Talentmeting in korte trajecten Het portfolio is voor kort durende maatschappelijke stages een te uitgebreid middel om mee te werken. Voor de kortdurende intensieve maatschappelijke stages is een andere werkvorm ontwikkeld, waardoor het portfolio in een aantal korte stappen te gebruiken is. Het is op deze manier mogelijk jongeren te begeleiden vanuit het talent denken en ze te ondersteunen in talentontwikkeling. Bij de korte werkvorm zit een nulmeting en een reflectieformulier voor de jongere. Daarnaast een feedbackformulier voor begeleiders. Stap 1: Welke talenten uit het portfolio zijn voor jou organisatie belangrijk? Kies 8-12 talenten uit. In de bijlage vind je een overzicht van de talenten. Stap 2: Vul de talenten die je gekozen hebt in de documenten nulmeting en het reflectieformulier. Stap 3: Pas de vragen op het feedbackformulier voor begeleiders aan. Zorg dat er over ieder talent een vraag gesteld wordt. Voorbeeld: als een talent is vragen stellen, dan staat er op het feedbackformulier als vraag Durft de stagiaire vragen te stellen?. Gebruik van de formulieren De formulieren gebruik je op verschillende momenten. De nulmeting MaS gebruik je op het moment dat jongeren de voorlichting en/of kennismaking krijgen, of net voordat ze beginnen met de stage. Het reflectieformulier laat je een jongere invullen aan het einde van de stage. Het feedbackformulier vul je zelf in, of laat je invullen door degene die de jongere begeleid. De drie formulieren samen geven de ontwikkeling van de jongere tijdens het vrijwilligerswerk weer en helpen je om gerichter feedback te kunnen geven.
Voorbeeld nulmeting Naam jongere: School: Klas: Talent 1 Talent 2 Talent 3 Talent 4 Kan ik goed Kan ik (nog) niet zo goed Vind ik moeilijk Opmerkingen
Voorbeeld reflectieformulier Naam stagiair: School: Klas: Talent 1 Talent 2 Talent 3 Talent 4 Kan ik goed Kan ik (nog) niet zo goed Vind ik moeilijk Opmerkingen
Voorbeeld feedbackformulier Naam stagiair: Naam invuller: Zelfkennis/ontwikkeling Hoe reageert hij of zij op feedback? Hoe is zijn of haar zelfkennis over bepaalde vaardigheden? Kan hij of zij activiteiten bedenken en deze uitvoeren (improviseren)? Kan hij of zij evalueren? Bijzonderheden
Overzicht talenten Er zijn de volgende 7 talenten die ieder weer uit kleine deeltalenten bestaan: Communiceren: informatie delen en zorgen dat iedereen elkaar begrijpt 1) Vragen stellen: durft vragen stellen aan de ander. 2) Luisteren: kan goed luisteren naar anderen, zonder er doorheen te praten 3) Verwoorden: kan de andere duidelijk maken wat hij/zij bedoelt. Kan iets uit leggen of vertellen. 4) Presenteren: gemakkelijk voor een groep mensen durven praten. 5) Overtuigen: op een goede manier je eigen mening overbrengen en overbrengen waarom je denkt dat iets kan of moet. 6) Onderhandelen: samen met iemand die iets anders wil iets afspreken wat voor allebei aanvaardbaar is. 7) Schrijven: een verhaal of verslag op papier of op de computer maken wat begrijpelijk is voor anderen. Samenwerken: makkelijk met andere mensen met een opdracht bezig zijn 1) Meedoen: actief meedoen aan groepsactiviteiten en overleggen. 2) Helpen: graag iets doen waar andere mensen beter van worden. 3) Uitleggen: dingen zo vertellen dat anderen het gemakkelijk begrijpen. 4) Motiveren: iemand of de groep enthousiast maken om iets te gaan doen. 5) Aanvoelen: met je gevoel begrijpen hoe de ander denkt of voelt en/of in een groep merken wat er aan de hand is. 6) Bemiddelen: mensen of groepen mensen helpen het eens te worden over iets. 7) Sfeer brengen: zorgen voor een goede sfeer in de groep. Systematisch werken: volgens een plan werken 1) Analyseren: nauwkeurig bekijken hoe iets werkt of hoe iets gebeurd. 