Algemene Klinische Chemie 2008
|
|
|
- Laurens Dekker
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009; 34: Algemene Klinische Chemie 2008 Vraag 1 Een 35-jarige vrouw presenteert zich bij de huisarts met sinds een viertal uren bestaande retrosternale pijn op de borst en sinds langere tijd bestaande klachten van dyspneu en vermoeidheid. De huisarts besluit een routine ECG te laten maken. Omdat het ECG geen afwijkingen laat zien besluit hij bloedonderzoek te laten verrichten gericht op cardiale problematiek (onderstaande tabel; 13:36 uur). Nadat de huisarts door het laboratorium telefonisch op de hoogte is gesteld van de verhoogde cardiaal troponine-i (ctni) concentratie (0,24 µg/l), wordt patiënte direct ingestuurd naar de Spoedeisende Hulp (SEH). Het ECG is bij herhaling op de SEH normaal. Uitgebreider laboratorium onderzoek (tabel; 20:04 uur) laat geen afwijkingen zien behalve de nog steeds verhoogde ctni concentratie en een licht verhoogd aantal leukocyten. De conventionele thoraxopname laat geen afwijkingen zien. Test 13:36 uur 20:04 uur Eenheid Natrium 139 mmol/l Kalium 4,0 mmol/l Ureum 3,3 mmol/l Kreatinine 61 µmol/l ASAT 18 U/l ALAT 19 U/l LD 302 U/l CK 62 U/l Troponine-I 0,24 0,30 µg/l BNP ng/l Glucose,niet nuchter 4,5 7,9 mmol/l CRP 4,7 mg/l Leukocyten 13, /l Hemoglobine 8,6 8,7 mmol/l a) Zijn de twee troponineconcentraties significant verschillend? Bereken hiertoe het kritisch verschil. Aanname: analytische variatiecoëfficiënt = 8%; intra-individuele biologische variatiecoëfficiënt = 20%. b) De arts neemt contact met u op om aan te geven dat beide troponineresultaten bij deze patiënt niet juist zijn omdat ASAT, LD en CK niet afwijkend zijn. Wat is uw reactie ten aanzien van de diagnose Acuut Myocard Infarct (AMI)? c) Noem 4 mogelijke (patho)fysiologische oorzaken (naast AMI) van een verhoogde troponineconcentratie. d) Bij de validatie van een troponinebepaling is het van belang om inzicht te hebben in de zogenaamde Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009, vol. 34, no. 2 functionele detectielimiet (Limits of Quantitation) in tegenstelling tot de analytische detectielimiet (Limits of Blank). - Hoe worden in het algemeen beide limieten vastgesteld? - Wanneer is in het algemeen de functionele detectielimiet van belang? - Hoe is bij een troponinebepaling de klinische beslisgrens gedefinieerd in relatie tot de functionele detectielimiet? e) Noem drie verschillen tussen de troponine I en troponine T bepaling? Antwoorden Vraag 1 a) SD (meting 1) = VC * 0,24 / 100 SD totaal (meting 1) = SQRT((SD analytisch^2) + (SD biologisch^2)) = 0,052 Kritisch verschil = 1,96 * SQRT(2) * SD totaal = 2,77 * SD totaal = 0,14 De factor 1,96 betreft het 95% betrouwbaarheidsinterval en de factor SQRT(2) betreft de SD totaal (meting 2) die gelijkgesteld kan worden aan SD totaal (meting 1). Troponine concentraties binnen het bereik 0,24 ± 0,14 (0,10 0,38) zijn niet significant verschillend. De concentratie 0,30 valt binnen dit bereik. b) De afwezigheid van een verhoogde ASAT, LD en/ of CK activiteit is geen argument dat pleit tegen ACS. Een goed argument zou zijn dat bij de diagnose ACS sprake dient te zijn van een stijging of daling van de troponine concentratie in seriëel afgenomen bloedmonsters (minimaal twee) met een tijdsinterval van minimaal 6 uur. In deze casus is er geen sprake van een significant stijging of daling. c) Instabiele angina pectoris, hartritmestoornissen, myocarditis, longembolie, amyloidose, hemochromatose, hersenbloeding, beroerte, gedilateerde cardiomyopathie, hartfalen, endocarditis, pericarditis, vasculaire chirurgie, cardiotoxiciteit, sepsis, nierfalen, reanimatie, harttrauma, ernstige brandwonden, duursport. d) - De analytische detectielimiet is de laagste concentratie die significant afwijkt van de waarde 0. De limiet wordt vastgesteld door het gemiddelde ruwe meetsignaal (bijv. n=10) van een nulcalibrator en de laagste niet-nulcalibrator uit te zetten tegen de concentratie. Uit deze calibratiecurve kan de analytische detectielimiet afgelezen worden. De concentratie die hoort bij het gemiddelde ruwe meetsignaal van de nulcalibrator ± 2 SD is de analytische detectielimiet. 115
2 De functionele detectielimiet is de laagste concentratie die nauwkeurig gemeten kan worden. Voor het vaststellen van deze limiet dient een precisie profiel (totale analytische variatiecoëfficiënt versus concentratie) opgenomen te worden. De functionele detectielimiet is de concentratie waarbij de VC 20% is. - De functionele detectielimiet is van belang bij testen waarbij lage concentraties klinisch relevant zijn. Dit is het geval bij troponine: de klinische beslisgrens zit heel dicht tegen de detectielimiet aan. - De klinische beslisgrens is de functionele detectielimiet. Bij troponine wordt niet een grens van 20% maar een grens van 10% gehanteerd. e) - Standaardisatie: in tegenstelling tot troponine T zijn er meerdere leveranciers van de troponine I bepaling. De laatste bepaling is nog niet gestandaardiseerd waardoor resultaten van verschillende leveranciers niet goed vergelijkbaar zijn. - Dynamiek: troponine I stijgt later en daalt ook weer sneller vanaf begin klachten dan troponine T. - Bij patiënten met nierinsufficiëntie komen licht verhoogde troponine T resultaten voor. Vraag 2 De volgende laboratoriumresultaten zijn van een 32- jarige vrouw die een resectie van de dunne darm heeft ondergaan als gevolg van een mesenteriaaltrombose. Deze vrouw heeft zich meerdere malen op de polikliniek gemeld met een onbegrepen metabole acidose. Test Resultaat Eenheid Natrium 138 mmol/l Kalium 2,6 mmol/l Chloride 114 mmol/l Kreatinine 72 µmol/l Ketonen neg. L-lactaat 1,0 mmol/l D-lactaat 3,3 mmol/l Bloedgas Bicarbonaat, actueel 8 mmol/l Anion gap 19 meq/l Urine Ketonen neg. D-lactaat 43 mmol/l a) Wat is de meest waarschijnlijke reden van de onbegrepen metabole acidose bij deze vrouw? Licht uw antwoord toe. Is er een discrepantie tussen de mate van verlaging van de bicarbonaatconcentratie en de lactaatconcentratie in het plasma? Licht uw antwoord toe. b) Noem de vier meest voorkomende oorzaken van een ernstige metabole acidose. Een 55-jarige man is in uw ziekenhuis opgenomen met klachten van dehydratie. Patiënt is bekend met de ziekte van Crohn en heeft ten gevolge hiervan al enige jaren een ileostoma. De laatste tijd is er sprake van veel secretie via dit stoma. Als medicatie gebruikt patiënt Lisinipril (een ACE-remmer). De volgende laboratoriumresultaten zijn in uw ZIS bekend: Test Resultaat Resultaat Resultaat Eenheid 4 mnd eerder bij opname 2 dagen later Natrium mmol/l Kalium 4,9 7,8 4,5 mmol/l Chloride mmol/l Calcium 2,49 2,47 2,23 mmol/l Magnesium 0,75 0,53 mmol/l Fosfaat 0,89 2,47 0,58 mmol/l Glucose, nuchter 5,5 7,8 mmol/l Albumine g/l Kreatinine µmol/l Ureum 9,9 47,3 15,1 mmol/l Bilirubine, totaal 7 8 µmol/l AF U/l GGT U/l ASAT U/l ALAT U/l LD U/l CK 71 U/l Bloedgas ph 7,23 7,37 pco2 3,7 4,1 kpa po2 15,1 13,2 kpa Bicarbonaat, actueel mmol/l Base excess -14,6-6,2 mmol/l 116 Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009, vol. 34, no. 2
