Werkproces 1.2 Biedt persoonlijke zorg en begeleiding in het verpleegkundig proces Levenseindebegeleiding ~Beroepsopdracht 22~ BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 1 van 15 Opdracht 22 : levenseindebegeleiding
Inleiding en leerdoelen Levenseindebegeleiding Het begeleiden van een zorgvrager in de fase rondom het overlijden is een van de onderdelen van het verpleegkundig beroep wat erg tot de verbeelding spreekt. Waar de ene verpleegkundige juist uit het leveren van deze zorg enorm veel voldoening haalt, is het zorgen voor mensen rondom het overlijden voor anderen een emotionele en confronterende taak. Het zorgen voor zorgvragers en hun naasten rondom het overlijden is in ieder geval een taak die inlevingsvermogen, goede sociale vaardigheden en de mogelijkheid tot scheiden van werk en privé vraagt van de verpleegkundige. In onderstaand tabel vind je de doelen die je tijdens de uitvoering van deze opdracht moet behalen. Levenseindebegeleiding De student: Legt uit wat het verschil is tussen de curatieve, palliatieve en terminale fase Legt uit wanneer er wordt gesproken van abstineren en terminale sedatie Legt uit welke aspecten van belang zijn in de behandeling van een zorgvrager in de palliatieve fase ( kwaliteit van leven e.a.) Legt uit hoe het NR beleid binnen de RdGG vorm krijgt en welke rol de verpleegkundige op de afdeling speelt rondom het vaststellen en uitvoeren van dit beleid Benoemt hoe de wetgeving rondom euthanasie is opgesteld, hoe het beleid binnen de RdGG is opgesteld en welke rol de verpleegkundige hierbij heeft Kan een eigen mening verwoorden ten aanzien van terminale sedatie en actieve levensbeëindiging en verwoordt welke rol hij zelf zou kunnen/ willen vervullen Legt uit hoe het donorprotocol in de RdGG uitvoering krijgt, welke disciplines hierbij betrokken zijn en welke rol de verpleegkundige heeft Legt uit wat copinggedrag is en hoe dit herkend kan worden bij zorgvragers Woont een slecht-nieuwsgeprek bij en vangt de zorgvrager op tijdens en na het gesprek Bespreekt de specifieke verpleegkundige zorg (ADL, pijn, dyspneu, complementaire zorg) met de zorgvrager in de palliatieve fase, noteert gemaakte afspraken in het verpleegkundig dossier en voert de zorg uit Begeleidt de zorgvrager en diens naasten in de palliatieve fase, handelt hierbij ethisch en integer en houdt de wensen voortkomend uit sociale en culturele achtergrond in acht. Begeleidt de zorgvrager en diens naasten bij verliesverwerking en rouw en past hierbij communicatieve en sociale vaardigheden toe Werkt in de palliatieve fase van de zorgvrager samen met andere disciplines en draagt zorg voor coördinatie en continuïteit in dit proces Begeleidt de zorgvrager en diens naasten tijdens het stervensproces Verleent, in overleg met de naasten, de laatste zorg aan de overledene Draagt volgens protocol zorg voor de verpleegkundige administratieve afwikkeling na het overlijden van de zorgvrager Bespreekt verliesverwerking met zorgvragers Verwoordt de eigen gevoelens rondom verliesverwerking en reflecteert op het eigen handelen Benoemt welke instanties kunnen worden benaderd door zorgvragers in de palliatieve/ terminale fase en hun naasten BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 2 van 15
Competenties E F J R V samenwerken en overleggen ethisch en integer handelen formuleren en rapporteren op de behoeften en verwachtingen van de klant richten met druk en tegenslag omgaan BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 3 van 15
