Gedragsverandering in fasen Stimuleren van een actieve leefstijl Een middel om een blijvende actieve leefstijl te stimuleren is door te werken aan kennis, houding en vaardigheden ten aanzien van bewegen. Leervragen kunnen een manier zijn om met deze factoren aan de slag te gaan. Kennis ten aanzien van een actieve leefstijl houdt in dat je weet wat voor een invloed bewegen op je lichamelijke en psychische gezondheid kan hebben. Bijvoorbeelden zijn dat je je eigen beweeggedrag kent, je weet wat de NNGB inhoudt en dat je simpele beweegactiviteiten weet die je in het dagelijkse leven kunt integreren. Een voorbeeld van een kennisvraag is: hoeveel moet een volwassene/kind minimaal per dag bewegen om gezond te blijven? De houding t.a.v. een actieve leefstijl geeft aan in hoeverre iemand een positief en actief zelfbeeld heeft, over zelfvertrouwen beschikt en de mate waarin iemand het gevoel heeft dat hij iets aan zijn situatie kan veranderen. Deze houding heeft vaak ook met de houding van je omgeving te maken. Voorbeeld van een leervraag: ben jij van plan om de komende 6 maanden meer te gaan bewegen? Uit het opdoen van vaardigheden volgt vaak meer zelfvertrouwen en een positieve verandering in de intrinsieke motivatie t.a.v. bewegen. Het kunnen uitvoeren (de vaardigheid) van bepaalde bewegingen is soms voorwaarde om meer te gaan bewegen. Bijvoorbeeld leren fietsen of leren hoe je met een gezonde houding huishoudelijk werk kunt doen. Maar naast deze technische vaardigheden, is belangrijk om vaardigheden te ontwikkelen waarmee je bijvoorbeeld je eigen beweeggedrag in de hand kunt houden. Voorbeeld van een leervraag: welke vaardigheden heb je nodig om zelfstandig een beweegactiviteit uit te kunnen voeren? Vaak wordt het werken aan houding en kennis gecombineerd met de actie (het zelf doen). Door het te doen realiseert men zich vaak: ik wist niet dat ik dit kon! Aan de slag! Elke groep, of ze nu kort of lang bestaat, ontwikkelt zich op haar eigen manier. Elke groep is uniek. Zij heeft haar eigen beginpunt, eigen doelen en ontwikkelingstempo. In deze handleiding werken we met het fasenmodel, die gebaseerd is op het stages of changemodel van Prochaska (1982). Het misleidende van de term fasen is de suggestie dat een groep zich ontwikkelt volgens een vooraf bepaalde volgorde. Dit is niet het geval. Het fasenmodel is niet lineair. Wanneer een groep zich in een bepaalde fase bevindt, kan het voorkomen dat men terugvalt naar een eerdere fase. Ook kunnen er fases door elkaar heen lopen. Voordat je met een groep aan de slag gaat is het belangrijk om je af te vragen in welke fase de groep zich bevindt. Dit kun je uitvinden door de fasenboom op blz. 11 te doorlopen. In de eerste kolom zijn de fases van gedragsverandering weergegeven en in het kort beschreven. Tevens staat in het schuin gedrukt wat men aan het eind van de fase kan verwachten. In de tweede kolom worden de factoren beschreven. De focus kan liggen op kennis, houding en/of vaardigheden. Het tot stand komen van gedragsverandering is het resultaat van het verwerven van nieuwe kennis, nieuwe houdingen en nieuwe vaardigheden. Per les richt je de focus op één van de drie factoren en kies je een leervraag uit die daarbij past. Je kunt beter één factor goed uitdiepen, dan aan meerdere factoren half werken. In fase 2 kan de focus bijvoorbeeld liggen op kennis met de leervraag Waarom is bewegen gezond?. Dit is de vraag die tijdens de les centraal staat en waaraan je met de deelnemers wilt gaan werken. Rond deze vraag kies je passende activiteiten. Meestal heb je meerdere lessen nodig, voordat de groep er aan toe is om naar de volgende fase te 1
gaan. Je kunt er dan voor kiezen om meerdere lessen met één leervraag bezig te zijn. Echter heb je ook de mogelijkheid om meerdere leervragen te combineren. Alleen op de factor(en) waar de focus ligt, zijn leervragen geformuleerd. Dit betekent niet dat de andere factoren helemaal niet behandeld worden. Het doorlopen van de fases kent geen harde overgangen. Het is een geleidelijk proces waarbij het ook kan zijn dat de groep weer terugvalt naar een eerder doorlopen fase. FASENMODEL STADIUM 1: onbewust van eigen gedrag t.a.v. (in)actieve leefstijl FASE FACTOREN LEERVRAGEN 1 Focus op: Kennis Kennismaking met gezondheid, actieve leefstijl en de NNGB. Kennis van beweeggeschiedenis, beweeggedrag en huidige leefstijl. Houding Het verkennen van de eigen houding t.a.v. bewegen. Houding t.a.v. verandering van de leefstijl. Minder focus op: Vaardigheden: Ervaringen met laagdrempelige beweegactiviteiten. Vaardigheden aanleren door plezierige beweegactiviteiten. Aandacht voor gezonde/actieve