Mini-BESTest: Balance Evaluation Systems Test 2005-2014 Oregon Health &Science University. Alle rechten voorbehouden. Benodigdheden: Een stevige stoel (bij voorkeur eentje die lijkt op de stoel die de patiënt de grootste problemen oplevert en die hij/zij veel gebruikt), zonder armleuningen of wieltjes Temper /T-foam TM : 10 centimeter dik, gemiddelde dichtheid, stevigheidsklasse T41 Schuin opstapje (hoek van 10º) Stopwatch Doos van 23 cm hoog (bijvoorbeeld twee op elkaar getapete schoenendozen) Meetlint en tape: om afstand van 3 meter vanaf de stoel te meten en te markeren op de vloer Algemene instructies: Lees de (cursief geschreven) instructies voor; Als de patiënt een hulpmiddel nodig heeft bij een onderdeel, trekt u bij dat onderdeel één punt af; Als de patiënt fysieke hulp nodig heeft bij een onderdeel, noteert u "0" als score voor dat onderdeel. Datum: Naam patiënt: Naam fysiotherapeut: Testomstandigheden: Tijdstip: Tijd sinds laatste medicatie inname: Gebruikte medicatiedosis: Schoeisel (platte schoenen of blote voeten): On- of off-fase, indien van toepassing: Testlocatie: Zithoogte stoel: Subscores en totaalscore Anticipatie item 1 t/m 3 subscore: /6 = Reactieve houdingscontrole item 4 t/m 6 subscore: /6 = Sensorische oriëntatie item 7 t/m 9 subscore: /6 = Dynamische gang item 10 t/m 14 subscore: /10 = Totaal item 1 t/m 14 totaalscore: /28 = Verhoogd valrisico: <19
ANTICIPATIE SUBSCORE: /6 1. ZIT NAAR STAND Instructie: Kruis uw armen voor uw borst. Probeer uw handen niet te gebruiken, tenzij het niet anders kan. Leun niet met uw benen tegen de stoel wanneer u opstaat. Sta nu op." (2) Normaal: Staat op zonder de handen te gebruiken en stabiliseert zich zelfstandig. (1) Matig: Staat op MET behulp van de handen bij de eerste poging. (0) Ernstig: Niet in staat zelfstandig op te staan OF heeft meerdere pogingen nodig met behulp van de handen. 2. OP DE TENEN STAAN Instructie: "Plaats uw voeten op schouderbreedte. Plaats uw handen in de zij. Probeer om zo hoog als u kunt op uw tenen te gaan staan. Ik tel hardop tot drie. Probeer ten minste 3 seconden in deze houding te blijven staan. Kijk recht vooruit. Ga nu op uw tenen staan." (2) Normaal: stabiel gedurende 3 sec. met maximale hoogte. (1) Matig: Hielen zijn van de grond, maar niet maximaal (minder dan wanneer de handen worden vastgehouden) OF zichtbare instabiliteit gedurende 3 sec. (0) Ernstig: 3 sec. 3. OP ÉÉN BEEN STAAN Instructie: "Kijk recht vooruit. Plaats uw handen in de zij. Til uw been van de grond achter u op zonder daarbij uw andere been te raken. Blijf zo lang mogelijk op één been staan. Kijk recht vooruit. Til uw been nu op." Standbeen links: Tijd in seconden Standbeen rechts: Tijd in seconden Poging 1: Poging 2: Poging1: Poging 2: (2) Normaal: 20 sec. (2) Normaal: 20 sec. (1) Matig: < 20 sec. (1) Matig: < 20 sec. (0) Ernstig: Niet in staat. (0) Ernstig: Niet in staat. Bepaal de score van elke kant afzonderlijk en noteer de poging met de langste tijdsduur. Om vervolgens de subscore en de totaalscore te berekenen, gebruikt u de lichaamszijde met de laagste score [oftewel de slechtste kant].
