Proefkatern Spelling in beeld



Vergelijkbare documenten
Proefkatern Spelling in beeld

Proefkatern Spelling in beeld

Paul Stapel handleiding e1

Proefkatern Spelling in beeld

Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Taaljournaal, tweede versie

LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN

Proefkatern Taal in beeld

Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Tien eenheden per jaar, voor dertig weken spellingonderwijs (exclusief

Proefkatern Taal in beeld

proefkatern groep 8 - blok 6

Proefkatern Taal in beeld

Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN

Informatie. vakgebieden. Groep 6

Taal actief (oud, versie 2) - Woordspel

Informatie. vakgebieden. Groep 4

Opbrengstgericht werken en spelling

Proefkatern Taal in beeld

Wat is Digi-Spelling?

Proefkatern Taal in beeld

Optimaal zicht op spelling

Informatie. vakgebieden. Groep 5

werkwoordspelling brochure

Voor welke groepen? Voor het onderdeel spelling is er materiaal voor de groepen 4 t/m 8.

TAALONTWIKKELING 2. Activiteiten bij leren. Inspiratie:

Taal actief (derde versie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Het belangrijkste doel van de studie in hoofdstuk 3 was om onafhankelijke effecten van visuele preview en spellinguitspraak op het leren spellen van

Format groepsplan. HOE bied ik dit aan? -instructie -leeromgeving AANPAK METHODIEK. Automatiseren Modelen. Automatiseren Modelen Begeleid inoefenen

Informatie. vakgebieden. Groep 7

Taaljournaal (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Slimme en aantrekkelijke software voor taal en spelling

Voor welke groepen? Voor het onderdeel spelling is er materiaal voor de groepen 4 t/m 8.

Proefkatern Taal in beeld

Tips bij het bestellen van nieuwe boeken

Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Effectief spellingonderwijs

Basis Werkwoordspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basisspelling en Basisgrammatica.

Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs

UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht!

Proefkatern Taal in beeld

Spelling Werkwoorden. Doelgroep Spelling Werkwoorden. Omschrijving Spelling Werkwoorden

Toelichting bij de kaartjes die in het opzoekboekje spelling en werkwoordspelling zijn opgenomen

Informatie. vakgebieden. Groep 8

proefkatern groep 8 - blok 4

Alles over. Taalverhaal.nu. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Inleiding 7. Deel 1 BASISVAARDIGHEDEN SPELLING 9

TAALLEESONDERWIJS - 19 tips voor betere spellingresultaten

Nieuwe generatie rekenmethodes vergeleken

Benodigde voorkennis spelling groep 5

Het verbeterplan Spelling is gemaakt n.a.v. de klassenbezoeken en daaraan gekoppeld de analyse van de taalopbrengsten.

Met spelling aan de slag: Juf, hoe schrijf je hangbuikzwijn?

Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs

Nieuwe woorden correct kunnen schrijven, kunnen vertalen van N-F en van F-N en kunnen gebruiken in mondelinge en schriftelijke zinnen.

Snappet is een alternatief voor...

Kim A. H. Cordewener Variatie in de Spellingvaardigheid van Kinderen: Voorspellers, Verwerving en Instructie 2014 Radboud Universiteit

Groep 3: twee blokken per jaar, start is na de kerst (80 lessen, waaronder

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van eind groep 3 en groep 4 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.

Lees U laat uw kind de eerste set woorden van de week voorlezen. Deze woorden staan rechtsboven op iedere uitlegkaart.

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 4 en 5 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.

Flitsend Spellen en Lezen 1

spellingvaardigheid van droom naar daad

De ontwikkelde materialen per unit.

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1

Alfabetisering. ~de versnelde versie~

Lijn 3 in een combinatiegroep

Informatie groep 5 Daltonschool In Balans Schooljaar 2015/2016

Syntheseproef kerst 2013 Theoretische richtingen

Onderwijskundige Verantwoording Spelling & Grammatica

Blauwe stenen leer je zo

Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen

Nr Kernkwaliteiten Score In de groepen 4 tot en met 8 wordt de Taalmethode Taal Actief gebruikt

Drie maal taal. Taal beschouwen in realistische situaties

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

1 De kennisbasis Nederlandse taal

Informatieavond groep 3/4 september 2014

Dit programma is gemaakt voor leerlingen vanaf groep 6 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2.

Didactische verantwoording. Allemaal taal. Taal en communicatie voor pedagogisch medewerkers in de kinderopvang en op de peuterspeelzaal

Basisspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basis Werkwoordspelling en Basisgrammatica.

Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Wat maakt mijn kind allemaal mee op De Fontein. in groep 3?

Inhoud De inhoud van het computerprogramma is hetzelfde als die van het foliomateriaal.

Werkwoordspelling op maat

JAARPROGRAMMA GROEP 7

Alles over. Wijzer! Natuur en techniek. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Reken zeker. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Reken zeker. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

LESSTOF. Werkwoordspelling op maat

Hoofdstuk 18 - Tips om voorleessoftware in te zetten in de klas

Oranje stappers maak je zo

De vragen sluiten aan bij de belevingswereld van de leerlingen en zijn onderverdeeld in de volgende vijftien categorieën:

Alles over. Wijzer! Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Wijzer! Natuur en techniek. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Flitsend Spellen en Lezen 1

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1

Taalverhaal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

LESSTOF. Spelling Werkwoorden

Transcriptie:

Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek E2: de introductiepagina s en blok 7 3 uitlegkaarten E 4 kopieerboek: kopieerbladen blok 7 Met dit katern krijgt u zicht op hoe Spelling in beeld werkt. De materialen stellen u in staat lessen van blok 7 uit te proberen in uw groep. Blok 7 bestaat uit 12 lessen. Zwijsen geeft u toestemming om voor het uitproberen kopieën te maken uit dit katern. Herhalingstaken (Spellingspoor en Computerprogramma Spelling in beeld) zijn niet bijgevoegd. Spellingspoor is een leerspel dat als herhalingstaak elk blok terugkomt. Met het Computerprogramma Spelling in beeld kunnen leerlingen spellingcategorieën oefenen die aan de orde zijn in de blokken. Meer informatie over Spellingspoor en het Computerprogramma Spelling in beeld vindt u op: www.taalinbeeld.nl. Heeft u nog vragen, neem dan contact op met Zwijsen Klantenservice: 013-583 88 88 of klantenservice@zwijsen.nl. Wij wensen u en uw leerlingen veel (leer)plezier met Spelling in beeld!

in beeld -Spelling- Paul Stapel handleiding e2

n hl inhoud algemene handleiding Aan de slag met Spelling in beeld 3 Uitgangspunten 3 Kenmerken 4 Opbouw methode 4 Activiteiten 5 Organisatie 6 Differentiatie en zorgverbreding 7 Toetsing en evaluatie 8 Materialen 9 Leerstof 10 Handleiding online 13 Leerstofoverzicht 14 blok 5 verhalen Overzicht spellingcategorieën blok 5 16 Basislessen 1-5 18 Signaaldictee 23 Herhalingsles (les 6) 24 Controledictee 25 Herhalingstaken en plustaken 26 blok 6 samen leven Overzicht spellingcategorieën blok 6 28 Basislessen 1-5 30 Signaaldictee 35 Herhalingsles (les 6) 36 Controledictee 37 Herhalingstaken en plustaken 38 blok 7 cultuur Overzicht spellingcategorieën blok 7 40 Basislessen 1-5 42 Signaaldictee 47 Herhalingsles (les 6) 48 Controledictee 49 Herhalingstaken en plustaken 50 blok 8 andere tijden Overzicht spellingcategorieën blok 8 52 Basislessen 1-5 54 Signaaldictee 59 Herhalingsles (les 6) 60 Controledictee 61 Herhalingstaken en plustaken 62 Colofon 64-2 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 Spelling-

hl algemene handleiding Aan de slag met Spelling in beeld Een overzicht van alles wat u moet weten U gaat werken met Spelling in beeld. Deze handleiding helpt u om snel met de methode aan de slag te gaan. Daartoe wordt in een beperkt aantal pagina s de belangrijkste informatie gegeven die u nodig heeft. Alle overige gegevens over de methode, waaronder meer uitgebreide onderdelen die bij deze handleiding horen, vindt u op de website www.spellinginbeeld.nl. Hebt u vragen, opmerkingen of suggesties, dan kunt u hiermee ook terecht op de website. Hoe meer informatie wij van u krijgen, hoe beter wij in staat zijn om de methode mee te laten groeien met uw wensen en verwachtingen. Overzicht Spelling in beeld bestaat uit vijf delen. Het onderstaande schema geeft aan welk deel bestemd is voor welke jaargroep van het reguliere basisonderwijs. Op andere typen (basis)scholen kunt u ervoor kiezen de leerstof op een andere manier te verdelen. Deel Jaargroep a (a1 en a2) 4 b (b1 en b2) 5 c (c1 en c2) 6 d (d1 en d2) 7 e (e1 en e2) 8 De uitgangspunten van Spelling in beeld Bij de samenstelling van Spelling in beeld zijn de volgende uit gangspunten gehanteerd: Spelling is een vaardigheid die ten dienste staat van de schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid. Spelling is een belangrijke voorwaarde voor de schrijfvaardigheid. Hoe minder aandacht de verzorging van spelling en interpunctie kost, hoe meer tijd en aandacht mensen kunnen besteden aan de inhoud en het formuleren van teksten. Daarbij kan voldoende spelvaardigheid mensen het zelfvertrouwen verschaffen dat ze nodig hebben wanneer ze zich schriftelijk uitdrukken. Goede spellers zien meestal het verschil tussen taal en spelling en kunnen daarmee het belang van een goede spelvaardigheid in het juiste, relatieve perspectief plaatsen. Zwakke spellers hebben echter vaak de neiging om spelling als het belangrijkste onderdeel van taal te zien. Zij verwarren spelling zelfs vaak met taal. Een slechte spelvaardigheid kan leiden tot gevoelens van tekortschieten. Ook in dat opzicht is het van belang dat alle leerlingen op de basisschool de gelegenheid krijgen een goede spelvaardigheid te ontwikkelen. Bij het samenstellen van de spellingcategorieën is ernaar gestreefd zo veel mogelijk frequente woorden te kiezen, die de leerlingen gebruiken in eigen taaluitingen en schriftelijk schoolwerk. Zo wordt spelling een functionele activiteit. Het Nederlandse spellingsysteem is voor leerlingen niet eenvoudig te doorgronden. Toch heeft het een beperkte omvang. Daarom kan het spellingonderwijs gestalte krijgen in een relatief beperkte lestijd. Bij de samenstelling van Spelling in beeld zijn daarom per week twee lessen van ongeveer 30 minuten ingepland. Daarbij komt eens per vier weken de afnametijd voor het controledictee en eventueel de tijd voor facultatieve onderdelen als Activiteiten voor tussendoor en eens per vier weken een signaaldictee. Het Nederlandse spellingsysteem is in beginsel een overzichtelijk systeem. Daardoor is het mogelijk het onderwijs in dat spellingsysteem te baseren op de organisatievorm zelfstandig leren. De meeste leerlingen kunnen zich zo een goede spelvaardigheid eigen maken. Maar niet voor alle leerlingen is zelfstandig leren de meest geschikte manier om te leren spellen. Voor leerlingen voor wie zelfstandig leren minder geschikt is, staan daarom in de lesbeschrijvingen voldoende aanwijzingen om begeleid leren mogelijk te maken. Voor de meeste leerlingen is de organisatievorm zelfstandig leren geschikt. Leerlingen nemen zelfstandig de instructie door en verwerken die ook zelfstandig. Ze kijken in week 3 van ieder blok het eigen signaaldictee na, zodat zij zich ervan bewust worden met welke spellingcategorieën zij nog moeite hebben. Hoewel de leerlingen hierdoor een gevoel van verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces ontwikkelen, blijft u de vinger aan de pols houden. Aan de hand van het controledictee aan het eind van ieder blok, kunt u makkelijk constateren welke leerlingen onvoldoende profiteren van zelfstandig leren en op basis daarvan maatregelen nemen. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 3 -Spellingin In de spellinglessen van Spelling in beeld kunnen verschillende organisatievormen gehanteerd worden. Het is mogelijk dat leerlingen (individueel of in tweetallen) zelfstandig leren. Maar Spelling in beeld is ook geschikt voor begeleid leren. Doordat de organisatievorm zelfstandig leren met Spelling in beeld mogelijk is, is de methode zeer geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen. Spelling in beeld spreekt geen voorkeur uit voor een organisatievorm van de spellinglessen. Het streven is verschillende organisatievormen mogelijk te maken. Zo hebben leerkrachten de vrijheid de organisatie van de lessen af te stemmen op hun eigen situatie. Leerkrachten die de voorkeur geven aan begeleid leren kunnen met de methode goed uit de voeten. Maar ook zij profiteren van de mogelijkheden voor zelfstandig leren, bijvoor-

n -Spelling- hl algemene handleiding beeld in situaties waarin door onvoorziene omstandigheden een begeleide les geen doorgang kan vinden. Spelling in beeld is cursorisch opgezet. De opklimmende moeilijkheidsgraad van de aangeboden woorden is het uitgangspunt geweest voor de samenstelling van de lessen. In de lessen zit een thematisch aspect, dat vooral in de introductieopdracht van elke les zichtbaar wordt. Het gaat hierbij om acht overkoepelende thema s die elk jaar op hetzelfde moment terugkeren. Spelling in beeld richt zich zowel op het spellingproduct als op het spellingproces. Het is belangrijk dat de leerlingen zo veel mogelijk woorden correct kunnen spellen. Maar het is evenzeer belangrijk dat zij een goede aanpak (strategie) leren om tot de juiste spelling van woorden te komen. Zo werkt de methode aan het spellingbewustzijn van de leerlingen. Daarnaast is het ook essentieel om aan het zogenaamde spellinggeweten te werken. Daarbij gaat het niet alleen om de spelvaardigheid zelf, maar ook om de wil die spelvaardigheid in teksten en ander schriftelijk werk toe te passen. Een bekende manier om het spellinggeweten van leerlingen te bevorderen, is hen regelmatig teksten te laten schrijven die door anderen gelezen zullen worden. Spelling in beeld speelt in op verschillen tussen leerlingen. Voor goede spellers zijn er mogelijkheden aan de slag te gaan met differentiatiemateriaal. Naast Spelling in beeld verschijnt Taal in beeld. Ook met deze taalmethode is de organisatievorm zelfstandig leren mogelijk. De thema s van Spelling in beeld komen overeen met de thema s van Taal in beeld. Spelling in beeld is uitstekend los van de methode Taal in beeld te gebruiken. Leerlingen die aan het eind van een blok in het controledictee voldoende scoren, gaan aan de slag met differentiatiemateriaal uit Taalmaker. Taalmaker past zowel bij Spelling in beeld als bij Taal in beeld. U kunt Taalmaker ook inzetten wanneer u met een andere taalmethode werkt. De kenmerken van Spelling in beeld Spelling in beeld heeft drie belangrijke kenmerken. Het pakket is compleet, compact en flexibel. Compleet Spelling in beeld is een complete methode, omdat het programma alle leerstof aanbiedt die u als school op basis van de kerndoelen geacht wordt aan te bieden. Bij de ontwikkeling van Spelling in beeld is uitdrukkelijk rekening gehouden met de kerndoelen Nederlandse taal, zoals die door de overheid zijn vastgesteld. Een school die werkt met Spelling in beeld is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van de methode correspondeert met de spellingleerstof die genoemd wordt in de kerndoelen Nederlandse Taal. Compact Spelling in beeld is een compacte methode. Zowel het aantal lessen als het aantal schoolweken dat nodig is om het programma uit te voeren, is beperkt gehouden. Hierdoor hoeft u als leerkracht geen tijdsdruk te ervaren. Voor de leerlingen is er voldoende tijd beschikbaar om de leerstof goed op te nemen en toe te passen. Verder is ook in de hoeveelheid materialen terug te zien dat de methode compact is. Er is een duidelijke keuze gemaakt voor een overzichtelijk pakket. Flexibele organisatievorm Spelling in beeld is een flexibele methode. Leerlingen verschillen, leerkrachten verschillen, scholen verschillen en omstandigheden verschillen. Spelling in beeld houdt rekening met deze verschillen door diverse organisatievormen mogelijk te maken. Zo kunt u interactief met de hele groep aan de slag gaan, maar u kunt ook alle onderdelen van het programma door de leerlingen zelfstandig laten uitvoeren. U kunt de leerlingen daarbij individueel laten werken of laten samenwerken met andere leerlingen. Doordat de spellingactiviteiten geschikt zijn voor diverse organisatievormen, hoeft u niet te kiezen tussen interactief onderwijs of zelfstandig leren. U kunt met Spelling in beeld de kracht van beide vormen combineren. U bepaalt in welke mate u de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Maar uiteindelijk werken de leerlingen wel aan dezelfde lessen. De organisatie van de lessen blijft daardoor overzichtelijk en uitvoerbaar. De opbouw van Spelling in beeld Jaarprogramma Spelling in beeld biedt een jaarprogramma voor 34 schoolweken, opgebouwd uit acht blokken van vier weken. Na de blokken 4 en 8 is er een zogenaamde breekweek. Deze weken kunnen gebruikt worden als uitloopweken en als weken om op een andere manier met spelling bezig te zijn. Algemene opbouw van een eenheid Een blok bestaat uit vier weken. Per week zijn er twee lessen. De eerste drie weken van ieder blok bestaan uit de basislessen. Deze zes lessen zijn opgenomen in het werkboek. In de eerste vijf lessen wordt telkens één spellingcategorie aangeboden en ingeoefend. Les 6 van ieder blok is een herhalingsles. Daarin wordt de leerstof van het blok herhaald. Ook wordt aandacht besteed aan spellingcategorieën uit voorgaande blokken. Aan het einde van de derde week of in het begin van de vierde week neemt u een controledictee af. 4 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

