handleiding leerjaar 5 blok 6
|
|
|
- Augusta van Veen
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 handleiding leerjaar 5 blok 6 Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Redactie: Fundamentaal, Culemborg Ontwerp: Criterium, Arnhem Opmaak: Grafi Data, Deventer ThiemeMeulenhoff ontwikkelt leermiddelen voor Primair Onderwijs, Voortgezet Onderwijs, Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie en Hoger Beroepsonderwijs Meer informatie over ThiemeMeulenhoff en een overzicht van onze leermiddelen: of via onze klantenservice (088) ISBN Tweede druk, eerste oplage, 2010 De 2e editie van Alles telt is een volledige herziening van de 1e editie ThiemeMeulenhoff, Baarn/Utrecht/Zutphen De 1e editie van Alles telt is gebaseerd op Das Zahlenbuch Ernst Klett Verlag GmbH, Stuttgart, Federal Republic of Germany Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16 Auteurswet j het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl., dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp ( Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, fi lm en het maken van kopieën in het onderwijs zie nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
2 2 blok 6 overzicht van de leerdoelen Leerlijn Getalrelaties en getalbegrip Leerdoelen De leerlingen kunnen getallen plaatsen op de getallenlijn van 1000 tot en met Zij kunnen getallen samenstellen met eenheden, tientallen, honderdtallen en duizendtallen. Ook kunnen zij getallen boven de 1000 plaatsen in het DHTE-schema. Maatschrift De leerlingen kunnen getallen plaatsen op de getallenlijn van 1000 tot en met Zij kunnen getallen samenstellen met eenheden, tientallen, honderdtallen en duizendtallen. Ook kunnen zij getallen boven de 1000 plaatsen in het DHTE-schema. Basisvaardigheid optellen De leerlingen hebben kennis gemaakt met gecompliceerde berekeningen. Maatschrift De leerlingen hebben kennis gemaakt met berekeningen vanuit een context. Basisvaardigheid vermenigvuldigen De leerlingen leren splitsend te vermenigvuldigen (7 x 12 = 7 x x 2). Zij hebben geleerd machinetaal te begrijpen en getalbewerkingen uit te voeren. Zij kennen tienvouden en tiende delen en weten dat 2 x en daarna 5 x, 10 x is. Zij kunnen vermenigvuldigen met en delen door 10. Ook hebben de leerlingen kennis gemaakt met gecompliceerde berekeningen. Maatschrift De leerlingen leren splitsend te vermenigvuldigen (7 x 12 = 7 x x 2). Zij hebben geleerd machinetaal te begrijpen en getalbewerkingen uit te voeren. Zij kennen tienvouden en tiende delen en weten dat 2 x en daarna 5 x, 10 x is. Zij kunnen vermenigvuldigen met 2, 5 en 10. Ook hebben zij kennis gemaakt met berekeningen vanuit een context. Basisvaardigheid delen De leerlingen kunnen delen met als deeltal een tienvoud (zowel in context als in tabel). Zij kunnen delen door 10. Zij hebben geleerd dat een deling het omgekeerde is van een vermenigvuldiging. Maatschrift De leerlingen kunnen delen met als deeltal een tienvoud (zowel in context als in tabel). Zij hebben geleerd dat een deling het omgekeerde is van een vermenigvuldiging.
3 Alles telt Handleiding 5 3 Leerlijn Lengte en omtrek Leerdoelen De leerlingen hebben de relatie verkend tussen 1 dm = 10 cm en 1 m = 10 dm. Zij hebben leren meten met natuurlijke maten en cm en dm. Ook kunnen zij m, dm, cm in elkaar omrekenen. Maatschrift De leerlingen hebben de relatie verkend tussen 1 dm = 10 cm en 1m = 10dm. Zij hebben leren meten met natuurlijke maten en cm en dm. Ook kunnen zij m, dm, cm in elkaar omrekenen. Oppervlakte De leerlingen kunnen een meter opdelen in halve meters. 2 Zij weten dat 1m bestaat uit 4 tegels van 50 x 50 cm. Ook hebben ze geleerd dat de oppervlakte van een rechthoek l x b is. Maatschrift De leerlingen hebben geleerd dat de oppervlakte van een rechthoek l x b is. Meetkunde De leerlingen leren de symmetrieas (spiegellijn) te bepalen. Zij kunnen fi guren spiegelen en hebben ontdekt wat symmetrisch betekent. Maatschrift De leerlingen leren de symmetrieas (spiegellijn) te bepalen. Zij kunnen fi guren spiegelen en hebben ontdekt wat symmetrisch betekent. Tijd De leerlingen leren de structuur van een jaarkalender. Ook kunnen ze handig en systematisch rekenen op de kalender. Zij kunnen vakantiedagen en schooltijden berekenen. Zij hebben gevoel ontwikkeld voor de lengte van een schooljaar. Maatschrift De leerlingen hebben kennis gemaakt met de structuur van een jaarkalender. Zij kunnen handig en systematisch rekenen op de kalender. Zij kunnen rekenen in weken en dagen in een tabel.
4 4 blok 6 les 1 en 2 Leerlijn Lengte en omtrek Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof Relatie tussen 1 dm = 10 cm en 1 m = 10 dm verkennen Meten in cm, dm en natuurlijke maten De m, dm en cm naar elkaar omrekenen Oefenen Rekenen met tijd Nieuwe stof Relatie tussen 1 dm = 10 cm en 1 m = 10 dm verkennen Meten in cm, dm en natuurlijke maten De m, dm en cm naar elkaar omrekenen Oefenen Delen, ook met deeltal 10 of meer keer zo groot als de deler Optellen en aftrekken t/m 1000 met ronde tientallen Aftrekken in (geld)context De getallenlijn tussen 800 en 900 Sprongen op de getallenrij 1 Getal van de week Laat de kinderen het getal van de week kiezen. Schrijf dit op het bord en laat de kinderen in de loop van de week dingen bedenken die met dat getal te maken hebben. Schrijf deze eronder en bespreek het getal af en toe. 2 Tafels automatiseren 2 4 = ( 8) 9 2 = (18) 4 9 = (36) 9 7 = (63) 9 3 = (27) 3 4 = (12) 3 2 = ( 6) 8 3 = (24) 7 8 = (56) 8 5 = (40) 8 6 = (48) 4 5 = (20) 5 6 = (30) 6 7 = (42) 7 5 = (35) 6 2 = (12) 3 Hoeveel graden verschil? Vraag de kinderen hoeveel graden verschil er is tussen: + 25 en + 8 (17) 13 en 8 ( 5) + 34 en + 7 (27) + 25 en 8 (33) 13 en + 8 (21) 9 en 15 ( 6) + 34 en 7 (41) 9 en + 15 (24) + 2 en 12 (14) Maatschrift 1 Vooruit en achteruit (12) = (1) = (22) = (2) = (32) = (3) = (42) = (4) = (32) = (22) = (12) = (42) = (1) = (3) = (6) = (9) = 260 Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 86 en 87 Werkschrift 5 blz. 52 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 32 en 33 Plusschrift 5 blok 6 Kopieerblad 5.14 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Bordliniaal Linialen Groot vel papier 2 Getallen op de getallenlijn Teken op het bord een getallenlijn van 0 tot 800. Laat de kinderen op een blaadje meetekenen of geef ze kopieerblad Laat de kinderen de volgende getallen plaatsen: 400, 600, 200, 500, 100, 700, 300. Hoe bepalen de kinderen dat? Vraag nu aan de kinderen: Teken nu de buurgetallen van 400, 600, 200, 500, 100, 700 en 300. (399 en 401, 599 en 601, 199 en 201, 499 en 501, 99 en 101, 299 en 301) 3 Ordenen Teken opnieuw een getallenlijn van 600 tot 700 op het bord. Wat komt er voor: 730, 760, 790, 725, 740, 755? (729, 759, 789, 724, 739, 754) Wat komt er na: 764, 789, 799, 724, 709, 744? (765, 790, 800, 725, 710, 745) Wat ligt er precies tussen: 712 en 714 (713) 734 en 736 (735) 799 en 801 (800) 634 en 638 (636) 723 en 725 (724) 646 en 650 (648) 624 en 630 (627) 645 en 665 (655)
5 Alles telt Handleiding 5 5 Waar gaat deze les over? In deze les komt nogmaals de dm aan de orde. Aan de hand van allerlei metingen in de klas die opgeschreven moeten worden, gaan de kinderen hun metingen vergelijken en kiezen ze de juiste maat. De voorwerpen die gekozen worden, zijn het best in dm te meten. De oude (natuurlijke) maten, de handspan en de voet (respectievelijk ongeveer 2 dm en 3 dm), kunnen het schatten gemakkelijker maken. De kindermaat komt in de meeste gevallen niet overeen met de volwassen maat. Taal en rekenen Taaltip In deze les komen oude maten als bijvoorbeeld de handspan aan de orde. Dat is voor de kinderen waarschijnlijk een onbekende maat. Laat u de kinderen de lengte van hun tafel meten met uitgestrekte duim en wijsvinger (wijs eventueel ook op opgave 3 in het leerlingenboek). Hoe groot is de handspan van de kinderen? Hoe groot was de maat van de handspan vroeger officieel? (2 dm) Overigens is de handspan de afstand tussen uitgespreide duim en pink! Het is al eerder aan de orde geweest maar de term decimeter betekent een tiende meter (zoals centimeter een honderdste meter betekent). Met de bordliniaal erbij is dat niet moeilijk te zien. Besteedt u ten slotte ook nog een keer aandacht aan de samenhang van de begrippen hoogte, diepte, breedte, grootte, lengte en omtrek. Laat de kinderen bij elk woord een zinnetje maken. Rekenwoorden Decimeter Omtrek Lastige woorden Horizontaal Verticaal
6 6 Blok 6 Les 1 en 2 Lesverloop van les 1 C1 C2 C3 De decimeter, ken je die nog? Meten De afbeeldingen van de huishoudcentimeter, bordliniaal, rekenboeken en een vel papier duiden al op de decimeter. Bij deze vervolgoriëntatie krijgt de decimeter vorm en inhoud. De maat wordt vergeleken met de meter en de centimeter. 1 m = 10 dm, af te lezen op de bordliniaal. 1 dm = 10 cm, af te lezen op de huishoudcentimeter (en de bordliniaal). Welke voorwerpen zijn (ongeveer) een decimeter? Een vel papier (A4) is in de breedte ongeveer 2 dm en in de lengte bijna 3 dm. Er kan her en der in het lokaal gemeten worden. De resultaten worden verzameld en met elkaar vergeleken. Laat ook lijnen van verschillende lengte tekenen en opmeten, bijvoorbeeld een rechthoek van 2 dm lang en 1 dm breed. Besteed ook aandacht aan de handspan (deze komt in opgave 3 aan de orde) en de voet (ook een oude lengtemaat). Een volwassen hand heeft een handspan (van uitgespreide duim tot pink) van ongeveer 2 dm en een voet van ongeveer 3 dm. Kijk of het klopt. Zijn er kinderen met een bijna volwassen maat? En hoe groot is die van de juf of de meester? De spanwijdte tussen duim en wijsvinger (van een kind) is maar ongeveer 1 dm. (zie opgave 3) Waar of niet waar? Meten Waar beginnen de kinderen te meten? Let op of de kinderen bij de 0 aanleggen en niet bij het begin van de liniaal of bij de 1. Ook het aflezen kan verschillen als het tussen 2 streepjes valt. Weet je ze nog? Meten Aandacht voor schatten en precies meten en herleiden. De handspan die staat afgebeeld meet van duim tot wijsvinger en is bovendien van een kinderhand. Deze handspan is daarom ongeveer 1 dm. Bijvoorbeeld: dit boek is ongeveer 3 (kinder)handspannen en is precies 2 dm en 7 cm of 27 cm. Laat ook wat oefeningen doen met herleiden.
7 Alles telt Handleiding 5 7 Aandachtspunten bij les 2 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Bij d zijn verschillende noteringen mogelijk. 2 Het mag duidelijk zijn dat het meten met je liniaal hier heel belangrijk is. Er zal altijd in cm s worden gemeten en zelden in dm s. Dat de dm past in het decimale systeem van het meten zal in de hogere leerjaren aan de orde komen. 3 De kinderen kunnen de afgebeelde stationsklok gebruiken. werkschrift blz Gebruiken de kinderen hun liniaal correct? 2 Bij de grootste fi guur gaat het over oppervlakte en niet over omtrek. maatschrift blz. 32 en 33 1 Het aflezen zal waarschijnlijk geen problemen opleveren. 2 Gebruiken de kinderen hun liniaal correct? 3 Aan de antwoorden is goed te zien of de kinderen enig maatgevoel hebben ontwikkeld. 4 De eerste som is een hulpsom voor de rest van het rijtje. 5 Een oefening in de deeltafels. Hoe vlot gaat dit? 6 Welke manieren gebruiken de kinderen? 7 De som kan ook zijn = 176 (aanvullen). 8 De vijfvouden helpen bij het vinden van de andere getallen. 9 Zien de kinderen dat de eenheid steeds 5 is? Observatie en extra hulp Omdat het aanleggen van de liniaal vaak verkeerd wordt gedaan oefent u nog eens met de kinderen die dat nog fout doen. Wat krijg je voor antwoorden als je het niet goed doet? Laat de kinderen een dm tekenen op 3 manieren. Vanaf het begin van de liniaal. Vanaf de 1 op de liniaal. Vanaf de 0 op de liniaal. Wat is het goede antwoord? Stap even uit de les Referenties Laat van de volgende maten een voorwerp zoeken met die lengte. Zet op een groot vel papier 1 km, 1 m, 1 dm, 1 cm en 1 mm en laat daar tekeningen bij zetten van dingen met die lengte. Bespreek de oplossingen met de kinderen en hang de poster een tijdje op in de klas. Afronding U kunt leerlingenboek opgave 3 bespreken. Hebben de kinderen de afgebeelde klok gebruikt of ging alles uit het hoofd? Is de notatie met punt duidelijk? Hoe wordt 8.30 uitgesproken? (acht punt dertig of acht uur dertig of half negen) Bij werkschrift opgave 1 en 2 vraagt u expliciet aan de kinderen hoe ze hun liniaal aanleggen. Kijk wat er gebeurt met een foute manier. Ook bij maatschrift opgave 2 vraagt u aan de kinderen hoe ze hun liniaal aanleggen. Kijk wat er gebeurt met een foute manier. Hoe vlot gingen de sommen van opgave 4? Welke manieren gebruikten de kinderen bij opgave 6?
8 8 blok 6 les 3 en 4 Leerlijn Basisvaardigheid vermenigvuldigen Leerdoelen Nieuwe stof Splitsend vermenigvuldigen Oefenen Strategisch rekenen Splitsend vermenigvuldigen Splitsend delen Aanvullen tot honderdtal Nieuwe stof Splitsend vermenigvuldigen Oefenen Vermenigvuldigen met geld Gewichten vergelijken De getallenlijn tussen 800 en 900 Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 88 en 89 Werkschrift 5 blz. 53 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 34 en 35 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Weerkaartjes uit de krant Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Vermenigvuldigen 6 12 = (72) 7 11 = (77) 8 18 = (144) 3 17 = ( 51) 5 13 = (65) 4 16 = (64) 9 14 = (126) 7 15 = (105) 2 Optellen en aftrekken = (780) = (800) = (600) = (140) = (340) = (580) = ( 60) = (860) = (578) = (260) = (640) = (570) 3 Doordenkertjes Een klas heeft 24 kinderen. Er zijn 2 keer zoveel jongens als meisjes. De helft van de meisjes heeft een bril op. Er zijn 3 keer zoveel jongens met een bril als meisjes met een bril. De helft van de brildragende jongens heeft een beugel. Hoeveel jongens zitten er in de groep? (16) Hoeveel meisjes zitten er in de groep? (8) Hoeveel meisjes hebben een bril? (4) Hoeveel jongens hebben een bril? (12) Hoeveel jongens hebben een beugel? (6) Maatschrift 1 Delen 70 : 7 = (10) 91 : 7 = (13) 140 : 7 = (20) 350 : 7 = (50) 77 : 7 = (11) 98 : 7 = (14) 210 : 7 = (30) 490 : 7 = (70) 84 : 7 = (12) 105 : 7 = (15) 280 : 7 = (40) 630 : 7 = (90) 2 Combineren Laat de reeksen eerst opschrijven. Laat de kinderen daarna handig combineren = (60) = (100) = (50) = ( 90) = (50) = ( 90) = (60) = ( 70) 3 Verdubbelen en halveren Wat is het dubbele van: 52, 54, 55, 45, 46, 28? (104, 108, 110, 90, 92, 56) Wat is de helft van: 86, 102, 80, 800, 600, 650? (43, 51, 40, 400, 300, 325)
9 Alles telt Handleiding 5 9 Waar gaat deze les over? In deze les gaan de kinderen verder met het splitsend vermenigvuldigen. Dat kan heel mooi zichtbaar gemaakt worden met het roostermodel. Tekent u op het bord een rooster van 7 12 hokjes. Een dikke lijn na 10 hokjes en de 7 12 hokjes worden gesplitst in 7 10 en 7 2 hokjes. Resultaat: = 84. Dat wil zeggen: een vermenigvuldiging met een tiental en een bekende tafelsom. Zo is elke vermenigvuldiger te splitsen. Later splitsen we ook het vermenigvuldigtal. Taal en rekenen Taaltip Bij werkschrift opgave 3 wordt gevraagd Hoeveel kosten deze fi guren?. Dat moet worden toegelicht, want het is overdrachtelijk bedoeld. In principe kosten die fi guren niets, maar omdat er aan een deeltje een bepaalde waarde is toegekend, zijn de fi guren die uit meerdere deeltjes bestaan meer waard. Het hangt dus van de hoeveelheid deeltjes af. Tekent u als voorbereiding een rechthoek op het bord en verdeel die in 4 gelijke delen. Zeg dat het kleine deel 12 is. Kleur dan eerst 2 delen en vraag naar de waarde, enzovoort. Rekenwoorden Sommen Honderdtal Lastige woorden Overnemen
10 10 Blok 6 Les 3 en 4 Lesverloop van les 3 C1 C2 C3 C4 Hoe reken jij? Splitsend vermenigvuldigen Een kind (de linkermanier) tekent 6 28 helemaal uit en voegt een schema toe. Noa doet eigenlijk hetzelfde, maar alleen met getallen. Als je 28 schrijft als 30 2, dan ben je ook bezig met splitsend vermenigvuldigen. En als iemand daarna op de gedachte komt om 28 te splitsen in is daar niets op tegen. In principe komen de verschillende berekeningen op hetzelfde neer: splitsend vermenigvuldigen. Welke sommen horen erbij? Splitsend vermenigvuldigen Hoewel de antwoorden op één rekenmanier zijn uitgeschreven, kunnen we met name bij goede rekenaars toch ook andere rekenwijzen verwachten, zoals 3 69 = Inventariseer eens waar de voorkeur naar uitgaat. Benadrukt u nog eens dat elk kind niet meerdere aanpakken hoeft te kunnen toepassen. Laat de kinderen zelf kiezen en versterk dan die aanpak. Reken uit. Splitsend vermenigvuldigen Na de bespreking van opgave 2 is het interessant om te kijken of sommige kinderen zijn overgestapt op een andere manier. Wat kosten de postzegels? Splitsend vermenigvuldigen Aanpakgedrag is bij deze som belangrijk. Zeg niets voor en laat eerst een stukje zelf rekenen. Stop dan en vraag wat er al staat aan antwoorden. Wie is bijvoorbeeld bij 10 begonnen om dan de helft te nemen? Andere manieren zijn: verdubbelen en 9 44 =
11 Alles telt Handleiding 5 11 Aandachtspunten bij les 4 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Een oefening in het splitsend vermenigvuldigen, maar er kan ook verdubbelen/halveren worden toegepast: 4 35 = Ook hier kan verdubbelen een rol spelen. 3 Bij een aantal sommen kan handig worden gerekend. 4 Bij 30 en 60 wordt er niet gesplitst. werkschrift blz Een oefening in het splitsend vermenigvuldigen, maar er kan ook handig gerekend worden. 2 Een oefening van de tafelsommen in een tabel. 3 Tellen en vermenigvuldigen met impliciete differentiatie. De meetkunde is daarbij de context. 4 Aanvullen tot een volgend honderdtal. maatschrift blz. 34 en 35 1 Splitsend vermenigvuldigen met behulp van het roostermodel. 2 Handig rekenen? Want 5 12 = 10 6 = Splitsend vermenigvuldigen kan worden toegepast. 4 Wijs eventueel op 3 10 en 4 10 als hulpsom. 5 Vermenigvuldigingen terwijl de vermenigvuldiger een tiental is. 6 De tafel van 8 in een tabel. 7 Gewichten vergelijken. Ook een kwestie van getalbegrip. 8 De vijfvouden geven vaak steun. Als je 805 weet, is 804 niet moeilijk meer. Afronding Maakt u met de kinderen nog een paar sommen van werkschrift opgave 1 samen. Is het splitsend vermenigvuldigen door iedereen begrepen? Wordt er ook handig gerekend? Bij maatschrift opgave 1 werd met het roostermodel het splitsend vermenigvuldigen uitgewerkt. Tekent u op bord nog eens op dezelfde manier 6 17 en laat de kinderen verwoorden hoe ze splitsen, welke producten er dan komen en wat bij elkaar opgeteld moet worden. Wie de tafelsommen onvoldoende beheerst, zal toch weer terugvallen op het tellen van de hokjes. Ook bij de andere opgaven kan onvoldoende beheersing een handicap zijn. Observatie en extra hulp Kennen de kinderen de vermenigvuldigtafels tot 10 en de tafels van de tientallen tot 100? Laat lastige sommen opschrijven: 6 9 = 54, 6 90 = 540, 60 9 = 540. Leg de nadruk op de overeenkomsten. Stap even uit de les Het weer Knip uit de krant de gekleurde weerkaart van Europa van gisteren of vandaag. Probeer zo veel mogelijk weerkaarten te verzamelen. Het gaat om de temperatuur. Er worden kleuren gebruikt om temperatuurzones aan te geven. Wat betekent rood, oranje, geel, groen, enzovoort? Kijk daarvoor naar de legenda, meestal een balk bovenin of onderin. De temperatuur wordt aangeven in zones. Donkerrood is van 35 tot 40 graden, lichtrood is van 30 tot 35 graden, enzovoort. De temperatuur in Nederland staat ook aangegeven. Klopt dat met de zone? Bij de weerkaart staat de temperatuur van een aantal plaatsen vaak nogmaals aangegeven in een overzichtje. Laat van bekende plaatsen de temperatuur uit het lijstje noemen en vergelijken met de temperaturen die bij diezelfde plaats op de kaart staan aangegeven. Komen de temperaturen overeen?
