Conditie Martijn Carol TCT 2008
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Inhoudsopgave Voorwoord... 2 Conditie... 3 Wedstrijdtijden analyse... 5 Een conditie test: het meten van de fysiologische gesteldheid... 7 Het spiermetabolisme... 8 De spier metabolieten... 9 Vormen van ATP-resythese... 10 In het bloed... 12 Lactaat test van TCT... 13 Fouten in het bepalen van de maximale lactaat steady state (MLSS)... 15 Lactaat en verzuring (ph)... 17 Computermodellen... 19 Voorbeeld vereenvoudiging... 19 Ademhaling... 21 Overige factoren... 22 Definities... 23 Afsluiting... 25 Voor meer info zie: www.stct.nl 1
Voorwoord De informatie in dit document behoort bij het bedrijf TCT. De bedoeling van deze informatie is om atleten en trainers meer kennis te bieden van de activiteiten Voor de commerciële producten en mogelijkheden die TCT te beiden heeft voor de verschillende sporten kunt u terecht op www.stct.nl. Veel plezier met het lezen van de tekst.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Conditie Spreekt men over de conditie dan heeft men het vaak over de 5 grondmotorische eigenschappen n.l. uithoudingsvermogen, kracht, lenigheid, coördinatie en snelheid. Toch is deze indeling niet zo gemakkelijk te maken. Aangezien er veel wisselwerkingen tussen deze aspecten zijn, moeten die op elkaar afgestemd worden om tot een goede wedstrijdprestatie te kunnen komen. Dus de prestatie van een atleet (de wedstrijd) is niet zomaar in een van deze 5 aspecten te definiëren. TCT maakt van een andere indeling gebruik om de prestatie op te splitsen namelijk: Volgens onderstaande figuur: Fysiologische gesteldheid. Dit zijn alle processen die in het lichaam plaatsvinden om een prestatie te leveren. Techniek De techniek bepaalt op welk tijdstip de spieren kracht moeten leveren en op welk moment ze moeten ontspannen. Tactiek Deze factor is lastig om via een test te kwalificeren. Uiteraard komt dit aspect wel terug in de trainingsplanning. Mentale aspecten Deze factor is ook lastig om met een test te kwalificeren. Ook dit aspect komt terug in de trainingsplanning. Wedstrijd prestatie WTA Vmax, Tmax Fat1, Vt2 Fat2, Vt1 en Fat3 Conditie test CO2ntrol, ATDS Ademanalyse Lactaatmeting Fysiologie Vermogen Spier Conditie Techniek Metabolisme Bloed Longen Tacktiek Mentaal Techniek Analyse Figuur 1 een overzicht van de wedstrijdprestatie, de factoren die deze beinvloeiden en de testen die TCT daarbij aanbied. Voor meer info zie: www.stct.nl 3
Wanneer men conditie testen afneemt probeert men vooral de fysiologische gesteldheid te meten maar de overige factoren zijn wel degelijk van belang. Zo zal iemand die gestrest is vaak minder presteren dan je op zijn fysiologische achtergronden zou verwachten. Om nu de koppeling te kunnen maken tussen de fysiologie (conditietesten) en de wedstrijdprestatie heeft TCT een computermodel gemaakt die de prestatie meetbare conditie eigenschappen verbind met diverse vermoeidheid indicatoren. Dus met de uitslag van een conditietest, wordt duidelijk hoe goed spieren, hart longen en andere lichaamseigenschappen getraind zijn maar door mentale, tactische en technische invloed, zal de sportprestatie toch iets anders zijn. Als we naar testen kijken die een combinatie van de 4 factoren fysiologie, mentale, tactische en technische invloed weergeven, spreken we van een wedstrijdtijden analyse (WTA). Alle aspecten van de WTA zijn te herleiden naar fysiologische factoren maar maken koppelingen met de factoren: techniek, tactiek en mentaal. Een voorbeeld van een meetgegeven uit een conditie test die niet iets zegt over de fysiologie maar meer een factor van de WTA is, is bijvoorbeeld het omslagpunt (verderop wordt deze VT2 genoemd), een waarde die veel mensen meten om de juiste intensiteit aan te geven. Het omslagpunt zelf wordt beïnvloed door stress, de technische uitvoering van een beweging (je omslag punt bij het hardlopen zal op een andere snelheid liggen dan bij fietsen). Met de uitslag van een conditietest van TCT wordt niet alleen duidelijk hoe je er conditioneel voor staat, maar wordt dit vertaald naar de wedstrijdprestatie via de WTA. Door de vertaling van de WTA kan duidelijk worden gemaakt wat goed of niet goed getraind is en kan men adviezen mee krijgen hoe men de factoren op de juiste wijze kan trainen. Figuur 2. Het afnemen van een conditie test.