manier van dagelijkse bewegingen. Wat is een actieve leefstijl? Wat wordt verstaan onder de NNGB? Hoe ziet jouw dag eruit (leefstijl)? Hoeveel beweeg jij (per dag/week)? Welke ervaringen heb jij met bewegen in het verleden? Welke beweegactiviteiten voer je uit? Welke beweegactiviteiten vind je leuk? Wat versta jij onder bewegen? Wat vind je gezond en ongezond m.b.t. leefstijl, voeding en bewegen? Wat betekent bewegen voor jou (effecten benoemen)? Waarom doe je wel/niet aan bewegen? Wil je graag een actievere leefstijl ontwikkelen? Wat zou je graag willen veranderen t.a.v. jouw leefstijl? STADIUM 2: bewust van gedrag, men wil iets veranderen 2 Focus op: Kennis: Kennis van persoonlijke mogelijkheden om beweegactiviteiten uit te voeren, zowel in het alledaagse leven als recreatieve/sportieve activiteiten Kennis van mogelijkheden in de omgeving om beweeggedrag uit te kunnen voeren. Houding: Positieve houding t.a.v. de omgeving en bewegen Welke mogelijkheden kun je bedenken om beweegactiviteiten uit te kunnen voeren? Welke beweegactiviteiten zou je graag willen uitvoeren en wat heb je hiervoor nodig? Welke kansen biedt jouw omgeving (sociale en fysieke) om jouw gewenste beweeggedrag mogelijk te maken? Wat is jouw ideale beweegsituatie? Heb je het gevoel dat je jouw beweeggedrag zelf 2 in de hand hebt? Zo niet, wat zijn de belemmeringen? Hoe kun je omgaan met belemmeringen zodat je jouw ideale beweegsituatie wel kunt realiseren?
Minder focus op: Vaardigheden Werken aan vaardigheden om gewenst beweeggedrag uit te voeren Het vergroten van de creativiteit t.a.v. beweeggedrag (andere manieren van bewegen om tot het gewenste beweeggedrag te komen) 3
STADIUM 3: bezig met veranderingen, men is matig actief 3 Minder focus op: Kennis: Kennisuitwisseling over verschillende beweegactiviteiten Houding Openstaan voor nieuw beweeggedrag Focus op: Vaardigheden Vaardigheden om alledaagse beweegactiviteiten te integreren in het dagelijkse leven Vaardigheden om beweeggedrag uit te kunnen voeren 4 Kennis Een actieve leefstijl heeft positieve effecten op lange termijn. Kennis van de stappen die je hebt doorlopen om tot gedragsverandering te komen. Houding: Overtuigd zijn van het nut van actieve leefstijl voor lichamelijke en geestelijke gezondheid Vaardigheden: Gebruik maken van sociale netwerken om actief te blijven Open blijven staan voor nieuwe en alternatieve beweegmogelijkheden. Vaardigheden om terugval tegen te gaan en een actieve leefstijl te behouden STADIUM 4: men is actief STADIUM 5: Gedragsbehoud Hoe kun je beweeggedrag en een gezonde leefstijl integreren in jouw dagelijks leven? Welke kleine activiteiten kun je integreren in jouw dagelijks leven? Welke beweegvaardigheden wil je verder ontwikkelen? Hoe kun je zelfstandig (of als groep) beweegactiviteiten uitvoeren? Heb je het gevoel dat jouw beweeggedrag is veranderd t.a.v. het begin? Kun je de voordelen benoemen van een actieve leefstijl t.a.v. het begin en op lange termijn? Stel je valt terug naar een eerder stadium, welke stappen moet je ondernemen om weer actiever te worden? Hoe is jouw houding t.a.v. een actieve leefstijl veranderd? Welk sociaal netwerk kun je gebruiken om actief en gemotiveerd te blijven? (familie, gezin, maar ook verenigingen) Welke beweegactiviteiten bieden een alternatief voor de huidige beweegactiviteit? Wat zijn de zwakke punten waardoor je weer terug kunt vallen in jouw oude beweegpatroon? Hoe kun je een terugval voorkomen? Nazorg Zelfs als iemand het stadium gedragsbehoud heeft bereikt, dan betekent dat nog niet dat diegene zijn hele leven actief blijft. Het betekent dat diegene tenminste zes maanden een actieve leefstijl heeft. Hoewel er ook in fase 4 aan het voorkomen van terugval gewerkt wordt, is het aan te raden om ook na het bereiken van het stadium gedragsbehoud nog een aantal bijeenkomsten te plannen waarbij het thema terugval centraal staat. 4
2. Fasenboom Zijn de deelnemers 6 maanden of langer actief volgens de NNGB? Weten de deelnemers wat een actieve leefstijl inhoudt en hebben ze kennis over hun eigen leefstijl? Start Weten de deelnemers wat het effect is van bewegen en waarom het belangrijk is om te bewegen? Weten de deelnemers wat hun mogelijkheden zijn m.b.t. bewegen en ondernemen ze pogingen/acties om meer te bewegen? STADIUM 3 Bezig met verandering Zijn de deelnemers actief volgens de NNGB? STADIUM 4 Actief STADIUM 5 Gedragsbehoud Terugval mogelijk Terugval mogelijk STADIUM 2 Bewust van gedrag Terugval mogelijk STADIUM 1 Onbewust van gedrag
brongegevens: Communities in Beweging, Doe mee. Beweeg mee. De eindbalans na vier jaar Communities in Beweging (2003-2006), 2007 6