3 c) Beschrijf de zuur-base status van de patiënt bij opname en waardoor is deze ontstaan? Verklaar de lage pco2. Hoe verklaart u de hyperkaliëmie bij opname? Licht uw antwoord toe. d) Hoe verklaart u de relatief hoge ureumconcentratie bij opname in vergelijking met de kreatinineconcentratie. Noem twee andere oorzaken van een verhoging van de ureum/kreatinine ratio. e) De laboratoriumresultaten bij opname duiden op een acute nierinsufficiëntie. Geef van pre-, intraen postrenale acute nierinsufficiëntie elk twee oorzaken. Wat is naar uw mening de oorzaak voor het nierfalen bij deze patiënt? Antwoorden vraag 2 a) Metabole lactaat acidose door overgroei van darmbacteriën. Op basis van de verlaging van de bicarbonaat concentratie tot 8 mmol/l zou een hogere D-lactaat concentratie verwacht worden dan de gevonden 3,3 mmol/l. De klaring van het D-lactaat door de nieren gaat zo snel dat de verlaging van de bicarbonaat concentratie door het geproduceerde lactaat niet overeenkomt met de gevonden plasmawaarde. b) Salicylaat vergiftiging, diabetische ketoacidose, nierfalen, lactaat acidose, diarree. c) Er is sprake van een metabole acidose deels respiratoir gecompenseerd. Deze kan worden verklaard door veel bicarbonaatverlies via het ileostoma. De hyperkaliëmie kan als volgt worden verklaard. Door de acidose wordt H+ in de lichaamscellen opgenomen en K uitgescheiden. Bij een acidose wordt in de nieren bij de opname van Na+ preferentieel H+ uitgescheiden ten koste van K+. Gebruik van ACE-remmer (lisonipril) veroorzaakt hypoaldosteronisme waardoor de terugresorptie van natrium ten koste van K+ en H+ wordt geremd waardoor de kalium concentratie stijgt. d) Bij nierfalen door volumedepletie zijn zowel de kreatinine en de ureum concentratie verhoogd en is de ureum/kreatinine ratio vaak verhoogd. Deze wordt veroorzaakt door een verhoogde terugresorptie van ureum in de nieren. Een verhoogde ureum/ creatinine ratio wordt ook gevonden bij intestinale bloedingen, een eiwitrijk dieet, brandwonden en weefselbeschadiging en situaties waarbij er sprake is van een verhoogde afbraak van eiwitten zoals bijvoorbeeld bij sepsis en koorts het geval kan zijn. e) Oorzaken van acute nierinsufficiëntie kunnen in het algemeen onderscheiden worden in: - prerenaal: ondervulling (bij shock, acute coronaire syndromen), occlusie nierarterie (o.a. bij embolie, arteriosclerose); - intrarenaal: microangiopathieën, glomerulaire en tubulaire afwijkingen (o.a. bij nefritis, door medicatie, kristallen, paraproteïne en ischemische necrose); - postrenaal: obstructie van urineafvloed (bij stenen, prostaathyperplasie of -tumor). De meest waarschijnlijke oorzaak van acuut nierfalen bij deze patiënt is een verminderde nierdoorbloeding ten gevolge van uitdroging/ondervulling (dus een prerenale acute nierinsufficiëntie). Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009, vol. 34, no. 2 Vraag 3 Een intensivist belt u om commentaar bij laboratoriumresultaten van een patiënt op zijn afdeling. Het betreft een patiënt die opgenomen is met een sepsis. Bloed en liquor kweken zijn inmiddels positief voor N. meningitidis, een meningococ. Het gaat om de volgende resultaten: Test Resultaat Eenheid CH % AP50 <10 % Complement C3 1,2 g/l Complement C4 0,20 g/l a) Interpreteer de resultaten. Vindt u de aanvraag terecht? b) Welk vervolgonderzoek adviseert u? c) Hieronder vindt u vier testen die in uw laboratorium kunnen worden aangevraagd. Geef voor iedere test een voorbeeld van een patiënt waarbij zo n aanvraag terecht geplaatst wordt. 1. C1-esterase remmeractiviteit 2. C1q bindingstest 3. C1q antistoffen 4. Mannose Binding Lectin (MBL) d) In uw laboratorium worden de immuunglobulines turbidimetrisch bepaald op een routine chemieanalyser. Het meetbereik van uw IgA assay is 0,50-8,00 g/l. U wordt gebeld door een arts over een resultaat waarbij IgA < 0,50 g/l is, en de overige immuunglobulines normaal zijn. Hij vraagt u of hij nu mag concluderen dat dit om een selectieve IgA-deficiëntie gaat. Wat antwoordt u en is er eventueel nog onderzoek dat u hem adviseert? U wordt gebeld door een arts van de Spoedeisende hulp. Zij hebben een patiënt gepresenteerd gekregen met symptomen die zouden kunnen passen bij een anafylactische shock, maar zijn DD omvat ook andere zaken. Hij vraagt aan u of u een anafylactische reactie in het laboratorium kunt bevestigen. e) Formuleer uw antwoord aan de arts, en betrek hierin de kanttekeningen bij de bepaling(en). Antwoorden vraag 3 a) De C3, C4 en CH50 zijn normaal. De AP50 toont totaal geen hemolyse, dit betekent dat de complementcascade via de alternatieve route niet verloopt. Omdat de slotfase van de cascade gedeeld wordt met de klassieke route ligt er waarschijnlijk een defect in het eerste stuk van de alternatieve route. Bij volwassenen met een meningococcensepsis is testen van de complementcascade met als doel het opsporen van een complementdeficiëntie gerechtvaardigd. Echter men kan volstaan met een CH50 en AP50. Hiermee test men functioneel veel factoren tegelijkertijd. Het bepalen van geïsoleerde factoren om een complementdeficiëntie op te sporen is omslachtig en moet vermeden worden. 117
4 b) Analyse van de factoren van de alternatieve complementroute die niet gedeeld worden met de klassieke route. Meest voor de hand liggend zijn factor P, I en D. c) 1. Patiënt met angio-oedeem Patiënt met endocarditis (RA, SLE, vasculitis is niet fout te rekenen maar voegt diagnostisch niet echt wat toe) 2. Patiënt met SLE (membranoproliferatieve glomerulonefritis, hypocomplementaire urticariële vasculitis, vasculitis bij RA) 3. Patiënt met recidiverende infecties waarbij een immuundeficiëntie wordt vermoed (Cystic Fibrosis (kortere levensverwachting), AIDS (opportunistische infecties)) d) De ondergrens van 0,5 g/l is onvoldoende laag om een IgA deficiëntie vast te stellen. In de literatuur vindt men verschillende definities van een IgA deficiëntie, maar bij de meeste is de IgA spiegel < mg/l, dus een factor 10 lager. Dit betekent dat om deze vraag te beantwoorden u moet adviseren om een gevoeligere test in te zetten. e) De belangrijkste effector cellen bij een anafylactische reactie zijn mestcellen en basofielen. Zij stoten o.a. tryptase en histamine uit. Beide zaken zijn meetbaar in het laboratorium, maar hierbij dient de kinetiek in ogenschouw genomen te worden. Serum tryptase kent een piek ongeveer 30 minuten na aanvang van de klinische symptomen en heeft vervolgens een halfwaardetijd van ongeveer 2 uur. Dat betekent dat idealiter een serum afname tussen de 15 minuten en 3 uur na aanvang dient te worden afgenomen. Histamine is veel vluchtiger. De piek van serum histamine is al na 5 a 10 minuten na aanvang van de symptomen, en de halfwaardetijd is slechts 2 minuten. Dat betekent dus dat serum histamine in de regel al een half uur na start van de symptomen genormaliseerd kan zijn. Daarom is het handiger om de metabolieten van histamine in de urine te meten, deze zijn langer aanwezig en kunnen tot enkele uren na klinische presentatie gedetecteerd worden. De DD omvat in het algemeen geen zaken die gepaard gaan met tryptase verhogingen (vasovagale reacties, benigne flushing, myocard infarct), daarom ondersteunt een verhoging van het serum tryptase de diagnose. Echter een normaal tryptase sluit een anafylactische reactie niet uit: met name voedsel geïnduceerde anafylaxie hoeft niet gepaard te gaan met tryptase verhogingen. Ook voor histamine geldt dat verhoogde serum spiegels de diagnose anafylaxie ondersteunen, maar dat normale spiegels de diagnose niet uitsluiten. De metabolieten van histamine (N-methylhistamine of N-methylimidazolazijnzuur) zijn circa een uur na reactie in de urine aantoonbaar, hetgeen vraagt om een urine monster 1 a 2 uur na klinische presentatie. Omdat histamine ook onderdeel is van onze voeding (vis, kaas, rode wijn, bepaalde groente) is het soms lastig om de uitslag te interpreteren: daarom is het handig om ook een urine uit een aanvalsvrije periode te laten analyseren als uitgangswaarde. Vraag 4 U krijgt een aanvraag voor koper in serum. Bij navraag heeft de internist een jonge patiënt met neurologische afwijkingen en leverafwijkingen bij wie hij de verdenking Ziekte van Wilson heeft. a) - Vindt u de aanvraag terecht en wat verwacht u van het resultaat? - Adviseert u aanvullend of vervangend onderzoek. Zo ja, wat verwacht u van het resultaat? Serum ceruloplasmine is een van 7 parameters die in een diagnostisch score systeem voor de ziekte van Wilson zit. Behoudens de ziekte van Wilson zijn er nog andere oorzaken voor een verhoogd of verlaagd ceruloplasmine. b) Noem 2 oorzaken voor een verlaagd ceruloplasmine en 2 voor een verhoogd ceruloplasmine. NB. Het mag duidelijk zijn dat de ziekte van Wilson hier niet opnieuw genoemd mag worden. Een gangbare methode om koper in serum of urine te meten is met behulp van atomaire absorptie spectrometrie (AAS). c) Beschrijf kort het principe van deze