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Wedstrijdtijden analyse Kijkt men naar de prestatie van een atleet, dan bedoelt men de wedstrijd. De wedstrijd is de ideale test om te kijken of een atleet goed getraind is of dat er bepaalde aspecten verbeterd moeten worden. Een trainingstest kan ook goede indicaties geven. Bij een wedstrijdtijden analyse (WTA) is het niet alleen de bedoeling dat men conclusies trekt uit de gegevens van wedstrijduitslagen en/of trainingstesten van de afgelopen periode. De uitslagen worden omgezet in gekwantificeerde prestatie bepalende factoren. Vrijwel alle prestatie bepalende factoren zijn te meten aan de hand van een inspanningstest, echter wanneer deze conditie testen niet afgenomen zijn kan men met de WTA schattingen maken van deze prestatie bepalende factoren. Om nu aan de hand van alleen (test)wedstrijden een schatting te maken van de WTA zonder extra conditie testen zijn de volgende punten van belang: Het aantal wedstrijden. Dit aantal dient vrij groot te zijn. Een minimum van 9 wedstrijden is noodzakelijk. Verschillende afstanden. Bij het testen over meerdere afstanden kan een WTA aangeven welke van de prestatiebepalende factoren een positieve of negatieve bijdrage aan de prestatieverandering geeft. Het minimum aantal verschillenden afstanden dat men gedaan moet hebben, is drie. Ook moet een afstanden meerdere keren afgelegd worden. Bij minimaal drie afstanden moet twee keer gemeten worden. Er zijn 7 prestatie bepalende factoren die gemeten of geschat kunnen worden.: Figuur 3. Een WTA curve met 6 van de 7 prestatie bepalende factoren erin aangegeven. Voor meer info zie: www.stct.nl 5
Vmax: Een prestatiebepalende factor in de WTA die de hoogst haalbare gemiddelde snelheid die een atleet (loper, fietser etc.) vanuit stilstand gemeten kan bereiken aangeeft. (nummer 1 uit onderstaande figuur) Tmax: Een prestatiebepalende factor in de WTA die het tijdstip aangeeft waarop de Vmax bereikt. (nummer 2 uit onderstaande figuur) Fatigue 1: Een prestatiebepalende factor in de WTA die de prestatieafname aangeeft die het gevolg is van vermoeidheid, veroorzaakt door de tijdsduur van de inspanning. (nummer 3 uit onderstaande figuur) VT2: De tweede ventilatoire drempel; het punt waarop het ademminuutvolume (hoeveelheid lucht die men per minuut in en uit ademend), exponentieel gaat toenemen ten opzichte van de zuurstofopname tijdens een oplopend belastingsprotocol. (nummer 4 uit onderstaande figuur) Fatigue 2: Een prestatiebepalende factor in de WTA die de prestatieafname als gevolg van glycogeendepletie aangeeft. (nummer 5 uit onderstaande figuur) VT1: de eerste ventilatoire drempel; het moment waarop de sporter niet alleen dieper gaat ademhalen, maar waarop ook de ademhalingsfrequentie omhoog gaat; de belasting waarbij je tijdens een inspanning nog net een gesprek kunt voeren zonder tussendoor te hijgen. (nummer 6 uit onderstaande figuur) Fatigue 3: Een prestatiebepalende factor in de WTA die samenhangt met de mate van intervalvermoeidheid. Figuur 4. Verschuivingen in de pbf s gedurende een trainingsperiode kunnen worden gebruikt om op verschillende datums de prestaties te berekenen.