Rondat fiche 3: Critical features / foutenanalyse Elke fout heeft een min of meer typisch gevolg voor de rest van de beweging. Dikwijls is het onmogelijk om een fout rechtstreeks te gaan verbeteren omdat ze een gevolg is van een andere fout. Voorbeeld: het diep buigen van de benen bij de inzet van flik is bijna altijd een gevolg van te weinig achterwaarts evenwichtsverlies. De gymnast buigt dan de benen om toch voldoende evenwichtsverlies te verkrijgen. Dit is uiteraard negatief voor de sprongkracht en de snelheid. De fout van gebogen benen moet in dit geval aangepakt worden door te werken aan de techniek van het vorige deel (rondat, flik, temp, ), om zo meer evenwichtsverlies te bekomen en het mogelijk te maken dat de gymnast zijn benen kan uitstrekken. In de volgende lijst werden de critical features voor rondat uitgewerkt. De belangrijkste fouten per fase, die met de grootste invloed op het verdere verloop van de beweging, worden met hun gevolgen besproken. Critical features rondat: Voorwaarts gerichte opsprong. Fout: de opsprong is te kort en te veel opwaarts gericht. Gevolg: uitvalspas is te klein en de snelheid neemt verder af in de rondat. Mogelijke oorzaken: Overname uit artistieke gymnastiek, angst voor snelheid, te lange aanloop, slechte looptechniek. rondat steeds aanleren vanuit opsprong en pas bij gevorderde gymnasten een aanloop toevoegen; bij gevorderde gymnasten: korte & versnellende loopoefeningen. Eerst zonder en daarna met een element erachter (rondat, overslag, rad). Fout: naast de lijn staan of aanlopen + corrigerende opsprong uitvoeren (zie afbeelding). Gevolg: verkeerde handenplaatsing (foto 3) en overcorrectie. Wat ziet de trainer: niets speciaal in de rondat maar de daarop volgende elementen worden naast de lijn of zigzag gesprongen. Wat voelt de gymnast: Dat hij na de rondat niet de mogelijkheid heeft om recht naar achter te springen. het aanloop- en opspronggedeelte versmallen, bijvoorbeeld met dunne langwerpige matjes. - 1 - Luk Goris en Bart Vanoirbeek
Fase 1: Grote uitvalpas opzwaai zwaaibeen (fase idem bij overslag) Fout: te korte voorbereidende beweging, m.a.w. te kleine uitvalspas en handen staan niet ver. Gevolg: snelheidsverlies en moeite tot een gestrekte handstandfase te komen. Wat ziet de trainer: de courbette valt te kort, de romp stijgt niet in fase 3 en er is geen snelheid om een volgende beweging uit te voeren. werken met merktekens (krijt, strips, matje, voetjes springplanken, ) Fout: te vroeg indraaien van bekken, romp, schouders, hoofd,... Gevolg: rondat zal niet eindigen op de middellijn of de volgende bewegingen zullen zigzag gesprongen worden. Wat ziet de trainer: de handstandfase en het einde van de rondat is niet in lijn en de volgende beweging is scheef. vertraagd uitvoeren van de rondat met accent op laat indraaien. De snelheid geleidelijk terug opbouwen. Fout: De plaatsing van de voeten voor de rondat is niet op de lijn maar gekruist (zie afbeelding). Oorzaak: de gymnast tracht rotatie te winnen in de opsprong. Gevolg: snelheidsverlies en mogelijk naast de lijn, schuin of zigzag springen van de volgende elementen. aanloop en opsprong gedeelte versmallen, bijvoorbeeld met dunne langwerpige matjes. Fout: Geen of weinig buiging in het steunbeen. Wat ziet de trainer: er ontstaat een te lange vluchtfase tussen het steunbeen en de handenplaatsing. Gevolg: het hele gewicht komt op de armen terecht waardoor die eventueel gebogen worden en het uitduwen uit de schouders onmogelijk wordt. rondat laten uitvoeren waarbij de handen 10 à 15 cm lager als het zwaaibeen en het steunbeen geplaatst worden. De afdaling is eerst trapsgewijs, later een schuin vlak en uiteindelijk terug op een vlakke baan. - 2 - Luk Goris en Bart Vanoirbeek