bepaling. Een bekende alcoholist, man van 37 jaar, komt op de SEH met gegeneraliseerde klachten van pijn in zijn buik en hoofdpijn. Daarnaast voelt hij zich moe en slaapt veel. Er is bij opname geen sprake van oedeem. De man heeft een gelige kleur en heeft een alcoholische foetor. De resultaten van het laboratoriumonderzoek staan in onderstaande tabel. Na 4 dagen krijgt de man oedeem. De MDL arts doet een ascitespunctie en vraagt een Serum-Ascites Albumine gradiënt (SAAG) aan. d) Beschrijf de SAAG bepaling. Leg uit welke differentiaaldiagnose hiermee kan worden beantwoord en geef uw conclusie bij het resultaat van deze patiënt. Wat is het verschil met de klassieke indeling naar transsudaat en exsudaat? Op dag 4 wordt ook een stijgende koorts gemeten. e) Voor welke complicatie is de MDL-arts beducht? Heeft u daar aanwijzingen voor? Zo ja, welke? Test Resultaat Resultaat Eenheid Bij opname op dag 4 Natrium 133 mmol/l Kalium 3,0 mmol/l Glucose, niet nuchter 8,6 mmol/l Albumine g/l Bilirubine, totaal 367 µmol/l Bilirubine, geconjugeerd 290 µmol/l AF 321 U/l GGT 728 U/l ASAT 449 U/l ALAT 80 U/l LD U/l CRP 33 mg/l 118 Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009, vol. 34, no. 2
5 Hemoglobine 7,1 6,9 mmol/l Leukocyten 11,7 11, /l Trombocyten /l Ascites ph 7,96 Glucose 6,9 mmol/l Albumine 7,2 g/l LD 62 U/l Leukocyten 0, /l Antwoorden vraag 4 a) Ja, bij de ziekte van Wilson treedt er koperstapeling op als gevolg van een defect in cellulair koper transport. Ook de incorporatie van koper in het ceruloplasmine is gestoord. Dit betekent dat de serum koperconcentratie meestal evenredig verlaagd is aan de serum ceruloplasmine spiegel. Maar dit geeft al aan dat deze twee eigenlijk altijd gezamenlijk geïnterpreteerd dienen te worden. Dit is dan een indirecte maat voor het serum nietceruloplasmine gebonden koper. De onzekerheden en analytische variaties van beide testen moeten daarbij worden opgeteld, hetgeen resulteert in een matig betrouwbare test voor diagnostisch gebruik die voor het stellen van de diagnose niet aan te bevelen is. Daarnaast is met een verlaagde koper in serum geen onderscheid te maken tussen de ziekte van Wilson en een koperdeficiëntie. Hier is het ceruloplasmine aanvullend bij nodig. Deze is verlaagd bij patiënten met Wilson. b) Verlaagd ceruloplasmine: ziekte van Menke, eiwitmalnutritie, nefrotisch syndroom, eiwitverliezend enteropathie, koper deficiëntie. Verhoogd ceruloplasmine: acute fase respons, zwangerschap, anticonceptie (oestrogenen), koperintoxicatie. c) Bij AAS worden metalen in de geatomiseerde dampfase gebracht door verhitting. Die verhitting kan geschieden door middel van een vlam (vlam-aas) of elektrochemisch in een grafiet oven (vlamloze AAS). De dampfase van de metaalatomen wordt vervolgens in de lichtbundel van een metaal-specifieke holle cathode lamp gebracht. De metaalionen absorberen licht doordat ze geëxciteerd raken. De hoeveelheid geabsorbeerd licht is evenredig met de hoeveelheid specifiek metaal aanwezig in het monster. Door middel van een monochromator wordt bij een specifieke golflengte gemeten. Er is altijd last van achtergrondsignaal waarvoor gecorrigeerd moet worden. Dit kan door middel van een tweede signaal van een niet metaal specifieke lamp of door middel van de Zeemancorrectie (waarbij gebruik gemaakt wordt van de splitsing van atomaire spectraallijnen oiv een magnetisch veld). d) De bepaling van de SAAG bestaat uit de bepaling van albumine in serum (of plasma) en in ascites, met dezelfde methodiek. De waarde van de SAAG is: albumine in serum serum in ascites (g/l). De Serum-Ascites Albumine gradiënt (SAAG) wordt gezien als het beste diagnostische criterium om onderscheid te maken tussen stuwingsvocht ten gevolge van portale hypertensie en ascites niet het gevolg van portale hypertensie, en is bij deze specifieke vraag een beter criterium dan het op totaal Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009, vol. 34, no. 2 eiwit en LD gebaseerde transsudaat/exsudaat onderscheid (Light criteria). Bij een transsudaat is er sprake van ultrafiltratie van bloed, terwijl er bij een exsudaat sprake is van actief gesecerneerd vocht van een ontsteking of uit tumorweefsel. In de onderstaande tabel zijn ziektebeelden aangegeven die kunnen passen bij ascites door t.g.v. portale hypertensie of door andere oorzaken. SAAG >11 g/l past bij portale hypertensie Levercirrose Alcoholische hepatitis Cardiale ascites Vena porta trombose Budd-Chiari syndroom Lever metastasen SAAG <11 g/l Peritoneale carcinomatose Tuberculeuze peritonitis Pancreatische ascites Biliaire ascites Nefrotisch syndroom Serositis Hier is sprake van portale hypertensie. De meest waarschijnlijk oorzaak bij deze patiënt is een levercirrose op basis chronisch alcoholmisbruik. Er is geen evidente alcoholische hepatitis, ALAT is laag, maar dat kan ook gemaskeerd worden in geval van geringe hoeveelheid resterend leverweefsel. e) Bij patiënten met levercirrose bestaat een grote kans op een spontane bacteriële peritonitis (SBP). Er is sprake van een SBP wanneer het aantal granulocyten > 0,25 x 10 9 /l is. Het aantal leukocyten is echter slechts 0,20 x 10 9 /l, waarmee de verdenking niet hard gemaakt kan worden. Naast de granulocytentelling dienen twee van de volgende criteria positief te zijn: - Totaal eiwit > 10 g/l - Glucose < 2,8 mmol/l - LD > 300 U/l Daarnaast zijn uiteraard de kweek en gramkleuring van de ascites noodzakelijk. Vraag 5 Een 39-jarige adipeuze vrouw heeft sinds ongeveer een maand klachten van polyurie en polydipsie. Zij wordt s nachts op de SEH van uw ziekenhuis binnengebracht met een Kussmaulse ademhaling met een frequentie van 30 p/min, terwijl ze sterk naar aceton ruikt. Naast een sterke metabole acidose is er sprake van een hoge bloeddruk: 180/120 mm Hg. Als diagnose wordt een keto-acidotische ontregeling van diabetes mellitus de novo gesteld. De patiënt wordt op de afdeling ICU behandeld, maar ondanks rehydratie, insuline i.v. en kalium suppletie blijft de patiënt fors acidotisch. Daarnaast krijgt de patiënt (ondanks haar hoge tensie) een infuus met hypertoon zout waarop de hyponatriëmie echter niet verbetert. 119
6 Enkele relevante resultaten van de eerste laboratoriumonderzoeken zijn weergegeven in onderstaande tabel. Test 1:55 uur 6:30 uur Eenheid (opname) (na behandeling) Kreatinine 96 µmol/l Ureum 2,5 mmol/l LD 217 U/l Natrium mmol/l Kalium 4,7 4,8 mmol/l Chloride 87 mmol/l Glucose 20,4 19,6 mmol/l Bloedgas ph 7,08 pco2 4,9 kpa po2 11,7 kpa Bicarbonaat (actueel) 2 mmol/l O2-saturatie 98 % Urine Osmolaliteit 568 mosmol/kg a) Leg uit wat het verschil is tussen een hyper-, iso- en hypovolemische hyponatriëmie. Betrek daarbij de verwachte osmolaliteit en natriumconcentratie in urine. b) Bij binnenkomst laat een analist u de laboratoriumresultaten zien. U mist nog een plasma-osmolaliteit en besluit die te berekenen. - Laat zien hoe u dat doet. - Probeer vervolgens aan te geven wat volgens u de oorzaak is van de hyponatriëmie. - Welke vervolgactie heeft u daarbij in gedachten? Een 40-jarige vrouw van Afro-Caribische afkomst waarbij recent de diagnose SLE was gesteld, wordt gezien op de SEH. Sinds 5 dagen braakt ze, heeft ze ernstige diarree en is toenemend zwak. Enkele laboratoriumresultaten: CRP 32 mg/l, ureum 31 mmol/l, kreatinine 423 µmol/l en de kaliumconcentratie is 8,1 mmol/l. De kaliumconcentratie wordt niet gerapporteerd omdat het laboratorium het beleid voert dat K resultaten van hemolytische monsters niet gerapporteerd worden. Haar klinische toestand verslechtert en een dag na opname overlijdt ze plotseling aan een hartstilstand. c) Leg uit wat hier waarschijnlijk aan de hand is geweest en beantwoord de vraag wat uw beleid rondom hemolytische monsters zou zijn. Indien u afwijkt van het beleid van het genoemde laboratorium, moet u dit beargumenteren. Een 15-jarige jongen met overgewicht meldt zich met zijn ouders op de SEH. Hij is volgens zijn ouders opeens verward en slecht aanspreekbaar. Zijn spraak is ook sinds vandaag