Algemene klinische chemie 2003
|
|
|
- Emma van Loon
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2004; 29: Examens Algemene klinische chemie 2003 Vraag 1 Een neurologe in uw ziekenhuis doet een aanvraag voor IgG in liquor. U rapporteert een IgG-index. In uw laboratorium worden daarnaast de resultaten altijd ook grafisch gepresenteerd. De meetresultaten waren als volgt: IgG in liquor = 50 mg/l; IgG in serum = 10 g/l; albumine in liquor = 200 mg/l en albumine in serum = 44 g/l. a. Waarom volstaat het niet om alleen IgG in liquor te bepalen? b. Bereken de IgG-index. Heeft de grafische weergave meerwaarde? Licht uw antwoord toe. c. In de figuur voor grafische weergave van de IgGratio en de albumineratio hieronder staan 5 nummers. Er is een en ander in de legenda verwisseld. Welke letter hoort bij welk nummer? a: Intrathecale productie, b: intrathecale productie en bloedhersenbarrière-dysfunctie, c: analysefout, d: bloedhersenbarrière-dysfunctie en e: referentiebereik. d. Voor de bepaling van de index laat u altijd zowel albumine als IgG in serum en liquor op de nefelometer bepalen. Omdat er van dezelfde dag al een albumine in het serum van de patiënt bepaald was op de routine chemie analyser, had de dienstdoend analist het serumalbumine niet opnieuw op de nefelometer bepaald. U laat het serumalbumine opnieuw meten op de nefelometer. De uitslag is nu 38 g/l. Bespreek de verschillende meetmethoden voor albumine en geef een mogelijke verklaring voor het verschil. Hoe kan het dat de uitslag nu lager is? e. Tijdens het gesprek met de neurologe vraagt u haar naar de reden van de aanvraag. Het blijkt te gaan om de verdenking MS. U adviseert in dat kader ook oligoklonale banden in de CSF te laten bepalen. Beschrijf welke methode uw laboratorium gebruikt voor het aantonen van oligoklonale banden. Noem minstens 2 andere methoden en geef aan welke overwegingen naar uw mening een rol spelen bij het maken van een keuze tussen die methoden. Antwoorden vraag 1 a. Alleen een IgG-bepaling in liquor geeft geen informatie over eventuele intrathecale IgG-productie. Om de IgG-concentratie in liquor te kunnen beoordelen is het nodig om ook IgG in serum en albumine in serum en liquor te meten. Het laatste ter beoordeling van het functioneren van de bloedhersenbarrière. b. De IgG-ratio = 5,0 x 10-3 en de albumineratio = 4,5 x 10-3 en daarmee is de IgG-index 5,0 / 4,5 = 1,11 en dus verhoogd, hetgeen past bij intrathecale IgG-productie. Bij een verhoogde albumineratio passeren moleculen groter dan albumine gemakkelijker de bloedhersenbarrière dan puur op basis van de albumineratio verwacht zou worden. De relatie tussen de albumine-ratio en de IgGratio is dus niet lineair en daarmee is de IgG-index geen optimale maat voor intrathecale productie. Dit is ook in het plaatje te zien: voor een IgGindex van 0,8 is links in het plaatje wel sprake van intrathecale productie, maar rechts niet meer. Bij een hoge albumine-ratio horen dus eigenlijk hogere referentiewaarden voor de IgG-index. c. 4a: intrathecale productie, 3b: intrathecale productie en bloedhersenbarrière-dysfunctie, 5c: analysefout, 2d: bloedhersenbarrière-dysfunctie en 1e: referentiebereik. d. De chemieanalyser maakt voor de albuminebepaling gebruik van een minder specifieke broomcresolgroen- of broomcresolpurpermethode dan de immunochemische methode op de nefelometer. De chemieanalyser meet mogelijk een foutief verhoogd of verlaagd albumine. Naast een verschil in methode kunnen ook verschillen in kalibratoren en het eenvoudige feit dat door het gebruik van een andere methode een interrun-variatie geïntroduceerd is, bijdragen aan een verschil. Ook al zijn de kalibratoren geijkt op dezelfde primaire standaard, dan nog zullen door gebrekkige commuteerbaarheid verschillen kunnen blijven bestaan. De analyses moeten in hetzelfde serummonster worden uitgevoerd. 103
2 e. De beste methode is iso-elektrisch focusseren (IEF) gevolgd door immunokleuring tegen IgG. Andere methoden zijn: - IEF gevolgd door immunokleuring tegen IgG, IgM (en IgA) - elektroforese gevolgd door immunokleuring - elektroforese gevolgd door goudkleuring totaal eiwit - IEF gevolgd door goudkleuring totaal eiwit De elektroforesemethoden geven in de enquêtes steeds onvoldoende sensitiviteit voor oligoklonale patronen. Goudkleuringen zijn ook onvoldoende sensitief. Het aantonen van IgM en IgA levert geen toegevoegde waarde bij de vraagstelling MS. Vraag 2 Een 42-jarige vrouw bekend met diabetes mellitus wordt opgenomen met reeds twee maanden bestaande klachten van polydipsie en polyurie. De laatste week voor opname heeft patiënte eveneens klachten van misselijkheid en braken. Tabel. Uitslagen laboratoriumonderzoek in bloed en in urine Bepaling Uitslag Uitslag Uitslag Eenheid 2 weken bij opname bij ontslag voor opname Natrium 136 mmol/l Kalium 4,4 mmol/l Glucose (random) 27,5 mmol/l Creatinine µmol/l Ureum 5,5 mmol/l Albumine g/l ph 7,01 pco2 1,1 kpa Bicarbonaat 2,0 mmol/l Base excess -27,0 mmol/l po2 20 kpa so2 0,98 Hemoglobine 7,6 8,9 7,4 mmol/l ph in urine 5,0 ketonen in urine 3+ a. Hoe benoemt u de zuur-basestatus van de patiënt? b. Bij deze patiënt wordt in de eerste uren na opname de kaliumconcentratie in plasma vaak gecontroleerd. Waarom? c. Geef een verklaring voor de normale natriumconcentratie. d. Hoe verklaart u de stijging in de concentratie van het plasmacreatinine? Noem 3 mogelijke oorzaken. e. Op de tweede dag van opname blijkt de fosfaatconcentratie in plasma 0,20 mmol/l te zijn. Kunt u dit verklaren? Antwoorden vraag 2 a. Er is sprake van een metabole (keto)acidose met partiële respiratoire compensatie. b. Bij deze patiënt is sprake van een hyperglykemie door een relatief insulinetekort en als gevolg daarvan osmotische diurese. Meestal is er dan sprake van een absoluut kaliumtekort door verlies van kalium via de urine en eventueel ten gevolge van braken. Door het insulinetekort en correctie van de acidose treedt er echter een celuitwaartse kaliumshift op. De kaliumconcentratie in plasma kan verhoogd, normaal of verlaagd zijn. Zodra deze patiënt behandeld wordt met insuline zal kalium weer door de cellen opgenomen worden, met als resultaat een plasmahypokaliëmie. Adequate suppletie van kalium onder controle van deze bepaling is geïndiceerd. c. Door hyperglykemie ontstaat osmotische diurese met (hypotoon) vochtverlies. Bij deze patiënt uit het vochtverlies zich in verhoogde concentraties van hemoglobine en albumine in plasma. Het vochtverlies zal hypernatriëmie induceren, maar door de plasmahyperglykemie en door de bijbehorende plasmahyperosmolaliteit zal water uit de cellen worden aangetrokken, (herverdeling van intra- en extracellulair volume) waardoor de natriumconcentratie daalt. Bij een langer bestaande hyperosmolaliteit als gevolg van een hoge glucoseconcentratie