Proefkatern Taal in beeld
|
|
|
- Anja van der Laan
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek B1: de introductiepagina s en blok 4 3 werkboek B1: de introductiepagina s en blok 4 4 kopieerboek: kopieerbladen blok 4 (met de toetstaak, het registratieblad en de eerste vier herhalingstaken). Met dit katern krijgt u zicht op hoe Taal in beeld werkt. De materialen stellen u in staat lessen van blok 4 uit te proberen in uw groep. Blok 4 bestaat uit 12 lessen. Zwijsen geeft u toestemming om voor het uitproberen kopieën te maken uit dit katern. Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en 6 (Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld) zijn niet bijgevoegd. Woordkenner is een leerspel dat als herhalingstaak op het gebied van woordenschat elk blok terugkomt. Met het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen leerlingen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Meer informatie over Woordkenner en het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vindt u op Heeft u nog vragen, neem dan contact op met Zwijsen Klantenservice: of [email protected]. Wij wensen u en uw leerlingen veel (leer)plezier met Taal in beeld!
2 handleiding B1 1
3 Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Desiree van den Bogaard Adriaan Maters Maril Rijks handleiding b1
4 hl inhoud algemene handleiding Aan de slag met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5 Toetsing en evaluatie 6 Combinatiegroepen 7 Materialen 7 Leerstof 7 Handleiding online 10 blok 1 omgeving Basislessen 12 Toetstaak 24 Herhalingstaken 26 blok 2 natuur Basislessen 31 Toetstaak 43 Herhalingstaken 45 blok 3 reizen Basislessen 50 Toetstaak 62 Herhalingstaken 64 blok 4 gevoel Basislessen 69 Toetstaak 81 Herhalingstaken 83 Colofon 88 Taalin -2Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
5 hl algemene handleiding Aan de slag met Taal in beeld U gaat werken met Taal in beeld. Deze handleiding helpt u om snel en op een prettige manier met de methode te gaan werken. Daartoe wordt in een beperkt aantal pagina s de belangrijkste informatie gegeven die u nodig hebt. Alle overige gegevens over de methode, waaronder meer uitgebreide onderdelen die horen bij deze handleiding, vindt u op de website Hebt u vragen, opmerkingen of suggesties, dan kunt u hiervoor ook terecht op de website. Hoe meer informatie wij van u krijgen, hoe beter wij in staat zijn om de methode mee te laten groeien met uw wensen en verwachtingen. Invoering Taal in beeld kunt u in één keer in alle groepen invoeren. Het eerste blok van ieder jaarprogramma is een instapblok waarin alle eerder aangeboden leerstof die nodig is voor het komende jaarprogramma, wordt opgefrist. De leerlingen raken dus niet het spoor bijster omdat er ineens termen worden gebruikt of specifieke voorkennis wordt verondersteld die ze nooit eerder aangeboden hebben gekregen. Ook u als leerkracht krijgt tijdens het eerste blok een globaal overzicht van wat aan de orde is geweest in vorige jaargroepen, voor zover het van invloed is op de lessen die u dit leerjaar aan gaat bieden. Mocht u verder nog een gedetailleerde samenvatting willen hebben van de eerder aangeboden leerstof in relatie tot de leerstof in uw jaargroep, dan vindt u op een uitgebreid leerstofoverzicht. Overzicht Taal in beeld bestaat uit vijf gedeelten. Het onderstaande schema geeft aan welk deel bestemd is voor welke jaargroep van het reguliere basisonderwijs. Voor andere typen (basis)scholen kan ervoor gekozen worden om de leerstof op een andere manier te verdelen. Deel Jaargroep A (a1 en a2) 4 B (b1 en b2) 5 C (c1 en c2) 6 D (d1 en d2) 7 E (e1 en e2) 8 De kenmerken van Taal in beeld Taal in beeld heeft drie belangrijke kenmerken. Het pakket is compleet, compact en flexibel. Compleet Taal in beeld is een complete methode: het programma biedt alle leerstof aan die u als school op basis van de kerndoelen geacht wordt aan te bieden. Kerndoelen zijn streefdoelen en geven aan wat een leerling globaal moet kennen en kunnen aan het eind van de basisschool. Ze beschrijven in grote lijnen wat in elk geval aan de orde moet komen op de basisschool. Maar niet alles wat op school gebeurt, is voorgeschreven in kerndoelen. Scholen hebben ook ruimte voor een eigen, specifiek onderwijsaanbod. Bij de ontwikkeling van Taal in beeld is uitdrukkelijk rekening gehouden met de kerndoelen voor taal, zoals die door de overheid zijn vastgesteld. Een school die werkt met Taal in beeld is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van de methode voldoet aan de kerndoelen. Compact Taal in beeld is compleet, maar daarnaast ook compact. Zowel het aantal lessen als het aantal schoolweken dat nodig is om het programma uit te voeren, is beperkt gehouden. Hierdoor zult u als leerkracht geen tijdsdruk ervaren omdat er nog zoveel moet. Voor de leerlingen is er voldoende tijd beschikbaar om de leerstof goed op te kunnen nemen en toe te passen. Verder is ook in de hoeveelheid materialen terug te zien dat de methode compact is. Geen grote hoeveelheid materialen die mogelijk gebruikt kunnen worden, maar een duidelijke keuze voor het noodzakelijke en het wenselijke. Op papier en in de vorm van software. Flexibele organisatievorm Taal in beeld is een flexibele methode. Kinderen verschillen, leerkrachten verschillen, scholen verschillen en omstandigheden verschillen. Taal in beeld houdt rekening met deze verschillen door diverse organisatievormen mogelijk te maken. Zo kunt u interactief met de hele groep aan de slag gaan, maar u kunt de leerlingen ook zelfstandig alle onderdelen van het programma laten uitvoeren. Hierbij kunnen ze individueel werken of samen met andere leerlingen. Doordat de taalactiviteiten geschikt zijn voor een geïndividualiseerde, een samenwerkende en klassikale organisatievorm, hoeft u niet te kiezen tussen interactief taalonderwijs of zelfstandig leren. U kunt met Taal in beeld de kracht van beide vormen combineren. U bepaalt in welke mate u de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Maar uiteindelijk werken ze wel aan dezelfde leerstof, waardoor de organisatie van de lessen overzichtelijk en uitvoerbaar blijft. De opbouw van de methode Taal in beeld Jaarprogramma Taal in beeld biedt een jaarprogramma voor 34 schoolweken en is opgebouwd uit acht blokken van vier weken. Na de blokken 4 en 8 is er een zogenaamde breekweek: een week waarin geen lessen uit de acht blokken aan de orde komen. De breekweken kunnen gebruikt worden als uitloopweken of als weken om op een andere manier met taal bezig te zijn. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 3 -Taalin d
6 hl algemene handleiding Algemene opbouw van een blok De eerste drie weken van ieder blok bestaan uit de basislessen. Aan het einde van de derde week of in het begin van de vierde week is er een toetstaak. Daarmee wordt vastgesteld welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben en welke (nog) niet. De kinderen die de doelen bereikt hebben, gaan vervolgens aan de slag met plustaken (verdiepingsstof), waarin ze leerkrachtonafhankelijk hun geleerde kennis, vaardigheden en strategieën toepassen en uitbouwen. De kinderen die de doelen van het blok nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week eerst herhalingstaken waarin ze de leerstof die ze nog niet beheersen, nogmaals aangeboden krijgen. Extra instructie en begeleide verwerking zijn hierbij de uitgangspunten. De opbouw van deel b1 en b2 Het schema hiernaast biedt een overzicht van de opbouw van het programma van de delen b1 en b2. Deel b1 bevat de blokken 1 tot en met 4 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Deel b2 bevat de blokken 5 tot en met 8 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Thema s De verschillende blokken bevatten voor alle jaargroepen op hetzelfde moment dezelfde thema s. De volgende onderwerpen komen aan bod: Blok Thema 1 Omgeving 2 Natuur 3 Reizen 4 Gevoel 5 Verhalen 6 Samen leven 7 Cultuur 8 Andere tijden De thema s komen overeen met die in methoden als Tussen de regels en Ondersteboven van lezen. Hierdoor bent u gemakkelijk in staat om vakoverstijgend en thematisch te werken. Instapblokken Het eerste blok van ieder leerjaar (met uitzondering van deel a1) start met een instapblok. Hierin komen alle leerstofonderdelen aan bod die eerder aangeboden zijn en relevant zijn voor het komende leerjaar. In blok 2 tot en met 7 wordt nieuwe leerstof aangeboden. Blok 8 is een afsluitend blok waarin geen nieuwe leerstof wordt aangeboden. Hierin is alle aandacht gericht op het integreren, herhalen en toepassen van de leerstof die gedurende het jaar is aangeboden. week deel blok weekprogramma dag 1 dag 2 dag 3 dag 4 dag 5 1 b1 blok 1 ws sl tb s 2 blok 1 ws sl tb s 3 blok 1 ws sl tb s 4 blok 1 toets h/p h/p h/p 5 blok 2 ws sl tb s 6 blok 2 ws sl tb s 7 blok 2 ws sl tb s 8 blok 2 toets h/p h/p h/p 9 blok 3 ws sl tb s 10 blok 3 ws sl tb s 11 blok 3 ws sl tb s 12 blok 3 toets h/p h/p h/p 13 blok 4 ws sl tb s 14 blok 4 ws sl tb s 15 blok 4 ws sl tb s 16 blok 4 toets h/p h/p h/p 17 breekweek 18 b2 blok 5 ws sl tb s 19 blok 5 ws sl tb s 20 blok 5 ws sl tb s 21 blok 5 toets h/p h/p h/p 22 blok 6 ws sl tb s 23 blok 6 ws sl tb s 24 blok 6 ws sl tb s 25 blok 6 toets h/p h/p h/p 26 blok 7 ws sl tb s 27 blok 7 ws sl tb s 28 blok 7 ws sl tb s 29 blok 7 toets h/p h/p h/p 30 blok 8 ws sl tb s 31 blok 8 ws sl tb s 32 blok 8 ws sl tb s 33 blok 8 toets h/p h/p h/p 34 breekweek ws = woordenschat sl = spreken/luisteren h = herhalingstaken s = schrijven tb = taalbeschouwing p = plustaken jaarplanning deel b1 en b2 -Taalin 4 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
7 algemene handleiding De activiteiten in Taal in beeld Zelfstandig leren, samenwerkend leren en begeleid leren Taal in beeld maakt verschillende organisatievormen gelijktijdig mogelijk. Alle lessen zijn namelijk zo opgezet dat u als leerkracht kunt bepalen of de leerlingen zelfstandig (individueel of in samenwerking met andere kinderen) of begeleid (klassikaal of in een groepje onder uw leiding) aan de slag gaan. Welke organisatievorm u ook kiest, alle kinderen doorlopen altijd dezelfde opdrachten en gebruiken dezelfde materialen. Dit betekent dat de lessen voor u als leerkracht makkelijk te organiseren zijn. U bepaalt zelf in welke mate er sprake is van mondelinge interactie tijdens de les en u kunt ervoor kiezen die te beperken. Wanneer het bereiken van het lesdoel zonder interactie niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een aantal lessen spreken/luisteren, dan attendeert de methode u hierop. Alle activiteiten in het taalboek en het werkboek De lessen in Taal in beeld zijn opgebouwd uit vaste onderdelen: de doelstelling, de introductie, de instructie, de verwerking en de evaluatie/reflectie. Deze elementen zijn ook terug te vinden in het leerlingmateriaal: Wat ga je doen?, Op verkenning, Uitleg, Aan de slag en Terugkijken. Mede hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de leerlingen op een effectieve en efficiënte manier zelfstandig te laten leren. Niets verplicht u echter om kinderen de les zelfstandig te laten doorlopen. U kunt er ook voor kiezen de les gezamenlijk op een interactieve manier door te werken. De verschillende fasen worden hieronder uitvoeriger toegelicht. De didactische fasering en de route door de les Een les in Taal in beeld bestaat uit een viertal fasen die volgen als de doelstelling is aangegeven. Tezamen vormen die fasen de lesroute die de leerlingen aan de hand van de aanwijzingen in het taalboek en het werkboek zelfstandig (individueel of samenwerkend) of begeleid (klassikaal of in een groepje) kunnen doorlopen. Op verkenning De eerste fase is Op verkenning. Hierin gaan kinderen aan de slag met enkele verkennende opdrachten. De bedoeling is dat ze zich hiermee oriënteren of voorbereiden op het onderwerp van de les, of aan de hand van een probleemstelling tot oplossingen proberen te komen. Uitleg De tweede fase is Uitleg. Dit is het instructiemoment in de les. De uitleg is enerzijds een conclusie vanuit de verkenning en anderzijds de inhoudelijke instructie die nodig is om de volgende fase te kunnen doorlopen. De instructie wordt weergegeven in een geschreven blok, maar afhankelijk van de organisatievorm kan ze ook dienen als basis voor mondelinge uitleg. Aan de slag De derde fase is Aan de slag en bevat de verwerkingsopdrachten, die gedeeltelijk in het werkboek en gedeeltelijk in het taalboek staan. Terugkijken De vierde fase is Terugkijken en heeft tot doel om te reflecteren en te evalueren. De centrale vraag hierbij is dan ook: Wat heb je geleerd? De leerlingen maken een evaluerende opdracht, waarin altijd een verband wordt gelegd met het lesdoel. Afhankelijk van de gekozen organisatievorm kan de evaluatie ook mondeling plaatsvinden. Voor kinderen die eerder klaar zijn, bevat iedere les nog een extra opdracht. Tijdsindicaties Een les in Taal in beeld duurt ongeveer 35 tot 50 minuten. De exacte tijdsduur is afhankelijk van de organisatievorm waarin de les wordt aangeboden. Het is een bekend gegeven dat er bij zelfstandig lerende kinderen een aanzienlijk verschil kan zijn in de tijd die ze nodig hebben om tot een resultaat te komen. Organisatorische problemen zullen zich echter niet voordoen, want de snelle kinderen kunnen aan de slag met de extra opdracht. Wanneer de les met de hele groep wordt doorgewerkt, zal deze ongeveer 45 minuten duren. Vanwege verschillen in de benodigde tijd in relatie tot de organisatievorm, is ervoor gekozen de lesonderdelen zelf niet te voorzien van tijdsindicaties. De differentiatie in Taal in beeld Differentiatie naar begeleidingsbehoeften Taal in beeld biedt een breed scala aan differentiatiemogelijkheden. Bij alle lessen kunt u differentiëren naar intensiteit van de begeleiding die u geeft. Sommige leerlingen of groepen kunt u meer loslaten, terwijl u andere juist veel ondersteuning wilt bieden. Om alle kinderen de begeleiding te geven die ze nodig hebben, kunt u groepen in verschillende organisatievormen laten werken. Met de kinderen die veel ondersteuning nodig hebben, doorloopt u de lesroute samen. Binnen deze organisatievariant, eerder benoemd als begeleid leren, is er veel ruimte voor mondelinge interactie en begeleiding. De leerlingen die hier minder behoefte aan hebben, laat u meer leerkrachtonafhankelijk werken, individueel of samen met andere kinderen. Tempodifferentiatie: extra stof Tijdens de lessen zal het vaak zo zijn dat bepaalde leerlingen eerder klaar zijn dan andere. Dit vraagt om tempodifferentiatie, waarbij er extra werk is voor de snelle leerlingen. Allereerst kunnen zij de extra opdracht maken. Deze staat in het taalboek aan Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 5 -Taalin d
8 hl algemene handleiding het einde van iedere les. Mochten zij daarna nog behoefte hebben aan meer stof, dan kunt u hun verdiepingsstof geven in de vorm van plustaken uit Taalmaker, of laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Taalmaker is het gedeelte van Taal in beeld dat extra taaltaken bevat in de vorm van kaarten en werkbladen. Niveaudifferentiatie: plustaken (verdiepingsstof) Wat betreft de verdiepingsstof in de vorm van plustaken hebt u een breed scala aan mogelijkheden. Alle plustaken hebben echter één ding gemeen: het is niet meer van hetzelfde, maar het zijn taalactiviteiten vanuit een andere, meer toepassende invalshoek. Alle plustaken die horen bij Taal in beeld, vindt u in het onderdeel Taalmaker. Taalmaker bestaat uit een doos met kaarten en werkbladen. Periodiek zullen de plustaken in Taalmaker aangevuld en vernieuwd worden, waardoor de uitdaging voor de leerlingen groot zal blijven. De plustaken kunnen op drie momenten gebruikt worden. Ten eerste als tempodifferentiatie bij de basislessen. Zijn leerlingen eerder klaar, dan kunnen ze, na de extra opdracht, aan de slag met de plustaken. Ten tweede als leerstof voor op de vijfde dag van de week, wanneer er geen basisprogramma is. Wilt u kinderen die dag toch taalopdrachten laten uitvoeren, dan kunnen ze aan de slag gaan met de plustaken. Ten derde als leerstof voor in week 4, na de toets. In eerste instantie geldt dit voor kinderen die geen behoefte hebben aan herhalingstaken. Meer informatie over de plustaken uit Taalmaker vindt u bij De materialen van Taal in beeld. Niveaudifferentiatie op het gebied van woordenschat kunt u realiseren door kinderen te laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Daarin krijgen ze eerst de woorden uit de basislessen aangeboden. Deze worden uitgelegd, geoefend en getoetst. Kennen ze deze woorden, dan biedt het programma extra woorden aan. Deze zijn onderdeel van de verdiepingsstof. Niveaudifferentiatie: herhalingstaken Aan het einde van de derde week of in de vierde week van ieder blok maken de leerlingen een toetstaak. Deze is bedoeld om vast te stellen of ze de doelen van het blok bereikt hebben. Als dit niet het geval is, krijgen ze de vierde week herhalingstaken bij de onderdelen die ze nog niet beheersen. De herhalingstaken worden bij ieder blok beschreven in de handleiding. De leerlingen kunnen ze in principe zelfstandig maken, maar geadviseerd wordt om hen hierbij te begeleiden. Toetsing en evaluatie in Taal in beeld Er bestaan verschillende manieren om de resultaten van de leerlingen te evalueren. Het gaat hierbij om evaluatie op korte, middellange en lange termijn. Korte termijn Evaluatie op korte termijn is gericht op het vaststellen of de lesdoelen wel of niet bereikt zijn. Dit gebeurt op twee manieren. Ten eerste door de leerlingen zelf, via de reflectieopdracht in de fase Terugkijken van de basislessen. Hierbij stellen ze zelf vast wat ze geleerd hebben tijdens de les. Een tweede manier om na te gaan of de doelen bereikt zijn, is door gebruik te maken van de observatiepunten in de handleiding. Deze zijn terug te vinden bij een aantal basislessen. Middellange termijn Evaluatie op middellange termijn is bedoeld om vast te stellen of de leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben. Aan het einde van de derde of aan het begin van de vierde week van elk blok is er een toetstaak die bestaat uit een aantal toetsopdrachten. Deze opdrachten zijn gericht op verschillende taaldomeinen. Taalbeschouwing en woordenschat worden na ieder blok getoetst. Schrijven en spreken/luisteren worden daar regelmatig aan toegevoegd. Taal in beeld bevat registratiebladen waarop de toetsresultaten van de leerlingen vastgelegd kunnen worden. Tevens vindt u op deze bladen de adviesnorm bij de verschillende toetsopdrachten. Op basis van de score krijgt u ook een advies over de gewenste vervolgactiviteiten. Zo kunt u direct zien of de leerling herhalingstaken moet gaan uitvoeren en welke dat zijn, of dat hij plustaken kan gaan maken. In het laatste geval vindt u een verwijzing naar Taalmaker, het onderdeel van de methode waarin de plustaken zijn verzameld. De registratiebladen vindt u in het kopieerboek. Evaluatie op lange termijn Taal in beeld legt het accent op methodegebonden toetsen, waarmee uitspraken worden gedaan over de mate waarin leerlingen de doelen van de methode bereiken. Evaluatie op lange termijn staat meer in het teken van het taalniveau van een leerling in het algemeen of in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Hiervoor zijn toetsen nodig die voldoende betrouwbaar en gevalideerd zijn om een antwoord te geven op deze vraag. Dit overstijgt de mogelijkheden van de toetsing in een taalmethode. Wanneer u behoefte hebt aan een dergelijke evaluatie, dan adviseren we u gebruik te maken van toetsen die speciaal voor dit doel gemaakt zijn. Onder andere de Cito-groep in Arnhem brengt in het kader van haar leerlingvolgsysteem een aantal geschikte toetsen op de markt. -Taalin 6 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