onduidelijk. De afgelopen week klaagde hij over buikpijn en slechte eetlust. De voorafgaande maanden is hij een aantal kilo afgevallen en had weinig energie. Verder waren er geen bijzonderheden. De eerste laboratoriumresultaten staan in de tabel en zijn 2 uur na presentatie. De patiënt wordt opgenomen en ontvangt een infuus met 0,9% NaCl. Daarnaast wordt insuline toegediend per infuus (0,05 U/kg). De patiënt wordt overgebracht naar de IC en krijgt ruim vocht toegediend, onder continue insulinedrip. Test 2 uur 4 uur 7 uur Eenna presen- na presen- na presen- heid tatie tatie tatie Kreatinine µmol/l Ureum 7,2 7,8 8,4 mmol/l Natrium mmol/l Kalium 5,9 4,9 4,3 mmol/l Chloride mmol/l Glucose mmol/l Bicarbonaat, mmol/l actueel d) Verklaar het verloop van de laboratoriumresultaten op de verschillende tijdstippen. e) Bij patiënten met een diabetische keto-acidose ziet men bij normalisering van de bloedgassen en glucoseconcentraties soms een hypofosfatemie ontstaan. - Geef een verklaring voor het onderliggend mechanisme. - Kunt U benoemen bij welke waarde een hypofosfatemie ernstig is? Antwoorden vraag 5 a) Een hypervolemische hyponatriëmie ontstaat wanneer de retentie van water in de nieren groter is dan de retentie van zout zoals bij congestief hartfalen, levercirrose, nefrotisch syndroom en acuut of chronisch nierfalen. In deze toestand is het urinair natrium normaal tot hoog. De osmolaliteit van urine is isotoon of verlaagd omdat de nieren de situatie trachten te compenseren. Een isovolemische hyponatriëmie treedt op bij een SIADH. Door ADH wordt dan vrij water vastgehouden terwijl de natrium excretie gehandhaafd blijft. De urineosmolaliteit is daarbij hoger dan de serumosmolaliteit en de natriumconcentratie > 20 mmol/l. Een hypovolemische hyponatriëmie treedt op bij renaal of extrarenaal zout- en vochtverlies zoals bij braken of diarree, pancreatitis, brandwonden, acute bijnierinsufficiëntie of uiteraard diuretica. Bij extrarenaal verlies hoort een hypertone urine met een natriumconcentratie < 20 mmol/l, terwijl bij renaal verlies de natriumconcentratie > 20 mmol/l zal bedragen. b) Bij een hyponatriëmie ten gevolge van een ontregelde diabetes zal de plasma-osmolaliteit verhoogd zijn. Echter, de berekende osmolaliteit (2x[Na] + [gluc] + [ureum]) laat een verlaagde plasma-osmolaliteit zien, namelijk 253 mosmol/kg, hetgeen de twijfel moet doen opkomen of de hyponatriëmie adequaat is. Daarnaast laat het infuus met hypertoon zout géén stijging van de natriumconcentratie zien. Dit geeft aan dat er geen sprake is van een 120 Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009, vol. 34, no. 2
7 Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009, vol. 34, no. 2 absoluut natriumtekort. Bij een (ernstig) ontregelde diabetische ketoacidose kan de concentratie triglyceriden sterk verhoogd zijn waardoor er een pseudo hyponatriëmie kan ontstaan. Dit kan alleen optreden als er gemeten wordt met een indirecte ISE-methode. (De triglyceridenconcentratie was overigens 155 mmol/l!). Een vervolgactie kan zijn het monster te ontvetten (centrifuge bij hoog toerental of behandeling met een commercieel verkrijgbaar ontvettingsreagens) om een juist natriumresultaat te krijgen.(de natriumconcentratie bleek 140 mmol/l te zijn.) Ook dient de arts te worden gewaarschuwd om te stoppen met hypertoon zout. c) Vanwege het beleid van dit laboratorium om geen uitslagen van sterk hemolytische monsters door te geven, is bij deze casus een geval van fulminante intravasale hemolyse gemist. Blijkbaar heeft de kliniek deze diagnose niet overwogen en is er niet actief gevraagd naar de kaliumconcentratie. Bij kaliumconcentraties > 6,5 mmol/l treden er al cardiale geleidingsstoornissen op met ECG-veranderingen. Vanaf 8 mmol/l bestaat er een hoog risico op een cardiaal arrest. In 95% van de gevallen ontstaat de hemolyse in de buis door onjuiste afname, centrifugeren, vacuüm, etc. Naar schatting in 5% van de gevallen is er sprake van intravasale hemolyse. Deze casus illustreert een dramatische consequentie van het zonder onderscheid niet rapporteren van hemolytische monsters. Wat kan het lab doen? Er zijn verschillende opties. Standaard een tweede bloedafname is een optie. Als de tweede buis opnieuw sterk hemolytisch is bij normale venapunctie, zou er sprake kunnen zijn van hemolyse in de patiënt en kan dit overlegd worden met de arts. Uitslagen moeten dan gerapporteerd worden, zeker die van kalium en LDH. Er zijn aanwijzingen dat de haptoglobine bepaling nuttig kan zijn om invitro hemolyse van in-vivo hemolyse te onderscheiden. Sommige laboratoria corrigeren resultaten van kalium en LD in hemolytische monsters maar dit mag uitsluitend gebeuren nadat intravasale hemolyse met hoge mate van waarschijnlijkheid is uitgesloten. d) Er is sprake van extreme hyperglycemie en als gevolg daarvan hyperosmolariteit. Dit leidt tot een herverdeling van intra- en extracellulair vocht. Feitelijk zal de concentratie van de elektrolieten en eiwitten dus hoger zijn. Oorzaak van de hyperglycemie zonder ketose is een verminderde insuline-activiteit, niet een totaal gebrek aan insuline. Door het insulinetekort treedt er een celuitwaartse kaliumshift op, die de hyperkaliëmie veroorzaakt. Ureum en kreatinine zullen na correctie voor de osmolariteit ook hoger zijn: nierinsufficiëntie als gevolg van volumedepletie zal een verhoging van zowel ureum als kreatinine geven waarbij in verhouding de ureum wat sterker verhoogd zal zijn. Dat zie je hier niet: een renale component voor de nierinsufficiëntie kun je dus niet uitsluiten. Als gevolg van de insuline zie je de glucose dalen. Door het dalen van de glucose en het toedienen van vocht wordt de osmolariteit van het plasma verlaagd hetgeen resulteert in normalisering van de elektrolieten. Voor het kalium draagt de insulinetoediening bij aan een celinwaartse kaliumshift. Ondanks het feit dat er ruim vocht gegeven wordt lijkt de nierfunctie nog verder te verslechteren. Als gevolg hiervan zal er verminderde tubulaire respons op ADH ontstaan. Hierdoor is de nier steeds minder in staat om te anticiperen op de verhoogde osmolariteit en de volumedepletie en zal er een hypernatriëmie gaan ontstaan. e) Door het normaliseren van de glucoseconcentraties als gevolg van toediening van insuline vindt er een redistributie van fosfaat over de intra- en extra-cellulaire ruimte plaats: er is een celinwaartse beweging van fosfaat. Normaliter leidt dit niet tot een hypofosfatemie, tenzij de patiënt voorafgaand al last had van een fosfaatdepletie. Die depletie kan ontstaan zijn door een voorafgaande periode van verminderde voedselinname of verhoogde uitscheiding in de urine bijv. als gevolg van osmotische diurese. Een plasma/serum fosfaat < 0,30-0,35 mmol/l wordt als ernstig beschouwd. Vraag 6 Geef van onderstaande beweringen aan of ze juist of onjuist zijn en geef een korte toelichting. a) Confirmatie van CDT resultaten bij juridische procedures gebeurt in Nederland met behulp van een HPLC methode. b) De concentratie van een sporenelement in serum dient altijd samen met de concentratie totaal eiwit in serum geïnterpreteerd te worden. c) Een niet-aantoonbare concentratie eiwit in urine, vastgesteld met behulp van een kwantitatieve analyse op basis van benzethoniumchloride of pyrogallolrood, sluit de aanwezigheid van Bence Jones eiwitten in urine uit. d) Een IgA nefropathie is een voorbeeld van een tubulaire proteïnurie. e) Bij auto-immuun pancreatitis is de IgG2 concentratie doorgaans verhoogd. f) Een egfr berekend met de MDRD formule bij een patiënt met acuut nierfalen is een goede afspiegeling van het daadwerkelijk filtrerend vermogen van de nieren. g) Voor het bepalen van een cryoglobuline dient een serumbuis na afname direct op ijs geplaatst te worden en koud afgedraaid te worden. h) Een specifieke IgE concentratie <0,35 ku/l voor een voedselallergeen bij kinderen sluit een voedselallergie uit. i) Bij allergie voor pinda bestaat er een risico van allergische reactie bij het nuttigen van cashewnoten. j) Na een maaltijd is de plasma glucoseconcentratie van een arterieel afgenomen monster hoger dan van een op het zelfde moment afgenomen veneus monster. Antwoorden vraag 6 a) Juist. De HPLC methode volgens Helander is de enige methode die in Nederland geaccepteerd is voor confirmatiedoeleinden. 121