kan hyponatriëmie worden verwacht, omdat natrium wordt uitgescheiden vanwege het streven naar een normale osmolaliteit. d. Er is sprake van een (prerenale) nierfunctieverslechtering ten gevolge van hypovolemie. De creatininebepaling wordt uitgevoerd met een Jaffé-methode, die foutief wordt verhoogd door de aanwezigheid van ketonen. De patiënt is uitgedroogd. Hemoglobine, albumine en creatinine zijn bij opname alle verhoogd ten opzichte van de uitslagen van 2 weken voor opname en bij ontslag. e. Bij een metabole acidose neemt de proximale reabsorptie van fosfaat af. Dit leidt tot een toegenomen fosfaatexcretie. Als gevolg van het toegediende insuline zal het fosfaat ook de cellen binnentreden. Bij braken zal er ook een verminderde intake van fosfaat zijn. Vraag 3 a. Geef bij onderstaande 24 combinaties van preanalytisch aspect en bepaling met een X aan indien er sprake is van een relevante invloed op de uitslag van de bepaling. Na ALAT Glucose Totaal eiwit Creatinine IJzer Trigl. K Maaltijd Zwangerschap Zware inspanning 104
3 b. Klinisch-chemische laboratoria krijgen regelmatig materiaal aangeboden waarbij de aanvrager twijfelt aan de exacte oorsprong van het materiaal. Meestal luidt dan de vraag: is dit of? Welke bepalingen kunnen u helpen een onderscheid te maken tussen de volgende vochten: - Liquor of neusvocht - Urine of vruchtwater - Maagsap of pancreasvocht? c. Noem uit de referentiewaardenlijst 10 bepalingen waarvan een sterk afwijkende uitslag naar de aanvrager doorgebeld dient te worden in verband met direct medisch handelen. Het betreft uitslagen waarmee de patiënt nog niet bekend is. Geef bij elke bepaling met een of enkele trefwoorden aan welk klinisch probleem u bij de aanvrager onder de aandacht wilt brengen. d. U besluit de bepalingen van de immuunglobulinen (IgG, IgA en IgM) over te zetten op een nieuwe analyser. Welke analytische aspecten toetst U (of moeten door anderen goed getoetst zijn) alvorens deze bepalingen op het nieuwe apparaat worden vrijgegeven voor het productieproces? Noem tenminste 7 aspecten en licht deze kort toe. e. Bij het ontwikkelen van een kwantitatieve bepaling gebaseerd op lichtverstrooiing door immuuncomplexen (nefelometrie of turbidimetrie) moet zorgvuldig rekening worden gehouden met de fysieke karakteristieken van de antigeen-antilichaamreactie in de immunoprecipitatiereactie, die beschreven wordt in de zogenaamde Heidelberger-Kendall-curve (zie onderstaande figuur). Beschrijf minstens twee mogelijkheden om het probleem van antigeenovermaat op te lossen. Antwoorden vraag 3 b. Liquor of neusvocht: Neusvocht heeft een hoge kaliumconcentratie (12-26 mmol/l) in tegenstelling tot andere lichaamsvochten. Een lage concentratie wijst op liquor, maar bij een hoge concentratie kan bijmenging van liquor niet worden uitgesloten. De glucoseconcentratie in neusvocht is daarentegen lager in neusvocht dan in liquor of bloed. Mocht dit niet voldoende onderscheid bieden dan kan elektroforese uitkomst bieden. Liquor bevat prealbumine en een tau-band (asialotransferrine). Aanwezigheid van het beta-trace protein wijst op liquor. Urine of vruchtwater: De varentest en de bepaling van creatinine. De varentest is niet erg betrouwbaar maar wel snel uitvoerbaar en kan aan bed worden uitgevoerd. Vruchtwater droogt op een karakteristieke manier op op een objectglas. Betrouwbaarder is het bepalen van creatinine. In urine ligt de concentratie in de mmol-range, in vruchtwater in de µmol-range. AFP is hoger in vruchtwater dan in urine. Maagsap of pancreasvocht: De ph van maagsap bedraagt 1 à 2 en de chlorideconcentratie is hoog (> 160 mmol/l). De ph van pancreasvocht is circa 8 en pancreasvocht heeft een veel lagere chlorideconcentratie. Pancreasamylase bepalen kan uiteraard ook. c. Na, K, Ca, (neonatale) glucose, creatinine, bloedgassen (astrup), lactaat, ammoniak, CK-MB en/of troponine, neonatale bilirubine. Elk van deze bepalingen zal bij een sterk afwijkende waarde aanleiding zijn tot direct medisch handelen: Na: uitdroging, overhydratie, hersenoedeem K: ernstige nierfunctiestoornis, zuur-basestoornis, celverval, hartritmestoornissen Ca: tetanie, paralyse, hartritmestoornissen Glucose: hypoglykemie, hyperglykemie Creatinine of ureum: ernstige nierinsufficiëntie Bloedgassen: zuur-basestoornis Lactaat: weefselhypoxie Ammoniak: ernstige leverinsufficiëntie, neurotixiciteit CK-MB en/of troponine: myocardinfarct Neonatale bilirubine: hyperbilirubinemie op basis van hemolytische ziekte van de pasgeborene, ernstige leverfunctiestoornis of enzymdeficiëntie a. Na ALAT Glucose Totaal eiwit Creatinine IJzer Triglyceride K Maaltijd Gelijk Gelijk Verhoogd Gelijk Sterk verhoogd Verhoogd Verhoogd Normaal kort na vlees- of licht rijke maaltijd afwijkend Zwangerschap Gelijk tot Gelijk tot Gelijk Verlaagd Gelijk tot Gelijk tot Gelijk Gelijk tot licht verlaagd licht verlaagd licht gedaald licht dalend licht verlaagd Zware inspanning Gelijk Gelijk Verlaagd Verhoogd Verhoogd; Verlaagd Verlaagd Verlaagd daalt weer snel na staken inspanning 105
4 d. Bij een gewijzigde methode dient te worden vastgesteld of de wijziging effect heeft op het prestatieniveau van de test. Doorgaans moeten daarvoor de volgende prestatiekenmerken worden getoetst: - Juistheid: overeenstemming tussen gemeten en werkelijke waarde. Vaak wordt hiervoor de nieuwe met de huidige methode vergeleken. Eventueel kan referentiemateriaal worden gebruikt. - Dupliceerbaarheid: spreiding tussen meetwaarden in dezelfde run gemeten met hetzelfde materiaal en onder identieke omstandigheden ( within-run-precision ) - Reproduceerbaarheid: spreiding tussen meetwaarden bij verschillende metingen over een groot aantal dagen met identiek materiaal ( between-run-precision ) - Detectielimiet: de laagste concentratie die nog (met vastgestelde onzekerheid) vastgesteld kan worden. - Lineariteit: in welk meetbereik is sprake van een lineair verband tussen de concentratie van het analyt en de gevonden resultaten. - Recovery: de fractie van het te bepalen analyt dat bij analyse wordt teruggevonden na toevoeging van een bekende hoeveelheid van het analyt - Interferenties: invloed van (hoge concentraties) van andere componenten die van invloed kunnen zijn op de uitkomst van de meting (bijv: lipemie, hemolyse, etc.) - Carryover: afhankelijk van de techniek die wordt gebruikt om een sample te nemen uit het aangeboden materiaal. - Meetbereik: dit kan zijn veranderd. Indien dit van invloed is op de rapportage, dan dient hier ook een vergelijkend onderzoek naar te worden gedaan. - High-dose-hook -effect : zeker bij immunochemische bepalingen (zoals het bepalen van immuunglobulines) is dit een effect dat zorgvuldig moet worden onderzocht. e. - Achteraf extra antigeen toevoegen (bij voorkeur in de vorm van hetzelfde patiëntenmonster). Bij