12 12 blok 6 les 5 herhalen en oefenen Leerlijn Lengte en omtrek Basisvaardigheid vermenigvuldigen Leerdoelen Nieuwe stof Relatie tussen 1 dm = 10 cm en 1 m = 10 dm verkennen Meten in cm, dm en natuurlijke maten Rekenen met de jaarkalender Splitsend vermenigvuldigen Oefenen Aftrekken met hulpsom Rekendriehoeken Delen, ook met deeltal 10 of meer keer zo groot als de deler Sprongen (verdubbelen) op de getallenrij Nieuwe stof Relatie tussen 1 dm = 10 cm en 1 m = 10 dm verkennen De m, dm en cm naar elkaar omrekenen Splitsend vermenigvuldigen Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Spelletje Geef kopieerblad 5.23 met daarop het honderdveld. Geef ieder kind 2 dobbelstenen. Elk kind gooit 2 keer met beide dobbelstenen. Er kunnen nu 2 getallen worden gemaakt. Bijvoorbeeld: als er 2, 3 en 5, 6 wordt gegooid, kan van de eerste worp 23 en 32 en van de tweede worp 56 en 65 gemaakt worden. De getallen mogen opgeteld of afgetrokken worden. De uitkomst wordt doorgestreept op het honderdveld. Het doel is om met zo min mogelijk worpen 4 op een rij (horizontaal, verticaal of diagonaal) te krijgen. Dit spel kan ook met 2 personen op één honderdveld gespeeld worden. De deelnemers hebben verschillende kleuren potloden en gooien om de beurt. Dan mag een vakje dat al door een ander kind is gekleurd niet nog een keer worden gebruikt. 2 Familiesommen De kinderen bedenken familiesommen, uitgaande van de vermenigvuldigtafels tot 10. Bijvoorbeeld: 5 7 = : 5 = : 7 = = : 7 = : 50 = = : 5 = : 70 = = 350 Maatschrift Oefenen Aftrekken in (geld)context Vermenigvuldigen met geld Oefening in getalbegrip Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 90 en 91 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 36 en 37 Plusschrift 5 blok 6 Kopieerblad 5.23 (honderdveld) Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Dobbelstenen (2 per kind), kleurpotloden Kranten, zonnebril, cd s (om op te meten) Linialen 1 Waar of niet waar? = 290 (waar) 7 19 = 134 (niet waar) 16 7 = 7 16 (waar) 5 70 = 7 50 (waar) = = (waar) uur = kwart voor 9 (niet waar) 2 Vermenigvuldigen Gisteren had ik in mijn portemonnee: 6 5, 10 2 en 8 1. Vandaag had ik in mijn portemonnee: 1 50 en 3 2. Ben ik nu rijker of armer geworden? ( 2 armer) Sake brengt zijn spaargeld naar de bank: 15 0,02, 12 0,05, 7 0,10 en 15 0,20. Hoeveel wordt er bijgeschreven op zijn bankrekening? ( 0,30 + 0,60 + 0,70 + 3,00 = 4,60) Op de spaarrekening van Sake stond al 5,40. Hoeveel geld heeft Sake nu? ( 10,00)
13 Alles telt Handleiding 5 13 Aandachtspunten bij les 5 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 90 en 91 1 Zorgt u voor een stapeltje kranten, een zonnebril en een paar (oude) cd s. Een mannenschoen kan ook veranderd worden in een kinderschoen. 2 Wat is een decimeter? (lijnstuk van 10 cm) Wat is een halve dm? (5 cm = de lijnen die de sterren maken) 1 dm = 10 cm. Een halve dm = 5 cm. Dat wordt hier allemaal nog eens geoefend. Verder hebben we te maken met meetkundige fi guren met regelmaat en symmetrie. 3 Kennen de kinderen de knokkelregel? Maken ze gebruik van splitsend vermenigvuldigen? 4 Een aantal sommen kan van elkaar afgeleid worden. 5 Maak gebruik van de getalpatronen. 6 Rekenen in rekendriehoeken is bekend. 7 Beheersen de kinderen de tafelsommen om deze deelsommen vlot te kunnen maken? 8 Verdubbelen in de getallenrij. maatschrift blz. 36 en 37 1 De plaatjes geven niet de juiste afmeting. Deze opgave zegt iets over het maatgevoel van de kinderen. 2 Laat bij het omrekenen de ene som de andere helpen. 3 Tellen de kinderen of rekenen ze via vermenigvuldigen en optellen? 4 Splitsend vermenigvuldigen. 5 Rijgen op de getallenlijn. 6 De tabel brengt je stap voor stap bij het antwoord. 7 Vermenigvuldigen met tienvouden. Kunnen de kinderen de bijbehorende tafelsom vinden? 8 Een oefening in getalbegrip. Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 7 < Opgave 2 6 < Opgave 3 5 < Opgave 4 16 < Opgave 5 16 < Opgave 6 12 < Opgave 7 16 < Opgave 8 12 < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 4 < Opgave 2 13 < Opgave 3 2 < Opgave 4 11 < Opgave 5 3 < Opgave 6 5 < Opgave 7 11 < Opgave 8 11 <
14 14 blok 6 les 6 en 7 Leerlijn Meetkunde Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof Spiegellijn (symmetrieas) bepalen Figuren spiegelen Ontdekken wat symmetrisch betekent Oefenen Klokkijken gecombineerd met spiegelen 12-uursnotatie van digitale tijden Nieuwe stof Spiegellijn (symmetrieas) bepalen Figuren spiegelen Ontdekken wat symmetrisch betekent Oefenen Vermenigvuldigen in context Aftrekken met ronde getallen met hulpsom Sprongen van 10 en 20 op de getallenrij Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 92 en 93 Werkschrift 5 blz. 54 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 38 en 39 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Doosjes en ruitjespapier Spiegeltjes Lucifers Vierkante blaadjes 1 Delen door en vermenigvuldigen met = (500) 560 : 10 = (56) =(500) = (420) 480 : 10 = (48) =(550) = (680) 910 : 10 = (91) =(600) = (330) 750 : 10 = (75) =(650) 2 Sommen aanvullen Zet de sommen op het bord. Vraag de kinderen wat er nog aan de som toegevoegd moet worden om het antwoord hetzelfde als het begingetal te laten zijn. Het mogen echter niet exact de omgekeerde bewerkingen zijn. Laat de tussenuitkomsten ook noemen ( 270) = : 10 (+ 810) = = 730 : = = 860 : = = 100 : 5 : = 3 Doosjes kantelen Geef de kinderen een doosje en ruitjespapier. Laat een kind het doosje op zijn kant zetten (dat kan op verschillende manieren). De andere kinderen bekijken de stand van het doosje en benoemen die. Daarna tekenen ze de stand op het papier. Bespreek de resultaten met de groep. Maatschrift 1 Vermenigvuldigen en delen 3 18 = (54) 7 12 = (84) 54 : 18 = ( 3) 84 : 12 = ( 7) 5 13 = (65) 8 11 = (88) 65 : 13 = ( 5) 88 : 11 = ( 8) 6 12 = (72) 72 : 12 = ( 6) 8 12 = (96) 96 : 12 = ( 8) 2 Optellen met = (134) Rekenen de kinderen met = = 134 of met = = 134? = (168) = (228) = (153) = (231) = (162) = (255) = (246) = (288) 5 18 = ( 90) 90 : 18 = ( 5) 8 25 = (200) 200 : 25 = ( 8) 3 Aftrekken met = (73) Rekenen de kinderen met = = 73? = (65) = (46) = (88) = (93) = (82) = (85) = (48) = (33)
15 Alles telt Handleiding 5 15 Waar gaat deze les over? In deze les worden de kinderen opnieuw geconfronteerd met het begrip spiegelen. Naast het spiegelen met de echte spiegel moeten ze ook beredeneren wat spiegelen inhoudt en wat de gevolgen daarvan zijn. Het herkennen van symmetrische vormen en het zelf creëren van zulke vormen komt aan de orde, evenals het begrip symmetrisch. Verder wordt er geoefend met klokkijken, vermenigvuldigen, aftrekken, en springen op de getallenrij. Voorbereiding: Maak de voorbeelddriehoek van opgave 1 in het leerlingenboek na op groter formaat om in de kring te gebruiken. Kopieer bladzijde 92 zodat de spiegellijnen kunnen worden ingetekend bij opgave 1. Taal en rekenen Taaltip Spiegelen is op zich niet zo n moeilijk begrip, omdat alle kinderen dit bijna dagelijks gebruiken. Maar het is toch raadzaam de volgende zinnetjes eens kritisch met de kinderen te bekijken. De foto s zijn per ongeluk in spiegelbeeld afgedrukt. Ik moet lachen om wat ik zie in de lachspiegel. Vandaag wil ik een spiegelei. De etalageruit spiegelt. De bomen worden in het kanaal weerspiegeld. Dat is geschreven in spiegelschrift. Zet die zijspiegel eens goed. Besteed voldoende aandacht aan het begrip symmetrisch: hetzelfde spiegelbeeld aan beide zijden van de spiegellijn. Rekenwoorden Spiegelen Symmetrisch Spiegellijn Lastige woorden Links Rechts Dubbelvouwen
16 16 Blok 6 Les 6 en 7 Lesverloop van les 6 C1 C2 C3 C4 Spiegelen. Spiegelbeelden De kinderen hebben al eerder ervaringen opgedaan met de wetmatigheden van spiegelen in een as. Deze kennis wordt nu aan de hand van abstractere fi guren verdiept. De combinatie beeld/spiegelbeeld, en met name het feit dat de hoek tussen beeld en spiegelbeeld verandert als de spiegel wordt bewogen, hebben de kinderen al eerder gezien. In deze opgave moeten de kinderen proberen om vanuit de voorbeelddriehoek de andere vormen te creëren door de spiegellijn steeds te verplaatsen. De kleur van de zijden helpt daarbij. De ervaringen mogen in gewone omgangstaal worden uitgelegd. Voorbeeld: als je de spiegel op de lange (gele) kant plaatst, krijg je de eerste fi guur, een vierkant. Als je de spiegel op de rode kant plaatst, krijg je een driehoek. De kinderen kunnen het best in een halve cirkel worden opgesteld met het boek op schoot en een spiegeltje erbij. Leg de eerste fi guur (een uitgeknipte driehoek) op een tafeltje in het midden van de halve cirkel. Eerst mogen de kinderen bedenken wat ze zullen zien als de spiegel op de lange kant van de driehoek wordt geplaatst. Daarna wordt gecontroleerd of de vermoedens waar zijn. De spiegel wordt op een andere zijde van de driehoek gezet of binnen de driehoek verschoven totdat de bedoelde fi guur ontstaat. Als de bladzijde van het leerlingenboek gekopieerd is, kan in elke fi guur de spiegellijn (symmetrie-as) worden ingetekend. Wat zie je hier? Spiegelbeelden Nu wordt het begrip symmetrie ingevoerd. In deze les beperken we ons tot de symmetrie die ontstaat via een (stippel)lijn, die de spiegel vervangt: spiegelsymmetrie. De aangegeven tijd is bijzaak, maar zal wel even ter sprake komen. Als je een spiegel verticaal op de 2 stippen zet, zie je wat er achter de spiegel ligt. Teken getallen met 2 verschillende symmetrische cijfers. Spiegelbeelden Het hangt er natuurlijk vanaf hoe je de cijfers schrijft, eigenlijk hoe je ze tekent. Met lucifers cijfers en getallen maken biedt een didactische mogelijkheid. Het aantal oplossingen is vrij groot. Let erop dat het hier niet om kloktijden gaat. Op hoeveel manieren kun je een vierkant dubbelvouwen? Spiegelbeelden Geeft u de kinderen allemaal een vierkant blaadje en een spiegeltje. Vinden de kinderen de 4 manieren waarop de spiegel neergezet kan worden: horizontaal, verticaal en 2 keer diagonaal?
17 Alles telt Handleiding 5 17 Aandachtspunten bij les 7 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz De kinderen onderzoeken hoe je de spiegel zo kunt houden dat de fi guur precies gereproduceerd wordt. Het onderzoeken kan gebeuren door middel van uitproberen, maar ook met beredeneren. 2 Een vervolg op de vorige opdracht, maar met meer variatie. De fi guren zijn bekend. Het is aan te raden om gebruik te maken van een spiegeltje of om naderhand de uitkomst te controleren met een spiegeltje. 3 Bij de klok is alleen een spiegeling van links naar rechts (verticale spiegellijn) mogelijk, anders kloppen de standen van de wijzers niet. Je kijkt als het ware van achteren door een doorzichtige klok. 4 Een oefening in rekenen met digitale tijden. werkschrift blz De subopgaven verschillen in moeilijkheid: c en h zijn de lastigste. 2 De opdrachten uit deze opgave zijn duidelijk ingewikkelder dan die uit opgave 1, vanwege de samengestelde fi guren. maatschrift blz. 38 en 39 1 Staat het spiegeltje op de goede plek? 2 Bij c komt de gespiegelde fi guur los van de spiegellijn. 3 Een deel van de gespiegelde fi guur is al getekend. 4 Deze opgave vergt een goed voorstellingsvermogen. Controleren met een spiegeltje mag. 5 Uitrekenen met behulp van de tabel. 6 Tellen of vermenigvuldigen? 7 Aftreksommen met hulpsom. 8 Tellen met sprongen van 10 en 20. Mooie getallen dus. Observatie en extra hulp Kijk of de kinderen de spiegel loodrecht op het papier houden. Wie zich niet goed kan voorstellen hoe de spiegelbeeldige fi guur eruit zal zien, mag eerst met de spiegel de fi guur maken en deze daarna tekenen. Stap even uit de les Naar buiten Laat op het speelplein symmetrische fi guren maken. De kinderen geven elkaar een hand en maken op die manier lijnen. Eerst een simpele rechthoek van 4 bij 6 kinderen: Maar de kinderen kunnen ook ingewikkelder fi guren als vlinder, huis, enzovoort, verzinnen. Laat ze van te voren bedenken hoeveel kinderen er nodig zijn. Is het mogelijk om vanaf de bovenverdieping van de school een foto te maken van de fi guren die de kinderen vormen? Afronding Gaat u met de kinderen de spiegelingen nog eens na en laat ze verwoorden wat er gebeurt. Kunnen ze zich mentaal al voorstellen wat het spiegelbeeld wordt bij een gegeven spiegellijn of hebben ze de spiegel nodig om het te zien?
18 18 blok 6 les 8 en 9 Leerlijn Basisvaardigheden vermenigvuldigen en delen Leerdoelen Nieuwe stof Machinetaal en getalbewerkingen begrijpen Tienvouden en tiende delen kennen Weten dat 2 en daarna 5 een tienvoud oplevert Vermenigvuldigen en delen door 10 Oefenen Omtrek meten Oppervlakte meten met tegels Aanvullen tot 1000 Nieuwe stof Machinetaal en getalbewerkingen begrijpen Tienvouden en tiende delen kennen Weten dat 2 en daarna 5 een tienvoud oplevert Vermenigvuldigen en delen door 10 Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Tafels automatiseren Oefen de tafelsommen die de kinderen moeilijk vinden. 2 Plattegronden Laat de kinderen op ruitjespapier (1 1 cm) zo veel mogelijk kamers tekenen. Een zijde van een hokje noemen we een hekje. Het gaat om de volgende omtrekken: 24 hekjes, 36, 28, 38, 12, 18, 32, 30. Laat ook de oppervlaktes erbij schrijven. Hoe gaan de kinderen te werk met het bepalen van de juiste omtrekken? Gebruiken ze strategieën of proberen ze uit? Zien de kinderen dat bij rechthoekige kamers 2 haaks op elkaar staande zijden de helft van de omtrek zijn? 3 Geld wisselen Zet de volgende tabellen op het bord en laat de kinderen de bedragen handig wisselen in munten van 1 cent en 10 cent en munten van 1 en biljetten van c 5 c 120 c 9 c 54 c 1 c (5) (9) (4) 10 c (8) (12) (5) Oefenen Optellen met rijgen op de getallenlijn Aftrekken met rijgen op de getallenlijn Sprongen van 2 net onder de (4) (1) (3) 10 (1) (78) (6) (2) (100) Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 94 en 95 Werkschrift 5 blz. 55 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 40 en 41 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Ruitjespapier (1 1 cm) Namaakgeld Grote doos, viltstift Kaartjes met rekenkundige bewerkingen (bijv. +6 of 3) Maatschrift 1 Halveren Wat is de helft van 242, 468, 684? (121, 234, 342) En van 832, 826, 950? (416, 413, 475) 2 Verdubbelen Wat is het dubbele van 221, 234, 343? (442, 468, 686) En van 410, 430, 350? (820, 860, 700) 3 Bankdirecteur spelen Geef de kinderen namaakgeld (biljetten). Laat de kinderen de volgende geldbedragen neerleggen (er zijn vaak meerdere oplossingen): 123, 146, 24, 38, 49, 55, 66, 71.