Opdracht met een beschrijving van de context waarin de opdracht plaatsvindt Tijdens deze opdacht zul je leren hoe je zorg kunt leveren aan een specifieke categorie patiënten binnen het ziekenhuis. Deze opdracht richt zich op de zorgvragers die palliatieve behandeling nodig hebben en zorgvragers die in het ziekenhuis zullen overlijden. Zorgvragers kunnen door verschillende oorzaken overlijden in het ziekenhuis. De praktijkopdrachten richten zich dan ook op alle zorgvragers die, door verschillende oorzaken, palliatieve zorg nodig hebben en/ of komen te overlijden. Tijdens de ondersteunende opdrachten in de theorie zal meer de nadruk gelegd worden op de oncologische zorgvrager en de verpleegkundige zorg die hiermee gepaard kan gaan. Complexiteit: De student zal de opdracht uitvoeren bij zorgvragers met een gemiddelde (tot hoge) complexiteit. De student kan de eindverantwoordelijkheid voor de totale verzorging van de zorgvrager voor zijn rekening nemen. De door de student geplande en uitgevoerde interventies vallen binnen grenzen van de fase van de opleiding. Verantwoordelijkheid: De student zal zorgvragers voor de opdracht kiezen waarbij hij zelf de verantwoordelijkheid kan nemen voor de uitvoering van de totale verzorging. Transfer: De student kan de levenseindebegeleiding toepassen bij zorgvragers met verschillende levensfasen, achtergronden en opname- indicaties. De opdracht: 1. Kies een zorgvrager op de afdeling bij wie je palliatieve zorg kunt leveren 1. Stel een verpleegplan op met en voor deze zorgvrager. In het verpleegplan dient specifiek aandacht te zijn voor de begeleiding van de zorgvrager. Ook dient de multidisciplinaire zorg specifiek in het verpleegplan betrokken te worden. Beschrijf in het verpleegplan: o De gegevens van de zorgvrager ondergebracht in de patronen van Gordon o 2 verpleegkundige diagnosen volgens de PES o 2 verpleegkundige doelen die voldoen aan de RUMBA-criteria o Per verpleegkundige diagnose 5 interventies met hierbij een motivatie voor de keuze van deze interventies Voer het verpleegplan gedurende 2 a 3 dagen uit Evalueer (indien mogelijk) de gegeven zorg met de zorgvrager of met de naasten Evalueer de uitvoering van het verpleegplan met je werkbegeleider. De werkbegeleider zal de uitvoering van de zorg beoordelen met behulp van de gedragscriteria zorg leveren aan een palliatieve zorgvrager. Om de opdracht te kunnen afronden dienen alle criteria met zichtbaar te zijn beoordeeld. Lever het verpleegplan ter beoordeling in bij je coach 1 Studenten die op de afdeling, waar zij op dit moment stage lopen, geen mogelijkheden hebben om zorg te dragen voor een palliatieve zorgvrager, vragen aan de coach een vervangende opdracht. BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 4 van 15
2. Kies samen met je werkbegeleider een zorgvrager die je kunt begeleiden bij verliesverwerking 2 Bespreek met je werkbegeleider hoe je een (begeleidings-) gesprek met de zorgvrager en zijn naasten begint, hoe je deze vormgeeft en wat het doel van het gesprek is Ga met deze zorgvrager en zijn naasten een (begeleidings-) gesprek aan over verliesverwerking Evalueer het uitgevoerde gesprek met je werkbegeleider Beschrijf in een reflectieverslag hoe je jouw rol tijdens het gesprek hebt vormgegeven en welke leerpunten je voor jezelf hebt meegenomen. De richtlijnen voor het schrijven van een reflectieverslag zijn te vinden in de studiewijzer. Lever het verslag ter beoordeling in bij je coach. 