8 b) Juist. Sporenelementen zijn in serum gebonden aan eiwitten. Een lage concentratie eiwit leidt tot een lage concentratie sporenelement in serum. c) Onjuist. De bepalingen voor totaal eiwit in urine zijn niet geschikt om lage concentraties Bence Jones eiwit vast te stellen. Het uitsluiten van de aanwezigheid van Bence Jones eiwitten is mogelijk met een immunochemische bepaling gericht op Bence Jones eiwitten, immuno-electroforese en/of immunofixatie. d) Onjuist. Een tubulaire proteïnurie betekent in het algemeen verlies van laag moleculaire eiwitten. Bij een IgA nefropathie vindt men IgA en complement deposities in de glomeruli en als gevolg daarvan glomerulaire proteïnurie met verlies van ook hoog moleculaire eiwitten. e) Onjuist. Het is zinvol om hier het totaal gehalte aan IgG4 te meten. Dit is vaak verhoogd bij autoimmuun pancreatitis. Insteek moet ook zijn om deze patiënten met immuunsuppressiva te behandelen. f) Onjuist. De MDRD is niet gevalideerd voor patiënten met acuut nierfalen. g) Onjuist. Om te voorkomen dat het cryoglobuline verloren gaat dient het monster na afname juist te stollen bij 37 C, en ook warm afgedraaid te worden. Vervolgens is het aldus verkregen serum het juiste uitgangsmateriaal dat koud gezet kan worden om een cryoglobuline te laten precipiteren. h) Onjuist. Een concentratie <0,35 ku/l kan bij heel jonge kinderen (<6 maanden) wel degelijk aanleiding geven tot een voedselallergie; 50% reageert al bij een specifiek IgE van 0,3 ku/l. i) Onjuist. Pinda is een peulvrucht en behoort niet tot de klasse van noten. j) Juist, een arterieel monster kan vlak na een glucose belasting meer dan 1 mmol/l hoger zijn dan een veneus monster. Referentiewaarden Test Referentiewaarde Eenheid ALAT < 35 U/l Albumine g/l AF < 120 U/l AP % ASAT < 30 U/l Bilirubine, totaal < 20 µmol/l Bilirubine, geconjugeerd < 5 µmol/l BNP < 100 ng/l Calcium 2,20-2,60 mmol/l CH % Chloride mmol/l CK < 160 U/l Complement C3 0,90-1,8 g/l Complement C4 0,10-0,40 g/l CRP < 5,0 mg/l Fosfaat 0,70-1,40 mmol/l GGT < 50 U/l Glucose, niet nuchter < 7,8 mmol/l Glucose, nuchter 3,6-5,6 mmol/l Hemoglobine (m) 8,5-11,0 mmol/l Hemoglobine (v) 7,5-10 mmol/l Kalium 3,5-4,5 mmol/l Ketonen neg. mmol/l Kreatinine (m) µmol/l Kreatinine (v) µmol/l L-lactaat < 2,0 mmol/l D-lactaat neg. mmol/l LD < 490 U/l Leukocyten 4, /l Magnesium 0,70-1,00 mmol/l Natrium mmol/l Trombocyten /l Troponine-I < 0,03 µg/l Ureum 2,5-6,7 mmol/l Bloedgas ph 7,35-7,45 pco2 4,7-6,0 kpa po ,3 kpa Bicarbonaat, actueel mmol/l Base excess -2,0-3,0 mmol/l Anion gap 7-17 meq/l O2-saturatie > 95 % Urine Osmolaliteit mosmol/kg Ketonen neg. D-lactaat neg. mmol/l 122 Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009, vol. 34, no. 2
Allemaal Beestjes. Eline van der Hagen Kcio 15 juni 2017
Allemaal Beestjes Eline van der Hagen Kcio 15 juni 2017 Voorgeschiedenis Vrouw, 68 jaar Diabetes type 2 (1995), hypertensie (2010), chronische nierinsuffiëntie (2012) Presentatie op de SEH In de nacht
Referentiewaarden Klinische Chemie Eenheid Hond Kat Eiwitten Eenheid Hond Kat Pancreas Darm Eenheid Hond Kat Bloedgassen Eenheid Hond Kat
Klinische Chemie Eenheid Hond Kat Ureum mmol/l 3,0 12,5 6,1 12,8 Ureum (nuchter) mmol/l 2,1 8,4 Kreatinine µmol/l 50 129 (70+0,7xL,gew,) 76 164 Glucose (nuchter) mmol/l 4,2 5,8 3,4 5,7 Fructosamine µmol/l
Diabe&sche ketoacidose. Diana Jansen, ANIOS IC 6 maart 2015
Diabe&sche ketoacidose Diana Jansen, ANIOS IC 6 maart 2015 Casus 38- jarige man VG: blanco Buiten bewustzijn aangetroffen, onduidelijk of hij voordien klachten had Bij verdenking hypoglycemie in ambulance
Hyperglycemie Keto-acidose
Hyperglycemie Keto-acidose Klinische les Marco van Meer SJG 20 06 2007 (acute) ontregeling van diabetes Doel Op het einde van mijn presentatie is jullie kennis over glucose huishouding en ketoacidose weer
Referentiewaarden. 1/11 Documentnummer 314, versie 44
A AAT 0,9-2,0 g/l ALAT m < 45 U/l v < 34 Albumine 35-50 g/l Albumine/kreatinine ratio m < 2,5 v < 3,5 Alkalische fosfatase 0-14 d < 248 U/l 15 d - 1 j < 470 1-10 j < 335 10-13 j < 417 m 13-15 j < 468 m
Hartfalen dubieus. Hartfalen onwaarschijnlijk
Referentiewaarden Klinische Chemie Datum: 01-07-2012 BLOED Naam Referentiewaarde Eenheid 1-Antitrypsine 0,80 2,00 g/l 1-Foetoproteïne (AFP) < 6,0 ku/l ACE 0 2 jaar 8 109 IU/L 3 7 jaar 12 99 IU/L 8 14 jaar
Op hoop van zegen Johan de Vries
Op hoop van zegen Johan de Vries Klinisch chemicus Kennisplatform Transfusiegeneeskunde 30 maart 2017 Maxima Medisch Centrum, Veldhoven Inhoud Casus 1: Het gaat goed Casus 2: Het gaat goed fout Beschouwing
Nierinsufficiëntie bij DM en CVRM
Nierinsufficiëntie bij DM en CVRM Dr. Tom Geers, internist - nefroloog en opleider St. Antonius ziekenhuis Nieuwegein Nierfunctie beloop met de leeftijd 1 Hoge sterfte bij dialyse patiënten Prevalentie
Bloedgasanalyse. Doelstelling. Bloedgasanalyse. 4 mei 2004 Blad 1. Sacha Schellaars IC centrum UMC Utrecht. Zuur base evenwicht Oxygenatie
Bloedgasanalyse Sacha Schellaars IC centrum UMC Utrecht Doelstelling De student kan de 4 stoornissen in het zuurbase evenwicht benoemen. De student kan compensatiemechanismen herkennen en benoemen. De
Levensbedreigende hyponatriëmie. J.G. van der Hoeven UMC St Radboud, Nijmegen
Levensbedreigende hyponatriëmie J.G. van der Hoeven UMC St Radboud, Nijmegen 1 U meet een lage plasma [Na + ] - waarom? Concentratie = Totaal Na + in extracellulaire ruimte 2 U meet een lage plasma [Na
Transmurale Afspraak Nierfunctiestoornis. 30 september 2010
Transmurale Afspraak Nierfunctiestoornis 30 september 2010 Onderwerpen 1. Definitie 2. Prevalentie 3. Richtlijnen 4. Diagnostiek 5. Preventie nierfunctieverlies 6. Behandeling metabole complicaties 7.
Deze procedure beschrijft de medische aanpak bij het optreden van diabetische ketoacidose of hyperglycemische hyperosmolaire ontregeling.
1. Samenvatting Deze medische procedure beschrijft de evaluatie, behandeling en opvolging bij diabetische ketoacidose of hyperglycemische hyperosmolaire ontregeling bij volwassen patiënten. 2. Inleiding/doel
Bloedgassen. Homeostase. Ronald Broek
Bloedgassen Homeostase Ronald Broek Verstoring Homeostase Ziekte/Trauma/vergiftiging. Geeft zuur-base en bloedgasstoornissen. Oorzaken zuur-base verschuiving Longemfyseem. Nierinsufficientie Grote chirurgische
Referentiewaarden. KLINISCHE CHEMIE Bepaling Eenheid Leeftijd / geslacht. Referentie waarden. Bronvermelding
Referentiewaarden REFER002 Referentiewaarden overzicht intern Pagina 1 van 5 KLINISCHE CHEMIE Referentie waarden natrium mmol/l 135-145 NVKC consensus kalium (plasma!) mmol/l 3.5-4.8 Diagnostisch Kompas
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Zuyderland Medisch Centrum Locatie Heerlen Datum:
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Zuyderland Medisch Centrum Locatie Heerlen Datum: 01.03.2018 BLOED α1-antitrypsine 0,90 2,00 g/l α1-foetoproteïne (AFP) < 5,8 k ACE 0 2 jaar
Nefrotisch syndroom Symptomen
Nefrotisch syndroom Het Nefrotisch Syndroom (NS) is een zeldzame aandoening van de nieren. Het is geen ziekte op zich, maar een combinatie van ziekteverschijnselen (symptomen) die samen optreden. Verschillende
Algemene Klinische Chemie
b. Het kind heeft een ernstige anemie, welke normocytair is gezien de leeftijd van de patiënt. Een licht ijzergebrek kan deze anemie niet verklaren. De respons van het beenmerg op de anemie is onvoldoende,
NIERFUNCTIE STOORNISSEN juni 2015
INTERLINE NIERFUNCTIE STOORNISSEN juni 2015 Inleiding Leden werkgroep: Mevrouw H.P.E. (Hilde) Peters, internist-nefroloog De heer J. (Joan) Doornebal, internist-nefroloog Mevrouw M.P.E. (Ria) Couwenberg,
Uitzonderingen interne afdelingen. Deze afdelingen worden nooit gebeld* IC, REC, SEH, EHH, OK IC, REC, SEH, EHH, OK.