Fase 2: Handenplaatsing Handstandfase Fout: Het zwaaibeen wordt niet recht opwaarts opgezwaaid heupbuiging of te vroege overstrekking. Oorzaak: te weinig indraaien van het lichaam voor de handenplaatsing. (zie volgende fout) Gevolg: het bekken wordt niet opgedraaid. De courbette kan niet krachtig worden ingezet omdat het lichaam niet helemaal is uitgestrekt. Wat ziet de trainer: de gymnast staat scheef in handstand. De voeten passeren niet mooi boven de handen in de handstandfase. afdalen naar radslag of overslag (afhankelijk van gekozen aanleervorm). Fout: Het lichaam wordt onvoldoende ingedraaid voor de handenplaasting. Wat ziet de trainer: de handen staan op de middellijn en de schouderlijn is evenwijdig met de middellijn. Gevolg: het uitduwen van de schouders en de inzet van een goede courbette wordt onmogelijk. Indien de courbette toch wordt ingezet is de kans groot dat de volgende bewegingen zigzag gesprongen worden. Daardoor kan de courbette niet recht worden ingezet. zie Rondat fiche 1, fase 2, globale en analytische oefenstof. Fout: De spreiding tussen eerste hand en tweede hand is groter dan schouderbreedte. Gevolg: de steun zal tijdens de handstandfase van de eerste hand overgaan naar de tweede hand. Het uitduwen uit de schouders zal daarom veel moeilijker worden. Wat ziet de trainer: in de eindpositie van de courbette zijn de armen niet even hoog. De gymnast kan klagen over pijn in de polsen. werken met merktekens (krijt, strips, handjes, ). Fout: De benen worden onvoldoende gesloten in de handstandfase. Gevolg: de ½ draai omheen de lengteas kan niet worden afgewerkt. De benen zullen vaak niet meer gesloten worden en de gymnast zal bijgevolg landen met open benen. Wat ziet de trainer: de voeten en knieën zijn in de komende vluchtfase niet bij elkaar en staan bij de landing niet mooi samen op de middellijn. tip voor gymnasten bij het uitvoeren van rondat: klap, zo snel als je kan, 1x met je voeten tegen elkaar ; maak gebruik van kleefstrips om rond de enkels te bevestigen. - 3 - Luk Goris en Bart Vanoirbeek
Fase 3: Inzet courbette zweeffase voorbereiding van de landing Fout: geen of een te passieve courbette inzet. Wat ziet de trainer: de benen vallen passief neerwaarts en de handen komen niet/moeilijk los van de baan. Gevolg: het lichaam wordt niet opwaarts geduwd waardoor de zweeffase te kort (in tijd) en te laag is. vanuit handstand krachtige snepper-/courbettebewegingen uitvoeren: zie Rondat fiche 1, fase 3, analytische oefenstof ; kaatsoefeningen vanuit de schouders: zie Rondat fiche 1, fase 3, KLUSCE, schouderkracht ; hol-bol oefenvormen: zie Rondat fiche 1, fase 3, KLUSCE, courbettescholing. Fout: onvoldoende of niet terugbrengen van de armen naar het lichaam en onvoldoende verkleinen van de heuphoek; Gevolg: te weinig rotatie tijdens de zweeffase waardoor de voeten achter het lichaamszwaartepunt geplaatst worden. De achterwaartse (horizontale) snelheid zal hierdoor afnemen. Wat ziet de trainer: de (streksprong,) flikflak of tempsalto na de rondat zal te hoog worden uitgevoerd. Om dit enigsinds te compenseren zal de gymast een opwaartse arm-hoofd-romp-actie uitvoeren. Zulke flikken en tempen zijn erg overstrekt en te kort. gymnasten die een spannend turnbroekje dragen, kunnen een zakdoekje gedeeltelijk achter elk van hun broekspijpen spannen. Bij het uitvoeren van een rondat trachten ze na de handensteun, de andere uiteinden van de zakdoekjes met beide handen los te trekken; gymnasten voeren rondat uit en trachten nog voor de landing de knieën vast te grijpen. de rondat wordt uitgevoerd over een laag rechtopstaand matje. De gymnast moet met de handen tegen het matje slaan voor hij in schelp valt of een flikflak uitvoert: zie Rondat fiche 1, fase 3, globale oefenstof. Fout: Heuphoek wordt niet of onvoldoende uitgestrekt. Wat ziet de trainer: de gymnast schiet met het zitvlak eerst achterwaart. De gymnast kan niet in schelp vallen maar enkel op het zitvlak. Mogelijke oorzaken: de gymnasten hebben vaak onvoldoende tijd om het lichaam uit te