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Een conditie test: het meten van de fysiologische gesteldheid TCT verstaat onder een conditietest een test waarbij men niet naar de technische uitvoering van een beweging kijkt, maar naar andere prestatie bevorderende factoren, namelijk het vermogen en het metabolisme. Het vermogen Als men weet hoe de techniek moet worden uitgevoerd, kan men berekenen welk vermogen (energie per tijdseenheid) men nodig heeft om tot een goede prestatie te komen. TCT kan een schatting maken van het benodigde vermogen aan de hand van inspanningstesten. Afname van vermogen door vermoeidheid kan op een objectieve manier worden vastgelegd. Metabolisme Dit is de manier van energie vrijmaken in de spier. Men heeft verschillende manieren waarop energie in de spier vrijgemaakt kan worden. TCT kwantificeert de bijdrage van verschillende systemen die energie vrijmaken. Hiermee kan men bij elke trainingsintensiteit bepalen wat de bijdrage is van de verschillende energiesystemen aan de mate van getraindheid. De samenwerking van alle lichamelijke processen is nogal ingewikkeld om duidelijk weer te geven. Een vereenvoudigde beschrijving is gemaakt door Wasserman de zogenoemde raderen van Wasserman. Deze deelt de werking van het lichaam in 3 compartimenten indeelt namelijk de spieren, het bloed en de longen. In dit stuk worden deze 3 stappen uitgelegd aan de hand van het metabolisme. Figuur 5. De Wasserman raderen. Voor meer info zie: www.stct.nl 7
Het spiermetabolisme Er vinden verschillende stofwisselingsprocessen in het lichaam plaats om energie op te nemen of vrij te maken Tijdens inspanning wordt energie geleverd door het contraheren (verkorten) van spieren. De energie die nodig is om de spieren te laten contraheren komt vrij door het afbreken van ATP (adenosine triphosphate). De belangrijkste processen die een rol spelen bij de manier waarop de ATP-concentratie wordt aangevuld, worden metabolieten genoemd. Figuur 6. In de spieren wordt energie vrij gemaakt.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl De spier metabolieten In de spier zitten verschillende stoffen die op een ingewikkelde manier met elkaar reageren. Verandert de concentratie van één van deze stoffen, dan zullen er onmiddellijk verschillende reacties plaatsvinden waardoor de concentraties van andere stoffen ook veranderen. Een voorbeeld: Bij het leveren van energie in de spieren wordt ATP afgebroken in o.a. ADP. Toch zal de ATP-concentratie nauwelijks veranderen, dit in tegenstelling tot de concentraties van andere aanwezige stoffen. Dreigt de ATP-concentratie namelijk maar iets te dalen, dan vinden er processen plaats die ervoor zorgen dat de ATP-concentratie weer op peil gebracht wordt. Hierbij zal een ander evenwicht ontstaan waarbij o.a. de creatine phosfaat (PCr) concentratie omlaag gaat A. Mader heeft een aantal van deze reacties en processen wiskundig vastgelegd. De metabolieten die van belang zijn om de ATP concentratie in de spier constant te houden zijn oa: ATP ADP AMP PCr Pi ph In het onderstaande figuur de verhoudingen tussen die stoffen. Tijdens een belasting wordt ATP verbruikt waardoor de evenwichtsreacties verschuiven. In het figuur hieronder naar rechts. Om te voorkomen dat de evenwichtsreacties te veel naar rechts verschuiven, zijn er reacties die er voor zorgen dat de gebruikte ATP weer aangevuld wordt (ATP-resythese). Figuur 7. Hoe de verhoudingen tussen de verschillende metabolieten verlopen. Voor meer info zie: www.stct.nl 9
Vormen van ATP-resythese Er zijn veel vormen waarop het lichaam ATP kan maken. Men kan deze vormen van ATP-resenthese grofweg in drie vormen verdelen, namelijk: 1. ATP-resynthese door evenwicht reacties van verschillende metabolieten. De evenwichtsreacties op zichzelf kan men zien als een vorm van ATP-resynthese. Vaak wordt dit ook wel het ATP-CP of fosfaat-systeem genoemd. 2. De gycolyse. Dit is een reeks van verschillende reacties die koolhydraten afbreken tot pyruvaat. Pyruvaat is een stof die tijdelijk omgezet kan worden in lactaat maar zal uiteindelijk in de mitochondrieën verder worden afgebroken. De snelheid waarmee ATP wordt gevormd bij glycolyse is afhankelijk van de ph in de spier en de ADP concentratie, zoals in het onderstaande figuur te zien is. Deze vorm van ATPresynthese wordt ook wel het melkzuur systeem genoemd. TCT kan bepalen aan de hand van lactaatmetingen hoe goed dit energie systeem getraind is. De getraindheid van dit systeem is uit te drukken in de maximale snelheid waarmee de glycolyse plaats kan vinden ook wel de VLamax genoemd. Figuur 8 De Glycolyse snelheid uitegzet tegen de [ADP].