CDL: doorbelgrenzen Pagina 1 van 5 Hematologie Kenmerk patiënt Patiënt is bekend # of onbekend^ met afwijkende bepaling Bepaling Interne Doorbelgrens* Uitzonderingen interne Deze worden nooit gebeld* Poliklinische
Refeedingsyndroom in de Oncologie Marleen Ariëns en Esther Heijkoop Diëtisten
Refeedingsyndroom in de Oncologie Marleen Ariëns en Esther Heijkoop Diëtisten 2015 Agenda Historie Ondervoeding en oncologie Refeeding Casus tijdens de presentatie 1ste lijn Refeeding? Historie Belegeringen
DIABETISCHE NEFROPATHIE
DIABETISCHE NEFROPATHIE Onderdeel van de micro-angiopathie bij diabetes mellitus. Insuline-afhankelijke DM 30% vd ptn krijgt nefropathie Niet-insuline-dependente DM 5% vd ptn Pathogenese: Meerdere factoren
Casus 5. Kavita Ramdien, Rob Vermond, Jurre Stens
Casus 5 Kavita Ramdien, Rob Vermond, Jurre Stens Inleiding casus 5 U gaat als co-assistent mee met de ambulance die gewaarschuwd is door de buren (die een sleutel hebben) van een 70-jarige man, die zij
De#Lever# Dr.#(H.J.)#Eric#Vermeer## specialist#klinische#chemie#
De#Lever# Dr.#(H.J.)#Eric#Vermeer## specialist#klinische#chemie# 1=rechter leverkwab, 2=linker leverkwab, 3=lobus caudatus, 4=lobus quadratus, 5=leverslagader en poortader, 6=leverlymfklieren, 7=galblaas
Analyse van het Z-B evenwicht Stewart methodiek
Analyse van het Z-B evenwicht Stewart methodiek Fellowonderwijs Intensive Care UMC St Radboud De relatie tussen ph en [H + ] ionen 300 250 [H + ] nmol/l 200 150 100 50 0 6,4 6,6 6,8 7 7,2 7,4 7,6 7,8 ph
Lithium bij ouderen, wat als de nierfunctie verslechtert?
Lithium bij ouderen, wat als de nierfunctie verslechtert? KenBis Maart 2017 Anna Krikke, psychiater Inleiding Inleiding Lithium, indicaties, bijwerkingen Richtlijn Renale bijwerkingen chronisch lithium
Waarom aandacht chronische nierschade (CNS)? CNS. Controle nieren: meer dan albumine en kreatinine. Dr. Wim JC de Grauw. MDRD vs kreatinine klaring
MDRD vs kreatinine klaring Controle nieren: meer dan albumine en kreatinine Dr. Wim JC de Grauw Huisarts Afd. Eerstelijnsgeneeskunde UMC St. Radboud Nijmegen Diabetes Huisartsen Adviesgroep (DiHAG) Lid
Disclosure belangen spreker. (poten'ële) belangenverstrengeling
Disclosure belangen spreker (poten'ële) belangenverstrengeling Geen Diagnose nieuwe diabeet: (h)erkennen is van levensbelang! W.H.Stokvis- Brantsma, kinderarts- endocrinoloog Diabeter Petra Schram, kinderarts
Presentatie Casus 1b. Victoria Janes & Yvonne Poel
Presentatie Casus 1b Victoria Janes & Yvonne Poel Casusbeschrijving Vrouw: 55 jaar wordt door de ambulance naar de SEH gebracht, waar u als arts-assistent assistent werkzaam bent. Dezelfde ochtend heeft
Zuurbase evenwicht. dr Bart Bohy http://www.medics4medics.com
Zuurbase evenwicht 1 Zuren 2 Base 3 4 5 6 7 oxygenatie / ventilatie 8 9 Arteriële bloedgaswaarden Oxygenatie PaO2: 80-100mmH2O SaO2: 95-100% Ventilatie: PaCO2: 35-45mmHg Zuur-base status ph: 7.35-7.45
Referentiewaarden (nieuw per januari 2012)
Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie Referentiewaarden (nieuw per januari 2012) Dienstdoende klinisch chemicus #11-3510 Centrale Balie 58826 Bloedtransfusie 57672 Polilaboratorium AZU 57667 Polilaboratorium
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Zuyderland Medisch Centrum Locatie Heerlen Datum: 12-07-2016 BLOED Naam Referentiewaarde Eenheid α1-antitrypsine 0,80 2,00 g/l α1-foetoproteïne
REFERENTIEWAARDEN (vanaf 1 maart 2013)
Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie REFERENTIEWAARDEN (vanaf 1 maart 2013) Dienstdoende klinisch chemicus #11-3510 Centrale Balie 58826 Bloedtransfusie 57672 Polilaboratorium AZU 57667 Polilaboratorium
Wijzigingen laboratoriumbepalingen ten opzichte van de richtlijn 2006
RICHTLIJN LABORATORIUMBEPALINGEN EN PERIODIEK ONDERZOEK BIJ STABIELE CHRONISCHE HD EN PD PATIËNTEN Wijzigingen laboratoriumbepalingen ten opzichte van de richtlijn 2006 - Bepaling van de aluminiumspiegel
Chronische Nierschade
Chronische Nierschade Uitingen nieraandoeningen: Verlies van eiwit via de urine, albuminurie Specifieke sedimentsafwijkingen Afname van de glomerulaire filtratiesnelheid Micro-albuminurie: In een willekeurige
Metabole acidose. Bob Zietse 15 december 2016
Metabole acidose Bob Zietse 15 december 2016 ACID-BASE BALANCE langzaam volledig Metabole verstoring Compensatie renaal ph = pk + 10 log [HCO3-] 0.03 * pco 2 Respiratoire verstoring Compensatie ventilatie
REFERENTIEWAARDEN (vanaf 1 januari 2015)
Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie REFERENTIEWAARDEN (vanaf 1 januari 2015) Dienstdoende klinisch chemicus 73510 Centrale Balie 58826 Bloedtransfusie 57672 Polilaboratorium AZU 57667 Polilaboratorium
REFERENTIE-INTERVALLEN (vanaf 1 juni 2018)
Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie REFERENTIE-INTERVALLEN (vanaf 1 juni 2018) Dienstdoende klinisch chemicus 73510 Centrale Balie 58826 Bloedtransfusie 57672 Polilaboratorium AZU 57667 Polilaboratorium
Bijwerkingen op de nier. Patricia van den Bemt Lareb Bijwerkingendag 20-11-2014
Bijwerkingen op de nier Patricia van den Bemt Lareb Bijwerkingendag 20-11-2014 Belangrijkste aandoeningen Acuut nierfalen Pre-renaal Renaal Post-renaal Nefrotisch syndroom Chronisch nierfalen Acuut nierfalen
KLINISCHE CHEMIE. REFER002 Referentiewaarde Overzicht intern Klinische Chemie /H.v.I./Versie1. referentie waarden.
REFER002 Referentiewaarde Overzicht intern Klinische Chemie KLINISCHE CHEMIE 03012012/H.v.I./Versie1 waarden bronvermelding natrium mmol/l 135-145 NVKC consensus kalium (plasma!) mmol/l 3.5-4.8 Diagnostisch
Referentiewaarden. Klinische Chemie, Hematologie en Endocrinologie
Klinische Chemie, Hematologie en Endocrinologie Afdeling Klinische Chemie Afdeling Inwendige Geneeskunde: Diagnostisch Laboratorium Endocrinologie Chemie 2 Klinische chemie: blz 29 t/m 43 Hematologie:
Algemene klinische chemie 2003
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2004; 29: 103-109 Examens Algemene klinische chemie 2003 Vraag 1 Een neurologe in uw ziekenhuis doet een aanvraag voor IgG in liquor. U rapporteert een IgG-index. In uw
Workshop anamnese afnemen
Workshop anamnese afnemen Workshop anamnese afnemen l Carolien Vianen l Jeroen Martijn Plette l Annelies Epping Inhoud workshop l Anamnese in 3 onderdelen: 1. - Kennismaking - Observatie - Klacht waarmee
Reflecterend testen in de huisartsenpraktijk. Rein Hoedemakers / Peter van t Sant Klinisch chemici
Reflecterend testen in de huisartsenpraktijk Rein Hoedemakers / Peter van t Sant Klinisch chemici Wat kunt u verwachten? Wat is reflecterend testen? Waarom reflecterend testen? Voorbeelden uit de praktijk.