antigeen overmaat zal de hoeveelheid precipitaat verder afnemen (minder lichtverstrooiing). In dit geval zal de bepaling herhaald moeten worden met een grotere verdunning. - Een hogere antilichaamconcentratie gebruiken zodat een sterk pathologische antigeenconcentratie niet leidt tot een foutief verlaagde waarde. - Direct verschillende monsterverdunningen inzetten. - Gebruik maken van verschillen in de initiële reactiesnelheid bij verschillende antigeenconcentraties. - Alternatieve methode gebruiken om sterk pathologische waarden te detecteren (een eiwitspectrum om in geval van een M-proteïne een sterk pathologische immuunglobulineconcentratie te detecteren; een kwantitatieve bepaling van eiwit in urine om een sterk verhoogde albumineconcentratie te detecteren). Vraag 4 Een 54-jarige vrouw, bekend met buikklachten en alcoholmisbruik wordt comateus opgenomen. Laboratoriumonderzoek gaf de volgende uitslagen. Bepaling Uitslag Eenheid Na 104 mmol/l K 4,2 mmol/l Cl 70 mmol/l Creatinine 37 µmol/l Ureum 2,1 mmol/l Glucose 7,5 mmol/l Bicarbonaat 11 mmol/l Lactaat 9,1 mmol/l Totaal bilirubine 65 µmol/l Direct bilirubine 29 µmol/l Ammoniak 32 µmol/l Osmolaliteit 265 mosmol/kg (vriespuntsmeting) AF 223 U/l gamma-gt 280 U/l ALAT 146 U/l ASAT 436 U/l LD 845 U/l Lipase 139 U/l Ketonen in urine positief a. Bereken de anion gap en verklaar de uitkomst. b. Bereken de osmol gap. Geef commentaar op het verschil tussen de anion gap en de osmol gap. c. Waarom wordt bij deze patiënt lipase aangevraagd? d. Bespreek kort de resultaten van de bepalingen die inzicht geven in de toestand van de lever van deze patiënt. Antwoorden vraag 4 a. De anion gap is [Na + ] - [Cl ] - [HCO3 ] = = 23 meq/l. De verhoging wordt verklaard door de aanwezigheid van de hoge lactaatconcentratie en door de aanwezigheid van ketonen. b. De osmol gap is 265-2(Na + + K + ) - ureum - glucose = 39 mosmol/kg. Het verschil tussen osmol gap en anion gap (16 mmol/l) wordt veroorzaakt door ongeladen moleculen zoals ethanol of andere alcoholen. Ervan uitgaande dat alles ethanol (C2H5OH) is, komt men op een concentratie van 16 x 46/1000 = 0,7. Het gemeten alcoholgehalte was 0,5. In feite is dit een grove schatting omdat in de anion gap kalium, magnesium en fosfaat niet zijn verrekend. c. Lipase wordt aangevraagd om een acute pancreatitis uit te kunnen sluiten. d. Het hoge gamma-gt is een gevolg van het alcoholisme. Verder is er mitochondriale schade omdat ASAT sterker verhoogd is dan ALAT. Bovendien is cholestase niet uitgesloten, gezien het verhoogde bilirubine en AF. Bij deze patiënten kan men een steatose van de lever verwachten, hetgeen hier ook het geval was. De hoognormale ammoniakconcentratie wijst erop dat de lever nog net voldoende capaciteit heeft om ammoniak in ureum om te zetten. 106
5 Vraag 5 a. Er is een patiënt opgenomen met proteïnurie. Geef aan hoe u adviseert om een glomerulaire dan wel een tubulaire oorzaak vast te kunnen stellen. b. Bij het vergelijken van de rapportage van een aantal ziekenhuislaboratoria in een regio, blijkt dat de referentiewaarden die deze laboratoria hanteren aanzienlijke verschillen vertonen. Een specialist werkzaam in meerdere ziekenhuizen ervaart dit als een probleem en vraagt u een verklaring. Hoe luidt uw verklaring? Geef aan hoe de laboratoria in de regio dit probleem zouden kunnen oplossen. c. In de figuur ziet u de resultaten van de Combi Algemene Chemie enquête van bilirubine in laboratorium A. Het laboratorium gebruikt een vaste kalibratiefactor voor de bilirubinebepaling. Tijdens de bespreking van de externe kwaliteitscontroleresultaten wordt geopperd om de kalibratiefactor aan te passen met een factor (1,125 = 14,4 / 12,8) zodat het laboratoriumgemiddelde goed overeenkomt met het methodegemiddelde. Hoe beoordeelt u dit voorstel? Beargumenteer uw antwoord. d. In de NHG-standaard (NHG = Nederlands Huisartsen Genootschap) zijn criteria opgenomen voor de diagnostiek van diabetes mellitus in veneus plasma. In de richtlijn wordt expliciet vermeld: verricht bij een waarde die duidt op diabetes mellitus enkele dagen later een controlebepaling in nuchtere toestand. Normaal Glucose nuchter < 6,1 mmol/l Glucose niet nuchter < 7,8 mmol/l Gestoord Glucose nuchter > 6,1 en < 6,9 mmol/l Diabetes mellitus Glucose nuchter > 6,9 mmol/l Glucose niet nuchter > 11,0 mmol/l Geef een verklaring voor deze richtlijn om een controlebepaling te verrichten. Maak daarbij gebruik van de volgende gegevens: de intra-individuele spreiding in de nuchtere glucoseconcentratie is 7 % en de analytische spreiding in de glucosebepaling is 4 %. e. Voor test Y voor ziekte X met een prevalentie van 10 %, worden verschillende beslisgrenzen gerapporteerd met de volgende karakteristieken. Beslisgrens Sensitiviteit (%) Specificiteit (%) ,1 97, ,9 99,7 Welke beslisgrens kiest u als u de test wilt gebruiken om de ziekte uit te sluiten? Bereken de voorspellende waarde van een negatieve testuitslag bij de genoemde beslisgrenzen om tot uw keuze te komen. 107
6 Antwoorden vraag 5 a. Glomerulaire proteïnurie treedt op wanneer de filtratie van plasma-eiwitten die normaal niet of nauwelijks worden gefiltreerd, de normale (terug)- resorptiecapaciteit overschrijdt, waardoor de concentratie in urine van eiwitten als albumine sterk toeneemt. M.b.v. een selectiviteitsindex kan worden onderzocht of de proteïnurie alleen kleinere eiwitten (zoals albumine of transferrine; index < 0,2) of kleine en grote eiwitten (zoals IgG; index > 0,2) betreft. Dysmorfe erytrocyten en/of erytrocytencilinders in het urinesediment wijzen op glomerulonefritis. Tubulaire proteïnurie treedt op wanneer de (terug)resorptie van normaal gefiltreerde eiwitten is gestoord door beschadiging van tubulusepitheel, waardoor laagmoleculaire eiwitten in urine verschijnen. Het betreft meestal een milde proteïnurie. De concentratie van beta-2- microglobuline of andere kleine eiwitten in urine (zoals lysozym) is verhoogd. Leukocyten en/of leukocytencilinders in het urinesediment wijzen op pyelonefritis. b. De verklaring is dat laboratoria vaak wel de resultaten van een bepaling afstemmen op andere laboratoria aan de hand van een referentiemethode, of evt. op basis van consensus. Dit gebeurt bijvoorbeeld indien een laboratorium slecht scoort in een SKML-enquête. Er wordt dan niet altijd aan gedacht om de referentiewaarden, afkomstig uit de (oude) literatuur of uit een (oud) onderzoek, eveneens aan te passen. De (regionale) laboratoria kunnen dit probleem oplossen door het meetniveau in elk laboratorium met elkaar te vergelijken door verse monsters rond te sturen en de resultaten te vergelijken en eventueel aan te passen. Daarnaast dienen dan de referentiewaarden te worden aangepast aan dit (regionale) meetniveau. c. Het is onjuist om op basis van de uitslagen van deze externe