2) Nauwkeurig werken: netjes en precies werken. Niets over het hoofd zien of vergeten. 3) Ordenen: iets in de goede volgorde zetten. 4) Vormgeven: een idee in je hoofd of op papier ook echt maken, zodat het er mooi uitziet. 5) Regelen: bedenken wat er gedaan moet worden en het dan ook in orde maken. 6) Controleren: in de gaten houden of alles goed verloopt. 7) Evalueren: terugkijken hoe iets gegaan is en bedenken wat goed ging en wat beter of anders kan. Zelfreflectie: eerlijk naar jezelf kijken, hoe je bent en wat je nog niet kan. Nadenken over wat je wilt en hoe je dat wilt. 1) Compliment geven: tegen een ander zeggen wanneer je vindt dat de ander iets goeds gedaan heeft. 2) Feedback geven kan positief of negatief: op een respectvolle manier tegen een ander zeggen wat je niet goed vindt en hoe je het graag anders ziet. 3) Feedback ontvangen: luisteren als iemand iets zegt wat hij wel of niet goed of leuk vond van wat je hebt gedaan, erover nadenken en als je vindt dat de ander gelijk heeft je gedrag aanpassen. 4) Leren van situaties: leren van de situaties die je meemaakt en dingen die fout zijn gegaan. Het (zelf) een volgende keer anders doen. 5) Evalueren: terugkijken naar hoe iets gegaan is en bedenken wat je rol en taak daarin is en wat je kan veranderen.
6) Zelfkennis: weten wie je bent. 7) Zelfinzicht: snappen hoe je zelf in elkaar zit én weten hoe je reageert op situaties. Jezelf ontwikkelen: actief bezig zijn met je talenten en leerpunten en daar aan werken om ze te verbeteren 1) Initiatief nemen: vaak de eerste zijn die ergens aan begint of iets voorstelt om te doen. 2) Inspireren: andere mensen een goed idee of gevoel geven. 3) Onderzoeken: nieuwsgierig zijn naar hoe iets kan ontstaan of gebeuren en het ook uitzoeken. 4) Experimenteren: graag nieuwe dingen uit proberen. 5) Improviseren: snel een nieuw plan of een nieuwe actie bedenken als dat nodig is. 6) Fouten durven maken: door fouten te maken leer je wat niet werkt en kan je nieuwe oplossingen bedenken en daardoor beter worden. 7) Riskeren: niet bang zijn om een plan te laten mislukken. Zelfsturing: de manier waarop je met situaties omgaat en hoe je jezelf kan aanpassen aan een situatie. 1) Aanpassen: gemakkelijk meedoen of meedenken met andere mensen of ideeën. 2) Doorzetten: toch doorgaan ook al gaat het gemakkelijk of vind je iets moeilijk 3) Verantwoordelijkheid nemen: zorgen dat de taak die je op je neemt ook goed uitgevoerd wordt. 4) Afspraken nakomen: doen wat je hebt beloofd. 5) Omgaan met stress: rustig blijven tijdens drukke en/of moeilijke momenten. 6) Zelfstandig werken: alleen kunnen werken als dat nodig is. 7) Oplossend vermogen: oplossingen kunnen vinden om problemen op te lossen. Vakcompetenties: verschillende soorten talenten die makkelijk zijn om ze te bezitten voor bepaalde beroepen en vrijwilligerswerk 1) Repareren: makkelijk iets herstellen dat kapot is. 2) Onderhouden: voor iets zorgen, zodat het langer meegaat. 3) Rekenen: goed kunnen werken met sommen, grafieken, figuren en raadsels. 4) Financiën: goed met geld om kunnen gaan. 5) Taal: goed zijn in een bepaalde taal, zoals Nederlands en/of Engels. Dit kunnen spreken en schrijven. 6) Ontwerpen: een idee, voorwerp, plan, gebouw of apparaat bedenken en vormgeven. 7) Uitvinden: iets ontdekken dat nog niet eerder bedacht is. 8) Signaleren: iets ontdekken en zorgen dat andere mensen dat ook te weten komen.