegiften
Bewijzen en toegiften Het bewijs van Mermin voor het optellen van snelheden W op een perron ziet W in een treinwagon passeren met snelheid v. W shiet een kogel af met snelheid u en stuurt tegelijkertijd
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Speciale relativiteitstheorie: september 015 Copyright (C) Vrije Universiteit 009 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica
Opgave 1 Een inertiaalstelsel is een referentiestelsel waarin de eerste wet van Newton geldt.
Uitwerkingen 1 Opgae 1 Een inertiaalstelsel is een referentiestelsel waarin de eerste wet an Newton geldt. Een gebeurtenis is een fysishe situatie of ooral op één bepaalde plaats en op één bepaald tijdstip.
Algemene relativiteitstheorie
Algemene relativiteitstheorie HOVO cursus Jo van den Brand Les 1: 5 november 015 Copyright (C) Vrije Universiteit 015 Overzicht Docent informatie Jo van den Brand, Gideon Koekoek Email: [email protected], [email protected]
Algemene relativiteitstheorie
Algemene relativiteitstheorie HOVO cursus Jo van den Brand Les 1: 5 november 015 Copyright (C) Vrije Universiteit 015 Overzicht Docent informatie Jo van den Brand, Gideon Koekoek Email: [email protected], [email protected]
Deeltjes in Airshowers. N.G. Schultheiss
1 Deeltjes in Airshowers N.G. Shultheiss 1 Inleiding Deze module volgt op de module Krahten in het standaardmodel. Deze module probeert een beeld te geven van het ontstaan van airshowers (in de atmosfeer)
Speciale relativiteitstheorie: de basisconcepten in een notedop
Speciale relativiteitstheorie: de basisconcepten in een notedop Speciale relativiteitstheorie:... 1 de basisconcepten in een notedop... 1 1. Klassieke Relativiteit... 1 1.1 Twee waarnemers zien een verschillende
Opgave 1 Een inertiaalstelsel is een referentiestelsel waarin de eerste wet van Newton geldt.
Uitwerkingen 1 Opgae 1 Een inertiaalstelsel is een referentiestelsel waarin de eerste wet an Newton geldt. Opgae Een gebeurtenis is een fysishe situatie of ooral op één bepaalde plaats en op één bepaald
Speciale relativiteitstheorie
Speciale relativiteitstheorie en hoe u die zelf had kunnen bedenken. HOVO Utrecht Les 3 en 4: Lorentz Transformatie en Mechanica Dr. Harm van der Lek [email protected] Natuurkunde hobbyist Programma 1 1.
Relativiteitstheorie met de computer
Relativiteitstheorie met de computer Jan Mooij Mendelcollege Haarlem Met een serie eenvoudige grafiekjes wordt de (speciale) relativiteitstheorie verduidelijkt. In vijf stappen naar de tweelingparadox!
Speciale relativiteitstheorie
Speciale relativiteitstheorie De drie vragen van Einstein Wat is licht? Wat is massa? Wat is tijd? In 1905, Einstein was toen 26 jaar! Klassiek: wat is licht? Licht is een golf, die naar alle kanten door
1 Leerlingproject: Relativiteit 28 februari 2002
1 Leerlingproject: Relativiteit 28 februari 2002 1 Relativiteit Als je aan relativiteit denkt, dan denk je waarschijnlijk als eerste aan Albert Einstein. En dat is dan ook de bedenker van de relativiteitstheorie.
HOVO: Gravitatie en kosmologie OPGAVEN WEEK 1
HOVO: Gravitatie en kosmologie OPGAVEN WEEK Opgave : Causaliteit In het jaar 300 wordt door de Aardse Federatie een ruimteschip naar een Aardse observatiepost op de planeet P47 gestuurd. Op de maan van
Opgaven bij de cursus Speciale relativiteitstheorie Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek
Opgaven bij de cursus Speciale relativiteitstheorie Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek Inhoudsopgave 1 Nav Sessie 1 en 2: Elektromagnetisme en licht 2 1.1 Zwaartekracht binnen de aarde.................