9 algemene handleiding Taal in beeld in combinatiegroepen Individueel of samen zelfstandig leren Taal in beeld is een methode met veel mogelijkheden om zelfstandig te leren. Alleen in situaties waarin de lesdoelen niet bereikt kunnen worden zonder interactie, zoals bij een aantal lessen spreken/luisteren het geval is, adviseert de methode u bepaalde opdrachten op basis van samenwerkend leren (of klassikaal) te doen. Door de ruime mogelijkheden voor zelfstandig leren (individueel of samenwerkend), is Taal in beeld uitermate geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen of stamgroepen. De leerlingen kunnen leerkrachtonafhankelijk aan de opdrachten gaan werken en u kunt bepalen welke kinderen u op welk moment intensiever begeleidt. Op deze manier wordt voorkomen dat u het gevoel krijgt eigenlijk op meerdere plekken tegelijkertijd te moeten zijn. Doordat de lessen in Taal in beeld ook geschreven zijn voor zelfstandig leren, is dit niet meer het geval. Ook kinderen die zelfstandig aan het werk gaan, worden attent gemaakt op de doelstelling van de les, oriënteren zich op de lesstof, krijgen uitleg in de vorm van beschreven tekstblokken, maken de verwerkingsopdrachten en reflecteren op wat ze geleerd hebben. Doordat zij zich volledig zelf kunnen redden, kunt u zich meer richten op die kinderen die uw hulp het hardst nodig hebben, onafhankelijk van de jaargroep waarin ze zitten. Lessen omwisselen in het weekprogramma Mocht er echter toch een situatie ontstaan waarin u twee jaargroepen tegelijkertijd begeleiding wilt geven, bijvoorbeeld omdat beide groepen op hetzelfde moment een interactieve les spreken/ luisteren op het programma hebben staan, dan is het geen enkel probleem om lessen in het weekprogramma om te wisselen. Door een van de jaargroepen met een schrijfles aan de slag te laten gaan terwijl u zelf met de andere jaargroep de les spreken/luisteren doet, hebt u het probleem opgelost. Het weekprogramma kent geen gedwongen volgorde in de lessen. De materialen van Taal in beeld Het materialenoverzicht Het b1-gedeelte van Taal in beeld bestaat uit de volgende materialen. - Een taalboek b1, waarin de basislessen staan uitgewerkt. - Een werkboek b1, waarin een gedeelte van de opdrachten is uitgewerkt. - Een antwoordenboek b1, waarin de antwoorden op de opdrachten (uit taal- en werkboek) zijn te vinden. - Een handleiding b1, waarin het volledige lesprogramma voor de leerkracht is beschreven. Hierbij vindt u ook de activiteitenbeschrijvingen die horen bij de toets- en herhalingstaken. - Een kopieerboek B, waarin alle kopieerbladen opgenomen zijn. Het gaat hierbij om de toetstaak (inclusief registratiebladen) en de herhalingstaken per blok. - Woordkenner B, een herhalingstaak op het gebied van woordenschat, die ieder blok terugkomt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van bladen en een spelbord dat de activiteit ondersteunt. - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Met dit programma kunnen kinderen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Naar dit gedeelte van het programma wordt verwezen bij de basislessen en de herhalingstaken van ieder blok. Naast de doelwoorden uit de basislessen bevat het programma een groot aantal nieuwe doelwoorden. Dit gedeelte van het programma kan ingezet worden als plustaak. - Taalmaker B, waarin plustaken zijn ondergebracht. Die bestaat uit een doos met kaarten en werkbladen. Wat wordt wanneer gebruikt? Een blok in Taal in beeld bestaat uit vier lesweken. Tijdens de eerste drie weken worden de basislessen aangeboden. Deze staan in het taalboek en het werkboek en worden toegelicht in de handleiding. Op de vijfde dag van iedere week is geen basisstof gepland. U kunt ervoor kiezen op deze dag geen taalles op het rooster te zetten, maar het is ook mogelijk om deze dag als uitloopmogelijkheid te gebruiken. Een derde optie is op die dag geen basisstof aan te bieden, maar de leerlingen te laten werken aan de plustaken. Aan het einde van week 3 of begin van week 4 is er een toetstaak. De kinderen die onvoldoende scoren op (onderdelen van) de toets, gaan vervolgens de bijbehorende herhalingstaken doen. In de handleiding en op het registratieblad (te vinden in het kopieerboek), wordt op basis van de score aangegeven welke herhalingstaken aan bod kunnen komen. De overige kinderen kunnen aan de slag gaan met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Zowel de herhalings- als de plustaken worden per blok toegelicht in de handleiding. De laatste dag van week 4 zijn er geen herhalingstaken. Alle kinderen kunnen dan eventueel aan de slag met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Het schema op de volgende pagina biedt een overzicht van de activiteiten per blok en de te gebruiken materialen. De leerstof in Taal in beeld Vier taaldomeinen Taal in beeld besteedt in elk leerjaar ruim aandacht aan de taaldomeinen woordenschat, spreken/luisteren, schrijven (stellen) en taalbeschouwing. Hiermee voldoet de methode ruimschoots aan de kerndoelen voor het basisonderwijs en de tussendoelen beginnende en gevorderde geletterdheid, voor zover van toepassing voor een taalmethode Voor het spellingonderwijs is er een bijbehorende uitgave beschikbaar onder de naam Spelling in beeld. Deze methode vormt een Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 7 -Taalin d
10 hl algemene handleiding Week 1, 2 en 3 Week 4 Basisstof Lessen (taalboek en werkboek) Toetstaak (kopieerboek) Herhalingstaken Plustaken Geen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen - Herhalingstaken (kopieerboek) - Woordkenner - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen complete spellingleergang die werkt volgens dezelfde principes als Taal in beeld. Tevens is er op tal van punten sprake van een afstemming tussen beide methodes. Meer informatie hierover vindt u op onze website, De leerstof van Taal in beeld is sterk gericht op het leren gebruiken van strategieën. De leerlingen leren hoe ze taal moeten gebruiken en welke mogelijkheden taal biedt, maar ook welke taalvaardigheden hen daarbij kunnen helpen. Hierbij gaat het om taalvaardigheden die voor, tijdens en na het communiceren gehanteerd worden. De leerlingen leren om, afhankelijk van de situatie waarin ze zich bevinden, een passende keuze te maken uit de taalvaardigheden die ze beheersen. Het kunnen bepalen welke vaardigheden nodig zijn en deze vervolgens op een juiste manier toepassen, vormt de kern van de strategisch aanpak die de leerlingen zich met Taal in beeld eigen maken. Daardoor ontwikkelen ze taalcompetenties die hen in staat stellen om actief en bewust om te gaan met de taal en ermee te communiceren. Hieronder wordt in grote lijnen per taaldomein aangegeven welke leerstof in Taal in beeld aan de orde komt en hoe deze is opgebouwd. Een meer gedetailleerd overzicht van de leerlijnen vindt u op onze website, Woordenschat Het leerstofaanbod op het gebied van woordenschat is gericht op twee subdomeinen: de beheersing van woordenschatstrategieën en -vaardigheden en het verwerven van de betekenis van de doelwoorden. De woordenschatstrategieën en -vaardigheden In Taal in beeld komen twee soorten woordenschatstrategieën aan de orde: de eerste om de betekenis van woorden te kunnen achterhalen en de tweede om de woordbetekenis beter te kunnen onthouden. Ze worden aangeduid als respectievelijk een woordleerstrategie en een woordonthoudstrategie. De leerlingen beheersen de strategieën als ze uit de bijbehorende taalvaardigheden een adequate keuze kunnen maken en deze op de juiste manier kunnen toepassen. Hierbij gaat het enerzijds om woordleervaardigheden en anderzijds om woordonthoudvaardigheden. Deze vaardigheden komen elk leerjaar op hetzelfde moment terug. Het gaat daarbij om de volgende vaardigheden. Woordleervaardigheden - de woordbetekenis afleiden uit een plaatje - de woordbetekenis afleiden uit de tekst (of de context) - de woordbetekenis afleiden via woordanalyse - de woordbetekenis opzoeken - de woordbetekenis navragen Woordonthoudvaardigheden - de woordbetekenis onthouden door te associëren (bijvoorbeeld door een woordweb te maken) - de woordbetekenis onthouden door woorden te ordenen (bijvoorbeeld door het maken van een woordkast, woordparaplu, woordtrap of woordpodium) - de woordbetekenis onthouden door woorden toe te passen (bijvoorbeeld door te tekenen, te schrijven of woordspellen te maken) De doelwoorden In de woordenschatlessen in het taalboek en het werkboek ligt het accent op het leren van woordenschatstrategieën en -vaardigheden. Deze worden aangeboden in de verschillende lesfasen (Op verkenning, Uitleg, Aan de slag, Terugkijken). In het verlengde hiervan komen ook doelwoorden aan bod in de lessen. Er is voor gekozen om tijdens de basislessen beperkt uitleg te geven over de betekenis van de doelwoorden. Het is bekend dat de verschillen tussen kinderen voor wat betreft hun woordenschat groot zijn. Het is daarom in onze opvatting niet gewenst alle leerlingen uitgebreid uitleg te geven over alle woordbetekenissen in alle situaties. De uitgebreide uitleg vindt dan ook pas plaats na de toets in de herhalingstaken, waardoor u als leerkracht zich kunt richten op de kinderen die bij de toets onvoldoende woorden kenden. Een van de herhalingstaken is het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Hierin ligt het accent volledig op het beheersen van de doelwoorden. De wijze van aanbieden is gebaseerd op het bekende vierfasenmodel: introductie, semantisering (betekenis aanbrengen), consolideren (veelzijdig inoefenen) en evalueren. Wanneer de leerlingen aan de slag gaan met het computerprogramma, krijgen ze in eerste instantie de woorden aangeboden die ook in het taal- en werkboek aan de orde zijn geweest. Als ze die beheersen, krijgen ze nog een groot aantal nieuwe doelwoorden aangeboden. Het totaal aantal doelwoorden dat per blok aangeboden wordt, bedraagt 80. Meer informatie -Taalin 8 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
11 algemene handleiding over het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen vindt u in de toelichting die hoort bij dit softwarepakket. De doelwoorden die aangeboden worden, vallen uiteen in drie categorieën: - woorden die nodig zijn voor algemeen dagelijks taalgebruik; - woorden die nodig zijn voor gebruik in en rond de school; - woorden die van belang zijn om te kunnen reflecteren op taal. Spreken/luisteren De leerstof in het domein spreken/luisteren is erop gericht de leerlingen adequate strategieën aan te leren om effectief te kunnen spreken en luisteren. Hierbij maakt Taal in beeld onderscheid tussen spreken, luisteren en het voeren van een gesprek. De onderdelen spreken en luisteren worden aangeboden in de vorm van eenrichtingsverkeer, waarbij zowel voor de spreker als voor de luisteraar specifieke strategieën aan bod komen. Bij het voeren van gesprekken gaat het om de gezamenlijke uitwisseling van gedachten over eenzelfde onderwerp. Om de leerlingen de spreek-, luister- en gespreksstrategieën aan te leren, komen in Taal in beeld, gekoppeld aan een achttal aandachtsgebieden, onder andere de volgende vaardigheden aan de orde: De voorbereiding het spreekdoel bepalen een woordweb gebruiken onderzoek doen in de bibliotheek of op internet vragen stellen De doelgroep praten met verschillende mensen op de luisteraar letten stap voor stap iets uitleggen de juiste mensen aanspreken Spreek/luister-situaties een inleiding geven verslag uitbrengen informatie geven een mening geven en argumenteren een betoog houden en een debat of discussie voeren een monoloog houden een verhaal of gedicht voorlezen, vertellen of voordragen een toneelstuk of een sketch spelen een mop vertellen Gesprekstechnieken bij het onderwerp blijven gedachten uitwisselen vragen stellen en doorvragen reageren op anderen conclusies trekken Het gebruik van beeldmateriaal uitleggen en vertellen met behulp van beeldmateriaal proefjes uitvoeren Lichaamstaal aandacht voor houding en gebaren aandacht voor stemgebruik en spreekpauzes aandacht voor het maken van oogcontact Woordgebruik moeilijke woorden, verwijswoorden en verbindingwoorden gebruiken een juiste woordkeuze maken De structuur van een gesprek informatie ordenen en rangschikken de juiste volgorde aanbrengen improvisatie het gesproken woord vastleggen Wanneer de leerlingen deze vaardigheden beheersen en in staat zijn om ze op het juiste moment te gebruiken, beschikken ze over adequate spreek-, luister- en gespreksstrategieën. Ze ontwikkelen zich op deze manier tot competente sprekers, luisteraars en gesprekspartners. Sprekershoek Vanaf groep 4 wordt in alle lessen Spreken en luisteren een tip gegeven voor de Sprekershoek. Daarmee wordt een activiteit bedoeld waarbij de leerlingen in het openbaar leren spreken. De naam is ontleend aan Speaker s Corner, een plek in Hide Park in Londen waar ieder die dat wil zijn zegje mag doen. Voor de Sprekershoek in de klas geldt eveneens dat het de leerlingen vrij staat om hun zegje te doen. Gebruik de Sprekershoek dan ook om de leerlingen uit te dagen iets te vertellen over wat ze hebben geleerd, meegemaakt, ontdekt of wat ze ergens van vinden. Laat de andere kinderen reageren. Geef alle leerlingen de kans om van de Sprekershoek gebruik te maken, ook al is het nog zo kort. Het gaat hier niet om een spreekbeurt, maar om het leren speken in het openbaar. Om de Sprekershoek tot een uitnodigende activiteit te maken kunt u voor in de klas een lessenaar zetten. Dat is de plek waar de kinderen op gezette tijden hun zegje mogen doen. Dat kan spontaan of voorbereid. Tijdens een discussie kunt u de Sprekershoek bijvoorbeeld gebruiken om enkele leerlingen om de beurt hun mening te laten geven. De Sprekershoek geeft dan iets meer cachet aan de zaak. De tips in de handleiding zijn bedoeld om de geleerde vaardigheden ook in de Sprekershoek toe te passen. Schrijven In het domein schrijven leren kinderen een adequate schrijfstrategie hanteren. Om de leerlingen de schrijfstrategie aan te leren komen in Taal en beeld onder andere de volgende vaardigheden aan de orde. Ze zijn verdeeld over acht aandachtsgebieden. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 9 -Taalin d