19 Alles telt Handleiding 5 19 Waar gaat deze les over? In deze les nemen de machientjes het over. Het lijkt erop dat zij de sommen uitrekenen op bevel. Het antwoord rolt er dan weer uit. Alle bewerkingen kunnen zo door elkaar gebruikt worden. Nu werkt de machine op het niveau van de kinderen, dus een simpele bewerking als 5 : 2 kan nog niet uitgevoerd worden. Deze manier van rekenen geeft veel mogelijkheden tot reflectie. En ook is het een simpele voorbereiding op de zakrekenmachine die later gebruikt gaat worden. Taal en rekenen Taaltip In deze les doen de machines het rekenwerk. Dat levert vaak een aparte taal op. Kijkt u bijvoorbeeld met de kinderen naar de eerste machine bij leerlingenboek opgave 1. Deze geeft achtereenvolgens 4 verschillende bewerkingen aan. Wat doe het eerste deel van de machine? Laat dat verwoorden. Dat antwoord kan heel kort zijn, bijvoorbeeld: keer 10. Maar ook: Dit stuk van de machine vermenigvuldigt met 10 of: Dit deel van de machine maakt het begingetal 10 keer zo groot en nog abstracter: Dit deel van de machine maakt 30 van het begingetal 3 of ten slotte: Bij dit deel van de machine komt er bij elk getal een 0 achter. Bespreek zo ook de andere delen van de machine. Rekenwoorden Bewerkingen +,,, : Rekenen met tienen Pijlentaal Lastige woorden Getallenmachine
20 20 Blok 6 Les 8 en 9 Lesverloop van les 8 C1 C2 C3 Welk getal komt er uit de getallenmachine? Vermenigvuldigen met 10 en delen door 10 Voer met de kinderen een gesprek over sommen waarin het begingetal gelijk is aan de uitkomst. Wie kent zulke sommen? Wat moet je met een getal doen om het begingetal en de uitkomst hetzelfde te laten zijn? Je stopt bijvoorbeeld 5 in de getallenmachine, die doet een getal erbij, eraf, doet het een aantal keer of deelt het getal en er komt weer precies hetzelfde getal uit de machine als het getal dat erin ging. Geef dit weer op het bord met concrete voorbeelden, anders wordt het snel onduidelijk = 5, 5 0 = 5, 5 1 = 5, = 5, 5 3 : 3 = 5, = 5. De kinderen zien meerdere vermenigvuldigingen en delingen binnen een som, waarbij de 10 een belangrijke rol speelt. Bij vraag c kan de lengte van de machine variëren. Kijk nu zelf wat er met de getallen gebeurt. Vermenigvuldigen met 10 en delen door 10 Bespreekt u de vondsten van de kinderen. Zien de kinderen dat elk getal bij a 10 zo groot wordt en bij b 10 zo klein? Wat gebeurt er met de getallen? Rekenen met tienen. Vermenigvuldigen met 10 en delen door 10 Vraag de kinderen wat de uitkomst te maken heeft met het begingetal. Als eerst een getal 5 keer genomen wordt en dan nog 2 keer, wordt het getal... keer groter. Geef voorbeelden, zoals: Ik doe een getal eerst 2 keer en dan nog eens 2 keer. Hoeveel keer is het dan groter geworden? We gaan het proberen: 4 2 =? 8 2 =? Hoeveel keer groter dan 4 is 16? Neem nu een getal eerst 2 keer en dan nog eens 3 keer. (Let nu op: er zijn ongetwijfeld kinderen die zeggen dat het nieuwe getal 5 keer groter is geworden.) Laat dit controleren aan de hand van één of meer concrete (kleine) getallen. Ditzelfde doen we met delen door 2 en daarna delen door 5. Wat gebeurt er nu met het begingetal?
21 Alles telt Handleiding 5 21 Aandachtspunten bij les 9 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Hier gaan de kinderen oefenen in vermenigvuldigen met 10 en delen door Rekenen met machientjes, maar nu in een meer schematische vorm. 3 Verdubbelen is ook een optie bij het bepalen van de omtrek. 4 Weten de kinderen nog het verschil tussen omtrek en oppervlakte? werkschrift blz Bij c kan de tabel van b gebruikt worden. 2 Zoek de hulpsom. 3 Halveren is altijd een optie. 4 Wat vinden de kinderen gemakkelijker: aanvullen tot of aftrekken van 1000? maatschrift blz. 40 en 41 1 Begrijpen de kinderen deze machines? 2 Bij a, c en e zijn er 2 antwoorden mogelijk. 3 Vermenigvuldigen met 5 en 2 is vermenigvuldigen met Eigenlijk zijn dit ook machines. 5 Optellen met rijgen op de getallenlijn. Niet iedereen splitst het tweede getal op dezelfde manier. 6 Bij aftrekken werken we van rechts naar links. 7 Toepassing van het geleerde in opgave 5 en 6. 8 Eenvoudige sprongen, maar wel bij grote getallen. Afronding Geef snelle mondelinge beurten met sommen van het type: en 280 : 10. Bij werkschrift opgave 3 kunnen de kinderen met halveren alle sommen vinden. Welk kind heeft dat gezien? Bij maatschrift opgave 2 gaat u met de kinderen de verschillende antwoorden na. Geeft u ook bij deze kinderen beurten met sommen van het type: en 280 : 10. Observatie en extra hulp Weten de kinderen of ze moeten vermenigvuldigen of delen als ze munten van 10 eurocent moeten omwisselen voor munten van 1 eurocent? Of als ze tientallen liters water moeten schenken in emmers met een inhoud van 10 liter? Stap even uit de les Machine Zet in de klas een grote doos (bijvoorbeeld van een tv of wasmachine). Gebruik de open kant als deurtje, zodat er een kind in kan kruipen. Maak aan de tegengestelde kant van de doos 2 sleuven, een voor in en een voor uit. In de doos zijn papiertjes en viltstift aanwezig. Een kind mag in de doos plaatsnemen, maar net daarvoor licht u het kind in welke bewerking u boven de in sleuf zult ophangen (bijvoorbeeld + 6 of 3 of 5). U hangt het kaartje met de opdracht +,, of : die u het kind heeft ingefluisterd boven de sleuf. De kinderen stoppen een papiertje met een geschreven getal in de machine via de in sleuf. Het kind in de doos rekent de bewerking uit. Het antwoord wordt op een (nieuw) papiertje geschreven en via de uit sleuf weer uit de machine gegooid. Goed of niet goed? Deze machine kunt u vele malen gebruiken want iedereen wil een keer in de doos en er zijn vele verschillende (moeilijke en gemakkelijke) bewerkingen te bedenken.
22 22 blok 6 les 10 herhalen en oefenen Leerlijn Meetkunde Basisvaardigheden vermenigvuldigen en delen Leerdoelen Nieuwe stof Figuren spiegelen Ontdekken wat symmetrisch betekent Machinetaal en getalbewerkingen begrijpen Weten dat 2 en daarna 5 een tienvoud oplevert Vermenigvuldigen en delen door 10 Oefenen Plaatswaarde van getallen tot 1000 Bedragen (met komma) aanvullen t/m 10 Rekenen met +,, en : Digitale tijden lezen Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Getallen samenstellen Schrijf de volgende 3 getallen op het bord: 8, 4, 5. Laat de kinderen hiermee alle mogelijke getallen van 2 en 3 cijfers samenstellen en ze van groot naar klein zetten. 2 Een mooi getal: 1000 Laat de kinderen sommen bedenken waar 1000 uitkomt of waar 1000 in staat. Schrijf ze op het bord en laat de andere kinderen ze uitrekenen. 3 Rijen afmaken Laat de volgende rijen aanvullen. Tot hoever komen de kinderen? Maak eventueel gebruik van de getallenlijn Maatschrift Nieuwe stof Spiegellijn (symmetrieas) bepalen Figuren spiegelen Machinetaal en getalbewerkingen begrijpen 1 Optellen en aftrekken met honderden = ( 200) = ( 500) = ( 500) = ( 700) = ( 700) = (1000) = (1000) = (1000) Oefenen Delen in (geld)context Digitale en analoge tijden vergelijken Rekenen met digitale tijden = (700) = (300) = (800) = (200) = (600) = (400) = (900) = (100) Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 96 en 97 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 42 en 43 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Spiegeltjes 2 Raad mijn getal Laat een van de kinderen een getal in gedachten nemen tussen 0 en De andere kinderen mogen om de beurt vragen stellen als: Is het getal groter dan...? Of: Is het getal even? De vragen mogen alleen maar met ja of nee beantwoord worden.
23 Alles telt Handleiding 5 23 Aandachtspunten bij les 10 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 96 en 97 1 De kinderen hoeven hier niet daadwerkelijk te spiegelen, maar ze moeten zich het spiegelbeeld kunnen voorstellen. Geef kinderen die dit nog heel moeilijk vinden wel een spiegeltje. 2 De beantwoording kan niet exact zijn. Strikt genomen zijn de meeste plaatjes niet symmetrisch. Het verdient aanbeveling de opdracht een keer klassikaal te bekijken. 3 Rekenen de kinderen alles uit of zien ze al handige combinaties? 4 Zien de kinderen de deelsommen en de vermenigvuldigingen die erbij horen? 5 Maak gebruik van het feit dat a precies in het midden ligt. 6 Aanvullen of aftrekken? Met geld meestal het eerste. 7 Wat gebeurt er met het bedrag als je dat met 10 vermenigvuldigt? 8 Soms kan er handig worden gerekend. 9 Lees de digitale klok. maatschrift blz. 42 en 43 1 De kinderen zullen ontdekken dat de volgorde waarin de fi guur gespiegeld wordt op zich niet van belang is. 2 Het veranderen van fi guur 3 kan op meerdere manieren. 3 Op het display van elke machine staat wat de machine doet. 4 Het getal dat uit de machine komt, verraadt wat de machine heeft gedaan. De eerste, vierde en vijfde machine kunnen 2 bewerkingen opleveren. 5 Zien de kinderen dat het eigenlijk delen door 10 is? 6-7 Zien de kinderen de onderste rij ook als klokken? Wijs ze daar eventueel op. 8 Het optellen met minuten is zestigtallig ( = 1.15 uur) Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 4 < Opgave 2 6 < Opgave 3 4 < Opgave 4 6 < Opgave 5 4 < Opgave 6 16 < Opgave 7 4 < Opgave 8 16 < Opgave 9 4 < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 3 < Opgave 2 4 < Opgave 3 4 < Opgave 4 5 < Opgave 5 5 < Opgave 6 5 < Opgave 7 5 < Opgave 8 15 <
24 24 blok 6 les 11 en 12 Leerlijn Basisvaardigheden vermenigvuldigen en delen Leerdoelen Nieuwe stof Delen met als deeltal een tienvoud (zowel in context als in tabel) Elke deling is een omgekeerde vermenigvuldiging Oefenen Oppervlakte bepalen d.m.v. vermenigvuldigen Aanvullen tot 1000 in context kg - g Nieuwe stof Delen, ook met als deeltal een tienvoud (zowel in context als in tabel) Elke deling is een omgekeerde vermenigvuldiging Oefenen Vermenigvuldigen met een tienvoud Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 98 en 99 Werkschrift 5 blz. 56 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 44 en 45 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Ruitjespapier (1 1 cm) of kopieerblad 5.11 (bij 2 activiteiten) Namaakgeld Dobbelstenen (1 per kind) Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Tafels automatiseren 8 4 = (32) 8 7 = (56) 5 8 = (40) 5 2 = (10) 7 5 = (35) 4 5 = (20) 7 4 = (28) 9 7 = (63) 9 2 = (18) 3 9 = (27) 2 3 = ( 6) 4 3 = (12) 3 6 = (18) 6 2 = (12) 6 9 = (54) 9 5 = (45) 2 Deeltafels 64 : 8 = (8) 45 : 9 = (5) 40 : 8 = (5) 28 : 4 = (7) 12 : 6 = (2) 30 : 5 = (6) 36 : 6 = (6) 21 : 7 = (3) 42 : 7 = (6) 27 : 3 = (9) 15 : 3 = (5) 49 : 7 = (7) 3 Oppervlaktes Laat de kinderen kamers tekenen (op ruitjespapier van 1 1 cm of kopieerblad 5.11) met de volgende oppervlaktes: 24 hokjes, 32, 19, 31. Laat ook de omtrekken uitrekenen en uitdrukken in het aantal hekjes (een hekje is een zijde van een hokje). Maatschrift 1 Rekendictee optellen met honderdtallen Geef dit dictee in een gematigd tempo = (400) = (700) = (700) = (500) = (800) = (900) = (500) = (800) = (600) 2 Getallen rijgen Verdubbel de cijfers steeds. 1, 2, 4,... (8, 16, 32, 64,) 128 3, 6, 12,... (24, 48, 96,) 192 5, 10,... (20, 40, 80, 160,) 320 6, 12,... (24, 48, 96, 192,) 384 7, 14,... (28, 56, 112, 224,) 448 Steeds 2 meer erbij: 1, 3, 7,... (13, 21, 31, 43, 57, 73, 91, ) Steeds 2 meer eraf: 100, 98, (94, 88, 80, 70, 58, 44, 28,) 10 Hoever komen de kinderen? 3 Grappige getallen = (999) = (444) = (333) = (111) = (666) = (444) = (888) = (888) = (555) = (444) = (999) = (999)
25 Alles telt Handleiding 5 25 Waar gaat deze les over? In deze les wordt met behulp van het strokenmodel verdeeld. De bijbehorende vermenigvuldiging gaat als hulp meespelen om de deling te vinden. 18 : 6 = 3, want 6 3 = 18. Een goede beheersing van de tafelsommen is een voorwaarde om de delingen gemakkelijk te kunnen vinden. De verdelingen worden uit diverse contexten gehaald. Taal en rekenen Taaltip Delen kan op verschillende manieren. Kijk met de kinderen naar de volgende zinnetjes: Hij deelt de taart in 8 stukken. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd. Wij delen deze reep eerlijk met elkaar. Ik deel deze mening (met jou). Zij krijgen een deel van de winst. Wij delen 12 door 3. Wij verdelen deze 12 snoepjes met zijn drieën. 12 gedeeld door 3 is 4 (12 : 3 = 4). Hoewel we vaak pretenderen dat eerlijk verdelen ook echt eerlijk is, dan is dat wiskundig gezien niet zo. Zijn de stukken taart exact even groot of zwaar? Zijn de verdeelde snoepjes precies hetzelfde? Rekenwoorden Delen Verdelen Eerlijk delen Lastige woorden (per) stuk
26 26 Blok 6 Les 11 en 12 Lesverloop van les 11 C1 C2 C3 C4 Weet je nog? Delen als omgekeerde van vermenigvuldigen Deeltafels met tientallen: somtype 18 : 3 en 180 : 3. Leid de les in door het echt laten verdelen van 18 eurocenten over 6 kinderen. Hoeveel cent heeft ieder kind nu? Laat nu op dezelfde manier 18 munten van 10 eurocent verdelen. Hoeveel cent is dat in totaal? Hoeveel krijgt ieder kind nu? Bekijk dan samen opgave 1. De verdelingen worden gesymboliseerd door het strokenmodel. Tekent u het eerste strokenmodel op het bord met 18 in de bovenste strook en 6 hokjes daaronder. U vraagt de kinderen: Hoeveel moet er verdeeld worden? Over hoeveel kinderen? Hoe zie je dat? Hoe weet je dat je precies alles verdeeld hebt? Welke sommen horen daarbij? Wie zou bij deze sommen een verhaaltje kunnen bedenken? Laat het verband tussen de sommen zien: 18 : 6 = 3, want 6 3 = : 6 = 30, want 6 30 = 180, of 18 tienen : 6 = 3 tienen. 180 : 60 = 3, want 60 3 = 180. Bedenk bij elk plaatje een deelsom en een keersom. Delen als omgekeerde van vermenigvuldigen Laat de kinderen de opgaven zelfstandig maken. Bespreek deze vervolgens klassikaal. Kan iedereen uit de plaatjes opmaken wat er moet worden uitgerekend? Hoe worden de sommen samengesteld? Welke oplossingsstrategieën worden er gebruikt om de sommen uit te rekenen? Hoeveel suikerklontjes zijn het? Delen als omgekeerde van vermenigvuldigen Laat bij de sommen een strokenmodel tekenen en laat de deel- en keersommen erbij schrijven. Bespreek de opgave vervolgens klassikaal. Zien de kinderen de verbanden met de makkelijke sommen? Hoeveel munten van 20 cent zijn het? Delen als omgekeerde van vermenigvuldigen Zijn er kinderen die er een echte tafel van 20 van maken en dus een andere volgorde van uitrekenen kiezen?
27 Alles telt Handleiding 5 27 Aandachtspunten bij les 12 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Het gaat om aantallen van 10 ct. De eerste is dus = 500! Vraag welke deelsommen erbij horen. (500 : 100 = 5 en 500 : 50 = 10 en 500 : 500 = 1, enzovoort) 2 Wat is het verband tussen de sommen in eenzelfde rijtje? Bovenste som van rijtje a: het omgekeerde van 2 9, middelste som: het getal dat gedeeld moet worden is 10 keer zo groot, de uitkomst ook. Onderste som: het getal dat gedeeld moet worden is 10 keer zo groot en het moet ook gedeeld worden door een getal dat 10 keer groter is. Laat bij een van de rijtjes een context verzinnen. 3 Welke deelsommen horen erbij? Er zijn diverse manieren om de sommen uit te rekenen: door te delen of door uitkomsten van reeds uitgerekende sommen bij elkaar op te tellen: 180 = , 660 = Oppervlakte bepalen door het vermenigvuldigen toe te passen. werkschrift blz Deeltafels in een tabel. De hulpsom maakt het eenvoudiger. 2-3 Delingen halen uit de context van dagen en weken, minuten en uren. 4 Vraag welke deelsommen erbij horen. (50 : 50 = 1 en 50 : 5 = 10, enzovoort) 5 Vullen de kinderen aan of trekken ze af? maatschrift blz. 44 en 45 1 Eerst de vermenigvuldiging vinden en dan de bijbehorende deling. 2 Via de vermenigvuldiging vinden de kinderen de prijs per stuk. 3 Via de vermenigvuldiging vinden de kinderen het gevraagde aantal (toverballen, kauwgums, lolly s). 4 De rekentabel is een goede hulp. 5 De vermenigvuldiging van een tiental afleiden van de bijbehorende tafelsom. 6 De vermenigvuldigsom halen uit de context. Observatie en extra hulp Kennen de kinderen de vermenigvuldigtafels tot 10 en de daarbij behorende deeltafels? 7 9 = 63, 63 : 7 = 9; 9 7 = 63, 63 : 9 = 7. Laat lastige sommen opschrijven en uit het hoofd leren. Herhaal regelmatig de deeltafels tijdens hoofdrekenmomenten. Stap even uit de les Paardenrace Geef de kinderen per tweetal kopieerblad 5.11 of een vel ruitjespapier van 1 1 cm. Hierop racen de paarden als volgt. Iedereen schrijft onderaan het vel horizontaal 1 t/m 13 in de hokjes. Dat zijn de paarden. Elk kind kiest een persoonlijk paard (dus een nummer van 1 t/m 13). Om de beurt gooit een kind met 2 dobbelstenen en opgeteld geeft dit een getal. Dat paard mag een stap naar voren doen (zet een kruisje). Het paard dat het eerst bij het zesde hokje is, heeft gewonnen. Bespreek waarom bepaalde paarden (7, 6 en 8) vaak winnen en andere paarden (1 en 13) nooit. Hebben de kinderen het goede paard gekozen? Paardenrace hebben de kinderen al eerder gespeeld, maar nu het niet fysiek maar op papier gebeurt, oefenen ze naast kansberekenen ook het maken van een grafi ek. Afronding Bij leerlingenboek opgave 2 hadden de sommen in hetzelfde rijtje verband met elkaar. Gaat u nog eens na welk verband dat was. Als extra oefening bedenken de kinderen familiesommen, uitgaande van de vermenigvuldigtafels tot 10. Bijvoorbeeld: 5 7 = : 5 = : 7 = = : 7 = : 50 = = : 5 = : 70 = = 350 Bij maatschrift opgave 2 komen alle aspecten van deze les aan de orde. Voor kinderen die het niet begrepen hebben, kunt u dit nog eens overdoen.