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Jeroen Meidam Speciale relativiteitstheorie: 1 en 8 oktober 2012 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica Galileo, Newton Lagrange formalisme
Einstein s Relativiteits theorie Een uitleg met middelbare school wiskunde Andrré van der Hoeven Docent natuurkunde Emmauscollege Rotterdam
Einstein s Relativiteits theorie Een uitleg met middelbare school wiskunde André van der Hoeven Docent natuurkunde Emmauscollege Rotterdam Einstein s speciale relativiteitstheorie, maarr dan begrijpelijk
Speciale relativiteitstheorie
versie 13 februari 013 Speciale relativiteitstheorie J.W. van Holten NIKHEF Amsterdam en LION Universiteit Leiden c 1 Lorentztransformaties In een inertiaalstelsel bewegen alle vrije deeltjes met een
Onderzoekscompetenties 6 de jaar
Onderzoeksompetenties 6 de jaar Werkshema Inleidende relatiiteitsleer Galilei-Lorentztransformaties, massaeranderingen Algemene lesgegeens De bedoeling an deze reeks lessen is om een klein deel te bespreken
Speciale relativiteitstheorie
Speciale relativiteitstheorie en hoe u die zelf had kunnen bedenken. Utrecht Les 1 en 2: Elektromagnetisme en licht Dr. Harm van der Lek [email protected] Natuurkunde hobbyist Overzicht Les 1 en 2: Elektromagnetisme
Speciale relativiteitstheorie
Speciale relativiteitstheorie en hoe u die zelf had kunnen bedenken. HOVO Utrecht Les 1 en 2: Elektromagnetisme en licht Dr. Harm van der Lek [email protected] Natuurkunde hobbyist Overzicht Les 1 en 2: Elektromagnetisme
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosmologie FEW cursus Jo van den Brand & Mark Beker Einsteinvergelijkingen: 7 oktober 009 Traagheid van gasdruk SRT: hoe hoger de gasdruk, des te moeilijker is het om het gas te versnellen
Uit: Niks relatief. Vincent Icke Contact, 2005
Uit: Niks relatief Vincent Icke Contact, 2005 Dé formule Snappiknie kanniknie Waarschijnlijk is E = mc 2 de beroemdste formule aller tijden, tenminste als je afgaat op de meerderheid van stemmen. De formule
Kwantummechanica Donderdag, 29 september 2016 OPGAVEN SET HOOFDSTUK 1 - OPLOSSINGEN
1 Kwantummehania Donderdag, 29 september 2016 OPGAVEN SET HOOFDSTUK 1 - OPLOSSINGEN ALGEMENE VRAGEN Opgave 1: Wat is de maximum snelheid dat een deeltje kan hebben, zodat zijn kinetishe energie geshreven
Lengte van een pad in de twee dimensionale Euclidische ruimte
Lengte van een pad in de twee dimensionale Euclidische ruimte Bekijk een willekeurig pad van naar. Verdeel het pad in kleine stukjes die elk voor zich als rechtlijnig beschouwd kunnen worden. De lengte
Relativiteit. Relativistische Mechanica 1
Relativiteit University Physics Hoofdstuk 37 Relativistische Mechanica 1 Relativiteit beweging voorwerp in 2 verschillende inertiaal stelsels l relateren Galileo Galileïsche transformatie 2 Transformatie
Formule afleiding opgaven bij de cursus Algemene relativiteitstheorie Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek
Formule afleiding opgaven bij de cursus Algemene relativiteitstheorie Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek Dit document bevat aanwijzingen/aanmoedigingen voor het zelf doen van de afleidingen uit het curusmateriaal.
Bewijzen en toegiften
Bewijzen en toegiften 1 Het bewijs van Mermin voor het optellen van snelheden W op een perron ziet W in een treinwagon passeren met snelheid v. W schiet een kogel af met snelheid u en stuurt tegelijkertijd
Trillingen en geluid wiskundig
Trillingen en geluid wiskundig 1 De sinus van een hoek 2 Radialen 3 Uitwijking van een harmonische trilling 4 Macht en logaritme 5 Geluidsniveau en amplitude 1 De sinus van een hoek Sinus van een hoek
( ) wiskunde B pilot vwo 2016-I. Kettinglijn = 1. Hieruit volgt e = 4. Dus x = ln(4) (of een gelijkwaardige uitdrukking) 1. De y-coördinaat van T is 3
wiskunde B pilot vwo 06-I Vraag Antwoord Sores Kettinglijn maimumsore 4 f' ( ) e e = 4 f' ( ) = 0 geeft 4 e = e Hieruit volgt e = 4 Dus = ln(4) ( een gelijkwaardige uitdrukking) maimumsore 6 De y-oördinaat
D.1 Tijdrek en lengtekrimp
D. Tijdrek en lengtekrimp Opgave a De lengte van de straaljager ereken je met de formule voor de lengtekrimp. De relativistishe fator ereken je met de formule voor gammafator. v v = 0,50 (0,50 ),54 0,50
MODULE GLIESE 667 RELATIVITEIT GLIESE 667. Naam: Klas: Datum:
GLIESE 667 RELATIVITEIT GLIESE 667 Naam: Klas: Datum: GLIESE 667 GLIESE 667 WE GAAN OP REIS De invloed van de mensheid reikt steeds verder. In de oertijd kon een mens zich maar enkele kilometers van zijn
Indicatie van voorkennis per les Algemene relativiteitstheorie Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek
Indicatie van voorkennis per les Algemene relativiteitstheorie Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek Dit document bevat niet alleen voorkennis in de zin dat moet u al gehad hebben en kennen, maar ook in de
Het Quantum Universum. Cygnus Gymnasium
Het Quantum Universum Cygnus Gymnasium 2014-2015 Wat gaan we doen? Fundamentele natuurkunde op de allerkleinste en de allergrootste schaal. Groepsproject als eindopdracht: 1) Bedenk een fundamentele wetenschappelijk
relativiteitstheorie
Algemene relativiteitstheorie HOVO cursus Jo van den Brand Les 3: 19 november 2015 Copyright (C) Vrije Universiteit 2015 Inhoud Speciale relativiteitstheorie Inertiaalsystemen Bewegende waarnemers Relativiteitsprincipe
Ruimte, Ether, Lichtsnelheid en de Speciale Relativiteitstheorie. Een korte inleiding:
1 Ruimte, Ether, Lichtsnelheid en de Speciale Relativiteitstheorie. 23-09-2015 -------------------------------------------- ( [email protected]) Een korte inleiding: Is Ruimte zoiets als Leegte, een
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosmologie FEW Cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Speciale relativiteitstheorie: 8 oktober 013 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica Galileo, Newton Lagrange formalisme
Hoofdstuk 2 - Periodieke bewegingen
Hoofdstuk - Periodieke ewegingen Voorkennis: Sinusoïden ladzijde 6 ( ) en D (,) V-a A,, B,, C, Via Interset vind je de snijpunten van = sin x en = x, 6 x, 5 of x, 67 Bij een vershuiving van eenheden naar
Formuleblad relativiteit (deel 1)
Formuleblad relativiteit (deel 1), www.roelhendriks.eu 1 Formuleblad relativiteit (deel 1) c v β en 1 1 β γ 1 c v t t o 1 c v L L o ) ( ct β x γ x ) ( x β ct γ ct ) ( ct β x γ x + ) ( x β ct γ ct + Δx
Deeltjes en velden. HOVO Cursus. Jo van den Brand 3 oktober
Deeltjes en velden HOVO Cursus Jo van den Brand 3 oktober 013 [email protected] Docent informatie Overzicht Jo van den Brand & Gideon Koekoek Email: [email protected] en [email protected] 060 539 484 / 00 59 000
De lichtsnelheid kromt de ruimte. Mogelijke verklaring voor de grens van het heelal
1 De lichtsnelheid kromt de ruimte Mogelijke verklaring voor de grens van het heelal Inleiding 2 De lichtsnelheid, zo snel als 300.000.000 meter per seconde, heeft wellicht grote gevolgen voor de omvang
Algemeen. Cosmic air showers J.M.C. Montanus. HiSPARC. 1 Kosmische deeltjes. 2 De energie van een deeltje
Algemeen HiSPARC Cosmic air showers J.M.C. Montanus 1 Kosmische deeltjes De aarde wordt continu gebombardeerd door deeltjes vanuit de ruimte. Als zo n deeltje de dampkring binnendringt zal het op een gegeven
Einstein, Euclides van de Fysica Door Prof. Henri Verschelde
Einstein, Euclides van de Fysica Door Prof. Henri Verschelde Albert Einstein en Euclides Geboren te Ulm op 14 maart 1879 Als kind geinteresseerd in Wiskunde en wetenschappen:magneten,electromotoren, wiskundige
Eindronde Natuurkunde Olympiade 2018 theorietoets deel 1
Eindronde Natuurkunde Olympiade 2018 theorietoets deel 1 1. Spelen met water (3 punten) Water wordt aan de bovenkant met een verwaarloosbare snelheid in een dakgoot met lengte L = 100 cm gegoten en dat
Docentencursus relativiteitstheorie
Docentencursus relativiteitstheorie Opgaven bijeenkomst 2, "Rekenen en tekenen" 8 september 203 De opgaven die met een "L" zijn aangegeven, zijn op leerlingenniveau dit zijn dus opgaven die in de les of
wiskunde B pilot vwo 2016-I
Formules Goniometrie sin( t+ u) = sin( t)os( u) + os( t)sin( u) sin( t u) = sin( t)os( u) os( t)sin( u) os( t+ u) = os( t)os( u) sin( t)sin( u) os( t u) = os( t)os( u) + sin( t)sin( u) sin( t) = sin( t)os(
1 Vlaamse Wiskunde Olympiade 1985-1986: Eerste Ronde.
Vlaamse Wiskunde Olmpiade 985-986: Eerste Ronde De eerste ronde bestaat uit 30 meerkeuzevragen Het quoteringsssteem werkt als volgt : een deelnemer start met 30 punten Per goed antwoord krijgt hij of zij
De speciale relativiteitstheorie Overzicht - 1/6 -
De speiale relatiiteitstheorie Oerziht - 1/6 - Waaroer gaat de speiale relatiiteitstheorie? Beweging is relatief. Dat wil zeggen dat je de snelheid an een oorwerp altijd meet ten opzihte an iets anders.
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosologie FEW Cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Speciale relativiteitstheorie: 6 oktober 2015 Copyright (C) Vrije Universiteit 2009 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke echanica
Speciale Relativiteitstheorie. Oefeningen. Prof. Dr J.J. Engelen, Drs. B. Mooij, Dr E. de Wolf, Drs. A. Heijboer
Speciale Relativiteitstheorie Oefeningen Prof. Dr J.J. Engelen, Drs. B. Mooij, Dr E. de Wolf, Drs. A. Heijboer Inhoudsopgave 1 Galileitransformatie 2 1.1 Een paraboolbaan...................................
Stevin vwo Antwoorden Speciale relativiteitstheorie Pagina 1 van 10 0; 0,99; 1; 1
Stevin vwo Antwooren Speiale relativiteitstheorie Pagina 1 van 10 Opgaven 1 Het is maar hoe je het ekijkt 1 a Een inertiaalsysteem is een omgeving waarin e eerste wet van Newton gelt. a C γ 1 β γ β 0;
Gravitatie en kosmologie
Gravitatie en kosmologie FEW cursus Jo van den Brand & Joris van Heijningen Sferische oplossingen: 10 November 2015 Copyright (C) Vrije Universiteit 2009 Inhoud Inleiding Overzicht Klassieke mechanica
Opgaven bij de cursus Relativiteitstheorie wiskunde voorkennis Najaar 2018 Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek
Opgaven bij de cursus Relativiteitstheorie wiskunde voorkennis Najaar 2018 Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek Uitwerkingen worden beschikbaar gesteld op de dinsdagavond voorafgaande aan het volgende college
De speciale relativiteitstheorie. 1. Inleiding
De speciale relativiteitstheorie 1. Inleiding In de fysica zijn er waarschijnlijk weinig theorieën die de vorige eeuw zoveel tot de verbeelding van de mensen gesproken hebben als de relativiteitstheorie
Relativiteit en deeltjesversnellers. B. van Eijk. Nikhef Amsterdam. Universiteit Twente
1 februari 13 Relativiteit en deeltjesversnellers B. van Eijk Nikhef Asterda en Universiteit Twente Relativiteit en deeltjesversnellers 1. Relativiteitstheorie 1.1 Van Galilei tot Lorentz Galileo Galilei
TENTAMEN INFINITESIMAALREKENING 1C
TENTAMEN INFINITESIMAALREKENING 1C onderdag 1 maart 1, 14. 17. uur. Lees dit vóórdat je begint! Maak iedere opgave op een apart vel. Shrijf je naam en studentnummer op elk vel dat je inlevert en op het
De Speciale Relativiteits Theorie (SRT) en Klok- en Tweelingparadox. Metius Werkgroep Theoretische Weer- en Sterrenkunde
De Speciale Relativiteits Theorie (SRT) en Klok- en Tweelingparadox Metius Werkgroep Theoretische Weer- en Sterrenkunde Juli 2010 Inhoud Inleiding SRT postulaten en Lorentz transformatie Tijddilatatie
x(t + T ) = x(t) Voorbeeld 1. Beschouw het niet-lineaire autonome stelsel . (1) y x + y y(x 2 + y 2 )
97 Periodieke oplossingen en limit ccles We beschouwen weer autonome stelsels van de vorm x (t) = f(x(t)), waarbij het rechterlid dus niet expliciet van t afhangt We gaan onderzoeken wanneer er periodieke
Toegepaste Wiskunde 2: Het Kalman-filter
Toegepaste Wiskunde 2: Het Kalman-filter 25 februari, 2008 Hans Maassen 1. Inleiding Het Kalman filter schat de toestand van een systeem op basis van een reeks, door ruis verstoorde waarnemingen. Een meer
Einstein (2) op aardoppervlak. versnelling van 10m/s 2. waar het foton zich bevindt a) t = 0 b) t = 1 s c) t = 2 s op t=0,t=1s en t=2s A B C A B
Einstein (2) In het vorig artikeltje zijn helaas de tekeningen, behorende bij bijlage 4,"weggevallen".Omdat het de illustratie betrof van de "eenvoudige" bewijsvoering van de kromming der lichtstralen
Zo n grafiek noem je een dalparabool.
V-a Hoofdstuk - Funties Hoofdstuk - Funties Voorkennis O A B De grafiek ij tael A is een rehte lijn, want telkens als in de tael met toeneemt neemt met toe. Het startgetal is en het hellingsgetal is. d
QUANTUMFYSICA DE EPR-PARADOX. Naam: Klas: Datum:
DE EPR-PARADOX QUANTUMFYSICA DE EPR-PARADOX Naam: Klas: Datum: DE EPR-PARADOX DE EPR-PARADOX EEN GEDACHTE-EXPERIMENT Volgens de wetten van de quantummechanica kunnen bepaalde deeltjes spontaan vervallen.
Naam: Klas: Repetitie Relativiteit (versie A)
Naam: Klas: Repetitie Relativiteit (versie A) Opgave 1 Jack is verliefd op Jennifer (18) en wil graag een relatie met haar, liefst een seksuele! Het probleem is echter dat Jennifer hem te dik en te oud
Trillingen en geluid wiskundig. 1 De sinus van een hoek 2 Uitwijking van een trilling berekenen 3 Macht en logaritme 4 Geluidsniveau en amplitude
Trillingen en geluid wiskundig 1 De sinus van een hoek 2 Uitwijking van een trilling berekenen 3 Macht en logaritme 4 Geluidsniveau en amplitude 1 De sinus van een hoek Eenheidscirkel In de figuur hiernaast
Stevin vwo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 4 Vectoren en hefbomen ( ) Pagina 1 van 25
Stevin vwo deel 1 Uitwerkingen hoofdstuk 4 Vetoren en hefomen (09-06-2010) Pagina 1 van 25 Opgaven 4.1 Salars en vetoren 1 Verplaatsing 4 m naar rehts en 1 m naar eneden. 2 a 2 2 s = 4 + 1 = 4,12.. = 4,1
2 Kromming van een geparametriseerde kromme in het vlak. Veronderstel dat een kromme in het vlak gegeven is door een parametervoorstelling
TU/e technische universiteit eindhoven Kromming Extra leerstof bij het vak Wiskunde voor Bouwkunde (DB00) 1 Inleiding De begrippen kromming en kromtestraal worden in het boek Calculus behandeld in hoofdstuk
Tolpoortje RELATIVITEIT KEPLER 22B. 200 m. aket. Naam: Klas: Datum:
KEPLER 22B RELATIVITEIT KEPLER 22B Tolpoortje chterste krachtveld de raket binnen is. aket 200 m Krachtveld. het tolsystee zet zodra he krachtveld a Naam: Klas: Datum: KEPLER 22B KEPLER 22B VERDER EN VERDER
Speciale relativiteitstheorie
Speciale relativiteitstheorie en hoe u die zelf had kunnen bedenken. HOVO Utrecht Les 5 en 6: Tensor Formulering Elektromagnetisme Dr. Harm van der Lek [email protected] Natuurkunde hobbyist Programma 1 1.
Massa. Energie. E = m c 2. (licht-) Snelheid. en hoe u het zelf had kunnen bedenken. Dr. Harm van der Lek. Natuurkunde hobbyist
Massa Energie E = m c 2 en hoe u het zelf had kunnen bedenken. (licht-) Snelheid Dr. Harm van der Lek [email protected] Natuurkunde hobbyist 2 Wetenschappers en denkers 1500 1600 1700 1800 1900 2000 Galileo
Voorbeeld 1: Oneindig diepe potentiaalput
Voorbeeld : Oneindig diepe potentiaalput In de onderstaande figuren bevindt zich een deeltje in een eendimensionale ruimte tussen x 0 en x a. Binnen dat gebied is de potentiële energie van het deeltje
Prof.dr. A. Achterberg, IMAPP
Prof.dr. A. Achterberg, IMAPP www.astro.ru.nl/~achterb/ Waarnemingen die de basis vormen van het Oerknalmodel - Vluchtsnelheid verre sterrenstelsels - Kosmische Achtergrondstraling - Voorwereldlijke Nucleosynthese
Geleid herontdekken van de golffunctie
Geleid herontdekken van de golffunctie Nascholingscursus Quantumwereld Lodewijk Koopman [email protected] januari-maart 2013 1 Dubbel-spleet experiment Er wordt wel eens gezegd dat elektronen interfereren.
Oplossing examenoefening 2 :
Oplossing examenoefening 2 : Opgave (a) : Een geleidende draad is 50 cm lang en heeft een doorsnede van 1 cm 2. De weerstand van de draad bedraagt 2.5 mω. Wat is de geleidbaarheid van het materiaal waaruit
RELATIVITEIT VWO. Lengtecontractie Rust- bewegende massa Relativistisch optellen
RELATIVITEIT VWO Foton is een opgavenverzameling voor het nieuwe eindexamenprogramma natuurkunde. Foton is gratis te downloaden via natuurkundeuitgelegd.nl/foton Uitwerkingen van alle opgaven staan op
Formule afleiding opgaven bij de cursus Speciale relativiteitstheorie Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek
Formule afleiding opgaven bij de cursus Speciale relativiteitstheorie Docent: Dr. H. (Harm) van der Lek Dit document bevat aanwijzingen/aanmoedigingen voor het zelf doen van de afleidingen uit het cursusmateriaal.
(Rust-) Massa Tolman en Lewis (1909), beschouwen botsingsproces: Coördinatensysteem S en S , S met snelheid v bewegend in de x , x -richting Bal A
(Rust-) Massa Tolman en Lewis (1909), beshouwen botsingsproes: Coördinatensysteem S en S, S met snelheid v bewegend in de x, x -rihting Bal A met rustmassa m beweegt met snelheid u (gemeten in S) langs
De stelling van Pythagoras
De stelling van Pythagoras Inhoud Inhoud... 1 Inleiding... 3 De stelling van Pythagoras... 3.1 De stelling van Pythagoras... 3. De omgekeerde stelling van Pythagoras... 3.3 Bewijs van de stelling van Pythagoras...
Opgave 3 - Uitwerking
Mathrace 2014 Opgave 3 - Uitwerking Teken de rode hulplijntjes, en noem de lengte van dit lijntje y. Noem verder de lengte van een zijde van de gelijkzijdige driehoek x. Door de hoek van 45 graden in de
Henk meet: A. Coördinaattijd in het stelsel van de trein. B. Coördinaattijd in het stelsel van het perron. C. Eigentijd. D.
Henk en Ingrid zitten in een trein die met constante snelheid een station passeert. Aan de uiteinden van het perron staan twee gesynchroniseerde stationsklokken. Bij passage van de klokken leest Henk de
Maar het leidde ook tot een uitkomst die essentieel is in mijn werkstuk van een Stabiel Heelal.
-09-5 Bijlage voor Stabiel Heelal. --------------------------------------- In deze bijlage wordt onderzocht hoe in mijn visie materie, ruimte en energie zich tot elkaar verhouden. Op zichzelf was de fascinatie
XXX INTERNATIONALE NATUURKUNDE OLYMPIADE PADUA, ITALIË THEORIE-TOETS
XXX INTERNATIONALE NATUURKUNDE OLYMPIADE PADUA, ITALIË THEORIE-TOETS 22 juli 1999 70 --- 13 de internationale olympiade Opgave 1. Absorptie van straling door een gas Een cilindervormig vat, met de as vertikaal,
Uitwerkingen van het Tentamen Moleculaire Simulaties - 8C Januari uur
Uitwerkingen van het Tentamen Moleculaire Simulaties - 8C030 25 Januari 2007-4.00-7.00 uur Vier algemene opmerkingen: Het tentamen bestaat uit 6 opgaven verdeeld over 3 pagina s. Op pagina 3 staat voor