REACTIEVE HOUDINGSCONTOLE SUBSCORE: /6 4. CORRIGERENDE STAP VOORUIT Instructie: "Ga staan met uw voeten op schouderbreedte en uw armen naast uw lichaam. Leun voorwaarts tegen mijn handen, verder dan u eigenlijk kunt. Zodra ik loslaat doet u alles wat nodig is, waaronder het zetten van een stap, om te voorkomen dat u valt." (2) Normaal: Herstelt zich zelfstandig met één grote stap (een tweede stap is toegestaan om de voeten weer naast elkaar te plaatsen). (1) Matig: Meer dan één stap nodig om evenwicht te herstellen (0) Ernstig: Geen stap OF zou vallen indien niet opgevangen OF valt spontaan. 5. CORRIGERENDE STAP ACHTERUIT Instructie: Ga staan met uw voeten op schouderbreedte en uw armen naast uw lichaam. Leun achterwaarts tegen mijn handen, verder dan u eigenlijk kunt. Zodra ik loslaat doet u alles wat nodig is, waaronder het zetten van een stap, om te voorkomen dat u valt." (2) Normaal: Herstelt zich zelfstandig met één grote stap. (1) Matig: Meer dan één stap nodig om evenwicht terug te vinden. (0) Ernstig: Geen stap OF zou vallen indien niet opgevangen OF valt spontaan. 6. CORRIGERENDE STAP ZIJWAARTS Instructie: "Ga staan met uw voeten tegen elkaar en uw armen naast uw lichaam. Leun zijwaarts tegen mijn hand, verder dan u eigenlijk kunt. Zodra ik loslaat doet u alles wat nodig is, waaronder het zetten van een stap, om te voorkomen dat u valt." Links Rechts (2) Normaal: Herstelt zich zelfstandig met (2) Normaal: Herstelt zich zelfstandig met één stap (kruiselings of zijwaarts toegestaan) één stap (kruiselings of zijwaarts toegestaan) (1) Matig: Meerdere stappen nodig om het (1) Matig: Meerdere stappen nodig om het evenwicht terug te vinden. evenwicht terug te vinden. (0) Ernstig: Valt of kan geen stap zetten. (0) Ernstig: Valt of kan geen stap zetten. Om de subscore en de totaalscore te berekenen, gebruikt u de lichaamszijde met de laagste score [oftewel de slechtste kant]. SENSORISCHE ORIËNTATIE SUBSCORE: /6 7. STAAND (VOETEN BIJ ELKAAR); OGEN OPEN, HARDE ONDERGROND Instructie: "Plaats uw handen in de zij. Plaats uw voeten bij elkaar zodat ze elkaar bijna raken. Kijk recht voor u uit. Blijf zo stabiel en stil mogelijk staan totdat ik 'stop' zeg." Tijd in seconden: (2) Normaal: 30 sec. (1) Matig: < 30 sec. (0) Ernstig: Niet in staat.
8. STAAND (VOETEN BIJ ELKAAR); OGEN DICHT, TEMPUR ONDERGROND Instructie: "Ga op de schuimmat staan. Plaats uw handen in de zij. Plaats uw voeten bij elkaar zodat ze elkaar bijna raken. Blijf zo stabiel en stil mogelijk staan totdat ik 'stop' zeg. De tijd begint te lopen zodra u uw ogen dicht doet." Tijd in seconden: (2) Normaal: 30 sec. (1) Matig: < 30 sec. (0) Ernstig: Niet in staat. 9. HELLING; OGEN DICHT Instructie: "Ga op de schuine plank staan met uw tenen naar de hoogste kant gericht. Plaats uw voeten op schouderbreedte en uw armen naast uw lichaam. De tijd begint te lopen zodra u uw ogen dicht doet." Tijd in seconden: (2) Normaal: Blijft 30 sec. zelfstandig staan in lijn met de zwaartekracht. (1) Matig: Blijft < 30 sec. zelfstandig staan OF in lijn met de ondergrond. (0) Ernstig: Niet in staat. DYNAMISCHE GANG SUBSCORE: /10 10. VERANDERING IN LOOPSNELHEID Instructie: "Begin te lopen in uw normale tempo. Zodra ik 'snel' zeg, loopt u zo snel als u kunt. Wanneer ik 'langzaam' zeg, loopt u heel langzaam." (2) Normaal: Duidelijke verandering in loopsnelheid zonder verlies van evenwicht. (1) Matig: Niet in staat de loopsnelheid aan te passen of tekenen van evenwichtsverlies. (0) Ernstig: Niet in staat om de loopsnelheid duidelijk aan te passen EN tekenen van evenwichtsverlies. 11. LOPEN MET HORIZONTALE DRAAIBEWEGINGEN VAN HET HOOFD Instructie: "Begin te lopen in uw normale tempo. Zodra ik 'rechts' zeg, draait u uw hoofd opzij en kijkt u naar rechts. Wanneer ik 'links' zeg, draait u uw hoofd opzij en kijkt u naar links. Probeer in een rechte lijn te blijven lopen." (2) Normaal: draait het hoofd zonder verandering van de loopsnelheid en met behoud van het evenwicht. (1) Matig: draait het hoofd terwijl de loopsnelheid afneemt. (0) Ernstig: draait het hoofd met verlies van evenwicht.
