Handleiding Afstuderen. Studiejaar

Vergelijkbare documenten
Handleiding Afstuderen. Studiejaar

Eindassessment HU pabo

Planning en verantwoording Afstudeerstage DAG/DAV 4/VO 2. Studiejaar

Planning en verantwoording Afstudeerstage DAG/DAV 4/VO 2. Studiejaar

INSTITUUT THEO THIJSSEN. Afstudeerfase ITT Totaaloverzicht. DAG/DAV 4/VO 2 Studiejaar

Hieronder wordt de procedure voor de beoordeling van de bekwaamheid van de student in de beroepspraktijk kort weergegeven.

Planning en verantwoording Afstudeerstage DAG/DAV 4/VO 2. Studiejaar

Beoordelingsprocedure Eindassessment (AFST3) 16-versie

ASSESSMENT STARTBEKWAAM MINOR 2 HJK of HOK Beoordelingsformulier Criteriumgericht interview en reflectie

Inhoud. Inleiding 9. 5 Planning Leerdoelen en persoonlijke doelen Het ontwerpen van het leerproces Planning in de tijd 89

Beoordelingsprocedure Eindassessment

Beroepsproduct Project Wetenschap en technologie op de basisschool

INFORMATIEBIJEENKOMST CURRICULUM INSTITUUT HU PABO THEO THIJSSEN. Presentatie t.b.v. opleidingsscholen 14 en 21 september 2016

Informatie werkplekleren

Format voor het plan van aanpak voor het aanvragen van een ster

Beoordelingsformulieren. Aanpassingen

ITT/HU Beoordelingscriteria praktijk Fase 3 (jaar 3)

SW-B-K1-W2 (C) Maakt een plan van aanpak. Oefenopdracht C Niveau 4 Crebo: Cohort: Geldig vanaf

Aansluiting op kern- en deeltaken

ten behoeve van het beoordelingsportfolio Startbekwaamheid Hoofdfase 3, ALO

Handleiding Assessment Startbekwaamheid

Ontwikkelingsverslag Minor Teaching Abroad

Beoordelingsprocedure Eindassessment

Samen beoordelen van deeltijdstudenten Bijlage 9

Stappenplan Ontdekken van de Wereld

Beoordelingsprocedure Eindassessment

Beoordelingsprocedure Eindassessment

Eindassessment. DAG 4 / DAV 4 / VO 2 Studiejaar

Technisch gesproken reken ik daarop. Taal, techniek en rekenen-wiskunde bij jonge kinderen.

Eindverslag stage jaar 1

Sterkte-Zwakte Analyse

LeerWerkPlan VLO fase 2, Zwolle

Toelichting Startbekwaamheidsgesprek voor opleidings- en werkveldexaminatoren

ITT/HU Beoordelingscriteria praktijk Fase 1 (jaar 1)

Toelichting Startbekwaamheidsgesprek voor opleidings- en werkveldexaminatoren

Heikamperweg AZ Asten-Heusden

STARTERSBLOKKEN - XPECT PRIMAIR OMGAAN MET VERSCHILLEN TUSSEN LEERLINGEN VERDIEPING

SW-B-K1-W3 (C) Oefenopdracht C Niveau 4 Crebo: Cohort: Geldig vanaf

BBL-4, topklinisch traject RdGG Pagina 1 van 7 Persoonlijke ontwikkeling Portfolio ~ POP ~ PAP

Tool scan formatieve toetscyclus

kempelscan K1-fase Eerste semester

Achtergrond. Missie Onze missie op basis van deze situatie luidt:

Beoordeling en evaluatie

Naam: Stageplek: Klas:

Begrippenkader Studieloopbaanbegeleiding en Reflectie

Zelfgestuurd leren met Acadin

Informatiebulletin voor studenten Bijlage 3

Instructie Praktijkopleider of BPV Beoordelaar

Opleiding Verzorgende IG PROEVE

Interpersoonlijk competent

Competenties en bekwaamheden van een Daltonleerkracht

Toetsbekwaamheid BKE november 2016

Box 2: Vaststellen beginsituatie Handelingsgericht werken op PABO s en lerarenopleidingen VO

Bijlage 2-9. Richtlijnen voor de prestatie

Lesvoorbereidingsmodel

kempelscan P2-fase Studentversie

De 6 Friesland College-competenties.

5. Waarin onderscheid deze organisatie zich van vergelijkbare organisaties? 9. Wat vinden die zorgvragers/klanten/cliënten belangrijk denk je?

Opleidingsprofiel Instituut Theo Thijssen - Kerntaken- en deeltaken in de verschillende fasen van de opleiding

Handleiding bij het opstellen van een Persoonlijk ontwikkelingsplan (POP)

Bekwaamheidseisen leraar primair onderwijs

Beoordelingsformulier Studie en Werk 1B Deeltijd

LeerWerkPlan VLO fase 1, Zwolle

Box 4: Evaluatie HGW in het handelen van de student tijdens stage

Scoreformulier Pro-U assessments Lijst met beoordelingen op SBL competenties en indicatoren

ASSESSMENTS VAN DE BACHELOR LGL en GPW

D.1 Motiveren en inspireren van leerlingen

Beoordelingseenheid A Proeve van Bekwaamheid. Leg het fundament. Crebonummer Opleiding Sociaal Cultureel Werker Kwalificatieniveau 4 BOL/BBL

Dit portfolio is eigendom van: Naam: Adres: Postcode en woonplaats: Telefoon: Naam studieloopbaanbegeleider: Telefoon:

Concept: De basis van de praktijkroute. FC Extra

Bijlage 8.7: Voorbeeldopdrachten bij de uitgangspunten van HGW

Bijlage 5: Formulier tussenevaluatie

Errata Studiegids. Bacheloropleiding Leraar Basisonderwijs Deeltijd

WORKSHOP: Wat zijn uw eigen competenties?

GROEIDOSSIER Praktijk SOV

Handleiding Coaching/stagereflectie

Instructie student. Ontwikkelingsgericht Praktijkbeoordelen.nl

Spinnenweb t.b.v. evaluatie stand van zaken implementatie Zo.Leer.Ik! concept

Opleiding Verzorgende IG PROEVE

TOEGEPASTE PSYCHOLOGIE Praktijk 8 Deeltijd

Scan: docentactiviteiten in de FE-cyclus

Voorwoord Bieden van zorg en ondersteuning op basis van een werkplanning

Portfolio. Pro-U assessment centrum. Eigendom van:

Breidt netwerk min of meer bij toeval uit. Verneemt bij bedrijven wensen voor nieuwe

1. Eigenaarschap zelfstandigheid verantwoordelijkheid ondernemendheid zelfsturing en zelfregulatie

Beoordelingseenheid A Proeve van Bekwaamheid. Leg het fundament. Crebonummer Opleiding Sociaal Cultureel Werker Kwalificatieniveau 4 BOL/BBL

Leerwerkstage 1. voorbereiden, uitvoeren en evalueren lesactiviteiten. Project: informatievaardigheden (mediawijsheid)

ALGEMENE INSTRUCTIE EXAMINERING BEROEPSOPDRACHT A (BOL)

BEOORDELINGSFORMULIER BEROEPSPRODUCTEN MASTER SEN. Claudia Maria Willemsen

Inhoud: Opdracht 1 pagina 2 Opdracht 2 pagina 3 Opdracht 3 pagina 4 Opdracht 4 pagina 5 Opdracht 5 pagina 6

Pedagogisch Didactisch Getuigschrift

Bijlage 1 BEOORDELINGSFORMULIER EINDPRODCUCT PDG

Terugblik masterclasses HAN Pabo

Stap 1 Doelen vaststellen

NMV- Criteria Eindgesprek

Competentievenster 2015

GROEIDOSSIER Praktijk SOV

competentieprofiel groepsleerkracht/ docent algemeen vormend onderwijs Het Driespan

BPV-praktijkboek. Arbeidsmarktgekwalificeerd assistent

Transcriptie:

HU PABO - INSTITUUT THEO THIJSSEN Handleiding Afstuderen Dagopleiding (DAG) Deeltijdopleiding dag-/avondvariant (DAV) Versnelde opleiding (VO) Studiejaar 2018-2019 Osiriscodes: OTO4-AFST1-18 + OTO4-AFST2-18 1

Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Opzet van het afstuderen aan HU Pabo... 4 2.1 Verantwoording... 4 2.2 Toetsing... 5 2.3 Stage... 6 2.4 Bijeenkomsten op de opleiding... 6 2.5 Betrokkenen: taken en rollen... 7 3. De start... 8 3.1 Professionele ontwikkeling... 9 3.2 Professionele identiteit... 10 4. Onderzoekend werken aan beroepsopdrachten... 11 4.1 Onderzoekend werken... 11 4.2 Vier beroepsopdrachten... 14 Beroepsopdracht 1: pedagogisch handelen in je groep... 15 Beroepsopdracht 2: gedifferentieerd onderwijzen in je groep... 17 Beroepsopdracht 3: onderwijs ontwerpen in je groep... 19 Beroepsopdracht 4: samenwerken met ouders... 21 5. De finish: het eindassessment... 23 5.1 Verslaglegging... 23 5.2 Presentatie... 24 5.3 Criteriumgericht interview (CGI)... 25 5.4 Beoordeling eindassessment... 26 5.5 Organisatie, tijdpad en betrokkenen... 26 6. Bijlagen... 27 Bijlage 1: Koppelkaart... 28 Bijlage 2 Feedbackformulier Praktijkopleider... 29 Bijlage 3: Feedbackformulier Studieloopbaanbegeleider... 30 Bijlage 4 Eindassessment: voorbeeldvragen voor criteriumgericht interview(cgi) HU Pabo... 32 2

1. Inleiding Op het moment dat je als student aan de HU Pabo met deze handleiding aan de slag gaat, komt het diploma leraar basisonderwijs in zicht. Na verschillende jaren te hebben gestudeerd ben je bijna bevoegd om het mooiste vak van de wereld uit te oefenen! Je hebt in eerdere stages al heel wat kennis en vaardigheden opgedaan, voert al veel taken uit die bij het beroep leraar basisonderwijs horen en hebt een visie op onderwijs ontwikkeld die nog steeds wordt bijgesteld. In het afstudeersemester komen alle onderdelen van de bacheloropleiding Leraar Basisonderwijs samen: je werkt toe naar het zelfstandig kunnen uitoefenen van het beroep. Je stageplek op een opleidingsschool staat daarin centraal. Je krijgt de verantwoordelijkheid over een groep leerlingen, met alles wat daarbij komt kijken. Je maakt je eigen functioneren binnen de beroepspraktijk op allerlei manieren en vanuit verschillende perspectieven zichtbaar. Je startbekwaamheid wordt getoetst met opdrachten die gericht zijn op leren in de praktijk. Je eigen professionele ontwikkeling en professionele identiteit vormen daarbij het uitgangspunt voor de keuzes die je maakt. Langs deze weg geef je op persoonlijke wijze kleur aan je diploma. Deze handleiding gaat over het afstudeersemester. Je vindt er wat het afstuderen inhoudt, wat je moet regelen, wie erbij betrokken zijn en hoe de toetsing plaatsvindt. De handleiding is bedoeld voor de voltijdopleiding (DAG), deeltijdopleiding (DAV) en versnelde opleiding (VO). Voor vragen over deze handleiding neem je contact op met je studieloopbaanbegeleider (SLB er). Aanvullende documenten vind je op de HUbl-site over afstuderen: https://hubl.hu.nl/module/afstuderen-18-versie-dagdavvo-2018-2019 De beoordelingsformulieren en bijbehorende rubrics kun je vinden op de toetssite van HUbl: https://hubl.hu.nl/overview/afstuderen-dagdavvo-2 Voor het werkveld zijn de documenten toegankelijk via de openbare site: http://www.werkvelditt.hu.nl Veel plezier en succes gewenst! Team afstuderen HU Pabo studiejaar 2018-2019 3