strekken. Dit komt door een te korte zweeffase en/of een te zwakke courbette inzet. In de handstandfase werd er onvoldoende gekaatst uit de schouders; de bilspieren zijn onvoldoende krachtig om de heup snel uit te strekken. Gevolg: bij het uitvoeren van flik of temp, zullen de armen, hoofd en schouders opwaarts getrokken worden, voor het lichaam uit te strekken. De benen zullen diep gebogen worden om alsnog de heuphoek uit te strekken, met veel snelheidsverlies tot gevolg. oefeningen ter verbetering van de schouderactie en de courbette: zie Rondat fiche 1, fase 3, KLUSCE, schouderkracht en courbettescholing ; versteviging bilspieren d.m.v gerichte krachttraining. Voorbeeldoefening: zie Rondat fiche 1, fase 1, KLUSCE - 4 - Luk Goris en Bart Vanoirbeek
Fout: De volgorde 1)heuphoek openen 2)romp en schouders komen recht 3)armen en hoofd starten opwaartse richting, wordt niet gerespecteerd. Gevolg 1: Door de armbeweging in te zetten voor het uitstrekken van de heup en het rechtkomen van de schouders, wordt de heup voorwaarts gedrukt en wordt de volgende beweging te kort en onderin uitgevoerd. Gevolg 2: bij de landing zal de rug reeds hol zijn, de schouders zullen al ver naar achter zijn en het hoofd in de nek. (Zie fouten in fase 4: de landing). oefeningen waarbij de nadruk ligt op het afrollen van onder naar boven. Voorbeeldoefening: in schelphouding rugwaarts vallen op een valmat. Zitvlak-onderrug-schouders raken in deze volgorde de mat. Als laatste worden de armen geheven en wordt het hoofd licht opwaarts getild. Afrollen verwerken in krachtoefeningen: Voorbeeld 1: Knipmessen/V-zitten, het openen gebeurt al afrollend en de armen worden daarbij als laatste opwaarts gebracht. Voorbeeld 2: Benen liggen gefixeerd op een plint, de romp afhangend. Oprollend rechtkomen en als laatst de armen krachtig heffen. - 5 - Luk Goris en Bart Vanoirbeek
Fase 4: De landing Fout: De landing gebeurt met een holle rug, de schouders te ver naar achter en het hoofd in de nek. Oorzaak: Te vroeg inzetten van een opwaartse hoofd-, arm en schouderbeweging in de zweeffase. Dit kan pas nadat de voeten onder (lees: voorbij) het lichaamzwaartepunt geroteerd zijn. De juiste volgorde van uitstrekken is dan heuphoek-schouder-armen-hoofd. Gevolg: Een krachtige omgekeerde courbette, van BOL naar HOL, is onmogelijk. Het opbouwen van snelheid vanuit de rondat is daardoor niet mogelijk. Bijkomend gevolg: landen met een holle rug veroorzaakt lage rugpijn omdat de belasting op de rug plots toeneemt. zie remediëring van fase 3. Fout: Het zwaartepunt is niet achter de voetensteun waardoor er geen of onvoldoende achterwaartse snelheid opgebouwd wordt. Vele mogelijke oorzaken: ze moeten gezocht worden in fouten uit de vorige fases. Gevolg: de achterwaartse snelheid zal afnemen of helemaal stoppen. Het uitvoeren van een element (flik of temp) achter de rondat is in het ergste geval niet mogelijk. Als de uitvoering iets beter is zal de flik of temp veel te hoog worden uitgevoerd of zal de gymnast trachten te compenseren door diep door de knieën te buigen. De buik wordt dan naar voor gedrukt (holle rug) en schouders, hoofd en armen worden zeer ver opwaarts doorgezwaaid. (zie volgende fout) De volgende bewegingen zijn dan te kort. Fout: Schouders, hoofd en armen worden te ver achterwaarts doorgezwaaid. Oorzaak: meestal is deze fout een gevolg van te weinig achterwaartse snelheid. Wat ziet de trainer: de rug wordt heel erg overstrekt in de flik/temp. Snelheidsverlies. Gevolg: indien een gymnast wel voldoende evenwichtsverlies heeft en deze fout maakt zal de volgende flikflak te laag zijn (komt zeer zelden voor na rondat!). De belasting wordt plots erg groot en kan zware kwetsuren aan handen, polsen, armen, ellebogen, schouders veroorzaken. Een tempsalto zal eveneens veel te laag worden uitgevoerd waardoor een reeks onderbroken zal worden. - 6 - Luk Goris en Bart Vanoirbeek