12 hl algemene handleiding De voorbereiding het schrijfdoel en de doelgroep bepalen het onderwerp bepalen en informatie verzamelen onderzoek doen Tekstsoorten schrijven een verhaaltekst en monoloog schrijven een gedicht, toneelstuk, mop en sketch schrijven een weettekst, verslagtekst en meningtekst schrijven een ansichtkaart, brief en schrijven een doetekst, actietekst en omgevingstekst schrijven werkstukken, schema s, uittreksels en samenvattingen maken (samen) een tekst nalezen en reviseren Tekstonderdelen een titel bedenken een inleiding, conclusie, voorwoord en nawoord schrijven alinea s schrijven en tussenkopjes gebruiken de hoofdgedachte duidelijk maken Woordgebruik moeilijke woorden, verwijs- en verbindingwoorden gebruiken een passende woordkeuze maken Opbouw een tekst schrijven met een vergelijking een tekst schrijven met een opsomming een tekst schrijven met een oorzaak-gevolgrelatie een tekst schrijven met een probleem-oplossingrelatie Uiterlijk van de tekst een tekening maken bij een tekst beeldmateriaal verzamelen en bijschriften maken tekstdragers en lay-out bepalen een inhoudsopgave maken een omslag maken Als de leerlingen deze vaardigheden op het juiste moment en op de juiste wijze kunnen toepassen, beschikken ze over een adequate schrijfstrategie. Dit maakt hen tot competente schrijvers. Taalbeschouwing Het domein taalbeschouwing bestaat in Taal in beeld uit drie subdomeinen: woordbouw, zinsbouw en taalgebruik. Woordbouw Bij woordbouw leren de leerlingen de belangrijkste zaken met betrekking tot de functie, de bouw en de betekenis van woorden. Hierbij komen onder andere de volgende onderdelen aan de orde: het zelfstandig naamwoord in al zijn verschijningsvormen, waaronder de samenstelling, het meervoud en verkleinwoorden de werkwoorden en de verschijningsvormen en vervoegingen van het werkwoord, zoals de woordenboekvorm, de persoonsvorm en de deelwoorden de tijden tegenwoordige en verleden tijd functiewoorden zoals lidwoorden en voorzetsels verschillende voornaamwoorden zoals het persoonlijk, het bezittelijk en het aanwijzend voornaamwoord bijvoeglijke naamwoorden neologismen (nieuwe woordvorming) Zinsbouw Bij het onderdeel zinsbouw leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de functie, de bouw en de betekenis van zinnen. Hierbij komen onder andere aan de orde: diverse soorten zinnen zoals vertelzinnen, vraagzinnen, bevelzinnen, ontkenningen, enkelvoudige en samengestelde zinnen en de gebiedende wijs het gebruik voegwoorden en vraagwoorden het verdelen van zinnen in zinsdelen zoals onderwerp en gezegde, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp de interpunctie: het gebruik van hoofdletter, komma, punt, vraagteken, uitroepteken, dubbele punt, puntkomma en aanhalingstekens Taalgebruik Bij het onderdeel taalgebruik leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de bouw van teksten en het gebruik van taal. Hierbij wordt onder meer aandacht besteed aan de volgende verschijnselen: bondig en uitvoerig taalgebruik creatief en zakelijk taalgebruik letterlijk en figuurlijk taalgebruik formeel en informeel taalgebruik ouderwets en modern taalgebruik het verschil tussen thuistaal en schooltaal het gebruik van directe en indirecte rede oude taalvormen en zinnen vormen van taalgebruik via nieuwe media zoals en sms het gebruik van dialecten en andere taalvarianten zoals standaard- Nederlands en Vlaams taalgebruik van doven en blinden het gebruik van pictogrammen Een meer gedetailleerde leerstofopbouw van alle taalonderdelen die in Taal in beeld aan bod komen, vindt u op de website Handleiding online Deze handleiding is bedoeld om u zo effectief en prettig mogelijk met Taal in beeld te laten werken. Om deze reden is er ook voor gekozen om dit algemene gedeelte van de handleiding zo compact mogelijk te houden. Mocht u behoefte hebben aan meer of meer gedetailleerde informatie over Taal in beeld, dan kunt u hiervoor terecht op de website Hier vindt u het online-gedeelte van de handleiding met aanvullende informatie. -Taalin 10 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
13 blok 4 gevoel Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1
14 hl blok 4 gevoel les 1 woordenschat Organisatie en differentiatie Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door het maken van woordparen. De leerlingen leren de betekenis van tien nieuwe woorden. Doelwoorden ergens gebrek aan hebben, het geldstuk, het heelal, naderen, de ruimte (heelal), schatrijk, verheugd, verzamelen, de volwassene, woest Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 78 en 79 w b1, pagina 37 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Femke en Fatma. Ze letten op woorden die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. Die schrijven ze op. Daarna schrijven ze op welke drie munten ze kennen. Ze tekenen of schrijven wat er op de voor- en achterkant staat. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze woorden kunnen onthouden door woordparen te maken met woorden die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. Er worden enkele voorbeelden gegeven. Aan de slag In het werkboek maken de leerlingen op verschillende manieren woordparen. Onder twee strips waarin het tegenovergestelde gebeurt schrijven ze twee antoniemen. Onder een tekening schrijven ze synoniemen en antoniemen van verheugd. Tot slot maken ze woordparen met acht gegeven woorden. In het taalboek lezen de leerlingen wat er met Fatma gebeurt. In hun schrift schrijven ze een synoniem en antoniem van gebrek. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden synoniemen of antoniemen van woorden te vinden. Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest om de leerlingen, dient u rekening te houden met het volgende. Het is goed om tussentijds na te gaan of de leerlingen weten wat woordparen zijn, en of ze weten wat bedoeld wordt met het tegengestelde. Wanneer dat niet het geval is, neemt de zinvolheid van de oefeningen af en kunt u er beter voor kiezen om gedeelten van de les begeleid aan te bieden. Geef zonodig voorbeelden, zoals goed - slecht, hoog - laag. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 3 kunnen de leerlingen elkaar afwisselend vertellen wat er op de voor- en achterkant van de munten te zien is. Bij opdracht 6 kunnen leerlingen om de beurt een woordpaar maken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Opdracht 6 en 8 kunt u gezamenlijk op het bord doen. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Tips Maak de leerlingen de komende week attent op woorden die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. U kunt die op het bord noteren of de leerlingen in een schrift laten schrijven. U kunt de leerlingen ook een woordenboekje laten maken met woorden die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. Ze hebben dit al eerder gedaan in blok 3. Aantekeningen Observatiepunten Controleer of de leerlingen woordparen kunnen maken met woorden die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 69 -Taalin d
15 hl blok 4 gevoel les 2 spreken/luisteren Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren hoe zij bij het spreken hun stem kunnen gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 80 en 81 w b1, pagina 38 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen een tekst twee keer voor: een keer verdrietig en een keer boos. Ze luisteren of zij verschil horen in tempo, toonhoogte en volume. Zij geven aan hoe zij de tekst het liefst voorlezen. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over de manier van spreken. Ze moeten letten op: het volume (hard en zacht); het tempo (snel en langzaam); de toonhoogte (hoog en laag). Aan de slag De leerlingen voeren spreekopdrachten uit waarbij ze letten op volume, tempo en toonhoogte. Zij oefenen deze vaardigheden eerst apart. Daarna schrijven ze in spreekwolken op wat mensen op plaatjes te zeggen hebben. Ze krijgen aanwijzingen over volume, tempo en toonhoogte. In het taalboek lezen de leerlingen elkaar op verschillende manieren een tekst voor. De luisteraar geeft feedback. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze de drie geoefende deelaspecten van het stemgebruik makkelijk of moeilijk vonden. Laat de leerlingen in de komende week letten op hun stemgebruik. Vraag of ze harder of zachter, sneller of langzamer, met hogere of lagere stem kunnen spreken. Sprekershoek Laat de leerlingen in de sprekershoek een verhaal voorlezen of vertellen waarbij ze variatie aanbrengen in hun stemgebruik. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de meeste opdrachten moeilijk individueel uitvoerbaar. Het ligt voor de hand deze in tweetallen te doen. Eventueel kunnen de leerlingen de opdrachten individueel doen, waarbij ze naar zichzelf luisteren en zichzelf beoordelen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. De meeste opdrachten zijn bedoeld om in tweetallen uit te voeren. De leerlingen zijn dan om de beurt spreker en luisteraar. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4, 5, 6 en 8 kunt u de leerlingen eerst in tweetallen laten spreken en luisteren. Vervolgens kunt u enkele leerlingen voor de klas laten spreken, terwijl de rest van de groep luistert. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 70 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
16 hl blok 4 gevoel les 3 taalbeschouwing Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de les inleiden met een spelletje. U laat een leerling met zijn vingers bij zijn buurman een woord op de rug schrijven. De buurman moet raden welk woord dit is. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. U kunt verdere achtergrondinformatie geven over het brailleschrift. U vindt deze informatie in het onderstaande kader. Doelen De leerlingen leren dat blinden met brailleschrift lezen en schrijven. De leerlingen weten hoe blinden de computer als hulpmiddel kunnen gebruiken. De leerlingen weten hoe ze brailleschrift moeten lezen. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 82 en 83 w b1, pagina 39 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen ontdekken hoe het brailleschrift werkt en op welke manier blinden gebruikmaken van computers. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat blinden brailleschrift lezen en dit voelen met hun vingers. Aan de slag De leerlingen maken opdrachten met brailleschrift. Ze schrijven hun naam in braille en ontcijferen een stukje brailleschrift. Tevens maken ze kennis met gesproken boeken en spraakcomputers. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen van enkele beweringen op of ze waar of niet waar zijn. De zinnen gaan over inhoudelijke zaken die ze in deze les geleerd hebben. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Over het brailleschrift Het brailleschrift is ontworpen door Louis Braille. Hij leefde van 1809 tot 1852 in Frankrijk. Op zijn derde jaar werd hij blind. Louis bezocht een blindenschool. In die tijd waren er reliëfletters, maar deze waren voor blinden moeilijk te lezen. Toen Louis vijftien was bedacht hij daarom een ander systeem, dat men later het brailleschrift noemde. Elke letter bestond uit zes puntjes, waarbij het sommige puntjes hoger liggen dan andere. Blinden kunnen ook op een computer werken. Daarbij hebben ze een extra apparaat voor de computer nodig. De tekst die op het beeldscherm verschijnt, komt hier regel voor regel in brailleschrift op te staan, en kan al voelend door blinden gelezen worden. Ook is er een speciaal toetsenbord voor blinden. Op de toetsen staan dan geen letters, maar puntjes. Bij de computer kan ook een brailleprinter gebruikt worden. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 71 -Taalin d
17 hl blok 4 gevoel les 4 schrijven Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren een kaartje schrijven. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 84 en 85 w b1, pagina 40 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen bekijken een kaartje dat Debbie vanaf haar logeeradres stuurt. Ze lezen wat ze schrijft en bedenken wanneer je nog meer een kaartje kunt sturen. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze op een ansichtkaart een kort bericht schrijven. Ze leren dat ze kunnen schrijven: waar ze zijn; wat ze doen; wat ze vinden. Aan de slag De leerlingen kiezen een persoon naar wie ze een kaartje willen sturen. Vervolgens kiezen ze waarom ze die persoon een kaartje willen sturen. Daarna schrijven ze de kaart en tekenen de voorkant. In het taalboek tekenen de leerlingen de kaart die ze voor Milan uitzoeken om hem te bedanken voor zijn hulp bij een spreekbeurt. Ze schrijven hun bericht op de kaart. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen een kaartje aan een vrij te kiezen persoon. Laat de leerlingen bij verschillende gelegenheden een kaartje naar iemand sturen. Bijvoorbeeld wanneer een klasgenootje of een van de ouders ziek is. Ook kunt u met de leerlingen kaarten maken en schrijven die u vervolgens bij een bejaarden- of verzorgingstehuis in de buurt afgeeft. Op deze manier oefenen de leerlingen hun vaardigheden en de ontvangers zijn waarschijnlijk dolblij met hun verrassing. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 4 kunnen de leerlingen samen overleggen over de vraag bij welke gelegenheden je een kaartje kunt sturen. Bij opdracht 5 tot en met 8 kunnen de leerlingen een kaart aan elkaar schrijven. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 5 tot en met 8 kunt u eerst een aantal leerlingen laten vertellen aan wie zij een kaart zouden sturen en waarom. Daarna maken de leerlingen de opdrachten individueel. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 72 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
18 hl blok 4 gevoel les 5 woordenschat Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door een woordkaart te maken. De leerlingen leren de betekenis van tien nieuwe woorden. Doelwoorden ademloos, de astronaut, glimmen, de hiel, de kers, de komeet, de leeuwentemmer, het optreden, het podium, de troon Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 86 en 87 w b1, pagina 41 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Femke en Fatma. Ze letten op wat Femke doet om alles over Sterrenland te onthouden. Dat schrijven ze op. Daarna schrijven en tekenen ze over Sterrenland. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze met een woordkaart de betekenis van woorden beter kunnen onthouden. Op een woordkaart staan: woorden; zinnen; tekeningen. Er wordt een voorbeeld van een woordkaart gegeven. Aan de slag De leerlingen oefenen in het maken van woordkaarten. Ze kiezen welke woorden boven aan een woordkaart horen te staan en maken daar een zin mee. Ze schrijven woorden op die bij een begrip horen en maken een zin met dat begrip. Ze maken geheel zelfstandig een woordkaart over een leeuwentemmer. In het taalboek lezen ze wat er met Fatma gebeurt. Ze maken een woordkaart over het woord de hiel uit het verhaal. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om een woordkaart te maken. Ze schrijven ook op waarom ze dat vinden. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Het is goed om tussentijds na te gaan of de leerlingen weten wat een woordkaart is. Als dit niet het geval is, neemt de zinvolheid van de oefeningen af en kunt u er beter voor kiezen om gedeelten van de les begeleid aan te bieden. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 4, 5, 6 en 8 kunnen de leerlingen samen één woordkaart maken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4, 5, 6 en 8 kunt u samen een woordkaart op het bord maken. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Tips Maak de leerlingen de komende week attent op woorden, zinnen en beelden die bij bepaalde begrippen horen. Laat hen regelmatig woordkaarten maken. Laat hen daarbij beelden zoeken in kranten, tijdschriften en op internet. Aantekeningen Observatiepunten Controleer of de leerlingen woorden, zinnen en beelden kunnen bedenken bij een bepaald begrip. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 73 -Taalin d
19 hl blok 4 gevoel les 6 spreken/luisteren Organisatie en differentiatie Doelen De leerlingen leren tijdens het spreken letten op hun gebaren. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 88 en 89 w b1, pagina 42 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen een tekst over Denny die een grote vis heeft gevangen, en bekijken de illustraties. Ze letten op de gebaren die Denny maakt. In hun schrift schrijven ze op wat Denny met die gebaren bedoelt. Ze noteren ook welke gebaren Denny zou maken als hij een piepklein visje had gevangen. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het gebruik van gebaren tijdens het spreken. Ze leren dat ze met gebaren extra duidelijk kunnen maken wat ze willen zeggen. Aan de slag De leerlingen worden zich bewust van de gebaren die zij al automatisch met hun handen maken. Zij doen dat door een tekst met en zonder gebaren te lezen, door expres verkeerde gebaren te maken (bijvoorbeeld achter zeggen en voor wijzen) en door gebaren te tekenen. Tot slot spreken de leerlingen een tekst uit waarbij ze gebaren moeten maken. De andere leerlingen controleren of ze de gebaren begrijpen. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of zij het moeilijk of niet moeilijk vinden om gebaren te maken. Attendeer leerlingen de komende week op de gebaren die ze maken. Sprekershoek Laat de leerlingen in de sprekershoek een verhaal voorlezen of vertellen waarbij ze gebaren maken. Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten 4, 5 en 7 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Eventueel kunnen de leerlingen ze in eerste instantie individueel uitvoeren om de gebaren te oefenen. Het is raadzaam om ze in dat geval op een ander tijdstip de gebaren te laten maken voor een medeleerling, zodat die kan beoordelen of de gebaren begrijpelijk zijn. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 6 kunnen de leerlingen elkaar eerst de gebaren voordoen en ze daarna tekenen. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4, 5 en 6 kunt u de leerlingen de gebaren eerst in tweetallen laten oefenen. Daarna kunt u ze door enkele leerlingen voor de klas laten maken. Opdracht 5 kunt u met alle leerlingen tegelijk doen. U leest de woorden en de leerlingen maken de gebaren. Omgekeerd kunt u enkele leerlingen gebaren laten maken en de andere leerlingen laten raden welke woorden bedoeld worden. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatie Ga na of de leerlingen gebaren gebruiken die de gesproken boodschap versterken. -Taalin 74 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
20 hl blok 4 gevoel les 7 taalbeschouwing Doelen De leerlingen leren dat je door middel van verbindingswoorden van twee zinnen één zin kunt maken. De leerlingen leren ook het omgekeerde: van een samengestelde zin twee zinnen maken. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 90 en 91 w b1, pagina 43 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen ontdekken dat er enkelvoudige en samengestelde zinnen zijn en dat samengestelde zinnen met behulp van verbindingswoorden gemaakt kunnen worden. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze van twee zinnen een samengestelde zin kunnen maken en dat ze daar de verbindingswoorden en, maar, of en want voor kunnen gebruiken. Aan de slag De leerlingen zoeken de verbindingswoorden in samengestelde zinnen op en maken zelf samengestelde zinnen met behulp van verbindingswoorden. Ook splitsen ze samengestelde zinnen op in twee enkelvoudige zinnen. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om van twee zinnen één zin te maken. Besteed op geschikte momenten ook buiten de taalles aandacht aan enkelvoudige en samengestelde zinnen. Vertel dat het belangrijk is om bij het schrijven van een tekst te letten op het punt waar een nieuwe zin moet beginnen. Soms kunnen de leerlingen van twee zinnen één zin maken. Soms kunnen ze beter wat meer korte zinnen schrijven. Ze moeten erop letten dat een nieuwe zin altijd weer opnieuw met een hoofdletter begint en met een punt, een uitroepteken of een vraagteken eindigt. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval kunnen sterkere en zwakkere leerlingen met elkaar samenwerken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de les beginnen met een korte gezamenlijke instructie. Schrijf enkele voorbeeldzinnen op het bord, of gebruik een klassikaal leesboek of een boek dat u in de lessen wereldoriëntatie gebruikt. U vraagt de leerlingen een bepaalde bladzijde voor zich te nemen. Zien ze op deze bladzijde heel korte en heel lange zinnen? U legt uit dat de lange zinnen meestal uit twee zinnen bestaan en laat zien dat je de lange zin in twee korte zinnen kunt opsplitsen. Vertel dat een verhaal met alleen maar lange zinnen lastig is om te lezen en dat een verhaal met alleen maar korte zinnetjes soms erg simpel overkomt. In de meeste boeken wisselen lange en korte zinnen elkaar af. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 75 -Taalin d
21 hl blok 4 gevoel les 8 schrijven Doelen De leerlingen leren een schrijven. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 92 en 93 w b1, pagina 44 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Aantekeningen Lesactiviteiten Op verkenning Luuk verstuurt een . De leerlingen bekijken wat hij schrijft. Hij wil wat kopen. De leerlingen beantwoorden de van Luuk. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over s. Ze leren wat in de vakken Aan:, CC: en Onderwerp komt te staan. Ook leren ze dat ze in een schrijven: wat ze willen zeggen; wat ze willen vragen. Aan de slag De leerlingen maken verschillende opdrachten over s. Allereerst schrijven ze hun (fictieve) adres op. Vervolgens schrijven ze een aan de Donald Duck. Daarna sturen ze een naar het Wereld Natuur Fonds waarin ze om informatie voor een spreekbeurt vragen. Ook lossen ze een rebus op. In het taalboek beantwoorden ze de van Luuk die hulp vraagt bij zijn boekbespreking. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om een e- mail te schrijven. Verder geven ze aan of ze wel eens s versturen. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Het is goed om tussentijds na te gaan of de leerlingen een rebus kunnen oplossen. Wanneer dat niet het geval is, kunt u vooraf uitleggen hoe dat in zijn werk gaat. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 3 kan de ene leerling een ontkennende en de andere leerling een bevestigende e- mail schrijven. Ze bekijken samen de resultaten. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4 kunt u verschillende voorbeelden van adressen op het bord zetten. Daarna bedenken de leerlingen die geen adres hebben, er zelf een. Bij opdracht 6 kunt u het bericht op het bord schrijven. Bij opdracht 8 kunt u samen een favoriet boek van de klas beschrijven. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. -Taalin 76 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
22 hl blok 4 gevoel les 9 woordenschat Doelen De leerlingen leren kiezen hoe ze een woord kunnen onthouden. De leerlingen leren de betekenis van tien nieuwe woorden. Doelwoorden het doel (van de reis), erven, in verwachting, het koord, omhelzen, opsteken (wind), de opvolger (plaatsvervanger), de oever, de orkaan, tevergeefs Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 94 en 95 w b1, pagina 45 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Femke en Fatma. Ze letten op hoe Femke het woord astronaut onthoudt. Dat schrijven ze op. Daarna schrijven ze op hoe ze dat woord zelf zouden onthouden. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze woorden op veel manieren kunnen onthouden. Als voorbeeld worden verschillende manieren gegeven om het begrip in verwachting te onthouden. Aan de slag In het werkboek oefenen de leerlingen in het kiezen van een manier om woorden te onthouden. Ze kiezen uit gegeven alternatieven, ze maken woordparen, en ze schrijven een zin bij een strip. In het taalboek lezen ze wat er met Fatma gebeurt. Ze kiezen een manier om het gekleurde woord in de tekst te onthouden en werken die uit in hun schrift. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op of ze het makkelijk of moeilijk vinden om een woord te onthouden. Ze schrijven er ook bij waarom. Oefen de komende week met de leerlingen elke dag een manier om woorden te onthouden. Kies daarvoor bij andere lessen woorden die de leerlingen interessant vinden. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Het is goed om tussentijds na te gaan of de leerlingen de verschillende manieren om woorden te onthouden (zie Uitleg) beheersen. Als dat niet het geval is, neemt de zinvolheid van de oefeningen af en kunt u er beter voor kiezen om gedeelten van de les begeleid aan te bieden. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 7 bedenken de leerlingen samen twee of meer manieren om het woord te onthouden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 7 kunt u met de leerlingen samen verschillende manieren bedenken om het woord te onthouden. Werk die uit op het bord. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 77 -Taalin d
23 hl blok 4 gevoel les 10 spreken/luisteren Doelen De leerlingen leren bij het spreken letten op hun stem en hun gebaren. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 96 en 97 w b1, pagina 46 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen een tekst voor en letten daarbij op hun stemgebruik en gebaren. De luisterende leerlingen noteren wat ze horen en zien. De leerlingen lezen daarna de tekst op een andere manier voor. De luisteraars geven aan wat er anders is. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over stemgebruik en gebaren. Bij het stemgebruik letten ze op: volume (hard/zacht); tempo (snel/langzaam); toonhoogte (hoog/laag). Aan de slag De leerlingen oefenen hun stemgebruik en gebaren. Ze lezen een tekst voor waarbij ze laten horen hoe ze zich voelen. Ze beelden een hobby uit zonder daarbij te praten, en ze lezen een tekst voor waarbij ze zowel op hun stem als op hun gebaren moeten letten. In het taalboek vertellen ze iets waar ze bang of vrolijk van worden, waarbij ze eveneens letten op stem en gebaren. In de rol van luisteraar gaan ze steeds na wat ze horen en zien. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of zij het makkelijk of moeilijk vinden om zowel op hun stem als op hun gebaren te letten. In een zin mogen ze daar een toelichting op geven. Attendeer de leerlingen de komende week op stemgebruik en gebaren. Laat hen ermee experimenteren. Sprekershoek Laat de leerlingen in de sprekershoek een verhaal voorlezen of vertellen en daarbij letten op hun stem en hun gebaren. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Eventueel kunnen de leerlingen ze echter ook individueel uitvoeren door op hun eigen stemgebruik en gebaren te letten. In dat geval is het raadzaam om op een ander tijdstip de leerlingen de opdrachten te laten uitvoeren terwijl ze naar elkaar kunnen luisteren. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. De leerlingen kunnen per opdracht om de beurt spreker en luisteraar zijn, maar ook beide. Dit laatste duurt uiteraard langer. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. U kunt de leerlingen de opdrachten eerst in tweetallen laten oefenen, en ze daarna door enkele kinderen voor de klas laten uitvoeren. Wijs bij opdracht 2 op de betekenis van wisselende stem. In les 2 hebben de leerlingen geleerd dat hiermee de verandering in volume, tempo en toonhoogte wordt bedoeld. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 78 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
24 hl blok 4 gevoel les 11 taalbeschouwing Doelen De leerlingen herhalen het van twee zinnen één zin maken en omgekeerd. De leerlingen weten dat er in samengestelde zinnen altijd twee doewoorden moeten staan. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 98 en 99 w b1, pagina 47 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Aantekeningen Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen zoeken in een verhaal de samengestelde zinnen. Daarbij letten ze op het gebruik van verbindingswoorden. Vervolgens zoeken ze op hoeveel doe-woorden er in die zinnen staan. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat je met behulp van verbindingswoorden van twee zinnen één zin kunt maken. In deze samengestelde zin staan minstens twee doewoorden. Aan de slag De leerlingen oefenen met het maken en uit elkaar halen van samengestelde zinnen. Ook moeten ze de verbindingswoorden herkennen. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het werken met samengestelde zinnen en verbindingswoorden moeilijk vinden, of dat ze dit al beheersen. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval kunnen sterkere en zwakkere leerlingen het beste met elkaar samenwerken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt aan het begin van de les enkele samengestelde zinnen met de nevenschikkende verbindingswoorden en, of, maar of want opschrijven. U laat de verbindingswoorden onderstrepen en u vraagt welke werkwoorden (doe-woorden) er in de zinnen zitten. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 79 -Taalin d
25 hl blok 4 gevoel les 12 schrijven Doelen De leerlingen leren een brief schrijven. Materialen/lesstof basisstof t b1, pagina 100 en 101 w b1, pagina 48 a b1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Aantekeningen Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen kijken wat Bas bedenkt om zijn buren te waarschuwen voor geluidsoverlast van zijn discofeest. Ze bedenken hoe zijzelf de buren zouden waarschuwen. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze boven aan een brief schrijven voor wie hij is en dat ze onderaan hun eigen naam schrijven. Ze leren dat ze met een brief iets kunnen regelen of vragen. Er zijn twee voorbeeldbrieven. Aan de slag De leerlingen maken verschillende opdrachten over brieven. Ze bedenken eerst hoe ze hun lijstje naar Sinterklaas willen sturen en waarom. Vervolgens bepalen ze in/op welke tekstdrager een gegeven tekst staat. Daarna kiezen ze via welk medium ze de burgemeester willen vragen om de school te openen en waarom. Tot slot schrijven ze een brief naar hun club om het lidmaatschap op te zeggen. In het taalboek schrijven ze een brief aan de burgemeester waarin ze óf vragen om een speelplek in de buurt, óf vertellen dat er altijd hondenpoep op het speelveldje ligt. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of zij het moeilijk of makkelijk vinden om een brief te schrijven, en of zij het liefs een kaart, een of een brief schrijven. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 8 kunnen de leerlingen ieder een van de keuzemogelijkheden nemen en een brief schrijven. Ze kunnen echter ook samen één brief schrijven en argumenten bedenken om hun verhaal te ondersteunen. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4 kunt u erbij stilstaan dat in principe alle mogelijkheden kunnen. Laat een aantal leerlingen vertellen waarom zij een bepaald antwoord kiezen. Bij opdracht 5 kunt u brieven die door de school zijn meegeven laten zien. Bij opdracht 6 laat u een aantal leerlingen vertellen waarom zij voor een bepaalde optie kiezen. Bij opdracht 7 kunt u eerst aandacht besteden aan wat je in de brief zet. Daarna kunnen de leerlingen hun brief individueel schrijven. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. -Taalin 80 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
26 hl blok 4 gevoel toetstaak Doel Deze toetstaak meet of de leerlingen kernonderdelen van de in blok 4 aangeboden leerstof beheersen. Materialen basisstof k b, blok 4, blad 1 en 2: toetstaak k b, blok 4, blad 3: registratieblad extra stof Taalmaker Voorbereiding Kopieer voor alle leerlingen de toetstaak (kopieerblad 1 en 2 van blok 4). Kopieer voor uzelf het registratieblad (kopieerblad 3 van blok 4). Toetsactiviteiten 1 Onderdeel: schrijven Doel: De leerlingen kunnen een kaartje schrijven. Activiteit: De leerlingen schrijven vanaf hun vakantieadres een kaartje naar hun opa en oma. 2 Onderdeel: schrijven Doel: De leerlingen kunnen een eenvoudige brief schrijven. Activiteit: De leerlingen schrijven een brief waarin zij mensen uitnodigen de schoolmusical bij te wonen. 3 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen hebben inzicht in de manier waarop blinden kunnen communiceren. Activiteit: De leerlingen kruisen aan of beweringen over de manier waarop communiceren waar of niet waar zijn. 4 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen weten dat twee zinnen met behulp van een verbindingswoord tot één zin gemaakt kunnen worden. Activiteit: De leerlingen maken van twee losse zinnen een samengestelde zin en omgekeerd. 5 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen kunnen woordparen maken van woorden die elkaars synoniem of antoniem zijn. Activiteit: De leerlingen trekken lijnen tussen de woordparen. Zorg ervoor dat de kinderen de toetstaak individueel en zelfstandig maken. Het is belangrijk dat ze ongestoord kunnen werken. 6 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen kunnen woordkaartjes maken. Activiteit: De leerlingen maken woordkaartjes bij gegeven doelwoorden. Daarbij maken ze gebruik van zinnen, betekenissen, tegenstellingen en synoniemen. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 81 -Taalin d
27 hl blok 4 gevoel toetstaak Organisatie De leerlingen maken de toetstaak individueel en zelfstandig. Het is wel aan te raden om een korte taakinstructie te geven en na te gaan of de leerlingen de opdrachten snappen. Er is geen tijdslimiet voor het afronden van de toetstaak. De kinderen die klaar zijn met de toetstaak, kunnen aan de slag met plustaken uit Taalmaker. Signalering en differentiatie Na het afronden van de toetstaak kunt u zelf de resultaten bekijken en registeren op het registratieblad van blok 4. De toetsvragen 1 t/m 4 resulteren elk in een aparte score. Bij opdracht 5 en 6 wordt het aantal items bij elkaar opgeteld en wordt er een gezamenlijke score berekend. Op basis van de adviesnorm kunt u bepalen of het kind de komende lesmomenten aan de slag moet met herhalingslessen of verder kan gaan met plustaken. De adviesnorm staat vermeld op het registratieblad. De herhalingstaken zijn bedoeld voor leerlingen die in onvoldoende mate de doelen van dit blok bereikt hebben. In de herhalingslessen krijgen zij verlengde instructie en begeleide verwerking, waardoor ze alsnog het gewenste beheersingsniveau kunnen bereiken. In principe zijn de vervolgsuggesties bedoeld voor de lesmomenten die op de toetstaak volgen. Daarnaast is het raadzaam kinderen die onvoldoende scoren meer begeleiding te geven tijdens de basislessen van de komende blokken. U kunt dit doen door (gedeelten van) de lessen voor deze kinderen begeleid aan te bieden. Antwoorden 1 Bijvoorbeeld: Hallo opa en oma, Wij zijn op de camping in Schoorl. We gaan elke dag naar het strand. Daar bouwen we forten. Het is hier erg leuk. Komen jullie ook nog een dagje? Groetjes van Remco 2 Bijvoorbeeld: Beste mensen, Op dinsdag 16 januari om uur voeren we de musical Herrie in de Jungle op, in de aula van onze school. Het is een spannende musical over een aapje dat zijn ouders kwijt is. Iedereen is welkom, dus neem je opa en oma of je buren mee! Tot dan! Groetjes, Groep 5b 3 a. waar; b. waar; c. niet waar; d. niet waar; e. waar 4 Ik ben goed in rekenen, maar ik kan niet goed zingen. Ik hoefde niet naar school, want de juf was ziek. Isa miste de bus. Ze was te laat weggegaan. Hugo won de wedstrijd. Hij kreeg een beker. 5 opsteken gaan liggen woest kalm de volwassene het kind verheugd bedroefd schatrijk straatarm glimmend dof het heelal de astronaut gebrek aan naderen tevergeefs in verwachting de ruimte de ruimtevaarder tekort aan dichterbij komen zonder resultaat zwanger 6 Bijvoorbeeld: Ik deed een geldstuk in de collectebus. 1 Euro, 2 Euro, 50 Eurocent betalen munten De hiel zit net boven je voet aan de achterkant van je been. enkel onderbeen -Taalin 82 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
28 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Activiteiten Op basis van de toetsresultaten gaan kinderen de komende lesmomenten aan de slag met herhalingstaken en/of plustaken. De leerlingen die onvoldoende scoorden op onderdelen van de toetstaak gaan herhalingstaken maken. De leerlingen die dit niet nodig hebben, gaan zelfstandig aan de slag met de plustaken. De adviesnorm die hoort bij de toetsopdrachten vindt u op het registratieformulier bij de toetstaak. De onderstaande voortgangsplanner helpt u de vervolgactiviteiten te bepalen. Voortgangsplanner week 4 blok 4 Toetsopdrachten Resultaat Vervolgactiviteit Opdracht 1 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 1 Opdracht 2 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 2 Opdracht 3 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 3 Opdracht 4 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 4 Opdracht 5 en 6 -> Onvoldoende Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en/of 6 -> (Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen, herhaling doelwoorden uit blok) Alle toetsopdrachten -> Voldoende of goed -> Plustaken Taalmaker -> Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen (extra doelwoorden) Herhalingstaken De herhalingstaken kunnen remediërend ingezet worden en bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De kinderen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij, op onderdelen, te begeleiden. Door gerichte mondelinge interactie is de kans groter dat ze de doelen van de eenheid alsnog bereiken. Herhalingstaak 1: schrijven Doel De leerlingen kunnen een kaartje schrijven. Materialen Kopieerblad 4 van blok 4: herhalingstaak 1 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 4 van blok 4 (herhalingstaak 1) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 1. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u de achterkant van een kaart op het bord tekenen. U vraagt een van de kinderen waar het dit jaar met vakantie is geweest. U vraagt of het een kaart naar opa en oma heeft gestuurd. Als dit het geval is, vraagt u wat het op die kaart geschreven heeft. Vervolgens veralgemeniseert u dit geval, en vraagt u de kinderen wat je zoal vanaf je vakantieadres op een kaart naar je opa en oma kunt schrijven. Op die manier bedenkt u samen een tekstje, waarbij u aandacht besteedt aan de aanhef en de afsluiting. Wat betreft de aanhef: na Lieve opa en oma, moet je een stukje open laten. Ook na de afsluiting met bijvoorbeeld Groetjes van moet je een stukje open laten. Vertel dat Doei als afsluiting minder mooi is; dat is meer spreektaal. Aan de slag Bij opdracht 1 schrijven de leerlingen ansichtkaarten naar twee van een aantal gegeven personen. Bij opdracht 2 bespreken ze in tweetallen de resultaten. Antwoorden kopieerblad 4 1 Bijvoorbeeld: Lieve tante Jeanne en oom Jeroen, Hartelijk gefeliciteerd met de geboorte van jullie Tessa. Gaat het goed met haar? Kan ze al goed uit een flesje drinken? Wanneer mag ze uit het ziekenhuis? Ik vind het erg leuk dat ik nu een nichtje heb. Als het mag, wil ik gauw een keer met papa en mama komen kijken. Groeten van Dominique Hoi Robin, Van harte gefeliciteerd met je verjaardag! Heb je leuke cadeautjes gekregen? Groetjes, Linda 2 Ter beoordeling van de leerkracht. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 83 -Taalin d
29 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Herhalingstaak 2: schrijven Doel De leerlingen kunnen een eenvoudige brief schrijven. Materialen Kopieerblad 5 van blok 4: herhalingstaak 2 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 5 van blok 4 (herhalingstaak 2) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 2. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u samen met hen een brief samenstellen en die op het bord zetten. Hierbij kunt u denken aan een ingezonden brief van een kind naar een jeugdtijdschrift. De kinderen bedenken zelf een onderwerp voor de brief. Om de beurt noemen ze een zin en klassikaal wordt beoordeeld of de zin goed is. Daarbij gaan de kinderen na of ze een nog betere zin kunnen bedenken. De beste zin schrijft u op het bord. Besteed ook hier weer aandacht aan de nodige witregels bij de aanhef en de afsluiting. Aan de slag Bij opdracht 1 schrijven ze een ingezonden brief naar een jeugdtijdschrift. Bij opdracht 2 bespreken ze in tweetallen de resultaten. Antwoorden kopieerblad 5 1 Bijvoorbeeld: Beste TumTum, Jullie blad is geweldig. Ik lees altijd eerst de moppen en de stripjes. Dan pas de verhaaltjes. Ook de brieven in TumTum lees ik altijd helemaal. Mag mijn brief ook in de TumTum? Ik heb namelijk een vraag. Ik spaar petten en ik wil vragen of de kinderen die TumTum lezen mij een pet willen sturen. Het adres schrijf ik onder aan de brief. Groeten van Femke Femke de Boer, Molenweg 23, 6800 BK Loosdrecht Herhalingstaak 3: taalbeschouwing Doel De leerlingen hebben inzicht in de manier waarop blinden met elkaar communiceren. Materialen Kopieerblad 6 van blok 4: herhalingstaak 3 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 6 van blok 4 (herhalingstaak 3) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 3. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u het volgende vertellen. Blinden kunnen lezen met speciale letters: letters in braille. Elke letter uit het braillesysteem bestaat uit zes puntjes. Sommige puntje liggen hoger, andere lager. Elke letter heeft een vast aantal hoger en lager gelegen puntjes. Vroeger liet men blinden de gewone letters voelen, maar die vonden ze moeilijk om te lezen. Louis Braille, een Franse jongen die op driejarige leeftijd blind werd, heeft bijna tweehonderd jaar geleden het nu nog steeds gebruikte blindenschrift ontwikkeld. Het is naar hem genoemd; we noemen het het brailleschrift. Aan de slag Bij opdracht 1 schrijven de leerlingen zelf een zin in brailleschrift. Bij opdracht 2 en ontcijferen ze een braillezin. Ten slotte beschrijven ze bij opdracht 3 het toetsenbord van een computer voor blinde mensen. Antwoorden kopieerblad Brailleschrift 3 Daar staan geen gewone letters op, maar voor elke letter een aantal puntjes. 2 Ter beoordeling van de leerkracht. -Taalin 84 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
30 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Herhalingstaak 4: taalbeschouwing Doel De leerlingen weten dat je van twee enkelvoudige zinnen een samengestelde zin kunt maken. Materialen Kopieerblad 7 van blok 4: herhalingstaak 4 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 7 van blok 4 (herhalingstaak 4) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 4. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele zinnen behandelen. U schrijft bijvoorbeeld het volgende op het bord. Peter huilde. Hij was gevallen. Peter huilde, want hij was gevallen. Aan de slag Bij opdracht 1 kleuren de leerlingen de verbindingswoorden. Bij opdracht 2 maken ze van twee gegeven enkelvoudige zinnen en een verbindingswoord een samengestelde zin. Ten slotte is bij opdracht 3 steeds één deel van een samengestelde zin gegeven. De leerlingen moeten de zin afmaken. Antwoorden kopieerblad 7 1 De volgende woorden zijn gekleurd: want maar want en of en want 2 Ga je mee, of blijf je liever thuis? Marloes werd niet nat, want ze liep onder een paraplu. Lars kon niet buiten spelen, want het was slecht weer. 3 Bijvoorbeeld: a. Het waaide hard, en de bomen vielen om. b. Mijn broek was nat, want het regende. c. We gingen naar het zwembad, maar het was gesloten. d. Wordt het morgen mooi weer, of gaat het regenen? e. We gingen naar huis, want de wedstrijd ging niet door. f. Zullen we gaan skaten, of moet je naar huis? Herhalingstaak 5: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 4. Materialen Woordkenner (leerspel) Voorbereiding Leg de stukken van het spelbord op de juiste manier tegen elkaar aan zodat het één geheel wordt. Op basis van de resultaten op het onderdeel woordenschat van de toetstaak (zie het registratieblad bij de toetstaak) formeert u een groepje met leerlingen die onvoldoende scoorden. U selecteert op basis van de resultaten op de toetstaak ook de doelwoorden die u met het groepje kinderen nog extra wilt gaan oefenen. U kunt hierbij gebruik maken van het doelwoordenoverzicht (zie pagina 86). U doet dit door deze woorden op de blanco woordkaartjes te schrijven. Voorkom dat het aantal nog te oefenen doelwoorden te groot wordt. Kies meer voor de kwaliteit van de oefening, dan voor de hoeveelheid woorden die aan bod komen. Vier tot acht woorden is een geschikt aantal om mee aan de slag te gaan. Werkwijze In principe is deze herhalingstaak een begeleide activiteit waarbij u samen met de leerlingen die de woorden van dit blok nog niet beheersen, de betekenis van de woorden gaat bespreken en activiteiten gaat doen opdat ze deze beter kunnen onthouden. U maakt hierbij gebruik van het leerspel Woordkenner. Indien noodzakelijk kunnen de leerlingen, als ze eenmaal vertrouwd zijn met de werkvorm, de activiteit ook zelfstandig uitvoeren. Wanneer de groep leerlingen waarmee u de activiteiten uit wilt voeren te groot is, kunt u er ook voor kiezen het spelbord deze keer niet te gebruiken en de te oefenen doelwoorden op het bord te schrijven. In dat geval kunnen de leerlingen toch gebruikmaken van de bladen uit Woordkenner. U groepeert de leerlingen rondom het spelbord. U legt het stapeltje beschreven woordkaartjes boven het spelbord. Vervolgens pakt u het eerste woordkaartje, voorziet het van de steuntjes zodat het rechtop kan staan en plaatst het geheel in het startvak. Nadat de startopdracht (opdracht 1) is gedaan, wordt de boot verplaatst naar de volgende aanlegsteiger. Hier wordt opdracht 2 gedaan, waarna de vaartocht naar de derde steiger plaats vindt. De woordboot vaart zo om het eiland en legt aan bij alle aanlegsteigers. Bij iedere Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 85 -Taalin d
31 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken steiger doen de leerlingen een activiteit met het woord. De activiteiten leiden ertoe dat de kinderen het doelwoord gaan kennen én de woordleer- en woordonthoudvaardigheden die ze in de lessen hebben geleerd, toepassen. De leerlingen voeren de activiteiten uit op het Woordkennerblad. Als de woordboot helemaal om het eiland is gevaren, zet deze weer koers naar het vaste land. Hier wordt het woord nog eens gecontroleerd en vervolgens wordt het kaartje naast het spelbord gelegd. Vanaf het startpunt vertrekt het volgende woord. Hiermee voeren de leerlingen dezelfde activiteiten uit. Het spel is afgelopen op het moment dat alle woorden aan de orde zijn geweest. Het werken met Woordkenner levert een belangrijke bijdrage aan de vergroting van de woordenschat van de leerlingen. U moet zich daarbij wel realiseren dat het belangrijk is de woorden gedurende de week nog een aantal keren te herhalen, zodat de kinderen zich de betekenis ook blijvend eigen maken. Hierbij kan ook herhalingstaak 6 een belangrijke rol spelen, waarbij kinderen de woorden oefenen met een computerprogramma. Meer informatie over Woordkenner vind u in de toelichting in de speldoos. Herhalingstaak 6: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 4. De leerlingen oefenen de extra woorden van blok 4. Materialen Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Werkwijze Met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen kunnen de leerlingen de doelwoorden die ze nog niet kennen verder oefenen. Het programma bevat tachtig doelwoorden per blok. In eerste instantie gaan de leerlingen aan de slag met de doelwoorden die ook in de taallessen aan de orde zijn geweest. Ze maken een ordening in woorden die ze kennen en woorden die ze nog niet kennen. Met de laatste gaan ze intensief oefenen, waarbij tussendoor ook gecheckt wordt of ze de woorden die ze zeggen te kennen, ook inderdaad beheersen. Is dit niet het geval, dan worden deze woorden toegevoegd aan de oefeningen. Uiteindelijk worden op deze manier alle doelwoorden van het blok nogmaals gecontroleerd en, indien nodig, geoefend. Als kinderen de doelwoorden uit het blok beheersen, gaan ze vanzelf verder met de extra woorden. De overgang van de herhalingstaak naar de plustaak is dus probleemloos geregeld vanuit de software. Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal/ Lezen vindt u in de handleiding bij de cd-rom. Doelwoorden ademloos de astronaut het doel (van de reis) erven het gebrek aan het geldstuk glimmen het heelal de hiel in verwachting de kers de komeet het koord de leeuwentemmer naderen omhelzen opsteken (wind) het optreden de opvolger (plaatsvervanger) de orkaan het podium de ruimte (heelal) schatrijk tevergeefs de troon verheugd verzameling volwassene wal woest -Taalin 86 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b1 d
32 taalboek B1 2
33
34 Ben Verschuren Hans van Wessel Desiree van den Bogaard Adriaan Maters Maril Rijks Wat heb je nodig? Taalboek b1 Werkboek b1 Schrift Wat moet je doen? Pak je taalboek. Lees wat je gaat doen in de les. Begin bij 1. Volg de nummers door de les. Staat achter een cijfer een S? Schrijf het antwoord in je schrift. Staat achter een cijfer een W? Schrijf het antwoord in je werkboek. Ben je klaar? Maak dan de extra opdracht.
35 Zwijsen Taal in beeld taalboek b1 Taalboek B1 Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Ingeborg Hendriks Maril Rijks Jos Cöp Kom je tekens tegen? Doe dan dit. s Schrijf het antwoord in je schrift. w Schrijf het antwoord in je werkboek. Doe de opdracht met je buur. Spreek samen af wie de spreker is. Spreek samen af wie de luisteraar is.» Extra opdracht. Deze opdracht maak je als je tijd hebt.
36 t blok 4 gevoel les 1 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door het maken van woordparen. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal over Femke en Fatma. Let op welke woorden hetzelfde of het tegengestelde betekenen. Muntenije De man van de douane wijst Femke de weg. Kijk, dit is Muntenije. Hier wonen de Muntenaars. Ze sparen geldstukken. Alle munten die ze verzamelen, bewaren ze in een grote kluis. Muntenije is dus niet arm. Het land is schatrijk. Goh, zegt Femke. Ik zou hier ook wel willen wonen. Dan kon ik allemaal leuke dingen kopen. Nou, zegt de man van de douane. Dat zou je vies tegenvallen. In Muntenije is alles honderd keer zo duur. Heb je Fatma al gezien? Femke schudt haar hoofd. Dan gaan we verder, zegt de man van de douane. Door de spiegel komen ze een nieuw land binnen. Femke kijkt met open mond om zich heen. Dit heeft ze nog nooit gezien. 2 s 3 s Schrijf de drie gekleurde woorden op. Schrijf er een woord achter dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. Welke munten ken jij? Schrijf er drie op. Wat staat er op de voorkant? Wat staat er op de achterkant? Je mag ze ook tekenen. 78
37 Uitleg Woorden kun je onthouden door woordparen te maken. Bijvoorbeeld met een woord dat hetzelfde betekent. Of met een woord dat het tegengestelde betekent. woest de ruimte de volwassene kwaad het heelal het kind Aan de slag 4 6 w 7 Maak de opdrachten in je werkboek. Lees het verhaal over Femke en Fatma. Grotrijk Ondertussen loopt Fatma door Grotrijk. Overal staan tekeningen op de muur. Ze wil ze allemaal aanraken. Als ze over de neus van een neushoorn wrijft, gaat de muur ineens open. Fatma komt in een heel hoge zaal. Wauw! Het ligt helemaal vol met munten! Dat zou Femke moeten zien, denkt Fatma. Die klaagt altijd dat ze gebrek aan geld heeft. 8 s Teken drie vakken naast elkaar. Schrijf het gekleurde woord in het midden. Schrijf links een woord dat hetzelfde betekent. Schrijf rechts een woord dat het tegengestelde betekent. Terugkijken 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zinnen op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Ik vind het makkelijk/moeilijk om een woord te vinden dat hetzelfde betekent. Ik vind het makkelijk/moeilijk om een woord te vinden dat het tegengestelde betekent.» s Bedenk vijf woordparen met woorden die hetzelfde betekenen. Bedenk vijf woordparen met woorden die het tegengestelde betekenen. 79
38 t blok 4 gevoel les 2 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert hoe je bij het spreken je stem kunt gebruiken. Op verkenning 1 Lees om de beurt het verhaal twee keer voor. Doe het eerst verdrietig. Doe het daarna boos. Let op hoe het verhaal wordt voorgelezen. Mijn vader is boos op mij. Hij zegt dat ik niet luister. Hij moet alles drie keer zeggen, zegt hij. Dat zegt hij wel drie keer. Ik luister wel, vind ik. Alleen ik wil soms iets anders. Soms, dat is dus nu. En dat vindt hij niet leuk. Nu heb ik straf. Ik zit op mijn kamer. Ik vind het ook niet leuk. Ik vind het niet leuk. Ik vind het niet leuk. 2 s 3 s Hoor je verschil tussen verdrietig en boos voorlezen? Schrijf op wat je hoort. Kies a, b, c of d. Je mag meer dan één antwoord opschrijven. a. Ik hoor geen verschil. b. Ik hoor verschil in hard en zacht. c. Ik hoor verschil in hoog en laag. d. Ik hoor verschil in snel en langzaam. Wat vind jij de beste manier om dit verhaal voor te lezen? Boos, verdrietig of iets anders? Schrijf dat op. 80
39 Uitleg Als je spreekt, praat je niet altijd hetzelfde. Er is verschil in: - hard en zacht - snel en langzaam - hoog en laag Aan de slag 4 7 w 8 Maak de opdrachten in je werkboek. Lees de tekst. Let op: - hard en zacht - hoog en laag - snel en langzaam Luister goed. Vertel de spreker daarna wat goed ging. Geef ook een tip. Mijn voeten glijden in mijn laarzen. Een voor een. Mijn jas gris ik van de kapstok! Ik trek de deur achter me dicht. Mijn armen schieten in mijn jas. Ik huppel het tuinpad af. De regen valt nog zacht. Modder! Hoera! Ik spring en stamp. Ik glijd en glibber. Oeps! Languit lig ik 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf de letters op. Zet er makkelijk of moeilijk achter. a. Snel en langzaam spreken vind ik: b. Hard en zacht spreken vind ik: c. Met hoge en lage stem spreken vind ik: Terugkijken» s Schrijf een kort toneelstuk. Geef aan hoe de spelers de tekst moeten zeggen. Schrijf dat achter elke zin tussen haakjes. Kies uit: (langzaam) - (snel) - (hard) - (zacht). 81
40 t blok 4 gevoel les 3 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert hoe blinden kunnen lezen en schrijven. Je werkt met brailleletters. Op verkenning 1 s 2 s Met dit kistje leren kinderen braille. Dat is het schrift dat blinden gebruiken. Zijn de zinnen waar of niet waar? Schrijf dat op. a. Alle letters in braille zijn verschillend. b. Blinden kunnen letters voelen. c. Met braille kun je geen zinnen maken. Sara is blind. Ze zit vaak achter de computer. Ze ziet niet wat op het scherm staat. Toch weet ze wat er staat. Ze gebruikt daarbij een apparaat voor de computer. Dat maakt van gewone letters brailleletters. Schrijf de letters op. Schrijf het antwoord erachter. a. Hoe leest Sara deze letters? b. Denk je dat Sara ook plaatjes kan bekijken? 3 s Wat denk jij? Lees de vragen. Schrijf de letters op. Zet er ja of nee achter. a. Kan Sara ook zelf teksten typen? b. Werkt ze alleen met het gewone toetsenbord? c. Kan ze ook printen? d. Kan ze brailleletters printen? 82
41 Uitleg Blinden gebruiken brailleschrift. Brailleletters bestaan uit puntjes. Sommige puntjes liggen wat hoger. Daardoor kunnen blinden de letters voelen. Ik lees braille. Dat doe ik met mijn vingers. Aan de slag 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Sommige computers kunnen iets heel bijzonders. Ze kunnen van een tekst gesproken taal maken. Waarom werken blinden graag met deze computers? Schrijf het op. Terugkijken 8 s Schrijf de letters in je schrift. Zet er waar of niet waar achter. a. Blinden lezen brailleletters. c. Blinden kunnen niet met een computer werken. b. Brailleletters voel je met je vingers. d. Blinden kunnen luisteren naar gesproken boeken.» s Schrijf zelf een zin in brailleschrift. Laat je buur lezen wat jij geschreven hebt. 83
42 t blok 4 gevoel les 4 schrijven Wat ga je doen? Je leert hoe je een kaartje schrijft. Op verkenning 1 Debbie logeert bij haar nichtje Pam in Nijmegen. Ze stuurt een kaartje naar huis. Kijk wat Debbie schrijft. 2 s Wat schrijft Debbie? Schrijf de goede zin op. Debbie schrijft wat ze gedaan heeft. Debbie schrijft wat ze nog gaat doen. 3 s Wat weet je als je de kaart hebt gelezen? Schrijf de goede zin op. Debbie vindt het leuk. Debbie wil naar huis. 4 s Debbie schrijft een kaartje terwijl ze logeert. Wanneer kun je nog meer een kaartje schrijven? Bedenk drie verschillende kaartjes. Doe het zo: Een kaartje om Een kaartje om Een kaartje om 84
43 Uitleg Op een ansichtkaart schrijf je een kort bericht. Je kunt bijvoorbeeld schrijven: - waar je bent - wat je doet - wat je vindt Aan de slag 5 8 w 9 s Maak de opdrachten in je werkboek. Milan heeft je geholpen met je spreekbeurt. Je stuurt hem een kaart om hem te bedanken. Wat voor kaart zoek je uit? Teken de kaart. Schrijf op wat je wilt zeggen. Denk aan dingen als: Hoe ging de spreekbeurt? Wat vond de klas ervan? Terugkijken 10 s Wat heb je geleerd? Schrijf een kaartje. Kies zelf aan wie.» s Schrijf een kaartje aan een bekend persoon. Dat kan een sporter zijn. Maar ook een zanger of iemand van televisie. Schrijf op wat je van die persoon vindt. Stel ook een vraag. 85
44 t blok 4 gevoel les 5 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden met een woordkaart. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal over Femke en Fatma. Let op wat Femke doet om alles te onthouden. Sterrenland Ademloos kijkt Femke naar boven. Overal ziet ze sterren. Af en toe lichten ze op. Ze glimmen in het donker. Zoef! Daar schiet een raket voorbij. En nog een, maar nu de andere kant op. Of is het een komeet? Femke moet een paar keer zuchten. Ze heeft te lang haar adem ingehouden. Wat mooi, zegt ze. Dit wil ik aan mama vertellen. Maar hoe kan ik alles onthouden? Hier heb je een mooi blaadje, zegt de man van de douane. Daarop kun je schrijven en tekenen over Sterrenland. Want daar zijn we nu. Femke begint te schrijven en te tekenen. Ze is Fatma even helemaal vergeten. 2 s 3 s Wat doet Femke om alles over Sterrenland te onthouden? Schrijf dat op. Wat zou jij schrijven en tekenen over Sterrenland? Gebruik woorden, zinnen en kleine tekeningen. 86
45 Uitleg Met een woordkaart kun je een woord beter onthouden. Op een woordkaart staan: - woorden - zinnen - tekeningen ruimte heelal de astronaut raket ruimtereiziger Een astronaut reist door de ruimte. Aan de slag 4 6 w 7 Maak de opdrachten in je werkboek. Lees het verhaal over Femke en Fatma. Raar! Fatma klimt over de berg met munten. Af en toe glijdt ze weg. De randjes van de munten zijn scherp. Nog even en dan is ze aan de overkant. Maar dan zakt de berg ineens in elkaar. Au, mijn hiel! Fatma wrijft over de achterkant van haar voet. Die doet pijn. Als ze opkijkt, is al het geld verdwenen. Raar, denkt ze, heel erg raar. 8 s Maak een woordkaart over het woord de hiel. Maak daarvoor een tekening. Schrijf er woorden bij. Bedenk een zin. Terugkijken 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zin op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Schrijf ook op waarom je dat vindt. Ik vind het moeilijk/niet moeilijk om een woordkaart te maken. Want» s Maak een woordkaart over ziek zijn. Gebruik tekeningen, woorden en zinnen. 87
46 t blok 4 gevoel les 6 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert letten op je gebaren bij het spreken. Op verkenning 1 Denny praat niet alleen met zijn mond. Hij gebruikt ook zijn handen en zijn armen. Let op hoe hij dat doet. Ik trok de hengel omhoog. Dat was zwaar! Ik dacht dat hij vastzat. Maar het was een vis. Niet zo n kleintje ook. Het was een joekel! Zo groot en zo zwaar als 2 s Wat zie je aan Denny? Schrijf de zin op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Ik kan zien dat Denny eenzaam/boos/trots/bedroefd is. 3 s Denny heeft nu een piepklein visje gevangen. Welke gebaren zou hij maken? Schrijf het op. Doe het zelf na. 88
47 Uitleg Als je spreekt, maak je soms gebaren. Dat doe je om duidelijk te maken wat je wilt zeggen. Hij is heel groot. Hij is heel groot. Aan de slag 4 6 w 7 Maak de opdrachten in je werkboek. Lees de tekst. Maak er gebaren bij. Let op de gebaren. Begrijp je de gebaren? Wissel nu van rol. Doe het nog een keer. Ik hoor een vreemd geluid. Woezj, woezj Ik kijk om me heen. Niks te zien, in de verste verte niet. Geen kip, geen hond. Het geluid wordt harder Ik schuifel zachtjes naar voren. Ik ben bang. Opeens schrik ik. Boven me. Een luchtballon! Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Kies de zin die bij je past. Schrijf deze op. Ik vind het moeilijk om gebaren te maken als ik spreek. Ik vind het niet moeilijk om gebaren te maken als ik spreek.» s Gebaren gebruik je om je woorden te versterken. Zoek plaatjes van mensen die gebaren maken. Plak ze op. Wat zeggen de mensen, denk je? Maak er spreekwolken bij. 89
48 t blok 4 gevoel les 7 taalbeschouwing Wat ga je doen? Van twee zinnen maak je één zin. Dat doe je met verbindingswoorden. Je leert hoe je die woorden moet gebruiken. Op verkenning 1 Lees de twee verhalen. Verhaal 1 Meubelmaker Gepetto vindt een mooi stuk hout. Hij snijdt er een pop uit. De pop is klaar. Gepetto noemt hem Pinokkio. Pinokkio blijft geen gewone pop. Een fee brengt hem tot leven. Verhaal 2 Meubelmaker Gepetto vindt een mooi stuk hout en snijdt er een pop uit. De pop is klaar en Gepetto noemt hem Pinokkio. Pinokkio is geen gewone pop, want een fee brengt hem tot leven. 2 s 3 s Schrijf de letters op. Zet de antwoorden erachter. a. Hoeveel zinnen heeft verhaal 1? b. Hoeveel zinnen heeft verhaal 2? c. In welk verhaal staan korte zinnen? d. In welk verhaal staan lange zinnen? Kijk naar verhaal 2. Schrijf de letters op. Zet de antwoorden erachter. a. Welk woord uit de eerste zin staat niet in verhaal 1? b. Welk woord uit de tweede zin staat niet in verhaal 1? c. Welk woord uit de derde zin staat niet in verhaal 1? 90
49 Uitleg Van twee zinnen kun je één zin maken. Je gebruikt daarvoor verbindingswoorden. Bijvoorbeeld: en, maar, of, want. Aan de slag 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Maak van iedere zin twee zinnen. Welk woord maakt de zinnen aan elkaar? Laat dat woord weg. Schrijf de zinnen op. Vos is een slechte vriend, want hij verkoopt Pinokkio. Pinokkio heeft geluk, want een fee helpt hem. Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Kies de zin die bij jou past. Schrijf deze op. Ik weet hoe ik van twee zinnen één zin moet maken. Ik vind het moeilijk om van twee zinnen één zin te maken.» s Schrijf de zinnen op en maak ze af. Maak daarna het verhaal verder af. Gepetto was ongerust, want Hij nam zijn poes mee en Hij stapte in een bootje naar Luilekkerland, want De boot sloeg om, maar Gelukkig kwam er een grote vis en 91
50 t blok 4 gevoel les 8 schrijven Wat ga je doen? Je leert hoe je een schrijft. Op verkenning 1 Luuk kijkt op internet. Hij spaart legoridders. Op internet staat veel lego te koop. Ook de ridder die aan zijn verzameling ontbreekt. Die ridder wil hij graag hebben. Luuk verstuurt snel een . Kijk wat hij schrijft. 2 s Wat schrijft Luuk? Kies de goede zinnen. Schrijf ze op. Hij schrijft wat hij wil hebben. Hij schrijft wat hij vindt. Hij stelt een vraag. 3 s Bedenk een antwoord op de van Luuk. Is de ridder nog te koop? Heb je een vraag voor Luuk? Schrijf het op. 92
51 Uitleg (je zegt: iemeel) is computerpost. Je verstuurt het van de ene computer naar de andere. Bij Aan: typ je het adres waar je naartoe moet. Bij CC: typ je de adressen van mensen die de ook mogen lezen. Bij Onderwerp: typ je waar je over gaat. In een schrijf je: - wat je wilt zeggen - wat je wilt vragen opa&[email protected] opa&[email protected]; [email protected]; [email protected]; [email protected] verjaardag Hallo familie, Ik vier zaterdag mijn verjaardag. Komen jullie ook? Stuur even een berichtje als je mee wilt eten. Groetjes, Luuk Aan de slag 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees de en beantwoord hem. Het mag op papier of op de computer. [email protected] 13 januari [email protected] Goed boek? Hoi jongens en meiden, Ik moet in de klas iets over een boek vertellen. Kun jij me helpen? Stuur een mailtje met je lievelingsboek. En waarom dit boek zo goed is. Luuk 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zinnen in je schrift. Kies uit de schuingedrukte woorden. Terugkijken Ik verstuur vaak/soms/nooit een . Ik vind het moeilijk/makkelijk om een te schrijven.» s Stuur een naar de andere klassen op school. Vertel wat je spaart, bijvoorbeeld bierdopjes, dierenplaatjes, stickers. Vraag of iemand nog iets heeft voor je verzameling. 93
52 t blok 4 gevoel les 9 woordenschat Wat ga je doen? Je leert kiezen hoe je een woord onthoudt. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal over Femke en Fatma. Let op hoe Femke het woord astronaut wil onthouden. Het raadsel Femke is druk aan het tekenen en schrijven. Over sterren, kometen, zonnen en manen. Ze wil een astronaut tekenen. Maar hoe ziet een astronaut er precies uit? Zal ze er een paar woorden bij bedenken? Maar welke woorden? Of zal ze een zin schrijven? Maar wat voor zin? Femke zucht. Wat kan ze nog meer doen? O ja, een raadsel bedenken. Het vliegt door de ruimte in een pak, zegt ze hardop. Wat bedoel je? vraagt de man van de douane. O niets, zegt Femke. Ik heb het wel gehoord, zegt de man van de douane. Je bedoelt zeker een vlieg in een doos? Nee, zegt Femke. Ik bedoel... Maar de man van de douane loopt alweer verder. Hij heeft haast. Hij wil naar het volgende land. Net als Femke. Want nog steeds hebben ze Fatma niet gevonden. 2 s 3 s Hoe wil Femke het woord astronaut onthouden? Schrijf de letters op. Zet er waar of niet waar achter. a. Ze bedenkt woorden die erbij horen. b. Ze gebruikt het woord in een zin. c. Ze bedenkt een raadsel met het woord. Hoe zou jij het woord onthouden? Schrijf dat op. 94
53 Uitleg Woorden kun je op veel manieren onthouden. Je kunt: - een tekening maken - een woordpaar maken woordpaar: in verwachting - baby - een woordkaart maken - een zin schrijven zin: Mijn tante is in verwachting van een baby. - een woordweb maken - een raadsel bedenken raadsel: Het is een vrouw en ze verwacht een baby. in verwachting Aan de slag 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees het verhaal over Fatma. Wat betekent het gekleurde woord? Kijk of het in andere zinnen wordt uitgelegd. Kies een manier om het gekleurde woord te onthouden. Werk die uit in je schrift. Al het geld weg? Fatma kijkt naar de vloer. Waar zijn alle munten gebleven? Ze kijkt naar boven, naar onder. Naar links en naar rechts. Maar tevergeefs. Er is geen munt meer te zien. Of toch? Ze voelt iets in haar zak. Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zin op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Schrijf ook op waarom je dat vindt. Ik vind het makkelijk/moeilijk om een woord te onthouden.» s Bedenk drie manieren om het woord eenzaam te onthouden. Schrijf ze in je schrift. Je mag er ook een tekening bij maken. 95
54 t blok 4 gevoel les 10 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert bij het spreken letten op je stem en je gebaren. Op verkenning 1 Cléo is boos. Dat zie je zo. Lees de tekst om de beurt voor. Let op je stem en je gebaren. Ik voel het al. Boosheid komt op. Zoals de wind opsteekt. De wind nadert mij. Mijn boosheid is nu heel dichtbij. Met hels kabaal word ik omhelsd. Een woeste orkaan neemt bezit van mij. Ik ben niet boos, ik ben in woeste razernij. 2 s s 3 s Wat heb je gehoord en gezien? Schrijf de letters op. Zet het juiste antwoord erachter. Kies uit de schuingedrukte woorden. a. De spreker gebruikte de stem wisselend. ja/nee/een beetje b. De spreker maakte gebaren. ja/nee/een beetje Lees de tekst nog eens. Doe het nu anders. Wat is anders? Vertel het en schrijf het op. 96
55 Uitleg Als je spreekt, let je op: - je stem (hoog/laag, hard/zacht, snel/langzaam) - je gebaren Aan de slag 4 6 w 7 Maak de opdrachten in je werkboek. Vertel over iets waar je bang voor bent. Of over iets waar je vrolijk van wordt. Let op: - hoe de stem wordt gebruikt - welke gebaren worden gemaakt Bespreek samen hoe het ging. Wissel van rol en doe het nogmaals. Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Kies de zin die het best bij jou past. Bedenk er zelf nog een zin bij. Ik vind het makkelijk om op mijn stem én op mijn gebaren te letten. Ik vind het moeilijk om op mijn stem én op mijn gebaren te letten.» s Teken een stripverhaal van drie plaatjes. Gebruik spreekwolkjes. Laat in de tekst zien hoe iets gezegd wordt. Teken ook de gebaren. 97
56 t blok 4 gevoel les 11 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert om van twee zinnen één zin te maken. Je gebruikt daarvoor verbindingswoorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal. a. John is astronaut en vliegt door het heelal. b. Hij zit in een raket en is op weg naar een ruimteschip. c. Daar brengt hij mensen heen of haalt hij mensen op. d. Onderweg gebeurt er iets vervelends. e. Er is een plaat aan de buitenkant van de raket stuk. f. John weet niet of dat gevaarlijk is. g. Hij vraagt het aan de mensen op aarde. h. John moet het repareren. i. John blijft niet in de cabine, maar gaat naar buiten. j. Hij hangt een uur lang in de ruimte en repareert de raket. k. Ademloos volgen de mensen op aarde de reparatie. l. Het lukt en iedereen feliciteert John. 2 s 3 s Bekijk de zinnen hierboven. In veel zinnen staat een verbindingswoord. Dat woord maakt van twee zinnen één zin. In welke zinnen zie je zo n verbindingswoord? Schrijf de letters van die zinnen op. Welke letters heb je bij opdracht 2 opgeschreven? Bekijk die zinnen nog eens. Lees de vragen hieronder. Schrijf de letters en het antwoord op. a. Hoeveel doe-woorden staan er in de zinnen? b. Is dat ook zo in de andere zinnen? 98
57 Uitleg Van twee zinnen kun je één zin maken. Dat doe je met verbindingswoorden. Bijvoorbeeld: en, maar, want, of. In de nieuwe zin staan dan minstens twee doe-woorden. Aan de slag 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s Bekijk het voorbeeld. Ga je mee spelen of ben je nog boos? 1. Ga je mee spelen? 2. Ben je nog boos? Maak nu van elke zin twee zinnen. Morgen geef ik een feestje, want dan ben ik jarig. Vandaag kan ik niet, maar morgen kan ik wel. Ga je mee naar de speeltuin of heb je geen zin? 8 s Schrijf vier zinnen op. In elke zin moeten twee doe-woorden staan. Gebruik deze verbindingswoorden: zin 1: en zin 2: maar zin 3: want zin 4: of Terugkijken 9 s Wat heb je geleerd? Kies de zin die bij jou past of bedenk er zelf één. Schrijf die zin op. Ik kan van twee zinnen één zin maken. Ik vind het moeilijk om van twee zinnen één zin te maken.» s Maak van elke zin twee zinnen. Schrijf de zes zinnen op. Ik huilde, want ik was gevallen. Ik was te laat, want ik was te laat opgestaan. Ga naar mijn moeder en vraag het haar zelf. 99
58 t blok 4 gevoel les 12 schrijven Wat ga je doen? Je leert hoe je een brief schrijft. Op verkenning 1 Bas geeft voor zijn verjaardag een discofeest. De muziek kan tijdens het feest erg hard staan. Hij vindt dat hij de buren moet waarschuwen. Bas weet alleen nog niet precies hoe hij dat zal doen. Stuurt hij iedereen een ansichtkaart? Of een ? Of stopt hij bij iedereen een brief in de bus? Kijk wat Bas bedenkt. 2 s Wat heeft Bas bedacht? Schrijf de goede zin op. Hij stuurt de buren een ansichtkaart. Hij stuurt de buren een . Hij stuurt de buren een brief. 3 s Wat zou jij kiezen? Een brief, een of een ansichtkaart? Schrijf dat op. Schrijf ook op waarom. Je kunt kiezen uit de zinnen of er zelf één bedenken. Een versturen gaat heel snel. Op de computer kan ik sneller schrijven. Een ansichtkaart ziet er vrolijker uit. Ik hoef de tekst maar één keer te schrijven. Ik schrijf liever met de hand. Ik heb geen adres van de buren. 100
59 Uitleg Boven aan een brief schrijf je voor wie hij is. Onderaan schrijf je jouw naam. Meestal wil je met een brief iets regelen. Je schrijft: - wat je wilt zeggen - wat je wilt vragen Beste ouders, Maandag 12 januari gaan we op schoolreis. De kinderen moeten om 8.15 uur op school zijn. De bus vertrekt om 8.30 uur. Met vriendelijke groet, de directeur Een brief stuur je bijvoorbeeld naar: - de ouders van school - de burgemeester - de sportclub - je favoriete zanger Beste meneer, Ik wil u graag wat vragen. Is het leuk om bekend te zijn? Kunt u mij vertellen hoeveel uur u zingt per dag? En wanneer treedt u weer op? Groetjes van Bas Aan de slag 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Schrijf een brief aan je burgemeester. Kies uit: Je hebt een vraag. Je wilt graag een speelplek in de buurt. Je wilt iets zeggen. Op het speelveldje ligt altijd hondenpoep. Schrijf onder aan je brief hoe je heet en waar je woont. Dan kan de burgemeester je een antwoord sturen. 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zinnen in je schrift. Kies uit de schuingedrukte woorden. Terugkijken Ik schrijf het liefst een kaartje/een /een brief. Ik vind het moeilijk/makkelijk om een brief te schrijven.» s Je zamelt geld in voor een goed doel. Leg uit waarom mensen geld moeten geven. Doe dit in een brief die je rond kunt sturen. 101
60 werkboek B1 3
61 Zwijsen werkboek b1 Wat moet je doen? Maak de opdrachten. Kom je tekens tegen? Doe dan dit. Kruis het goede antwoord aan. Verbind met lijnen. Schrijf je antwoord op. Teken je antwoord. Kleur het goede antwoord. Omcirkel het goede antwoord. Onderstreep het goede antwoord. Doe de opdracht met je buur. Spreek samen af wie de spreker is. Spreek samen af wie de luisteraar is. t Ga terug naar je taalboek. Lees daar verder.
62 w blok 4 gevoel les 1 woordenschat Aan de slag 4 In strip 1 zie je iemand een huis naderen. In strip 2 gebeurt het tegengestelde van strip 1. Schrijf onder strip 1 wat hetzelfde betekent als naderen. Schrijf onder strip 2 het tegengestelde van naderen. strip 1: naderen strip 2: Hetzelfde: Het tegengestelde: 5 Schrijf een of meer woorden op die hetzelfde betekenen als verheugd. Wat is het tegengestelde van verheugd? Teken dat in het lege vak. Schrijf er een of meer woorden onder. verheugd Hetzelfde: Het tegengestelde: 6 Maak woordparen. Gebruik woorden die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. achterover uitgeput bedroefd de hitte hardlopen wild het noorden linksaf t ga terug naar je taalboek 37
63 w blok 4 gevoel les 2 spreken/luisteren Aan de slag Lees de tekst om de beurt. Lees de tekst eerst zacht. Dan hard. Daarna soms hard en soms zacht. Wat vond je het best? alles zacht alles hard soms hard en soms zacht Lees de tekst om de beurt. Lees de tekst eerst snel. Dan langzaam. Daarna soms snel en soms langzaam. Wat vond je het best? alles snel alles langzaam soms snel en soms langzaam Lees de tekst om de beurt. Lees eerst met hoge stem. Dan met lage stem. Daarna soms hoog en soms laag. Wat vond je het best? alles met hoge stem alles met lage stem soms hoog en soms laag Wat zeggen ze? Schrijf dat in de spreekwolken. Let op hoe ze het zeggen. Het schilderij is van mijn opa. Het is veel geld waard. Maar ik verkoop het niet. Ik vind het zelf veel te mooi. Ik vind de kleuren prachtig. Dat eten vind ik heerlijk! Je mag me wakker maken voor dat eten. Midden in de nacht. Maar overdag is ook goed. Ik smikkel en ik smul ervan. De trap kraakt Ik hoor voetstappen! Help, ik ben bang! Ik kruip in mijn bed. Onder de dekens. De voetstappen naderen Het is mijn moeder. Guus spreekt hard. Lieze spreekt snel. Matt spreekt met hoge stem. t 38 ga terug naar je taalboek
64 w blok 4 gevoel les 3 taalbeschouwing Aan de slag 4 Dit is het braillealfabet: a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z Schrijf je naam in braille op. 5 Wat lees je hieronder? 6 Sara houdt van spannende boeken. Ze leest ze op twee manieren. Hoe? Schrijf dat onder de tekeningen. t ga terug naar je taalboek 39
65 w blok 4 gevoel les 4 schrijven Aan de slag 5 Kies een persoon aan wie je een kaart wilt sturen. vriend of vriendin bekende persoon opa of oma juf of meester papa of mama iemand anders: 6 7 Kies waarom je een kaart schrijft. ik ben aan het logeren ik feliciteer iemand met zijn verjaardag ik wil iemand bedanken Schrijf de kaart en versier hem. ik heb iets goed te maken ik wens iemand beterschap anders: 8 Zo ziet de voorkant van mijn kaart eruit: t 40 ga terug naar je taalboek
66 w blok 4 gevoel les 5 woordenschat Aan de slag 4 Kijk naar de twee woordkaarten. Schrijf bovenaan het juiste woord. Kies uit: het podium - het optreden. Schrijf onderaan een zin met het woord. zingen band muziek publiek vloer hoog lopen hout 5 Maak de twee woordkaarten af. Schrijf vier woorden op die bij het woord horen. Schrijf een zin met het woord. de troon de kers woorden: woorden: zin: zin: 6 Lees de tekst over de leeuwentemmer. Maak een woordkaart over dit woord. Een leeuwentemmer werkt in het circus. Hij maakt de wilde leeuwen tam. In het circus laat hij ze kunstjes doen. circus tam wilde leeuwen kunstjes t ga terug naar je taalboek 41
67 w blok 4 gevoel les 6 spreken/luisteren Aan de slag 4 Lees de tekst hardop voor. Doe het de eerste keer zonder gebaren. Doe het daarna met gebaren. Wat vind jij beter? Kies een woord en vul aan. Ik vind het beter zonder / met gebaren, omdat Ik ben de mooiste, de grootste, de rijkste van het hele land. Ik! Ik ben beroemd! De mensen houden van mij. Maar soms voel ik me klein. Dan wil ik gewoon zijn. Dan wil ik zijn wie ik echt ben. Ik. 5 Lees de woorden voor. Maak af en toe verkeerde gebaren. Bij links wijs je bijvoorbeeld naar rechts. En bij lekker knijp je je neus dicht. Let op de gebaren. Zijn ze juist? links groot ver weg lekker stop achter dik rechts klein dichtbij vies ga door voor dun 6 Wat doe je met je handen als je blij, boos of bang bent? Doe het eerst zelf. Teken dan de handen van Cato, Achmed en Samira. Cato is blij Achmed is boos Samira is bang t 42 ga terug naar je taalboek
68 w blok 4 gevoel les 7 taalbeschouwing Aan de slag 4 Kleur de woorden die van twee zinnen één zin maken. Let op: niet overal staan twee zinnen! Pinokkio is een pop, maar hij wil een echte jongen worden. Gepetto stuurt Pinokkio naar school, want daar kan hij iets leren. Onderweg ziet Pinokkio Kater en Vos. Ze doen lief, maar ze hebben een gemeen plan bedacht. Zij willen Pinokkio aan de baas van een poppentheater verkopen. Deze geeft Kater en Vos een zak geld en hij laat Pinokkio optreden. Na afloop wil Pinokkio naar huis, maar hij mag niet weg. Hij wordt opgesloten, maar de fee helpt hem ontsnappen. 5 Maak nu zelf van twee zinnen één zin. Gebruik het verbindingswoord dat erboven staat. maar Pinokkio wil weer naar school. Kater en Vos wachten hem op. of Ze vragen. Hij gaat mee naar Luilekkerland. want Pinokkio is dom. Hij gaat weer met Kater en Vos mee. 6 Vul want, en of maar in. Pinokkio loog tegen de fee De fee geloofde hem niet, Ze besloot hem te straffen Later toverde ze de neus weg, zei dat hij ontvoerd was. ze zei niets. ze liet zijn neus groeien. Pinokkio had de waarheid verteld. t ga terug naar je taalboek 43
69 w blok 4 gevoel les 8 schrijven Aan de slag 4 Om te kunnen en heb je een adres nodig. Schrijf je adres op. Weet jij je adres niet of heb je geen adres? Bedenk er dan een. 5 Je schrijft een aan het blad Donald Duck. Wat schrijf je in je ? Kies een antwoord en doe wat er staat. Ik stel een vraag: Ik wil lid worden: Ik zeg wat ik vind: 6 Je houdt je spreekbeurt over het Wereld Natuur Fonds. Je stuurt een voor informatie. Wat schrijf je in je ? [email protected] 7 Los de rebus op. t 44 ga terug naar je taalboek
70 w blok 4 gevoel les 9 woordenschat Aan de slag 4 Lees de tekst. Femke en Fatma maken een reis door een vreemde wereld. Maar wat is het doel van die reis? Dat weten ze zelf ook niet. Want ze weten niet waar ze naartoe gaan. Wat betekent het doel? Kies een manier om het woord het doel te onthouden. tekening woordpaar woordkaart zin raadsel 5 Lees de tekst en bekijk de plaatjes. Maak woordparen met de gekleurde woorden. Als ouders doodgaan, erven hun kinderen. Ze krijgen het geld of de spullen van hun ouders. Als een koning doodgaat, komt er een opvolger. Die wordt dan de koning. erven - de opvolger - het koord - omhelzen - de oever - 6 Bekijk de strip over de orkaan. Dat is een heel sterke wind. De orkaan steekt op. Hij wordt steeds sterker. Wat gebeurt er op het derde plaatje? Schrijf het onder de strip. t ga terug naar je taalboek 45
71 w blok 4 gevoel les 10 spreken/luisteren Aan de slag 4 Lees de tekst voor. Laat horen hoe je je voelt. Ik droom dat ik door de ruimte reis. Ik ga heel erg ver weg. Verder dan de maan en de sterren. In een snelle raket door het heelal. Misschien kom ik nooit meer terug. Hoe voelt de spreker zich? boos vrolijk bang bedroefd anders: 5 Beeld uit welke hobby jij hebt. Je mag er niets bij zeggen! Welke hobby is het? De gebaren van de spreker waren wel / niet duidelijk. Wissel nu van rol en doe het nog een keer. 6 Lees de tekst voor. Let op je gebaren en je stem. De leeuwentemmer is bedroefd. Hij heeft geen leeuwen. Vroeger werkte hij in het circus. Nu niet meer. Zonder leeuwen kan hij niet optreden. Hij verdient geen cent. Hij is arm. Hij droomt van geldstukken, glimmend en glanzend. Hij droomt dat hij schatrijk is. Hij droomt van leeuwen die door hoepels springen. Wat hoor en zie je? hoge stem lage stem snel praten langzaam praten harde stem zachte stem gebaren geen gebaren t 46 ga terug naar je taalboek
72 w blok 4 gevoel les 11 taalbeschouwing Aan de slag 4 Kleur de woorden die van twee zinnen één zin maken. Frank staat op het podium en zingt een droevig lied. Zijn lied klinkt prachtig en het publiek luistert ademloos. Franks optreden is een groot succes en veel fans omhelzen hem. Frank verkoopt veel dvd s en hij heeft geen gebrek aan geld. Schatrijk is hij nog niet, maar dat komt misschien nog wel. 5 Hier staan halve zinnen. Bedenk zelf het tweede deel. Gebruik een verbindingswoord. De astronaut vliegt door het heelal De koning zit op de troon Hij vindt kersen lekker Mijn broer kreeg veel geld Hij voelt zich rijk De leeuwentemmer schrok 6 Hier staan weer halve zinnen. Bedenk zelf het eerste deel. Probeer er grappige zinnen van te maken. want de leeuwen ontsnapten. want hij had hoofdpijn. want zijn vrouw was in verwachting. want hij viel van zijn stoel. en hij springt een gat in de lucht. of vergist hij zich? t ga terug naar je taalboek 47
73 w blok 4 gevoel les 12 schrijven Aan de slag 4 Je hebt een lijstje gemaakt voor Sinterklaas. Hoe verstuur je dat? in een op een kaartje in een brief Waarom verstuur je het op deze manier? 5 Lees de tekst. Waar staat deze tekst? in een op een kaartje in een brief Zoetermeer, 27 november Beste ouders, Hierbij nodig ik u uit voor een gesprek over Mark. Kunt u op donderdag 7 december om vier uur? Bij het gesprek zijn de juf en de directeur aanwezig. Met vriendelijke groeten, Mevr. M. Tiep 6 Je zit op de Burgemeester Panisschool. Jullie krijgen een nieuw gebouw. Je vraagt de burgemeester of hij het gebouw komt openen. Wat stuur je? een een kaartje een brief Waarom wil jij je bericht zo versturen? 7 Je bent lid van een club, maar je vindt het niet meer leuk. Schrijf een brief om te vertellen dat je ermee stopt. t 48 ga terug naar je taalboek
74 kopieerboek 4
75 blok 4 gevoel
76 k blok 4 toetstaak naam: 1 Remco is op vakantie op een camping aan zee. Hij schrijft een kaartje aan zijn opa en oma. Maak de kaart voor Remco af. Schrijf erop: waar je bent, wat je doet, en wat je van de vakantie vindt. 2 Volgende week voert jullie klas een musical op. Schrijf een brief om mensen uit te nodigen. In die brief moet staan: 1. de naam van de musical, 2. hoe leuk de musical is, 3. op welke dag en waar de musical opgevoerd wordt, 4. hoe laat de musical begint. Beste mensen, b 3 Zijn de zinnen waar of niet waar? waar niet waar Blinde mensen lezen met hun vingers. Blinde mensen luisteren vaak naar voorgelezen boeken. Blinde mensen gebruiken geen computers. Er bestaan geen boeken voor blinden. Brailleletters bestaan uit een aantal puntjes. blok 4 kopieerblad 1 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
77 k blok 4 toetstaak naam: 4 Maak van twee zinnen één zin. Gebruik het schuingedrukte woord dat erboven staat. maar Ik ben goed in rekenen. Ik kan niet goed zingen. want Ik hoefde niet naar school. De juf was ziek. Maak van één zin twee zinnen. Isa miste de bus, want ze was te laat weggegaan Hugo won de wedstrijd en hij kreeg een beker Zoek het tegengestelde. Zoek dezelfde betekenis. opsteken straatarm het heelal dichterbij komen woest het kind de astronaut zonder resultaat de volwassene gaan liggen gebrek aan de ruimte verheugd kalm naderen tekort aan schatrijk dof tevergeefs zwanger glimmend bedroefd in verwachting de ruimtevaarder Maak de woordkaartjes hieronder af. Gebruik telkens drie dingen. Kies uit: een tekening, een betekenis, een tegenstelling, een ander woord dat hetzelfde betekent. geldstuk hiel Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 4 kopieerblad 2 b
78 k registratieblad toetstaak Onderdeel Schrijven Taalbeschouwing Woordenschat Opdrachten Opdracht 1 Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4 Opdracht 5 en 6 Naam Adviesnorm ter beoordeling ter beoordeling 0 fouten: G 0 fouten: G 0, 1 fouten: G van de van de 1 fout: V 1 fout: V 2, 3, 4 fouten: V leerkracht leerkracht >1 fout: O >1 fout: O >4 fouten: O Herhalingsstof Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: ht 1 ht 2 ht 3 ht 4 ht 5/6 (hl b1, p. 83) (hl b1, p. 84) (hl b1, p. 84) (hl b1, p. 85) (hl b1, p. 85) De leerlingen die voldoende of goed scoren op alle onderdelen, kunnen verder gaan met de plustaken. Meer informatie in hl b1, pagina 6. Afkortingen: G = goed, V = voldoende, O = onvoldoende, ht = herhalingstaak, hl = handleiding. b blok 4 kopieerblad 3 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
79 k blok 4 herhalingstaak 1 schrijven naam: Op een ansichtkaart schrijf je een kort bericht. Je kunt over allerlei dingen schrijven. Bijvoorbeeld: - waar je bent - wat je doet - wat je vindt 1 Schrijf twee kaarten. Kies zelf aan wie je ze schrijft. - aan iemand die in het ziekenhuis ligt - aan iemand die thuis is, terwijl jij op vakantie bent - aan iemand met wie je een ruzie wilt goedmaken - aan iemand die jarig is - aan iemand die een baby gekregen heeft 2 Laat de kaarten aan je buur lezen. Bespreek samen wat je van elkaars kaarten vindt. Wat is goed? Wat kan nog beter? Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 4 kopieerblad 4 b
80 k blok 4 herhalingstaak 2 schrijven naam: Boven aan een brief schrijf je voor wie hij is. Onderaan schrijf je jouw naam. Meestal wil je met een brief iets regelen. Je schrijft: - wat je wilt zeggen - wat je wilt vragen 1 Femke spaart petten. Ze wil een brief naar TumTum sturen. TumTum is een tijdschrift voor kinderen. In die brief wil ze vragen of kinderen haar een pet willen sturen. Schrijf de brief voor Femke. Vertel eerst waarom je TumTum graag leest. Schrijf ook waarom het sparen van petten zo leuk is. Vergeet vooral het adres niet, anders weten de kinderen niet waar ze de petten naartoe moeten sturen. 2 Laat de brief aan je buur lezen. Bespreek samen wat je van elkaars brief vindt. Wat is goed? Wat kan nog beter? Let ook op de indeling van de brief. b blok 4 kopieerblad 5 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
81 k blok 4 herhalingstaak 3 taalbeschouwing naam: Blinden gebruiken brailleschrift. Brailleletters bestaan uit puntjes. Sommige puntjes liggen wat hoger. Daardoor kunnen blinden de letters voelen. Ik lees braille. Dat doe ik met mijn vingers. 1 Dit zijn de brailleletters. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z Schrijf in brailleschrift: Leren lezen is lastig. 2 Je leest hier een woord in brailleschrift. Wat staat er? 3 Bij jouw computer hoort een toetsenbord. Daarmee kun je letters typen. Leg uit hoe het toetsenbord van een blinde eruitziet. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 4 kopieerblad 6 b
82 k blok 4 herhalingstaak 4 taalbeschouwing naam: Van twee zinnen kun je één zin maken. Je gebruikt daarvoor verbindingswoorden. Bijvoorbeeld: en, maar, want, of. Wij zijn één zin want wij horen bij elkaar. 1 2 Kleur de woorden die van twee zinnen één zin maken. De weg is glad, want het heeft gesneeuwd. Vandaag regent het, maar gisteren scheen de zon. Ik kon slecht zien, want het was mistig. Vandaag is het zonnig en het wordt 23 graden. Gaat het vriezen of gaat het dooien? Het heeft gestormd en er zijn veel bomen omgevallen. We doen de kachel aan, want het is koud. Maak van twee zinnen één zin. Gebruik de verbindingswoorden die erboven staan. of Ga je mee? Blijf je liever thuis? want Marloes werd niet nat. Ze liep onder een paraplu. 3 want Lars kon niet buiten spelen. Het was slecht weer. Maak de zinnen af. a. Het waaide hard en b. c. We gingen naar het zwembad, maar d. Wordt het morgen mooi weer, of, want het regende. e., want de wedstrijd ging niet door. f., of moet je naar huis? b blok 4 kopieerblad 7 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek E2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek A2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 7: 1 handleiding D2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek D2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek A1: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek B2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 6: 1 handleiding C1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek C1: de introductiepagina s en blok
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding e1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding d1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands
Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld Bij verschillende onderdelen van de taalmethode Taal in Beeld, kunt u De bovenkamer
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK b Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HAnDlEIDInG b Hl InHoUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo
Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 h/v de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 h/v de betekenis
Leerlijn Spreken & luisteren groep 5
Leerlijn Spreken & luisteren groep 5 Spreken (individueel / gesprekken voeren): Luisteren: Een monoloog houden in een kleine groep, duidelijk verwoorden wat ze bedoelen. Een gesprek (overleg) voeren in
Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen
Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er
De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon
Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands colofon Dit overzicht is samengesteld door Josée Coenen, auteur van De bovenkamer. Vormgeving Marjo Starink Bazalt 2016 Voor meer
Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Leerstofoverzicht Taal in beeld groep 4
Leerstofoverzicht Taal in beeld groep blok woordenschat spreken/luisteren schrijven taalbeschouwing Les : betekenis door plaatje Les : spreken Les : bij elke tekst hoort een schrijver Les : spelen met
Informatie. vakgebieden. Groep 4
Informatie vakgebieden Groep 4 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Informatie. vakgebieden. Groep 6
Informatie vakgebieden Groep 6 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8
Zoals u wellicht weet wordt er ieder jaar in oktober de KINDERBOEKENWEEK georganiseerd. Op de meeste scholen worden er dan ook Voorleeswedstrijden gehouden, en gaat de aandacht speciaal uit naar de PROMOTIE
LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK d Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HANDLEIDING d HL INHOUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
Inhoudsopgave. Blok 5 Verhalen 15 lesbeschrijvingen toetsing informatie over de herhalings- en plustaken
Inhoudsopgave Algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw van de methode 4 Leeractiviteiten 5 Opbrengstgericht werken 6 Samenwerkend leren 7 Toetsing en evaluatie 8 Combinatiegroepen 8
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp
Methodeanalyse. Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO. Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg
Methodeanalyse Stelonderwijs; Taal in beeld Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg www.zwijsen.nl www.taalinbeeld.nl Eerste
CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo
Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 vmbo de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 vmbo de betekenis
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp werkwoordelijk gezegde
Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen
Basis Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Deviant methode leer/werkboek VIA vooraf op weg naar 1F. De 8 thema s in het boek hebben terugkerende
Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5
Taal actief 4 taal verkennen groep 5-8 taal verkennen groep 5 In dit document een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen Taal verkennen groep 5. Deze kenn maakt onderdeel uit van de leerlijn
Naam leerlingen. Groep BBL 1 Nederlands. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen.
Verdiepend Basisarrange ment Naam leerlingen Groep BBL 1 Nederlands Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. - 5 keer per week 45 minuten basisdoelen toepassen in verdiepende contexten.
Het flexibel inzetten van de taalmethode heeft te maken met de functie van taal.
Taal: vakspecifieke toelichting en tips Taalverwerving en -onderwijs verlopen als het ware in cirkels: het gaat vaak om dezelfde inhouden, maar de complexiteit en de mate van beheersing nemen toe. Anders
Informatie. vakgebieden. Groep 5
Informatie vakgebieden Groep 5 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Kinderen leren schrijven. www.taalvorming.nl
Kinderen leren schrijven www.taalvorming.nl Uitgangspunten van taalvorming Taalvorming is een lang bestaande werkwijze die je ook kunt zien als schrijfdidactiek werken vanuit eigen ervaringen samenhang
Visuele Leerlijn Taal
Visuele Leerlijn Taal www.gynzy.com Versie: 05-09-2019 Taalbegrip Abstracties Probleem & oplossing Zender & ontvanger Functies van taal Discussie Standpunt & argument Feit & mening Illustratie (als voorbeeld)
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Schooljaar 2015 2016 Nederlands havo vwo 1 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling H 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Uitprobeerpakket. Handleiding 4a groep 4 blok 4
Uitprobeerpakket Handleiding 4a groep 4 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen?
Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen? In groep 5-6 nemen kinderen steeds vaker werk mee naar huis. Vaak vinden kinderen het leuk om thuis aan schooldingen
Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: leesvaardigheid Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1 + 2 Theorie blz. 7-8, 50 aantekeningen oefeningen uit het leerboek stappenplan lezen De leerling kent de termen onderwerp, deelonderwerp, hoofdgedachte,
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2018-2019 Klas: HV1 Lesperiode: 1 + 2 Diploma grammatica Methode: Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: Grammatica HF 1 t/m 6 Bladzijde: 25 t/m 30, 67 t/m 72, 109 t/m 114, 151 t/m 156, 193 t/m 198, 235
Informatie. vakgebieden. Groep 7
Informatie vakgebieden Groep 7 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL
Nationaal congres Taal en Lezen 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Contactgegevens Tseard Veenstra [email protected] 06 55168626 Is spellingonderwijs nog relevant als we met behulp
Uitprobeerpakket. Handleiding 5a groep 5 blok 4
Uitprobeerpakket Handleiding 5a groep 5 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
En, wat hebben we deze les geleerd?
Feedback Evaluatie Team 5 En, wat hebben we deze les geleerd? FEED BACK in de klas En, wat hebben we deze les geleerd? Leerkracht Marnix wijst naar het doel op het bord. De leerlingen antwoorden in koor:
OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID. 1. Lees- en schrijfmotivatie
OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID 1. Lees- en schrijfmotivatie 1.1 Kinderen zijn intrinsiek gemotiveerd voor lezen en schrijven. 1.2 Ze beschouwen lezen en schrijven als dagelijkse routines.
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
Sterk in Taal en Spelling
Sterk in Taal en Spelling Staal Spelling methodiek José Schraven: voordoen, verwoorden, begeleid inoefenen, gerichte feedback 3 onderdelen: 1. spelling (onveranderlijke woorden): 34 categorieën verdeeld
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Versie: juni 2015 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Nieuwe methode aanschaffen? Dat kan nu veel voordeliger. Snappet
Een overtuigende tekst schrijven
Een overtuigende tekst schrijven Taalhandeling: Betogen Betogen ervaarles Schrijftaak: Je mening geven over een andere manier van herdenken op school instructieles oefenlesles Lesdoel: Leerlingen kennen
Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. 1. Tussendoelen lees- en schrijfmotivatie. 2. Tussendoelen technisch lezen
Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid Bron: Aarnoutse, C. & Verhoeven, L. (red.), Zandt, R. van het, Biemond, H.(in voorbereiding). Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. Een leerlijn voor groep 4 tot
Informatie. vakgebieden. Groep 8
Informatie vakgebieden Groep 8 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder
Brochure Begrijpend lezen VMBO 1
Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 2 Inleiding Het belang van begrijpend lezen kan nauwelijks overschat worden. Het niveau van begrijpend lezen dat kinderen aan het einde van
Wat te doen met zwakke begrijpend lezers?
Wat te doen met zwakke begrijpend lezers? Cor Aarnoutse Wat doe je met kinderen die moeite hebben met begrijpend lezen? In dit artikel zullen we antwoord geven op deze vraag. Voor meer informatie verwijzen
Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Alles telt Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking
Taal in beeld Spelling in beeld
Taal in beeld/ / Spelling in beeld Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Fictie Klas: MH-1 Lesperiode:1 Taalportfolio In je taalportfolio komen 5 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode worden de eerste 3 opdrachten beoordeeld
Taaldomein vmbo. 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen: PowerPointpresentatie. k4 3 De spreekbeurt Soorten spreekbeurten De boekpresentatie
Taaldomein vmbo Methode Taaldomein 1 Mondeling 60p Schooltype vmbo-kgt 1-2, k3-4 2 Lezen 266p Editie vanaf 2004 3 Schrijven 120p Niveau 2F 4 Taalbeschouwing 285p 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen:
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek E2: de introductiepagina s
Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is
Het houden van een spreekbeurt
Het houden van een spreekbeurt In deze handleiding staan tips over hoe je een spreekbeurt kunt houden. Waar moet je op letten? Wat moet je wel doen? En wat moet je juist niet doen? We hopen dat je wat
Alles over. Wijzer! Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Wijzer! Geschiedenis Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In
Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Basisgrammatica Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Basisgrammatica Het computerprogramma Basisgrammatica
Alles over. Naut. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Naut Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2016-2017 Vak: Nederlands Klas: vmbo-tl 2 Onderdeel: Spelling 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan
Taalbeschouwelijke termen bao so 2010
1 Bijlage: Vergelijking taalbeschouwelijke termen leerplannen basisonderwijs en secundair onderwijs In deze lijst vindt u in de linkerkolom een overzicht van de taalbeschouwelijke termen uit het leerplan
Taaljournaal, tweede versie
SPELLING Taaljournaal, tweede versie Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze methode zijn te vinden op www.taalpilots.nl, www.rekenpilots.nl en
Voordoen (modelen, hardop denken)
week 11-12 maart 2012 - hardop-denktekst schrijven B Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet.
Blauwe stenen leer je zo
Handleiding groep 3-8 Blauwe stenen leer je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een steen van Jeelo leert. Voor groep 3-4 wijzer 2009 Zo leer je blauwe stenen
Audit WoordenSchatuitbreiding.
Naam: Groep: Audit WoordenSchatuitbreiding. Invoeringsfase: Opmerkingen (knelpunten afspraken): Datum: Tijd: 1. Doelen: a. b. c. 2. Discussie en/of reflectie: 3. Klassenbezoek / feedback: Werkwijze: Observatiepunten
Alles over. ipockets. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Alles over. Blink Wereld Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Alles telt Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking
Alles over. Tijdzaken. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Proefkatern Zin in taal Nieuw
Proefkatern Zin in taal Nieuw In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Zin in taal, groep 8: 1. Handleiding e1: het algemene gedeelte en eenheid 4 2. Taalboek e1: eenheid 4 3. Werkboek e1:
Onderdeel: Spelling Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Onderdeel: Spelling week 1 t/m week 3 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan een deel zuiver morfologisch
Alles over. Blink Wereld geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Het programma van deze PIT wordt gedurende het schooljaar aangepast aan het tempo en het niveau van de klas. Vak: Nederlands, onderdeel taalportfolio Klas: IG1 - EBR Lesperiode: 1 en 2 Taalportfolio opdracht
Leerstofoverzicht Lezen in beeld
Vaardigheden die bij één passen, worden in Lezen in beeld steeds bij elkaar, in één blok aangeboden. Voor Lezen in beeld a geldt het linker. Voor Lezen in beeld b t/m e geldt het rechter. In jaargroep
Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs
kennisnet.nl Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs Op de volgende pagina s treft u het beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs. Het instrument is ingedeeld in acht
Alles over. Rekenrijk. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO
Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO Oktober 2015 Verantwoording 2015 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Vak: Nederlands, onderdeel taalportfolio /HV Lesperiode: 1 Taalportfolio deel 1 In je taalportfolio komen 4 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode
Nederlands in Uitvoering
Nederlands in Uitvoering Leerjaar 1 Sport & spel Een mondelinge instructie begrijpen Algemene modulegegevens Leerjaar: 1 Taaltaak: Een mondelinge instructie begrijpen Thema: Sport & spel Leerstijlvariant:
Ogo en taal van methode naar bronnenboek
Ogo en taal van methode naar bronnenboek Help!! Wat nu?? Niet in 1 keer alles loslaten Gefaseerd invoeren van werken met OGO thema s Gefaseerd invoeren van taal binnen thema s ???Taaltrapeze en OGO???
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Vak: Nederlands Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Lesperiode: 1 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
- NEX Klas: IG2 HV Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Lesperiode: 2 1 Nieuwsbegrip en Nieuwsbegrip XL Materiaal: Leerlingschrift A4 Snelhechter Markeerstift Al
Titel Taalverhaal, software bij, taal. Vak/onderwerp Nederlandse taal
Titel Taalverhaal, software bij, taal Vak/onderwerp Nederlandse taal Hardware-eisen Beeldschermformaat: 800 x 600, aantal kleuren 256, audio: 48 kbps, 22/44.1 khz, Processor minimaal Pentium 200, cd-rom:
Alles over. Speurtocht. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Speurtocht Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking
Alles over. Wijzer! Natuur en techniek. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Wijzer! Natuur en techniek Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken.
Voordoen (modelen, hardop denken)
Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet. Het voordoen (modelen) van het schrijven van
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende regel De stam van werkwoorden kunnen noteren
Praten over boeken in de klas Het vragenspel van Aidan Chambers
Praten over boeken in de klas Het vragenspel van idan hambers We weten pas wat we denken als we het onszelf horen zeggen. (idan hambers). Elk individu, kind en volwassene, beleeft een tekst op geheel eigen
Lesbeschrijving Nederlands
Lesbeschrijving Nederlands Overzicht Leerjaar 1 VOx leerlijn nr. 1 Mondelinge taal Onderdeel nr. 1.3 Spreekvaardigheid Subonderdeel nr. 1.3.1 Spreken Lesnummer 34 Titel van de les Ik houd mijn spreekbeurt
Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs Paul Filipiak
Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs Paul Filipiak juli 2009 Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs 1 Schrapcriteria
Uitwerking Leerlijn ICT Ogtb Titus Brandsma
Algemeen Uitwerking Leerlijn ICT Ogtb Titus Brandsma Maart 2015 o Groep 0/instroom: Afhankelijk van de ontwikkeling van het kind kunnen de muisvaardigheden geoefend worden door het programma Spelen met