3. Deze opdracht voer je uit wanneer er een zorgvrager op de afdeling gaat overlijden 3. Bespreek met je werkbegeleider wat je tijdens deze opdracht gaat doen en hoe je dit wilt doen. Bespreek: o Hoe je de zorgvrager kunt begeleiden in de laatste fase voor het overlijden (wat zijn de mogelijkheden en beperkingen) o Hoe je de naasten kunt begeleiden in de laatste fase voor het overlijden van de zorgvrager (wat zijn de mogelijkheden en beperkingen) o Welke zorg je levert wanneer de zorgvrager is overleden o Welke formulieren moeten worden ingevuld na het overlijden en door wie dit dient te worden ingevuld Voer de zorg aan de zorgvrager en zijn naasten uit. Evalueer de gegeven zorg met je werkbegeleider. De werkbegeleider zal de uitvoering van zorg beoordelen met behulp van de gedragscriteria het begeleiden tijdens en na het overlijden Om de opdracht te kunnen afronden dienen alle criteria met zichtbaar te zijn beoordeeld. 2 Met verliesverwerking wordt in deze opdracht bijvoorbeeld bedoeld: verlies van gezondheid, het naderend sterven, het verlies van bv een ledemaat) 3 Studenten die op de afdeling, waar zij op dit moment stage lopen, geen zorg rondom het overlijden kunnen uitvoeren, vragen aan de coach een vervangende opdracht. BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 5 van 15
Te behalen resultaat Theorie/ Resultaat Beoordelaar Behaald Praktijk T Presentatie Docent P P P P Ingevulde gedragscriteria zorg leveren aan de palliatieve zorgvrager Of Alternatieve opdracht 1 Verpleegplan palliatieve zorg Of Alternatieve opdracht 1 Reflectieverslag begeleiden bij verliesverwerking Ingevulde gedragscriteria het begeleiden tijdens en na het overlijden Of Alternatieve opdracht 3 Werkbegeleider of Coach Coach Coach Werkbegeleider BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 6 van 15
Oriëntatie met daaruit volgend een PAP (60 min.) Bij elke beroepsopdracht wordt van jou verwacht dat je zelf een plan schrijft hoe je de opdracht in de praktijk wil gaan behalen. In de beroepsopdracht wordt aangegeven wat van jou wordt verwacht om de opdracht af te ronden (de praktijkopdrachten). Ook bieden we opdrachten in de theorie aan die je helpen om de kennis en vaardigheden op te doen om de praktijkopdracht te gaan uitvoeren (ondersteunende opdrachten). Het is nu aan jou om te bepalen hoe je aan de praktijkopdrachten gaat werken zodat je deze kan behalen. Dit doe je door een zogenoemd POP en PAP te schrijven. Dit staat voor Persoonlijk Ontwikkelings Plan en een Persoonlijk Activiteiten Plan. In het onderstaand schema staat aangegeven welke stappen je moet doorlopen om een volledig, concreet en bruikbaar POP en PAP te schrijven. Elk POP en PAP is weer anders. Iedereen heeft immers andere kennis en ervaring opgedaan in het leven, dus het leerproces is bij iedereen anders. Het leren opstellen van een POP en PAP maakt onderdeel uit van het leren plannen van het leerproces en het gestructureerd vormgeven van het leerproces. Ook dit zijn vaardigheden die jij je tijdens de opleiding eigen gaat maken! Bij elke beroepsopdracht dien je de opgestelde POP en PAP bij de coach in te leveren. Pas wanneer het POP en PAP door de coach is goedgekeurd, mag je in de praktijk aan de opdracht gaan werken. 1. Oriëntatie Beschrijf wat nu je praktische ervaring is met het onderwerp van de beroepsopdracht. Beschrijf wat nu je kennis is aangaande het onderwerp van de beroepsopdracht 2. Te behalen resultaat Welk resultaat wil je bereiken met deze beroepsopdracht Uit welk specifiek gedrag blijkt je bekwaamheid bij de uitvoering van je werk op deze afdeling (competenties, SWOT) Welke producten kan je laten zien (zie beroepsopdracht) 3. POP: Waarin wil je jezelf nog ontwikkelen om deze beroepsopdracht te behalen (leervragen) Welke kennis Welke praktijkvaardigheden Welke persoonlijke leerdoelen 4. PAP: Stel acties op bij de leervragen die je in je POP hebt geformuleerd B.v. Ik ga.. B.v. Ik wil.. B.v. Ik doe. B.v. Ik maak.. Gebruik werkwoorden die een actie weergeven 5. Wat heb ik hiervoor nodig: B.v. -begeleiding van de werkbegeleider, mijn SLB-er, mentor. B.v -tijd B.v. -stukjes B.v. -internet/ boeken/films 6. Kortom: Je werkbegeleider moet direct kunnen zien uit je PAP en POP: WAT je al WEET over dit onderwerp WAT je WILT WETEN over dit onderwerp WAT je gaat DOEN aangaande dit onderwerp WAT je hiervoor nodig hebt tijd, stukjes, begeleiding, internet, boeken BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 7 van 15
Gedragscriteria Gedragscriteria Zorg leveren aan de palliatieve zorgvrager Voorbereiding Kiest een zorgvrager die geschikt is voor de opdracht Bespreekt de opdracht voor met de werkbegeleider Vraagt de zorgvrager toestemming voor het uitvoeren van de opdracht Uitvoering Stelt, indien mogelijk, samen met de zorgvrager een verpleegplan op Heeft in het verpleegplan aandacht voor het begeleiden van de zorgvrager Verwerkt de multidisciplinaire zorg in het verpleegplan Verwerkt de specifieke verpleegkundige zorg voor de palliatieve zorgvrager in het verpleegplan Voert het verpleegplan uit zoals opgesteld Toetst met regelmaat of de zorg nog aansluit bij de behoeften van de zorgvrager Houdt wensen voortkomend uit de sociale en culturele achtergrond van de zorgvrager in acht Geeft aandacht aan gevoelens van angst en onzekerheid bij de zorgvrager Observeert emoties zoals onmacht, wanhoop, angst, onzekerheid en hopeloosheid en handelt professioneel Stelt gerichte vragen om inzicht te krijgen in copingstijl en behoefte aan sociale steun Toont belangstelling voor zorgen van naasten Legt afspraken vast in het verpleegkundig dossier Evalueert gemaakte afspraken en de uitgevoerde zorg Terugkijken Evalueert mondeling met de werkbegeleider, op de uitvoering van deze opdracht. Paraaf begeleider Zichtbaar Niet zichtbaar BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 8 van 15
Gedragscriteria * Het begeleiden tijdens en na het overlijden Voorbereiding Kiest een zorgvrager die geschikt is voor de opdracht Bespreekt de opdracht voor met de werkbegeleider Vraagt toestemming voor het uitvoeren van de opdracht aan de zorgvrager of naasten Uitvoering Observeert emoties zoals onmacht, wanhoop, angst, onzekerheid en hopeloosheid en handelt professioneel Stelt gerichte vragen om inzicht te krijgen in copingstijl en behoefte aan sociale steun Toont belangstelling voor zorgen van naasten Formuleert in overleg met de zorgvrager en diens naasten de zorgvraag Zorgt voor een zo aangenaam mogelijke omgeving Vangt naasten op (drinken, eten, evt. slaapmogelijkheden) Indien de zorgvrager pijnklachten aangeeft: o Evalueert met de zorgvrager zijn pijnbeleving mbv een pijnscore o Vraagt aan naasten wat de pijn van de zorgvrager voor de naasten betekent o Inventariseert welke pijnbestrijdingswensen de zorgvrager en diens naasten hebben o Inventariseert welke informatiebehoefte de zorgvrager en diens naasten hebben Indien de zorgvrager angst ervaart: o Luistert wat de zorgvrager zegt mbt angst o Vraagt naar lichamelijke sensaties van angst o Vraagt naar intensiteit, factoren die angst verergeren, factoren die angst verminderen, effect op slaap en activiteit o Observeert fysiologische reacties die kunnen wijzen op angst zoals: hartkloppingen, transpireren, trillen, gevoel te stikken, misselijkheid o Observeert gedragsveranderingen die kunnen wijzen op angst o Stelt vragen om stressoren en copingmechanismen in kaart te brengen o Definieert in overleg met de zorgvrager problemen ten gevolge van angst Indien de zorgvrager mondverzorging nodig heeft: o Inspecteert dagelijks de mond o Informeert de zorgvrager omtrent het melden van klachten en beoordelen van het effect van de behandeling o Bespreekt met de zorgvrager andere mogelijkheden voor communicatie i.p.v. spreken o Geeft de zorgvrager ruimte zijn gevoelens te uiten o Consulteert zo nodig de mondhygiëniste Indien de zorgvrager misselijkheid ervaart: o Observeert en informeert bij de zorgvrager de mate (belevingswereld) van misselijkheid en de frequentie van het braken en de factoren die van invloed kunnen zijn. o Informeert de zorgvrager omtrent de maatregelen die hij zelf kan nemen om de misselijkheid te voorkomen/ verminderen o Informeert de zorgvrager over de mogelijkheid tot het toedienen van anti-emetica o Zorgt voor een juiste toediening van anti-emetica door een collega, observeert het effect van de medicatie en evalueert de mate van misselijkheid met de zorgvrager Schakelt in overleg met de zorgvrager en diens naasten andere disciplines in Zichtbaar Niet zichtbaar BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 9 van 15
Legt afspraken vast in het verpleegkundig dossier Evalueert op een later tijdstip gemaakte afspraken Biedt intercollegiale ondersteuning of vraagt hier zelf om Terugkijken Evalueert mondeling met de werkbegeleider, op de uitvoering van deze opdracht. Paraaf begeleider BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 10 van 15
Ondersteunende opdrachten/ lesactiviteiten A. (60 min.) Zoek in de literatuur informatie om de volgende vragen te kunnen beantwoorden: Wanneer spreekt men van een curatieve fase? Wanneer spreekt men van een palliatieve fase? Wanneer spreekt men van een terminale fase? Wat wordt bedoeld met de term abstineren? Wat wordt bedoeld met terminale sedatie? Denk na over eerdere ervaringen die je (persoonlijk of professioneel) hebt opgedaan met mensen die ziek zijn en die in een van de bovenstaande fasen verkeerden. Neem de antwoorden op bovenstaande vragen mee naar les C. B. (90 min.) Bekijk als voorbereiding op les C op de volgende site: www.alsjenietmeerbeterwordt.nl Bekijk de informatie die jouw interesse heeft. Lees tevens het artikel Complementaire zorg en alternatieve geneeswijzen bij kankerpatiënten in de laatste levensfase: een verkennend onderzoek in bijlage 1. C. (2 lesuren) Volg de verpleegkunde les waarin specifieke aspecten in de zorgverlening rondom de palliatieve zorgvrager worden behandeld. D. (180 min.) Verdeel de groep in 4 subgroepen. Per subgroep gaan jullie op zoek naar informatie over één van de onderstaande instanties waar zorgvragers en hun naasten naar kunnen worden verwezen wanneer zij zich in de palliatieve of terminale fase bevinden. Er kan een keuze worden gemaakt uit een van onderstaande instanties. Stichting Olijf Netwerk palliatieve zorg Hospice Delft De Bieslandhof (Pieter van Foreest) Elke subgroep bereidt een presentatie voor, van maximaal 20 minuten, die in les E zal worden gegeven. In de presentatie worden de antwoorden op onderstaande vragen verwerkt.. o Voor wie is deze instantie geschikt en voor wie niet? o Wat zijn de doelstellingen of de missie van de instantie? o Welke achtergronden heeft de instantie (religie, visie) o Hoe wordt de instantie gefinancierd (stichting Olijf, Netwerk palliatieve zorg)? o Door wie en hoe wordt het verblijf gefinancierd (Hospice Delft en de Bieslandhof)? o Welke disciplines zijn er werkzaam? o Aan welke criteria dienen zorgvragers te voldoen om hiervoor in aanmerking te komen? o Hoe lang mogen zorgvragers hier blijven (Hospice Delft en de Bieslandhof)? E. ( 2 lesuren)tijdens deze les presenteren jullie de bevindingen uit opdracht D. BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 11 van 15
F. (120 min.) Zoek op I-document het niet reanimeren protocol. Lees het protocol als voorbereiding op les I door en noteer vragen en onduidelijkheden. Kies op de afdeling 4 patiënten, bij voorkeur waar jij de zorg voor draagt. Zoek in het medisch en verpleegkundig dossier of er voor deze zorgvrager een NR besluit is afgesproken en of dit beleid met de zorgvrager is besproken. Verklaar waarom er voor deze zorgvrager wel of niet iets is afgesproken. G. (2 lesuren) Volg de les van de verpleegkunde docent waarin gesproken zal worden over het NR beleid in de RdGG H. (30 min.) Lees als voorbereiding op les I het artikel in bijlage 2: Terminale dehydratie. I. (2 lesuren) Volg de les van de verpleegkundige waarin het proces van overlijden centraal zal staan. J. (60 min.) Bekijk als voorbereiding op les K de documentaire dodelijk dilemma van Holland doc. waarin 3 huisartsen worden gevolgd wanneer zij patiënten begeleiden in het traject naar euthanasie toe. Het is een documentaire van 45 min., maar zeker de moeite waard! De documentaire is te vinden op: http://www.hollanddoc.nl/televisie.html Hierna zoek je naar de pagina waar de documentaire zich bevindt. K. (2 lesuren) Volg de les van de masterclassdocent waarin het onderwerp euthanasie centraal zal staan L. (3 lesuren) Volg de les van de verpleegkunde docent. Tijdens deze les zal het vormen van een eigen mening rondom terminale sedatie en euthanasie centraal staan. M. (2 lesuren) Volg de TSV les waarin coping centraal staat. Als voorbereiding op deze les kun je de theorie over coping nogmaals nalezen in de reader van BO 11. N. (3 lesuren) Tijdens deze TSV les zullen jullie leren hoe een slechtnieuwsgesprek gevoerd kan worden en welke rol de verpleegkundige tijdens en vooral na een dergelijk gesprek heeft. O. (2 lesuren) Volg de TSV les waarin de eigen gevoelens rondom het begeleiden bij verliesverwerking centraal staan P. (2 lesuren) Volg de TSV les waarin specifiek aandacht wordt gegeven aan de rol van het geloof bij verliesverwerking. Specifiek zullen het hindoeïsme, de islam en het christendom worden behandeld. BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 12 van 15
Q. (60 min) Zoek op internet de site op van stichting Transplantatie NU (www.stnu.nl) Lees onder de knop ervaringsverhalen een aantal verhalen van mensen die ervaring hebben met transplantatie. Noteer voor jezelf waarom bepaalde momenten rondom de transplantatieprocedure voor deze mensen als prettig of juist als vervelend zijn ervaren. Welke invloed heeft de medewerker in het ziekenhuis hierop gehad? Zoek ook het protocol van de RdGG t.a.v. orgaandonatie. Beantwoordt de volgende vragen: Wat maakt de ervaringen van mensen prettig of juist vervelend Hoe zorgt het protocol van de RdGG er voor dat deze ervaringen niet voorkomen Wat is de rol van de verpleegkundige Wat is de rol van de arts Neem je bevindingen mee naar les R. R. (2 lesuren) Tijdens deze les wordt orgaan- en weefseldonatie binnen de RdGG behandeld S. (2 lesuren) Volg de les van de oncologieverpleegkundige over cytostatica T. (3 lesuren) Neem deel aan de rondleiding in het hospice. U. (2 lesuren) Volg de les die gebruikt zal worden om de opdracht af te sluiten. BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 13 van 15
Bijlage 1 Artikel: Complementaire zorg en alternatieve geneeswijzen bij kankerpatiënten in de laatste levensfase: een verkennend onderzoek BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 14 van 15
Bijlage 2 Artikel: Terminale dehydratie BBL-4, topklinisch traject RdGG. Cohort 2012 Pagina 15 van 15