28 28 blok 6 les 13 en 14 Leerlijn Oppervlakte Basisvaardigheid vermenigvuldigen Leerdoelen Nieuwe stof Een meter opdelen in halve meters 1 vierkante meter bestaat uit 4 tegels van 50 bij 50 cm Vermenigvuldigen vanuit oppervlakteberekening Oefenen Vermenigvuldigen met een getal groter dan 10 Optellen in context Geldbedragen schrijven als kommagetal Nieuwe stof Vermenigvuldigen vanuit oppervlakteberekening Vermenigvuldigen en delen met tientallen Oefenen Diverse sommen halen uit context Optellen en aftrekken t/m 100 Tijdsduur uitrekenen Getallenlijn van 900 t/m 1000 Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 100 en 101 Werkschrift 5 blz. 57 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 46 en 47 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Ruitjespapier (1 1 cm) of kopieerblad 5.11 Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Delen/familiesommen Laat bij onderstaande sommenkoppels alle familiesommen (vermenigvuldigingen en delingen) maken. 18 : 2 = ( 9) 54 : 9 = ( 6) 32 : 8 = ( 4) 8 : 6 = ( 8) 180 : 2 = (90) 540 : 9 = (60) 320 : 8 = (40) 480 : 6 = (80) 2 Optellen = ( 70) = (100) = ( 85) = (270) = (300) = (285) = (470) = (600) = (685) = (870) = (900) = (885) 3 Aftrekken = (520) = (560) = (284) = (470) = (530) = (234) = (465) = (527) = (229) = (365) = (627) = (429) Maatschrift 1 Rekendictee: aftrekken met honderdtallen Geef dit dictee in een gematigd tempo = (200) = (800) = (500) = (500) = (200) = (300) = (600) = (500) = ( 0) 2 Vermenigvuldigen en delen 3 9 = ( 27) 5 9 = ( 45) 3 90 = (270) 5 90 = (450) 27 : 9 = (3) 270 : 90 = (3) 9 3 = ( 27) 9 30 = (270) 45 : 9 = ( 5) 450 : 9 = (50) 9 5 = ( 45) 9 50 = (450) 7 9 = ( 63) 7 90 = (630) 63 : 9 = ( 7) 630 : 9 = (70) 9 7 = ( 63) 9 70 = (630) 6 9 = ( 54) 6 90 = (540) 54 : 9 = ( 6) 540 : 9 = (60) 9 6 = ( 54) 9 60 = (540) 3 Ditjes en datjes over getallen Kun je 123 delen door 2? (nee) Waarom niet? (het is een oneven getal) Kun je 123 delen door 4? (nee) Waarom niet? (het is een oneven getal) Kun je 123 delen door 5? (nee) Waarom niet? (het getal 123 eindigt niet op 5 of 0) Kun je een vierkant maken van 9 blokjes? (ja, dat wordt een vierkant van 3 3) Kun je een vierkant maken van 16 blokjes? (ja, dat wordt een vierkant van 4 4) Kun je een vierkant maken van 12 blokjes? (nee)
29 Alles telt Handleiding 5 29 Waar gaat deze les over? In deze les gaat het over oppervlakte. Dit wordt besproken aan de hand van het leggen van tegels op vloeren. De maat van de tegels bepaalt tevens de teleenheid. Gekozen is voor vloertegels van cm en dat betekent 4 tegels in 1m². Er wordt gestimuleerd om het aantal benodigde tegels niet te tellen, maar te berekenen met een vermenigvuldiging. Zo komt het roostermodel weer terug om keersommen te maken. Taal en rekenen Taaltip Let op de manieren om oppervlakte te benoemen: 50 bij 50, 50 keer 50, 50 maal 50. Meter of centimeter. Maakt het wat uit of de kamer 5 m bij 6 m is of 6 m bij 5 m? (nee, allebei 30 vierkante m) En als het wat extremer is: Maakt 8 m bij 2 m of 2 m bij 8 m verschil? (nee, allebei 16 vierkante m) En als je een plank nodig hebt van 2 dm bij 8 m of 8 m bij 2 dm? (het blijft dezelfde plank) Laat zo wat dingen in de klas benoemen. Bijvoorbeeld een deur, een raam, het bord. Het woord vloer zal wel bekend zijn, maar heeft meer betekenissen. Gaat u maar na: Hoe groot is de vloer van de kamer? Hij komt hier vaak over de vloer. Met hem werd de vloer aangeveegd. Hier kun je van de vloer eten. De judoka werd gevloerd. Wij hebben vloerverwarming. Rekenwoorden Oppervlakte Keersom Lastige woorden Erin passen Vloeren
30 30 Blok 6 Les 13 en 14 Lesverloop van les 13 C1 C2 C3 C4 Hoeveel tegels passen erin? Oppervlakte Bekijk en bespreek de tekening. Wat voor werk doet vader? Hoe groot is de kamer? Hoe groot zijn de tegels? Hoe weet je van tevoren hoeveel tegels je moet bestellen? Herinner de kinderen aan het meten van oppervlakte in het vorige blok met vierkanten van 1 meter bij 1 meter. Zoek indien mogelijk in of om de school een ruimte die op deze manier met tegels bedekt is. De kinderen krijgen een vel ruitjespapier of kopieerblad Maak de afspraak dat op elk ruitje precies een tegel past. Eerst wordt op het vel de grootte van de kamer getekend: 9 bij 7 tegels. Laat de kinderen nu zelf of in tweetallen berekenen hoeveel tegels er moeten komen. Worden de tegels per stuk geteld of per rechthoek? Wat is het handigst? Daarna worden verschillende oplossingsstrategieën besproken. Illustreer de strategieën op het bord. De strategie om de kinderen als hulp zelf een schetsje te laten maken, wordt bij dit soort sommen aanbevolen. Zijn er al kinderen die de vermenigvuldiging 9 7 = 63 hebben gebruikt om de oppervlakte uit te rekenen? Waarom is dat handig? Hoeveel tegels heb je nodig om de vloer te bedekken? Oppervlakte De eerste vraag is hoe groot de tegels zijn. 12 tegels op 6 meter oftewel 12 op 600 cm: op elke meter 2 tegels. Daar moet uit te komen zijn, vooral omdat de tegels uit opgave 1 ook 50 bij 50 cm zijn. De volgende vraag is hoeveel er in de breedte liggen. Op elke meter 2 tegels, enzovoort. Geef ook aandacht aan het dubbeltellen van de hoektegels. Ga nog weer terug naar 7 rijen van 12 tegels. In welke kamer gaan de meeste tegels? Oppervlakte Sommige kinderen zullen de steun van ruitjespapier niet nodig hebben. Anderen willen het daarmee bewijzen. Hoeveel tegels van 50 bij 50 cm passen in deze kamers? Oppervlakte Bespreekt u met de kinderen het perspectief. Zo zie je een vloer op de foto. Je ziet hem dus niet van bovenaf. Je ziet de tegels en de vloer schuin. Voor het berekenen van de oppervlakte maakt dat niet uit. Onder de eerste vloer is maar één maat gegeven. Ieder hokje op de afbeelding betekent hier niet een tegel, maar een meter. Het gaat dus om een vloer van 5 m bij 3 m en een tweede vloer van 4 m bij 4 m. Eerst moeten we erachterkomen dat op elke vierkante meter 4 tegels gaan. Laat de kinderen dit even tekenen of uitbeelden. Laat daarna de tegels tellen of nog beter vermenigvuldigen. Zijn er nog kinderen die alle tegels gaan tekenen?
31 Alles telt Handleiding 5 31 Aandachtspunten bij les 14 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Er zijn verschillende mogelijkheden: meten en rekenen, gebruik van ruitjespapier, schatten en tekenen. 2 Denk aan het perspectief. 3 Rekenen de kinderen handig? (bijv = 2 24 = 48 en 7 25 = = = 175) 4 Zien de kinderen welke sommen bij de tekeningen horen? werkschrift blz De differentiatie is impliciet. 2 Er zijn hier 2 rechthoekige vloeren mogelijk, namelijk 7 10 en De kinderen zijn dus gedwongen om minimaal een andere combinatie te zoeken. Ook hier weer impliciete differentiatie. 3 Hoe snel zien de kinderen het eindbedrag? Vinden ze het schrijven als kommagetal nog moeilijk? maatschrift blz. 46 en 47 1 Rekenen de kinderen inderdaad handig? 2 Ook hier is de differentiatie impliciet. 3 Gebruiken de kinderen de splitsing in 10 en de rest? 4 Vermenigvuldigen en delen met tienvouden met de hulpsom erbij. 5 Zien de kinderen welke sommen bij de tekeningen horen? 6 Hoe snel werden deze sommen (goed) gemaakt? 7 Pas op dat de kinderen en 8.30 niet aftrekken! 8 Er zijn verschillende strategieën om de getallen vlug te plaatsen. Observatie en extra hulp Gebruiken de kinderen de vermenigvuldigstructuur, of tellen zij de tegels één voor één of doen ze het via herhaald optellen van een rechthoek met een bepaald aantal tegels te vermenigvuldigen? Teken als extra hulp rechthoeken waarin slechts aan 2 zijden een rij tegels is getekend en laat dan het totale aantal uitrekenen met behulp van een keersom. Stap even uit de les Mijn kamer De kinderen meten thuis hun kamer op en rekenen uit hoeveel tapijttegels van 50 cm bij 50 cm ze nodig zouden hebben om de vloer te bedekken. Als dat slecht uitkomt, kan de maat van de tegels worden gewijzigd: bijvoorbeeld 40 cm bij 40 cm of 30 cm bij 30 cm. Als de kamer geen mooie rechte hoeken heeft of qua afmeting niet bij de afmeting van de tegels past, dan kunt u als leerkracht helpen. Uiteraard hoort er een (werk)tekening bij die opgehangen kan worden. Afronding Bij werkschrift opgave 1 en 2 kunt u zien hoe ver de kinderen zijn. Bespreekt u de verschillende oplossingen. Gaat u bij maatschrift opgave 2 de oplossingen na. Zijn alle mogelijkheden gevonden? Zet u ze nog eens op een rijtje: 1 36, 2 18, 3 12, 4 9, 6 6, 9 4, 12 3, 18 2 en Welke rechthoeken zijn eigenlijk hetzelfde? Bij maatschrift opgave 5 controleert u of de kinderen de sommen hebben gevonden die bij de tekeningen horen. Bij opgave 8 gaat u met de kinderen na hoe ze de getallen plaatsen. Welke strategieën passen ze toe?
32 32 blok 6 les 15 herhalen en oefenen Leerlijn Basisvaardigheden vermenigvuldigen en delen Oppervlakte Leerdoelen Nieuwe stof Delen met als deeltal een tienvoud (zowel kaal als in tabel) Elke deling is een omgekeerde vermenigvuldiging Vermenigvuldigen vanuit oppervlakteberekening Oefenen Getallen halveren (ook d.m.v. handig splitsen) Omrekenen van de maten m, dm en cm Getalpatronen vinden Vermenigvuldigen van geldbedragen Zelf verhaaltjessommen bedenken Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Schatten Teken op het bord 4 grote vierkanten. Schrijf erboven: A: 1-25, B: 26-50, C: 51-75, D: Geef in betrekkelijk hoog tempo sommen op. Wijs steeds een kind aan dat zo snel mogelijk moet zeggen in welke doos het antwoord op de som hoort. U schrijft de som in de betreffende doos. Houd het tempo zo hoog dat de kinderen wel moeten schatten. Wijst het kind de verkeerde doos aan, laat dan de som uitrekenen. 2 Zelf sommen bedenken Laat de kinderen zelf sommen bedenken waarin het getal van de week voorkomt. Laat de kinderen met spullen en situaties in de klas zelf contextsommen voor elkaar bedenken en deze oplossen. 3 Hoe lang duren de programma s? Haal een pagina uit een (oude) tv-gids. Laat de lengtes van de programma s uitrekenen. Vraag eerst of ze korter of langer dan een uur duren. Maatschrift Nieuwe stof Delen, ook met als deeltal een tienvoud (zowel in context als in strokenmodel) Elke deling is een omgekeerde vermenigvuldiging Vermenigvuldigen en delen met tientallen Vermenigvuldigen vanuit oppervlakteberekening Oefenen Optellen en aftrekken t/m 100 Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 102 en 103 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 48 en 49 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Tv-gids Liniaal 1 Deelsommen maken Maak zo veel mogelijk delingen waarbij 36 gedeeld wordt. (36 : 1 = 36, 36 : 2 = 18, 36 : 3 = 12, 36 : 4 = 9, 36 : 6 = 6, 36 : 9 = 4, 36 : 12 = 3, 36 : 18 = 2 en 36 : 36 = 1) Maak zo veel mogelijk delingen waarbij 48 gedeeld wordt. (48 : 1 = 48, 48 : 2 = 24, 48 : 3 = 16, 48 : 4 = 12, 48 : 6 = 8, 48 : 8 = 6, 48 : 12 = 4, 48 : 24 = 2 en 48 : 48 = 1) 2 Tegelpleintjes maken Laat de kinderen rechthoekige tegelpleintjes tekenen van de volgende aantallen tegels: 15, 18, 24, 28, 32, 34. Bij welk aantal tegels kun je veel verschillende pleintjes maken? (24) Bij welke aantallen tegels kun je weinig verschillende pleintjes maken? (15 en 34) 3 Zelf sommen bedenken Laat de kinderen zelf sommen bedenken met een antwoord onder de 100. Het eerste kind verzint een som en het volgende kind geeft antwoord. Is het antwoord goed, dan mag dit tweede kind verder en geeft het derde kind antwoord.
33 Alles telt Handleiding 5 33 Aandachtspunten bij les 15 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 102 en Delen met tienvouden als deeltal. Maken de kinderen gebruik van de hulpsom? 2 Delen van tienvouden met geld. 3 Met de liniaal bepalen hoeveel tegels er nodig zijn. Wordt er vermenigvuldigd? 4 Denken de kinderen aan halveren? Sommige getallen eerst splitsen en dan halveren. 5 Het omrekenen van cm in dm en m en omgekeerd. 6 Getallen handig samennemen. Bij a: 1 + 9, 2 + 8, enzovoort. 7 Maken de kinderen bij het tellen van de tegels gebruik van het feit dat fi guur 2 het negatief is van fi guur 1 en dat er bij fi guur 3 een witte tegel meer is: dus 25 = ? 8 Hoe origineel zijn de gevonden verhaaltjessommen? maatschrift blz. 48 en 49 1 Uit de vermenigvuldiging volgt de verdeling. 2 Nu wordt de deling meteen opgeschreven. 3 Het strokenmodel helpt. 4 Vermenigvuldigen en delen met een tiental aan de hand van een hulpsom. 5 Uit de contextopgave volgt de som 4 80 = 320. Daarna worden met behulp van bekende tafelsommen producten met een tienvoud uitgerekend. 6 Wijs de kinderen eventueel op de producten van Er zijn verschillende mogelijkheden. 8 Hoe snel werden de sommen gemaakt? Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 12 < Opgave 2 23 < Opgave 3 4 < Opgave 4 16 < Opgave 5 15 < Opgave 6 4 < Opgave 7 4 < Opgave 8 4* < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 3 < Opgave 2 3 < Opgave 3 6 < Opgave 4 8 < Opgave 5 10 < Opgave 6 3 < Opgave 7 2 < Opgave 8 12 < *Afhankelijk van het aantal gemaakte sommen
34 34 blok 6 les 16 en 17 Leerlijn Getalrelaties en getalbegrip Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof De posities op de getallenlijn van getallen boven de 1000 aangeven Getallen maken door eenheden, tientallen honderdtallen en duizendtallen op te tellen De notatie van getallen boven de 1000 leren via het DHTE-schema Oefenen Vermenigvuldigen met tientallen Getallenmuurtjes Sprongen op de getallenrij Handig rekenen Nieuwe stof De posities op de getallenlijn van getallen boven de 1000 aangeven Getallen maken door eenheden, tientallen honderdtallen en duizendtallen op te tellen De notatie van getallen boven de 1000 leren via het DHTE-schema Oefenen Gebruik maken van de omkeereigenschap van vermenigvuldigen Delingen afleiden van de hoofddeling Tafelsommen en deeltafels Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 104 en 105 Werkschrift 5 blz. 58 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 50 en 51 Plusschrift 5 blok 6 Kopieerblad 5.7 (DHTE-schema) Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware MAB-materiaal Namaakgeld (eventueel) Touwtjes (1 per kind) 1 Getal van de week Laat de kinderen een getal kiezen. Schrijf dit getal op het bord. Laat de kinderen in de loop van de week dingen bedenken die met dit getal te maken hebben. Schrijf deze eronder en bespreek het getal regelmatig. 2 Tellen tot 2000 Laat de telrij opnoemen van: Tafels automatiseren Oefen de tafels die de kinderen nog moeilijk vinden. Maatschrift 1 Getal van de week Laat de kinderen een getal kiezen. Schrijf dit getal op het bord. Laat de kinderen in de loop van de week dingen bedenken die met dit getal te maken hebben. Schrijf deze eronder en bespreek het getal regelmatig. 2 Optellen = (289) = (369) = (589) = (499) 3 Aftrekken = (353) = (407) = (734) = (642) = (769) = (669) = (499) = (189) = (806) = (535) = (700) = (900) = (379) = (489) = (559) = (169)
35 Alles telt Handleiding 5 35 Waar gaat deze les over? In deze les wordt weer een grote stap gezet op de getallenlijn. Na de 1000 gaan we nu naar de Op zich kennen de kinderen al getallen boven de 1000 ( 1200, 1200 km), maar of ze die echt begrijpen? De getallenlijn is een goede hulp. Een andere goede hulp is het MAB-materiaal (Multibase Arithmic Blocs). Uiteraard komt ook het DHTE-schema aan de orde, zodat de kinderen de waarde van de cijfers in een getal kunnen duiden. Taal en rekenen Taaltip In deze les gaat het over (grote) getallen en de waarde van de cijfers in een getal. Het woord cijfer heeft meer betekenissen en wordt vaak verward met het woord getal. Zet u eerst alle cijfers van 0 t/m 9 op het bord. Hiermee kun je getallen maken. Welk getal is dus het kleinste? Het eerste probleem is al dat we ook cijfers geven voor prestaties van 1 t/m 10. Het tweede probleem is dat we ook Romeinse cijfers kennen I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X. Ook leuk om op het bord te schrijven. Ze staan vaak op klokken. Derde probleem: cijferen betekent ook rekenen. Het is dus grappig als je vraagt: Wat voor cijfer had jij voor rekenen?. Ten slotte de uitdrukking Deze bank zit in de rode cijfers. Rekenwoorden Duizendtal Honderdtal Tiental Eenheid Cijfer Getal Lastige woorden DTHE-schema
36 36 Blok 6 Les 16 en 17 Lesverloop van les 16 C1 Hoeveel precies? Getallen tot 2000 Kennen alle kinderen het MAB-materiaal? Wijs er anders even op. Wijs ook op het DHTEschema en bespreek nog eens kort waar de letters voor staan: duizendtallen, honderdtallen, tientallen en eenheden (of enen). Nadat u de getallen die bij opgave 1 in het boek worden afgebeeld heeft besproken, laat u de kinderen met het MAB-materiaal getallen leggen die u aangeeft (bijvoorbeeld: 1 blok van 1000, 3 plankjes van 100, 2 staafjes van 10 en 4 losse blokjes). Bespreek ze vervolgens klassikaal. Noteer de uitkomsten op het bord. De getallen worden als een optelsom genoteerd, zoals: = = = 1106 Of zo: 1324 = = Kunnen de kinderen de getallen ook benoemen? De ordening van getallen is afhankelijk van de posities van de cijfers. De getallen kunnen precies worden aangegeven. Oefen dit met allerlei getallen. C2 Maak nog meer getallen tussen 1000 en Getallen tot 2000 Geef de kinderen kopieerblad 5.7 (DHTE-schema) en laat de kinderen zelf een aantal getallen tussen 1000 en 2000 maken. De kopieerbladen zullen sterk verschillen. Het ene kind zal het schematisch uitvoeren, het andere zal proberen zich in het tekenen uit te leven.