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl 3. Mitochondreale ademhaling. In de mitochondrieën van de cellen vindt verbranding (is het omzetten met behulp van zuurstof = het aërobe systeem) plaats van o.a. vetten en pyruvaat. Deze verbranding in de mitochondrieën wordt ook wel mitochondreale ademhaling genoemd. De snelheid waarmee de mitochondrieën werken, is afhankelijk van de hoeveelheid zuurstof die aanwezig is in de spier en van de ADP-concentratie. In het onderstaande figuur is de snelheid van de mitochondriale ademhaling uitgezet tegen de ADP concentratie. (uitgaande dat de zuurstof in de spier op dat moment voldoende aanwezig is.) Afhankelijk van de hoeveelheid pyruvaat en de snelheid waarmee de mitochondiale ademhaling plaats vindt, kan men bepalen hoeveel pyruvaat verbrand wordt. Figuur 9 De VO2 uitgezet tegen de [ADP]. TCT kan bepalen aan de hand van lactaatmetingen hoe goed dit energiesysteem getraind is. De getraindheid van dit systeem is uit te drukken in de maximale snelheid waarmee de mitochondreale ademhaling plaats vindt. Ook wel de VO 2max genoemd. Voor meer info zie: www.stct.nl 11
In het bloed Een van de stoffen die goed te meten is in het bloed is lactaat en deze speelt een belangrijke rol in het spiermetabolisme. Een lactaattest is een test waarbij men de lactaatconcentratie in het bloed meet. Lactaat is een van de vele stoffen die in het lichaam gevormd wordt tijdens lichamelijke inspanning. Als er koolhydraten (suikers) worden afgebroken om energie vrij te maken ontstaat er pyruvaat; door pyruvaat te verbranden (met zuurstof afbreken) wordt er energie vrij gemaakt. Een deel van het pyruvaat kan niet altijd meteen worden verbrand. Dit kan bijvoorbeeld komen door een te kort aan zuurstof in de spier. Het lichaam kan dan pyruvaat tijdelijk omzetten tot lactaat en het later verbranden in de spier of via het bloed op een andere plek in het lichaam verbranden. De lactaat-concentratie in het bloed kan dus inzicht geven van wat er in de spier gebeurt. De klassieke lactaat test heeft volgens velen nadelen. De lactaattest van TCT heeft deze nadelen grotendeels op gevangen door het ontwikkelen van een test gebaseerd op de computer modellen van A. Mader. Eerst zullen we de door TCT ontwikkelde lactaat testen uitleggen. Dit heeft te maken men een 3 tal, misverstanden die vaak over lactaat worden gezegd. Namelijk 1. Fouten in het bepalen van De maximale lactaat steady state (MLSS) 2. Het wel of niet verzuren in de spier en bloed 3. Of een computermodel niet te onnauwkeurig is. Figuur 10 Het bepalen van de lactaat concentratie in het bloed.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Lactaat test van TCT TCT gebruikte een lactaattest waarbij men 4 verschillende afstanden aflegt met daarna een lange herstelperiode. Deze manier van testen is afgeleid van het werk van A. Mader en J. Olbrecht. De testen zijn gebaseerd op een computermodel die een schatting maakt van de maximale zuurstof opname en de maximale glycolyse snelheid. Wanneer men een aantal parameters van een atleet bepaalt, kan men met de computermodellen de activiteiten van de verschillende energiesystemen nabootsen en voorspellingen doen van de zuurstof opname, lactaat concentraties en een aantal andere metabolieten. Twee aspecten die een belangrijke rol spelen zijn de maximale zuurstof opname (VO2max) en de maximale glycolyse snelheid (VLamax). Hieronder een voorbeeld: Sporter 1 heeft: VO2max = 50 ml/kg/min VLamax =.3 mmol/kg/sec En sporter 2 heeft VO2max = 55 ml/kg/min VLamax =.45 mmol/kg/sec Figuur 11. Twee lactaat curves op 400 meter. Als zij beide 