algemene handleiding Aan de hand daarvan kunt u vaststellen welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben en welke nog niet. De leerlingen die de doelen wel bereikt hebben, gaan in week 4 aan de slag met plustaken (verdiepingsstof), waarin ze leerkrachtonafhankelijk hun geleerde kennis, vaardigheden en strategieën op het gebied van taal en spelling toepassen en uitbouwen. De leerlingen die de doelen van het blok nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week herhalingstaken waarin ze de leerstof die ze nog niet beheersen, nogmaals aangeboden krijgen. Extra instructie en begeleide verwerking zijn hierbij het uitgangspunt. De opbouw van deel e1 en e2 Het schema onderaan deze pagina geeft de opbouw van het programma van de delen e1 en e2 weer. In dit voorbeeld geeft u uw spellinglessen op dinsdag en vrijdag. Deel e1 bestaat uit blok 1 tot en met 4 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit acht lessen. Per week zijn er twee spellinglessen. Dat is exclusief het facultatieve signaaldictee na les 5 en het controledictee na les 6. Tijdens de twee spellinglessen in week 4 week deel blok weekprogramma dag 1 dag 2 dag 3 dag 4 dag 5 1 e1 blok 1 sp sp 2 blok 1 sp sp 3 blok 1 sp signaaldictee sp (facultatief) 4 blok 1 controledictee h/p h/p 5 blok 2 sp sp 6 blok 2 sp sp 7 blok 2 sp signaaldictee sp (facultatief) 8 blok 2 controledictee h/p h/p 9 blok 3 sp sp 10 blok 3 sp sp 11 blok 3 sp signaaldictee sp (facultatief) 12 blok 3 controledictee h/p h/p 13 blok 4 sp sp 14 blok 4 sp sp 15 blok 4 sp signaaldictee sp (facultatief) 16 blok 4 controledictee h/p h/p 17 breekweek gaan de leerlingen die onvoldoende scoren op het controledictee, aan de slag met de herhalingstaken. De overige leerlingen gaan aan de slag met plustaken. Deel e2 bevat de blokken 5 tot en met 8 van het jaarprogramma. Dit deel heeft dezelfde opbouw als deel e1. De activiteiten in Spelling in beeld Woorden van de week en Extra woorden Boven iedere les staat de doelstelling geformuleerd. In les 1, 3 en 5 van ieder blok krijgen de leerlingen zes woorden (klankwoorden, regelwoorden of werkwoorden) aangeboden. De les is er niet op gericht dat de leerlingen deze zes woorden uit hun hoofd leren. De woorden zijn voorbeeldwoorden voor een bepaalde spellingcategorie. In les 2 en 4 van ieder blok leren de leerlingen acht weetwoorden die ze door middel van inprenting moeten onthouden. 18 e2 blok 5 sp sp 19 blok 5 sp sp 20 blok 5 sp signaaldictee sp (facultatief) 21 blok 5 controledictee h/p h/p 22 blok 6 sp sp 23 blok 6 sp sp 24 blok 6 sp signaaldictee sp (facultatief) 25 blok 6 controledictee h/p h/p 26 blok 7 sp sp 27 blok 7 sp sp 28 blok 7 sp signaaldictee sp (facultatief) 29 blok 7 controledictee h/p h/p 30 blok 8 sp sp 31 blok 8 sp sp 32 blok 8 sp signaaldictee sp (facultatief) 33 blok 8 controledictee h/p h/p 34 breekweek sp = instructie en verwerking spellingcategorieën h/p = herhalingstaken/ plustaken jaarplanning deel e1 en e2 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 5 -Spellingin

n -Spelling- hl algemene handleiding De instructie in les 1, 3 en 5 is erop gericht dat de leerlingen het spellingprobleem van die categorie herkennen zodat ze de zes woorden van de week, maar ook andere woorden van die categorie correct kunnen schrijven. Het oefenen van deze toepassingsvaardigheid gebeurt onder andere tijdens de Activiteiten voor tussendoor. Dat zijn korte klassikale oefenmomenten buiten de spellinglessen. Daarin vervangen de leerlingen de woorden van de week op het bord door woorden van dezelfde categorie. Deze Activiteiten voor tussendoor nemen niet meer dan enkele minuten in beslag. Didactische fasering De lessen in Spelling in beeld hebben een vaste opbouw. De lesfasen zijn: introductie, instructie, verwerking en evaluatie/reflectie. Deze onderdelen zijn voor de leerlingen vertaald in de volgende begrippen: Op verkenning, Uitleg, Aan de slag en Terugkijken. Deze begrippen geven de leerlingen greep op hun eigen leerproces. Aan de hand daarvan kunnen zij op een effectieve en efficiënte manier de leerstof zelfstandig doorwerken. De verschillende lesfasen worden hieronder toegelicht. Op verkenning Hierin wordt het spellingprobleem dat in de les aan de orde is, geplaatst in een herkenbare, alledaagse context. Het is een verkennende en introducerende opdracht. Uitleg De fase Uitleg is het instructiemoment in de les. Hierbij maken de leerlingen gebruik van een uitlegkaart, waarop de instructie is weergegeven. Ze kunnen zelfstandig de uitleg op de kaart doornemen. Het is uiteraard ook mogelijk dat ze de uitlegkaart onder uw begeleiding doornemen. Bij de uitleg wordt vanaf het begin de klanknotatie /aa/ gebruikt. Aan de slag In de fase Aan de slag verwerken de leerlingen de instructie. De leerlingen maken opdrachten op: fonologisch niveau: opdrachten met de klanken van woorden, waaronder rijmopdrachten; morfologisch niveau: opdrachten over samenstellingen, voor- en achtervoegsels van afleidingen, werkwoorduitgangen; syntactisch niveau: opdrachten binnen het zinsverband, bijvoorbeeld met woorden die op twee manieren geschreven kunnen worden; orthografisch niveau: opdrachten gericht op het inprenten van de schrijfwijze van woorden, waaronder invuloefeningen en rubriceeroefeningen. In de fase Aan de slag zijn meestal speelse werkvormen opgenomen, zoals rebussen, puzzels en opdrachten met geheimschrift. Terugkijken De vierde fase is Terugkijken. Hierbij reflecteren de leerlingen op de les. De centrale vraag hierbij is: Wat heb ik geleerd? De opdracht houdt altijd verband met het lesdoel dat boven de les staat vermeld. De opdracht is steeds een geschikt aanknopingspunt voor een mondelinge evaluatie van de les, ook als de leerlingen zelfstandig hebben gewerkt. In deze fase wordt de leerlingen regelmatig gevraagd verkeerd gespelde woorden door te strepen. Wanneer verkeerd gespelde woorden zijn afgedrukt, zijn ook steeds de correct gespelde woorden opgenomen. Activiteiten voor tussendoor In de handleiding wordt de suggestie gegeven op dagen waarop u geen spellinglessen geeft, regelmatig enkele minuten met de woorden van de week te oefenen. Schrijf de woorden van de week op het bord. Laat de leerlingen die woorden in een kort mondeling lesmoment vervangen door andere woorden van dezelfde spellingcategorie. Laat enkele leerlingen daarbij hun keuze toelichten. Zo werkt u aan transfer: het toepassen van de leerstof op andere woorden. De organisatie van Spelling in beeld Zelfstandig leren, samenwerkend leren en begeleid leren Spelling in beeld maakt verschillende organisatievormen gelijktijdig mogelijk. De methode is namelijk zo opgezet dat u als leerkracht kunt bepalen welke leerlingen zelfstandig (individueel of op basis van samenwerkend leren) aan de slag gaan en welke leerlingen onder begeleiding (klassikaal of in een groepje onder uw leiding) aan de opdrachten gaan werken. U kunt alle leerlingen zelfstandig laten werken, alle leerlingen begeleid laten werken of een tussenvorm kiezen. Alle lessen zijn zo opgezet dat ze geschikt zijn voor zelfstandig leren. Leerlingen kunnen daardoor zelfstandig alle introductie-, instructie-, verwerkings- en reflectieopdrachten maken. Maar niets verplicht u om de leerlingen de les zelfstandig te laten doorlopen. U kunt er op basis van dezelfde leeractiviteiten ook voor kiezen om de les gezamenlijk op een interactieve manier door te werken. Alle leerlingen doorlopen dezelfde opdrachten en gebruiken dezelfde materialen, ongeacht de organisatievorm. Dit betekent dat de lessen voor u als leerkracht makkelijk te organiseren zijn. U bepaalt zelf in welke mate er sprake is van mondelinge interactie tijdens de les en u kunt er per les voor kiezen om die te beperken. Omdat alle leerlingen aan dezelfde opdrachten werken, kunt u bij de introductie van de les en de reflectie op de les de hele groep aanspreken, ook als de meeste leerlingen bezig zijn met zelfstandig leren. Omdat alle antwoorden in de antwoordenboekjes staan, heeft u de mogelijkheid om de leerlingen hun eigen werk na te laten kijken. 6 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

algemene handleiding Tijdsindicaties Een les in Spelling in beeld zal ongeveer 30 minuten duren. De tijdsduur zal afhankelijk zijn van de organisatievorm waarin de les wordt aangeboden. Voor leerlingen die eerder klaar zijn met de opdrachten, bevat iedere les een verwijzing naar extra keuzeopdrachten. Spelling in beeld in combinatiegroepen Alle lessen in Spelling in beeld zijn in beginsel geschikt voor zelfstandig leren. Hierdoor is de methode zeer geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen of stamgroepen. De leerlingen kunnen leerkrachtonafhankelijk aan de opdrachten werken. Daardoor kunt u bepalen welke leerlingen u op welk moment intensiever begeleidt. U kunt zich richten op die leerlingen die uw hulp het hardst nodig hebben, onafhankelijk van de jaargroep waarin ze zitten. Differentiatie en zorgverbreding in Spelling in beeld Met Spelling in beeld heeft u veel mogelijkheden om te differentiëren. Met de differentiatiematerialen Taalmaker, Spellingspoor en het computerprogramma Spelling in beeld heeft u volop mogelijkheden om te differentiëren en iedere leerling adaptief onderwijs te bieden. Hieronder staan de belangrijkste mogelijkheden. Differentiatie naar begeleidingsbehoeften Bij alle lessen kunt u differentiëren in de intensiteit van de begeleiding die u geeft. Veel leerlingen kunt u met een gerust hart zelfstandig laten werken, terwijl u andere leerlingen juist veel instructie en begeleiding wilt bieden. In de handleiding worden onder het kopje Begeleid leren steeds suggesties gegeven voor interactieve begeleiding. De leerlingen die hier minder behoefte aan hebben, laat u zelfstandig werken. Dit kan in de vorm van individueel of samenwerkend leren. Voorinstructie (preteaching) Onder differentiatie naar begeleidingsbehoeften valt ook voorinstructie (preteaching). Die is voornamelijk geschikt voor twee groepen leerlingen: leerlingen met een beperkte woordenschat en leerlingen die door een diepere oorzaak structureel moeite hebben met spelling. Leerlingen met een beperkte woordenschat profiteren ervan als zij voorafgaand aan de les instructie krijgen over de betekenis van de woorden van de week en de extra woorden. Sommige leerlingen hebben door een diepere oorzaak moeite met spelling. De oorzaak kan dyslexie of dysorthografie zijn. Door deze leerlingen voorinstructie te geven, bereikt u dat zij de uitleg tijdens de lessen herkennen en de stof daardoor gemakkelijker opnemen en verwerken. Hierbij kunt u de kopieerbladen extra oefening in Kopieerboek e gebruiken. Tempodifferentiatie: extra stof Tijdens de lessen zullen sommige leerlingen eerder klaar zijn dan andere. In eerste instantie kunnen deze leerlingen een extra opdracht gaan maken. In het werkboek wordt hiernaar aan het einde van iedere les verwezen. De extra opdrachten staan achterin het werkboek. De leerlingen verwerken ze in een schrift. Mocht er daarna nog behoefte zijn aan meer stof, dan kunt u de leerlingen verder laten gaan met plustaken. Zij kunnen dan verder werken met het Computerprogramma Spelling in beeld e, of aan taken uit Taalmaker e. Taalmaker is de naam van de set extra opdrachten bij Taal in beeld en Spelling in beeld. Die set extra taaltaken bestaat uit kaarten, werkbladen (kopieerbladen) en elektronische werkbladen (software). Spelling komt hierbij in toepassende vorm aan de orde. Niveaudifferentiatie in week 4: herhalingstaken en plustaken In het begin van de vierde week van ieder blok maken de leerlingen een controledictee. Aan de hand daarvan stelt u vast welke leerlingen de doelen van de eenheid bereikt hebben. Leerlingen die de doelen nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week herhalingstaken. De andere leerlingen gaan aan de slag met plustaken. Herhalingstaken Herhalingstaken bieden instructie en verwerking, gericht op één spellingcategorie. Leerlingen die tijdens de controletoets een spellingcategorie nog niet blijken te beheersen, komen hiervoor in aanmerking. U kunt deze leerlingen zelfstandig of interactief met de spellingcategorie laten oefenen. Met het Computerprogramma Spelling in beeld e kunnen de leerlingen zelfstandig aan de slag. Het heeft dezelfde leerstofopbouw als de rest van de methode. De leerlingen krijgen uitleg in geschreven en gesproken vorm, ze oefenen met aantrekkelijke spellen, ze worden getoetst door middel van dictees en krijgen op basis van de resultaten verlengde instructie en extra oefening. Met het leerspel Spellingspoor kunt u een groepje leerlingen over een spellingcategorie interactieve herinstructie geven en begeleide verwerking bieden. De leerlingen voeren op een spelbord een aantal instructieactiviteiten uit, die ze vervolgens verwerken. De herhalingstaak Spellingspoor is in beginsel een begeleide activiteit. U kunt leerlingen met het Computerprogramma Spelling in beeld e zelfstandig aan herhalingstaken laten werken of met Spellingspoor interactief herinstructie en begeleiding geven. U kunt ook voor een combinatie van beide vormen kiezen. U laat dan bijvoorbeeld de leerlingen eerst zelfstandig op de computer aan de herhalingstaak werken en u geeft alleen interactieve herinstructie aan de leerlingen die dat daarna nog nodig hebben. In de handleiding vindt u in ieder blok een verwijzing naar de herhalingstaken bij de verschillende spellingcategorieën. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 7 -Spellingin

n -Spelling- hl algemene handleiding Plustaken (verdiepingsstof) Plustaken zijn taalactiviteiten vanuit een andere invalshoek, meestal gericht op toepassing van geleerde kennis en vaardig heden. Alle plustaken vindt u in het onderdeel Taalmaker e. Taalmaker bestaat uit een kaartenset, werkbladen (kopieerbladen) en elektronische werkbladen (software). Periodiek zullen de plus taken in Taalmaker aangevuld en vernieuwd worden, waardoor de uitdaging voor de leerlingen groot blijft. Zorgverbreding Spelling in beeld is er in beginsel op gericht dat alle leerlingen de leerstof in dezelfde tijd doorlopen. Wij raden u aan deze doelstelling ook voor zwakke spellers zo veel mogelijk aan te houden. Dit kunt u realiseren door zwakke spellers tijdens de lessen begeleide instructie en verwerking te bieden. Daarnaast kunt u voor deze leerlingen eventueel extra instructie- en inoefentijd inroosteren. Deze benadering waarbij u zwakke leerlingen ondersteunt, blijkt effectiever te zijn dan de aanpak waarbij u de doelstellingen voor groepjes leerlingen aanpast (en dus verlaagt). Een bijkomend voordeel van deze benadering is dat u bij de introductie van de les en de reflectie op de les de hele groep kunt aanspreken, ook als de meeste leerlingen bezig zijn met zelfstandig leren. Uiteraard kan het daarnaast noodzakelijk zijn voor individuele leerlingen de doelstellingen wel aan te passen. Daarbij gaat het om leerlingen die door een diepere oorzaak structureel moeite met spellen hebben en het tempo van de groep daardoor niet kunnen volgen. Toetsing en evaluatie in Spelling in beeld Spelling in beeld kent verschillende manieren om de resultaten van de leerlingen te evalueren. Het gaat hierbij om evaluatie op korte, middellange en lange termijn. Reflectie per les De opdracht Terugkijken aan het eind van iedere les is een geschikt handvat om met de leerlingen te bespreken wat zij in deze les hebben geleerd. Dat kunt u doen als afronding van een interactieve les, maar de opdracht Terugkijken is ook een geschikt aanknopingspunt om te reflecteren op een les die door de leerlingen zelfstandig is verwerkt. De reflectie kunt u zowel richten op de leerstof als op het leerproces. Evaluatie per blok Voor de evaluatie van de vorderingen zijn in ieder blok twee dictees opgenomen: een signaaldictee na les 5 van ieder blok; een controledictee na les 6 van ieder blok. Het signaaldictee is facultatief. U neemt het af om de leerlingen te betrekken bij hun eigen leerproces. Dat doet u nadat alle spellingcategorieën van het blok aan de orde zijn gekomen, maar voordat de beheersing daarvan wordt getoetst met het controledictee. De leerlingen schrijven de woorden van het signaaldictee op. Ze kiezen bij ieder woord de bijpassende strategie. Ze geven aan of ze denken het woord goed te hebben geschreven. De leerlingen kijken hun eigen signaaldictee na en verbeteren hun fouten. U adviseert leerlingen die fouten hebben gemaakt de betreffende uitlegkaarten nog eens door te nemen. De resultaten van de signaaldictees worden niet geregistreerd. U kunt het signaaldictee ook gebruiken om te kijken in welke spellingcategorieën veel leerlingen nog fouten maken. Aan die categorieën kunt u vervolgens klassikaal aandacht besteden. Als blijkt dat veel leerlingen in verschillende categorieën nog fouten maken, raden we u aan in herhalingsles 6 van het blok te kiezen voor begeleid leren. Het controledictee neemt u af na les 6, dus aan het eind van week 3 of aan het begin van week 4. Aan de hand van de resultaten kunt u vaststellen welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben. De resultaten van het controledictee noteert u op het registratieblad controledictees e2. Dat registratieblad vindt u in het kopieerboek. Op basis van de score per spellingcategorie krijgt u een advies over de gewenste vervolgactiviteiten. Enkele leerlingen zullen herhalingstaken moeten gaan uitvoeren. De meeste leerlingen zullen worden verwezen naar de plustaken in het onderdeel Taalmaker. U kunt er ook voor kiezen om het controledictee af te nemen met het Computerprogramma Spelling in beeld. De dictees zijn identiek aan de dictees in de handleiding. De leerlingen maken het dictee dan op de computer en vervolgens analyseert en registreert de computer de resultaten. Op basis van deze analyse geeft de computer aan welke spellingcategorieën de leerling nog niet goed beheerst en selecteert hij de instructiemomenten en de oefeningen die de leerling extra hulp kunnen bieden. Op deze manier is er direct een herhalingsprogramma op maat beschikbaar. Methodeonafhankelijke toetsen De controletoetsen zijn methodeafhankelijk. Ze toetsen de beheersing van de leerstof die in Spelling in beeld is aangeboden. Op basis van de resultaten van de controletoetsen kunt u dus geen uitspraak doen over het algemene spellingniveau van een leerling in vergelijking tot leeftijdgenoten. Om een compleet beeld van de spellingvorderingen van de leerlingen te krijgen, raden wij u aan om naast de controletoetsen ook methodeonafhankelijke toetsen af te nemen. Die zijn speciaal voor dit doel ontwikkeld. Een bekend voorbeeld zijn de spellingtoetsen van het Cito. 8 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