Referentiewaarden Eerste druk, 2008. Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Apeldoorn, Zutphen
Referentiewaarden Eerste druk, 2008 Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Apeldoorn, Zutphen Gelre ziekenhuizen Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium, Apeldoorn Albert Schweitzerlaan 31 Postbus
Chemie. Materiaalcodes:
Chemie Materiaalcodes: BAL = broncho-alveolaire lavage Bs = stolbloed Bc = citraatbloed Be = EDTA-bloed Bh = heparinebloed Bm = beenmerg F = feces L = liquor Lu = uitademingslucht N = navelstrengbloed
Osmo- en volumeregulatie
Osmo- en volumeregulatie De water- en zouthuishouding van het lichaam Anne Lohuis - 7 Februari 2013 Doelstelling Het verduidelijken van twee belangrijke functies van het menselijk lichaam, met daar aan
bloedgassen Snelle interpretatie
bloedgassen Snelle interpretatie Wat is de Ph Het aantal waterstofionen (H+) geteld per ml water. Hoeveel waterstofionen komen er bij een reactie vrij of gaan er verloren en/of hoeveel waterstofionen worden
Acuut nierfalen bij Stafylococcus aureus endocarditis. IC-bespreking 4-1-2015 Rafke Schoffelen Internist in opleiding
Acuut nierfalen bij Stafylococcus aureus endocarditis IC-bespreking 4-1-2015 Rafke Schoffelen Internist in opleiding Casus Man 70 jaar VG: AF, CABG, mitralisring A/ Sinds 2 dagen dyspneu, misselijk, dorst,
BSD september 2014. Huisarts: Pauline Heijstee Meggy van Kruijsdijk Nefroloog: Watske Smit Jaap Beutler
BSD september 2014 Huisarts: Pauline Heijstee Meggy van Kruijsdijk Nefroloog: Watske Smit Jaap Beutler Casuïstiek chronische nierschade Wat kan de huisarts Wanneer consultatie nefroloog Wanneer verwijzing
Algemene klinische chemie
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2007; 32: 110115 Tentamens Algemene klinische chemie Vraag 1 Een man van 58 jaar met in de voorgeschiedenis een beenmergtransplantatie vanwege een chronische myeloïde
RICHTLIJN BASISPAKKET LABORATORIUMBEPALINGEN BIJ STABIELE CHRONISCHE CENTRUM HEMODIALYSEPATIËNT EN PERITONEALE DIALYSEPATIËNT
RICHTLIJN BASISPAKKET LABORATORIUMBEPALINGEN BIJ STABIELE CHRONISCHE CENTRUM HEMODIALYSEPATIËNT EN PERITONEALE DIALYSEPATIËNT De richtlijn bevat aanbevelingen van algemene aard. Het is mogelijk dat in
Patiënteninformatie. Diabetische ketoacidose
Patiënteninformatie Diabetische ketoacidose Inhoud Inleiding... 3 Informatie over ziektebeeld diabetische ketoacidose... 3 Leer meer over DKA en bloedketonencontrole... 3 Symptomen... 4 Wie riskeert de
Elektrolytstoornis tijdens ALS. samenstelling: Pim Keurlings, arts SEH
Elektrolytstoornis tijdens ALS samenstelling: Pim Keurlings, arts SEH Inhoudsopgave Doelstelling Context: 4 H s en 4 T s Kalium Hyperkaliëmie Hypokaliëmie Samenvatting Vragen/discussie Doelstelling Inzicht
28-10-2010. Leefregels en voorlichting bij chronische nierschade. Welkom bij workshop 3 leefregels en voorlichting bij chronische nierschade
Welkom bij workshop 3 leefregels en voorlichting bij chronische nierschade Kathy Schoenmakers, nursepractitioner Hagaziekenhuis Anneke Boon, diabetesverpleegkundige SHG Annick Linders, huisarts SHG Leefregels
015-260 5095 0181 690109 [email protected]
Betreft: Wijzigingen in testen Beste Collegae, Graag informeert de vakgroep klinische chemie u over onderstaande wijzigingen per 1 september a.s. Per 1 september aanstaande zal het klinisch chemisch en
Refaja Ziekenhuis Stadskanaal. Kind met diabetes en intensieve therapie. Algemene informatie voor kind en ouders
Kind met diabetes en intensieve therapie Algemene informatie voor kind en ouders KIND MET DIABETES EN INTENSIEVE THERAPIE ALGEMENE INFORMATIE VOOR KIND EN OUDERS INLEIDING Je bent voor de behandeling van
Aan: Opleiders Inwendige Geneeskunde Regio Amsterdam II. Geachte collegae,
Aan: Opleiders Inwendige Geneeskunde Regio Amsterdam II Geachte collegae, Op 27 september is de ROIG over nefrologie gepland. Bij deze ontvangt u het programma. Het is de bedoeling dat een AIOS uit het
Tiener met abdominale klachten. Pauline Naessens ASO Pediatrie
Tiener met abdominale klachten Pauline Naessens ASO Pediatrie Oproep 14-jarig meisje Koorts tot 42 C Braken en waterige diarree Collaps Presentatie A : Vrije luchtweg B : AF 25/min, Kussmaul-ademhaling,
Het Refeeding Syndroom
Het Refeeding Syndroom Presentatie t.b.v. symposium Voeding op leeftijd Neeltje Nabuurs, diëtist 29 september 2016 Waarom? 14-15% ondervoed op 1 e opnamedag (meting NPOZ 2015) Refeeding kan fatale gevolgen
Inhoud Presentatie. Femke Mensen, diëtist. Definitie voedingstoestand
Inhoud Presentatie ingebouwd in Epic Femke Mensen Diëtist nefrologie Wie ben ik? Voedingstoestand Aanleiding Wat is de? in Elektronisch dossier Epic inbouwen, hoe ziet dat eruit? Disclosure belangen spreker
Chronische nierschade A. van Tellingen. Smeerolie voor de poli 2015
Chronische nierschade A. van Tellingen Smeerolie voor de poli 2015 Wie dient verwezen te worden? 52-jarige vrouw met diabetische nefropathie: MDRD 62 ml/min/1.73m 2 en albuminurie 28 mg/l? 68-jarige man:
NIERFUNCTIE STOORNISSEN juni 2015 ACHTERGRONDEN BIJ DE CASUSSCHETSEN INCLUSIEF LEERDOELEN EN STELLINGEN
INTERLINE NIERFUNCTIE STOORNISSEN juni 2015 ACHTERGRONDEN BIJ DE CASUSSCHETSEN INCLUSIEF LEERDOELEN EN STELLINGEN Inleiding Leden werkgroep: Mevrouw H.P.E. (Hilde) Peters, internist-nefroloog De heer J.
Diabetes en ketonen. Naar het ziekenhuis? Lees eerst de informatie op
Diabetes en ketonen Naar het ziekenhuis? Lees eerst de informatie op www.asz.nl/brmo. Inleiding Mensen met diabetes type 1 hebben een grotere kans op het krijgen van een zogeheten ketoacidose. Bij een
Zuur-base evenwicht Intoxicaties. J.G. van der Hoeven UMC St Radboud, Nijmegen
Zuur-base evenwicht Intoxicaties J.G. van der Hoeven UMC St Radboud, Nijmegen 1 Casus Vrouw 21 jaar - recente diagnose leukemie Opname koorts, dyspneu en hypotensie T 41 0 C - pols 135 - RR 80/40 - AF
BRRRRRRRuin Serum. MMC Eindhoven 26 maart 2015
BRRRRRRRuin Serum MMC Eindhoven 26 maart 2015 Casus 1 Jongen, 2 jaar Overplaatsing uit ander ziekenhuis Sinds een week algehele malaise; minder eetlust, koorts. Eenmalig braken; bloederige diarrhee gehad
Topics in Chronic Disease. Chronische Nierschade en de huisarts
Topics in Chronic Disease Chronische Nierschade en de huisarts Toets Nierinsufficiëntie Casus Metabole stoornissen Vervolg casus Nabespreking toets Nierinsufficiëntie komt bij ruim 10% van de Nederlandse
Nascholing verpleegkundig specialisten oncologie De Lever: anatomie, leverschade en leverfunctie
Nascholing verpleegkundig specialisten oncologie De Lever: anatomie, leverschade en leverfunctie GJ (Geert) Bulte, MDL-arts i.o. Jeroen Bosch ziekenhuis, s Hertogenbosch donderdag 19-6-2014 5x leverfuncties
Hyperglycemischeketoacidosebij hoogzwangere.