1 keer 400m lopen, kan men na afloop de maximale bloedlactaat concentratie meten. Afhankelijk van de snelheid waarop zij lopen, zal men een andere lactaatconcentratie vinden. Door in een computer verschillende snelheden te simuleren, krijgt men de volgende twee curve s. De linker curve van sporter 1 en de rechter van sporter 2. Als men echter steeds langere afstanden gaat lopen, blijkt dat bij deze twee sporters beide lactaat curve s dichter bij elkaar komen. De berekende lactaatcurves in het onderstaande figuur zijn berekend op een oneindig lange afstand (roze van proefpersoon 1 en rood van proefpersoon 2). Voor meer info zie: www.stct.nl 13
Ook als men bij beide sporters het omslagpunt bepaalt met andere methode krijgt men dezelfde waarden op een snelheid van 3.4-3.5 m/s (dit is 12.2-12.6 km per uur). Bij een simulatie van 1 uur op een snelheid van 3.4 m/s zal de lactaatconcentratie bij persoon 1 (roze lijn) 6.8 mmol/l zijn en bij persoon 2 (rode lijn) 4.8 mmol/l. Dit geeft aan dat het omslagpunt niet standaard bij de 4 mmol/l grens ligt, zoals vaak wordt gedacht. Men kan hieruit 2 conclusies trekken: Het omslagpunt zegt niet alles over getraindheid. Deze is voor beide sporters gelijk aan elkaar. Een lactaattest kan daarom extra informatie geven over de getraindheid. Figuur 12. De steady-state curve en de 400m curve
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Fouten in het bepalen van de maximale lactaat steady state (MLSS) Er zijn drie redenen waarom er problemen zijn om MLSS te bepalen. 1e reden: De maximale lactaat steady state (MLSS) is moeilijk te bepalen, maar ook lastig te definiëren. In het onderstaande figuur ziet men de bloedlactaatconcentratie over de tijd veranderen op een vaste belasting. Gedurende de 30 minuten ziet men de concentratie nog steeds stijgen. Men kan dit dus eigenlijk niet definiëren als een steady state. Toch zal er door de geringe stijging nauwelijks te zien zijn wat de zuurstof-opname en andere respiratoire parameters (de gassen en volumes die men in- en uitademt) zijn. Met een ademanalyse test kan men wel van een steady state uitgaan. Figuur 13. Het verloop van de bloed lactaat concentratie bij een constante snelheid. Voor meer info zie: www.stct.nl 15
2e reden: In de literatuur ziet men verschillende manieren om de MLSS te bepalen: 1. Een tijdrit van 45 minuten tot een uur. 2. Een knikpunt bepalen in een lactaatcurve (Hier zijn verschillende manieren voor). 3. Er wordt vanuit gegaan dat 4mmol/l lactaat de waarde is die bij het omslagpunt hoort. Bij elke manier vindt men een ander vermogen/snelheid waarop de MLSS te vinden is. Zie onderstaande figuur. Figuur 14. Drie manieren van het bepalen van de MLSS dan wel een knikpunt. Zij komen alle drie niet met elkaar overeen. 3e reden: Het protocol waarop men een lactaattest uitvoert, zal bestaan uit een aantal keer een vaste tijdsduur/afstand af te leggen. Elke keer als men aan een nieuwe afstand begint, zal deze op een hogere snelheid/wattage worden uitgevoerd. Bij het maken van een goed protocol moet men dus rekening houden met: 1. De tijdsduur/afstand van de intervallen 2. De toename in snelheid/wattage tussen de verschillende blokken. 3. De pauze tussen de blokken. Hieronder een aantal computersimulaties met Figuur 15. Het verloop van het bloedlactaat verschillende protocollen. Hierbij ziet men bij verschillende inspanningsprotocollen. duidelijk verschillende omslagpunten optreden terwijl alle parameters in het model hetzelfde zijn gehouden. TCT gebruikt een lactaattest dan ook niet om een omslagpunt te bepalen.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Lactaat en verzuring (ph) Als glucose wordt afgebroken tot pyruvaat, komen er H + -ionen vrij. Pyruvaat wordt gedeeltelijk omgezet in lactaat. Dit zuur (het heet niet voor niets melkzuur) zou voor een ph-daling kunnen zorgen (ph is de zuurgraad van een oplossing, m.a.w. een maat voor de hoeveelheid H + - ionen). Er is veel discussie of dit lactaat nu de reden is voor het zogenaamd vollopen van de spieren of verzuurde benen hebben, zoals het in de sport vaak genoemd wordt. Als men de ph van het bloed meet, vindt men een lineair verband tussen de ph en de bloedlactaat- concentratie (zie figuur rechts uit: Sportmedizin Grundlagen fur Arbeit Trainung und Praventivmedizin). Figuur 16. De verhouding tussen bloed lactaat en bloed ph. Echter het blijkt dat tijdens inspanning de ph in de spier niet zoveel verandert. In onderzoek waarbij men door middel van NMR-scan de ph in de spier kon meten tijdens inspanning, bleek dat de ph slechts gering daalde en bij het stoppen van de inspanning de ph pas echt daalt. In de computermodellen die TCT gebruikt, speelt de ph in de spier een belangrijke rol. In de onderstaande figuren kan men zien hoe de ph en creatine phosfaat ((PCr) een stof die in de spier een belangrijke rol speelt bij de energievoorziening ) in werkelijkheid gemeten wordt (met behulp van een MRI-scan) en hoe de ph geschat wordt aan de hand van een computermodel. Men ziet minimale verschillen. Voor meer info zie: www.stct.nl 17
Figuur 17. Boven de waarden uit onderzoek bij Biomedical NMR, Eindhoven University of Technology. Zie http://www.mbe.bmt.tue.nl/nmr/research/ voor meer informatie. Onder uit eigen ph berekeningen volgends de formules uit Glycolysis and oxidative phosforylation as a function of cytosolic phosphorylation state and power output of the muscle cell. (Eur J Appl Phyiol (2001) 86:3-16). Waarom is de ph in de spier dan zo belangrijk? De ph heeft grote invloed op de verschillende concentraties van metabolieten en reactiesnelheden in de spier. Als voorbeeld hieronder een figuur van de verandering in de glycolyse snelheid bij verschillende ph waarden. Figuur 18. De verhouding tussen ph en glycolyse snelheid en ph en VO2 op verschillende intensiteiten.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Computermodellen Een computermodel probeert een schatting te maken van de werkelijkheid. Over het algemeen wordt bij het ontwikkelen van dit soort modellen begonnen met een eenvoudig model, zodat men duidelijk kan verklaren wat elk aspect in een model doet. De werkelijkheid zit per definitie complexer in elkaar. Naarmate het computermodel meer variabelen krijgt en complexer wordt, komen er ook meer problemen bij: Het model heeft zoveel variabelen dat men per meting zoveel moet meten dat het praktisch niet meer bruikbaar is. Het model wordt zo ingewikkeld dat de uitkomsten van het model niet te begrijpen zijn. Het gevaar bestaat dat men variabelen toevoegt die niet geen betekenis hebben, maar soms wel een betere uitkomst geven. In het model dat TCT gebruikt zijn alle variabelen bekende fysiologische parameters. Grotendeels is dit model overgenomen uit de modellen van A. Mader, maar voor elke parameter heeft TCT een literatuurstudie gedaan om te kijken of deze variabelen reëel zijn. Voorbeeld vereenvoudiging In het model dat TCT gebruikt zitten veel variabelen die van persoon tot persoon kunnen veranderen. Door een gemiddelde te nemen van al deze waarden zal men kleine afwijkingen krijgen. Een voorbeeld: Figuur 19.In het bovenstaande voorbeeld met een oplopend belastingsprotocol en in het onderstaande figuur op 3 minuten voluit sporten. In het onderstaande voorbeeld is de gestippelde lijn de concentratie van lactaat in het bloed en de doorgetrokken lijn de lactaat- concentratie in de spier. Voor meer info zie: www.stct.nl 19