algemene handleiding De materialen van Spelling in beeld Het materialenoverzicht Het e2-gedeelte van Spelling in beeld bestaat uit de volgende materialen: Basismaterialen: Werkboek e2 Antwoordenboek e2 Handleiding e2 Kopieerboek e Uitlegkaarten e Differentiatiematerialen: Spellingspoor e Computerprogramma Spelling in beeld e Taalmaker e Basismaterialen In Werkboek e2 zijn de lessen 1 tot en met 6 van ieder blok opgenomen. Daarnaast maken de leerlingen in iedere les twee opdrachten in een cahier (spellingschrift). Hierdoor ervaren de leerlingen dat spelling als bewuste activiteit niet beperkt blijft tot het maken van spellingopdrachten in een werkboek. Het ligt voor de hand dat de leerlingen eventuele extra opdrachten aan het einde van de les ook in dit spellingschrift verwerken. In Antwoordenboek e2 zijn de antwoorden bij de opdrachten terug te vinden. Bij open vragen staat een suggestie voor een goed antwoord. U gebruikt het antwoordenboek om het werk na te kijken, of u laat de leerlingen dat zelf doen. De leerlingen gebruiken de Uitlegkaarten e om de instructie over een spellingcategorie door te nemen. De uitlegkaarten fungeren tevens als naslagwerk dat leerlingen bij twijfel kunnen raadplegen. In Handleiding e2 is het volledige lesprogramma voor de leer kracht beschreven. Bij iedere les zijn suggesties voor begeleid leren opgenomen. U vindt hier ook de activiteitenbeschrijvingen bij de toetstaken, de herhalingstaken en de verwijzingen naar de plustaken. Differentiatiematerialen Met Spellingspoor kunt u met een groepje leerlingen op een interactieve manier een herhalingstaak uitvoeren. U geeft aan de hand van opdrachten op een spelbord (her)instructie over een spellingcategorie waarmee een aantal leerlingen volgens het controledictee nog moeite heeft. Bij de instructie gebruiken de leerlingen de betreffende uitlegkaart. Zij verwerken de instructie schriftelijk op het Spellingspoorkopieerblad. Bij deel e van Spelling in beeld hoort het Computerprogramma Spelling in beeld e. U kunt dit programma zowel voor als na het controledictee inzetten. Voorafgaand aan het controledictee dient het als extra oefenstof die aansluit op de leerstof uit het werkboek en de uitlegkaarten. Aansluitend op het controledictee biedt het programma een scala aan mogelijkheden voor verlengde instructie en extra oefening. U kunt het programma ook inzetten als plustaak. U kunt de leerlingen zelfstandig aan de slag laten gaan met spellingcategorieën die pas in latere blokken in de klas aan de orde komen. Als u kiest voor dit type differentiatie, kan het computerprogramma Spelling in beeld voor u een belangrijk hulpmiddel zijn. Taalmaker e is de set waarin alle overige plustaken zijn verzameld. Taalmaker hoort bij de methodes Taal in beeld en Spelling in beeld. Taalmaker e bestaat uit een doos met kaarten, kopieerbladen en elektronische werkbladen die op de computer gemaakt kunnen worden. U kunt de plustaken op twee momenten inzetten. U kunt plustaken gebruiken in de basislessen. Als leerlingen eerder klaar zijn met de opdrachten en een extra opdracht, kunt u ze laten werken aan plustaken. In week 4 spelen de plustaken een grotere rol. Na het controledictee zijn de meeste leerlingen hiermee aan de slag. Wat wordt wanneer gebruikt? Een blok in Spelling in beeld bestaat uit vier lesweken. Tijdens de eerste drie weken wordt de basisleerstof aangeboden. In de eerste les van de week gaat het daarbij steeds om klankwoorden, regelwoorden of werkwoorden, in de tweede les van week 1 en 2 om weetwoorden. Les 6 heeft een algemeen herhalingskarakter. Daarin wordt de leerstof van het blok herhaald en wordt teruggegrepen op eerder aangeleerde spellingcategorieën. Deze lessen staan in het werkboek. In de handleiding worden de lessen toegelicht. Na het controledictee werkt een deel van de leerlingen in week 4 aan herhalingstaken. Zij doen dat interactief aan de hand van Spellingspoor of zelfstandig met het Computerprogramma Spelling in beeld e. De overige leerlingen gaan zelfstandig aan de slag met plustaken van Taalmaker e en het Computerprogramma Spelling in beeld e. Hieronder zijn de activiteiten en de te gebruiken materialen in een schema geplaatst. Week 1, 2 en 3 Week 4 Basisstof Lessen (werkboek en Controledictee uitlegkaarten) Signaaldictee (handleiding en kopieerboek) (handleiding en kopieerboek) Herhalingstaken Geen Spellingspoor Computerprogramma Spelling in beeld Plustaken Taalmaker Computerprogramma Spelling in beeld Taalmaker Computerprogramma Spelling in beeld Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 9 -Spellingin

n -Spelling- hl algemene handleiding De leerstof in Spelling in beeld Het Nederlandse Spellingsysteem De Nederlandse taal kent een alfabetisch schriftsysteem. Dat betekent dat afzonderlijke klanken van een woord (fonemen) door een beperkt aantal tekens (grafemen) worden weergegeven. Door dit fonologisch beginsel zou het Nederlandse spellingsysteem ook voor kinderen doorzichtig moeten zijn. Maar de spelling van woorden in het Nederlands wordt niet alleen bepaald door het fonologisch beginsel, maar ook nog door andere beginselen, die met dat fonologisch beginsel in strijd zijn. Het morfologisch beginsel heeft betrekking op de vorm van de woorden. Van dat beginsel zijn de volgende twee regels afgeleid: de regel van de gelijkvormigheid en de regel van de overeenkomst. De regel van de gelijkvormigheid houdt in dat een woord steeds op dezelfde manier geschreven wordt. Omdat honden geschreven wordt met een d, wordt ook hond met een d geschreven. De regel van de overeenkomst houdt in dat de opbouw van een woord in de schrijfwijze zichtbaar wordt. Om die reden wordt breedte gevormd als lengte, dorpsstraat als dorpsweg. Het derde beginsel is het etymologisch beginsel. Dat houdt in dat de oorspronkelijke schrijfwijze bepalend is voor de schrijfwijze. Dit beginsel geldt bijvoorbeeld voor woorden die in het verleden verschillend werden uitgesproken, zoals rauw en rouw. Het beginsel van de taal van herkomst bepaalt de schrijfwijze van veel woorden in de Nederlandse taal die uit andere talen afkomstig zijn. Daarnaast zijn de regels voor de verdubbeling en verenkeling van kracht. Al naar gelang klankgroepen (de stukjes waarin woorden worden uitgesproken) op een lange klinker of een korte klinker eindigen, geldt de regel van de verenkeling of de regel van de verdubbeling. Al deze beginselen en regels, die ook weer uitzonderingen kennen, zijn van invloed op de spelling. Daardoor is het voor kinderen niet eenvoudig greep te krijgen op het Nederlandse spellingsysteem. Doelstelling spellingonderwijs De doelstelling van het spellingonderwijs is: de leerlingen zijn in staat spelling als functionele taalactiviteit te hanteren. In gewone schriftelijke uitingen kunnen ze zonder fouten spellen. Spellingstrategieën Spelling in beeld richt zich zowel op het spellingproduct (het juist spellen van zo veel mogelijk woorden), als op het spellingproces (het kunnen bepalen van de juiste denkwijze om te komen tot de juiste spelling van een woord). Daarom krijgen spellingstrategieën veel nadruk. Een spellingstrategie is een aanpak. Hoe gaat iemand die woorden spelt te werk? Directe spellingstrategie Geoefende spellers passen bij het schrijven van de meeste woorden de directe strategie toe. Daarbij speelt het geheugen een belangrijke rol. Van elk woord is bepaalde informatie vastgelegd in het zogenaamde mentale lexicon. Daarbij gaat het om informatie over de klank, de uitspraak, de vorm, de betekenis en over de mogelijkheid het woord met andere woorden te combineren (syntactische informatie). Van verreweg de meeste woorden is zulke informatie al in het mentale lexicon aanwezig, voordat een kind deze woorden leert spellen. Bij het spellen leert het kind zulke informatie te koppelen aan de zogenaamde orthografische informatie, de informatie over hoe een woord gespeld wordt. Volgens recente theorieën zou daarbij sprake zijn van versmelting: wanneer een kind een bepaald woord hoort, wordt de overige informatie over dat woord geactiveerd. Zo kunnen leerlingen woorden ophalen uit hun geheugen. Wanneer ervaren spellers het woord bomen schrijven, passen zij de directe strategie toe, dat wil zeggen: zij hoeven er niet meer over na te denken hoe zij dat woord schrijven, zij kunnen dat woord ophalen uit hun geheugen. Het spellingonderwijs is erop gericht dat de leerlingen zo veel mogelijk woorden kunnen schrijven door toepassing van deze directe strategie, dus door de woorden uit het mentale lexicon op te halen. Maar de orthografische informatie over woorden wordt niet zomaar toegevoegd aan het mentale lexicon. Dat vergt instructie en oefening. Pas na een aantal jaren spellingonderwijs kan een kind een behoorlijk aantal frequente woorden foutloos volgens de directe strategie schrijven. Indirecte spellingstrategieën Zolang leerlingen niet de vaardigheid hebben om woorden volgens de directe strategie te schrijven, leren zij gebruik te maken van indirecte strategieën. Die zijn gericht op het herkennen van de spellingmoeilijkheid van de aan te leren woorden. Leerlingen leren deze strategieën bewust toe te passen. De aan te leren woorden zijn ingedeeld in spellingcategorieën. Voorbeelden daarvan zijn: woorden met sch~, woorden met ei en woorden op ~ee. Spelling in beeld onderscheidt bij de onveranderlijke woorden (de niet-werkwoorden) ongeveer 90 verschillende categorieën. Omdat gebleken is dat veel leerlingen moeite hebben om meerdere strategieën efficiënt toe te passen, is ervoor gekozen om het aantal hoofdstrategieën te beperken. Het is mogelijk de instructie over de verschillende spellingcategorieën te baseren op slechts drie strategieën: klankstrategie regelstrategie weetstrategie Daarnaast wordt als hulpstrategie de opzoekstrategie aangeleerd. 10 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

algemene handleiding Klankstrategie (fonologische strategie) Bij de klankstrategie wordt benadrukt dat er een vaste relatie bestaat tussen een klank en de schrijfwijze daarvan. Dat kan gaan om losse klanken: de klank /oe/ schrijf je als oe. Maar ook bij clusters van klanken is er een vaste relatie tussen klank en schrijfwijze. Zo wordt de klank /ooj/ altijd als ooi geschreven. De klankstrategie bouwt voort op het spellen in groep 3. Daarin schrijven de leerlingen woorden op door ze eerst in klanken te hakken (auditieve discriminatie) en de letters bij die klanken in de goede volgorde op te schrijven. Regelstrategie Met de regelstrategie leren de leerlingen regels toe te passen om woorden goed te schrijven. Een voorbeeld van een regel is: Hoor je aan het eind van een klankgroep een /aa/, dan schrijf je a. Je kunt het woord water niet goed schrijven door het woord in klanken te hakken en vervolgens de letters bij de klanken in de goede volgorde op te schrijven (waater). Weetstrategie (woordbeeldstrategie) Bij veel woorden bestaat er geen eenduidige koppeling van klanken en schrijfwijze. De ei klinkt hetzelfde als de ij. De leerlingen leren dat ze deze woorden moeten onthouden door inprenting. Bij andere woorden bestaat officieel wel een klankverschil, maar dat klankverschil is niet altijd duidelijk hoorbaar, onder meer door regionale verschillen. Daarom zijn woorden die beginnen met f~, v~, s~ en z~ ook bij de weetwoorden ondergebracht. Voor weer andere woorden gelden wel regels, maar die zijn omslachtig uit te leggen. Zo eindigen in het Nederlands niet veel woorden op ~b. Je kunt op die woorden wel een regelstrategie toepassen (langer maken), maar je kunt de belangrijkste woorden op ~b net zo goed leren door inprenting. Klankspoor, regelspoor, weetspoor Op de uitlegkaarten zijn de termen klankwoord, regelwoord of weetwoord vanaf groep 6 vervangen door klankspoor, regelspoor en weetspoor. De leerlingen krijgen met steeds langere woorden te maken en er moeten verschillende strategieën na elkaar worden toegepast. Leerlingen leren te denken in klankgroepen. Ze beslissen bij iedere klankgroep welk spoor ze moeten toepassen. Zo moeten ze bij het woord koudwaterkraan vaststellen dat het om een samenstelling gaat. Daarna volgen ze achtereenvolgens het weetspoor (ou of au), het regelspoor (d of t), het regelspoor (a of aa), het klankspoor (er of ur) en het klankspoor (kraan). In de hogere jaargroepen krijgen de langere woorden met gemengde sporen meer aandacht. Strategie bepalen De leerlingen wordt regelmatig gevraagd om aan te geven welke strategie bij een woord past. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de signaaldictees. Daar kruisen de leerlingen achter ieder dicteewoord één van de vier rondjes aan. Het rondje ww is vanaf groep 6 toegevoegd en verwijst naar de werkwoordspelling. Dat is een aparte leerlijn die in jaargroep 6 vanaf blok 2 aan de orde komt. In groep 4 en 5 moesten de leerlingen bij opdracht 2 in het werkboek het rondje kleuren van de strategie die bij de woorden van de week past. Vanaf groep 6 wordt dat niet meer gevraagd. Laat de leerlingen die deze rondjes toch willen kleuren, daarbij de kleuren gebruiken die bij de strategieën passen. Elke strategie is gekoppeld aan een kleur, die terugkomt op de uitlegkaarten. De klankwoorden zijn groen, de regelwoorden zijn oranje en de weetwoorden blauw. De uitlegkaarten over de werkwoordspelling zijn paars. Opzoekstrategie Het spellingonderwijs is erop gericht dat de leerlingen over de kennis en de vaardigheid beschikken om de meeste frequente woorden foutloos te schrijven. Daarnaast zullen er altijd woorden zijn waarvan de juiste spelling voor twijfels zorgt. Ook mensen die over een uitstekende spellingvaardigheid beschikken, raadplegen bij het schrijven van teksten regelmatig een woordenboek of woordenlijst. In Spelling in beeld d en e zijn structureel opzoekopdrachten opgenomen. Die zijn erop gericht dat leerlingen ook deze spellingstrategie gaan beheersen. In Spelling in beeld e zoeken de leerlingen in alle lessen 2, 4 en 6 vier woorden op. Daarvan zijn de beginletters gegeven. De punten staan voor het aantal weggelaten letters. In beginsel leidt het opzoeken in een woordenboek of een woordenlijst tot één goede oplossing. Analogiestrategie Bij de onveranderlijke woorden wordt de analogiestrategie niet gebruikt om woorden aan te leren. Het analogiebeginsel gaat ervan uit dat leerlingen zelf de overeenkomst ontdekken in een rijtje net als-woorden. Veel zwakke spellers hebben er moeite mee om die impliciete overeenkomst voor zichzelf te benoemen en te gebruiken. Daarom worden zo veel mogelijk woorden aangeleerd volgens de expliciete klankstrategie. Iedere week leren de leerlingen zes klank- of regelwoorden van de week. De leerkrachten wordt aangeraden om die woorden op het bord te schrijven en dagelijks door de leerlingen te laten omwisselen voor woorden uit dezelfde spellingcategorie (zie Activiteiten voor tussendoor). Zo wordt het analogiebeginsel dus niet toegepast om woorden te leren, maar wel om kennis over aangeleerde woorden uit te breiden naar andere woorden. Werkwoordspelling In jaargroep 6 maken de leerlingen kennis met de werkwoordspelling. De leerlijn werkwoordspelling begint in Spelling in beeld c1. Aan het eind van Spelling in beeld d2 hebben de leerlingen geleerd bijna alle werkwoordvormen correct te schrijven. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 11 -Spellingin

-Spellingn hl algemene handleiding (onregelmatig werkwoord) (onregelmatig werkwoord) (regelmatig werkwoord) (regelmatig werkwoord) woordenboekvorm: woordenboekvorm: woordenboekvorm: woordenboekvorm: lopen vinden werken redden persoonsvormen tt: persoonsvormen tt: persoonsvormen tt: persoonsvormen tt: 1. ik loop 2. hij loopt 3. wij lopen 1. ik vind 2. hij vindt 3. wij vinden 1. ik werk 2. hij werkt 3. wij werken 1. ik red 2. hij redt 3. wij redden persoonsvormen vt: persoonsvormen vt: persoonsvormen vt: persoonsvormen vt: 4. ik liep 5. wij liepen 4. ik vond 5. wij vonden 4. ik werkte 5. wij werkten 4. ik redde 5. wij redden deelwoordvorm: deelwoordvorm: deelwoordvorm: deelwoordvorm: gelopen gevonden gewerkt gered In Spelling in beeld e wordt veel geoefend met het schrijven van allerlei werkwoordvormen. De leerlijn werkwoordspelling wordt in Spelling in beeld e2 afgerond. In dat deel komt de spelling van een aantal werkwoorden aan de orde die aan het Engels zijn ontleend. De leerlijn werkwoordspelling rust op de volgende pijlers: Leerlingen denken bij het schrijven van werkwoordvormen steeds: Is het een persoonsvorm of niet? Ze beseffen dat ze bij het schrijven van persoonsvormen de keus hebben uit slechts vijf vormen. Ze weten dat ze in de tegenwoordige tijd de vraag Wel of geen t? altijd kunnen oplossen door in gedachten een vorm van het werkwoord lopen in te vullen. Bijna alle werkwoorden hebben vijf persoonsvormen (zie het schema bovenaan deze pagina). De volgende werkwoordvormen leveren vooral problemen op: In de tegenwoordige tijd zorgen de ik-vorm en de hij-vorm van werkwoorden met d, zoals vinden en worden, voor veel problemen. Voor kinderen is het verwarrend dat ze twee woorden die hetzelfde klinken de ene keer als vind, de andere keer als vindt moeten schrijven. In de verleden tijd levert de spelling van de regelmatige ( zwakke ) werkwoorden de meeste problemen op, vooral bij vormen als ik praatte en wij wachtten. Achter de ik-vorm van de tegenwoordige tijd komt ~te of ~ten, ~de of ~den te staan. De leerlingen leren: als in de woordenboekvorm vóór de uitgang ~en een medeklinker van t kofschip staat, dan is de uitgang in de verleden tijd ~te/~ten. Staat in de woordenboekvorm vóór de uitgang ~en een andere letter, dan is de uitgang in de verleden tijd ~de/~den. Een derde probleem waar de meeste leerlingen moeite mee hebben, is de spelling van werkwoorden waarvan de hij-vorm tt hetzelfde klinkt als de deelwoordvorm (gebeurt/gebeurd, vertelt/verteld). Geen persoonsvorm? Dan gelden de gewone spellingregels. De vraag Is het een persoonsvorm of niet? is de centrale vraag om een werkwoordvorm juist te schrijven. Als de werkwoordvorm geen persoonsvorm is, gelden de gewone spellingregels. Die gelden bijvoorbeeld voor de deelwoordvorm en het daarvan afgeleide bijvoeglijke naamwoord (de gemelde schade, de geredde zwemmer). Door steeds de vraag Is het een persoonsvorm of niet? als uitgangspunt te nemen, ervaren de leerlingen gaandeweg dat de spelling van de werkwoorden in beginsel een overzichtelijk systeem is. Opbouw De leerlijn werkwoordspelling in de methode Spelling in beeld kent de volgende opbouw: c1: werkwoorden herkennen van allerlei werkwoorden de drie persoonsvormen tt bij de onderwerpen ik, hij en wij schrijven; c2: van allerlei werkwoorden de drie persoonsvormen tt bij verschillende onderwerpen schrijven; d1: persoonsvorm herkennen; van allerlei werkwoorden de vijf persoonsvormen (drie in de tt, twee in de vt) bij verschillende onderwerpen schrijven; d2: van werkwoorden op ~ten en ~den de vijf persoonsvormen bij verschillende onderwerpen schrijven; van allerlei werkwoorden de deelwoordvorm (voltooid deelwoord) schrijven; werkwoordvormen schrijven waarvan de hij-vorm tt hetzelfde klinkt als de deelwoordvorm (gebeurt/gebeurd, vertelt/verteld); van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden schrijven; e1: oefenen en toepassen van alle werkwoordvormen; e2: oefenen en toepassen van alle werkwoordvormen; schrijven van werkwoorden die aan het Engels ontleend zijn. 12 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