37 Alles telt Handleiding 5 37 Aandachtspunten bij les 17 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Laat de bedragen leggen met namaakgeld als dat nodig is. 2 Sommige kinderen zullen het verschil berekenen door aanvullend optellen, anderen trekken de gegeven getallen af van 1000 of Maken de kinderen gebruik van de (bekende) tafelsommen? 4 Rekenen in getallenmuurtjes. De werkrichting is steeds verschillend. 5 Steeds verdubbelen. Zien de kinderen dat? werkschrift blz Zoek op de getallenlijn ook de vijftigtallen op. 2 Tellen met sprongen van 10, 50 en Getallen (geldbedragen) afleiden van geschreven tekst. 4 Rekenen met buursommen. Eerst de gemakkelijke som. Observatie en extra hulp Kennen de kinderen de positiewaarden van de cijfers in getallen tot 1000? Gebruik positieschema s om kleinere getallen te laten uitspreken en te structureren in H, T en E. Stap even uit de les Knopen Geef elk kind een touwtje en bestudeer bijgaande tekening van een Zoetelief. Dit is een heel geschikte knoop om een sieraad aan een halsvetertje te verbinden. maatschrift blz. 50 en 51 1 Eerst de getallen (over)schrijven en daarna plaatsen op de getallenlijn. 2 Sprongen van 50 op de getallenrij. 3 Schuif de getallen in elkaar. 4 Is het DHTE-schema duidelijk? 5 Gebruik de omkeereigenschap. 6 Elke keersom levert 2 delingen op. 7 Hoe vlot worden deze keersommen gemaakt? 8 Kennen de kinderen de deeltafels ook? Afronding Ga met de kinderen de opgaven die ze moeilijk vonden nog eens na. Laat steeds de getallen uitspreken en laat ook de getallenlijn steeds gebruiken. Laat een getal als 1234 met MAB-materiaal, geld, op de getallenlijn, in het DHTE-schema en als duizend tweehonderd vierendertig op 5 manieren zien. Bij maatschrift opgave 3 worden getallen samengesteld uit duizendtallen, honderdtallen, tientallen en eenheden. Doet u dat ook andersom, dus splits 1234 in Werden de keersommen vlot gemaakt?
38 38 blok 6 les 18 en 19 Leerlijn Basisvaardigheid optellen Basisvaardigheid vermenigvuldigen Leerdoelen Nieuwe stof Gecompliceerde berekeningen maken (vermenigvuldigen en optellen, kalender) vanuit een gegeven context Oefenen Een bedrag opdelen, al dan niet met rest Deelbaarheid van verschillende getallen Springen op de getallenlijn t/m 1000 Nieuwe stof Berekeningen maken (vermenigvuldigen en optellen) vanuit een gegeven context Oefenen Handig rekenen met overschrijding Optellen en aftrekken in context kg Sprongen van 100 op de getallenrij Het middelste getal bepalen Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 106 en 107 Werkschrift 5 blz. 59 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 52 en 53 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Kalender Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Getallen tot 2000 benoemen Schrijf de volgende getallen op het bord en laat ze benoemen. 1571, 1845, 1398, 1400, 1659, De kalender Wie kan alle maanden in de goede volgorde opnoemen? Hoeveel dagen heeft april? Noem daarna de andere maanden en vraag naar het aantal dagen. 3 Optelketting De kinderen bedenken zelf de sommen. Begin bij 25. Laat een kind een getal onder de 100 noemen. Een volgend kind noemt de som, bijvoorbeeld: =. Weer een volgend kind geeft het antwoord (98). Dan noemt weer iemand een getal, bijvoorbeeld 100, dan wordt de som en het antwoord wordt uitgerekend door een volgend kind (198, enzovoort. Laat de rij precies op 1000 uitkomen. Maak de ketting ook eens andersom. Begin bij 1000 en maak aftreksommen. Laat de ketting precies op 0 uitkomen. Maatschrift 1 Vermenigvuldigen 5 9 = ( 45) 6 7 = ( 42) 5 90 = (450) 6 70 = (420) 8 7 = ( 56) 8 4 = ( 32) 8 70 = (560) 8 40 = (320) 7 9 = ( 63) 7 90 = (630) 8 3 = ( 24) 8 30 = (240) 5 11 = ( 55) = (550) 7 11 = ( 77) = (770) 2 Delen 24 : 2 = 24 : 3 = 24 : 4 = 24 : 6 = 24 : 8 = 240 : 2 = 240 : 3 = 240 : 4 = 240 : 6 = 240 : 80 = 3 Tjoepen Om de beurt tellen de kinderen van 1 t/m 100. De eerste keer zegt u bij elk even getal tjoep (dus: 1, tjoep, 3, tjoep, 5, enzovoort). De tweede keer zegt u naast tjoep bij elk getal uit de tafel van 3 piep (dus: 1, tjoep, piep, tjoep, 5, piep, enzovoort). Wat kun je zeggen bij zes? (tjiep)
39 Alles telt Handleiding 5 39 Waar gaat deze les over? In deze les berekenen de kinderen via een tarieflijst de kosten van een vakantie waarbij veel aan paardrijden wordt gedaan. Daar komt heel wat bij kijken. Je moet rekening houden met het aantal personen, het aantal dagen, de soorten appartementen en uiteraard hoeveel uur er wordt doorgebracht op de paardenrug. Wiskundig gezien betekent dat, dat er verschillende bewerkingen moeten worden uitgevoerd. Dit is een behoorlijk complexe zaak voor de kinderen. Taal en rekenen Taaltip Houd met de kinderen een gesprek over eigen ervaringen met vakantie. Zet daarna op het bord het woord ponypark met daarachter de woorden: appartement, tarieven, per persoon, volwassenen. Bespreekt u de betekenis van die woorden. Zijn personen boven de 14 volwassenen? Rekenwoorden Berekenen Duur Goedkoop Lastige woorden Rekening Ponypark Appartement
40 40 Blok 6 Les 18 en 19 Lesverloop van les 18 C1 C2 C3 Hoeveel kost de vakantie? Tarieven berekenen Veel kinderen overnachten tegenwoordig op reis of tijdens de vakantie in een pension, hotel, een jeugdherberg of een vakantiewoning. Zij merken dat er dan per dag of per overnachting een bepaald bedrag betaald moet worden. In een gesprekje vertellen de kinderen over wat zij hiervan weten en zelf beleefd hebben. Kennen of herkennen ze alles wat op de tarievenlijst staat? De hoeveelheid gegevens en het aantal mogelijkheden maken de opdracht vrij complex. Aan te raden is het gebruik van pen en papier. Een poosje brainstormen in groepjes van 2 of 3 kinderen is daarbij een optie met de mogelijkheid van vergelijking. Rapportage van hun bevindingen, al dan niet op het bord, zet ze aan tot precisie. Denk ook aan het aantal overnachtingen: het is de gewoonte om per overnachting te betalen, hoewel dat niet duidelijk naar voren komt uit de tarieflijst. Ook geldt in een kamer een prijs (en een berekening) per persoon, terwijl bij een appartement een tarief geldt voor het gehele onderkomen. Of daarbij alle beschikbare bedden gevuld zijn of niet is niet van belang voor de prijs. Gebruik bij deze opgave een kalender om het aantal nachten uit te rekenen, omdat later ook maandoverschrijding plaatsvindt. Lex (niet ouder dan 14 jaar) gaat met zijn ouders naar het ponypark. Ze komen op 3 augustus aan en vertrekken weer op 6 augustus. Hoeveel overnachtingen zijn dat? Maak een kalenderschema op het bord: 3 aug. 4 aug. 5 aug. 6 aug. Dit is 4 dagen en 3 overnachtingen. Stel dat ze in 2 aparte kamers met balkon hebben geslapen, hoeveel moeten ze dan betalen inclusief die 9 uren ponyrijden? Maak hier eens een rekening voor. Vraag of er ook nog een andere mogelijkheid is (een 2-persoonskamer met een uitklapbed voor Lex). Ook is er de mogelijkheid van 1 of 2 kamers zonder balkon met hun eigen berekening. De ouders van Lex kunnen ook gekozen hebben voor appartement A of B. Maak ook daar een berekening voor. Reken uit. Tarieven berekenen Na de eerste opdracht weten de kinderen dat het niet om het tellen van de dagen, maar om het aantal overnachtingen gaat om aan de hand van de gegeven tarieven de prijs te bepalen. Daarnaast zijn ze in staat gericht te kijken naar het overzicht. Hoeveel moesten zij betalen? Tarieven berekenen Nogmaals 2 rekeningen opmaken.
41 Alles telt Handleiding 5 41 Aandachtspunten bij les 19 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Bepaal eerst met behulp van de kalender het aantal dagen. Daarna moet het aantal overnachtingen worden bepaald. Dan pas komt het rekenwerk. Kladpapier erbij is noodzakelijk. 2 Terugrekenen hoeveel uren je kunt rijden voor een bepaald bedrag: delen en delen met rest. 3 Zien de kinderen al een bepaalde regel? werkschrift blz Laat de kinderen ook zelf sommen bedenken die met een getal onder de 10 beginnen en op 1000 uitkomen. 2 Bij a en b gaat het om herhaald optellen. Bij c om delen; 6 even grote sprongen die samen 570 zijn. maatschrift blz. 52 en 53 1 De kinderen maken de berekening af aan de hand van de tarieflijst. 2 Waarom is de tweede rekening hoger? (Omdat de fam. Boer 2 kinderen heeft.) 3 Kunnen de kinderen ook zelf zo n race verzinnen? Beginnen bij 5, eindgetal vrij. 4 De sommen zijn redelijk gemakkelijk. Wordt er vlot gerekend? 5 Weten de kinderen wanneer je moet optellen en wanneer je moet aftrekken? 6 Tellen met sprongen van 100 lijkt gemakkelijk. Vinden de kinderen het nog lastig om het getal in het midden te bepalen? Observatie en extra hulp Hoe rekenen de kinderen sommen als 4 27 uit: via herhaald optellen, of via splitsen: ? Geef hulp via: 4 2 =?, 4 20 =?, 4 7 =?, =? Waar worden de fouten in gemaakt: in de tafels, of in het optellen van de deelproducten? Stap even uit de les Hotels Laat informeren naar hotelprijzen in de eigen woonplaats of in een plaats in de buurt. De meeste hotels hebben een folder of een website. Laat elk kind aan de hand daarvan een vakantie van een week van het hele gezin berekenen. Laat ze de rekening opmaken zoals in deze les. Afronding Bespreek de rekeningen uit leerlingenboek opgave 1 na. Vonden de kinderen het lastig om over de maandgrens heen te rekenen? Zet de sommen die de kinderen bij werkschrift opgave 1 van het zaklopen hebben gemaakt op het bord en reken ze samen na. Bespreek ook maatschrift opgave 1 en 2 na.
42 42 blok 6 les 20 herhalen en oefenen Leerlijn Getalrelaties en getalbegrip Basisvaardigheid optellen Basisvaardigheid vermenigvuldigen Leerdoelen Nieuwe stof De posities op de getallenlijn van getallen boven de 1000 aangeven Getallen maken door eenheden, tientallen honderdtallen en duizendtallen op te tellen Berekeningen maken (vermenigvuldigen en optellen) met en zonder een gegeven context Oefenen Optellen in context Gepast betalen met kleine munten Handig omgaan met gegeven getallen Nieuwe stof De posities op de getallenlijn van getallen boven de 1000 aangeven De notatie van getallen boven de 1000 leren via het DHTE-schema Berekeningen maken (vermenigvuldigen en optellen) vanuit een gegeven context Oefenen Deelsommen afleiden van de hoofdsom Optellen en aftrekken t/m 1000 met mooie getallen Uitgeschreven getallen in cijfers noteren cl omzetten naar ml Verhouding cl, ml en l vergelijken Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 108 en 109 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 54 en 55 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Namaakgeld (eventueel) Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Getallen tot 2000 op de getallenlijn Teken een getallenlijn van 1000 tot 2000 op het bord. Zet streepjes bij de honderdtallen. Laat de volgende getallen aan de lijn hangen: 122, 1976, 1185, 1802, 1638, Samen 100 Laat een kind een getal onder de 100 noemen. Een ander kind noemt het getal dat daarmee samen 100 is. Hoe gaan de kinderen te werk? Weten ze het antwoord, gaan ze rijgend aanvullen of trekken ze af? Kunnen ze het uit het hoofd of hebben ze bijvoorbeeld een getallenlijn nodig? 3 Getal in gedachten Een kind neemt een getal onder de 100 in gedachten. De anderen mogen vragen stellen die met ja of nee beantwoord kunnen worden. Hoe snel komen de kinderen achter het getal? Stimuleer dat de kinderen niet alleen vragen stellen als: is het hoger dan... of is het lager dan..., maar ook dingen als: zit het in de tafel van 8? Maatschrift 1 Springen Tel met sprongen van 100 en begin op 0 en eindig bij Tel met sprongen van 200 en begin bij 0 en eindig bij Tel met sprongen van 100 en begin bij 1 en eindig bij Tel met sprongen van 200 en begin bij 3 en eindig bij Getallen raden Een kind neemt een getal onder de 2000 in gedachten. De andere kinderen vragen om de beurt: Is het...? Op deze vragen mag alleen met hoger of lager worden geantwoord. Gebruik als hulp een getallenlijn op het bord om de getallen op aan te geven. 3 Rekenen met tijd Laat de kinderen aan de hand van de volgende zinnen de tijdsduur uitrekenen. De bus vertrekt om uur en komt aan om uur. (2 uur en 1 minuut) De trein vertrekt om uur en komt aan om uur. (3 minuten) We vertrokken om 7 uur s morgens en kwamen s avonds om 7.34 aan op de camping in Frankrijk. (12 uur en 34 minuten) Het vliegtuig steeg op om uur en landde om 3.15 uur. (3 uur en 50 minuten) De raket werd gelanceerd om uur en bereikte om uur de volgende dag de maan. (24 uur)
43 Alles telt Handleiding 5 43 Aandachtspunten bij les 20 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 108 en Aangeven welke getallen worden weergegeven door het MAB-materiaal. 2 Bij de meeste opgaven is het een beetje schatten. Is het bijvoorbeeld bij g 1880 of 1890 of 1885? 3 Meer fi etsen huren is goedkoper. Meer dagen huren is ook goedkoper. 4 Zien de kinderen dat in rijtje c eigenlijk 4 13 uitrekenen korter en dus gemakkelijker is? De omkeereigenschap van de vermenigvuldiging kan in rijtje d heel goed worden toegepast. 5 Een kwestie van goed kijken. Een kladblaadje gebruiken mag. 6 Hebben de kinderen nog namaakgeld nodig? 7 Dit gaat al een beetje in de richting van breuken door verhoudingen centraal te stellen. maatschrift blz. 54 en 55 1 Getallen plaatsen op de getallenlijn van 1000 tot Gebruiken de kinderen het dichtstbijzijnde honderdtal als steun? 2 Een opgave in het kader van de getalopbouw tot Getallen tussen 1000 en 2000 worden op de getallenlijn geplaatst. 3 Het invullen van een rekening en het berekenen van het totaalbedrag. Zien de kinderen dat sommige getallen handig samengenomen kunnen worden? 4 Met behulp van een bekende deling kunnen de kinderen complexere delingen maken. 5 Optelsommen en aftreksommen onder de 1000 om even te oefenen. 6 Voor zwakke lezers wordt het aanbevolen dit voor te lezen. 7 Weten de kinderen nog dat 1 cl = 10 ml en 10 cl = 100 ml? 8 Laat alles omrekenen in ml als het zo niet lukt. Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 4 < Opgave 2 8 < Opgave 3 4 < Opgave 4 16 < Opgave 5 4 < Opgave 6 4 < Opgave 7 4 < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 11 < Opgave 2 4 < Opgave 3 2 < Opgave 4 10 < Opgave 5 16 < Opgave 6 5 < Opgave 7 5 < Opgave 8 3 < 2 2-3
44 44 blok 6 les 21 en 22 Leerlijn Tijd Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. Leerdoelen Nieuwe stof De structuur van een jaarkalender Handig en systematisch rekenen op de kalender (Vakantie)dagen en (school)tijden berekenen Gevoel ontwikkelen voor de lengte van een schooljaar Oefenen Oefenen met dubbelsommen in de tafels Rekendriehoeken (strategisch rekenen) Opgaven met meerkeuzeantwoorden Nieuwe stof De structuur van een (jaar)kalender Handig en systematisch rekenen op de kalender Weken/dagen in een tabel 1 Wat hebben we geleerd? Bespreek met de kinderen wat ze dit jaar hebben geleerd. Schrijf deze dingen op het bord en vraag de kinderen er voorbeelden bij te geven. Vraag ook wat ze makkelijk vonden en wat ze moeilijk vonden. Kunnen ze ook uitleggen hoe dat komt? Laat de kinderen elkaar sommen opgeven die ze geleerd hebben. Bespreek een aantal van deze sommen klassikaal. 2 Getal van het jaar Iedereen mag een getal indienen voor de verkiezing getal van het jaar. Schrijf de getallen op het bord. Laat de kinderen vertellen waarom ze deze getallen hebben gekozen. Ga vervolgens stemmen en schrijf het gewonnen getal op het bord. Laat de kinderen er allerlei zaken bij bedenken. Schrijf deze onder het getal en bespreek het getal regelmatig. 3 Tafels Laat ieder kind 5 tafelsommen opschrijven. Daarna kunnen ze om de beurt de sommen voorlezen. De anderen geven antwoord. Stimuleer de kinderen niet alleen makkelijke sommen te bedenken, maar ook de lastige te gebruiken. Doe hetzelfde met de deeltafels. Maatschrift Oefenen Handig rekenen in context kalender Vermenigvuldigen en delen van tientallen met hulpsom Klokkijken 1 Optellen = ( 8) = ( 53) = ( 80) = (530) = ( 14) = ( 68) = (140) = (680) = ( 16) = ( 79) = (160) = (790) = ( 13) = ( 85) = (130) = (850) Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 110 en 111 Werkschrift 5 blz. 60 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 56 en 57 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware 2 Aftrekken van 1000 Steeds 10 tot aan 800. Hoeveel keer heb je afgetrokken? (20) Steeds 9 tot aan 901. Hoeveel keer heb je afgetrokken? (11) Steeds 8 tot aan 904. Hoeveel keer heb je afgetrokken? (12) Steeds 7 tot aan 930. Hoeveel keer heb je afgetrokken? (10) Steeds 6 tot aan 910. Hoeveel keer heb je afgetrokken? (15) Steeds 5 tot aan 900. Hoeveel keer heb je afgetrokken? (20) 3 Rekenen met geld 1 zakje paprikachips kost 0,15. Hoeveel zakjes kun je kopen voor: 0,30, 0,60, 0,45, 0,90, 1? (2, 4, 3, 6, 6 ( 0,10 over)). Stimuleer de kinderen een rekentabel te maken.