Hyperglycemischeketoacidosebij hoogzwangere. patient 34 jarige dame G3P1, : 37 wkn2d Voorgeschiedenis: DM type 1 sinds 1983 1 miskraam in 1999 Start insulinepomp 1999 1 ste kindje in 2009 HbA1c 2010: 8.9%,
Vroege diagnose van nieraandoeningen met behulp van urine onderzoek bij katten
Vroege diagnose van nieraandoeningen met behulp van urine bij katten Methode en interpretatie van de resultaten Ontwikkeld in samenwerking met Tjerk Bosje, Specialist Interne Geneeskunde Inleiding Chronische
Informatie over laboratoriumdiensten van het Antonius Ziekenhuis. - eerstelijnsaanvragers -
Informatie over laboratoriumdiensten van het Antonius Ziekenhuis - eerstelijnsaanvragers - Versie 1. Juni 2015 1. Algemeen 2. Klinisch chemici & medisch leider trombosedienst Dr. D. Hardeman 0515-488503
AKL mededelingen 2009-25
AKL mededelingen 2009-25 AKL mededelingen: ook vindbaar op Internet (Algemeen) Behalve op het Intranet van het Elkerliek ziekenhuis zijn alle AKL mededelingen ook vindbaar op Internet. Kies hiervoor op
Verder bordurend op bovenstaande. Je koos optie 2 en herhaalde de tensie en MDRD na 3 maand: MDRD nog steeds 50 ml/min; RR 140/85.
Casusschets 1 De heer. H. is 55 jaar. Hij is bekend met DM type 2, goed gereguleerd met metformine en tolbutamide. De bloeddruk heb je recent een paar keer achter elkaar gemeten en bedroeg gemiddeld 150/90.
Referentiewaarden (nieuw per augustus 2010)
Referentiewaarden (nieuw per augustus 2010) Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie Centrale Balie tst 58826 Sectie Bloedtransfusie tst 57672 Polilaboratorium AZU tst 57667 Polilaboratorium WKZ tst
Urine onderzoek door de internist-nefroloog
Urine onderzoek door de internist-nefroloog Soesterberg, 14 maart 2018 Dr YWJ Sijpkens, internist Haaglanden Medisch Centrum, Den Haag Cruquius museum Heemstede Hoeveelheid urine per dag? Hoeveelheid urine
Ketoacidose: caveats en pitfalls
Ketoacidose: caveats en pitfalls Katelijn Decochez, Karlien Francois, Brigitte velkeniers 3 december 2010 Definitie Hyperketonemie + Metabole acidose + Hyperglycemie Epidemiologie Mortaliteit 5 à 10% in
Angiografie. Röntgenonderzoek van de bloedvaten
Angiografie Röntgenonderzoek van de bloedvaten Inhoudsopgave 1 Inleiding... 1 2 Wat is een angiografie?... 1 3 Voorbereiding thuis... 2 4 Opname... 2 5 Voor het onderzoek... 3 6 Tijdens het onderzoek...
Regeling extreme uitslagen
Doorbelgrenzen extreme uitslagen Certe-KCL voor MCL, Noorderbreedte, Tjongerschans, huisartsen en verloskundigen geldig per 1 oktober 2013. Deze lijst wordt gehanteerd door het Certe-KCL en is goedgekeurd
Workshop chronische nierschade. Adry Bakker Diepenbroek Bettie Hoekstra
Workshop chronische nierschade Adry Bakker Diepenbroek Bettie Hoekstra Mevr. Muis 73 jaar Voorgeschiedenis: diabetes mellitus type 2 hartfalen regelmatig urineweginfecties, 2x pyelonefritis aspecifieke
De resultaten van een bloedonderzoek moeten altijd zeer kritisch bekeken worden.
Klinisch - chemisch bloedonderzoek INLEIDING Bloedonderzoek is in veel gevallen een onmisbare mogelijkheid om de juiste diagnose te stellen. Bovendien kunnen we via bloedonderzoek het effect van onze behandeling
hoofdstuk één hoofdstuk twee
Dit proefschrift beschrijft onderzoek naar hemolytische foetale bloedarmoede en foetale hydrops. Hemolytische foetale bloedarmoede ontstaat door afbraak van rode bloedcellen. Foetale hydrops betreft het
Versie: 038 Geldig vanaf: 23/10/2015. Referentiewaarden O.5.08/01a
a1-antitrip. Volw. 0,9 2 0,9 2 g/l 3-5 ACE Angiotensine conv.enzyme Volw. 20 70 20 70 U/l 3-5 ALAT Volw. 5 45 5 35 IU/l 0-3 Alatop Inhalatiescreening neg neg 0-3 Albumine/kreat ratio urine Volw. 0 2,5
DOORBELGRENZEN KCL. Test. : Albumine (HP) Eenheid. : g/l. Man. Vrouw. per: Test : APTT (CP) Eenheid. : sec. Man. Vrouw. per:
Albumine (HP) g/l AD < 20 < 20 APTT (CP) sec AD > 100 > 100 Blasten (EB) per 19-3-2013 AD > 0 > 0 Carbamazepine (SE) AD > 12 > 12 Calcium (HP) AD < 1.8 / > 3.2 < 1.8 / > 3.2 CK (HP) E/l AD > 5000 > 5000
Nederlandse Samenvatting
Nederlandse Samenvatting Het aantal mensen met een gestoorde nierfunctie is de afgelopen decennia sterk toegenomen. Dit betekent dat er steeds meer mensen moeten dialyseren of een niertransplantatie moeten
Adreno Corticotroop Hormoon (ACTH) pmol/l EDTA-bloed K2E ml Certe locatie Leeuwarden 1 week
Omschrijving test LOINC Referentiewaarde Afnamemateriaal Afnamemateria Minimale Uitvoering bij Certe-locatie in: Doorlooptijd al buiscode hoeveelheid Adreno Corticotroop Hormoon (ACTH) 14674-6 1.6-13.9
Tentamen Basisjaar Klinische Chemie 2014
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2014; 39: 270-281 Tentamen Basisjaar Klinische Chemie 2014 Tentamen deel 1: Casuïstiek Casus 1 Een verwarde, niet-adequaat reagerende, 27-jarige patiënt is binnengebracht
Water, elektrolyten en zuur-base balans. Verdeling en compositie van lichaamsvloeistoffen
Water, elektrolyten en zuur-base balans Clinical Medicine Kumar & Clark (hoofdstuk 13 in de 8e druk, hoofdstuk 9 in de 9e druk) Verdeling en compositie van lichaamsvloeistoffen Het lichaamsgewicht van
Nederlandse samenvatting
Nederlandse samenvatting 138 Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting Een belangrijke functie van de nier is het uitscheiden van afvalstoffen via de urine. Grote hoeveelheden water en kleine stoffen
Een ernstige metformine intoxicatie
1 Een ernstige metformine intoxicatie M. Olde Bekkink & A. Esselink AIOS Interne geneeskunde 12 april 2013 2 Casus 43 jarige patiënte RvO/ Metformine intoxicatie Voorgeschiedenis Diabetes mellitus type
Jodiumhoudende contrastmiddelen in bloedvat
RADIOLOGIE Jodiumhoudende contrastmiddelen in bloedvat U krijgt binnenkort een onderzoek bij de afdeling radiologie waar een jodiumhoudende contrastmiddel wordt gebruikt. Dit contrastmiddel wordt in een
Nierschade Acute nierschade Klachten acute nierschade
Nierschade Vaak is er sprake van chronische Doordat er in het begin weinig tot geen klachten zijn, kan het lange tijd onopgemerkt blijven. Nierschade kan ook plotseling ontstaan: acute Als acute nierschade
Dr. Jenny Buijtels, specialist interne geneeskunde
Dr. Jenny Buijtels, specialist interne geneeskunde Presentatie Dia s en casussen die ook voorkomen in de workshop vloeistoftherapie en dwangvoeding Zo indruk van hoe de workshop is opgebouwd Verantwoordelijkheid
Eiwitexcretie kan worden bepaald na kort verblijf in metabole kooi
Eiwitexcretie kan worden bepaald na kort verblijf in metabole kooi Ilse Kion, Jürgen W. A. Sijbesma, Aren van Waarde Afdeling Nucleaire Geneeskunde en Moleculaire Beeldvorming, Universitair Medisch Centrum
CNE vasculaire zorg, 18 maart 2014 Dieetadviezen bij chronische nierschade
CNE vasculaire zorg, 18 maart 2014 Dieetadviezen bij chronische nierschade Sanne Huisman, diëtist Inhoud Dieetadviezen bij nierfunctiestoornissen: Verwijzen Doelstelling behandeling diëtist Dieetkenmerken
Ontstekingsparameters in de huisartspraktijk. Warffum 2012
Ontstekingsparameters in de huisartspraktijk Warffum 2012 Onderwerpen CRP, bezinking of beide CRP bij acuut hoesten CRP sneltest voor andere indicaties? CRP, bezinking of beide? Indicaties - infectie/ontsteking
Valkuilen bij interpretatie van HbA1c
Valkuilen bij interpretatie van HbA1c In de beoordeling van de diabetescontrole van onze patiënten met diabetes type 2 speelt de uitslag van het HbA1c een belangrijke rol. Dat is ook het geval bij de beslissing
Richtlijn Diabetes Mellitus de novo. Datum: Auteur: M. Dousma, kinderarts NWZ
Richtlijn Diabetes Mellitus de novo Datum: 31-08-2018 Auteur: M. Dousma, kinderarts NWZ Doel het zo snel mogelijk stellen van de diagnose diabetes, de typering en de ernst van de metabole ontregeling door