algemene handleiding Inhoud Spelling in beeld e In Spelling in beeld c en d hebben de leerlingen geleerd de persoonsvormen in de tegenwoordige en de verleden tijd te schrijven. In blok 8 van Spelling in beeld d zijn ook de werkwoorden met be~, ge~, her~, ver~, ont~ en de van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden aangeboden. Daarmee is in groep 7 alle belangrijke leerstof over werkwoordspelling aan de orde gekomen. Uiteraard betekent dat niet, dat de leerlingen aan het begin van groep 8 de werkwoordspelling in de vingers hebben. Om dat te bereiken is het belangrijk dat zij veel gelegenheid krijgen de leerstof in te oefenen. Handleiding online Deze handleiding is bedoeld om u zo effectief en prettig mogelijk met Spelling in beeld te laten werken. Om deze reden is er ook voor gekozen om dit algemene gedeelte van de handleiding zo compact mogelijk te houden. Mocht u behoefte hebben aan meer of meer gedetailleerde informatie over Spelling in beeld, dan kunt u hiervoor terecht op de website www.spellinginbeeld.nl. Hier vindt u het onlinegedeelte van de handleiding met alle aanvullende informatie die u zoekt. In blok 1 van Spelling in beeld e komt de spelling van de vijf persoonsvormen tt en vt in les 3 opnieuw aan de orde. Merkt u dat de samenvatting op uitlegkaart WW20 voor sommige leerlingen te beknopt is? Neem dan volgende uitlegkaarten nogmaals met de leerlingen door: WW13: vt regelmatige ww: t kofschip WW14: vt regelmatige ww op ~ven en ~zen WW15: vt regelmatige ww op ~ten WW16: vt regelmatige ww op ~den In blok 2 worden twee lessen gewijd aan kwesties die voor veel leerlingen problemen opleveren: werkwoordvormen die gelijk klinken, maar verschillend geschreven worden (zoals: wij rusten/ wij rustten). werkwoorden met be~, ge~, her~, ver~, ont~. Dat zijn lastige werkwoorden, omdat de hij-vorm tt hij herhaalt hetzelfde klinkt als de deelwoordvorm herhaald. In blok 4 komen de van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden aan de orde. Het uitgangspunt daarbij is steeds: dat zijn geen persoonsvormen, dus gelden de gewone spellingregels. Daarom schrijf je de gemelde schade, de vergrote foto en de geschudde kaarten. Al deze leerstof is eerder in Spelling in beeld d aan de orde gekomen. In blok 6 van Spelling in beeld e wordt instructie gegeven over de spelling van een aantal werkwoorden die uit het Engels afkomstig zijn. Opdrachten in andere lessen In iedere les staat altijd één opdracht waarin een eerder aangeboden instructie over werkwoordspelling wordt verwerkt. Die lijn is in Spelling in beeld c ingezet en wordt in Spelling in beeld d en e voortgezet. In Spelling in beeld e gebeurt dat steeds in opdracht 6. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 13 -Spellingin In Spelling in beeld e ligt het accent dus op de inoefening van eerder aangeboden leerstof. Dat gebeurt in de lessen die aan werkwoordspelling zijn gewijd. Soms worden daarin uitlegkaarten uit Spelling in beeld d opnieuw, ongewijzigd aangeboden. Soms wordt de leerstof uit Spelling in beeld d anders geordend en op een nieuwe kaart aangeboden.

n -Spelling- hl algemene handleiding Leerstofoverzicht groep 8: Spelling in beeld deel e1 blok 1 R11: woorden met meer klankgroepen: overzicht R19: lange woorden: overzicht W1: woorden met ei W2: woorden met ij WW20: persoonsvormen: overzicht blok 2 K32: vaste stukjes: ~teit, ~air, ~oir W24a: Franse leenwoorden 1 W24b: Franse leenwoorden 1 WW18: werkwoorden met be~, ge~, her~, ver~, ont~ WW21: persoonsvormen die hetzelfde klinken blok 3 R25: samenstellingen met de tussenklank /u(n)/ R26: samenstellingen met tussenklank /u(n)/: uitzonderingen R27: woorden met de tussenklank /u(n)/: overzicht W10: woorden met /ie/ = i W27: woorden met lange klinker die als een korte klinker klinkt blok 4 K33: woorden op ~iaal, ~ieel, ~ueel R28: bijvoeglijke naamwoorden: overzicht W22: struikelblokken 1 W23: struikelblokken 2 WW19: van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden K= klankspoor R= regelspoor W= weetspoor WW= werkwoorden groep 8: Spelling in beeld deel e2 blok 5 R29: bezitsvormen R30: botsende klinkers: trema R31: botsende klinkers: geen trema W16: woorden met x W28: woorden met q blok 6 R14: hoofdletters W29: Engelse leenwoorden W30: woorden met in het midden een stomme e WW22: drie werkwoordvormen WW23: werkwoordvormen van Engelse werkwoorden blok 7 R32: samenstellingen: overzicht R33: aardrijkskundige namen W17: woorden die hetzelfde klinken W25: Franse leenwoorden 2 W31: woorden met niet uitgesproken letters blok 8 K34: vaste stukjes: overzicht W26: Franse leenwoorden 3 W32: woorden met /t/ = d en /p/ = b W33: woorden met twee c s WW21: persoonsvormen die hetzelfde klinken Een compleet leerstofoverzicht van de hele methode Spelling in beeld vindt u op de website www.spellinginbeeld.nl in het onderdeel handleiding online. 14 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

-Spellingn hl informatie voorafgaand aan blok 7 activiteit spellingcategorie spellingstrategie woorden van de week week 1 les 1 R32: samenstellingen: overzicht regelspoor ronddraaien de schadevergoeding openvouwen het hondenhok het dorpsplein de dorpsstraat les 2 W25: Franse leenwoorden 2 weetspoor het café privé de logé het diner het atelier de premier de enquête het crêpepapier week 2 les 3 W17: woorden die hetzelfde klinken les 4 W31: woorden met niet uitgesproken letters weetspoor weetspoor uittrekken uitrekken reizen rijzen bereiden berijden een bal van jou/ jouw bal een pen van u/ uw pen tweedehands het nachtkastje het gedichtje de ontdekking de erwt de ambtenaar bowlen knock-out week 3 les 5 R33: aardrijkskundige namen regelspoor Arnhem Noord-Brabant Noord-Brabantse Amsterdam-West Oost-Europa de Noordzee eventueel: signaaldictee week 4 les 6: herhaling spellingcategorieën blok 7 herhaling eerder aangeboden spellingcategorieën controledictee vervolgactiviteiten: plustaken herhalingstaken geen nieuwe spellingcategorieën R22: woorden met een trema R30: botsende klinkers: trema R31: botsende klinkers: geen trema 40 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

materiaal w e2: pagina 28 en 29 u R32 spellingschrift hl e2: pagina 42 w e2: pagina 30 en 31 u W25 spellingschrift woordenlijst of woordenboek hl e2: pagina 43 blok 7 verhalen w e2: pagina 32 en 33 u W17 spellingschrift hl e2: pagina 44 w e2: pagina 34 en 35 u W31 spellingschrift woordenlijst of woordenboek hl e2: pagina 45 w e2: pagina 36 en 37 u R33 spellingschrift hl e2: pagina 46 hl e2: pagina 47 k leerlingblad signaaldictee e w e2: pagina 38 en 39 spellingschrift woordenlijst of woordenboek hl e2: pagina 48 u R22, R30, R31 k leerlingblad controledictee e hl e2: pagina 49 u R32, R33, W17, W25, W31 Spellingspoor Computerprogramma Spelling in beeld Taalmaker Preteaching voor leerlingen met een beperkte woordenschat Bespreek met deze leerlingen de betekenis van de woorden die de komende lessen aan de orde komen. Zo voorkomt u dat deze leerlingen tijdens de lessen te veel aandacht moeten besteden aan de betekenis van de woorden. Preteaching voor leerlingen die moeite hebben met spelling Geef leerlingen die structureel moeite hebben met spelling voorinstructie. Zo bevordert u dat deze leerlingen de uitleg tijdens de lessen makkelijker opnemen en verwerken. Gebruik daarbij de kopieerbladen extra oefening. Voor iedere spellingcategorie is een kopieerblad extra oefening opgenomen in het kopieerboek. Bespreek, voorafgaand aan de lessen, met deze leerlingen de opdrachten op het kopieerblad en de uitleg op de uitlegkaart. Bespreek eventueel ook alvast een aantal opdrachten in het werkboek. Laat de leerlingen de opdrachten op het kopieerblad extra oefening maken. Spelfouten in ander werk Besteed aandacht aan spelfouten in ander werk. Beperk u daarbij tot spellingcategorieën die in de methode aan de orde zijn geweest. Let deze weken met name op de categorieën van dit blok. Schrijf bij fouten eventueel het nummer van de spellingcategorie. Laat een leerling die regelmatig fouten in een bepaalde categorie maakt, daarmee extra oefenen. Gebruik daarbij de kopieerbladen extra oefening. Voor iedere spellingcategorie is een kopieerblad extra oefening opgenomen in het kopieerboek. Herhaling Opdracht 7 van les 1, 3 en 5 is een herha lingsopdracht. Leerstof waarover eerder instructie is gegeven, komt hier nogmaals aan de orde. Omdat de kennis van deze leerstof bekend wordt verondersteld, staan bij deze herhalingsopdrachten niet de nummers van de bijbehorende uitlegkaarten vermeld. Wanneer een leerling moeite met een bepaalde spellingcategorie blijkt te hebben, laat u die leerling de betreffende uitlegkaart nog eens doornemen. Het gaat bij herhalingsopdracht 7 om klankwoorden, regelwoorden en weetwoorden. De herhalingsstof over werkwoordspelling komt steeds in opdracht 6 aan de orde. Meer herhalingssuggesties vindt u op de website www.spellinginbeeld.nl in het onderdeel handleiding online. Hier vindt u ook een compleet overzicht van alle leerstof die in Spelling in beeld aan de orde komt. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 41 -Spellingin

-Spellingn hl blok 7 cultuur les 1 y Lesactiviteiten y Organisatie en differentiatie y Doelen De leerlingen kunnen samenstellingen correct schrijven. De leerlingen oefenen met werkwoordspelling. y Materialen/lesstof basisstof w e2, pagina 28 en 29 u R32 Spellingschrift extra stof extra opdracht werkboek Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Op verkenning De leerlingen activeren hun voorkennis over samenstellingen. Ze kruisen de samenstellingen aan die bij een afbeelding van een optredende rockband passen. Uitleg De leerlingen krijgen op uitlegkaart R32 uitleg over het schrijven van samenstellingen. Deze uitleg is een samenvatting van de uitleg die de leerlingen eerder op verschillende kaarten hebben doorgenomen. Aan de slag Bij opdracht 3 kruisen de leerlingen in een woordentabel de samenstellingen aan. Ze schrijven op van welke woorden vier samenstellingen zijn gemaakt en kruisen aan of in die samenstellingen tussenletters (s of en) staan (opdracht 4 ). Bij opdracht 5 schrijven ze in hun spellingschrift twaalf samenstellingen in drie rubrieken: met tussen-s, met ~en~, zonder tussenletters. Bij opdracht 6 schrijven de leerlingen van tien werkwoorden drie werkwoordvormen op: woordenboekvorm - ik-vorm vt - deelwoordvorm. Als herhalingsopdracht maken de leerlingen woorden af met één of twee medeklinkers (opdracht 7 ). Bij opdracht 8 vullen ze afgebeelde samenstellingen in een puzzelschema in. Ze maken van losse woorden goede samenstellingen (opdracht 9 ). Terugkijken Als evaluatieopdracht geven de leerlingen aan welke uitspraken over de spelling van drie samenstellingen juist zijn. Activiteiten voor tussendoor Maak op het bord drie kolommen: Schrijf erboven: zonder tussenletters, met tussenklank /u(n)/, met tussen-s, Laat de leerlingen samenstellingen noemen die in de kolommen passen. Let erop dat woorden als ruimtevaart en binnenpret niet in de kolom met tussenklank /u(n)/, maar in de kolom zonder tussenletters geplaatst worden. Neem de samenstellingen de volgende dag door en laat ze aanvullen. Oefen zo dagelijks met samenstellingen. Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Laat de leerlingen andere instrumenten noemen. Laat hen aangeven of ze daarbij aan populaire muziek of eerder aan klassieke muziek denken. Voorbeelden populaire muziek: accordeon, banjo, mondharmonica, orgel, keyboard, synthesizer, bongo s, tamboerijn. Voorbeelden klassieke muziek: viool, cello, dwarsfluit, hobo, fagot, piccolo, harp, vleugel. Laat de leerlingen andere samenstellingen bedenken die te maken hebben met het luisteren naar muziek. Voorbeelden: mp3-speler, hitparade, videoclip, volumeknop. Extra bij Uitleg Maak duidelijk dat de uitleg op kaart R32 een samenvatting is van de uitleg die op eerdere kaarten aan de orde gekomen is. Laat de leerlingen voorbeelden noemen van samenstellingen waarin de laatste letter van het eerste deel gelijk is aan de eerste letter van het tweede deel. Voorbeelden: clubblad, handdoek, klokkijken, stoelleuning, bommelding, aannemer, slaapplaats, kantoorruimte, uittrekken, bouwwerk, jazzzanger. Laat de leerlingen voorbeelden noemen van samenstellingen waarvan het linkerdeel op e eindigt. Voorbeelden: etalagepop, limonadefles, secondewijzer, vanillevla, benzinepomp. Laat de leerlingen voorbeelden noemen van samenstellingen waarvan het linkerdeel op en eindigt. Voorbeelden: samenwerking, molenwiek, keukenkast, binnenband, torenkraai. Laat de leerlingen voorbeelden noemen van samenstellingen van twee woorden waar een tussenklank /u(n)/ bij is gekomen. Voorbeelden: muggenbult, ruggengraat, worstenbroodje, apenstaart, beukenboom, hartenlust, hondenneus. Laat de leerlingen voorbeelden noemen van samenstellingen met een tussen-s. Voorbeelden: stadspark, stationsplein, knoopsgat, varkensstaart, gezelschapsspel, gezinsleven. Neem eventueel kaart R24 en R25 nog eens door. Extra bij Terugkijken Bespreek met de leerlingen wat zij in deze les geleerd hebben. Gedifferentieerd leren Laat de leerlingen die dat kunnen, zelfstandig werken. Begeleid leerlingen die moeite met spelling hebben. Neem met hen de opdrachten stap voor stap door. 42 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

hl blok 7 cultuur les 2 y Lesactiviteiten y Organisatie en differentiatie y Doelen De leerlingen kunnen acht Franse leenwoorden correct schrijven. De leerlingen oefenen met werkwoordspelling. y Materialen/lesstof basisstof w e2, pagina 30 en 31 u W25 Spellingschrift Woordenlijst of woordenboek extra stof extra opdracht werkboek Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Op verkenning De leerlingen maken kennis met nieuwe Franse leenwoorden. Ze vullen vier Franse leenwoorden in een tekst in. Uitleg De leerlingen krijgen op uitlegkaart W25 uitleg over een aantal nieuwe Franse weetwoorden. Wijs hen erop dat ze de woorden van de week A moeten onthouden. Laat hen ook de woorden van de week B goed doornemen. Aan de slag Bij opdracht 3 vullen de leerlingen woorden van de uitlegkaart in acht zinnen in. Ze schrijven op welke woorden van de uitlegkaart ze in zes samenstellingen herkennen (opdracht 4 ). Bij opdracht 5 schrijven ze in hun spellingschrift twaalf woorden in twee rubrieken: /ee/ van zee en /e/ van bel. De leerlingen vullen werkwoordvormen in zinnen in en zoeken in een woordenlijst of een woordenboek vier woorden op die deels onleesbaar zijn gemaakt (opdracht 6 en 7 ). Bij opdracht 8 vullen ze vijftien Franse leenwoorden als rijmwoorden in drie rubrieken in. Ze maken woorden in zinnen af met é, è of ier en schrijven die nogmaals op (opdracht 9 ). Terugkijken Als evaluatieopdracht geven de leerlingen aan in welk vak alle woorden juist ge speld zijn. Ze strepen drie fouten door. Activiteiten voor tussendoor Laat de leerlingen samenstellingen bedenken met de woorden van de uitlegkaart, zoals cafébezoekers, privéterrein, bruiloftsdiner, schil ders atelier, vicepremier, enquêteformulier, zeehondencrèche, nachtcrème, openingsscène, wereldpremière, zangcarrière, dessertlepel en heren colbert. Neem de bordwoorden dagelijks door. Moedig de leerlingen aan op zoek te gaan naar andere samenstellingen die deze woorden kunnen vervangen. Oefen zo dagelijks met Franse leenwoorden. Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Lees aan het begin van de les alle woorden op de uitlegkaart een keer voor om misverstanden over de uitspraak te voorkomen. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Lees aan het begin van de les alle woorden op de uitlegkaart een keer voor om misverstanden over de uitspraak te voorkomen. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Laat de leerlingen Nederlandse begrippen noemen voor de invulwoorden dessert (nagerecht, toetje), diner (warme maaltijd), scène (stukje van een toneelstuk of film) en première (eerste voorstelling). Wijs op de accenten op de woorden scène en première. Eerder hebben de leerlingen al de woorden café (woorden met /k/ = c) en enquête (woorden met q) geleerd. In die woorden staan andere accenttekens. Extra bij Uitleg Bespreek de woorden op uitlegkaart W25. Wijs erop dat de woorden van de week B niet meer in een aparte les aan de orde komen. Bespreek de punten op de uitlegkaart. Wijs erop dat vroeger in hoge (adellijke) kringen in Nederland de Franse cultuur in hoog, verfijnd aanzien stond. Dat heeft ertoe bijgedragen dat voor veel begrippen met een deftige betekenis Franse leenwoorden in het Nederlandse taal zijn opgenomen. Wijs op de betekenis van het Franse woord premier: eerste. Die betekenis komt zowel terug in het woord premier (eerste minister) als in het woord première (eerste voorstelling). Wijs op de meervoudsvormen cafés en comités. Omdat bij deze schrijfwijze geen verwarring mogelijk is, schrijf je deze woorden zonder s (komma s). Bespreek de betekenis van de volgende begrippen of laat de leerlingen die in tweetallen bespreken: crèche, crème, carrière en beige. Neem met de leerlingen de Franse leenwoorden op kaart W24 door. Die zijn eerder in blok 2 aan de orde gekomen. Extra bij Terugkijken Bespreek de betekenis van de opzoekwoorden van opdracht 7. Bespreek met de leerlingen wat zij deze les hebben geleerd. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 43 -Spellingin