45 Alles telt Handleiding 5 45 Waar gaat deze les over? Voorbereiding: Maak zelf een (A3) kopieerblad met de jaarkalender van dit jaar erop. Zie Lesverloop opgave 3. De jaarkalender komt uitgebreid aan de orde. Voor de beleving van kinderen is het schooljaar het meest gekoppeld aan vakantietijden en feestdagen. Alle aspecten van de jaarkalender komen aan de orde, zoals het aantal dagen per maand, het schrikkeljaar, de seizoenen, de feestdagen, de verjaardagen, de vakantie, de verandering bij oud- en nieuwjaar als je ineens een ander jaartal moet noemen, enzovoort. Er is ook een opgave met meerkeuzeantwoorden over hoe de kinderen de tijdsduur beleven. De vraag is natuurlijk hoe objectief of subjectief die mag en kan zijn voor kinderen van deze leeftijd. Taal en rekenen Taaltip In leerlingenboek opgave 1 staat een jaarkalender afgedrukt (uiteraard niet actueel). Van belang voor het kind is dat alle mogelijk gebruikte termen begrepen zijn omdat die in verschillende contexten kunnen voorkomen. Maak op het bord een woordveld met het woord kalender in de cirkel. Daaromheen woorden die kinderen noemen, maar ook de woorden: maand, jaar, dag, week, schrikkeljaar, verjaardag, (school)vakantie, tijd, lang, kort. Ga met de kinderen de betekenis van de woorden na. Hebben ze die goed begrepen, dan kan er weinig fout gaan in de les. Ten slotte is het leuk om de namen van de dagen eens goed te bekijken. Zondag en maandag zullen de kinderen wel snappen, maar de andere dagen? Dinsdag (waarschijnlijk afgeleid van ding, geding dus rechtspraakdag), woensdag (afgeleid van wodansdag, Wodan was een god van de Germanen), donderdag (afgeleid van donarsdag, Donar was ook een god van de Germanen), vrijdag (afgeleid van Freia, een godin van de Germanen), zaterdag (afgeleid van Saturnus, een belangrijke planeet). Rekenwoorden Lang Kort Tijd Lastige woorden Jaar/maand/week/dag Schrikkeljaar Verjaardag (School)vakantie
46 46 Blok 6 Les 21 en 22 Lesverloop van les 21 C1 C2 C3 De jaarkalender. De jaarkalender Dit is een algemene oriëntatie op de kalender en een controle van wat de kinderen er nog van weten uit eerdere lessen. Vraag naar de dag en de datum van vandaag. Welke maand was de vorige? Welke is de volgende? Hoeveel dagen heeft deze maand? Hoeveel dagen hebben de overige maanden? Welke maand is de kortste maand? Wat is er bijzonder aan die maand? Wie weet hoe een jaar heet waarin februari 29 dagen heeft? Welke dag was het gisteren? En morgen? Welke dagen zitten er in de week? Hoeveel maanden heeft een jaar? Hoeveel weken? Hoeveel dagen? Hoeveel dagen is 52 weken? 52 7 = 7 52 = = = 364. Als je alle maanden bij elkaar optelt: = = 365. Hoe lang duurt een jaar in weken en dagen? (52 weken en 1 dag) En als het een schrikkeljaar is? Wat zijn na dit jaar de schrikkeljaren? (2012, 2016, 2020, enzovoort) Laat de jaarkalender van dit jaar zien. Op welke dag viel dit jaar 1 januari? Is dit een schrikkeljaar, ja of nee? Op welke dag zal volgend jaar 1 januari vallen? Hoe kun je op de kalender in het boek zien op welke dag 1 januari van het volgende jaar zal vallen? (Op welke dag valt 31 december?) En nog een jaar later? Is het jaar van de kalender een schrikkeljaar? Besteed ook aandacht aan de weekendaanduiding (rood) en de feestdagen. Verder is een kritische houding van de kinderen belangrijk. Kloppen die vakanties wel? Heeft de datum van vandaag ook dezelfde dag als die in het boek? Naar alle waarschijnlijkheid blijkt dat het jaar in het boek niet klopt met het jaar waar we mee bezig zijn. Hoeveel dagen in het jaar heb je vrij? De jaarkalender Tellen de kinderen opeenvolgend alle dagen apart? Tellen ze eerst de groene blokjes van de vakantiedagen en dan de rode weekenden? Tellen ze de weekenden in de vakanties dan niet dubbel? Kiezen ze voor weken met 5 dagen vakantie bij het tellen van de vakanties? Het laatste kan leiden tot het overslaan van losse dagen. Een kladblaadje wordt aanbevolen. Niet alleen voor de nauwkeurigheid maar ook voor de controle. Deze opgave krijgt bij les 22 in opgave 2 c en d een vervolg, als er gevraagd wordt naar het tijdsbesef. Jullie eigen vakantie. De jaarkalender Een eigen gemaakt (A3) kopieerblad met daarop in schema de ingevulde maanden van dit jaar kan helpen. Schrijf onder de kalender de vakanties van dit jaar. Laat de kinderen zelf de vakanties inkleuren in de kalender. Eventueel krijgen de weekenden een andere kleur. Het is interessant te observeren hoe er geteld wordt. Tel je de schooldagen en vrije dagen of trek je de schooldagen van de 30 of 31 af, afhankelijk van de maand? Misschien zijn er wel kinderen die het andersom doen, omdat het aantal vrije dagen kleiner is dan de schooldagen. Laat ze eerst hun gang gaan om op een gegeven moment de activiteiten stil te leggen en dan te vragen naar hun werkwijze. Let er op dat de antwoorden moeten kloppen.
47 Alles telt Handleiding 5 47 Aandachtspunten bij les 22 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Uitbreiden van tijdsduur berekenen. 2 Een opgave waarin naar de tijdsbeleving van de kinderen wordt gevraagd. Hoe objectief (rekenend) beantwoorden ze deze vragen? 3 Er zit een zeker stramien in de antwoorden. De verschillen zijn opvolgend 1, 3, 5, 7, enzovoort. Bij de laatste 2 sommen is dat toepasbaar. Of het ontdekt wordt, is wat anders. 4 Bij rekendriehoeken is het minder belangrijk om te weten waar je moet beginnen. werkschrift blz Alle gegevens omrekenen in dagen. 2 Gebruik van de kalender is aanbevolen. 3 Meerkeuzevragen, waarbij de kinderen door te schrappen of bijvoorbeeld door terug te rekenen het juiste antwoord overhouden. Kies een van de antwoorden en kijk of je weer bij het startgetal uitkomt. Maar het kan natuurlijk ook door rechtstreeks te gaan rekenen. 4 Goed lezen staat voorop. Welke kennis hebben de kinderen? Kiezen door schrappen? Bij meerkeuzevragen is de tactiek van belang. Ervaringen beïnvloeden het strategisch handelen. 5 Opdracht a en b zijn zonder overschrijden. Bij c zal een kind splitsend kunnen optellen (verdubbelen). maatschrift blz. 56 en Rekenen de kinderen al met weken of tellen ze gewoon? 3 Dit is de eerste keer dat de open rekentabel voorkomt. Besteed daar aandacht aan. 4 Een aanzet tot handig rekenen. 5 Een oefening in toepassing van de tafelsommen. 6-7 Kunnen de kinderen dit al zonder echte klok? Zowel de grote als de kleine wijzer veranderen van stand. Observatie en extra hulp Sommige kinderen kennen de namen van dagen en maanden nog niet in volgorde. Met deze kinderen oefent u dit nog eens apart. Voor het leren van het aantal dagen per maand kunnen als hulpmiddel de knokkels van 2 handen gebruikt worden. Maak 2 vuisten, houd die tegen elkaar en tel af, te beginnen bij de pinkknokkel van de linkerhand. De knokkels zijn de dagen met 31 dagen, de tussenruimtes de dagen met 30 dagen. Alleen februari blijft de uitzondering. Stap even uit de les Mandala tekenen en kleuren Geef de kinderen een A4 en laat ze daarop een grote klok tekenen zonder wijzers. (gebruik de klasseklok als voorbeeld) Laat ze nu 12 uur verbinden met 4 en 8 uur, 1 uur met 5 en 9 uur, 2 met 6 en 10, enzovoort, zodat steeds driehoeken ontstaan. Hoeveel lijnen kun je zo trekken? (12) Laat deze mandala inkleuren naar eigen inzicht. Een variatie is om vanaf 12 uur lijnen te trekken naar 5 en via 7 terug naar 12. Vanaf 1 naar 6 via 8 naar 1, enzovoort. Dit zijn ook driehoeken maar smaller. Ook hier kan een leuk kleurenpatroon ontstaan. Wie verzint nog een andere variatie? Bespreek na afloop het kleurgebruik en de ontstane patronen. Een tentoonstelling volgt daarna. Afronding Kijkt u bij leerlingenboek opgave 2 of de kinderen een juist gevoel van tijdsbeleving hebben ontwikkeld. Hoe hebben de kinderen bij werkschrift opgave 3 en 4 de meerkeuzevragen gedaan? Bij maatschrift opgave 3 kwam de open rekentabel voor het eerst voor. Bespreekt u die nog eens met de kinderen. Bij opgave 5 was beheersing van de tafelsommen belangrijk. Hoe stond het daarmee?
48 48 blok 6 les 23 en 24 Leerlijn Basisvaardigheid vermenigvuldigen Leerdoelen Nieuwe stof Handig vermenigvuldigen met 2, 5 en 10 Oefenen Notatie met -teken Verschillende bewerkingen toepassen in een potpourri van oefeningen Nieuwe stof Handig vermenigvuldigen met 2, 5 en 10 Oefenen Handig rekenen bij vermenigvuldigen en delen Uitvinden welke bewerking is toegepast Twee bewerkingen achter elkaar uitvoeren (pijlsommen) Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 112 en 113 Werkschrift 5 blz. 61 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 58 en 59 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Stroken van 1 m (bouwmarkt) Tv-gids (krant met tv-tijden) Klassikale instructieklok Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Getallenlijn Zet op het bord een getallenlijn van 1 t/m (zonder streepjes). Waar denken jullie dat 5000 staat? 5500 staat? 9076 staat? 2754 staat? 500 staat? 9750 staat? 2755 staat? 9999 staat? 2 Vragen bedenken Laat de kinderen vragen bedenken die met getallen te maken hebben (geen sommen, maar bijvoorbeeld: Hoeveel dagen heeft februari? ). Maak er een soort quiz van door de kinderen hun vragen te laten stellen. 3 Meten Laat de kinderen stroken maken van een meter (of haal ze uit een bouwmarkt). Laat ze in de klas en buiten dingen opzoeken die ongeveer een meter zijn. Maak er een gezamenlijke lijst van. De strook kan doormidden worden gevouwen. Dan heb je een halve meter. Laat nu ook een lijst samenstellen van dingen die ongeveer een halve meter lang of groot zijn. Maatschrift 1 Inhoud meten 1 glas melk bevat 17 cl melk. Hoeveel cl melk heb je nodig voor 2, 3, 4, 5, 6, 10 glazen? (34, 51, 68, 85, 102, 170 cl) In een pak melk zit 100 cl melk. Hoeveel glazen kun je schenken? (bijna 6 glazen) Je bent een beetje zuinig en je doet nu in een glas 15 cl melk. Hoeveel glazen kun je nu schenken? (iets meer dan 6) Stimuleer de kinderen een rekentabel te maken. 2 Combineren Wijs de kinderen erop dat 116 en 14 samen een mooi getal maken, evenals 115 en = (270) = (240) = (450) = (450) = (250) = (880) = (670) = (460) = (220) = (140) = (220) = (370) = (420) = (470) = (420) = (600) 3 Getallenlijn Zet op het bord een getallenlijn van 1 t/m 2000 (zonder streepjes). Waar denken jullie dat 1000 staat? 176 staat? 1500 staat? 1754 staat? 500 staat? 1755 staat? 1750 staat? 1999 staat?
49 Alles telt Handleiding 5 49 Waar gaat deze les over? Het gaat in deze les om vermenigvuldigen met de factoren 2, 5 en 10, in verschillende contexten. Het aantal uren dat jonge dieren oud zijn, het aantal weken in meerdere jaren en het totaalbedrag aan geld in verschillende buisjes zijn zulke contexten. Het vermenigvuldigen met 2 kan door verdubbelen, of er een optelsom van 2 gelijke termen van te maken. Het vermenigvuldigen met 5 kan eveneens op verschillende manieren: 5 keer is de helft van 10 keer, of als optelsom. Taal en rekenen Taaltip Hoeveel uren oud zijn deze jonge dieren? Veel kinderen zullen de wenkbrauwen ophalen bij deze (schijnbare) tegenstelling. Het is al eens eerder aan de orde geweest. Het woord oud is hier anders bedoeld, namelijk als een maat voor tijd. Hebben de kinderen dit begrepen, dan is het leuk om te spelen met deze tegenstelling. Een paar voorbeelden: Dat oudje ziet er nog jong uit. Jong geleerd, oud gedaan. Jong en oud hadden plezier. Wil je jonge of oude kaas? Zo de ouden zongen piepen de jongen. Rekenwoorden Vermenigvuldigen Lastige woorden Oud/jong Ciabatta
50 50 Blok 6 Les 23 en 24 Lesverloop van les 23 C1 C2 C3 C4 Hoeveel uren oud zijn deze jonge dieren? Vermenigvuldigen met 2, 5 en 10 Het gaat in deze les om vermenigvuldigen met de factoren 2, 5 en 10. Het vermenigvuldigen met 2 kan door verdubbelen, of door er een optelsom van 2 gelijke termen van te maken. Het vermenigvuldigen met 5 kan eveneens op verschillende manieren: 5 keer is de helft van 10 keer, of als optelsom. De foto s van de jonge dieren worden bekeken. De vraag is: Hoeveel uren oud zijn deze dieren? Hoeveel uren heeft een dag? Hoe weet je dat? Waar kun je dat aan ontdekken? Een tv-gids of krant biedt uitkomst. Houdt u die dus bij de hand. Verder gebruikt u een klok waarvan u de wijzers versneld doordraait, te beginnen bij 0 uur. Doe uitspraken of stel vragen als 3 uur in de nacht, we slapen nog en 6 uur in de ochtend, wie is dan al wakker? Wanneer noem jij het ochtend en wanneer is het nog nacht volgens jou? Is iedereen het daarmee eens? Wanneer wordt het middag? Wanneer wordt het avond? Het gaat er bij deze opgave om dat de kinderen weten of ontdekken dat een dag 24 uur lang is, het gaat niet om de 24-uurs notatie. Als die toch ter sprake komt, dan moet daar niet te veel aandacht voor zijn. Daarna rekent ieder op zijn eigen manier de sommen uit. Schrijf de verschillende aanpakken op het bord en bespreek ze. Hoeveel weken zitten er in 1, 2, 5 en 10 jaar? Vermenigvuldigen met 2, 5 en 10 Laat de kinderen eerst zelf de sommen uitrekenen. Welke aanpakken hanteren zij? Vergelijk ze met elkaar en vervolgens met de aanpakken van Esra en Hamid. Zet ze eventueel op het bord om goede vergelijkingen te maken. Welke manier vinden de kinderen het handigst? Een jaar heeft 52 weken. Dat hebben we al gezien in de vorige lessen is duidelijk, bij 2 kun je optellen door verdubbelen. Dan gaan we eerst verder met de eenvoudige 10.(520) Daarna volgt 5. Dat is de helft van 520 en dat is 260. Helaas schuilt er wel een addertje onder het gras. Een jaar telt namelijk 52 weken en 1 dag. In 10 jaar dus 10 extra dagen en in ieder geval 2 schrikkeldagen (er zijn in 10 jaar dus bijna 522 weken). En bij 5 jaar komen er 5 extra dagen plus 1 (en misschien zelfs 2) schrikkeldag(en) bij (in 5 jaar dus bijna of helemaal 261 weken). Dit laatste is extra en u kunt het ook weglaten. Reken uit. Vermenigvuldigen met 2, 5 en 10 Gebruikmaken van verdubbelen en halveren. Hoeveel geld zit erin? Vermenigvuldigen met 2, 5 en 10 Een toepassing van vermenigvuldigen in de context geld.
51 Alles telt Handleiding 5 51 Aandachtspunten bij les 24 (zelfstandig werken) leerlingenboek blz Handig vermenigvuldigen met 2, 5 en Hoe wordt er gerekend? Eerst verdubbelen, dan 10 en dat ten slotte halveren? 3 Hebben de kinderen nog problemen met de notatie met het -teken en als kommagetal? werkschrift blz Dit is de laatste pagina van het werkschrift. Daarom alle bewerkingen in een potpourri van (bekende) oefenvormen als getallenmuurtje, rekendriehoek, pijlensom, enzovoort. maatschrift blz. 58 en Rekenen de kinderen handig? (verdubbelen, 10, halveren) 3 Laat de kinderen eventueel eerst de gemakkelijke verdubbelingen en halveringen uitvoeren. 4 Gebruiken de kinderen de halveringen van a bij b? 5 Nog eens 2, 5 en 10. Hoe vlot gaat dit? 6 Ook bij deze opgave kunt u zien of de kinderen de stof gaan beheersen. 7 Laat de kinderen het uitproberen als ze het niet direct zien. Er zijn maar 4 mogelijkheden. 8 Een pijlensom met een dubbele bewerking. Maar wel met mooie getallen. Observatie en extra hulp Kent iedereen de sommen van de tafels tot 10 (en met name 2, 5 en 10 ) uit het hoofd? De strategie bij 5 is eerst 10 nemen en daarvan weer de helft. Oefen met: de helft van 60, de helft van 70, de helft van 220, 80 : 2, 140 : 2, enzovoort. Stap even uit de les Terugblik Bekijk met de kinderen een aantal uitstapjes die dit halfjaar zijn gemaakt bij Stap even uit de les. Welke vonden de kinderen leuk om te doen? Wie is er met een idee verder gaan werken? Is er nog een tentoonstelling te maken? Afronding Gaat u met de kinderen de potpourri van oefenvormen in het werkschrift na en stel vast wat de kinderen allemaal al beheersen. Dat geeft moed voor het volgende leerjaar. Ook bij het maatschrift kijkt u hoe vlot het rekenen al gaat. Bij opgave 7 gaat u na wie van de kinderen gelijk zag welke bewerking erbij hoort. Laat de oplossing verwoorden.