2. Opzet van het afstuderen aan HU Pabo 2.1 Verantwoording Het takenpakket van de leraar basisonderwijs is veelomvattend. Daarom is het nodig dat je meerdere opdrachten uitvoert om aan te tonen dat je beschikt over de eindkwalificaties van de opleiding (Expertgroep Protocol, 2014). In deze handleiding tref je de beroepsopdrachten van de HU Pabo aan, die merendeels worden uitgevoerd in de stage, en de toelichting op het eindassessment. Met het uitvoeren van de opdrachten verzamel je bewijsmateriaal waardoor het voor de opleiding mogelijk wordt om te bepalen of je wel of niet startbekwaam bent (Andriessen, Sluijsmans, Snel & Jacobs, 2017). Beroepsprofiel HU Pabo In het beroepsprofiel van de HU Pabo (2017) staat beschreven dat je wordt opgeleid tot een leraar die: A reflective practitioner is, werkend vanuit een positief-kritische en onderzoekende houding B passend onderwijs kan realiseren voor alle kinderen C in staat is om onderwijs te realiseren dat aansluit bij actuele, maatschappelijke ontwikkelingen Tijdens je afstuderen komen al deze onderdelen in samenhang aan bod, als voortzetting van wat je daarin hebt geleerd in eerdere opleidingsjaren. De context In onderstaand schema wordt de opbouw van de stage binnen de opleiding aan de HU Pabo weergegeven. Voor elke fase van de opleiding is de context beschreven waarbinnen de student zijn vakbekwaamheid ontwikkelt. De context voor het afstuderen is in de vierde kolom (startbekwaam) beschreven. Opleidingsbekwaam (fase/jaar 1) De student ontwikkelt theorie met kleine t door handelen in de beroepssituatie. De student valt onder de verantwoordelijkheid van de praktijkopleider en krijgt directe begeleiding van de SLB er. De student is inzetbaar voor losse kortdurende activiteiten. De student treedt zowel stimulerend als leidend op. Basisbekwaam (fase/jaar 2) De student scherpt theorieën met een kleine t aan theorieën met een grote T (verantwoording ook vanuit literatuur en modellen). De student valt onder gedeelde verantwoordelijkheid van de praktijkopleider en begeleiding van de SLB er. De student geeft een dagdeel les. De student treedt stimulerend en (bege)leidend op. Gevorderd bekwaam (fase/jaar 3) De student toetst het eigen handelen aan theorie. De student wordt gecoacht door de praktijkopleider en de SLB er. De student verzorgt enkele aaneengesloten dagen de lessen. De student treedt stimulerend, leidend en begeleidend op. Startbekwaam (fase/jaar 4) De student toetst het eigen handelen aan theorie. De student wordt gecoacht door de praktijkopleider en de SLB er. De student verzorgt gehele dagen de lessen. De student treedt stimulerend, leidend en begeleidend op. Kerntaken als beoordelingskader Het opleidingsprofiel van HU Pabo (2014) is uitgewerkt in kern- en deeltaken van de leraar basisonderwijs. Deze zijn voor elke fase van de opleiding beschreven. In een concentrische opbouw nemen de mate van diepgang, complexiteit en reikwijdte van de kernen per opleidingsfase toe. De vijf kerntaken zijn: Kerntaak 1: pedagogisch adequaat handelen; Kerntaak 2: professioneel voorbereiden en evalueren van onderwijsactiviteiten; Kerntaak 3: professioneel uitvoeren van onderwijsactiviteiten en volgen en begeleiden van kinderen; Kerntaak 4: communiceren en samenwerken met collega s en anderen; Kerntaak 5: werken aan professionele ontwikkeling. De kernen en invulling daarvan per fase zijn het gezamenlijk curriculum- en beoordelingskader van HU Pabo. Het opleidingsprofiel is te vinden op HUbl. Voor het afstuderen is in dit opleidingsprofiel de meest rechter kolom (startbekwaam) het uitgangspunt. Alle vijf kerntaken uit het opleidingsprofiel worden in het afstudeersemester getoetst op startbekwaam niveau. 4

HBO-niveau In het afstudeersemester toon je aan dat je op HBO-niveau functioneert. De opdrachten in deze handleiding sluiten aan bij de eisen van het (toekomstig) werkveld, de HBO-standaard (HBO-raad, 2009) en de eisen van het HBO-niveau. Dit niveau is vastgelegd in de zogenaamde Dublin-descriptoren, die binnen Europa worden gehanteerd. 2.2 Toetsing Het afstudeersemester bestaat uit twee onderwijseenheden, die sterk met elkaar zijn verbonden: AFST1: Onderwijseenheid Planning en verantwoording afstudeerstage AFST2: Onderwijseenheid Afstudeerstage en eindassessment De toetsing van het afstudeersemester van de twee onderwijseenheden is als volgt georganiseerd: Onderdeel AFST1: Planning en verantwoording afstudeerstage AFST2: Afstudeerstage en eindassessment Osiriscode OTO4-AFST1-18 OTO4-AFST2-18 Omvang 15 EC 15 EC Stagedagen Oriëntatiefase Minimaal 15 (DAG, DAV en VO) Toetsing: Verslag: onderzoekend werken: stap 1, 2, 3. (planning en verantwoording afstudeerstage) Beoordeling: 2 examinatoren weging 100% Afronding oriëntatiefase: gesprek op stageschool met IO er en PO er (praktijkbeoordeling voldaan/niet voldaan) weging 0 % [voorwaardelijk] Groepsverantwoordelijkheid Minimaal 20 dagen (DAG, DAV en VO) Verslag: onderzoekend werken stap 4 en 5 (uitvoering en evaluatie fase van groepsverantwoordelijkheid) Beoordeling: dezelfde 2 examinatoren als bij AFST1 weging 50 % Eindgesprek op stageschool met IO er en PO er (praktijkbeoordeling) weging 25% Feedback Door PO er: op verslag: Onderzoekend werken stap 1, 2 en 3. A.d.h.v. formulier in bijlage 2. Verplicht (voorwaarde voor toetsing AFST1)) Door SLB er: op verslag: professionele ontwikkeling (incl POPleerdoelen) en professionele identiteit Verplicht (voorwaarde voor toetsing AFST1) A.d.h.v. formulier in bijlage 3. Door medestudenten, SLB er en anderen: op alle onderdelen. Aanbevolen. Eindassessment met 2 assessoren (verslag professionele ontwikkeling en professionele identiteit, presentatie en criteriumgericht interview) weging 25 % Door PO er op: Onderzoekend werken stap 4 en 5. Verplicht. Geen formulier, wordt door student verwerkt in verslag over stap 4 en 5. Door medestudenten, SLB er en anderen: op alle onderdelen. Aanbevolen. Voor elk van de onderdelen in de rij Toetsing moet minimaal een 5.5 of voldaan worden behaald. De beoordelingscriteria en rubrics van de toetsonderdelen vind je op de toetssite van HUbl. Er is een format (inhoudsopgave) beschikbaar voor de verslaglegging, te vinden op HUbl. 5

2.3 Stage Samenhangend met de verdeling in twee onderwijseenheden kent ook de stage in het afstudeersemester twee fasen: De oriëntatiefase Deze fase duurt (minimaal) 15 stagedagen voor DAG-, DAV- en VO-studenten. Deze fase dien je zodanig te plannen dat de aansluitende fase van groepsverantwoordelijkheid in dezelfde groep voor het einde van het schooljaar kan worden afgerond. In deze fase leer je de groep en werkwijzen kennen en bereid je je voor op de fase van groepsverantwoordelijkheid. Je werkt o.a. aan de planning en verantwoording van de beroepsopdrachten. Zie hiervoor hoofdstuk 3: De start en hoofdstuk 4: Onderzoekend werken aan beroepsopdrachten. De oriëntatiefase wordt afgerond met een gesprek op je stageschool tussen jou, je PO er en IO er. Daartoe stel je je eerste Scorion-rapportage op en stuur je die voorafgaand aan het gesprek aan je IO er. Het gesprek is bedoeld om na te gaan of je er klaar voor bent om groepsverantwoordelijkheid te dragen. Hiervoor wordt het beoordelingsformulier praktijk fase 4 afronding oriëntatiefase ingevuld. Deze wordt afgerond met een voldaan of niet voldaan. Fase van groepsverantwoordelijkheid Deze fase kun je pas starten als is voldaan aan de voorwaarden die hieronder staan vermeld. De fase van groepsverantwoordelijkheid bestaat voor alle opleidingsvarianten uit minimaal 20 stagedagen. Je laat in deze fase zien dat je groepsverantwoordelijkheid kunt dragen en dat je in de praktijk op startbekwaam niveau functioneert. Je werkt aan de uitvoering van de beroepsopdrachten en houdt je eigen professionele ontwikkeling en professionele identiteit tegen het licht. Zie daarvoor hoofdstuk 4: Onderzoekend werken aan beroepsopdrachten en hoofdstuk 5: De finish. De IO er komt aan het eind van de fase van groepsverantwoordelijkheid opnieuw naar je stageschool, ditmaal voor het eindgesprek. Daartoe stel je je tweede Scorion-rapportage op en stuur je die voorafgaand aan het gesprek aan je IO er. In dat gesprek met jou en je PO er wordt beoordeeld of je in de praktijk op startbekwaam niveau hebt gehandeld binnen de vijf kerntaken. Het praktijkbeoordelingsformulier is daarbij het uitgangspunt. De PO er geeft een adviesbeoordeling, de IO er bepaalt de definitieve beoordeling. Voorwaarden om te kunnen starten met de fase van groepsverantwoordelijkheid van je stage Er zijn vier voorwaarden om te kunnen starten met de fase van groepsverantwoordelijkheid van je stage. Zo lang niet aan de voorwaarden is voldaan zit je in de oriëntatiefase. De voorwaarden zijn (zie studiegids 2018/2019): 1. je hebt je propedeuse behaald; 2. je hebt 110 EC uit Hoofdfase 1+2 gehaald (hier telt de minor dus niet in mee). Voor studenten van de versnelde opleiding (VO) geldt dat 80 EC zijn behaald; 3. je hebt alle stages (inclusief reflectieverslagen) uit de voorafgaande jaren met een voldoende afgesloten; 4. je hebt het onderdeel Planning en verantwoording afstudeerstage (OTO4-AFST1-18) behaald. Onderdeel daarvan is dat je de oriëntatiefase met voldaan hebt afgerond. 2.4 Bijeenkomsten op de opleiding In je afstudeersemester wordt je deelname verwacht aan de wekelijks ingeroosterde bijeenkomsten op de opleiding. Zonder je deelname is een goede begeleiding door je SLB er niet mogelijk. Daarnaast staan enkele SLB-uren ingeroosterd. Deze zijn bedoeld voor ondersteuning bij de studievoortgang. 6

2.5 Betrokkenen: taken en rollen Studieloopbaanbegeleider (SLB er) - Je SLB er is in deze laatste fase van de opleiding je directe aanspreekpunt. Hij of zij verzorgt de wekelijkse bijeenkomsten op de opleiding. Je SLB er ondersteunt en begeleidt je in het afstudeerproces en (waar nodig) bij je planning en het maken van keuzes. Bij hem/haar kun je terecht met je vragen over het afstuderen. Praktijkopleider (PO er) - Voor de start van de stage bespreek je met de PO er wat er vanuit de opleiding van je verwacht wordt, zodat je op de eerste stagedag meteen kunt beginnen. Je geeft hem/haar (eventueel digitaal) deze handleiding en je voorlopige planning van dit semester. - In de oriëntatiefase geeft de PO er feedback op je planning en verantwoording van je afstudeerstage (beroepsopdrachten 1 t/m 4). - Ook vult hij/zij tegen het eind van de oriëntatiefase Scorion in. Samen hebben jullie vervolgens een gesprek met de IO er van de school. - Aan het eind van de fase van groepsverantwoordelijkheid vullen jij en je PO er nogmaals Scorion in en komt je IO er opnieuw op bezoek voor het eindgesprek. Instituutsopleider (IO er) - Direct aan het begin van de stage neem je via de mail contact op met de IO er die verbonden is aan jouw stageschool. Je laat weten wanneer je gepland hebt de oriëntatiefase af te ronden. De IO er kan zo tijdig het afrondende gesprek van de oriëntatiefase inplannen. Als je planning wijzigt, stel je de IO er hiervan tijdig op de hoogte. - De oriëntatiefase wordt afgerond met een gesprek op de stageschool tussen jou, je PO er en IO er. Daartoe stel je je eerste Scorion-rapportage op en stuur je die voorafgaand aan het gesprek naar je IO er. - De fase van groepsverantwoordelijkheid wordt afgerond met het eindgesprek tussen jou, je PO er en IO er. Daartoe stuur je je tweede Scorion naar hem/haar op. Examinatoren - De twee examinatoren (docenten van de opleiding) ontvangen via OnStage twee keer een verslag met bijlagen van jou: aan het eind van de oriëntatiefase ( onderzoekend werken stap 1 t/m 3) en aan het eind van de fase van groepsverantwoordelijkheid ( onderzoekend werken stap 4 en 5). De examinatoren hebben maximaal 3 weken de tijd om je werk te beoordelen. Assessoren - Het eindassessment voer je met twee assessoren. In de regel gaat het om één instituutsassessor (vanuit de opleiding) en één praktijkassessor (vanuit het werkveld). Voor het eindassessment stuur je verslaglegging in via OnStage. Zie daarvoor hoofdstuk 5. Beide gecertificeerde assessoren hebben een gelijk gewicht in de beoordeling. De instituutsassessor noteert het resultaat in Osiris. Om het proces van afstuderen en de communicatie tussen alle betrokkenen soepel te laten verlopen is het belangrijk dat je steeds goed bereikbaar bent via je HU-mailadres. 7

3. De start Vanaf de start van je afstudeersemester vormt je stage de rode draad van het afstuderen. Je leert je stagegroep en -school kennen en je verdiept je in de leerstof en werkwijzen van je groep. Met je PO er stel je een planning op (vanaf wanneer draag je groepsverantwoordelijkheid) en bespreek je hoe je de stage van de oriëntatiefase invult. Daarin spreek je een opbouw af, toewerkend naar hele dagen voor de groep. Hou rekening met de nakijktermijn voor je verslag AFST1. Een voorbeeldplanning vind je op HUbl. In de fase van groepsverantwoordelijkheid van je stage toon je startbekwaam handelen in de praktijk aan. De stage mondt uit in een praktijkbeoordeling. Een ander belangrijk onderdeel van het afstuderen vormt het beschrijven van je professionele ontwikkeling en professionele identiteit. Daarover lees je meer in dit hoofdstuk 3. Beide onderdelen vormen de inhoudelijke kern van het eindassessment. In je eindassessment maak je je ontwikkeling tot startbekwame leraar zichtbaar en laat je zien wie jij bent als persoon en professional. Het eindassessment zelf wordt beschreven in hoofdstuk 5. Al vanaf de start werk je hieraan voortbouwend op wat je hierover in eerdere studiejaren hebt verzameld. Dit onderdeel wordt door je SLB er van feedback voorzien (zie bijlage 3). Tijdens je afstuderen staan vier beroepsopdrachten centraal, waarmee je je startbekwaamheid op HBOniveau aantoont. De opdrachten worden in twee delen ingeleverd: het eerste deel om de oriëntatiefase af te sluiten en het tweede deel om de fase van groepsverantwoordelijkheid af te sluiten. De opdrachten en werkwijze staan beschreven in hoofdstuk 4. De wekelijkse bijeenkomsten op de opleiding zijn gericht op instructie bij de verschillende onderdelen van het afstuderen, toelichting op toetsing en werkwijzen, begeleiding, reflectie en intervisie. Ervaringen met medestudenten worden als leerteam uitgewisseld en er is ruimte voor feedback. 8

3.1 Professionele ontwikkeling Opstellen van een professioneel ontwikkelingsplan (POP) (maximaal 2500 woorden) Tijdens de fase van groepsverantwoordelijkheid ga jij als leraar minimaal 20 dagen zelfstandig de groep draaien en neem je alle rollen en taken als leraar voor je rekening. Je doet in deze periode specifieke leerervaringen op. Het vooraf opstellen van professionele leerdoelen helpt je om je ontwikkeling te sturen en inzichtelijk te maken voor anderen, onder andere tijdens je eindassessment. Je maakt een sterkte-zwakteanalyse en baseert je daarbij bijvoorbeeld op feedback, reflectieverslagen, Scorionrapportages en beoordelingen uit eerdere stages. Hulpvragen hierbij zijn: welke leerpunten komen naar voren? Aan welke kern- of deeltaken moet ik gericht werken? Welke zaken gaan goed en kan ik verder uitbouwen? Tegelijkertijd beschrijf je welke uitdagingen vanuit je specifieke stageplek naar voren komen: heb je voor het eerst te maken met een combinatieklas? Wordt er een project rondom zelfstandig werken uitgevoerd? Ga je voor het eerst op drie niveaus differentiëren of bijvoorbeeld werken met verlengde instructie aan een instructietafel? Is er een thema / viering / week / project etc. rondom. Vanuit deze analyses beschrijf je aan welke leerdoelen je in deze periode wilt gaan werken. Beperk je tot 3 tot 5 leerdoelen. Maak je keuzes op grond van vragen als: wat wil ik leren? Wat heb ik nog te doen om startbekwaam leerkracht te zijn? Hoe kan ik handelen vanuit mijn eigen professionele identiteit en de leerkracht die ik graag wil zijn? Welke theorie zou ik verder willen leren inzetten? Geef vervolgens per leerdoel - concreet aan welke activiteiten je gaat ontplooien om het doel te behalen en hoe je aan het einde van de stage wilt laten zien dat deze doelen behaald zijn. Deze activiteiten kunnen samenhangen met wat je in de beroepsopdrachten (zie hoofdstuk 4) gaat uitvoeren. Hulpvragen hierbij zijn: benoem je welke middelen je kunt inzetten om je leerdoelen te behalen? Heb je helder welke bronnen je kunt inzetten voor verdieping? Zet je anderen in in je leerproces? Maak je gebruik van feedback? Werk bovenstaande uit tot een verslag. Tijdens één van de bijeenkomsten krijg je feedback van medestudenten en jouw SLB er. Voeg de feedback van je SLB er (bijlage 3) toe en verwerk dit in je verslag. Proces van professionele ontwikkeling bijhouden Bedenk vooraf hoe je je professionele ontwikkeling gaat bijhouden. Maak je gebruik van reflecties op het werken aan je leerdoelen? Ga je dagelijks of wekelijks reflecteren op praktijkervaringen? Hoe ga je bijzondere gebeurtenissen of incidenten die zich voordoen beschrijven? Denk hierbij aan het gebruik van een logboek. Een aanbevolen instrument om te reflecteren op je handelen in de praktijk is de koppelkaart (Weekenstroo, 2010), die is opgenomen in bijlage 1. De koppelkaart kun je inzetten om in gesprek te gaan over je ervaringen met jouw praktijkopleider, de schoolopleider, je studieloopbaanbegeleider of medestudenten. Je kunt de koppelkaart met name tussentijds inzetten om te reflecteren en dan je handelen bij te stellen. Het helpt om te reflecteren op je ervaringen en van daaruit een beschrijving te geven van jouw professionele ontwikkeling. Ook is het een bruikbaar instrument om je voor te bereiden op het eindassessment. 9

3.2 Professionele identiteit Opstellen van eerste versie professionele identiteit (maximaal 1500 woorden) In je reflectie op je professionele ontwikkeling zoals hierboven beschreven kijk je verdiepend naar het handelen in de beroepspraktijk zelf. Het gaat echter niet alleen om dit handelen, maar ook om waar dat handelen vandaan komt en waar het op is gebaseerd. Deze zaken beïnvloeden namelijk de keuzes die je maakt in de praktijk. Onder professionele identiteit wordt verstaan: de opvattingen en overtuigingen die jij hebt over onderwijs en welke rol jij daar als leraar in speelt, vanuit welke normen en waarden je handelt (normatieve professionaliteit) en wat jouw passie of ambitie is in het werken met kinderen. Onderstaande vragen kunnen daarbij behulpzaam zijn: Normatieve professionaliteit: hoe zie ik mezelf als leerkracht? Waar wil ik me nog in verdiepen? Vanuit welke waarden handel ik als leerkracht? Hoe zie ik in mijn onderwijsvisie deze waarden en drijfveren terug? Welke waarden zou ik nog meer in mijn dagelijks handelen terug willen laten komen en aandacht geven? Beroepsprofiel: hoe sta ik ten opzichte van het beroepsprofiel van de HU Pabo (reflective practicioner, passend onderwijs, actuele maatschappelijke ontwikkelingen)? Waar wil ik me nog in ontwikkelen? Eigen profilering: vanuit welke motieven kies ik voor dit beroep? Wat betekent dat voor mijn relatie met kinderen (en anderen)? Welke talenten, kwaliteiten en interesses wil ik inzetten? Waar wil ik meer aandacht aan geven in mijn afstudeerstage? Visie op onderwijs: wat is mijn visie op onderwijs? Op welke bronnen is die visie gebaseerd? Hoe sta ik ten opzichte van de visie van mijn stageschool? Wat is mijn ideale school? Koppeling aan eigen handelen: hoe hangt mijn professionele identiteit samen met de leerdoelen in mijn POP? Aangezien de professionele identiteit er bij iedere leraar anders uitziet, ga je jouw professionele identiteit ook op eigen wijze vormgeven. In de bijeenkomsten op de opleiding krijg je ondersteuning hierin. Daarbij integreer en verdiep je wat je in eerdere opleidingsjaren daarover hebt beschreven (bijvoorbeeld in de vorm van reflectieverslagen, visieopdrachten en je professioneel werkconcept). Werk bovenstaande uit tot een verslag. Tijdens één van de bijeenkomsten krijg je feedback van medestudenten en jouw SLB er. Voeg de feedback van je SLB er (bijlage 3) toe en verwerk dit in je verslag. Proces van ontwikkeling professionele identiteit In de fase van groepsverantwoordelijkheid probeer je je onderwijs vorm te geven vanuit jouw professionele identiteit. Verzamel hiervan tussentijds concrete voorbeelden uit jouw onderwijspraktijk die je beschrijft voor je eindassessment. Hiermee illustreer je de koppeling van je professionele identiteit aan je eigen handelen en hoe dat jouw leerproces inhoud heeft gegeven. Denk ook hier aan het gebruik van een logboek. 10

4. Onderzoekend werken aan beroepsopdrachten 4.1 Onderzoekend werken De HU-pabo leidt toekomstige leraren op, die gaan werken in een beroepspraktijk die rekening moet houden met een voortdurende veranderende samenleving waar de leerlingen op worden voorbereid. Dit vraagt van leraren om een onderzoekende, kritische houding en vaardigheid om het eigen pedagogisch en didactisch handelen voortdurend te monitoren en bij te stellen. Met andere woorden: dit vraagt om een manier van werken waarbij de leraar zijn onderzoekend vermogen inzet, waarbij hij continu vragen stelt over zijn eigen beroepspraktijk en deze praktijkvragen systematisch en adequaat weet te beantwoorden. Het onderzoekend vermogen wordt door de HU-pabo gedefinieerd als: het beschikken over een onderzoekende houding, het in staat zijn om kennis uit beschikbaar onderzoek toe te passen en onderzoekend te werken, met als doel het eigen functioneren of de praktijk op zich te verbeteren (Snel, 2017). Bij de onderzoekende houding gaat het om de mate waarin iemand gemotiveerd is, vertrouwen heeft en in een veelheid aan beroepssituaties toont opmerkzaam, nieuwsgierig, bedachtzaam en kritisch te zijn. Daarnaast gaat het erom dat je de kennis die je hebt opgedaan, wilt delen met anderen (Herik & Schuitema, 2016). Bij het toepassen van kennis uit beschikbaar onderzoek gaat het voor leraren basisonderwijs vooral om kennis over ontwikkeling van kinderen en kenmerken van goed onderwijs. Onderzoekend werken is het systematische beantwoorden van vragen waarbij gebruik wordt gemaakt van kennis met als doel het eigen professionele handelen of de praktijk op zich te verbeteren. Stappenplan onderzoekend werken Als je onderzoekend te werk gaat in je eigen praktijk kun je dat het beste stapsgewijs uitvoeren. De stappen staan genoemd in onderstaand kader en worden vervolgens afzonderlijk toegelicht. Deze stappen ga je voor alle vier de beroepsopdrachten uitvoeren. In de beschrijving van de beroepsopdrachten in paragraaf 4.2 worden de stappen specifieker ingevuld voor stap 1, 2 en 3 vanuit de inhoud van elke beroepsopdracht. Bij de stappen zijn hulpvragen geformuleerd die je richting geven bij het nemen van die stap. Onderzoekend werken: Stap 1: Vraag formuleren Stap 2: Verkennen Stap 3: Ontwikkelen en plannen Stap 4: Uitvoeren Stap 5: Evalueren en conclusies trekken Bijbehorende vragen: Waar gaat het om in jouw praktijk? Waar ben je nieuwsgierig naar? Welke theorie is relevant? Wat is erover bekend? Zijn er meerdere invalshoeken? Welke concrete vraag op startbekwaam niveau kun je hiervoor formuleren? Wat is de huidige en de gewenste situatie? Hoe kun je de praktijk analyseren met behulp van de theorie? Met welke instrumenten kun je dat in kaart brengen? Wat wil je bereiken? Welke oplossingsrichtingen zie je en welke keuzes maak je? Wat ga je in de praktijk doen en hoe ga je aan de slag om dit te bereiken? Hoe ga je de voortgang bijhouden en je eigen handelen volgen? Welke instrumenten ga je inzetten om gegevens te verzamelen? Wat heb je gedaan? Hoe heb je dat gedaan? In hoeverre heb je gehandeld op startbekwaam niveau? Hoe heb je systematisch je gegevens verzameld? Welke gegevens heb je via de inzet van instrumenten verkregen? Wat heb je bereikt en hoe komt dat? Wat zijn de perspectieven van anderen hierin? Is je gewenste situatie bereikt? Hoe kun je de bereikte situatie relateren aan theorie? Wat is je antwoord op de vraag? Welke mogelijke vervolgacties zie je? 11

Stap 1 Vraag formuleren Onderzoekend werken start met het formuleren van een vraag. Je signaleert een probleem of een uitdaging en formuleert een vraag die tot de oplossing van dat probleem moet leiden of die de uitdaging omschrijft. Voor het formuleren van een goede vraag, is het nodig dat je je verdiept in theorie rondom die vraag. Wellicht zijn er meerdere perspectieven te beschrijven. Op die manier kun je de vraag gerichter formuleren. Iedere beroepsopdracht heeft een focus vanuit de kern- en deeltaken van het opleidingsprofiel HU Pabo. Op HUbl vind je een overzicht van aanbevolen bronnen. Uiteraard kun je ook zelf op zoek naar passende bronnen om jouw specifieke vraag te formuleren. Deze stap mondt uit in een typering van de praktijksituatie, een samenvatting van theorie die daarbij relevant is en een concrete afgebakende vraagstelling. Je neemt theoretische begrippen op in je vraagstelling. Daarnaast verantwoord je op welke kern- en deeltaken op startbekwaam niveau je vraagstelling aansluit. Ten behoeve van je eindassessment: je maakt bij het formuleren van de vraag waar mogelijk een koppeling met je eigen leerdoelen en je professionele identiteit. Stap 2 Verkennen Bij onderzoekend werken gaat het er niet om dat je meteen een oplossing gaat bedenken. In deze stap verken je het probleem of uitdaging en de daaruit voortvloeiende vraag nader. Bij het verkennen zet je instrumenten in om de huidige situatie in kaart te brengen. Zet de instrumenten in bij observeren, bekijken van leerlinggegevens, gesprekken met collega s, ouders en leerlingen. Dit doe je onder andere in samenspraak met jouw praktijkopleider. Analyseer de huidige situatie waarbij je gebruik maakt van theorie (die je in stap 1 beschreven hebt). Per beroepsopdracht staan hulpvragen geformuleerd die je kunt inzetten bij het verkennen. Deze stap mondt uit in een beschrijving van de huidige situatie in de praktijk en de gewenste situatie waar je naartoe wilt werken. Stap 3 Ontwikkelen en plannen In deze stap formuleer je kort en krachtig wat je precies gaat uitzoeken of uitproberen in je groep en met welk doel je dat doet. Hoe je aan de slag gaat in de praktijk (om je vraag te beantwoorden en om je gewenste situatie te bereiken) werk je uit in deze stap. Je beschrijft acties die je wilt uitvoeren. Je kunt daarbij denken aan lesactiviteiten, pedagogische interventies, gesprekken met ouders, etc. Het gaat in ieder geval altijd om je eigen professioneel handelen in de praktijk. Bespreek deze acties voorafgaand met je praktijkopleider. De aanbevolen bronnen bij de beroepsopdrachten zijn bruikbaar bij het ontwikkelen, plannen en vormgeven van je acties. Je kunt ook zelf op zoek gaan naar bronnen, boeken en tijdschriftartikelen voor suggesties over hoe bepaalde zaken aangepakt kunnen worden. Praktijkkennis van jouzelf en inspirerende voorbeelden van collega s kunnen heel bruikbaar zijn. Deze stap mondt uit in een plan van aanpak (wat ga je wanneer en hoe doen). Het plan van aanpak is haalbaar en gebaseerd op inzichten die je hebt opgedaan in de voorgaande stappen. Je geeft tevens aan hoe je de gegevens systematisch gaat verzamelen (vooruitblik naar stap 4) en welke instrumenten (bijvoorbeeld toetsen, observaties, interview, vragenlijst, etc.) je daarvoor gaat inzetten. Daarnaast beschrijf je hoe je je eigen handelen gaat volgen (bijvoorbeeld een logboek). 12

Stap 4 Uitvoeren In deze stap voer je de plannen en acties uit die je hebt beschreven in stap 3 en verzamel je gegevens met behulp van instrumenten. Deze stap mondt uit in een verslaglegging van de uitvoering van je plan van aanpak en een beschrijving van je eigen handelen (wat heb je gedaan en hoe ging het en in hoeverre heb je op startbekwaam niveau gehandeld?). Doe dit zo feitelijk mogelijk en doe dit ook regelmatig (systematisch). Daarnaast beschrijf je de gegevens die je door de inzet van instrumenten hebt verkregen. De interpretatie van je gegevens volgt in stap 5. Stap 5 Evalueren en conclusies trekken In deze stap geef je antwoord op de gestelde vraag in stap 1 en blik je vooruit. Bij het evalueren en trekken van conclusies betrek je in hoeverre de gewenste situatie is bereikt door de acties die je hebt uitgevoerd. Om te kijken wat het effect van je handelen is geweest interpreteer je je gegevens. Betrek daar ook het perspectief van anderen bij (maak o.a. de feedback van je praktijkopleider zichtbaar). Koppel hier theorie aan die je in stap 1 hebt beschreven. In de beroepsopdrachten zijn vragen opgenomen die je hierbij kunnen helpen. Deze stap mondt uit in een conclusie, waarbij je de gegevens koppelt aan de theorie en een antwoord geeft op de vraag die je in stap 1 hebt gesteld. Daarnaast formuleer je vervolgacties op basis van theorie. Ten behoeve van je eindassessment: leg vast wat je precies geleerd hebt tijdens het doorlopen van bovenstaande stappen. Koppel dit ook aan je eigen leerdoelen en professionele identiteit. 13

4.2 Vier beroepsopdrachten Op de volgende pagina s vind je een beschrijving van de vier beroepsopdrachten van het afstuderen. Door elk van de vier opdrachten volgens bovenstaande vijf stappen te doorlopen, zet je je onderzoekend vermogen in. De opdrachten worden uitgevoerd tijdens je afstudeerstage en weerspiegelen je actuele niveau binnen deze stagecontext. Bekijk voor de inhoudelijke criteria de beoordelingsformulieren en rubrics op de toetssite van HUbl. De nummering van elke stap in deze handleiding komt overeen met de nummering van de beoordelingscriteria in het beoordelingsformulier. Daarbij staat 2.4 voor: beroepsopdracht 2, stap 4. De opzet van je verslag structureer je vanuit het format dat je vindt op HUbl. Het combineren van beroepsopdrachten is toegestaan, maar de (afzonderlijke) beoordelingscriteria per beroepsopdracht zijn maatgevend. Op de HUbl-site over het afstuderen vind je bronnen, instrumenten en suggesties voor invulling van de beroepsopdrachten. Beoordeling in twee delen: AFST1: Stap 1, 2 en 3 zet je tijdens de oriëntatiefase van je stage. Dit zijn de stappen die in de beschrijvingen op de volgende pagina s zijn aangeduid met AFST1. Deze stappen werk je uit tot een beschrijving van in totaal maximaal 2000 woorden per beroepsopdracht, exclusief bronnenlijst en maximaal 3 pagina s bijlagen. Een format voor de inhoudsopgave van je verslag vind je op HUbl. Het verslag met de vier beroepsopdrachten (en voorwaardelijke onderdelen) laat je voorafgaand aan de fase van groepsverantwoordelijkheid beoordelen door de aan jou toegekende twee examinatoren. Je levert je werk in via OnStage. Geef je bestand de naam: 1819 AFST1 verslag Voornaam Achternaam Voor een eventuele herkansing lever je het gehele verslag opnieuw in via OnStage. Geef je bestand de naam: 1819 AFST1 verslag herkansing Voornaam Achternaam AFST2: Stap 4 en 5 zet je tijdens en direct na de fase van groepsverantwoordelijkheid van je stage. Dit zijn de stappen die in de beschrijvingen op de volgende pagina s zijn aangeduid met AFST2 Je beschrijft stap 4 en 5 in totaal in maximaal 1500 woorden per beroepsopdracht, exclusief bronnenlijst en maximaal 2 pagina s bijlagen en voegt deze toe aan het verslag waarin stap 1 t/m 3 zijn beschreven. Een format voor de inhoudsopgave van je verslag vind je op HUbl. Je laat dit beoordelen door dezelfde twee examinatoren als van AFST1. Je levert je werk in via OnStage. Geef je bestand de naam: 1819 AFST2 verslag Voornaam Achternaam Voor een eventuele herkansing lever je het gehele verslag opnieuw in via OnStage. Geef je bestand de naam: 1819 AFST2 verslag herkansing Voornaam Achternaam 14

Beroepsopdracht 1: pedagogisch handelen in je groep Relatie opleidingsprofiel: met name kerntaak 1: pedagogisch adequaat handelen. AFST1: Stappen die je zet tijdens de oriëntatiefase van je stage: (1.1) Stap 1: vraag formuleren Tijdens de periode waarin je verantwoordelijk bent voor de groep lever je een actieve bijdrage aan het pedagogisch klimaat in de groep. In deze eerste stap sta je stil bij de groep als geheel en de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen in jouw groep. In de volgende stappen bereid je je voor op hoe jij invulling gaat geven aan het pedagogisch adequaat handelen in je groep. Bron: Van Meersbergen & De Vries (2017) Op basis van de oriëntatie op je groep en je professionele identiteit bepaal je waarmee je met de groep aan de slag gaat. Waar loop je tegenaan? Wat is voor jou een uitdaging? Zijn er wellicht verstoringen in je groep, zoals een nieuwe leerling, of jij als nieuwe leraar? Vervolgens verdiep je je in de theorie rondom de uitdaging die je wilt aangaan. Denk aan ontwikkelingslijnen sociaal-emotionele ontwikkeling en groepsdynamische processen. Voorbeelden van bronnen kun je vinden op HUbl. Op basis van deze theoretische verdieping en verbreding formuleer je een concrete afgebakende vraag. Zorg ervoor dat je je op de groepsvorming en/of op de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen in je groep richt. Je neemt theoretische begrippen (die gebaseerd zijn op relevante bronnen) op in je vraagstelling. Je kunt bijvoorbeeld de sociaal-emotionele competenties van leerlingen in beeld brengen: besef hebben van jezelf, zelfmanagement, besef hebben van de ander, relaties kunnen hanteren en keuzes kunnen maken (Overveld, 2009). Sociaal-emotioneel leren is het proces waarbij leerlingen noodzakelijke kennis, attituden en vaardigheden verwerven en toepassen, teneinde beter te worden in het omgaan met zichzelf en de ander. Wanneer over sociaal-emotionele ontwikkeling wordt gesproken slaat dat vooral op het in ontwikkeling zijnde kind. Sociaal-emotioneel leren ondersteunt de sociaal-emotionele ontwikkeling (Overveld, 2017). N.B. Mogelijk geeft jouw professionele identiteit richting aan jouw vraagstelling. Heb je wellicht leerdoelen opgesteld die van belang zijn om mee te nemen in de vraagstelling? (1.2) Stap 2: Verkennen Door het bestuderen van theorie en het formuleren van de vraag (in stap 1) heb je al richting gegeven aan waarmee je aan de slag wilt gaan in de praktijk. In stap 2 verken je de huidige situatie in je stagegroep. Je brengt bijvoorbeeld de groepsvorming en/of de sociaal-emotionele ontwikkeling van alle kinderen in beeld, aan de hand van ontwikkelings- en leerlijnen (die je bij stap 1 hebt beschreven). Gebruik daarbij theorie om gericht te observeren of relevante vragen te stellen. Tijdens deze verkenning maak je gebruik van instrumenten. Je kunt bijvoorbeeld denken aan observaties en vragenlijsten, gesprekken met de hele groep, groepjes of individuele kinderen (interview). Denk bij groepsvorming aan vragen als: - Welke fase van groepsvorming is in jouw groep zichtbaar? - Zijn er rollen in de groep te onderscheiden? - Kun je de hiërarchie in de groep zien? - Hoe wordt er omgegaan met culturele verschillen en verschillen tussen jongens en meisjes? Soortgelijke vragen kun je formuleren bij het in kaart brengen van de sociaal-emotionele ontwikkeling. 15

Dit mondt bijvoorbeeld uit in de sociaal-emotionele onderwijsbehoeften van de groep, groepjes of individuele leerlingen. Of in wat de groep als geheel nodig heeft in de begeleiding en aansturing van het groepsproces. Vervolgens formuleer je de gewenste situatie. Hou realistisch voor ogen wat je in de beperkte periode van groepsverantwoordelijkheid kan bereiken. Bijvoorbeeld: vanuit de onderwijsbehoeften voor de groep, kleinere groepjes en individuen benoem je wat je wilt bereiken (doelen) in de sociaal-emotionele ontwikkeling of groepsvorming van de kinderen in jouw groep. (1.3) Stap 3: Ontwikkelen en plannen Op basis van de verkenning ontwerp je activiteiten voor pedagogisch adequaat handelen. Je kunt daarvoor gebruik maken van een programma dat de basisschool hanteert en waarin jij bewuste keuzes maakt die je vanuit de theorie beargumenteert, maar je kunt natuurlijk ook zelf (op basis van theorie) interventies ontwerpen en inzetten. Bespreek je plan met je praktijkopleider. Als je systematisch en planmatig werkt aan groepsvorming en/of sociaal-emotioneel leren moet je regelmatig nagaan of jouw (groeps)activiteiten en maatregelen het beoogde resultaat opleveren. Hoe ga je deze voortgang, maar ook het proces (zoals je eigen handelen) zichtbaar maken? Maak een heldere beschrijving van je plan: Wat ga je doen en hoe? Wanneer ga je dat doen? En hoe ga je de gegevens verzamelen? Bij het verzamelen van de gegevens kun je denken aan het gebruik maken van instrumenten zoals observatieformulieren, een sociogram, leerlingvolgsysteem, testen, vragenlijsten, gedragsmetingen, etc. AFST2: Stappen die je zet tijdens de fase van groepsverantwoordelijkheid van je stage: (1.4) Stap 4: Uitvoeren Zie stappenplan onderzoekend werken. Zet om gegevens te verkrijgen bijvoorbeeld opnieuw het sociogram in of de observatie van welbevinden in de groep. (1.5) Stap 5: Evalueren en conclusies trekken Zie stappenplan onderzoekend werken. 16

Beroepsopdracht 2: gedifferentieerd onderwijzen in je groep Relatie opleidingsprofiel: met name kerntaak 2 (professioneel voorbereiden en evalueren van onderwijsactiviteiten) en kerntaak 3 (professioneel uitvoeren van onderwijsactiviteiten en volgen en begeleiden van kinderen). AFST1: Stappen die je zet tijdens de oriëntatiefase van je stage: (2.1) Stap 1: vraag formuleren Tijdens de fase van groepsverantwoordelijkheid krijg je de regie over al het onderwijs voor de kinderen in je groep. In deze opdracht gaat het om gedifferentieerd onderwijzen, dat wil zeggen: je houdt met je aanpak zoveel mogelijk rekening met de verschillende onderwijsbehoeften van de leerlingen. Werk dit in deze opdracht voor taal en/of rekenen-wiskunde uit. Met deze twee vakken ben je als leraar dagelijks met leerlingen aan de slag en de leerstof is in hoge mate geordend vanuit (vaak stapsgewijs uitgewerkte) leerlijnen. Bron: Van Meersbergen & De Vries (2017) In deze eerste stap sta je stil bij de groep als geheel en de cognitieve ontwikkeling en werkhouding van de kinderen in jouw groep. In de volgende stappen bereid je je voor op hoe jij invulling gaat geven aan het gedifferentieerd onderwijzen in je groep. Bepaal waar je met de groep mee aan de slag wil gaan. Waar loop je tegenaan? Wat is voor jou een uitdaging? Hieronder volgen enkele suggesties. Voorbeelden van bronnen kun je vinden op HUbl. Je verdiept jezelf in differentiëren: welke differentiatievorm wordt vanuit de theorie aanbevolen om doelen van het vak te behalen? Welke organisatie past daarbij en welke instructiemodellen of werkvormen worden vanuit de theorie beschreven? Welke didactische aanpakken passen bij welke ontwikkelingsfase(n)? De theorie vanuit Handelingsgericht werken (o.a. Pameijer, 2017) kan hierbij bruikbaar zijn. Verdiep jezelf in de wijze waarop je kunt vaststellen waar kinderen zich binnen de leerstof bevinden en hoe je (vakinhoudelijke) onderwijsbehoeften kunt formuleren. Denk daarbij aan bronnen over het analyseren van toetsgegevens en het voeren van diagnostische gesprekken. Je kunt in kaart brengen welke inhoud momenteel én tijdens de periode van groepsverantwoordelijkheid op het programma staat. Doe dit bijvoorbeeld op het gebied van spelling, technisch en begrijpend lezen of de binnen jouw groep relevante reken-wiskundeonderdelen. Denk bij groep 1-2 aan beginnende geletterdheid en/of ontluikende gecijferdheid. Op basis van deze theoretische verdieping en verbreding formuleer je een concrete, afgebakende vraag. Je neemt theoretische begrippen (die gebaseerd zijn op relevante bronnen) op in je vraagstelling. N.B. Mogelijk geeft jouw professionele identiteit richting aan jouw vraagstelling? Heb je wellicht leerdoelen opgesteld die van belang zijn om mee te nemen in de vraagstelling? (2.2) Stap 2: Verkennen Door het bestuderen van theorie en het formuleren van de vraag (in stap 1) heb je al richting gegeven aan waarmee je aan de slag wilt gaan in de praktijk. In stap 2 verken je de huidige situatie in je stagegroep. Je brengt bijvoorbeeld de onderwijsbehoeften van de kinderen in beeld, aan de hand van leerlijnen (die je bij stap 1 hebt beschreven). Zet daarbij theorie in om gericht te observeren of relevante vragen te stellen. Tijdens deze verkenning maak je gebruik van instrumenten, zoals gesprekken, observaties, analyseren van toetsgegevens, raadplegen van relevante gegevens uit het leerlingvolgsysteem. Je kunt je daarbij richten op de cognitieve ontwikkeling (binnen taal en rekenen-wiskunde), maar je kunt ook aspecten van de werkhouding van leerlingen in kaart brengen, die relevant zijn voor de leerprocessen van de leerlingen. 17

Denk aan vragen als: - Hoe scoren de leerlingen op diverse vakspecifieke toetsen? Welke fouten komen veel voor? - Waar bevinden leerlingen zich binnen de leerstof? Geldt dat voor alle leerlingen? - Wat weet ik over de motivatie en interesses van de leerlingen? - Wat weet ik over de taakgerichtheid en werkhouding van de leerlingen? Dit mondt bijvoorbeeld uit in een overzicht van onderwijsbehoeften van de groep, groepjes of individuele leerlingen. Op HUbl is als suggestie een voorbeeld te vinden van een (gecombineerd) groepsoverzicht, waarin de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling én werkhouding staan beschreven. Dit zou passen binnen een vraag om hier een eigen, efficiënte en effectieve werkwijze in te vinden. Vervolgens formuleer je de gewenste situatie. Hou realistisch voor ogen wat je in de beperkte periode van groepsverantwoordelijkheid kan bereiken. Bijvoorbeeld: vanuit de onderwijsbehoeften voor de groep, kleinere groepjes en individuen benoem je wat je wilt bereiken (doelen) in de cognitieve ontwikkeling en/of werkhouding van de kinderen in jouw groep. (2.3) Stap 3: Ontwikkelen en plannen Op basis van de verkenning ontwerp je activiteiten voor gedifferentieerd onderwijzen in je groep. Je kunt daarvoor gebruik maken van de methodes die de school hanteert en waarin jij bewuste keuzes maakt, maar je kunt natuurlijk ook zelf (op basis van theorie) een gedifferentieerd onderwijsaanbod ontwerpen en inzetten. Mogelijk beschrijf je dit in een groepsplan en weekplanningen. Denk aan vragen als: - Welke organisatievorm kies ik? Is dit ook de werkwijze van de school? - Welke clustering van leerlingen kies ik? Waarom? - Welke didactische aanpakken ga ik inzetten, voor welke leerlingen? Kan ik variëren in mijn didactische aanpak, bijv. door sommige kinderen alleen soms concreet materiaal aan te reiken? - Sluit de methode op alle onderdelen aan bij onderwijsbehoeften van de kinderen, of moet ik aanpassingen doen (methode soms loslaten/extra materiaal inzetten of maken)? - Hoe kan ik aandacht schenken aan zowel leerlingen die nog moeite hebben met de stof als aan leerlingen die extra uitdaging of verrijking nodig hebben? Als je systematisch en planmatig werkt aan gedifferentieerd onderwijzen moet je regelmatig nagaan of jouw onderwijsaanbod het beoogde resultaat oplevert. Hoe ga je deze voortgang, maar ook het proces (zoals je eigen handelen) zichtbaar maken? Maak een heldere beschrijving van je plan: Wat ga je doen en hoe? Wanneer ga je dat doen? En hoe ga je de gegevens verzamelen? Bij het verzamelen van de gegevens kun je denken aan het gebruik maken van instrumenten zoals observatieformulieren, leerlingvolgsysteem, toetsen, testen, etc. Leg dat vast in je plan en bespreek dit met je praktijkopleider. AFST2: Stappen die je zet tijdens de fase van groepsverantwoordelijkheid van je stage: (2.4) Stap 4: Uitvoeren Zie stappenplan onderzoekend werken. De wijze waarop je hebt gedifferentieerd kun je mogelijk zichtbaar maken door het lesverloop van enkele goed gekozen lesactiviteiten voor verschillende subgroepen uit te werken. (2.5) Stap 5: Evalueren en conclusies trekken Zie stappenplan onderzoekend werken. In de evaluatie verantwoord je de resultaten op basis van de al beschreven theorie en op basis van dat wat er gebeurd is in de groep. Vragen die je kunnen helpen zijn: - Welke doelen zijn behaald? Geldt dat voor alle leerlingen? - Is het gelukt om gedifferentieerd onderwijzen te organiseren? - Had je je clustering goed gekozen? - Waren je werkvormen adequaat gekozen? 18

Beroepsopdracht 3: onderwijs ontwerpen in je groep Relatie opleidingsprofiel: met name kerntaak 2 (professioneel voorbereiden en evalueren van onderwijsactiviteiten) en kerntaak 3 (professioneel uitvoeren van onderwijsactiviteiten en volgen en begeleiden van kinderen). AFST1: Stappen die je zet tijdens de oriëntatiefase van je stage: (3.1) Stap 1: Vraag formuleren Tijdens de fase van groepsverantwoordelijkheid kun je je onderwijs steeds meer vormgeven zoals jij dat wilt, vanuit je eigen visie erop. Van de startbekwame leraar wordt verwacht dat hij onderwijs kan realiseren dat aansluit bij actuele, maatschappelijke ontwikkelingen. In deze opdracht gaat het om ontwerpen van onderwijs. Je gaat nieuw onderwijs maken. Denk na over wat jij belangrijk vindt en hoe je dat in jouw ontwerp kunt integreren. Het is de bedoeling dat je in je ontwerp minstens één vak/vormingsgebied betrekt, anders dan het/de in beroepsopdracht 2 gekozen vakgebied(en). Voorbeelden: je ontwerpt een reeks lessen om te werken aan een thema of project, voert coöperatief leren in, maakt werk van onderzoekend en ontwerpend onderwijs, zet expliciet ICT in, realiseert een samenhangend aanbod van meerdere vakken (vakkenintegratie), de integratie van 21st century skills in je onderwijsaanbod. Verdiep je in thema s of projecten die gepland staan en waar je mogelijk bij kunt aansluiten. Overleg (bijv. met je praktijkopleider, collega s van parallelgroepen, bouwcoördinator, vakcoördinator etc.) aan welke voorwaarden moet worden voldaan en welke vrijheid je in het ontwerp hebt (loslaten van de methode? Opzetten van een projectweek? Museumbezoek? Een Lagerhuisdebat organiseren? Een spellenmiddag? De wijk in? etc.). Bij welke concepten wil je aansluiten (bijv. coöperatief leren)? Welke visie heb je op (het) gekozen vakgebied(en)? Wat betekent het voor jou dat je onderwijs gaat maken dat aansluit bij actuele, maatschappelijke ontwikkelingen? Gebruik bronnen voor de explicitering en verantwoording hiervan. In deze eerste stap denk je na over je ontwerpcriteria en verdiep je je daar theoretisch in. Op HUbl vind je bronnen en suggesties voor verschillende thema s en vakgebieden. Motiveer waarom dit ontwerp zinvol is binnen jouw groep. Vervolgens formuleer je een concrete afgebakende vraag vanuit je ontwerpcriteria. Je neemt theoretische begrippen (die gebaseerd zijn op relevante bronnen) op in je vraagstelling. N.B. Mogelijk geeft jouw professionele identiteit richting aan jouw vraagstelling? Heb je wellicht leerdoelen opgesteld die van belang zijn om mee te nemen in de vraagstelling? (3.2) Stap 2: Verkennen Je verkent (vanuit verschillende perspectieven) je praktijksituatie. Je gebruikt de theorie uit stap 1 om gericht te observeren of om relevante vragen te stellen. Tijdens deze verkenning maak je gebruik van instrumenten. Je kunt bijvoorbeeld denken aan observaties en vragenlijsten of gesprekken met je praktijkopleider en leerlingen (interview). Ga na wat de leerlingen motiveert of waarmee hun nieuwsgierigheid kan worden geprikkeld. Ook kun je bijvoorbeeld in kaart brengen in hoeverre de beginsituatie voor jouw ontwerp (die in de theorie wordt beschreven, zie stap 1) in je groep aanwezig is. Beschrijf voor je ontwerp de huidige situatie en de door jou gewenste situatie. Maak hierin keuzes. Je hebt maar een beperkte periode waarin je je ontwerp kunt realiseren. Zorg dus voor een afbakening en leg uit waarom je deze keuze(s) maakt. (3.3) Stap 3: Ontwikkelen en plannen Werk je ontwerp uit en maak een planning voor het inzetten ervan (wanneer ga je wat doen?). Gebruik voor de keuzes die je maakt bronnen, bijvoorbeeld over activerende werkvormen of effectieve aanpakken. Motiveer waarom je dit zó wilt doen, en waarom deze aanpakken aansluiten bij de huidige situatie en gericht zijn op de gewenste situatie. Bespreek je ontwerp met je praktijkopleider. 19

Je geeft tevens aan hoe je de voortgang gaat bijhouden, welke gegevens je wilt verzamelen en hoe je je eigen handelen gaat volgen. Motiveer welke instrumenten (bijvoorbeeld toetsen, observaties, etc.) je inzet om gegevens te verzamelen. AFST2: Stappen die je zet tijdens de fase van groepsverantwoordelijkheid van je stage: (3.4) Stap 4: Uitvoeren Zie stappenplan onderzoekend werken. In de fase van groepsverantwoordelijkheid ga je actief aan de slag met het door jou gemaakte onderwijsontwerp. De wijze waarop je dit aanbod vormgeeft (de uitvoering en het verloop daarvan, eventuele bijstellingen) wordt zo feitelijk mogelijk zichtbaar in bijvoorbeeld dag- en weekplanningen. Je kunt hiervoor bijvoorbeeld observaties gebruiken of je gaat in gesprek met de leerlingen. (3.5) Stap 5: Evalueren en conclusies trekken Zie stappenplan onderzoekend werken. Ga in ieder geval na of het is gelukt om je ontwerpcriteria te vertalen naar een ontwerp. 20

Beroepsopdracht 4: samenwerken met ouders Relatie opleidingsprofiel: met name kerntaak 4 (communiceren en samenwerken met collega s en anderen). AFST1: Stappen die je zet tijdens de oriëntatiefase van je stage: (4.1) Stap 1: Vraag formuleren In je afstudeerstage word jij het aanspreekpunt voor ouders waar het gaat om de ontwikkeling van de kinderen in jouw klas en het onderwijs dat jij geeft. Deze opdracht gaat over het professioneel samenwerken met ouders om het onderwijs voor de kinderen te optimaliseren. Een goede samenwerking tussen ouders en school bevordert de ontwikkeling van het kind (Oostdam & de Vries 2014). Als leraar voer je geplande en ongeplande gesprekken met ouders en collega s. Je werkt samen aan een veilig pedagogisch klimaat, voert afstemmingsgesprekken met ouders en werkt met ze samen aan de ontwikkeling van hun kind. In deze eerste stap verdiep je je in bronnen over bijvoorbeeld samenwerken met ouders, ouderbetrokkenheid, gesprekstechnieken, communicatiemiddelen etc. Vervolgens stel je vast, wat jij belangrijk vindt en wat je te leren hebt in de samenwerking met ouders. Hoe zou je deze samenwerking vorm willen geven? Formuleer voor jezelf een uitdaging. Gebruik theorie om deze uitdaging in een concrete afgebakende vraag te formuleren, waarin theoretische begrippen opneemt. N.B. Mogelijk geeft jouw professionele identiteit richting aan jouw vraagstelling? Heb je wellicht leerdoelen opgesteld die van belang zijn om mee te nemen in de vraagstelling? (4.2) Stap 2: Verkennen Vanuit de theorie die je rondom je vraag hebt bestudeerd, verken je in deze stap de huidige situatie. Je kijkt bijvoorbeeld vanuit verschillende perspectieven naar de wijze waarop jouw school samenwerkt met ouders (ouderbetrokkenheid) en welke initiatieven er ingezet worden om de ouderbetrokkenheid te verhogen en de samenwerking te versterken. Tijdens de verkenning maak je gebruik van instrumenten. Je kunt denken aan observaties en een vragengesprek (interview) met teamleden en ouders. Daarnaast breng je je eigen vaardigheden en houding in het samenwerken met ouders in kaart. Je kijkt naar jouw eigen ontwikkeling in de samenwerking met ouders. Op welke manier communiceer jij met ouders? Hoe werk jij met hen samen? Vervolgens formuleer je wat jouw gewenste situatie is in het samenwerken met ouders. Hou realistisch voor ogen wat je in de beperkte periode van groepsverantwoordelijkheid kan bereiken en welke oudercontacten er spelen of mogelijk zijn in deze periode. (4.3) Stap 3: Ontwikkelen en plannen In deze stap maak je een plan van aanpak (wat ga je hoe en wanneer doen?) om je vraag te beantwoorden. Het plan is haalbaar en gebaseerd op inzichten die je hebt opgedaan in de voorgaande stappen. Je plan bespreek je met je praktijkopleider. Je beschrijft hoe je de voortgang gaat bijhouden, je eigen handelen gaat volgen en welke instrumenten (bijvoorbeeld vragenlijsten en observaties) je daarvoor inzet. De volgende vragen kunnen daarbij helpen: Hoe wil je jouw samenwerking met ouders evalueren? Welke instrumenten zet je daarvoor in? Aan wie vraag je feedback en waarop dan specifiek? Hoe ga je je handelen evalueren? 21

AFST2: Stappen die je zet tijdens de fase van groepsverantwoordelijkheid van je stage: (4.4) Stap 4: Uitvoeren Zie stappenplan onderzoekend werken. Zet om gegevens te verkrijgen bijvoorbeeld een vragenlijst voor de ouders in of een observatie-instrument dat jouw praktijkopleider tijdens de contacten met ouders invult. (4.5) Stap 5: Evalueren en conclusies trekken Zie stappenplan onderzoekend werken. 22

5. De finish: het eindassessment In je eindassessment maak je je ontwikkeling tot startbekwame leraar zichtbaar ( waar sta je in je ontwikkeling? ) en laat je zien wie jij bent als persoon en professional ( waar sta jij voor en waar ga jij voor? ). Dit mondt uit in een beschrijving van en reflectie op je professionele ontwikkeling en professionele identiteit. Eerder heb je hier al een start mee gemaakt; dit staat beschreven in hoofdstuk 3. Tijdens wekelijkse bijeenkomsten op de opleiding wordt gericht gewerkt aan deze onderdelen en krijg je input. Voorwaarden voor deelname Het eindassessment is de eindtoets van de opleiding. Alle overige onderdelen van de studie (dus inclusief de landelijke kennisbasistoetsen, minor etc.) moeten behaald zijn op het moment dat je eindassessment doet. Het AFST2-verslag onderzoekend werken stap 4 en 5 moet ingeleverd zijn, maar deze hoeft nog niet beoordeeld te zijn. Kijk voor de planning afronding AFST2 op HUbl. Vanzelfsprekend is ook de praktijkbeoordeling van de afstudeerstage met een voldoende afgerond. Wordt aan één van de voorwaarden niet voldaan, dan kun je niet deelnemen aan het eindassessment. Een bewijs van behaalde studiepunten stuur je vooraf in naar de assessoren. Opbouw Het eindassessment bestaat uit drie onderdelen, die alle drie bijdragen aan de beoordeling: 1. verslaglegging (die je voorafgaande aan je assessment instuurt) 2. een (korte) presentatie (van max. 10 minuten) en aansluitend: 3. een criteriumgericht interview (gesprek van max. 35 minuten met 2 assessoren). De presentatie en het criteriumgericht interview vinden plaats op de opleiding, als één moment geroosterd. Elk van de onderdelen wordt in dit hoofdstuk toegelicht. 5.1 Verslaglegging De verslaglegging stel je op voorafgaande aan het eindassessment. Een format voor de inhoudsopgave inclusief de voorwaardelijke documenten vind je op HUbl. Je stuurt je werk in aan twee assessoren. De namen van de aan jou toebedeelde assessoren krijg je te horen via het assessmentbureau. Je levert je werk in via OnStage. Geef het bestand de naam: 1819 AFST2 eindassessment Voornaam Achternaam Voor een eventuele herkansing lever je het gehele verslag opnieuw in via OnStage. Geef het bestand de naam: 1819 AFST2 eindassessment herkansing Voornaam Achternaam Verslag professionele ontwikkeling en professionele identiteit Voorafgaande aan de fase van groepsverantwoordelijkheid heb je het verslag professionele ontwikkeling en professionele identiteit opgesteld. Dit is hoofdstuk 0. De start van je verslaglegging. Voor je eindassessment evalueer en reflecteer je op je professioneel ontwikkelingsplan en professionele identiteit. Dit beschrijf je in hoofdstuk 5. De finish van je verslaglegging. De assessoren beoordelen hoofdstuk 0 én hoofdstuk 5. Specifieke aandachtspunten bij het opstellen van hoofdstuk 5: A Professionele ontwikkeling (maximaal 2000 woorden) In dit onderdeel van je verslag beschrijf je waar je staat in je ontwikkeling. Terugblikken op je handelen doe je door een evaluatie van je vooraf opgestelde POP-leerdoelen. Je beschrijft waarin je sterktezwakte-analyse is gewijzigd door leerervaringen in je afstudeerstage. Gebruik daarbij beide Scorionrapportages en je recente praktijkbeoordeling(en). 23

Hulpvragen daarbij zijn bijvoorbeeld: Hoe heb jij je gedurende je afstudeerstage ontwikkeld tot de professional die je nu bent? Kun je voorbeelden geven waaruit jouw startbekwaamheid blijkt? Aan welke leerdoelen heb je gewerkt, hoe en met welk resultaat? Waar liggen nu voor jou ontwikkelpunten? (professionele ontwikkeling, wat?) Hoe heb je je eigen handelen onderzocht en bijgesteld? Welke middelen heb je ingezet om je leerdoelen te behalen? Welke bronnen zijn verdiepend geweest voor jouw handelen in de onderwijspraktijk? Welke ondersteuningsbehoeften heb je voor de nabije toekomst? (professionele ontwikkeling, hoe?) Hoe heb je samengewerkt en hoe heb je in je leerproces anderen ingezet? Hoe heb je feedback gebruikt om je handelen te verbeteren? (professionele ontwikkeling, met wie?) Hoe heb je jouw professionele identiteit zichtbaar kunnen maken in jouw afstudeerstage? Wat zijn je talenten en onderscheidende kwaliteiten waarop je ingezet bent? Welke onderdelen uit je professionele identiteit zou je verder in praktijk willen brengen? (professionele identiteit: koppeling aan eigen handelen) B Professionele identiteit (maximaal 1500 woorden) Je beschrijft wat je zichtbaar hebt kunnen maken van jouw professionele identiteit in de onderwijspraktijk; geef hiervoor concrete voorbeelden. Het kan ook zijn dat je naar sommige onderdelen van jouw professionele identiteit anders bent gaan kijken. Beschrijf deze wijzigingen en reflecteer op betekenisvolle leerervaringen die daarin bepalend zijn geweest ( hoe komt dit? ). Je gaat tijdens het eindassessment in gesprek met je assessoren. Dit kun je zien als een dialoog over jouw professionele identiteit. In de presentatie (zie hieronder) die je maakt voor je eindassessment laat je zien hoe jij kijkt naar jouw professionele identiteit als leerkracht. In het criteriumgericht interview ga je samen dieper in op wat jouw drijfveren zijn, waar jij door geïnspireerd bent en hoe dat in je handelen zichtbaar is. Hulpvragen zijn bijvoorbeeld: Hoe is jouw normatieve professionaliteit tot uiting gekomen in je stage? Waar ben je anders naar gaan kijken? Welke ervaringen uit je stage hebben je normatieve professionaliteit verdiept of veranderd? Waar ben je anders naar gaan kijken? (professionele identiteit: normatieve professionaliteit) Kun je concrete voorbeelden geven van hoe jij handelt als reflective practitioner? Wat zijn concrete voorbeelden uit je stage waaruit blijkt dat je passend onderwijs vormgeeft? Hoe heb je actuele maatschappelijke ontwikkelingen een plek gegeven in je stage? (professionele identiteit: beroepsprofiel) Welke talenten, kwaliteiten en interesses heb je een plek kunnen geven in je afstudeerstage? Welke concrete stage-ervaringen of situaties maken jou een unieke leerkracht? Welke rollen zou je kunnen of willen bekleden in een team? Wat onderscheidt jou van andere startbekwame leraren? (professionele identiteit: eigen profilering) Hoe is jouw visie op onderwijs tot uiting gekomen in je stage? In hoeverre is je visie in die stage verder gevormd? Welke bronnen hebben betekenis gehad in je stage? (professionele identiteit: visie op onderwijs) 5.2 Presentatie Je geeft een presentatie (van maximaal 10 minuten) over je professionele ontwikkeling en je professionele identiteit als leerkracht. Hier heb je de mogelijkheid om onderdelen die niet in je verslaglegging aan bod komen te laten zien. Je bent vrij in de vorm van de presentatie. Je kunt eventueel videomateriaal inzetten ter illustratie van jouw professionele ontwikkeling en professionele identiteit. Tijdens begeleidingsmomenten op de opleiding krijg je hier verdere input op. Na 10 minuten zullen de assessoren overgaan naar het volgende onderdeel. Na de presentatie zullen de assessoren je vragen de ruimte even te verlaten, zodat ze kunnen overleggen welke vragen ze in het criteriumgericht interview (CGI) aan de orde willen laten komen. 24

5.3 Criteriumgericht interview (CGI) Na je presentatie vindt het eindgesprek plaats in de vorm van een criteriumgericht interview (CGI). Het CGI is bedoeld om verdiepende vragen te stellen. Het biedt de assessoren de mogelijkheid om navraag te doen naar onderdelen waarover ze nog niet voldoende informatie hebben verkregen bij het lezen van je verslaglegging en het bekijken van de presentatie. Ook zullen ze aanvullende vragen stellen om te kunnen bepalen welke beoordeling het meest passend is. - Het CGI duurt maximaal 35 minuten. - Zorg dat je je goed voorbereidt op mogelijke vragen (zie bijlage 4 Eindassessment: voorbeeldvragen CGI) en maak voor jezelf helder welke aanvullende informatie jij zeker aan bod wilt laten komen. - Het kan gebeuren dat je bij het beantwoorden van een vraag wordt onderbroken en van gespreksonderwerp wordt gewisseld, bijvoorbeeld als de assessoren al voldoende informatie over een bepaald onderwerp van je hebben ontvangen. - Tijdens je presentatie en het CGI maken de assessoren aantekeningen. - Aan het eind van het CGI krijg je kort de gelegenheid om eventueel aanvullende antwoorden te geven. - De assessoren zullen je na het CGI verzoeken de ruimte te verlaten om de beoordeling op te stellen. Tijdsverloop eindassessment met aandachtspunten: Aanvangstijdstip Duur 0:00 0:10 10 VOORSTELLEN EN VOORBEREIDING RUIMTE Instituutsassessor heet praktijkassessor en student welkom. Student krijgt toegang tot de gespreksruimte om presentatie klaar te zetten. Apparatuur (beeld, geluid) wordt op functioneren getest. Beide assessoren installeren hun materialen en bepalen tafelschikking. Procedure en tijdpad worden kort toegelicht. 0:10 0:20 10 PRESENTATIE Student presenteert in maximaal 10 minuten. 0:20 0:35 15 BEOORDELING EN AFSTEMMING Student trekt zich terug. Assessoren stemmen onderling vragen voor het CGI af 0:35 1:10 35 CGI Het CGI duurt maximaal 35 minuten. 1:10 1:30 20 BEOORDELING EN AFSTEMMING Student trekt zich terug. Assessoren maken individueel aantekeningen, wisselen deze uit en vullen samen het beoordelingsformulier in. Het eindcijfer wordt in gezamenlijk overleg bepaald volgens het aantal behaalde punten (zie cesuur voorpagina). 1:30 1:40 10 TOELICHTING BEOORDELING De beoordeling wordt aan de student toegelicht. De student plaatst zijn handtekening voor gezien. 1:40 - AFSLUITING ( na afloop) Instituutsassessor doet administratieve afhandeling 25

5.4 Beoordeling eindassessment De beoordeling vindt plaats door twee assessoren. In de regel gaat het om één instituutsassessor (vanuit de opleiding) en één praktijkassessor (vanuit het werkveld). Beide gecertificeerde assessoren hebben een gelijk gewicht in de beoordeling. De twee assessoren hanteren het beoordelingsformulier zoals je kunt vinden op de toetssite. Na je presentatie en het CGI zullen de assessoren je vragen de ruimte te verlaten en vullen ze het beoordelingsformulier in, op basis van (gestandaardiseerde) aantekenformulieren die ze hebben ingevuld. Ze komen tot een eindoordeel dat gebaseerd is op je verslaglegging, je presentatie en het criteriumgericht interview. Je krijgt meteen de beoordeling te horen. Deze wordt mondeling toegelicht door de assessoren. Het beoordelingsformulier wordt geplaatst in OnStage. De uitslag wordt door de instituutsassessor genoteerd in Osiris, met de datum van het gesprek als toetsdatum. Aangezien het om het laatste onderdeel van je opleiding gaat, is dat bij een voldoende resultaat dan tevens je afstudeerdatum. In de beoordelingsprocedure is beschreven dat een derde assessor wordt geraadpleegd als de twee assessoren niet tot een eensluidend oordeel komen. 5.5 Organisatie, tijdpad en betrokkenen Waar moet je aan denken en wat moet je regelen voor het assessmentgesprek? Schrijf je in voor de juiste periode waarin jij eindassessment wilt doen. De data worden door de coördinator afstudeerfase gecommuniceerd. Nadat de indeling rond is ontvang je de datum, tijdstip en locatie van je eindassessment en de namen van de assessoren. Je moet je verslaglegging via OnStage aan beide assessoren insturen. Instructies daarvoor ontvang je in de indelingsmail. De exacte tijden waarop het assessment plaatsvindt en wanneer je je verslaglegging via OnStage moet insturen worden door de afdeling onderwijsorganisatie/assessmentbureau bekend gemaakt. Check je verslag vóórdat je het verstuurt nog een keer op volledigheid, taalgebruik en kwaliteit. Je kunt hiervoor o.a. het beoordelingsformulier en rubric hanteren. Verdere informatie vind je op de pagina Afstuderen op HUbl. Neem voor vragen contact op met je SLB er. Veel succes gewenst! Team afstuderen HU Pabo studiejaar 2018-2019 26

6. Bijlagen Bijlage 1: Koppelkaart Bijlage 2: Feedbackformulier praktijkopleider Bijlage 3: Feedbackformulier studieloopbaanbegeleider Bijlage 4: Eindassessment voorbeeldvragen CGI 27

Bijlage 1: Koppelkaart Start je reflectie vanuit praktijkervaring, gebeurtenis, incident A. Opdoen van een concrete ervaring Beschrijf je concrete ervaring die je als onderwerp voor het gesprek wilt aandragen. Wat deed je tijdens de les? Wat deden de leerlingen tijdens de les? Wat wilde je? Wat wilden de leerlingen? Wat gebeurde er, wat zag je? Wat voelde je? B. Reflecteren over gedane ervaringen Had je deze ervaring gepland/verwacht/voorbereid? Wat wilde je bereiken met je handelen? Heb je dat doel wel of niet bereikt? In welk opzicht wel of niet? Waar lag dat aan? C. Plaatsen in theoretisch kader en conclusies trekken Over welke kern- en deeltaken hebben we het? Welke theorie die je kent kan je oplossingen aangeven? Waarover wil je (aanvullend) iets opzoeken in de theorie? Welke conclusies voor je eigen handelen trek je vanuit de theorie? Wat kun je toepassen? Wat heb je al toegepast? Welke verbeteracties kies je? Waarom? D. Conclusies omzetten in leerdoel, plan voor handelen Hoe ga je handelen in een nieuwe of soortgelijke situatie? Wat is het leerdoel voor de volgende keer? Welke kern- en deeltaken benoem je? Welke theorie ga je inzetten? Welke keuze maak je? Wat wil je bereiken? Welke concrete activiteiten plan je? Start je reflectie vanuit van te voren opgesteld leerdoel A. Terugkomfase Welke afspraak is er in het vorige gesprek gemaakt met betrekking tot je leerdoelen? Welke theorie heb je ingezet? Waarom? Hoe heb je de theorie omgezet naar een concrete activiteit? Welke competentie ontwikkel je? B. Verduidelijkingsfase Hoe is het in de praktijksituatie gegaan? Wat deed je? Wat deden de leerlingen? Wat liep volgens verwachting? Wat niet? Hoe kwam dat? Welke ervaring was positief? Heb je de theorie als beschreven toegepast? C. Aandachtspuntenfase Welke leerdoelen heb je bereikt? Welke leerdoelen verdienen (meer) aandacht? Welke verbeterpunten zijn er? Welke doorontwikkelpunten zijn er? D. Alternatievenfase Welke theorie ondersteunt het verbeteren of doorontwikkelen van je aandachtspunten? Hoe kun je die theorie inzetten? Welk alternatief voor je handelen kun je vinden m.b.v. de theorie? Welke keuze maak je? Waarom? E. Afsprakenfase Hoe ga je het behaalde leerdoel opnemen in je verslaglegging? Hoe en naar welke theorie verwijs je dan? Wat plan je voor het vervolg? Sluit dan aan bij leerdoelen van je POP? Hoe ga je leerdoel en bijbehorende theorie koppelen aan een activiteit? Bron: Weekenstroo (2010) 28

Bijlage 2 Feedbackformulier Praktijkopleider Feedback op Planning en verantwoording afstudeerstage Studentnaam: Stageschool: Datum: Klas: Naam praktijkopleider: In te vullen door de Praktijkopleider: Beroepsopdracht 1 Feedback: Stagegroep: Handtekening praktijkopleider: Beroepsopdracht 2 Feedback: Beroepsopdracht 3 Feedback: Beroepsopdracht 4 Feedback: 29

Bijlage 3: Feedbackformulier Studieloopbaanbegeleider Feedback op professionele identiteit en professionele ontwikkeling Studentnaam: Stageschool: Datum: Klas: Stagegroep: Naam slb er: Handtekening slb er: Eigen aantekeningen student naar aanleiding van feedbackbijeenkomst (peerfeedback) Onderdeel 1: Professionele ontwikkeling: wat? Beschrijf je waar je staat ten opzichte van de startbekwaamheidseisen? Heb je passende leerdoelen opgesteld? Feedback: Onderdeel 2: Professionele ontwikkeling: hoe? Benoem je welke middelen je kunt inzetten om je leerdoelen te behalen? Heb je helder welke bronnen je kunt bekijken voor verdieping? Feedback: Onderdeel 3: Professionele ontwikkeling: met wie? Zet je anderen in in je leerproces? Maak je gebruik van feedback? Feedback: Onderdeel 4: Professionele identiteit: normatieve professionaliteit Expliciteer je hoe je jouw rol als leerkracht ziet? Waar wil je je nog in verdiepen? Feedback: 30

Onderdeel 5: Professionele identiteit: beroepsprofiel Beschrijf je waar je staat ten opzichte van het beroepsprofiel? Heb je helder waar je je nog in wilt ontwikkelen? Feedback: Onderdeel 6: Professionele identiteit: eigen profilering Beschrijf je welke talenten, kwaliteiten en interesses je in wil zetten? Heb je helder waar je meer aandacht aan wil geven? Feedback: Onderdeel 7: Professionele identiteit: visie op onderwijs, koppeling aan theorie Hoe sta jij ten opzichte van jouw stageschool wat betreft je visie? Wat zijn aandachtspunten en mogelijke uitdagingen de komende periode? Feedback: Onderdeel 8: Professionele identiteit: koppeling aan eigen handelen (professionele ontwikkeling) Hoe hangt jouw professionele identiteit samen met jouw professionele ontwikkeling? Heb je helder waar je mogelijke aandachtspunten en uitdagingen liggen in de komende periode? Feedback: 31

Bijlage 4 Eindassessment: voorbeeldvragen voor criteriumgericht interview(cgi) HU Pabo Methode Onderdeel Start De STARR-methodiek wordt als leidraad gebruikt bij het criteriumgericht interview - Waar ben je het meest trots op in je afstudeerstage? - Wat heb je met het meeste plezier gedaan? - Waarin ben je het meest gegroeid in je afstudeerstage? - Wat heb je dit jaar geleerd? Vragen en opmerkingen De start is bedoeld om de student in zijn kracht te zetten en voor een ontspannen begin te zorgen. Wijs de student er op dat er aan het eind kort de gelegenheid is om nog zaken toe te lichten of aan te vullen. Licht eens toe, hoe bedoel je of leg uit of laat eens zien. Professionele ontwikkeling - Hoe heb je je eigen handelen vergeleken met de startbekwaamheidseisen? - Hoe zie jij jezelf nu als startbekwame leerkracht? Waaruit blijken jouw kwaliteiten? Waar zie je nog aandachtspunten of uitdagingen? - Wat zijn jouw ondersteuningsbehoeften voor de nabije toekomst? Waar komen die uit voort? - Hoe heb je jouw professionele ontwikkeling gestuurd, proces bijgehouden en geëvalueerd? Welke bronnen hebben je verder geholpen of geïnspireerd? Welke middelen zijn behulpzaam geweest? - Hoe heb je anderen ingezet in je leerproces? Hoe maak je gebruik van feedback? Hoe ga je om met kritiek of tegenslag? Kun je een voorbeeld geven? - We hebben gelezen/gezien in je presentatie/gehoord bij de start van het CGI dat je Hoe heb je dit geleerd? Hoe heb je het aangepakt? Welke lessen/theorieën waren hierbij voor jou een inspiratiebron? - Welke vakdidactische kennis en pedagogische theorieën hebben je verder gebracht? Benoem een voorbeeld uit je afstudeerstage. - Als je je stage nog een keer mocht doen, wat zou je anders gedaan hebben? Wat zou je daar dan nu willen leren? Waarom juist dat? - Welke uitdagingen heb je gekregen en hoe ben je daar mee omgegaan? Het werken aan de beroepsopdrachten en het werken aan de eigen leerdoelen (POP) heeft de student veel leerervaringen opgeleverd. Voor het beoordelen van de professionele ontwikkeling kan hieruit geput worden. Denk aan specifieke vragen als: - Omgang met collega s was voor jou een leerdoel. Heb je ervaring met collega s waarbij de samenwerking minder vanzelf verloopt/is verlopen? Welke vervolgacties voor de nabije toekomst levert dit voor jou op? Het gaat ook om de wisselwerking tussen professionele ontwikkeling en professionele identiteit. Denk aan vragen als: - We hebben gelezen dat jij ouderbetrokkenheid belangrijk vindt. Hoe zien we jouw visie op ouderbetrokkenheid terug in je handelen? Welke vervolgacties voor de nabije toekomst levert dit voor jou op? 32

Professionele identiteit - Wat voor leerkracht ben jij? Welke waarden, idealen, overtuigingen en drijfveren spelen voor jou een rol? Hoe zijn die zichtbaar in jouw dagelijks handelen? Hoe zou je die verder aan bod willen laten komen of er verdieping in willen zoeken? - Wat versta jij onder passend onderwijs? Welke rol zie jij voor ouders weggelegd? Hoe ziet dat eruit in jouw dagelijkse praktijk? - Wat betekent het aansluiten bij actuele maatschappelijke ontwikkelingen (uit het beroepsprofiel) voor jou? Welke rol zie jij voor jezelf weggelegd? - Welke kwaliteiten, talenten en interesses laat je in een sollicitatiegesprek naar voren komen? Waarom deze? Heb je voorbeelden waaruit deze blijken? - Waarom zou een school jou moeten aannemen? Wat onderscheidt jou van anderen? - Welke bronnen inspireren jou en hebben je kijk op onderwijs veranderd of verstevigd? Wat heeft dit betekend voor je handelen in de praktijk? - Hoe ziet de ideale school waar je nu zou willen solliciteren eruit? Welke ervaringen kleuren deze keuze? Aan het begin van de afstudeerstage heeft de student de eigen professionele identiteit beschreven. De afstudeerstage heeft de student veel leerervaringen opgeleverd. Voor het beoordelen van de professionele identiteit kan hieruit geput worden. Denk aan specifieke vragen als: - Welke ervaringen uit je afstudeerstage hebben je professionele identiteit verdiept of veranderd? Waar ben je anders naar gaan kijken? - In je professionele identiteit geef je aan dat je wil inspelen op verschillende talenten in de groep. Hoe heb je daar concreet vorm aan gegeven? Ben je daar voldoende in geslaagd? Waar zit nog een uitdaging of groeimogelijkheid voor jou? Afronding - Wil je nog iets zeggen dat nog niet aan bod is gekomen? - Wil je nog een toelichting geven op iets wat je nog niet goed uit de verf is gekomen in het gesprek? - Is er nog iets dat je graag toe wilt lichten? Check of de student voldoende duidelijk heeft kunnen maken waar hij op bevraagd is. 33