n -Spelling- hl blok 7 cultuur les 3 y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen activeren hun kennis over woorden die hetzelfde klinken maar verschillend geschreven worden. Ze kiezen telkens uit twee gelijkklinkende woorden welk woord bij een plaatje past. y Organisatie en differentiatie Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. y Doelen De leerlingen kunnen woorden die hetzelfde klinken maar verschillend geschreven worden, correct schrijven. De leerlingen oefenen met werkwoordspelling. y Materialen/lesstof basisstof w e2, pagina 32 en 33 u W17 Spellingschrift extra stof extra opdracht werkboek Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Uitleg De leerlingen krijgen op uitlegkaart W17 uitleg over woorden die hetzelfde klinken maar verschillend geschreven worden. Aan de slag Bij opdracht 3 en 4 kiezen de leerlingen telkens uit twee gelijkklinkende woorden het juiste woord om in een zin in te vullen. In opdracht 3 gaat het om de woorden reizen en rijzen, in opdracht 4 om persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden. Ze maken woorden af en schrijven tien woordgroepjes in twee rubrieken: woorden met ei en woorden met ij (opdracht 5 ). Bij opdracht 6 vullen de leerlingen van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden in zinnen in. Als herhalingsopdracht maken ze acht woorden af met oe of ou en schrijven die in hun spellingschrift (opdracht 7 ). Bij opdracht 8 kiezen ze telkens uit drie gelijkklinkende woorden het juiste woord om in een zin in te vullen. Ze maken woorden in zinnen met één of twee letters af en schrijven die nogmaals op (opdracht 9 ). Terugkijken Als evaluatieopdracht bepalen de leerlingen welke zinnen over twee gelijkklinkende woorden juist zijn. Activiteiten voor tussendoor Schrijf op het bord: klank gelijk, spelling verschillend. Laat de leerlingen woorden noemen die hierbij passen. Schrijf de twee of drie spelwijzen op het bord. Schrijf bij werkwoordvormen het onderwerp ik of hij. Laat de leerlingen de woorden in zinnen gebruiken. Moedig de leerlingen aan op zoek te gaan naar andere woorden die in de kolom passen. Neem de bordwoorden de volgende dag door en laat ze aanvullen. Oefen zo dagelijks met woorden die hetzelfde klinken maar verschillend gespeld worden Begeleid leren Extra bij Op verkenning Laat de leerlingen zinnen bedenken waarin de betekenis van de keuzewoorden van opdracht 1 duidelijk naar voren komt: eentje, eendje, wij, wei, steil, stijl, hart, hard. Laat de leerlingen andere woorden noemen die hetzelfde klinken, maar verschillend geschreven worden. In groep 6 en 7 zijn de volgende gelijkklinkende woordparen aan de orde gekomen: ik zei/zij, mei/mij, hei/hij, licht/hij ligt, ik houd/hij houdt/hout, leiden/lijden, moed/ik moet, rauw/rouw, eis/ijs, wind/hij wint, schild/hij schilt, raad/ hij raadt, nood/noot, wet/ik wed/hij wedt, wand/want, graad/graat, kruid/kruit. Extra bij Uitleg Lees de volgende zinnetjes voor. Laat de leerlingen de spelling van de onderstreepte woorden toelichten. Ik moest me uitrekken om iets van de optocht te zien. Je moet je jas uittrekken. Het deeg moet nog rijzen. Ze maakte verre reizen. De kok bereidt het diner. Hij berijdt een kameel. Ik ken jou! Is dit jouw kamer? Wilt u uw auto ergens anders parkeren? Bespreek de punten van de uitlegkaart. Bij woorden die hetzelfde klinken let je in de eerste plaats op mogelijk verschil in betekenis. Wijs erop dat bij sommige gelijkklinkende woorden de ene vorm een persoonsvorm kan zijn en de andere vorm niet. Voor persoonsvormen gelden de regels van de vijf pv s, voor andere woorden gelden de gewone spellingregels. Maak duidelijk: de vraag Is het een persoonsvorm of niet? is de sleutel om het lastige probleem hij beleeft/hij heeft beleefd, het gebeurt/het is gebeurd op te lossen. En die vraag komt ook aan de orde bij woorden als /hout/, /wet/ en /raat/: hout, ik houd, hij houdt; wet, ik wed, hij wedt; raad, ik raad, hij raadt. Bespreek de gelijkklinkende woorden jou en jouw en de bijna gelijkklinkende woorden u en uw. Laat de leerlingen voorbeeldzinnetjes met deze woordjes bedenken. Extra bij Terugkijken Bespreek met de leerlingen wat zij deze les hebben geleerd. 44 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

hl blok 7 cultuur les 4 y Doelen De leerlingen kunnen acht woorden met niet uitgesproken letters correct schrijven. De leerlingen oefenen met werkwoordspelling. y Materialen/lesstof basisstof w e2, pagina 34 en 35 u W31 Spellingschrift Woordenlijst of woordenboek extra stof extra opdracht werkboek Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen maken kennis met woorden waarvan je de letters niet, of niet altijd duidelijk, uitspreekt. Ze schrijven de verkleinwoorden van samenstellingen met ~kast bij vijf plaatjes. Uitleg De leerlingen krijgen op uitlegkaart W31 uitleg over woorden met letters die niet (of niet duidelijk) worden uitgesproken. Wijs hen erop dat ze de woorden van de week A moeten onthouden. Laat hen ook de woorden van de week B goed doornemen. Aan de slag Bij opdracht 3 vullen de leerlingen woorden van de uitlegkaart in acht zinnen in. Ze schrijven de woorden van de uitlegkaart op die ze in zes samenstellingen herkennen (opdracht 4 ). Bij opdracht 5 maken ze samenstellingen af en schrijven die in hun spellingschrift. De leerlingen vullen vier werkwoordschema s in en zoeken in een woordenlijst of een woordenboek vier woorden op die deels onleesbaar zijn gemaakt (opdracht 6 en 7 ). Ze kleuren in een woordenschema de woorden waarvan je de laatste letter niet (of: meestal niet) uitspreekt (opdracht 8 ). Bij opdracht 9 maken ze woorden in zinnen met één of twee letters af en schrijven die nogmaals op. Terugkijken Als evaluatieopdracht bepalen de leerlingen welke zinnen over woorden met niet uitgesproken letters juist zijn. Activiteiten voor tussendoor Maak op het bord twee kolommen: t of d niet uitgesproken en h niet uitgesproken. Laat de leerlingen woorden noemen die in de kolommen passen, zoals maillot, filet, record, plafond en thuis, thema, spaghetti en yoghurt. Moedig de leerlingen aan op zoek te gaan naar andere woorden die in de kolommen passen. Neem de woorden de volgende dag door en laat ze aanvullen. Oefen zo dagelijks met woorden met niet uitgesproken letters. y Organisatie en differentiatie Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Lees aan het begin van de les de woorden op de uitlegkaart voor om misverstanden over de uitspraak te voorkomen. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Lees aan het begin van de les de woorden op de uitlegkaart voor om misverstanden over de uitspraak te voorkomen. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Bespreek de opdracht. Maak duidelijk dat je het verkleinwoord kastje meestal uitspreekt als /kasje/. De t spreek je alleen uit als je bewust articuleert. Maar je moet de t wel opschrijven. Laat de leerlingen nog meer zelfstandige naamwoorden op ~st bedenken. Voorbeelden: lijst, feest, kist, kwast, beest, orkest, nest, tekst, kunst, worst en samenstellingen met deze woorden. Bespreek van de genoemde woorden de verkleinwoorden. Ook daarin spreek je de t meestal niet uit. Extra bij Uitleg Bespreek de woorden op uitlegkaart W31. Wijs erop dat de woorden van de week B niet meer in een aparte les aan de orde komen. Bespreek de punten op de uitlegkaart. Bespreek de betekenis van de volgende begrippen, of laat de leerlingen die in tweetallen bespreken: ambtenaar, bowlen, knock-out, filet, scenario en maillot. Laat de leerlingen samenstellingen bedenken met de woorden op de uitlegkaart. Laat hen de bedachte woorden op het bord schrijven. Voorbeelden: tweedehandswinkel, sinterklaasgedichtje, ontdekkingsreis, doperwten, rijksambtenaar, bowlingbaan, knock-outsysteem, scholfilet, slotscène, filmscenario, plafondschildering, recordprijs, vanilleyoghurt, volkorenspaghetti. Laat de leerlingen woorden met th noemen. Daarin wordt de h niet uitgesproken. Neem eventueel de woorden op uitlegkaart W13 nog eens met de leerlingen door. Extra bij Terugkijken Bespreek de betekenis van de opzoekwoorden van opdracht 7. Bespreek met de leerlingen wat zij in deze les hebben geleerd. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 45 -Spellingin

n -Spelling- hl blok 7 cultuur les 5 y Organisatie en differentiatie y Lesactiviteiten Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. y Doelen De leerlingen kunnen aardrijkskundige namen correct schrijven. De leerlingen oefenen met werkwoordspelling. y Materialen/lesstof basisstof w e2, pagina 36 en 37 u R33 Spellingschrift extra stof extra opdracht werkboek Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Op verkenning De leerlingen maken kennis met aardrijkskundige namen met een streepje, zoals Zuid- Holland. Ze vullen als antwoord op enkele aardrijkskundige vragen vier begrippen in zinnen in. Uitleg De leerlingen krijgen op uitlegkaart R33 uitleg over het schrijven van aardrijkskundige namen, met name aardrijkskundige namen die beginnen met Noord-, Zuid-, West- en Oost-. Aan de slag Bij opdracht 3 schrijven de leerlingen bijvoeglijke naamwoorden op die zijn afgeleid van aardrijkskundige namen. Ze schrijven de namen van talen op die van landennamen zijn afgeleid (opdracht 4 ). Bij opdracht 5 maken ze vijf rijtjes van telkens drie aardrijkskundige namen: gebied, bijv. naamw. en inwoner. Bij opdracht 6 schrijven de leerlingen van tien werkwoorden drie werkwoordvormen op: woordenboekvorm - ik-vorm v t- deelwoordvorm. Als herhalingsopdracht maken de leerlingen woorden af met x en q en schrijven die nogmaals op (opdracht 7 ). Bij opdracht 8 schrijven de leerlingen op wat zes afkortingen op een wereldkaart betekenen. Ze schrijven de namen van streken op die omschreven worden (opdracht 9 ). Terugkijken Als evaluatieopdracht bepalen de leerlingen in welke zin alle woorden juist zijn gespeld. Ze strepen twee fouten door. Activiteiten voor tussendoor Maak op het bord drie kolommen: land, inwoner en bijvoeglijk naamwoord. Schrijf op Nederland Nederlander - Nederlands. Laat de leerlingen zulke rijtjes noemen van andere landen. Schrijf ze op het bord. Neem de woorden de volgende dag door en laat ze aanvullen. Oefen zo dagelijks met aardrijkskundige namen. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Bespreek de opdracht. In de tekst staan aardrijkskundige namen die met Zuid- beginnen. Laat de leerlingen aardrijkskundige namen in Nederland noemen die met Noord- beginnen. Voorbeelden: Noord-Brabant, Noord-Holland, Noord-Beveland, Noordwijk, Noordwijkerhout, Noordoostpolder, Noordzee, Noordzeekanaal. Laat de leerlingen bij een aantal aardrijkskundige namen land, inwoner en bijvoeglijk naamwoord noemen. Voorbeelden: Duitsland, Duitser, Duits; Zuid-Afrika, Zuid-Afrikaan, Zuid-Afrikaans. Extra bij Uitleg Bespreek de woorden van de week en de extra woorden. Bespreek de punten op de uitlegkaart. Wijs erop dat je ook de namen van talen met een hoofdletter schrijft: Nederlands, Frans, Spaans, Hebreeuws, Arabisch. Wijs erop dat het streepje in Noord-Brabant, Zuid-Holland, enzovoort, in de daarvan afgeleide inwonernamen en bijvoeglijke naamwoorden blijft staan. Maar vroeger was dat niet zo. Daarom kun je in teksten nog regelmatig woorden als Zuidamerikaans tegenkomen. En daarom heeft het kanaal door Noord-Holland destijds de naam Noordhollands Kanaal gekregen. Maak duidelijk dat de vorming van inwonernamen en bijvoeglijke naamwoorden niet volgens een regelmatig systeem gebeurt. Vergelijk: Maleisië/ Maleisiër/ Maleisisch; Azië/ Aziaat/ Aziatisch; België/ Belg/ Belgisch; Italië/ Italiaan/ Italiaans; Argentinië/ Argentijn/ Argentijns. Laat de leerlingen de namen van de planeten in ons zonnestelsel noemen: Mercurius, Venus, aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus, Pluto. Extra bij Terugkijken Bespreek met de leerlingen wat zij in deze les geleerd hebben. 46 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

hl blok 7 signaaldictee y Doel De leerlingen worden zich ervan bewust of zij de volgende spellingcategorieën beheersen: regelspoor: R32: samenstellingen R33: aardrijkskundige namen weetspoor: W17: woorden die hetzelfde klinken W25: Franse leenwoorden 2 W31: woorden met niet uitgesproken letters y Materiaal k leerlingblad signaaldictee e y Signaaldictee afnemen Neem na les 5 eventueel een signaaldictee af over de woorden die in dit blok zijn behandeld. Zorg ervoor dat er tussen de afname van het signaaldictee en het controledictee voldoende tijd zit om aandacht te besteden aan categorieën die niet worden beheerst. Dit signaaldictee bestaat uit twintig woorden. Alle spellingcategorieën van blok 7 worden vier keer bevraagd. Lees de zinnen van het signaaldictee voor. Laat de leerlingen de vetgedrukte woorden bij de goede nummers opschrijven op leerlingblad signaaldictee e. Laat de leerlingen achter ieder woord het rondje van de bijpassende strategie aankruisen. Laat de leerlingen een kruisje zetten achter de woorden die ze goed geschreven denken te hebben. Wijs hen erop daarbij niet overdreven bescheiden te zijn. y Woorddictee 1. We werden eerst uitgebreid gecontroleerd. Daarna mochten we pas doorrijden. R 2. Wij wonen in West-Europa. R 3. Wie verre reizen maakt, kan veel verhalen. W 4. Daar heb ik een gedichtje over geschreven. W 5. De samenwerking verloopt in één woord prima! R 6. Ik ga mijn zusje straks bij de crèche ophalen. W 7. Jordanië ligt in het Midden-Oosten. R 8. Deze schoenen zitten me echt te krap. W 9. Bonen en erwten zijn peulvruchten. W 10. Vannacht was er een mug in mijn kamer. En nu zit ik onder de muggenbulten! R 11. Dan is het toch ook een beetje jouw schuld? W 12. We hebben een logé, want mijn neefje blijft slapen. W 13. In het museum is een tentoonstelling van Noord-Afrikaanse kunst. R 14. Hij trok op zijn achttiende de wijde wereld in. W 15. Dit beeldscherm is niet nieuw, maar tweedehands. W 16. Heb je de garagedeur dichtgedaan? R 17. Heb jij de enquête ook al ingevuld? W 18. Mijn vader werkt als ambtenaar bij de gemeente. W 19. Mijn grootouders zijn echte Noord- Hollanders. R 20. Het atelier van de schilder staat achter zijn woonhuis. W y Nakijken en verbeteren Schrijf de dicteewoorden op het bord. Schrijf achter ieder woord de eerste letter van de bijpassende strategie. Laat de leerlingen aan de hand daar van hun eigen signaaldictee nakijken. Laat hen achter elk fout gespeld woord een kruisje zetten. Laat de leerlingen hun fouten verbeteren. Ze kunnen daarbij eventueel de betreffende uitlegkaarten gebruiken. Bespreek hoe de leerlingen de strategierondjes hebben ingevuld. Laat hen een woord niet als fout tellen als ze alleen de verkeerde stra tegie hebben aangekruist. Be spreek eventueel kort de gekozen strategieën. Raad leerlingen die fouten hebben gemaakt aan de uitlegkaarten nog eens door te nemen. Loop rond om te kijken of in een bepaalde categorie veel fouten zijn gemaakt. Besteed daar klassikaal aandacht aan. Kies in herhalingsles 6 voor begeleid leren, als uit de fouten blijkt dat veel leerlingen een bepaalde categorie nog niet beheersen. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 47 -Spellingin

n -Spelling- hl blok 7 cultuur les 6 y Doelen De leerlingen oefenen met regelwoorden (samenstellingen) en weetwoorden (Franse leenwoorden, woorden die hetzelfde klinken maar verschillend geschreven worden en woorden met niet uitgesproken letters). De leerlingen oefenen met woorden met botsende klinkers (met en zonder trema) (herhaling eerder aangeboden leerstof). y Materialen/lesstof basisstof w e2, pagina 38 en 39 Spellingschrift Woordenlijst of woordenboek extra stof extra opdracht werkboek Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips y Lesactiviteiten Aan de slag Alle oefeningen in deze les zijn herhalingsopdrachten. Wijs de leerlingen erop dat er geen nieuwe woorden aan de orde komen. Eventueel kunnen zij de uitlegkaarten raadplegen. Bij opdracht 1 maken de leerlingen van losse woorden goede samenstellingen. Bij opdracht 2 en 3 maken ze woorden af. Die woorden schrijven ze nogmaals op. Bij opdracht 4 zoeken ze in een woordenlijst of een woordenboek vier woorden op die deels onleesbaar zijn gemaakt. Herhaling Bij opdracht 5 kleuren de leerlingen de woorden met een trema in vier zinnen. Ze nemen eventueel de uitlegkaarten over woorden met en zonder trema nog eens door (R22, R30 en R31). Ze schrijven woorden met een trema bij vier plaatjes (opdracht 6 ). Bij opdracht 7 maken ze woorden af met e, ë en -e en schrijven die in de goede rubriek: trema, geen trema, geen streepje en streepje (samenstelling). Ze schrijven in hun spellingschrift tien woorden met een trema (opdracht 8 ). Ze maken woorden in zinnen af met e of ë en schrijven die woorden nogmaals op (opdracht 9 ). leerlingen die moeite hebben met spelling Geef een korte herhalingsinstructie over de spellingcategorieën die in blok 7 aan de orde zijn gekomen. Laat de leerlingen eventueel nogmaals een aantal uitlegkaarten doornemen van spellingcategorieën die in deze les aan de orde komen: R22: woorden met een trema; R30: botsende klinkers: trema; R31: botsende klinkers: geen trema; R32: samenstellingen: overzicht; W17: woorden die hetzelfde klinken; W25: Franse leenwoorden 2; W31: woorden met niet uitgesproken letters. y Organisatie en differentiatie Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. In deze les wordt de leerstof van blok 7 en drie eerder aangeboden spellingcategorieën herhaald. Overweeg daarom de leerlingen individueel te laten werken. Begeleid leren In deze les wordt de leerstof van blok 7 en drie eerder aangeboden spellingcategorieën herhaald. Overweeg daarom alleen een korte werkinstructie over de bedoeling van de opdrachten te geven. Geef wel aanvullende instructie over één of meer spellingcategorieën als uit het (facultatieve) signaaldictee na les 5 blijkt dat leerlingen daar nog moeite mee hebben. Gedifferentieerd leren Geef de leerlingen die zelfstandig kunnen werken, alleen een korte werkinstructie. Begeleid alleen de leerlingen die moeite hebben met spelling en zonder uw hulp niet vooruit kunnen. Neem met hen de opdrachten stap voor stap door. 48 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