12. LOPEN EN OMDRAAIEN Instructie: "Begin te lopen in uw normale tempo. Als ik zeg 'draai en stop' draait u zich zo snel mogelijk om en stopt u. Als u bent omgedraaid, moeten uw voeten dicht bij elkaar staan." (2) Normaal: Draait zich SNEL (<3 stappen) om met de voeten dicht bij elkaar en in evenwicht. (1) Matig: Draait zich LANGZAAM (>4 stappen) om met de voeten dicht bij elkaar en in evenwicht. (0) Ernstig: Niet in staat zich om te draaien met de voeten dicht bij elkaar, ongeacht de snelheid, zonder het evenwicht te verliezen. 13. STAP OVER OBSTAKELS Instructie: "Begin te lopen in uw normale tempo. Zodra u bij de doos aankomt, stapt u eroverheen, niet eromheen, en loopt u door." (2) Normaal: Stapt over de doos met minimale verandering van de snelheid en met behoud van het evenwicht. (1) Matig: Stapt over de doos en raakt daarbij de doos OF vertoont voorzichtig gedrag door de snelheid te verlagen. (0) Ernstig: Niet in staat over de doos heen te stappen OF stapt er omheen. 14. TIMED UP & GO (TUG) MET DUBBELTAAK [3 METER LOPEN] Instructie TUG: "Als ik zeg 'Start', staat u op uit uw stoel, loopt u in uw normale tempo voorbij de tape op de vloer, draait u zich om, loopt u terug naar de stoel en gaat u zitten." Instructie TUG met dubbeltaak: "Tel met drie tegelijk terug vanaf. Als ik zeg 'Start', staat u op uit uw stoel, loopt u in uw normale tempo voorbij de tape op de vloer, draait u zich om, loopt u terug naar de stoel en gaat u zitten. Blijf de hele tijd hardop terugtellen." TUG: seconden; TUG met dubbeltaak: seconden (2) Normaal: Geen zichtbare verandering in zitten, staan of lopen bij het terugtellen ten opzichte van de TUG zonder dubbeltaak. (1) Matig: De dubbeltaak heeft invloed op het tellen OF het lopen (>10%) vergeleken met de TUG zonder een dubbeltaak. (0) Ernstig: Stopt met tellen tijdens het lopen OF stopt met lopen tijdens het tellen. TOTAALSCORE: /28 Nederlandse versie Mini-BESTest: Compter M., Elbers G.H.M. en Perry S.I.B. Laatste versie datum: 23 november 2014
Mini-BESTest Instructies Voorwaarden patiënt: Patiënt dient tijdens de test schoenen met platte zolen te dragen OF geen schoenen en sokken. Benodigdheden: Tempur -schuimmat (ook wel traagschuim genoemd 10 cm dik, gemiddelde dichtheid, stevigheidklasse T41), stoel zonder armleuningen of wieltjes, plank met een hellend vlak (hoek van 10 graden), stopwatch, een doos (23 cm hoog) en een afstand van drie meter op de vloer gemarkeerd met tape [vanaf de stoel]. Score bepalen: De test heeft een maximale score van 28 punten uit 14 onderdelen; per onderdeel kunnen 0-2 punten behaald worden. "0" geeft het laagste functioneringsniveau aan en "2" het hoogste. Als de patiënt een hulpmiddel nodig heeft bij een onderdeel, trekt u bij dat onderdeel één punt af. Als de patiënt fysieke hulp nodig heeft bij een onderdeel, noteert u "0" als score voor dat onderdeel. Bij onderdeel 3 (op één been staan) noteert u voor de score de beste tijd van de twee pogingen [van een bepaalde kant]. Bij onderdeel 3 (op één been staan) en onderdeel 6 (corrigerende stap zijwaarts) noteert de score van één zijde voor het berekenen van de subscore en totaalscore (in beide gevallen gebruikt u de slechtste kant). 1.Zit naar stand 2.Op de tenen staan 3.Op een been staan 4.Corrigerende stap voorwaarts 5.Corrigerende stap achterwaarts 6.Corrigerende stap zijwaarts Merk het begin van de beweging op en het gebruik van de handen op de zitting van de stoel, de bovenbenen of het vooruit steken van de armen. Laat de patiënt twee pogingen doen. Baseer de score op de beste poging. (Als u vermoedt dat de patiënt hoger zou kunnen komen staan op de tenen, dan vraagt u de patiënt verder op te strekken terwijl hij uw handen vasthoudt.) Zorg ervoor dat de patiënt naar een vast punt op 1 tot 4 meter afstand voor zich kijkt. Laat de patiënt twee pogingen doen en neem de tijd op. Noteer het aantal seconden dat de patiënt op één been kan blijven staan met een maximum van 20 seconden. Stop de tijd wanneer de patiënt zijn handen van de heupen haalt of de voet op de grond neerzet. Zorg ervoor dat de patiënt naar een vast punt op 1 tot 4 meter afstand voor zich kijkt. Herhaal voor de andere lichaamszijde. Ga voor de patiënt staan met één hand op elke schouder en vraag de patiënt naar voren te leunen (zorg dat er voldoende ruimte is voor de patiënt om een stap vooruit te zetten). Laat de patiënt naar voren leunen totdat de schouders en heupen van de patiënt voorbij de tenen komen. Trek uw handen plotseling weg, nadat u het lichaamsgewicht van de patiënt op uw handen voelt leunen. De test moet een stap uitlokken. OPMERKING: Wees voorbereid om de patiënt op te vangen. Ga achter de patiënt staan met één hand op elk schouderblad en vraag de patiënt achterover te leunen (zorg dat er voldoende ruimte is voor de patiënt om een stap naar achteren te zetten). Laat de patiënt achteroverleunen totdat de schouders en heupen achter de hielen uitkomen. Zorg dat de tenen van de patiënt niet loskomen van de grond. Trek uw handen plotseling weg, nadat u het lichaamsgewicht van de patiënt op uw handen voelt leunen. De test moet een stap uitlokken. OPMERKING: Wees voorbereid om de patiënt op te vangen. Ga naast de patiënt staan. Plaats één hand op de zijkant van het bekken en laat de patiënt met het hele lichaamgewicht tegen uw handen leunen. Laat de patiënt zijwaarts leunen totdat de middenlijn van het bekken over de rechter (of linker) voet uitkomt en laat dan plotseling los. OPMERKING: Wees voorbereid om de patiënt op te vangen
7. Staand (voeten bij elkaar); ogen open, harde ondergrond 8. Staand (voeten bij elkaar); ogen dicht, Tempur Neem de tijd op dat de patiënt in staat is om met de voeten bij elkaar te blijven staan met een maximum van 30 seconden. Zorg ervoor dat de patiënt naar een vast punt op 1 tot 4 meter afstand kijkt. Gebruik 10 cm dik Tempur -schuimmat met een gemiddelde dichtheid. Help de patiënt om op de schuimmat te stappen. Neem de tijd op dat de patiënt in staat is om te blijven staan met een maximum van 30 seconden. ondergrond 9. Helling ogen dicht Help de patiënt op de hellende plank te stappen. Begin de tijd op te nemen zodra de patiënt zijn ogen dicht heeft. Merk op als er sprake is van overmatig uitzwaaien van het lichaam. 10. Verandering van loopsnelheid 11.Lopen met horizontale draaibewegingen van het hoofd 12.Lopen en omdraaien 13.Stap over obstakels 14. Timed Up & Go met dubbeltaak Laat de patiënt 3 tot 5 stappen zetten in zijn normale snelheid en zeg dan snel. Zeg na 3 tot 5 snelle stappen langzaam. Laat de patiënt 3 tot 5 langzame stappen zetten voordat u de patiënt laat stoppen met lopen. Laat de patiënt zijn normale snelheid bereiken voordat u om de 3 tot 5 stappen de commando's 'rechts' en 'links' geeft. Noteer eventuele problemen in beide richtingen. Als de patiënt ernstige cervicale beperkingen heeft, zijn gecombineerde hoofd- en rompbewegingen ook toegestaan Demonsteer een pivot draai. Zodra de patiënt zijn normale snelheid bereikt, zegt u draai en stop. Tel het aantal stappen vanaf de draai totdat de patiënt stabiel staat. Dysbalans kan zich uiten in een wijde beenpositie, extra stappen of beweging van de romp. Plaats de doos (23 cm hoog) op 3 meter afstand vanaf het punt waar de patiënt begint te lopen. U kunt hier bijvoorbeeld twee aan elkaar bevestigde schoenendozen voor gebruiken. Gebruik de TUG-tijd om het effect van een dubbeltaak te bepalen. De patiënt moet 3 meter lopen. TUG: Laat de patiënt op de stoel zitten met de rug tegen de leuning. Neem de tijd op vanaf het moment dat u 'Start' zegt totdat de patiënt weer op de stoel zit. Stop de tijd zodra de billen van de patiënt de stoel raken en de rug tegen de leuning is. De stoel moet stevig zijn en mag geen armleuningen of wieltjes hebben. TUG met dubbeltaak: Bepaal hoe snel en nauwkeurig de patiënt zittend met drie tegelijk kan terugtellen vanaf een getal tussen 90 en 100. Vraag de patiënt vervolgens terug te tellen vanaf een ander getal en zeg na een paar getallen 'Start'. Neem de tijd op vanaf het moment dat u 'Start' zegt totdat de patiënt weer zit. De score van de TUG met dubbeltaak wordt bepaald door een eventuele vertraging in het tellen of lopen (>10%) ten opzichte van TUG zonder dubbeltaak en/of nieuwe, zichtbare tekenen van dysbalans.