Een 2 e voorbeeld: Figuur 20. Een van de parameters (de spiermassa die actief is) is bewust sterk veranderd. De rode lijn is de lactaatconcentratie zoals standaard in het model is opgenomen en de roze lijn is de lactaatconcentratie van afwijkende waarde. Aan het begin van de test is er nauwelijks een afwijking, naar mate de test verder loopt, wordt de afwijking steeds groter. Door nu slechts op één snelheid te meten en geen snelheidsveranderingen op te leggen is de afwijking kleiner. Daarom worden tijdens de lactaattesten van TCT geen snelheidswisselingen gemaakt.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Ademhaling Door de veranderingen in de metabolieten tijdens een inspanning zal het lichaam continue een andere hoeveelheid zuurstof (O2) verbruiken en koolstofdioxide (CO2) produceren. Bijde stoffen worden uitgewisseld in de longen dus als men aan de ademhaling meet kan men ook erg iets zeggen over wat er in het bloed gebeurt en indirect ook iets over de wat er in de spieren gebeurt. Vandaar dat TCT ook veel ademhalingsmetingen doet bijvoorbeeld met de CO2ntrol en de ATDS. Figuur 21. De co2ntrol een van de meetmethode om iets over de ademhaling te meten. Voor meer info zie: www.stct.nl 21
Overige factoren De computer modellen die TCT gebruikt geven veel inzicht op de getraindheid van een sporter, maar hebben ook beperkingen. 1. Vermoeidheid. Zo focust het model zich op de manier waarop ATP in de spier wordt aangevuld. Vermoeidheid beïnvloedt nauwelijks de resynthese van ATP. Dus is met het model niet te voorspellen wanneer de prestatie achteruitgaat door het optreden van vermoeidheid. Uiteraard zijn er wel indicaties dat het lichaam problemen heeft met het constant houden van bepaalde concentraties. Maar hoe diep een persoon kan gaan, is moeilijk te zeggen. Naast aspecten op het mentale vlak en het zenuwstelsel, zijn waarschijnlijk processen die vermoeidheid bepalen vooral afhankelijk van stoffen die invloed, hebben op juist het afbreken van de ATP. Zo zijn er bijvoorbeeld de stoffen die de actine-myosine ontkoppeling remt (de chemische reactie die energie kost bij het samentrekken van spieren). 2. Persoonlijke verschillen. Geen twee personen zijn gelijk aan elkaar, dus zal dit model voor een aantal gegevens een gemiddelde moeten nemen. Per persoon afwijkende factoren: De rust concentratie van Creatine Phosfaat (PCr) door bijvoorbeeld creatine suppletie. Deze factoor is uitgebreid vergeleken. Op de bepaling van de VO 2max en de VLa max zijn de verschillen minimaal maar op het tijdsverloop van bepaalde concentraties zijn er wel afwijkingen Cappilarisatie: Dit is het toenemen van het aantal bloed(haar)vaatjes in de spier. Hierdoor kan het lichaam sneller veel zuurstof naar de spier brengen. Deze factor heeft net als PCr effect op het tijdsverloop van bepaalde concentraties. De waarde van de VO 2max en de VLa max wijkt door deze variabele iets meer af, maar is nog steeds te verwaarlozen. Wisselende spiermassa en volume verdelingen. De ene persoon heeft dikkere beenspieren als de ander, waardoor hij meer energie kan leveren. Ook de verhouding tussen vet en spiermassa kan andere gegevens opleveren. TCT houdt voor een groot deel hier rekening mee. Maar deze verschillen zijn vaak erg klein.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Definities Steady state Aan het begin van een inspanning krijgt het lichaam te maken met een plotselinge verandering door de vraag van een hoeveelheid energie. De energie die in de spier zit, zal niet meteen aangevuld kunnen worden. Hierdoor veranderen de concentraties van verschillende stoffen in de spier (en het bloed) en de snelheden waarop de verschillende processen energie vrijmaken. Bij niet al te zware belasting zal na een tijdje nieuwe evenwicht ontstaan, waarbij de concentraties van de verschillende stoffen en reactie-snelheden nauwelijks meer veranderen. Dit wordt een steady state genoemd. Het omslagpunt Het omslagpunt is de hoogste snelheid waarbij men nog net in een steady state kan komen. Op het moment dat men iets sneller gaat is het niet meer mogelijk om in een nieuwe steady state te bereiken. Het lichaam zal moeite hebben om alle concentraties in het lichaam gelijk te houden. De ademhaling gaat sterk toenemen door de uitstoot van koolstofdioxide (CO2). In de literatuur zijn verschillende manieren om het omslagpunt te bepalen. Vaak worden er net iets andere waarden gevonden bij andere meetmethoden, waardoor men voor het omslagpunt per meetmethode een andere definitie geeft. De twee bekendste zijn de ventilatoire drempel (VT2) en de maximale lactaat steady state (MLSS). De ventilatoire drempel (VT2) De ventilatoire drempel (VT2) is een maat om de effectiviteit van de training te kunnen evalueren, aangezien de VT2 sterk correleert met de wedstrijdprestatie in duursporten. De VT2 is het punt waarop het ademminuutvolume (VE) exponentieel toeneemt ten opzichte van de zuurstofconsumptie tijdens inspanning. Deze exponentiële toename valt te verklaren doordat het bicarbonaatevenwicht verschuift door een toenemende lactaatconcentratie, waardoor de koolstofdioxidedruk (pco2) van het bloed toeneemt. Door de stijging van de pco2 wordt er meer koolstofdioxide (CO2) gevormd en stijgt het VE. De eerste ventilatoire drempel (VT1) De eerste ventilatoire drempel (VT1) is snelheid waarop de sporter niet alleen grotere ademteugen maakt, maar dat ook de ademhalingsfrequentie gaat toenemen. Het wordt dan moeilijker op te praten. De maximale lactaat steady state (MLSS) Dit is de hoogste snelheid waarop bloedlactaat-concentratie na een tijd zich stabiliseert. Bij een hogere snelheid zal de lactaatconcentratie lineair toenemen. VO2 max Theoretisch de maximale hoeveelheid zuurstof dat het lichaam kan gebruiken om energie vrij te maken. Dit veronderstelt dat elke spiervezel die voor de beweging nodig is maximaal belast wordt. In werkelijkheid zal het lichaam dit nooit aankunnen. Piek VO2 De hoogst meetbare zuurstof opname. Veel fysiologen noemen dit ten onrechte de VO2- max. Vaak bepalen zij deze aan de hand van een oplopend belastingsprotocol. Afhankelijke van het protocol zal men een andere waarde voor de piek VO2 vinden. VLa max Theoretisch de maximale snelheid waarmee de glycolyse plaats kan vinden. Dit veronderstelt dat elke spiervezel die voor de beweging nodig is, maximaal belast wordt. In werkelijkheid zal het lichaam dit nooit aankunnen. Voor meer info zie: www.stct.nl 23
RR intervallen De tijd tussen 2 verschillende hartslagen. Deze tijd is niet contant. Door onder andere de ademhaling, inspanning, stress of vermoeidheid zullen er andere golf bewegingen in dit signaal ontstaan.
Conditietesten Teksten van ww.stct.nl Afsluiting Heeft u nog vragen en wilt u weten wat TCT voor u kan betekenen kunt u contact opnemen met TCT via: Techniek en Conditie Training Bezoekadres: Gravelandstraat 66 1131 JK Volendam Postadres: Lijnbaan 16 1561 EM Krommenie tel: 06-44074291 www.stct.nl info@stct.nl Voor meer info zie: www.stct.nl 25