hl blok 7 controledictee y Nakijken en registreren y Doel De leerlingen tonen hun beheersing van de volgende spellingcategorieën: regelspoor: R32: samenstellingen R33: aardrijkskundige namen weetspoor: W17: woorden die hetzelfde klinken W25: Franse leenwoorden 2 W31: woorden met niet uitgesproken letters y Materialen k leerlingblad controledictee e k leerkrachtblad controledictee e2 blok 7 k registratieblad controledictees e2 y Controledictee afnemen Wij raden u aan om het controledictee aan het begin van week 4 af te nemen. Zo zit er enige tijd tussen de laatste instructieles van week 3 en het controledictee. De leerlingen maken het controledictee op het leerlingblad controledictee. U vindt dit blad in het kopieerboek. Het gebruik van dit blad maakt voor u het nakijken en registreren eenvoudiger. Vertel de leerlingen waarom het controledictee wordt afgenomen: zo wordt duidelijk of zij de spellingcategorieën van dit blok beheersen. Maak met de leerlingen afspraken zodat zij individueel, rustig en ongestoord kunnen werken. Omdat in dit blok geen twee, maar drie lessen aan weetwoorden zijn gewijd, bestaat dit controledictee niet uit 21, maar uit 19 woorden. Lees de zinnen voor. Laat de leerlingen alleen de vetgedrukte woorden opschrijven. Laat de leerlingen na de afname van het dictee hun werk goed nalezen om fouten die hen direct opvallen te verbeteren. y Woorddictee 1. Je kunt nagels knippen, maar je kunt ze ook vijlen. 2. Wit-Rusland is een land in Oost- Europa. 3. Loebas ligt buiten in zijn hondenhok lekker te slapen. 4. Moet ik gedroogde erwten of erwten in blik kopen? 5. Eindhoven is de grootste stad van Noord-Brabant. 6. Het café op de hoek heet Café Het Hoekje. 7. Het regenwater wordt hier op gevangen en later gebruikt. 8. Op mijn nachtkastje staat een wekker. 9. Ze zijn druk bezig met het bereiden van de maaltijd. 10. Door het dorpje loopt een dorpsstraat met een paar winkels. 11. De beeldhouwer werkt van vroeg tot laat in zijn atelier. 12. Met zo n raket willen ze ooit nog eens de planeet Mars bereiken. 13. Mijn ouders zijn uitgenodigd voor een deftig diner. 14. In de vakantie zijn we ook een keer gaan bowlen. 15. Mijn bagagedrager is afgebroken, wat moet ik nu doen? 16. Leiden is een mooie stad in Zuid- Holland. 17. Ga je kleren maar vast uittrekken, want jij moet nu gaan slapen. 18. En dan moet je dat wieltje ronddraaien. 19. Na een reis door de ruimte landden de astronauten weer veilig op aarde. Kijk het controledictee na. Gebruik hierbij het leerkrachtblad controledictee e2 blok 7 uit het kopieerboek. Dit maakt het voor u makkelijk om na te gaan in welke spellingcategorie de leerlingen fouten maken. Op het leerlingblad controledictee zet u achter ieder fout gespeld woord het nummer van de spellingcategorie (bijvoorbeeld R33 of W25). Registreer de resultaten. Noteer onderaan het leerlingblad het aantal fouten per categorie en het totale aantal fouten. Neem deze gegevens over op het registratieblad controledictees e2. Zo krijgt u, over de blokken heen, een goed beeld van de spellingcategorieën waarmee individuele leerlingen moeite hebben. Verder kunt u zo in een oogopslag zien welke categorieën op groepsniveau voor veel problemen zorgen. Iedere categorie regelwoorden wordt vijf keer bevraagd. Een leerling scoort een categorie voldoende als hij van die categorie vier woorden goed schrijft (beheersingscriterium: 80 %). Van de weetwoorden wordt iedere categorie drie keer bevraagd. Een leerling scoort een categorie alleen voldoende als hij daarin geen fouten maakt. Gebruik de resultaten van het controledictee om het vervolgprogramma voor de vierde week van het blok vast te stellen. Meer informatie hierover vindt u op de volgende pagina bij het onderdeel herhalingstaken en plustaken. U kunt dit controledictee ook afnemen met behulp van het Computerprogramma Spelling in beeld e. De leerling hoort de voorgelezen zinnen via de koptelefoon en typt vervolgens de dicteewoorden in. Deze zinnen en woorden komen letterlijk overeen met het controledictee op deze pagina. Het computerprogramma kan de resultaten elektronisch registreren en analyseren. Zo geeft het aan welke leerstof de leerling nog niet beheerst. Het selecteert daarvoor automatisch instructie- en oefenstof die een leerling extra hulp biedt. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 49 -Spellingin

-Spellingn hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Activiteiten Op basis van de resultaten bij het controledictee gaan de leerlingen de komende lesmomenten aan de slag met herhalingstaken en/of plustaken. De leerlingen die in één of meer spellingcategorieën van het controledictee onvoldoende scoorden, maken herhalingstaken. De andere leerlingen gaan zelfstandig aan de slag met de plustaken. De onderstaande voortgangsplanner helpt u de vervolgactiviteiten te bepalen Spelling in beeld biedt voor iedere spellingcategorie een herhalingstaak. Dit betekent niet dat het verstandig is om een leerling die in vijf spellingcategorieën onvoldoende scoort, ook vijf herhalingstaken te laten maken. Wij adviseren u om het aantal herhalingstaken per kind beperkt te houden. U kunt in dit opzicht beter kiezen voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit. Herhalingstaken U kunt de herhalingstaken remediërend inzetten. Ze bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De leerlingen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij te begeleiden. Gerichte mondelinge interactie komt de kwaliteit van de instructie en de (in)oefening ten goede. Dat vergroot de kans dat de leerlingen de betreffende spellingcategorieën alsnog gaan beheersen. Herhalingstaak 1: Spellingspoor Doelen R32: De leerlingen beheersen samenstellingen. R33: De leerlingen beheersen aardrijkskundige namen. W17: De leerlingen beheersen woorden die hetzelfde klinken. W25: De leerlingen beheersen Franse leenwoorden. W31: De leerlingen beheersen woorden met niet uitgesproken letters. Materialen Spelbord en categoriekaartje Spellingspoor: R32, R33, W17 W25, W31. Kopieerblad Spellingspoor. Uitlegkaarten: R32, R33 W17 W25, W31. Organisatie Op basis van de resultaten op het controledictee (zie het registratieblad bij het controledictee) formeert u een groepje met leerlingen die onvoldoende scoorden op de spellingcategorie die u gaat behandelen. U groepeert de leerlingen rond het spelbord. Wanneer de groep leerlingen te groot is om rond het spelbord te plaatsen, kunt u er incidenteel voor kiezen het spelbord niet te gebruiken en het voorbeeldwoord bij de spellingcategorie op het bord te schrijven. Maak in dat geval wel gebruik van het Spellingspoorkopieerblad en de uitlegkaart bij de spellingcategorie. Voorbereiding Leg het spelbord Spellingspoor klaar. Leg de uitlegkaart bij de spellingcategorie klaar. Laat leerlingen eventueel hun eigen set uitlegkaarten gebruiken. Leg het categoriekaartje bij de betreffende spellingcategorie klaar en per leerling een Spellingspoorkopieerblad. Voortgangsplanner week 4 blok 7 Spellingcategorieën Resultaat Vervolgactiviteit controledictee R32: samenstellingen: overzicht -> 2 fouten of meer: onvoldoende -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor R32) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) R33: aardrijkskundige namen -> 2 fouten of meer: onvoldoende -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor R33 en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) W17: woorden die hetzelfde klinken -> 1 fout of meer: onvoldoende -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor W17) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) W25: Franse leenwoorden 2 -> 1 fout of meer: onvoldoende -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor W25) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) W31: woorden met niet uitgesproken letters -> 1 fout of meer: onvoldoende -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor W31) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) Alle spellingcategorieën -> Geen onvoldoendes -> Plustaak 1 (Taalmaker) en/of plustaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld, herhaling eerdere eenheden of verkenning volgende eenheden) 50 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2

hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Werkwijze Neem het categoriekaartje (met de afbeelding van een trein) met daarop het voorbeeldwoord bij de spellingcategorie. Plaats dit kaartje in de plastic houder(s) zodat het rechtop kan staan. Plaats het woordkaartje in het startvak op het spelbord. De trein is nu klaar om te vertrekken. Op weg naar het eindstation zal hij stoppen bij alle tussenliggende stations. Laat de leerlingen bij ieder station een activiteit uitvoeren. De activiteiten staan beschreven op het spelbord en het Spellingspoorkopieerblad. In principe gaat het om begeleide activiteiten. U bespreekt met de leerlingen de knelpunten van de spellingcategorie en licht de opdrachten toe. Het uitvoeren van de activiteiten leidt ertoe dat de kinderen meer zicht krijgen op het spellingprobleem en de spellingstrategie die ze kunnen toepassen om de woorden correct te schrijven. Maak bij de uitlegactiviteit gebruik van de uitlegkaart. Laat de schriftelijke activiteiten uitvoeren op het Spelling spoorkopieerblad. Verplaats de trein naar het volgende station wanneer een activiteit is uitgevoerd. Daar wacht een nieuwe activiteit. De herhalingstaak over één spellingcategorie is afgerond op het moment dat de trein het eindstation heeft bereikt en de leerlingen alle activiteiten hebben uitgevoerd. Op dezelfde manier kunt u, bijvoorbeeld op een ander moment, herhalingstaken over andere categorieën uitvoeren. Meer informatie over Spellingspoor kunt u vinden in de toelichting bij het leerspel Spellingspoor. Die vindt u in de speldoos. Herhalingstaak 2: Computerprogramma Spelling in beeld Doel De leerlingen oefenen met de spellingproblemen uit blok 7. Materialen Computerprogramma Spelling in beeld Werkwijze Met het Computerprogramma Spelling in beeld herhalen de leerlingen de spellingproblemen uit het blok. Ze krijgen uitleg in geschreven en gesproken vorm, ze oefenen met aantrekkelijke spellen, ze worden opnieuw getoetst door middel van dictees en krijgen op basis van de resultaten, ook in tweede instantie, nog gerichte verlengde instructie. Meer informatie over het Computerprogramma Spelling in beeld vindt u in de toelichting bij de cd-rom. Plustaak 1: Taalmaker Doel De leerlingen passen de geleerde vaardigheden op het gebied van taal en spelling toe in een alledaagse context. Materialen Taalmaker Werkwijze De leerlingen die de doelen van het blok beheersen, kunnen verdergaan met activiteiten waarbij ze de geleerde vaardigheden op het gebied van taal en spelling toepassen. Er is bewust niet gekozen voor een directe koppeling aan de lesdoelen van het basisprogramma. Het gaat dus om de algemene toepassing van de taal- en spellingvaardigheden die de leerlingen beheersen. De leerlingen doen dit in alledaagse, voor kinderen herkenbare contexten. Hierbij zijn diverse uitingsvormen op het gebied van taal het uitgangspunt. Dit kunnen allerlei verschillende tekstsoorten zijn, zowel in de vorm van geschreven taal als in de vorm van gesproken taal. Bij deze opdrachten maken de leerlingen na een introductie en uitleg zelf taalproducten. Meer informatie kunt u lezen in de toelichting. Deze vindt u in de Taalmakerdoos. Plustaak 2: Computerprogramma Spelling in beeld Doel De leerlingen herhalen de spellingproblemen uit eerdere blokken en ze verkennen de spellingproblemen van de nog volgende blokken. Materialen Computerprogramma Spelling in beeld Werkwijze Met het Computerprogramma Spelling in beeld kunnen de leerlingen de leerstof verder oefenen. Bij herhalingstaak 2 gaat het om de leerstof uit het blok dat aan de orde is. Als plustaak kunnen de leerlingen ook breder herhalen. Ze kunnen de leerstof uit eerdere blokken nog eens doornemen met behulp van de computer. Ook is het mogelijk dat de leerlingen die geen directe herhaling nodig hebben, verder gaan met de leerstof van de volgende blokken. Als u kiest voor dit type differentiatie, biedt het computerprogramma bij de nieuwe categorieën uitleg in geschreven en gesproken vorm, oefeningen met aantrekkelijke spellen en toetsing door middel van dictees. De resultaten worden vastgelegd, geanalyseerd en er wordt een vervolgadvies gegeven. Meer informatie over het Computerprogramma Spelling in beeld vindt u in de toelichting bij de cd-rom. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 51 -Spellingin

werkboek e2 Zwijsen

Dit ga je doen in de les. Je ziet over welk probleem het gaat. Spelling kom je overal tegen. Je maakt de eerste opdracht bij het probleem. w blok 1 5 verhalen les 1 Wat ga je doen? Je leert bezitsvormen schrijven. Op verkenning In alle culturen vind je verhalen over deugnieten. Die figuren lijken eerst dom, maar ze zijn de anderen toch steeds weer te slim af. Tijl Uilenspiegel is zo'n figuur. Uit Suriname komen de verhalen over spin Anansi, uit Turkije de verhalen over Nasreddin Hodja. Welke titels passen bij deze boeken? Schrijf ze eronder. Kies uit: Uilenspiegels avonturen, Anansi's slimme streken, Hodja's mooie woorden. Je krijgt uitleg over het probleem. Je gebruikt ook de uitlegkaarten. Vergeet je niet het goede rondje te kleuren? Klankwoorden kleur je groen. Regelwoorden kleur je oranje. Weetwoorden kleur je blauw. 2 u 3 Uitleg Regelspoor. De bezitsvorm maak je door een s achter de naam te zetten. Soms schrijf je bij een bezitsvorm een apostrof (hoge komma). Lees verder op kaart R29. In de tabel staan tien bezitsvormen. Kruis aan. Micha's duim pizza's eten Pieters neus Hans slaapt Kees' idee Laura's shirt Wims potlood foto's bekijken Aan de slag lepels pakken Merels huis Aziz glimlacht Johns frisbee K R W Eddy s cola Miekes fiets kiwi's kopen Pascals vader Nu ga je zelf opdrachten maken. Denk goed aan de uitleg op de kaart. 4 Maak bezitsvormen van de paarse woorden. Schrijf op. Christine - oorbel Jeffry - Ricardo - jack jij - beker vriendinnen u - Luuk - beurt bootje Jacinta - moeder opa - zonnebril Rosa - bril 5 s Schrijf de namen van tien medeleerlingen op. Maak er bezitsvormen van. Bedenk bij iedere bezitsvorm een zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: Ruby's liniaal. 4

6 Vul een persoonsvorm tt of een deelwoord in. bedreigen - De kat de hond. gebeuren - Wat is hier? vervelen - Volgens mij hij zich. vertalen - Mijn vader de tekst. worden - je daar boos om? invullen - Hij nog een formulier in. afscheuren - Hij de kaartjes af. horen - Heb je het nieuws al? 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze goed in je schrift. station ef ruimte aarder ele tricit t a ana sap pol tieheli opter event eel ta oea e a onnement 8 Maak de namen af. Vul de stukjes op de goede plaats in. rudy, oos of eun T s fiets T s zusje T ' vulpen ma, ene of is Ir s trui Ir s viool Ir ' boek mijn of mina Wille s huis Wille s gitaar ca of k Eri s schoen Eri s plan via of vier Oli s kamer Oli 's stiften Maak met de ingevulde stukjes in de paarse vakken een zin van vier woorden. Schrijf op: 9 Schrijf de bezitsvormen op. Doe het zo: de computer van Brian - Brians computer. de pen van Abdoul - pen de trui van Hans - trui de bril van oma - bril de tas van Rianne - tas de papieren van u - papieren de kamer van jou - kamer 10» de kleren van Elly - kleren In welke zin over Anita, Max en Emre zijn alle bezitsvormen goed gespeld? Kruis aan. Streep twee fouten door. Max had Anita's muts gepakt, Joke had Max bril op en Anita had Emres jas aan. Anita had Emres riem om, Max droeg Anitas wanten en Joke had Max pet op. Joke had Anita's das om, Max droeg Emres tas en Anita had Max' gymschoenen aan. Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55. de jas van Latifa - Terugkijken jas Wat heb je gedaan deze les? Heb je het gesnapt? Ben je klaar? Kies een extra opdracht. Kom je tekens tegen? Doe dan dit. Kleur het goede rondje. u Pak en lees je uitlegkaart. Kruis het goede antwoord aan. Schrijf je antwoord op. Kleur het goede antwoord. Omcirkel het goede antwoord.» Maak een extra opdracht. s Maak de opdracht in je spellingschrift. Schrijf de antwoorden in twee rijtjes op. Verbind met lijnen. K R W

w blok 7 cultuur les 1 Wat ga je doen? Je oefent met samenstellingen. 1 Op verkenning Hieronder staan twintig samenstellingen. Welke twaalf samenstellingen passen bij de afbeelding? Kruis aan. gitaarsolo popmuziek orkestbak luidsprekers dwarsfluit liveconcert basgitaar symfonieorkest popgroep operazanger microfoonstandaard gitaarversterker strijkstok drumsolo orkestdirigent tophit altviool trommelstokken concertpianist blueszanger 2 u Uitleg Regelspoor. In sommige samenstellingen schrijf je tussen de delen van de samenstelling het tussenstukje en of een tussen-s. Lees verder op kaart R32. K R W 3 Aan de slag Is het woord een samenstelling of niet? Kruis de samenstellingen aan. sportiviteit benzinepomp tandenborstel muggenbult brillenwinkel onvriendelijk kersenpitten verzekering plaggenhut talentenjacht onbreekbaar wespennest regenboog bergachtig kuddedier onmogelijk garagedeur puberteit medeklinker dromenland 4 Van welke woorden zijn deze samenstellingen gemaakt? Schrijf op. Komt er in de samenstelling een tussen-s of en bij? Kruis aan. +s +en +s +en dorpsstraat + hondenkop + wachttijd + koningszoon + 5 s Schrijf deze samenstellingen in drie rijen op: met tussen-s, met ~en, zonder tussenletters. verrassingspakket kersenpit muggenbult collectebus verkeersbord bovenlip gereedschapskist tarwebrood slakkenhuis stationschef reclamefolder bananenschil 28