52 52 blok 6 les 25 herhalen en oefenen Leerlijn Tijd Basisvaardigheid vermenigvuldigen Leerdoelen Nieuwe stof Omrekenen van tijd in weken en maanden en uren Handig vermenigvuldigen met 2, 5 en 10 Rekenen met cm in context Oefenen Tellen met patronen Rekenen met gewichten in context Nieuwe stof Weken/dagen in een tabel Handig rekenen in context kalender Handig vermenigvuldigen met 2, 5 en 10 Oefenen Uitvinden welke bewerking is toegepast Vermenigvuldigen met tiental en honderdtal Grote getallen vergelijken Terugtellen vanaf 2000 (sprongen van 2) Materiaal Leerlingenboek 5b blz. 114 en 115 Maatschrift 5 blok 5+6 blz. 60 en 61 Plusschrift 5 blok 6 Kwismeester 5b blok 6 Oefensoftware Hoofdrekenen en schattend rekenen Maak een keuze uit deze opdrachten. Reken 5 tot 10 minuten. 1 Plattegrond Laat de kinderen (eventueel per tweetal) een plattegrond van de klas maken. Het moet duidelijk zijn waar iedereen zit. 2 Leeftijd Laat de kinderen een rij maken van jong naar oud. Hoe gaan ze te werk? Eerst op jaren en daarna op maanden? Zien ze dat iemand die in mei geboren is, ouder is dan iemand die in juli geboren is? Herhaal eventueel nog de maanden op volgorde. 3 Het grootste getal Voer een gesprek met de kinderen over wat het grootste getal zou kunnen zijn. Laat ze uitleggen hoe ze aan hun antwoord komen. Geef ruimte tot overleg en eventueel bijstelling. Maatschrift 1 Darten Teken op het bord een viertal concentrische cirkels en zet in de middelste cirkel 25, in de ring daaromheen 20, in de ring daaromheen 8 en in de buitenste ring 5. De kinderen mogen denkbeeldig met 3 pijltjes gooien. Wat is het hoogste getal dat je kunt gooien? (75) Wat is het laagste getal dat je kunt gooien? (15) Hoe kun je 40 punten scoren? (dat kan niet) Hoe kun je 36 of meer scoren? ( , , , , ) 2 Delen 36 : 2 = ( 18) 360 : 2 = (180) 36 : 3 = ( 12) 360 : 3 = (120) 36 : 4 = ( 9) 360 : 4 = (90) 36 : 6 = ( 6) 360 : 6 = (60) 36 : 9 = ( 4) 360 : 90 = (40) 36 : 12 = ( 3) 360 : 12 = (30) 3 Bankdirecteur spelen Gisteren had ik in mijn portemonnee: 6 10, 20 5 en Vandaag had ik in mijn portemonnee: 8 10, 6 20 en Ben ik nu rijker of armer geworden? (rijker) Laat de kinderen een kladblaadje gebruiken om de bedragen op te schrijven.
53 Alles telt Handleiding 5 53 Aandachtspunten bij les 25 (herhalen en oefenen) leerlingenboek blz. 114 en Omrekenen van jaren naar weken en andersom. 2 Goed lezen, schatten, afronden en controleren komen alle aan de orde. Maar dat zal niet voor ieder kind gelden. Trial en error met een eventuele controle is ook goed mogelijk. 3 Weten de kinderen dat 5 de helft is van 10? Als een kind eerst de derde som neemt en daarna de tweede, heeft hij de structuur goed door en rekent daardoor handig. Bij het laatste rijtje is het een kwestie van het optellen van de 2 voorgaande uitkomsten. Moeilijk, maar daarom is het ook een plusopdracht. 4 Gaan de kinderen echt vermenigvuldigen of maken ze gebruik van verdubbelen, zoals bij a en c? 5 Rekenen met cm en logisch redeneren. 6 De rijen bestaan uit de oneven getallen 1, 3, 5, 7,... Opgeteld levert dat de getallen 1, 4, 9, 16,... op. Deze opgetelde getallen blijken steeds kwadraten te zijn; 1 1, 2 2, 3 3, 4 4, enzovoort. Deze afgebeelde stapel bestaat uit 16 blokjes. Wat is dan het volgende kwadraat? (5 5 = 25) 7 Het tellen zal bij veel kinderen verschillen: per stuk of gestructureerd. Er zijn ook verschillende variaties in structuren. 8 Rekenen met gram en kilogram. Hoe vaak gaan 100, 200, 250 en 500 op de 1000? De delers van 10, 100 en maatschrift blz. 60 en 61 1 Omrekenen van weken naar dagen en andersom in een tabel. 2 Zien de kinderen zelf hoe ze getallen bij elkaar kunnen nemen om handig te kunnen rekenen? 3 Bij een beschuitrol gaan er 13 in een dozijn. 4 Halveren de kinderen bij de derde tabel de uitkomsten van de tweede tabel? 5 Uitproberen of direct zien? 6 De tafel van 50 en van 100. Trekken de kinderen de parallel met 5 en 10? 7 Bij het vergelijken kan de getallenlijn nuttig zijn. 8 Eigenlijk hetzelfde als terugtellen van 100, 80 of 60. Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 4 < Opgave 2 4 < Opgave 3 16 < Opgave 4 5 < Opgave 5 4 < Opgave 6 4 < Opgave 7 4 < Opgave 8 5 < Normering Aantal Onvoldoende Voldoende Opgave 1 6 < Opgave 2 5 < Opgave 3 3 < Opgave 4 24 < Opgave 5 11 < Opgave 6 20 < Opgave 7 6 < Opgave 8 21 <
54 54 Blok 6 Les 25 plusopgaven leerlingenboek blz. 124 t/m Verwisseling van eenheden, tientallen en honderdtallen geeft een nieuwe oplossing. 2 Kunnen de kinderen het waarom ook beantwoorden? 3 Een oosters raadsel. Neem om te proberen een even aantal sinaasappels en omdat er 3 keer gehalveerd wordt een getal zo rond de 20. Het blijkt 22 te zijn. 4 Volg de aanwijzingen. 5 Wat zijn de afrondingsregels? 6 Is nu ook duidelijk? 7 Denk bij het aftrekken om de volgorde. 8 Zorg dat jij bij het laatste rijtje mag beginnen. 9 Maak ook een som met een zo klein/groot mogelijk antwoord. 10 Strategisch handelen of door ervaring met het spel de strategie aanscherpen? plusschrift blz. 42 t/m 51 1 De even getallen vallen in ieder geval af. 2 Begin bij delen door 1. 3 Met wat knippen en plakken zie je dat alle 3 fi guren 12 hokjes tellen. 4 Eventueel de bouwplaat natekenen, knippen en vouwen kan helpen als het met alleen inzicht niet lukt. 5 Leg de vormen in gedachten plat. 6 Let goed op het patroon in de getallen. Wil je echt controleren, gebruik dan een rekenmachine. 7 Met uitklappen van de inspringende hoeken is het goed te zien. 8 Schrap eerst alle sommen die niet meedoen (zoals 23 4), dan doen hele stukken weg al niet meer mee. 9 De gele fi guur is de rest van 48 24, dus even groot als de rode fi guur. 10 Begin met de rij waarvan je er al 3 weet. 11 In deze strook passen nog 5 identieke driehoekjes. Het patroon bestaat dan eigenlijk uit 6 gestreepte driehoeken en 6 witte driehoeken. 12 Neem er een dobbelsteen bij als voorbeeld. 13 Gebruik eventueel een echt spiegeltje ter controle. Bedenk wat je helpt bij het spiegelen. Let op de ruitjes. 14 Let op bij afronden of je naar boven of naar beneden afrondt. Als je alleen naar boven afrondt, kom je misschien te hoog uit. 15 Begin met de yoghurt te berekenen. Dat helpt. 16 Begin steeds bij Verschillende sommen bedenken met als antwoord Bij deze puzzel moeten ook getallen van boven naar beneden geschreven worden. Bij A hoef je niet te rekenen. Als je alle andere vakjes eerst hebt kunnen invullen, hoef je bij D alleen nog het eerste getal te bepalen. 19 Bedenk eerst waar je alles wilt neerzetten, zodat je ruimte genoeg overhoudt. 20 Soms is alleen optellen al voldoende. 21 Tel de getallen die je nodig hebt om het aangegeven getal te maken bij elkaar op. Begin bij het grootste getal.
Leerroutes Passende Perspectieven Alles telt groep 5 blok 1
Leerroutes Passende Perspectieven Alles telt groep 5 blok Legenda kleuren Getalbegrip Optellen en aftrekken Vermenigvuldigen en delen Verhoudingen Meten Meten Tijd Meten Geld Meetkunde Verbanden Legenda
42 blok 6. Een huis inrichten. Teken de meubels in het huis. Plaats ze waar jij wilt. Vul in. Hoeveel eet elke hond? Hoeveel kilo vlees?
42 blok 6 C1 Een huis inrichten. Teken de meubels in het huis. Plaats ze waar jij wilt. C2 Vul in. Hoeveel eet elke hond? Hoeveel kilo vlees? Hoeveel pakken brokken? Hoeveel bakjes water? Fido 3 2 1 4
Wat betekenen de getallen? Samen bespreken. Kies uit kilometer, meter, decimeter of centimeter.
70 blok 5 les 23 C 1 Wat betekenen de getallen? Samen bespreken. 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 60 981 540 C 2 Welke maten horen erbij? Samen bespreken. Kies uit kilometer, meter, decimeter of centimeter.
Leerstofoverzicht groep 3
Leerstofoverzicht groep 3 Getallen en relaties Basisbewerkingen Verhoudingen Leerlijn Groep 3 uitspraak, schrijfwijze, kenmerken begrippen evenveel, minder/meer cijfer 1 t/m 10, groepjes aanvullen tot
Groep 5 Leerroute 3< 1F Leerroute 2= 1F (maatschrift) Leerroute 1 = 1S Periode 1
Groep 5 Leerroute 3< 1F Leerroute 2= 1F (maatschrift) Leerroute 1 = 1S Periode 1 Normgerichte doelen: De kinderen behalen op de methodegebonden toetsen Maatschrift een 60% score. Blok 1: De kinderen kennen/kunnen/beheersen:
Groep 3. Getalbegrip hele getallen. Optellen en aftrekken. Geld
Groep 3 Getalbegrip hele getallen De leerlingen werken de eerste periode in het getallengebied tot 20 en 40. De tweede helft van het jaar ook tot 100. De leerlingen leren het verder- en terugtellen, tellen
Hieronder ziet u per 2 blokken wat er getoetst wordt in groep 4
Hieronder ziet u per 2 blokken wat er getoetst wordt in groep 4 Blok 1A en 2A Telrij, uitspraak en notatie Getallenlijn en getalvolgorde Opbouw getallen tot 100 Sprongen van 1, 2 en 5 tussen 10 en 20 t/m
Leerlijnen groep 4 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 4 Wereld in Getallen 1 REKENEN Boek 4a: Blok 1 - week 1 - optellen en aftrekken t/m 10 (3 getallen, 4 sommen) 5 + 4 = / 4 + 5 = 9 5 = / 9 4 = - getallen tot 100 Telrij oefenen met kralenstang
Lesopbouw: instructie. 2 Instructie. 1 Start. Blok 4 Week 2 Les 1
Blok Week 2 Les 1 0 70 30 0 35 5 20 10 1 36 2 11 12 1 0 739 00 96 325 10 71 02 9 327 330 69 56 1 210 332 700 566 20 212 59 29 3 599 76 551 300 5 1 770 99 0 00 109 3 991 10 02 111 350 70 270 96 596 150
Leerlijnen groep 5 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 5 Wereld in Getallen 1 2 3 4 REKENEN Boek 5a: Blok 1 - week 1 Oriëntatie - Getallen tot en met 1000 - Tafels 0 t/m 6 en 10 - Herhalen strategieën - Herhalen hele, halve uren en kwartieren
Overig nieuws Hulp ouders bij rekenen deel 3.
Overig nieuws Hulp ouders bij rekenen deel 3. Het rekenonderwijs van tegenwoordig ziet er anders uit dan vroeger. Dat komt omdat er nieuwe inzichten zijn over hoe kinderen het beste leren. Vroeger lag
Leerlijnenpakket STAP incl. WIG. Rekenen Rekenen. Datum: 08-05-2014. Schooltype BAO (Regulier) Herkomst Landelijk Periode DL -20 t/m 200
Leerlijnenpakket STAP incl. WIG Schooltype BAO (Regulier) Herkomst Landelijk Periode DL -20 t/m 200 Rekenen Rekenen 1.1 Getallen - Optellen en aftrekken tot 10 - Groep 3 BB/ KB GL + PRO 1.1.1 zegt de telrij
C 1 C 2 C 3. les 1. 2 blok 4. Leg de figuren. Samen bespreken. a b c
2 blok 4 les 1 C 1 Leg de figuren. Samen bespreken. a b c d C 2 Leg de figuren. Samen bespreken. a b c C 3 Leg nog meer figuren. Samen bespreken. a Maak een huis. b Maak een boot. c Bedenk zelf een figuur.
Voorbereidend Cijferend rekenen Informatie voor ouders van leerlingen in groep 3 t/m 8
nummer 2 bijgesteld in nov. 2013 Voorbereidend Cijferend rekenen Informatie voor ouders van leerlingen in groep 3 t/m 8 Hoe cijferend rekenen wordt aangeleerd Deze uitgave van t Hinkelpad gaat over het
rekentrainer jaargroep 7 Fietsen op Terschelling. Teken en vul in. Zwijsen naam: reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs
Zwijsen jaargroep 7 naam: reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Waar staat deze paddenstoel ongeveer? Teken op de kaart. Welke afstand of welke route fietsen de kinderen? naam route afstand Janna
Tafelkaart: tafel 1, 2, 3, 4, 5
Tafelkaart: tafel 1, 2, 3, 4, 5 1 2 3 4 5 1x1= 1 1x2= 2 1x3= 3 1x4= 4 1x5= 5 2x1= 2 2x2= 4 2x3= 6 2x4= 8 2x5=10 3x1= 3 3x2= 6 3x3= 9 3x4=12 3x5=15 4x1= 4 4x2= 8 4x3=12 4x4=16 4x5=20 5x1= 5 5x2=10 5x3=15
rekentrainer jaargroep 7 Fietsen op Terschelling. Teken en vul in. Zwijsen naam: reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs
Zwijsen jaargroep 7 naam: reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Waar staat deze paddenstoel ongeveer? Teken op de kaart. Welke afstand of welke route fietsen de kinderen? naam route afstand Janna
Reken zeker: leerlijn kommagetallen
Reken zeker: leerlijn kommagetallen De gebruikelijke didactische aanpak bij Reken Zeker is dat we eerst uitleg geven, vervolgens de leerlingen flink laten oefenen (automatiseren) en daarna het geleerde
Leerlijnen groep 6 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 6 Wereld in Getallen 1 REKENEN Boek 6a: Blok 1 - week 1 - buurgetallen - oefenen op de getallenlijn Geld - optellen van geldbedragen - aanvullen tot 10 105 : 5 = 2 x 69 = - van digitaal
Reken zeker: leerlijn kommagetallen
Reken zeker: leerlijn kommagetallen De gebruikelijke didactische aanpak bij Reken Zeker is dat we eerst uitleg geven, vervolgens de leerlingen flink laten oefenen (automatiseren) en daarna het geleerde
Aandachtspunten. blok 1, les 3 blok 2, les 3 blok 2, les 6 blok 3, les 3 blok 3, les 6
Aandachtspunten 307 Aandachtspuntenlijst 1, bij blok 1, 2 en 3 1 Verkennen en benoemen van verschillende betekenissen en functies van getallen t/m 1000. Het kind begrijpt nog niet dat er een verband bestaat
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 7 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g k o l o m s g e w i j s d e l e n Inleiding Het programma laat de leerlingen kennismaken met vernieuwende elementen
Omtrek en oppervlakte meten van vijvers
toets maatschrift 6 Overzicht van de leerdoelen Leerlijn Leerdoelen Leeractiviteit toets Toets Getallen en getal relaties Auto mat i- se ren Getallen en getal relaties Basis vaardig heden Meten Telrij
REKENEN OP MAAT GROEP 4
REKENEN OP MAAT GROEP 4 REKENEN OP MAAT GROEP 4 RICHT ZICH OP DE BELANGRIJKSTE VAARDIGHEDEN DIE NODIG ZIJN VOOR HET REKEN-WISKUNDEONDERWIJS. ER WORDT NAUW AANGESLOTEN BIJ DE OEFENSTOF VAN DE VERSCHILLENDE
Getallen en breuken. 1 Doel: helen in breuken verdelen en helen uit de breuk halen. Herhalen
Getallen en breuken Basisstof structuur van de getallen tot 000 000 breuken Lesdoelen De leerlingen kunnen: helen in breuken verdelen en helen uit de breuk halen; helen en breuken verdelen; getallen op
Rekentaalkaart - toelichting
Rekentaalkaart - toelichting 1. Het rekendoel van de opgave In de handleiding van reken-wiskundemethodes beschrijft bij iedere opgave of taak wat het rekendoel voor leerlingen is. Een doel van een opgave
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 7 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g k o l o m s g e w i j s v e r m e n i g v u l d i g e n Inleiding Het programma laat de leerlingen kennismaken
Onthoudboekje rekenen
Onthoudboekje rekenen Inhoud 1. Hoofdrekenen: natuurlijke getallen tot 100 000 Optellen (p. 4) Aftrekken (p. 4) Vermenigvuldigen (p. 5) Delen (p. 5) Deling met rest (p. 6) 2. Hoofdrekenen: kommagetallen
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 7 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g k o l o m s g e w i j s o p t e l l e n e n a f t r e k k e n Jaargroep instap Inleiding Het instapprogramma
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 6 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g e i g e n s c h a p p e n v a n b e w e r k i n g e n Inleiding Het programma laat de leerlingen kennismaken
handleiding leerjaar 7 blok 5
handleiding leerjaar 7 blok 5 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
Strategiekaarten. Deze strategiekaarten horen bij de ThiemeMeulenhoff-uitgave (ISBN 978 90 557 4642 2): Rekenen: een hele opgave, deel 2
Deze strategiekaarten horen bij de ThiemeMeulenhoff-uitgave (ISBN 978 90 557 4642 2): Joep van Vugt Anneke Wösten Handig optellen; tribunesom* Bij optellen van bijna ronde getallen zoals 39, 198, 2993,..
Opdracht 2.1 a t/m c. Er zijn veel mogelijkheden. De vorm hoeft dus niet gelijk te zijn om toch een vierkant van dezelfde grootte te krijgen.
Uitwerkingen hoofdstuk Gebroken getallen. Kennismaken met breuken.. Deel van geheel Opdracht. a t/m c. Er zijn veel mogelijkheden. De vorm hoeft dus niet gelijk te zijn om toch een vierkant van dezelfde
Leerlijnen groep 7 Wereld in Getallen
Leerlijnen groep 7 Wereld in Getallen 1 2 REKENEN Boek 7a: Blok 1 - week 1 in geldcontext 2 x 2,95 = / 4 x 2,95 = Optellen en aftrekken tot 10.000 - ciferend; met 2 of 3 getallen 4232 + 3635 + 745 = 1600
Tussendoelen rekenen-wiskunde voor eind groep 5
Domein GETALLEN, subdomein Getalbegrip beheerst de doelen van groep 2 t/m 4, ook op het niveau van groep 5 en HELE GETALLEN kan willekeurige delen van de telrij tot ten minste 1000 opzeggen en vanuit elk
toets Leerlijn Leerdoelen Leeractiviteit toets Toets
toets blok 6 55 Overzicht van de leerdoelen Leerlijn Leerdoelen Leeractiviteit toets Toets Getalrelaties en getalbegrip Basisvaardigheden Getalrelaties en getalbegrip Betekenis, plaats, structuur en waarde
Getallen. 1 Doel: getallen plaatsen op de getallenlijn. 2 Doel: getallen invullen op het 60-veld. 3 Doel: 5-structuur aangeven.
1 Getallen Basisstof getallenstructuur t/m 60 Lesdoelen De kinderen: kunnen tellen/doortellen t/m 60; kunnen de getallen in het 60-veld schrijven; kunnen werken met de begrippen 2 en meer en 2 en minder
Onthoudboekje rekenen
Onthoudboekje rekenen D_eze _werkbundel _is _van < > 1 Inhoudsopgave Wat moet je wanneer kennen? eindtoets paastoets kersttoets herfsttoets Getallenkennis 1. Soorten getallen (p.4 5) 2. Duizendtal, honderdtal,
Tafels bloemlezing. Inhoud 1
Tafels bloemlezing Leer- en oefenboek 49 bladzijden. Hier zie je de hele pdf, waarin veel geschrapt is, maar waarin je een prima indruk krijgt hoe deze methode is opgebouwd. Dit is een methode die niet
Optellen van twee getallen onder de 10
Splitsen tot 0 uit het hoofd 2 Optellen 2 7 6 2 5 3 4 Splitsen tot 20 3 2 8 7 2 6 3 5 4 4 4 3 2 2 9 8 2 7 3 6 4 5 5 4 2 3 0 9 2 8 3 7 4 6 5 5 6 5 2 4 3 3 Bij een aantal iets erbij doen heet optellen. Je
handleiding leerjaar 7 blok 6
handleiding leerjaar 7 blok 6 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
handleiding leerjaar 3 blok 4
blok 4 handleiding leerjaar 3 blok 4 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Redactie:
Bij het cijferend optellen beginnen we bij de eenheden en werken we van rechts naar links:
Cijferend optellen t/m 1000 Voor u ligt de verkorte leerlijn cijferend optellen groep 5 van Reken zeker. Deze verkorte leerlijn is bedoeld voor de leerlingen die nieuw instromen in groep 6 en voor de leerlingen
Rekentijger - Groep 7 Tips bij werkboekje A
Rekentijger - Groep 7 Tips bij werkboekje A Omtrek en oppervlakte (1) Werkblad 1 Van een rechthoek die mooi in het rooster past zijn lengte en breedte hele getallen. Lengte en breedte zijn samen gelijk
Aanbod rekenstof augustus t/m februari. Groep 3
Aanbod rekenstof augustus t/m februari Groep 3 Blok 1 Oriëntatie: tellen van hoeveelheden tot 10, introductie van de getallenlijn tot en met 10, tellen en terugtellen t/m 20, koppelen van getallen aan
handleiding leerjaar 6 blok 1
handleiding leerjaar 6 blok 1 Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Redactie: Fundamentaal,
Rekenen op maat 5. Doelgroepen Rekenen op maat 5. Omschrijving Rekenen op maat 5
Rekenen op maat 5 Rekenen op maat 5 richt zich op de belangrijkste vaardigheden die nodig zijn voor het reken-wiskundeonderwijs. Er wordt nauw aangesloten bij de oefenstof van de verschillende blokken
Inhoud kaartenbak groep 8
Inhoud kaartenbak groep 8 1 Getalbegrip 1.1 Ligging van getallen tussen duizendvouden 1.2 Plaatsen van getallen op de getallenlijn 1.3 Telrij t/m 100 000 1.4 Telrij t/m 100 000 1.5 Getallen splitsen en
K 1 Symmetrische figuren
K Symmetrische figuren * Spiegel Plaats de spiegel zó, dat je twee gelijke figuren ziet. Plaats de spiegel nu zó op het plaatje, dat je dezelfde figuur precies éénmaal ziet. Lukt dat bij alle plaatjes?
Overstapprogramma 6-7
Overstapprogramma - Cijferend optellen 9 Verdeel het getal. Het getal 8 kun je verdelen in: duizendtallen honderdtallen tientallen eenheden D H T E 8 D H T E 8 = 8 9 9 9 = = = = Zet de getallen goed onder
a a Hoe hoog is de kleinste toren op het plaatje? 97 m b d Hoe oud zijn de Martinitoren en de Eiffeltoren? De Martinitoren is meer dan
les 14 59 Aan welke keersommen uit de tafels tot 10 denk je? b 9 70 = 630 6 80 = 480 9 7 en 6 8 a a 4 30 = 120 4 50 = 200 4 3 en 4 5 c 8 80 = 640 7 60 = 420 8 8 en 7 6 b d = 5600 = 7200 Meer antwoorden.
Passende Perspectieven. Bij Rekenrijk 3 e editie
Passende Perspectieven Bij Rekenrijk 3 e editie 0 Dit document is de beschrijving van de Passende perspectieven Rekenen leerroutes van de SLO binnen de methode Rekenrijk 3 e editie. De uitwerking betreft
Zelfstandig werken. Ajodakt. Dit antwoordenboekje hoort bij het gelijknamige werkboek van de serie
Zelfstandig werken Ajodakt Dit antwoordenboekje hoort bij het gelijknamige werkboek van de serie 9 789074 080705 Informatieverwerking Groep 7 Antwoorden Auteur P. Nagtegaal ajodakt COLOFON Illustraties
De teller geeft hoeveel stukken er zijn en de noemer zegt wat de 5. naam is van die stukken: 6 taart geeft dus aan dat de taart in 6
Breuken Breuk betekent dat er iets gebroken is. Het is niet meer heel. Als je een meloen doormidden snijdt, is die niet meer heel, maar verdeeld in twee stukken. Eén zo n stuk is dan een halve meloen,
Lesopbouw: instructie. 1 Start. 2 Instructie. Blok 4 Week 2 Les 1
Blok 4 Week Les 1 40 40 70 80 0 70 0 40 5 1 4 3 33 3 73 4 8 9 7 37 17 57 47 34 4 3 1 17 5 4 5 35 37 43 8 33 57 81 4 55 39 3 4 74 8 4 44 41 31 34 74 4 47 37 Lesinhoud Bewerkingen: aftrekken vanaf een tiental
Rekenzeker. Weet binnen een context wat bedoeld wordt met bij elkaar doen, erbij doen, eraf halen en dit vertalen naar een handeling
Groepsplan groep Vakgebied Rekenen Rekenzeker Tijdsvak Namen Evaluatie Niveau leerlijn 1 2 3 Functioneringsniveau
Lesopbouw: instructie. Lesinhoud. 1 Start. 2 Instructie. Blok 4 Week 2 Les 1. Vermenigvuldigen: rekenen met de factor 10, 100 en
Blok Week Les 6 6 7 7 6 7 96 7 6 6 7 9 a 7 c 76 e 7 6 g 7 79 b d f h 7 7 9 9 () 6 7 6 6 6 9 7 7 6 799 9 6 6 77 6 6 79 7 6 66 6 6 6 7 9 6 Lesinhoud Vermenigvuldigen: rekenen met de factor, en Bewerkingen:
De vormgeving. Algemene inleiding
!"#$%&'(#)*+,++-(./04-556669' 78$7!$9!7!66679:"7:87 6 Algemene inleiding De vormgeving Alles telt is een overzichtelijke methode. Dat blijkt ook uit de vormgeving. Daarom is gekozen voor een rustige vormgeving,
Overzicht rekenstrategieën
Overzicht rekenstrategieën Groep 3 erbij tot tien Groep 3 eraf tot tien Groep 4 erbij tot twintigt Groep 4 eraf tot twintigt Groep 4 erbij tot honderd Groep 4 eraf tot honderd Groep 4 en 5 tafels tot tien
5.327 703 x 15.981 3.728.900 + 3.744.881. 2.160 3.007 x 15.120 6.480.000 + 6.495.120. 2.160 3.007 x 15.120 00.000 0 00.000 6.480.000 + 6.495.
Bij vermenigvuldigen van twee grote getallen onder elkaar staan de rijen onder de streep elk voor een tussenstap. De eerste rij staat voor het vermenigvuldigen met het cijfer dat de eenheden van het onderste
Leerstofoverzicht groep 6
Leerstofoverzicht groep 6 Getallen en relaties Basisbewerkingen Leerlijn Groep 6 Uitspraak, schrijfwijze, kenmerken getallen boven 10 000 in cijfers schrijven haakjesnotatie deler en deeltal breuknotatie
handleiding leerjaar 5 blok 4
handleiding leerjaar 5 blok 4 Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Redactie: Fundamentaal,
Rekenen op maat 4. Doelgroepen Rekenen op maat 4. Omschrijving Rekenen op maat 4
Rekenen op maat 4 Rekenen op maat 4 richt zich op de belangrijkste vaardigheden die nodig zijn voor het rekenwiskundeonderwijs. Er wordt nauw aangesloten bij de oefenstof van de verschillende blokken van
Reken zeker: leerlijn breuken
Reken zeker: leerlijn breuken B = breuk H = hele HB = hele plus breuk (1 1/4) Blauwe tekst is theorie uit het leerlingenboek. De breuknotatie in Reken zeker is - anders dan in deze handout - met horizontale
Aandachtspunten. blok 8, les 3 blok 8, les 11. blok 8, les 3 blok 9, les 6 blok 9, les 11. blok 7, les 3 blok 7, les 8 blok 9, les 6
Aandachtspunten 299 Aandachtspuntenlijst 3, bij blok 7, 8 en 9 1 De telrij tot en met en boven 100 000. plaatsen van getallen op de getallenlijn. Het kind kan zich geen voorstelling maken van een hoeveelheid.
Lesopbouw: instructie. Start. Instructie. Blok 4. Lesinhoud Kommagetallen: vermenigvuldigen met kommagetallen Kommagetallen: delen met kommagetallen
Week Blok Bijwerkboek 0 Les Rekenboek Lessen 0 0, 0 0, 0, keer 0, 0,, flesjes 0,, 0, 0 0 plankjes stukjes 0 0 Lesinhoud Kommagetallen: vermenigvuldigen met kommagetallen Kommagetallen: delen met kommagetallen
Lesbrief groep 5/6. Beste ouders,
Lesbrief groep 5/6 Beste ouders, We starten met rekenen, taal en spelling weer met een nieuw blok. Hier dus weer een lesbrief om u op de hoogte te houden over wat uw kind de komende tijd zal leren/oefenen.
Aandachtspunten. blok 1, les 1 blok 1, les 6 blok 2, les 1 blok 3, les 8. blok 1, les 3 blok 1, les 11 blok 3, les 1
Aandachtspunten 313 Aandachtspuntenlijst 1, bij blok 1, 2 en 3 1 De telrij tot en met en boven 10 000. Het kind kan geen getallen plaatsen op de getallenlijn met steunpunten. Het kind heeft weinig inzicht
BLOKMENU BLOKLESSEN. halfslagsymmetrie. 2 De wereld in getallen groep 4 Handleiding Malmberg 's-hertogenbosch. toetsboek. werkboek
BLOKMENU BLOKLESSEN werkboek toetsboek les inhoud domein lesdoel 1 x 2 x doel 1 Eureka De kinderen gaan aan de slag met keerkunst. Dit is kunst die je een halve slag kunt draaien zonder dat je het ziet.
Werkwoordspelling 2 Toelichting en Antwoorden
Werkwoordspelling 2 Toelichting en Antwoorden COLOFON Auteurs Frank Pollet Illustraties Liza-Beth Valkema Basisvormgeving LS Ontwerpers bno, Groningen Omslag illustratie Metamorfose ontwerpen BNO, Deventer
Tussendoelen domein GETALLEN, subdomein Getalbegrip
Tussendoelen domein GETALLEN, subdomein Getalbegrip HELE GETALLEN kan de telrij opzeggen tot ten minste 20. kan vanuit elk getal tot 20 verder tellen en vanuit elk getal onder 10 terugtellen. herkent en
handleiding leerjaar 7 blok 4
handleiding leerjaar 7 blok 4 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I WISKUNDE. MAVO-D / VMBO-gt
UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: NIVEAU: WISKUNDE MAVO-D / VMBO-gt EXAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke
Leerlijnen voor groep 3-8
Leerlijnen voor groep 3-8 Groep 3, eerste half jaar de begrippen meer, minder, evenveel juist toepassen de ontbrekende getallen op de getallenlijn t/m 12 invullen van hoeveelheden t/m 20 groepjes van 5
antwoorden oefenboek blok jaargroep 4 ma 23 graden di 25 graden wo 28 graden do 18 graden vr za zo 23 graden 27 graden 21 graden Zwijsen
jaargroep Zwijsen reken-wiskundemethode het basisonderwijs C blok ma graden di graden wo graden do graden ma di wo do vr za zo vr za zo graden 7 graden graden oefenboek Het is warm! Teken de temperatuur.
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 5 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g d e g e t a l l e n k a a r t Inleiding Het programma laat de leerlingen kennismaken met vernieuwende elementen
LES: Groepjes maken 2
LES: Groepjes maken 2 DOEL strategieën ontwikkelen voor het bepalen van het aantal objecten in een rechthoekig groepje (bijv. herhaald optellen per rij, verdubbelen, een keersom maken); verband leggen
handleiding leerjaar 6 blok 5
handleiding leerjaar 6 blok 5 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
2.1 Kennismaken met breuken. 2.1.1 Deel van geheel. Opdracht 1 Welk deel van deze cirkel is zwart ingekleurd?
Oefenopdrachten hoofdstuk Gebroken getallen RekenWijzer, oefenopdrachten hoofdstuk Gebroken getallen. Kennismaken met breuken.. eel van geheel Opdracht Welk deel van deze cirkel is zwart ingekleurd? deel
optellen 1 Doel: plaats bepalen op de getallenlijn 2 Doel: optellen met de rekentekens + en 3 Doel: optellen van concreet naar abstract Herhalen
1 Basisstof t/m 10 Lesdoelen De kinderen: kunnen hoeveelheden t/m ; kunnen een optelsom met voorwerpen t/m in de abstracte vorm noteren; kunnen werken met de rekentekens en. Materialen Klassikaal: Per
Het weetjesschrift. Weetjesschrift Galamaschool
Het weetjesschrift Dit is het weetjesschrift. In dit schrift vind je heel veel weetjes over taal, rekenen en andere onderwerpen. Sommige weetjes zal je misschien al wel kennen en anderen leer je nog! Uiteindelijk
RekenWijzer, uitwerkingen hoofdstuk 2 Gebroken getallen
Uitwerkingen 2. Kennismaken met breuken 2.. Deel van geheel Opdracht B 8 deel. ( deel + 8 deel). Opdracht 2 C 5 deel Opdracht C Driehoek C past in driehoek A. Aangezien driehoek A deel is van de tekening,
Toetswijzer examen Cool 2.1
Toetswijzer examen Cool 2.1 Cool 2.1 1 Getallenkennis: Grote natuurlijke getallen 86 a Ik kan grote getallen vlot lezen en schrijven. 90 b Ik kan getallen afronden. 91 c Ik ken de getalwaarde van een getal.
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 7 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g d e r e k e n m a c h i n e Inleiding Het programma laat de leerlingen kennismaken met vernieuwende elementen
Derde domein: gebroken getallen. 1 Kennismaking met breuken. 1.1 De breuk als deel van een geheel. Opdracht 1. Opdracht 2. blaadje 1.
Derde domein: gebroken getallen 1 Kennismaking met breuken 1.1 De breuk als deel van een geheel Opdracht 2 blaadje 1 blaadje 2 blaadje 3 blaadje 4 Een blaadje in twee delen vouwen geeft de helft van een
Proefwerken juni 2017
Proefwerken juni 2017 Donderdag 15 juni Bewerkingen & toepassingen Luisteren & taalsystematiek* Vrijdag 16 juni Begrijpend lezen * Getallenkennis & toepassingen Maandag 19 juni Dinsdag 20 juni Spelling
Kennis van de telrij De kinderen kunnen tellen en terugtellen tot 10 met sprongen van 1 en van 2.
Rekenrijk doelen groep 1 en 2 De kinderen kunnen tellen en terugtellen tot 10 met sprongen van 1 en van 2. Aantallen kunnen tellen De kinderen kunnen kleine aantallen tellen. De kinderen kunnen eenvoudige
Mijn tafelboek 1 Werkboek
Mijn tafelboek 1 Werkboek Mijn tafelboek 1 Werkboek COLOFON Auteur A. Pleysier Conceptontwerp omslag: Metamorfose ontwerpers BNO, Deventer Ontwerp omslag: Eduardo Media Illustraties Els Vermeltfoort Opmaak
i n s t a p h a n d l e i d i n g
jaargroep 5 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs 20 d e l e n i n s t a p h a n d l e i d i n g Inleiding Middels het programma maken de leerlingen kennis met vernieuwende elementen uit de methode
overzicht van de leerdoelen
blok 4 2 blok 4 overzicht van de leerdoelen Leerlijn Basisvaardigheden vermenigvuldigen en delen Leerdoelen De leerlingen leren vermenigvuldigen met getallen groter dan 10 vanuit een context. Zij maken
Reken doe-activiteiten en spelletjes
SBZW 10-4-2016 1 Reken doe-activiteiten en spelletjes Drs. Martin Ooijevaar - Onderwijsadviseur [email protected] 0299-783422 @mooijevaar @sbzwtweet SBZW 10-4-2016 2 Start Maak binnen 1 minuut zoveel
Instructie voor Docenten. Hoofdstuk 13 OMTREK EN OPPERVLAKTE
Instructie voor Docenten Hoofdstuk 13 OMTREK EN OPPERVLAKTE Instructie voor docenten H13: OMTREK EN OPPERVLAKTE DOELEN VAN DIT HOOFDSTUK: Leerlingen weten wat de begrippen omtrek en oppervlakte betekenen.
h a n d l e i d i n g
Zwijsen jaargroep 4 reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs i n s t a p h a n d l e i d i n g g e t a l l e n e n g e t a l b e g r i p 5 10 Inleiding Middels het programma maken de leerlingen kennis
oefenboek antwoorden 425 cent 390 cent blok jaargroep 4 Zwijsen Hoeveel samen? Kun je daar de helikopter mee kopen? En het paard?
jaargroep Zwijsen reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs cent blok 7 euro en 9 cent cent oefenboek Hoeveel samen? Kun je daar de helikopter mee kopen? En het paard? Les Overal getallen Tienen en
Stenvertblok Rekenen 4 Antwoorden
Stenvertblok Rekenen Antwoorden Stenvertblok Rekenen Antwoorden Auteur Gré Schreuder D. Huigen Illustraties Ben Horsthuis Richard Flohr Omslag Metamorfose ontwerpers BNO, Deventer Uitgeverij Bekadidact,
Breuken. Tel.: Website:
Breuken Leer- en oefenboek Versie - april 08 Auteur en uitgever: Klaas van der Veen Tel.: 00-700 E-mail: info@ [email protected] Website: www. www.meesterklaas.nl Inhoud Wat is een breuk Wat is groter:
drs. W.M.F. Beuker, training en begeleiding in onderwijs
Stadsdeel zuidoost H1 Getallen een 1 tien 10 honderd 100 duizend 1 000 tienduizend 10 000 honderdduizend 100 000 een miljoen 1 000 000 tien miljoen 10 000 000 honderd miljoen 100 000 000 een miljard 1
Lesbrief 2, groep 5/6. 27 oktober 2017
Lesbrief 2, groep 5/6. 27 oktober 2017 Beste ouders, De toetsen van het tweede blok zullen deze week en volgende week weer afgenomen worden. Een mooi moment voor een nieuwe lesbrief om jullie op de hoogte
handleiding leerjaar 6 blok 6
handleiding leerjaar 6 blok 6 Auteurs: Els van den Bosch-Ploegh Brugt Krol Jeannette Nijs-van Noort Ad Plomp Wim Sweers Anne Coos Vuurmans Reken-wiskundemethode voor het basisonderwijs Inhoudelijke redactie:
spiekboek De beste basis voor het rekenen groep
spiekboek De beste basis voor het rekenen groep 3 COLOFON 3 DiKiBO presenteert het spiekboek complete reken-zakboek rekenen voor groep voor 5 groep 5 & 6 (een uittreksel van DiKiBO Rekenen Compleet groep