enquête de kalibratiefactor aan te passen. Bovendien geeft de SKML een consensuswaarde voor de bilirubinebepaling, en geen uitslag van een referentiemethode. De monsters die in deze enquête zijn rondgestuurd, hebben allen een bilirubine concentratie kleiner dan 20 µmol/l. Deze enquêteresultaten geven onvoldoende inzicht of er hier sprake is van een afwijkende richtingscoëfficiënt (slope) en van een afwijkende asafsnede (intercept). Het controleren van de juistheid van de kalibratiefactor moet plaatsvinden met een voor de methode geschikte kalibrator of door een vergelijking met de referentiemethode. Bij het gebruik van een kalibrator moet voorkomen worden dat onder invloed van licht bilirubine degradeert. d. Stel de patiënt heeft een gemiddelde nuchtere glucose van 7,5 mmol/l. De SD biologisch is dan 0,07 x 7,5 = 0,525, de SD analytisch is dan 0,04 x 7,5 = 0,300 en de SD totaal dus wortel (0, ,3 2 ) = 0,605. Bij een eenmalige meting wordt met 95 % kans een waarde tussen 6,3 en 8,7 mmol/l gemeten. Door een controlebepaling te verrichten ontstaat er meer zekerheid. e. Bij beslisgrens 150 geldt: # testen met # testen met Totaal pos uitslag neg uitslag # met de ziekte # zonder de ziekte Totaal PV- = ( / ) x 100% = 98,2 % Bij beslisgrens 170 geldt: # testen met # testen met Totaal pos uitslag neg uitslag # met de ziekte # zonder de ziekte Totaal PV- = ( / ) x 100% = 93,4 % Bij beslisgrens150 is de voorspellende waarde van een negatieve testuitslag hoger. Vraag 6 Een 52-jarige vrouw wordt opgenomen met klachten van moeheid en jeuk. Zij blijkt hier al enkele jaren in meer of mindere mate last van te hebben. Er is geen sprake van gewichtsverlies, veranderd defecatiepatroon en verminderde eetlust. Geen pijn in de buik. Er zijn geen duidelijke tekenen van geelzucht. Wel heeft mevrouw in het verleden af en toe donker gekleurde urine gehad. Zij ontkent overmatig gebruik van alcohol en gebruik van drugs en geneesmiddelen. Als kind heeft zij nooit geelzucht gehad. De lever is flink vergroot, de milt is niet voelbaar. De internist vermoedt een chronisch virale hepatitis. a. Welk laboratoriumonderzoek adviseert u de internist voor bevestiging dan wel uitsluiting van deze hypothese? (U denkt niet aan witte raven en u gaat doelmatig om met menskracht en middelen). b. Er blijkt geen sprake te zijn van een viraal infect. De internist overweegt vervolgens de diagnoses ziekte van Wilson, hemochromatose en alfa-1- antitrypsine(aat)-deficiëntie. Welke bepalingen adviseert u? Hoe moeten de resultaten van deze bepalingen worden geïnterpreteerd? c. Vervolgens past de internist een wat ongebruikelijke aanvraagvolgorde toe en vraagt nu algemeen laboratoriumonderzoek aan, hetgeen de volgende resultaten oplevert: Screening hematologie geen bijzonderheden Bilirubine 20 µmol/l gamma-gt 110 U/l AF 450 U/l ASAT 48 U/l ALAT 75 U/l Amylase 95 U/l Hepatitisserologie Hoe interpreteert U deze resultaten? 108
7 d. Op basis van echoscopisch onderzoek denkt de internist aan de diagnose primaire biliaire cirrose. Welk onderzoek adviseert U om deze diagnose te ondersteunen? Antwoorden vraag 6 a. Anti-HBc (totaal of IgG) en anti-hcv. b. Ziekte van Wilson: ceruloplasmine. Een verlaagde concentratie koper in serum, een licht tot sterk verlaagde concentratie van ceruloplasmine in serum en een verhoogde uitscheiding van koper met de urine versterken de diagnose. Hemochromatose: de transferrineverzadiging en ferritine zijn verhoogd. AAT-deficiëntie: kwantitatieve bepaling van AAT in serum. Fenotypering indien verlaagd. c. Er bestaat intrahepatische of extrahepatische obstructie. Er is geen actieve parenchymbeschadiging. d. De bepaling van antistoffen tegen mitochondrieën. Tabel. Overzicht Referentiewaarden Bepaling Referentie- Eenheid waarden Bloed (arterieel) ph 7,35-7,45 PCO 2 4,4-6,3 kpa Bicarbonaat mmol/l Base excess mmol/l PO 2 10,0-13,3 kpa so 2 > 95 % Hemoglobine (mannen) 8,5-11,0 mmol/l Hemoglobine (vrouwen) 7,5-10,0 mmol/l Serum/plasma Creatinine (mannen) µmol/l Creatinine (vrouwen) µmol/l Creatinine (jonge kinderen) < 50 µmol/l Ureum 2,5-7,5 mmol/l Fosfaat 0,70-1,40 mmol/l Natrium mmol/l Kalium 3,6-5,0 mmol/l Chloride mmol/l Anion gap (Na + - Cl - HCO 3 ) 5-11 mmol/l Calcium 2,25-2,65 mmol/l Albumine g/l Totaal eiwit g/l Glucose (nuchter) 3,5-6,0 µmol/ Glucose ( at random ) 3,5-7,8 µmol/l Totaal bilirubine < 17 µmol/l Geconjugeerd bilirubine < 5 µmol/l Neonataal bilirubine (1 e dag) < 100 µmol/l (2 e dag) < 140 µmol/l (3 e 5 e dag) < 200 µmol/l Ammoniak µmol/l LD U/l gamma-gt < 35 U/l AF < 120 U/l ASAT < 40 U/l ALAT < 45 U/l Amylase < 220 U/l Lipase < 240 U/l Lactaat (plasma) < 2,2 mmol/l CK (mannen) < 200 U/l CK (vrouwen) < 170 U/l CK-MB < 5 µg/l Troponine < 0,1 µg/l CRP < 10 µg/l Osmolaliteit mosmol/kg Liquor Albumineratio IgG-ratio < IgG-index 0,30-0,60 Urine Kwalitatief Glucose Albumine Ketonen Urobiline Erytrocyten Leukocyten ph 5-7 Sediment Erytrocyten < 10 / gezichtsveld Kwantitatief Natrium mmol/24 uur Kalium mmol/24 uur Chloride mmol/24 uur Albumine < 0,15 g/24 uur 109
Hartfalen dubieus. Hartfalen onwaarschijnlijk
Referentiewaarden Klinische Chemie Datum: 01-07-2012 BLOED Naam Referentiewaarde Eenheid 1-Antitrypsine 0,80 2,00 g/l 1-Foetoproteïne (AFP) < 6,0 ku/l ACE 0 2 jaar 8 109 IU/L 3 7 jaar 12 99 IU/L 8 14 jaar
Referentiewaarden Klinische Chemie Eenheid Hond Kat Eiwitten Eenheid Hond Kat Pancreas Darm Eenheid Hond Kat Bloedgassen Eenheid Hond Kat
Klinische Chemie Eenheid Hond Kat Ureum mmol/l 3,0 12,5 6,1 12,8 Ureum (nuchter) mmol/l 2,1 8,4 Kreatinine µmol/l 50 129 (70+0,7xL,gew,) 76 164 Glucose (nuchter) mmol/l 4,2 5,8 3,4 5,7 Fructosamine µmol/l
Referentiewaarden. 1/11 Documentnummer 314, versie 44
A AAT 0,9-2,0 g/l ALAT m < 45 U/l v < 34 Albumine 35-50 g/l Albumine/kreatinine ratio m < 2,5 v < 3,5 Alkalische fosfatase 0-14 d < 248 U/l 15 d - 1 j < 470 1-10 j < 335 10-13 j < 417 m 13-15 j < 468 m
Referentiewaarden. KLINISCHE CHEMIE Bepaling Eenheid Leeftijd / geslacht. Referentie waarden. Bronvermelding
Referentiewaarden REFER002 Referentiewaarden overzicht intern Pagina 1 van 5 KLINISCHE CHEMIE Referentie waarden natrium mmol/l 135-145 NVKC consensus kalium (plasma!) mmol/l 3.5-4.8 Diagnostisch Kompas
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Zuyderland Medisch Centrum Locatie Heerlen Datum:
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Zuyderland Medisch Centrum Locatie Heerlen Datum: 01.03.2018 BLOED α1-antitrypsine 0,90 2,00 g/l α1-foetoproteïne (AFP) < 5,8 k ACE 0 2 jaar
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Zuyderland Medisch Centrum Locatie Heerlen Datum: 12-07-2016 BLOED Naam Referentiewaarde Eenheid α1-antitrypsine 0,80 2,00 g/l α1-foetoproteïne
KLINISCHE CHEMIE. REFER002 Referentiewaarde Overzicht intern Klinische Chemie /H.v.I./Versie1. referentie waarden.
REFER002 Referentiewaarde Overzicht intern Klinische Chemie KLINISCHE CHEMIE 03012012/H.v.I./Versie1 waarden bronvermelding natrium mmol/l 135-145 NVKC consensus kalium (plasma!) mmol/l 3.5-4.8 Diagnostisch
Uitzonderingen interne afdelingen. Deze afdelingen worden nooit gebeld* IC, REC, SEH, EHH, OK IC, REC, SEH, EHH, OK.
CDL: doorbelgrenzen Pagina 1 van 5 Hematologie Kenmerk patiënt Patiënt is bekend # of onbekend^ met afwijkende bepaling Bepaling Interne Doorbelgrens* Uitzonderingen interne Deze worden nooit gebeld* Poliklinische
REFERENTIEWAARDEN (vanaf 1 maart 2013)
Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie REFERENTIEWAARDEN (vanaf 1 maart 2013) Dienstdoende klinisch chemicus #11-3510 Centrale Balie 58826 Bloedtransfusie 57672 Polilaboratorium AZU 57667 Polilaboratorium
REFERENTIE-INTERVALLEN (vanaf 1 juni 2018)
Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie REFERENTIE-INTERVALLEN (vanaf 1 juni 2018) Dienstdoende klinisch chemicus 73510 Centrale Balie 58826 Bloedtransfusie 57672 Polilaboratorium AZU 57667 Polilaboratorium
Referentiewaarden (nieuw per januari 2012)
Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie Referentiewaarden (nieuw per januari 2012) Dienstdoende klinisch chemicus #11-3510 Centrale Balie 58826 Bloedtransfusie 57672 Polilaboratorium AZU 57667 Polilaboratorium
REFERENTIEWAARDEN (vanaf 1 januari 2015)
Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie REFERENTIEWAARDEN (vanaf 1 januari 2015) Dienstdoende klinisch chemicus 73510 Centrale Balie 58826 Bloedtransfusie 57672 Polilaboratorium AZU 57667 Polilaboratorium
Algemene klinische chemie
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2007; 32: 110115 Tentamens Algemene klinische chemie Vraag 1 Een man van 58 jaar met in de voorgeschiedenis een beenmergtransplantatie vanwege een chronische myeloïde
U/L mannen vrouwen. < 140 < 98 < 115 Ammoniak µmol/l Amylase < 107 U/L Androsteendion mannen vrouwen
Referentiewaarden Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Zuyderland Medisch Centrum Datum: 11-02-2019 α1-antitrypsine 0,90 2,00 g/l α1-foetoproteïne (AFP) < 5,8 k ACE 0 2 jaar 8 109 I 3 7 jaar 12
Analyse van het Z-B evenwicht Stewart methodiek
Analyse van het Z-B evenwicht Stewart methodiek Fellowonderwijs Intensive Care UMC St Radboud De relatie tussen ph en [H + ] ionen 300 250 [H + ] nmol/l 200 150 100 50 0 6,4 6,6 6,8 7 7,2 7,4 7,6 7,8 ph
Algemene klinische chemie
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2005; 30: 128-133 Tentamens Algemene klinische chemie - 2004 Vraag 1 Een 90-jarige man heeft sinds kort ontkleurde ontlasting en theekleurige urine bemerkt. Verder heeft
Algemene Klinische Chemie 2008
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2009; 34: 115-122 Algemene Klinische Chemie 2008 Vraag 1 Een 35-jarige vrouw presenteert zich bij de huisarts met sinds een viertal uren bestaande retrosternale pijn op
Referentiewaarden. Klinische Chemie, Hematologie en Endocrinologie
Klinische Chemie, Hematologie en Endocrinologie Afdeling Klinische Chemie Afdeling Inwendige Geneeskunde: Diagnostisch Laboratorium Endocrinologie Chemie 2 Klinische chemie: blz 29 t/m 43 Hematologie:
Chemie. Materiaalcodes:
Chemie Materiaalcodes: BAL = broncho-alveolaire lavage Bs = stolbloed Bc = citraatbloed Be = EDTA-bloed Bh = heparinebloed Bm = beenmerg F = feces L = liquor Lu = uitademingslucht N = navelstrengbloed
Nieuwsbrief nr. 01, maart 2012, 1 e lijn
Nieuwsbrief nr. 01, maart 2012, 1 e lijn Dr. H. Hensgens, klinisch chemicus. Telnr. 020 755 7211 Dr. M. Levitus/Dr. E. van Mirre, klinisch chemicie. Telnr. 020 755 7213 Nieuwe referentiewaarden voor de
Diabe&sche ketoacidose. Diana Jansen, ANIOS IC 6 maart 2015
Diabe&sche ketoacidose Diana Jansen, ANIOS IC 6 maart 2015 Casus 38- jarige man VG: blanco Buiten bewustzijn aangetroffen, onduidelijk of hij voordien klachten had Bij verdenking hypoglycemie in ambulance
Allemaal Beestjes. Eline van der Hagen Kcio 15 juni 2017
Allemaal Beestjes Eline van der Hagen Kcio 15 juni 2017 Voorgeschiedenis Vrouw, 68 jaar Diabetes type 2 (1995), hypertensie (2010), chronische nierinsuffiëntie (2012) Presentatie op de SEH In de nacht
Referentiewaarden Eerste druk, 2008. Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Apeldoorn, Zutphen
Referentiewaarden Eerste druk, 2008 Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium Apeldoorn, Zutphen Gelre ziekenhuizen Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium, Apeldoorn Albert Schweitzerlaan 31 Postbus
Adreno Corticotroop Hormoon (ACTH) pmol/l EDTA-bloed K2E ml Certe locatie Leeuwarden 1 week
Omschrijving test LOINC Referentiewaarde Afnamemateriaal Afnamemateria Minimale Uitvoering bij Certe-locatie in: Doorlooptijd al buiscode hoeveelheid Adreno Corticotroop Hormoon (ACTH) 14674-6 1.6-13.9
Referentiewaarden (nieuw per augustus 2010)
Referentiewaarden (nieuw per augustus 2010) Laboratorium Klinische Chemie en Haematologie Centrale Balie tst 58826 Sectie Bloedtransfusie tst 57672 Polilaboratorium AZU tst 57667 Polilaboratorium WKZ tst
Algemene Klinische Chemie
b. Het kind heeft een ernstige anemie, welke normocytair is gezien de leeftijd van de patiënt. Een licht ijzergebrek kan deze anemie niet verklaren. De respons van het beenmerg op de anemie is onvoldoende,
Serum Indices 28 november 2012
Serum Indices 28 november 2012 Roche Modular gebruikersdag Gideon Lansbergen Serum index: Meten van interferenties op klinisch chemische bepalingen. Interferentie: het effect van een substantie, aanwezig
Leverenzymstoornissen. Peter van Bommel, Dirk Bakkeren & Martijn ter Borg
Leverenzymstoornissen Peter van Bommel, Dirk Bakkeren & Martijn ter Borg Vrouw, 30jaar komt op mijn spreekuur Na anamnese en LO sluit ik een leverprobleem niet uit. Ik vraag probleemgeoriënteerd labonderzoek
Zuurbase evenwicht. dr Bart Bohy http://www.medics4medics.com
Zuurbase evenwicht 1 Zuren 2 Base 3 4 5 6 7 oxygenatie / ventilatie 8 9 Arteriële bloedgaswaarden Oxygenatie PaO2: 80-100mmH2O SaO2: 95-100% Ventilatie: PaCO2: 35-45mmHg Zuur-base status ph: 7.35-7.45
Analysefrequentie laboratoriumonderzoek
3026 17-ß-Oestradiol dagelijks 2123 3-Methoxytyramine 1 x per 2 weken 2085 5-HIAA (urine) 1 x per 2 weken 3001 ACE dagelijks 3047 ACTH 1 x per 2 weken 4038 Aggr. Adrenaline dagelijks 4043 Aggr. Arachidonzuur
Chronische Nierschade
Chronische Nierschade Uitingen nieraandoeningen: Verlies van eiwit via de urine, albuminurie Specifieke sedimentsafwijkingen Afname van de glomerulaire filtratiesnelheid Micro-albuminurie: In een willekeurige
referentiewaarden voor enzymen, zie Validatiedossier KCL SMC AFP
Pagina: 1/7 ACR Zie microalbumine/kreatinineratio. AF M < 115 brief SKML 051011, nationale < 98 zie alidatiedossier KCL SMC AFP Roche, data uit multicenter studies, < 7 μ totaal 646 gezonde personen gemeten.
Bloedgassen. Homeostase. Ronald Broek
Bloedgassen Homeostase Ronald Broek Verstoring Homeostase Ziekte/Trauma/vergiftiging. Geeft zuur-base en bloedgasstoornissen. Oorzaken zuur-base verschuiving Longemfyseem. Nierinsufficientie Grote chirurgische
Deze bijlage is geldig van: tot Vervangt bijlage d.d.:
ijlage bij accreditatieverklaring (scope van accreditatie) van Eurofins Central Laboratory.V. ergschot 71 4817 PA reda Nederland Locatie(s) waar activiteiten onder accreditatie worden uitgevoerd Hoofdkantoor
Reticulocyten 070716 3,43 2,87 74625 Hemoglobine (Hb) 070702 1,82 1,71
PROBLEEMGEORIËNTEERDE ONDERZOEKEN Onderstaand vindt u de tarieven. Het kan zijn dat het tarief voor uw onderzoek lager is dan vermeld op onze website (dit is afhankelijk van uw verzekeraar). Tarieven onder
Tarieven Laboratorium diagnostiek 2016
Tarieven Laboratorium diagnostiek 2016 De hieronder vermelde tarieven zijn door de NZA vastgestelde maximum tarieven. Er kan een korting gelden op dit tarief, welke per zorgverzekeraar kan variëren. Disclaimer
Bloedgasanalyse. Doelstelling. Bloedgasanalyse. 4 mei 2004 Blad 1. Sacha Schellaars IC centrum UMC Utrecht. Zuur base evenwicht Oxygenatie
Bloedgasanalyse Sacha Schellaars IC centrum UMC Utrecht Doelstelling De student kan de 4 stoornissen in het zuurbase evenwicht benoemen. De student kan compensatiemechanismen herkennen en benoemen. De
Volwassenen Kinderen Ouderen. Stichting Oosterscheldeziekenhuizen Ziekenhuis Zeeuws Vlaanderen Ziekenhuis Walcheren vierde editie versie 2007
+ Zeeuwse Laboratoria Referentiewaarden Volwassenen Kinderen Ouderen Stichting Oosterscheldeziekenhuizen Ziekenhuis Zeeuws Vlaanderen Ziekenhuis Walcheren vierde editie versie 2007 1 HEMATOLOGIE: Bezinking
Versie: 038 Geldig vanaf: 23/10/2015. Referentiewaarden O.5.08/01a
a1-antitrip. Volw. 0,9 2 0,9 2 g/l 3-5 ACE Angiotensine conv.enzyme Volw. 20 70 20 70 U/l 3-5 ALAT Volw. 5 45 5 35 IU/l 0-3 Alatop Inhalatiescreening neg neg 0-3 Albumine/kreat ratio urine Volw. 0 2,5
Deze bijlage is geldig van: tot Vervangt bijlage d.d.:
ijlage bij accreditatieverklaring (scope van accreditatie) van Eurofins Central Laboratory.V. ergschot 71 4817 PA reda Nederland Locatie(s) waar activiteiten onder accreditatie worden uitgevoerd Hoofdkantoor
Marcel M. Verbeek, Neurochemicus
Bespreking SKML liquor enquete Marcel M. Verbeek, Neurochemicus UMC St Radboud Nijmegen Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour Afdelingen Neurologie en Laboratorium Geneeskunde E-mail: [email protected]
Metabole acidose. Bob Zietse 15 december 2016
Metabole acidose Bob Zietse 15 december 2016 ACID-BASE BALANCE langzaam volledig Metabole verstoring Compensatie renaal ph = pk + 10 log [HCO3-] 0.03 * pco 2 Respiratoire verstoring Compensatie ventilatie
Hyperglycemie Keto-acidose
Hyperglycemie Keto-acidose Klinische les Marco van Meer SJG 20 06 2007 (acute) ontregeling van diabetes Doel Op het einde van mijn presentatie is jullie kennis over glucose huishouding en ketoacidose weer
Reflecterend testen in de huisartsenpraktijk. Rein Hoedemakers / Peter van t Sant Klinisch chemici
Reflecterend testen in de huisartsenpraktijk Rein Hoedemakers / Peter van t Sant Klinisch chemici Wat kunt u verwachten? Wat is reflecterend testen? Waarom reflecterend testen? Voorbeelden uit de praktijk.
Onder- Boven- Onder- Bovengrens. (werk- a1-antitrip. A 0,9 2 0,9 2 g/l 3-5
(werk- a1-antitrip. A 0,9 2 0,9 2 g/l 3-5 ACE Angiotensine conv.enzyme A 20 70 20 70 U/l 3-5 ALAT A 45 35 IU/l 0-3 Alatop Inhalatiescreening neg neg 0-3 Albumine/kreat ratio urine A 2,5 3,5 mg/mmol 0-3
Vroege diagnose van nieraandoeningen met behulp van urine onderzoek bij katten
Vroege diagnose van nieraandoeningen met behulp van urine bij katten Methode en interpretatie van de resultaten Ontwikkeld in samenwerking met Tjerk Bosje, Specialist Interne Geneeskunde Inleiding Chronische
Aanvraag voor laboratoriumonderzoek : ROUTINE BLOED NIERSTEENKLINIEK. Aanvraag voor laboratoriumonderzoek : ROUTINE BLOED (site ST/ER) Biochemie
Aanvraag voor laboratoriumonderzoek : ROUTINE BLOED NIERSTEENKLINIEK ZEER (mits motivatie laboverantwoordelijke) Biochemie BATTERIJ: 630 Sg1 103 Ureum Sg1 104 Creatinine Sg1 105 Urinezuur Sg1 106 Natrium
DOORBELGRENZEN KCL. Test. : Albumine (HP) Eenheid. : g/l. Man. Vrouw. per: Test : APTT (CP) Eenheid. : sec. Man. Vrouw. per:
Albumine (HP) g/l AD < 20 < 20 APTT (CP) sec AD > 100 > 100 Blasten (EB) per 19-3-2013 AD > 0 > 0 Carbamazepine (SE) AD > 12 > 12 Calcium (HP) AD < 1.8 / > 3.2 < 1.8 / > 3.2 CK (HP) E/l AD > 5000 > 5000
Tarieven Laboratorium diagnostiek 2015
Tarieven Laboratorium diagnostiek 2015 De hieronder vermelde tarieven zijn door de NZA vastgestelde maximum tarieven. Er kan een korting gelden op dit tarief, welke per zorgverzekeraar kan variëren. Disclaimer
De#Lever# Dr.#(H.J.)#Eric#Vermeer## specialist#klinische#chemie#
De#Lever# Dr.#(H.J.)#Eric#Vermeer## specialist#klinische#chemie# 1=rechter leverkwab, 2=linker leverkwab, 3=lobus caudatus, 4=lobus quadratus, 5=leverslagader en poortader, 6=leverlymfklieren, 7=galblaas
Certe tarievenlijst 2019 huisartsenlaboratorium en klinische chemie. Aanvraag Specificatie NZA-code Code tarief Hematologie
Certe tarievenlijst 2019 huisartsenlaboratorium en klinische chemie Aanvraag Specificatie NZA-code Code tarief Hematologie Urine Feces Klinische chemie Volledig bloedonderzoek 7,10 Hb. Leukocyten, Trombocyten
Tarieven Laboratorium diagnostiek 2017
Tarieven Laboratorium diagnostiek 2017 De hieronder vermelde tarieven zijn door de NZA vastgestelde maximum tarieven. Er kan een korting gelden op dit tarief, welke per zorgverzekeraar kan variëren. Disclaimer
bloedgassen Snelle interpretatie
bloedgassen Snelle interpretatie Wat is de Ph Het aantal waterstofionen (H+) geteld per ml water. Hoeveel waterstofionen komen er bij een reactie vrij of gaan er verloren en/of hoeveel waterstofionen worden
Versie 4 Ingangsdatum: Februari 2014 Controledatum: februari 2016
Wijzigingen t.o.v. voorgaande versie Anemie protocol (PR-0002) Versie 4 Ingangsdatum: Februari 2014 Controledatum: februari 2016 2 Jaarlijkse revisie (mutatie 14 060) Hst. 1 Onderverdelen a.h.v. MCV verwijderd
015-260 5095 0181 690109 [email protected]
Betreft: Wijzigingen in testen Beste Collegae, Graag informeert de vakgroep klinische chemie u over onderstaande wijzigingen per 1 september a.s. Per 1 september aanstaande zal het klinisch chemisch en
Project Microalbumine in Combi Urine 2010
Stichting Kwaliteitsbewaking Medische Laboratoriumdiagnostiek Project Microalbumine in Combi Urine 2010 Aldy Kuypers, Robert de Jonge, Cas Weykamp Mei 2010 Achtergrond Tijdens de beleidsavond van de Sectie
Nierinsufficiëntie bij DM en CVRM
Nierinsufficiëntie bij DM en CVRM Dr. Tom Geers, internist - nefroloog en opleider St. Antonius ziekenhuis Nieuwegein Nierfunctie beloop met de leeftijd 1 Hoge sterfte bij dialyse patiënten Prevalentie
Concentratie-en verdunningsproef 070115 0,70 0,58 (maximaal 6 x)
Probleemgeoriënteerde onderzoeken (NZa) Onderstaand vindt u de tarieven. Het kan zijn dat het tarief voor uw onderzoek hoger (maximaal 10%) of lager is dan vermeld op onze website (dit is afhankelijk van
Urine onderzoek door de internist-nefroloog
Urine onderzoek door de internist-nefroloog Soesterberg, 14 maart 2018 Dr YWJ Sijpkens, internist Haaglanden Medisch Centrum, Den Haag Cruquius museum Heemstede Hoeveelheid urine per dag? Hoeveelheid urine
Mocht uw onderzoek er niet bij zijn dan kunt u contact opnemen door een mail te sturen naar [email protected]
Onderzoek Tarief Ordertarief 10,64 Huisbezoek 16,35 Decentrale afname 3,87 Hematologie BB: Bloedbeeld 5,19 DIFF: Differentiatie 1,72 BSE: Bezinking 1,75 CRP 3,93 Eosinofielen 1,70 Reticulocyten 2,89 Sikkelceltest
Laboratoriumgids Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium
Laboratoriumgids Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium 2 Laboratoriumgids Voorwoord Voor u ligt de 2e editie van de laboratoriumgids van het Klinisch Chemisch Hematologisch laboratorium (KCHL) van
Een bloedafname Simpel? Of toch niet?
Een bloedafname Simpel? Of toch niet? Prof. dr. Ilse Weets Laboratorium Hematologie en Klinische Chemie Mogelijke foutenbronnen Pre-analytisch - patiëntgebonden - afname - transport - monsterbehandeling
colection device Evaluatie van PeeSpot urine WHITE PAPER HESSELS+GROB bv Research report: Evaluation of PeeSpot Urine Collection Device
Research report: Evaluation of Urine Collection Device WHITE PAPER Evaluatie van urine colection device Nieuwe manier van verzamelen van kleine hoeveelheid urine in absorptievilt 22-10-2011 1 Research
Algemene Klinische Chemie 2009
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2010; 35: 250-254 Tentamen Algemene Klinische Chemie 2009 Vraag 1 Een moeder van een 2 weken oude baby meldt zich op de polikliniek van uw ziekenhuis omdat de baby slecht
Zuur-base evenwicht Intoxicaties. J.G. van der Hoeven UMC St Radboud, Nijmegen
Zuur-base evenwicht Intoxicaties J.G. van der Hoeven UMC St Radboud, Nijmegen 1 Casus Vrouw 21 jaar - recente diagnose leukemie Opname koorts, dyspneu en hypotensie T 41 0 C - pols 135 - RR 80/40 - AF
De osmolaliteitsmeting op de Osmo Station (Menarini): Van het kastje naar de muur.
De osmolaliteitsmeting op de Osmo Station (Menarini): Van het kastje naar de muur. A.P. van Rossum en C.M. Cobbaert Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) W.H.A
Tentamen Basisjaar Klinische Chemie
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2014; 39: 99-110 Tentamens Tentamen Basisjaar Klinische Tentamen deel 1: casuïstiek Casus 1 Een 60-jarige man, zonder vaste woon- of verblijfplaats, wordt hyperventilerend
1 Inleiding 7 1.1 Hoe verloopt het transport van stoffen in het lichaam? 8 1.2 Wat zijn redenen om een laboratoriumtest aan te vragen?
Inhoud Auteurs 1 Voorwoord 3 deel i algemene beschouwingen 5 1 Inleiding 7 1.1 Hoe verloopt het transport van stoffen in het lichaam? 8 1.2 Wat zijn redenen om een laboratoriumtest aan te vragen? 10 2
EVALUATIE CHEMIE ANALYSER VOOR DE DIERENARTSENPRAKTIJK
OKTOBER 2006 21 e JAARGANG 10 EVALUATIE CHEMIE ANALYSER VOOR DE DIERENARTSENPRAKTIJK OVERDRUK UIT: DIER EN ARTS 2006;10:340-347 Aangeboden door: DIER EN ARTS WORDT UITGEGEVEN DOOR: Uitgeverij Libre B.V.
Diabetes en ketonen. Naar het ziekenhuis? Lees eerst de informatie op
Diabetes en ketonen Naar het ziekenhuis? Lees eerst de informatie op www.asz.nl/brmo. Inleiding Mensen met diabetes type 1 hebben een grotere kans op het krijgen van een zogeheten ketoacidose. Bij een
Casus 5. Kavita Ramdien, Rob Vermond, Jurre Stens
Casus 5 Kavita Ramdien, Rob Vermond, Jurre Stens Inleiding casus 5 U gaat als co-assistent mee met de ambulance die gewaarschuwd is door de buren (die een sleutel hebben) van een 70-jarige man, die zij
Referentiewaarden Certe divisie Klinische chemie en hematologie (02/2015)
Referentiewaarden Certe divisie Klinische chemie en hematologie (02/2015) CHEMIE 1 ENDOCRINOLOGIE 6 TUMORMARKERS 8 HEMATOLOGIE, VOLWASSENEN 9 HEMATOLOGIE, ALLE LEEFTIJDEN 10 STOLLING 13 URINE 14 SEMEN
Deze tarievenlijst kan onvolkomenheden bevatten en hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.
Onderzoek Tarief Ordertarief 2,45 Huisbezoek 9,62 Hematologie BB: Bloedbeeld 5,43 DIFF: Differentiatie 1,82 BSE: Bezinking 1,81 CRP 4,90 Eosinofielen 1,82 Reticulocyten 3,43 Sikkelceltest 14,52 Abnorm.Hb
Laboratoria Nieuwsbrief September 2011 Klinisch Chemisch en Hematologisch Laboratorium Medisch Microbiologisch Laboratorium
Laboratoria Nieuwsbrief September 2011 Klinisch Chemisch en Hematologisch Laboratorium Medisch Microbiologisch Laboratorium In dit nummer: ALLERGIERAPPORTAGE; DETECTIEGRENS VERLAAGD ANTISTOFFEN BIJ DIABETES
Hoe goed is een test?
Hoe goed is een test? 1.0 het ideale plaatje Als we een test uitvoeren om te ontdekken of iemand ziek is hebben we het liefst een test waarbij de gezonde en de zieke groepen duidelijk gescheiden zijn.
Leverfunctiestoornissen
Leverfunctiestoornissen Claire Fitzpatrick, Saskia te Loo, Ruud Klomp DuodagenIJsselland Ziekenhuis 2015 Stellingen Als de levertesten normaal zijn is de leverfunctie ook normaal Steatose kan uitmonden
Ketoacidose: caveats en pitfalls
Ketoacidose: caveats en pitfalls Katelijn Decochez, Karlien Francois, Brigitte velkeniers 3 december 2010 Definitie Hyperketonemie + Metabole acidose + Hyperglycemie Epidemiologie Mortaliteit 5 à 10% in
GHC Zorgprotocol Point-Of-Care Test (POCT)
GHC Zorgprotocol Point-Of-Care Test (POCT) Groningen, november 2016 CRP metingen De NHG standaard Acuut hoesten adviseert bij het vermoeden op een pneumonie of gecompliceerd luchtweginfect een C-reactieve
Refeedingsyndroom in de Oncologie Marleen Ariëns en Esther Heijkoop Diëtisten
Refeedingsyndroom in de Oncologie Marleen Ariëns en Esther Heijkoop Diëtisten 2015 Agenda Historie Ondervoeding en oncologie Refeeding Casus tijdens de presentatie 1ste lijn Refeeding? Historie Belegeringen
Verschillen tussen capillaire en gel electroforese. Joke Boonstra Corrie de Kat Angelino Janneke Ruinemans-Koerts Ina Klasen.
Verschillen tussen capillaire en gel electroforese Joke Boonstra Corrie de Kat Angelino Janneke Ruinemans-Koerts Ina Klasen 13 oktober 2009 1 M-Proteïne diagnostiek Technieken Gel electroforese (AGE) Principe
Deze bijlage is geldig van: 29-10-2015 tot 01-11-2019 Vervangt bijlage d.d.: 12-11-2014
van N.V. MyLab Carusostraat 1 Paramaribo Suriname Locatie waar activiteiten onder accreditatie worden uitgevoerd Hoofdkantoor Klinische Chemie 1 Serum Het bepalen van de alanine aminotransferase activiteit
RICHTLIJN BASISPAKKET LABORATORIUMBEPALINGEN BIJ STABIELE CHRONISCHE CENTRUM HEMODIALYSEPATIËNT EN PERITONEALE DIALYSEPATIËNT
RICHTLIJN BASISPAKKET LABORATORIUMBEPALINGEN BIJ STABIELE CHRONISCHE CENTRUM HEMODIALYSEPATIËNT EN PERITONEALE DIALYSEPATIËNT De richtlijn bevat aanbevelingen van algemene aard. Het is mogelijk dat in
Algemene klinische chemie 2007
Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneesk 2008; 33: 131-137 Algemene klinische chemie 2007 Vraag 1 U heeft een nieuwe chemieanalyzer van een andere firma aangeschaft ter vervanging van uw huidige analyzer. a)
Patiënteninformatie. Diabetische ketoacidose
Patiënteninformatie Diabetische ketoacidose Inhoud Inleiding... 3 Informatie over ziektebeeld diabetische ketoacidose... 3 Leer meer over DKA en bloedketonencontrole... 3 Symptomen... 4 Wie riskeert de
De waarde van de expert IGF-1 harmonisatie
De waarde van de expert IGF-1 harmonisatie Eef Lentjes Sectie Endocrinologie SKML Jun 2015 doel van laboratorium bepalingen Identificeren van verstoring in een patient en monitoren van behandelingen Goede
BRRRRRRRuin Serum. MMC Eindhoven 26 maart 2015
BRRRRRRRuin Serum MMC Eindhoven 26 maart 2015 Casus 1 Jongen, 2 jaar Overplaatsing uit ander ziekenhuis Sinds een week algehele malaise; minder eetlust, koorts. Eenmalig braken; bloederige diarrhee gehad
Referentiewaardelijst bepalingen
Deze lijst toont de referentiewaarden voor de bepalingen uitgevoerd op het laboratorium van Diagnostiek voor U Opmerkingen: - De tijdsduur tot de rapportage van de uitslag is afhankelijk van de manier
Nascholing verpleegkundig specialisten oncologie De Lever: anatomie, leverschade en leverfunctie
Nascholing verpleegkundig specialisten oncologie De Lever: anatomie, leverschade en leverfunctie GJ (Geert) Bulte, MDL-arts i.o. Jeroen Bosch ziekenhuis, s Hertogenbosch donderdag 19-6-2014 5x leverfuncties
Informatie over laboratoriumdiensten van het Antonius Ziekenhuis. - eerstelijnsaanvragers -
Informatie over laboratoriumdiensten van het Antonius Ziekenhuis - eerstelijnsaanvragers - Versie 1. Juni 2015 1. Algemeen 2. Klinisch chemici & medisch leider trombosedienst Dr. D. Hardeman 0515-488503
Richtlijn Hyperbilirubinemie
Richtlijn Hyperbilirubinemie Samenvattingskaart Kinderarts Bilicurve a terme kinderen > 35 wkn TSB (umoi/i) 500 480 460 440 420 400 380 360 340 320 300 280 260 240 220 200 180 160 140 120 100 80 60 40