6 s 7 lopen - ik liep - gelopen. Schrijf deze vormen op van de volgende werkwoorden: begrijpen, redden, kletsen, duiken, leven, missen, branden, prikken, spoelen, straffen. Je kunt nog eens op kaart WW22 kijken. Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze dan helemaal op. Je kunt uitlegkaart W27 nog eens doornemen. a onnee o elet a eltje a araat o ervlakte pa egaai a anas dro edaris ka itein 8 Kijk naar de plaatjes. Vul daarna samenstellingen in het puzzelschema in. k o p 9 Schrijf de samenstellingen goed op. vis + kop groente + winkel stad + centrum samen + werken haai + tanden fiets + stuur oven + schotel vos + hol hoogte + vrees stoel + leuning 10» Welke zinnen kloppen? In het woord geluksvogel schrijf je een tussen-s, dus in het woord geluksspelletje ook. Van de woorden hond en hok maak je samenstelling hondenhok, met het tussenstukje en. Van de woorden kat en bak maak je samenstelling kattebak, met het tussenstukje e. Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55. Terugkijken 29

w blok blok 7 cultuur les 2 Wat ga je doen? Je leert Franse leenwoorden. 1 Op verkenning Vul de volgende woorden in: dessert, diner, scène, première. Vrijdag is de eerste voorstelling, de Nog één keer oefenen we de Een man en een vrouw zitten aan het, van ons toneelstuk. in een duur restaurant.. Dat smaakte goed. Als eten ze vruchtenijs. Maar dan krijgen ze ruzie. Ik zou zeggen: kom vrijdag maar kijken hoe dat afloopt. 2 Uitleg Weetspoor. In sommige Franse leenwoorden staat een e met een accent: é, è of ê. u Lees verder op kaart W25 (woorden van de week A en B). K R W 3 Vul woorden van kaart W25 (woorden van de week A en B) in. Aan de slag We spelen een van het toneelstuk. Mijn zusje van twee zit op de. Hij droeg een mooi colbert. Uit het klinkt gepraat en gelach. Bij een vragen ze je mening. We versieren de stoel met. Een kunstenaar werkt in een. Het is hetzelfde als het toetje. 4 Welke woorden van kaart W25 herken je in deze samenstellingen? Schrijf op. privévliegtuig zangcarrière dorpscafé kerstdiner enquêteformulier zonnecrème 5 s Maak in je schrift twee rijen: /ee/ van zee en /e/ van bel. Wat hoor je? Schrijf de woorden in de goede rij. privé premier crème beige diner enquête atelier colbert crèche café dossier scène 30

6 Vul werkwoordvormen in. Alle zinnen staan in de tegenwoordige tijd. worden Het vast mooi weer! bestellen Hij drie pizza's. beleven Hij altijd rare dingen. verbeelden Wat jij je wel? gebeuren Er is toch niets? durven Dat ik niet na te doen. wijzen Waarom je steeds naar mij? herkennen Hij heeft je vast! 7 s Welke woorden staan er? Schrijf op. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. w a u.... n s o m b... o k w a j..... t r o m b.... t 8 Waarop rijmen deze paarse woorden? Schrijf ze in de goede kolom, in de goede volgorde. biscuit privé atelier populair café genie stagiair merci diner militair colbert circuit expert etui dossier rijmt op chimpansee rijmt op miljonair rijmt op jaloezie p Welke drie woorden lees je in de paarse vakjes? 9 Vul in: é, è of ier. Schrijf de woorden nog eens op. De schilder is hard aan het werk in zijn atel. Mijn zusje leert op de cr che allerlei spelletjes. Dat hoeft niet iedereen te weten, dat is priv! De prem Caf is de belangrijkste minister. is het Franse woord voor koffie. 10» Terugkijken In welk vak zijn alle woorden goed gespeld? Kruis aan. Streep drie fouten door. enquête atelier café diner diner crêpepapier diner enquête privee diner enquête privé atelier privé crêpepapier privé crêpepapier café crêpepapier ateljee cafee enquête atelier café Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55. 31

w blok 7 cultuur les 3 Wat ga je doen? Je leert woorden die hetzelfde klinken, maar die je verschillend schrijft. 1 Op verkenning De paarse woorden heb je eerder geleerd. Welke woorden passen bij de plaatjes? Kies uit: eentje eendje wij wei steil stijl hart hard. Schrijf op. 2 Uitleg Weetspoor: sommige woorden die hetzelfde klinken, schrijf je verschillend. u Lees verder op kaart W17. K R W 3 Vul in: reizen of rijzen. Aan de slag Het brooddeeg wilde maar niet. Daarna willen ze door Afrika. Wat duur! De prijzen de pan uit! Ze vaak in berggebieden. 4 Vul de goede woorden in. jou of jouw? u of uw? mij of mijn? Mag ik bal lenen? Is dit boek soms van? Die liniaal is echt van! Zal ik straks ophalen? Ik heb mail ontvangen. Dat is buurman. 5 s Maak in je schrift twee rijen: woorden met ei en woorden met ij. Maak de woorden af met ei of ij. Schrijf de woordgroepjes in de goede rij. het eten ber den een st le berg een kameel ber den st len in de mode het oliep l pijn l den de vergadering l den paarden in de w de p l en boog een w de jurk 32

6 Wat is het deelwoord van de paarse werkwoorden. Maak daarvan een bijvoeglijk naamwoord. Vul in. vervuilen - Pas op! Dit is grond! printen Hier zijn de teksten. smelten - Ik proef de kaas. invullen - Lever het blad in. beloven - Hier is het cadeau. aanpassen - Dit is de versie. verslijten - Ik heb één band. schatten - Wat is de winst? 7 s Maak de woorden af met oe of ou. Schrijf ze goed in je schrift. enth siast sn pwinkel paddenst len j rnalist citr nlimonade wandelr te spijkerbr ken b levard 8 Alle paarse woorden zijn goede Nederlandse woorden. Welke woorden passen in de zinnen? Vul in. Let op: in de grijze kolom blijven hokjes leeg. houd houdt hout Hij heeft het eerst geschuurd. raad raadt raat Zij gaf hem altijd goede. wend wendt went Daar hij snel genoeg aan. wind windt wint Waarom jij je toch zo op? laad laadt laat Hij iedere avond de hond uit. voed voedt voet Een walvis zich met plankton. h o u Welke letters staan in de paarse kolom? 4 x t, 2 x d 3 x t, 3 x d 2 x t, 4 x d Hoeveel letters staan in de grijze kolom? 9 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf dan de woorden helemaal op. Deze oude schoenen zitten me echt te kra. Zou jij je jas niet eens ui rekken? Nu moet het brooddeeg eerst nog r zen. Ze ber den een maaltijd voor twintig mensen. Met zijn tweeën trokken ze de w de wereld in. 10» Terugkijken Als twee woorden hetzelfde klinken, let je op de betekenis, je bedenkt of het een persoonsvorm is en je let op het soort woord. Welke zinnen hieronder zijn juist? De woorden uitrekken en uittrekken bestaan allebei, maar de betekenis is verschillend. De woorden berijden en bereiden bestaan allebei: berijden is een pv, bereiden niet. De woorden bestelt en besteld bestaan allebei: bestelt is een pv, besteld niet. De woorden dure en duren bestaan allebei; dure is een bijvoeglijk naamwoord, duren niet. Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55. 33

w blok 7 cultuur les 4 Wat ga je doen? Je leert woorden schrijven met letters die je niet uitspreekt. 1 Op verkenning Op de plaatjes staan verschillende soorten kasten. Schrijf daarvan steeds het verkleinwoord op. na boe koe bra prij 2 Uitleg Weetspoor: in sommige woorden worden letters niet (of niet duidelijk) uitgesproken. u Lees verder op kaart W31 (woorden van de week A en B). K R W 3 Vul woorden van kaart W31 (woorden van de week A en B) in. Aan de slag In zitten geen botten of graten. Mm! Ik hou van macaroni en! De bokser verloor door een. Mijn oom is a bij de gemeente. We hebben een nieuw gevestigd. Dit is de eerste van het toneelstuk. Bij het gooi je kegels omver. Ze trekt een onder haar rok aan. 4 Welke woorden van kaart W31 herken je in deze woorden Schrijf op. bowlingcentrum vruchtenyoghurt kipfilet doperwten filmscenario wereldrecord 5 s Maak deze samenstellingen af. Schrijf ze in je schrift. on ekkingsreis er ensoep bo ingbaan vruchtenyo urt wereldreco kipfile spa ettisaus tweedehan auto lich knopje films enario fietstocht e plafon lamp 34

6 Vul de vijf persoonsvormen in. Schrijf ook het deelwoord (dw) op. herkennen wachten mailen schudden tt 1. ik 1. ik 1. ik 1. ik 2. hij 2. hij 2. hij 2. hij 3. wij 3. wij 3. wij 3. wij vt 4. ik 4. ik 4. ik 4. ik 5. wij 5. wij 5. wij 5. wij dw ik heb ik heb ik heb ik heb 7 s Welke woorden staan er? Schrijf op. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. m o d i e.. g o u r m.... n b e m o... l k i m.. o 8 Kleur alleen de woorden waarvan je de laatste letter niet (of: meestal niet) uitspreekt. ochtendkrant plafond driehonderd colbert modeatelier binnenkort slaaptent maillot kerngezond zelfportret comfort vanavond brandspuit racecircuit edelhert kabeljauwfilet boulevard dwarsfluit ontbijtbord wereldrecord babyzeehond nachtportier dessert postpapier keihard brancard eindrapport theebiscuit premier miljard Hoeveel woorden heb je gekleurd? 9 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf de woorden nog eens op. In de vakantie gingen we een keer bo Toen deden we een belangrijke on len. ekking. Staat er nog yo urt in de koelkast? Op het etiket had hij een gezich 's Winters eten we wel eens er je getekend. ensoep. Terugkijken 10» Welke zinnen kloppen? Kruis aan. In de woorden bibliotheek, yoghurt, spaghetti en theevisite wordt de h niet uitgesproken. In de woorden yoghurt, spaghetti, knock-out en erwtensoep wordt de t niet uitgesproken. In de woorden maillot, kabeljauwfilet, colbert en circuit wordt de t niet uitgesproken. Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55. 35

w blok 7 cultuur les 5 Wat ga je doen? Je leert aardrijkskundige namen schrijven. 1 Op verkenning Aardrijkskundeles! Vul in. Kies uit de volgende woorden: plaats, provincie, werelddeel, land. Zuid-Europa is een deel van een. Zuid-Holland is een, dus een deel van een. Zuid-Limburg is weer een deel van een. Zuidlaren is een in Drenthe. Amsterdam-Zuid is weer een deel van een. En de Zuiderzee? Is dat een zee? Nee, dat is een zee die niet meer bestaat 2 Uitleg Regelspoor. De namen van plaatsen, provincies en landen schrijf je met een hoofdletter. In namen met Noord-, Zuid-, Oost- en West- schrijf je meestal een streepje. u Lees verder op kaart R33. K R W 3 Aan de slag Schrijf bij deze aardrijkskundige namen bijvoeglijke naamwoorden op ~e. Friesland Berlijn Zuid-Holland België Italië West-Europa 4 Welke talen spreken ze in deze landen? Schrijf op. Frankrijk Engeland Spanje China Duitsland Turkije Rusland Polen 5 s Maak in je schrift drie kolommen: gebied, bijv. nw. en inwoner. Utrecht Utrechtse Utrechter. Maak zulke rijtjes met de volgende woorden: Noord-Brabantse, Oost-Europeaan, Zuid-Holland, Noord-Hollandse en Zuid-Afrikaan. 36

6 s 7 lopen ik liep gelopen. Schrijf deze vormen op van de volgende werkwoorden: bereiken, vertrekken, ontdekken, vertellen, praten, gebruiken, herkennen, schrijven, bedoelen, verdienen. Je kunt nog eens op kaart WW22 kijken. Maak deze woorden af met x of q. Schrijf ze nog eens op. Je kunt de uitlegkaarten W16 en W28 nog eens doornemen. ma imaal en uête fle ibel uizmaster refle a uarium e periment e cuus manne uin 8 Zeezeiler Henk van der Weide heeft een wereldreis gemaakt. Hij begon in Nederland, dus in het westen van Europa. Hij zette koers naar Amerika. Via Afrika en Australië bereikte hij na een jaar het oosten van Azië. Langs welke gebieden kwam hij? Schrijf de namen op. W.E.: N.A.: Z.A.: W.A.: N.A.: O.A.: 9 Hoe heten deze streken? Schrijf op. het zuiden van Frankrijk: het westen van Afrika: het noorden van Ierland: het oosten van Europa: het zuiden van Amerika: het westen van Turkije: het noorden van Italië: De planeet waarop wij wonen is de. 10» In welke zin zijn alle woorden goed gespeld? Kruis aan. Streep twee fouten door. Ten zuiden van Zuideuropa en de Middellandse Zee ligt Noord-Afrika. Noord-Afrika ligt ten zuiden van Zuid-Europa en de Middellandse Zee. Zuid-Europa ligt ten noorden van de Middellandse Zee en Noord Afrika. Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55. Terugkijken 37

w blok 7 cultuur les 6 Wat ga je doen? Je oefent nog een keer met de woorden van blok 7. Je herhaalt woorden met een trema. 1 Schrijf de samenstellingen goed op. kip + ei rond + draaien geluk + spel toren + kraai vlag + stok Aan de slag keuze + menu midden + cirkel klas + foto varken + staart limonade + fles 2 Vul in: é, ê, er of ier. Schrijf de woorden nog eens op. We zijn uitgenodigd voor een deftig din. Het caf op de hoek bestaat al dertig jaar. We hebben in de klas een enqu te gehouden. In zijn atel staan nog veel meer schilderijen. Niemand mag daar komen. Die ruimte is priv. 3 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf de woorden nog eens op. Zo! Nu wil ik eerst mijn laarzen ui Moet je die diepvriespizza eerst on rekken! ooien? Waarom kra je toch steeds aan je neus? je We eten spa Linzen, er etti met een Italiaanse saus. en en bonen zijn peulvruchten. 4 s Welke woorden staan er? Schrijf op. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. m o n n...... r k f o u i..... n o r c.... e a u b..... e 38

Herhaling 5 Kleur de woorden met een trema. Sinds een half jaar ben ik vegetariër. Ik eet dus geen vlees meer. Mijn vader zei een beetje knorrig: "Hoe kom je toch aan die ideeën?" Ach, ik zal wel beïnvloed zijn door mijn vriendin Hester. In ieder geval praten wij vaak met zijn tweeën over zulke dingen. u 6 Klinkerbotsing: soms schrijf je een trema, soms niet. Weet je het nog? Neem anders de kaarten R22, R30 en R31 nog eens door. Schrijf woorden bij de plaatjes. In alle woorden staat een e met een trema. on k r s 7 Onder de vlekken staat e, ë of -e. Schrijf de woorden in de goede rij. offici le mee ten zo ven gevari erd moskee n kopi ren zonne nergie gekopi erd offici el trema geen trema, geen streepje streepje (samenstelling) 8 s 9 Schrijf in je schrift tien woorden met een trema. Kies zo veel mogelijk woorden op de uitlegkaarten die in deze les nog niet gebruikt zijn. Maak de woorden af met e of ë. Schrijf dan de woorden helemaal op. Morgen wordt het clubhuis offici el geopend. Ik ben vegetari r en ik denk dat dat zo zal blijven! Ook deze wedstrijd is ge indigd in een gelijkspel. Heb jij al die teksten ook voor ons gekopi Het valt me op dat je zo vaak goede idee erd? n hebt!» Mijn moeder wordt morgen twee nveertig jaar. Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55. 39

u R 32 K R W regelspoor samenstellingen: overzicht Schrijf de delen van de samenstelling achter elkaar. Let op: in sommige samenstellingen schrijf je tussen die delen het tussenstukje en of een tussen-s. 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het regelspoor? 3. Pas op deze stukjes de regel toe. 4. Controleer het woord. Van welke woorden is een samenstelling gemaakt? Let daarop bij het schrijven: vuurrood, hoofdpijn. Eindigt het linkerdeel op e of en? Schrijf de woorden dan gewoon achter elkaar: ruimtevaart, regenjas. Komt er een tussenklank /u(n)/ bij? Dan schrijf je en: kip + ei = kippenei, kat + bak = kattenbak. Soms komt er een tussen-s bij. Die hoor je niet altijd. Twijfel je? Gebruik het linkerdeel in een andere samenstelling. verkeersituatie of verkeerssituatie? verkeersbord, dus ook verkeerssituatie woorden van de week extra woorden ronddraaien de schadevergoeding openvouwen het hondenhok het dorpsplein de dorpsstraat doorrijden de hoofddoek sportterrein de garagedeur de samenwerking de pannenkoek de klassenfoto de veiligheidsspeld de stationschef

u R 33 K R W regelspoor aardrijkskundige namen De namen van plaatsen, provincies en landen schrijf je met een hoofdletter. Woorden als Noord-Brabant, Noord-Brabander en Noord-Brabants(e) schrijf je met twee hoofdletters en een streepje. 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het regelspoor? 3. Pas op deze stukjes de regel toe. 4. Controleer het woord. Namen van plaatsen, provincies en landen (en de woorden die daarvan zijn afgeleid) schrijf je met een hoofdletter. Utrecht, Utrechter, Utrechtse Veel namen bestaan uit twee woorden. Het streepje in Noord-Brabant en Zuid-Holland blijft staan in woorden als: Noord-Brabander en Zuid- Hollandse. Hemellichamen, zoals planeten, krijgen een hoofdletter: Mercurius, Grote Beer. Maar je schrijft de aarde, de maan en de zon. woorden van de week extra woorden Arnhem Noord-Brabant Noord-Brabantse Amsterdam-West Oost-Europa de Noordzee België Zeeuws-Vlaanderen Zuid-Italië Oost-Europa Oost-Europese Noord-Afrika Noord-Afrikaanse de aarde de planeet Jupiter

u W 17 K R W weetspoor woorden die hetzelfde klinken Sommige woorden die hetzelfde klinken, schrijf je verschillend. 1. Let op de betekenis van het woord. 2. Bedenk: is het een persoonsvorm? 3. Bedenk: wat is het voor een woord? 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het weetspoor? 3. Onthoud hoe je deze stukjes schrijft. 4. Controleer het woord. 1. Let op de betekenis. hard (van harder) / hart (van harten) 2. Bedenk: is het een persoonsvorm? ik wed / hij wedt (pv) in naam der wet (geen pv) Let op bij de werkwoorden met be~, ge~, her~, ont~ en ver~: Hij betaalt de rekening. (pv) Hij heeft betaald. (geen pv) Kijk ook op kaart WW18. 3. Bedenk: wat is het voor een woord? dure kleren (bijvoeglijk naamwoord) Het zal lang duren. (woordenboekvorm) Onthoud: jouw pet - Die pet is van jou. uw jas - Die jas is van u. mijn pen - Die pen is van mij. A woorden van de week B woorden van de week uittrekken (van kleren) uitrekken (langer maken) reizen (op reis gaan) rijzen (omhooggaan) bereiden (van eten) berijden (van een paard) een bal van jou - jouw bal een pen van u - uw pen veilen (op een veiling) vijlen (van nagels) het peil (het niveau) de pijl (van de boog) de weide (van koeien) wijde (ruime) ik/ de krab (van krabben) krap (van kleren)

u W 25 K R W weetspoor Franse leenwoorden 2 In sommige Franse leenwoorden staat een e met een accent: é: klinkt als de /ee/ van zee; è: klinkt als de /e/ van bel; ê: klinkt als de /e/ van bel. 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het weetspoor? 3. Onthoud hoe je deze stukjes schrijft. 4. Controleer het woord. In de eerste zes woorden eindigt de tweede klankgroep op de klank /ee/. Het stukje ~ier spreek je uit als /jee/. In café, privé en logé staat op de e een streepje naar voren. De letter é spreek je uit als de /ee/ van zee. In crèche en crème staat op de e een streepje naar achteren. De letter è spreek je uit als de /e/ van bel. In enquête staat op de e een dakje. Ook de ê klinkt als de /e/ van bel. Ook de laatste e van dessert en colbert klinkt als de /e/ van bel. De letter t aan het eind spreek je niet uit. A woorden van de week B woorden van de week het café privé de logé het diner het atelier de premier de enquête het crêpepapier de crèche de crème de scène de première de carrière de kleur beige het dessert het colbert

u W 31 K R W weetspoor woorden met niet uitgesproken letters In sommige woorden worden letters niet (of niet duidelijk) uitgesproken. Bedenk: Hoe is het woord opgebouwd? Is het woord een leenwoord uit een andere taal? 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het weetspoor? 3. Onthoud hoe je deze stukjes schrijft. 4. Controleer het woord. Soms worden letters niet uitgesproken. Vaak gebeurt dat als je een woord vlot uitspreekt. Bedenk hoe die woorden zijn opgebouwd: licht + je, kast + je, ont + dekking. Onthoud de w van erwt en de b van ambtenaar. Veel van deze woorden zijn leenwoorden uit andere talen. In veel Franse leenwoorden wordt de laatste t of d niet uitgesproken: filet, plafond, record, maillot. In woorden met th wordt de h niet uitgesproken. Dat geldt ook voor woorden als yoghurt en spaghetti. A woorden van de week B woorden van de week tweedehands het nachtkastje het gedichtje de ontdekking de erwt de ambtenaar bowlen knock-out de filet de scène het scenario het plafond het record de maillot de yoghurt de spaghetti

k samenstellingen: overzicht naam: 1 Zet een kring om de samenstellingen in deze zinnen. Onze boodschappenkar zit weer eens lekker vol met etenswaren: een bloemkool, bananen, aardappelen, doperwten en worteltjes, volkorenbrood, krentenbollen, stokbrood, bolletjes en roggebrood, vanillevla, yoghurt, geitenkaas, pudding, vruchtensap en limonade. 2 u 3 Regelspoor. In sommige samenstellingen schrijf je tussen de delen van de samenstelling het tussenstukje en of een tussen-s. Lees kaart R32 goed. Welke samenstellingen passen bij de afbeeldingen? Schrijf op. f v k 4 Maak goede samenstellingen. Schrijf op. mier + hoop zon + bril rond + draaien kip + ei mode + show dorp + straat door + rijden rug + graat garage + deur pop + kast station + chef open + maken 5 Schrijf drie samenstellingen op die niet op de uitlegkaart staan. 1 2 3 6 Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de week. 1 2 kopieerblad extra oefening R32 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg e

k samenstellingen: overzicht antwoorden 1 Zet een kring om de samenstellingen in deze zinnen. Onze boodschappenkar zit weer eens lekker vol met etenswaren: een bloemkool, bananen, aardappelen, doperwten en worteltjes, volkorenbrood, krentenbollen, stokbrood, bolletjes en roggebrood, vanillevla, yoghurt, geitenkaas, pudding, vruchtensap en limonade. 2 u 3 Regelspoor. In sommige samenstellingen schrijf je tussen de delen van de samenstelling het tussenstukje en of een tussen-s. Lees kaart R32 goed. Welke samenstellingen passen bij de afbeeldingen? Schrijf op. 4 f ietssleutel v eiligheidsspeld k lassenfoto Maak goede samenstellingen. Schrijf op. mier + hoop mierenhoop door + rijden doorrijden zon + bril zonnebril rug + graat ruggengraat rond + draaien ronddraaien garage + deur garagedeur kip + ei kippenei pop + kast poppenkast mode + show modeshow station + chef stationschef dorp + straat dorpsstraat open + maken openmaken 5 6 Schrijf drie samenstellingen op die niet op de uitlegkaart staan. Bijvoorbeeld: 1 limonadesiroop 2 schroevendraaier 3 elektriciteitscentrale Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de week. Bijvoorbeeld: 1 Als mijn mobieltje stukgaat, moet je wel een schadevergoeding betalen. 2 e kopieerblad extra oefening R32 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

k aardrijkskundige namen naam: 1 Zet een kring om nog zeven aardrijkskundige namen van gebieden. Ik heb in de vakantie enkele dagen door Nederland gefietst. Mijn vader en ik fietsten eerst van Noord-Brabant naar Limburg. Daarna kwamen we door Gelderland, Overijssel en Utrecht. Via Zuid-Holland fietsten we terug naar Noord-Brabant, naar huis. 2 u 3 Regelspoor. De namen van plaatsen, provincies en landen schrijf je met een hoofdletter. Let op woorden als Noord-Brabant en Noord-Brabants(e). Lees kaart R33 goed. Schrijf de bijvoeglijke naamwoorden op. Voorbeeld: wijn uit Zuid-Frankrijk - Zuid-Franse wijn. de kust van Zuid-Holland muziek uit Noord-Afrika een dorp in West-Friesland de kust muziek een dorp 4 Hoe heten deze streken? Schrijf op. het zuiden van Limburg: het oosten van Afrika: het noorden van Spanje: het westen van Europa: het zuiden van Korea: het westen van Turkije: het noorden van Italië: het oosten van België: 5 Schrijf drie gebieden op waarvan de naam met Noord- of Zuid- begint. 1 2 3 6 Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de week. 1 2 3 kopieerblad extra oefening R33 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg e

k aardrijkskundige namen antwoorden 1 Zet een kring om nog zeven aardrijkskundige namen van gebieden. Ik heb in de vakantie enkele dagen door Nederland gefietst. Mijn vader en ik fietsten eerst van Noord-Brabant naar Limburg. Daarna kwamen we door Gelderland, Overijssel en Utrecht. Via Zuid-Holland fietsten we terug naar Noord-Brabant, naar huis. 2 u Regelspoor. De namen van plaatsen, provincies en landen schrijf je met een hoofdletter. Let op woorden als Noord-Brabant en Noord-Brabants(e). Lees kaart R33 goed. 3 Schrijf de bijvoeglijke naamwoorden op. Voorbeeld: wijn uit Zuid-Frankrijk - Zuid-Franse wijn. de kust van Zuid-Holland muziek uit Noord-Afrika een dorp in West-Friesland de Zuid-Hollandse kust Noord-Afrikaanse muziek een West-Fries dorp 4 Hoe heten deze streken? Schrijf op. het zuiden van Limburg: Zuid-Limburg het zuiden van Korea: Zuid-Korea het oosten van Afrika: Oost-Afrika het westen van Turkije: West-Turkije het noorden van Spanje: Noord-Spanje het noorden van Italië: Noord-Italië het westen van Europa: West-Europa het oosten van België: Oost-België 5 6 Schrijf drie gebieden op waarvan de naam met Noord- of Zuid- begint. Bijvoorbeeld: 1 Noord-Beveland 2 Zuid-Frankrijk 3 Noord-Amerika Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de week. Bijvoorbeeld: 1 Mijn opa en oma wonen al hun hele leven in Noord-Brabant. 2 3 e kopieerblad extra oefening R33 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

k woorden die hetzelfde klinken naam: 1 In iedere regel klinken twee woorden hetzelfde. Maar je schrijft ze anders. Kleur die woorden. In de weide loopt één koe. In de wijde omtrek is nergens schaduw. Hij gaat een kameel berijden. Maar eerst zal hij het eten bereiden. Dit zijn toch jouw boeken? Dus vraag ik aan jou ze op te ruimen. Heb je slaap? Ik zie je je lekker uitrekken. Ga gauw je kleren uittrekken! 2 u 3 4 Weetspoor: sommige woorden die hetzelfde klinken, schrijf je verschillend. 1. Let op de betekenis van het woord. 2. Bedenk: is het een persoonsvorm? 3. Bedenk: wat is het voor een soort woord? Lees kaart W17 goed. Deze woorden die hetzelfde klinken heb je eerder geleerd. Neem ze nog eens goed door. ik zei/ zij, de wei/ wij, de maand mei/ mij, de hei/ hij, leiden (de leiding)/ pijn lijden, ik eis/ het ijs, steile berg/ de stijl, rauwe groente/ in de rouw, hard/ het hart, moed/ hij moet, licht/ hij ligt, hout/ hij houdt, wind/ hij wint, hij schilt/ het schild, hij raadt/ de raad, de nood/ de noot, ik wed/ de wet Welke woorden passen bij deze plaatjes? Kies uit: peilen, pijlen, veilen, vijlen, bereiden, berijden, krab en krap. Schrijf op. ik 5 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf dan de woorden helemaal op. Ik heb het deeg gekneed, dat moet nu eerst r Maak je zo lang mogelijk. Je moet je goed ui Daarna trok de kleermakerszoon de w zen. rekken. de wereld in. Wil jij straks meehelpen met het ber den van de maaltijd? 6 Bedenk een zin met een woord van de week. kopieerblad extra oefening W17A Uitgeverij Zwijsen, Tilburg e

k woorden die hetzelfde klinken antwoorden 1 In iedere regel klinken twee woorden hetzelfde. Maar je schrijft ze anders. Kleur die woorden. In de weide loopt één koe. In de wijde omtrek is nergens schaduw. Hij gaat een kameel berijden. Maar eerst zal hij het eten bereiden. Dit zijn toch jouw boeken? Dus vraag ik aan jou ze op te ruimen. Heb je slaap? Ik zie je je lekker uitrekken. Ga gauw je kleren uittrekken! 2 u Weetspoor: sommige woorden die hetzelfde klinken, schrijf je verschillend. 1. Let op de betekenis van het woord. 2. Bedenk: is het een persoonsvorm? 3. Bedenk: wat is het voor een soort woord? Lees kaart W17 goed. 3 4 Deze woorden die hetzelfde klinken heb je eerder geleerd. Neem ze nog eens goed door. ik zei/ zij, de wei/ wij, de maand mei/ mij, de hei/ hij, leiden (de leiding)/ pijn lijden, ik eis/ het ijs, steile berg/ de stijl, rauwe groente/ in de rouw, hard/ het hart, moed/ hij moet, licht/ hij ligt, hout/ hij houdt, wind/ hij wint, hij schilt/ het schild, hij raadt/ de raad, de nood/ de noot, ik wed/ de wet Welke woorden passen bij deze plaatjes? Kies uit: peilen, pijlen, veilen, vijlen, bereiden, berijden, krab en krap. Schrijf op. bereiden vijlen ik krab pijlen 5 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf dan de woorden helemaal op. Ik heb het deeg gekneed, dat moet nu eerst r ij zen. rijzen Maak je zo lang mogelijk. Je moet je goed ui t rekken. uitrekken Daarna trok de kleermakerszoon de w ij de wereld in. wijde Wil jij straks meehelpen met het ber ei den van de maaltijd? bereiden 6 Bedenk een zin met een woord van de week. Bijvoorbeeld: Nadat je een tijdje hebt gerend, moet je strekken en je spieren uitrekken. e kopieerblad extra oefening W17A Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

k Franse leenwoorden 2 naam: 1 Zet een kring om de vijf woorden waarin je /ee/ hoort. De bekende schilder André X. werkt die ochtend in zijn atelier. Hij drinkt koffie in een café. Dan wandelt hij terug naar huis. Vanavond gaat hij naar een deftig diner in een chic restaurant. Moet hij er netjes uitzien? Oké, hij zal mooie kleren aantrekken! 2 u 3 4 Weetspoor: veel Franse leenwoorden worden net zo gespeld als in het Frans. Lees kaart W25 goed. Deze Franse leenwoorden heb je eerder geleerd. Neem ze nog eens goed door. boulevard, route, douche, journalist, courgette, enthousiast, medaille, braille, circuit, biscuit, etui, plafond, envelop, croissant, punaise, mayonaise Welke woorden van kaart W25 passen bij deze afbeeldingen? Schrijf op. c c c d 5 Maak de woorden af met é, ê, er of ier. Schrijf dan de woorden helemaal op. We hebben ook nog cr pepapier in allerlei kleuren. De schilder werkt de hele dag stug door in zijn atel. Dit terras hoort bij het grote caf op de hoek. Hier mag niet iedereen komen, deze ruimte is priv. Mijn ouders zijn vijftien jaar getrouwd. Ze geven een din. Er is een enqu te gehouden onder alle leerlingen. 6 Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de uitlegkaart. 1 2 kopieerblad extra oefening W25A Uitgeverij Zwijsen, Tilburg e

k Franse leenwoorden 2 antwoorden 1 Zet een kring om de vijf woorden waarin je /ee/ hoort. De bekende schilder André X. werkt die ochtend in zijn atelier. Hij drinkt koffie in een café. Dan wandelt hij terug naar huis. Vanavond gaat hij naar een deftig diner in een chic restaurant. Moet hij er netjes uitzien? Oké, hij zal mooie kleren aantrekken! 2 u 3 4 Weetspoor: veel Franse leenwoorden worden net zo gespeld als in het Frans. Lees kaart W25 goed. Deze Franse leenwoorden heb je eerder geleerd. Neem ze nog eens goed door. boulevard, route, douche, journalist, courgette, enthousiast, medaille, braille, circuit, biscuit, etui, plafond, envelop, croissant, punaise, mayonaise Welke woorden van kaart W25 passen bij deze afbeeldingen? Schrijf op. 5 c olbert c rème c afé d iner Maak de woorden af met é, ê, er of ier. Schrijf dan de woorden helemaal op. We hebben ook nog cr ê pepapier in allerlei kleuren. crêpepapier De schilder werkt de hele dag stug door in zijn atel ier. atelier Dit terras hoort bij het grote caf é op de hoek. café Hier mag niet iedereen komen, deze ruimte is priv é. Mijn ouders zijn vijftien jaar getrouwd. Ze geven een din er. privé diner Er is een enqu ê te gehouden onder alle leerlingen. enquête 6 Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de uitlegkaart. Bijvoorbeeld: 1 We hebben de stoel van de meester met rood crêpepapier versierd. 2 e kopieerblad extra oefening W25A Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

k woorden met niet uitgesproken letters naam: 1 In de schuingedrukte woorden spreek je één letter niet uit. Welke letter is dat? Kruis aan. In het toneelstuk vond ik de scène in het restaurant het leukst. s c n Een echtpaar heeft vis met friet, erwten en worteltjes besteld. r w t Terwijl ze hun scholfilet eten, krijgen ze ruzie. Die wordt erger. f l t Bij het toetje gooien ze de yoghurt al kijvend over elkaar heen! g h t 2 u 3 Weetspoor. In sommige woorden worden letters niet (of niet duidelijk) uitgesproken. Bedenk: Hoe is het woord opgebouwd? Is het woord een leenwoord uit een andere taal? Lees kaart W31 goed. Welke woorden van kaart W31 passen bij deze afbeeldingen? Schrijf op. b n s p 4 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf dan de woorden helemaal op. Ik heb het binnen één minuut gedaan: een nieuw reco! Wil jij een gedich e in mijn poesiealbum schrijven? Het is wel een tweedehan fiets, maar hij rijdt prima. Op de zolder van oma deden we een leuke on dekking. De saus zorgt ervoor dat de spa etti zo lekker smaakt. Tuinbonen, er en en linzen zijn peulvruchten. 5 Bedenk drie zinnen. In iedere zin staat een woord van de uitlegkaart. 1 2 3 kopieerblad extra oefening W31A Uitgeverij Zwijsen, Tilburg e

k woorden met niet uitgesproken letters antwoorden 1 In de schuingedrukte woorden spreek je één letter niet uit. Welke letter is dat? Kruis aan. In het toneelstuk vond ik de scène in het restaurant het leukst. Een echtpaar heeft vis met friet, erwten en worteltjes besteld. Terwijl ze hun scholfilet eten, krijgen ze ruzie. Die wordt erger. s r f c w l n t t Bij het toetje gooien ze de yoghurt al kijvend over elkaar heen! g h t 2 u 3 Weetspoor. In sommige woorden worden letters niet (of niet duidelijk) uitgesproken. Bedenk: Hoe is het woord opgebouwd? Is het woord een leenwoord uit een andere taal? Lees kaart W31 goed. Welke woorden van kaart W31 passen bij deze afbeeldingen? Schrijf op. b owlen n achtkastje s paghetti p lafond 4 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf dan de woorden helemaal op. Ik heb het binnen één minuut gedaan: een nieuw reco rd! record Wil jij een gedich tj e in mijn poesiealbum schrijven? gedichtje Het is wel een tweedehan ds fiets, maar hij rijdt prima. tweedehands Op de zolder van oma deden we een leuke on t dekking. ontdekking De saus zorgt ervoor dat de spa gh etti zo lekker smaakt. spaghetti Tuinbonen, er wt en en linzen zijn peulvruchten. erwten 5 Bedenk drie zinnen. In iedere zin staat een woord van de uitlegkaart. Bijvoorbeeld: 1 De bokser sloeg zijn tegenstander in de derde ronde knock-out. 2 3 e kopieerblad extra oefening W31A Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

k signaaldictee e blok: naam: datum: Woord Kleur het Ik denk dat Is het goed Fout? Verbeter dan goede rondje. het goed is. of fout? het woord. G F 1 K R W ww 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww leerlingblad signaaldictee e Uitgeverij Zwijsen, Tilburg e

k controledictee e blok: naam: datum: Dicteewoorden 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 Spellingcategorie* * alleen invullen bij fouten 12 Resultaat 13 Spelling- Aantal 14 categorie fouten 15 16 17 18 19 e 20 21 Totaal leerlingblad controledictee e Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

k controledictee e2 blok 7 antwoorden Spellingcategorie R32: samenstellingen R33: aardrijkskundige W17: woorden die W25: Franse W31: niet namen hetzelfde klinken leenwoorden 2 uitgesproken letters Norm herhaling 4 (van 5) goed 4 (van 5) goed 3 (van 3) goed 3 (van 3) goed 3 (van 3) goed 1 vijlen 2 Oost-Europa 3 hondenhok 4 erwten 5 Noord-Brabant 6 café 7 regenwater 8 nachtkastje 9 bereiden 10 dorpsstraat 11 atelier 12 Mars 13 diner 14 bowlen 15 bagagedrager 16 Zuid-Holland 17 uittrekken 18 ronddraaien 19 aarde 20 21 leerkrachtblad controledictee e2 blok 7 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg e

k registratieblad controledictees e2 Naam blok 5 blok 6 blok 7 blok 8 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 R29: bezitsvormen R30: botsende klinkers: trema R31: botsende klinkers: geen trema W16: x W28: q totaal fouten R14: hoofdletters W29: Engelse leenwoorden W30: in het midden een stomme e WW22: drie werkwoordvormen WW23: ww van Engelse leenwoorden totaal fouten R32: samenstellingen R33: aardrijkskundige namen W17: woorden die hetzelfde klinken W25: Franse leenwoorden 2 W31: niet uitgesproken letters totaal fouten K34: vaste stukjes W26: Franse leenwoorden 3 W32: /t/ = d en /p/ = b W33: twee c s WW21: pv s die hetzelfde klinken totaal fouten e registratieblad controledictees e2 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg