Proefkatern Taal in beeld

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Proefkatern Taal in beeld"

Transcriptie

1 Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 6: 1 handleiding C1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek C1: de introductiepagina s en blok 4 3 werkboek C1: de introductiepagina s en blok 4 4 kopieerboek: kopieerbladen blok 4 (met de toetstaak, het registratieblad en de eerste vier herhalingstaken). Met dit katern krijgt u zicht op hoe Taal in beeld werkt. De materialen stellen u in staat lessen van blok 4 uit te proberen in uw groep. Blok 4 bestaat uit 12 lessen. Zwijsen geeft u toestemming om voor het uitproberen kopieën te maken uit dit katern. Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en 6 (Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld) zijn niet bijgevoegd. Woordkenner is een leerspel dat als herhalingstaak op het gebied van woordenschat elk blok terugkomt. Met het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen leerlingen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Meer informatie over Woordkenner en het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vindt u op Heeft u nog vragen, neem dan contact op met Zwijsen Klantenservice: of [email protected]. Wij wensen u en uw leerlingen veel (leer)plezier met Taal in beeld!

2 handleiding C1 1

3 Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks handleiding c1

4 hl inhoud algemene handleiding Aan de slag met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5 Toetsing en evaluatie 6 Combinatiegroepen 7 Materialen 7 Leerstof 7 Handleiding online 11 blok 1 omgeving Basislessen 13 Toetstaak 25 Herhalingstaken 27 blok 2 natuur Basislessen 32 Toetstaak 44 Herhalingstaken 46 blok 3 reizen Basislessen 51 Toetstaak 63 Herhalingstaken 65 blok 4 gevoel Basislessen 70 Toetstaak 82 Herhalingstaken 84 Colofon 88 -Taalin 2 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

5 hl algemene handleiding Aan de slag met Taal in beeld U gaat werken met Taal in beeld. Deze handleiding helpt u om snel en op een prettige manier met de methode te gaan werken. Daartoe wordt in een beperkt aantal pagina s de belangrijkste informatie gegeven die u nodig hebt. Alle overige gegevens over de methode, waaronder meer uitgebreide onderdelen die horen bij deze handleiding, vindt u op de website Hebt u vragen, opmerkingen of suggesties, dan kunt u hiervoor ook terecht op de website. Hoe meer informatie wij van u krijgen, hoe beter wij in staat zijn om de methode mee te laten groeien met uw wensen en verwachtingen. Invoering Taal in beeld kunt u in één keer in alle groepen invoeren. Het eerste blok van ieder jaarprogramma is een instapblok waarin alle eerder aangeboden leerstof die nodig is voor het komende jaarprogramma, wordt opgefrist. De leerlingen raken dus niet het spoor bijster omdat er ineens termen worden gebruikt of specifieke voorkennis wordt verondersteld die ze nooit eerder aangeboden hebben gekregen. Ook u als leerkracht krijgt tijdens het eerste blok een globaal overzicht van wat aan de orde is geweest in vorige jaargroepen, voor zover het van invloed is op de lessen die u dit leerjaar aan gaat bieden. Mocht u verder nog een gedetailleerde samenvatting willen hebben van de eerder aangeboden leerstof in relatie tot de leerstof in uw jaargroep, dan vindt u op een uitgebreid leerstofoverzicht. Overzicht Taal in beeld bestaat uit vijf gedeelten. Het onderstaande schema geeft aan welk deel bestemd is voor welke jaargroep van het reguliere basisonderwijs. Voor andere typen (basis)scholen kan ervoor gekozen worden om de leerstof op een andere manier te verdelen. Deel Jaargroep A (a1 en a2) 4 B (b1 en b2) 5 C (c1 en c2) 6 D (d1 en d2) 7 E (e1 en e2) 8 De kenmerken van Taal in beeld Taal in beeld heeft drie belangrijke kenmerken. Het pakket is compleet, compact en flexibel. Compleet Taal in beeld is een complete methode: het programma biedt alle leerstof aan die u als school op basis van de kerndoelen geacht wordt aan te bieden. Kerndoelen zijn streefdoelen en geven aan wat een leerling globaal moet kennen en kunnen aan het eind van de basisschool. Ze beschrijven in grote lijnen wat in elk geval aan de orde moet komen op de basisschool. Maar niet alles wat op school gebeurt, is voorgeschreven in kerndoelen. Scholen hebben ook ruimte voor een eigen, specifiek onderwijsaanbod. Bij de ontwikkeling van Taal in beeld is uitdrukkelijk rekening gehouden met de kerndoelen voor taal, zoals die door de overheid zijn vastgesteld. Een school die werkt met Taal in beeld is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van de methode voldoet aan de kerndoelen. Compact Taal in beeld is compleet, maar daarnaast ook compact. Zowel het aantal lessen als het aantal schoolweken dat nodig is om het programma uit te voeren, is beperkt gehouden. Hierdoor zult u als leerkracht geen tijdsdruk ervaren omdat er nog zoveel moet. Voor de leerlingen is er voldoende tijd beschikbaar om de leerstof goed op te kunnen nemen en toe te passen. Verder is ook in de hoeveelheid materialen terug te zien dat de methode compact is. Geen grote hoeveelheid materialen die mogelijk gebruikt kunnen worden, maar een duidelijke keuze voor het noodzakelijke en het wenselijke. Op papier en in de vorm van software. Flexibele organisatievorm Taal in beeld is een flexibele methode. Kinderen verschillen, leerkrachten verschillen, scholen verschillen en omstandigheden verschillen. Taal in beeld houdt rekening met deze verschillen door diverse organisatievormen mogelijk te maken. Zo kunt u interactief met de hele groep aan de slag gaan, maar u kunt de leerlingen ook zelfstandig alle onderdelen van het programma laten uitvoeren. Hierbij kunnen ze individueel werken of samen met andere leerlingen. Doordat de taalactiviteiten geschikt zijn voor een geïndividualiseerde, een samenwerkende en klassikale organisatievorm, hoeft u niet te kiezen tussen interactief taalonderwijs of zelfstandig leren. U kunt met Taal in beeld de kracht van beide vormen combineren. U bepaalt in welke mate u de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Maar uiteindelijk werken ze wel aan dezelfde leerstof, waardoor de organisatie van de lessen overzichtelijk en uitvoerbaar blijft. De opbouw van de methode Taal in beeld Jaarprogramma Taal in beeld biedt een jaarprogramma voor 34 schoolweken en is opgebouwd uit acht blokken van vier weken. Na de blokken 4 en 8 is er een zogenaamde breekweek: een week waarin geen lessen uit de acht blokken aan de orde komen. De breekweken kunnen gebruikt worden als uitloopweken of als weken om op een andere manier met taal bezig te zijn. -Taalin Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 3 d

6 hl algemene handleiding Algemene opbouw van een blok De eerste drie weken van ieder blok bestaan uit de basislessen. Aan het einde van de derde week of in het begin van de vierde week is er een toetstaak. Daarmee wordt vastgesteld welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben en welke (nog) niet. De kinderen die de doelen bereikt hebben, gaan vervolgens aan de slag met plustaken (verdiepingsstof), waarin ze leerkrachtonafhankelijk hun geleerde kennis, vaardigheden en strategieën toepassen en uitbouwen. De kinderen die de doelen van het blok nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week eerst herhalingstaken waarin ze de leerstof die ze nog niet beheersen, nogmaals aangeboden krijgen. Extra instructie en begeleide verwerking zijn hierbij de uitgangspunten. De opbouw van deel c1 en c2 Het schema hiernaast biedt een overzicht van de opbouw van het programma van de delen c1 en c2. Deel c1 bevat de blokken 1 tot en met 4 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Deel c2 bevat de blokken 5 tot en met 8 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Thema s De verschillende blokken bevatten voor alle jaargroepen op hetzelfde moment dezelfde thema s. De volgende onderwerpen komen aan bod: Blok Thema 1 Omgeving 2 Natuur 3 Reizen 4 Gevoel 5 Verhalen 6 Samen leven 7 Cultuur 8 Andere tijden De thema s komen overeen met die in methoden als Tussen de regels en Ondersteboven van lezen. Hierdoor bent u gemakkelijk in staat om vakoverstijgend en thematisch te werken. Instapblokken Het eerste blok van ieder leerjaar (met uitzondering van deel a1) start met een instapblok. Hierin komen alle leerstofonderdelen aan bod die eerder aangeboden zijn en relevant zijn voor het komende leerjaar. In blok 2 tot en met 7 wordt nieuwe leerstof aangeboden. Blok 8 is een afsluitend blok waarin geen nieuwe leerstof wordt aangeboden. Hierin is alle aandacht gericht op het integreren, herhalen en toepassen van de leerstof die gedurende het jaar is aangeboden. week deel blok weekprogramma dag 1 dag 2 dag 3 dag 4 dag 5 1 c1 blok 1 ws sl tb s 2 blok 1 ws sl tb s 3 blok 1 ws sl tb s 4 blok 1 toets h/p h/p h/p 5 blok 2 ws sl tb s 6 blok 2 ws sl tb s 7 blok 2 ws sl tb s 8 blok 2 toets h/p h/p h/p 9 blok 3 ws sl tb s 10 blok 3 ws sl tb s 11 blok 3 ws sl tb s 12 blok 3 toets h/p h/p h/p 13 blok 4 ws sl tb s 14 blok 4 ws sl tb s 15 blok 4 ws sl tb s 16 blok 4 toets h/p h/p h/p 17 breekweek 18 c2 blok 5 ws sl tb s 19 blok 5 ws sl tb s 20 blok 5 ws sl tb s 21 blok 5 toets h/p h/p h/p 22 blok 6 ws sl tb s 23 blok 6 ws sl tb s 24 blok 6 ws sl tb s 25 blok 6 toets h/p h/p h/p 26 blok 7 ws sl tb s 27 blok 7 ws sl tb s 28 blok 7 ws sl tb s 29 blok 7 toets h/p h/p h/p 30 blok 8 ws sl tb s 31 blok 8 ws sl tb s 32 blok 8 ws sl tb s 33 blok 8 toets h/p h/p h/p 34 breekweek ws = woordenschat sl = spreken/luisteren h = herhalingstaken s = schrijven tb = taalbeschouwing p = plustaken jaarplanning deel c1 en c2 -Taalin 4 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

7 algemene handleiding De activiteiten in Taal in beeld Zelfstandig leren, samenwerkend leren en begeleid leren Taal in beeld maakt verschillende organisatievormen gelijktijdig mogelijk. Alle lessen zijn namelijk zo opgezet dat u als leerkracht kunt bepalen of de leerlingen zelfstandig (individueel of in samenwerking met andere kinderen) of begeleid (klassikaal of in een groepje onder uw leiding) aan de slag gaan. Welke organisatievorm u ook kiest, alle kinderen doorlopen altijd dezelfde opdrachten en gebruiken dezelfde materialen. Dit betekent dat de lessen voor u als leerkracht makkelijk te organiseren zijn. U bepaalt zelf in welke mate er sprake is van mondelinge interactie tijdens de les en u kunt ervoor kiezen die te beperken. Wanneer het bereiken van het lesdoel zonder interactie niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een aantal lessen spreken/luisteren, dan attendeert de methode u hierop. Alle activiteiten in het taalboek en het werkboek De lessen in Taal in beeld zijn opgebouwd uit vaste onderdelen: de doelstelling, de introductie, de instructie, de verwerking en de evaluatie/reflectie. Deze elementen zijn ook terug te vinden in het leerlingmateriaal: Wat ga je doen?, Op verkenning, Uitleg, Aan de slag en Terugkijken. Mede hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de leerlingen op een effectieve en efficiënte manier zelfstandig te laten leren. Niets verplicht u echter om kinderen de les zelfstandig te laten doorlopen. U kunt er ook voor kiezen de les gezamenlijk op een interactieve manier door te werken. De verschillende fasen worden hieronder uitvoeriger toegelicht. De didactische fasering en de route door de les Een les in Taal in beeld bestaat uit een viertal fasen dat volgt als de doelstelling is aangegeven. Tezamen vormen die fasen de lesroute die de leerlingen aan de hand van de aanwijzingen in het taalboek en het werkboek zelfstandig (individueel of samenwerkend) of begeleid (klassikaal of in een groepje) kunnen doorlopen. Op verkenning De eerste fase is Op verkenning. Hierin gaan kinderen aan de slag met enkele verkennende opdrachten. De bedoeling is dat ze zich hiermee oriënteren of voorbereiden op het onderwerp van de les, of aan de hand van een probleemstelling tot oplossingen proberen te komen. Uitleg De tweede fase is Uitleg. Dit is het instructiemoment in de les. De uitleg is enerzijds een conclusie vanuit de verkenning en anderzijds de inhoudelijke instructie die nodig is om de volgende fase te kunnen doorlopen. De instructie wordt weergegeven in een geschreven blok, maar afhankelijk van de organisatievorm kan ze ook dienen als basis voor mondelinge uitleg. Aan de slag De derde fase is Aan de slag en bevat de verwerkingsopdrachten, die gedeeltelijk in het werkboek en gedeeltelijk in het taalboek staan. Terugkijken De vierde fase is Terugkijken en heeft tot doel om te reflecteren en te evalueren. De centrale vraag hierbij is dan ook: Wat heb je geleerd? De leerlingen maken een evaluerende opdracht, waarin altijd een verband wordt gelegd met het lesdoel. Afhankelijk van de gekozen organisatievorm kan de evaluatie ook mondeling plaatsvinden. Voor kinderen die eerder klaar zijn, bevat iedere les nog een extra opdracht. Tijdsindicaties Een les in Taal in beeld duurt ongeveer 35 tot 50 minuten. De exacte tijdsduur is afhankelijk van de organisatievorm waarin de les wordt aangeboden. Het is een bekend gegeven dat er bij zelfstandig lerende kinderen een aanzienlijk verschil kan zijn in de tijd die ze nodig hebben om tot een resultaat te komen. Organisatorische problemen zullen zich echter niet voordoen, want de snelle kinderen kunnen aan de slag met de extra opdracht. Wanneer de les met de hele groep wordt doorgewerkt, zal deze ongeveer 45 minuten duren. Vanwege verschillen in de benodigde tijd in relatie tot de organisatievorm, is ervoor gekozen de lesonderdelen zelf niet te voorzien van tijdsindicaties. De differentiatie in Taal in beeld Differentiatie naar begeleidingsbehoeften Taal in beeld biedt een breed scala aan differentiatiemogelijkheden. Bij alle lessen kunt u differentiëren naar intensiteit van de begeleiding die u geeft. Sommige leerlingen of groepen kunt u meer loslaten, terwijl u andere juist veel ondersteuning wilt bieden. Om alle kinderen de begeleiding te geven die ze nodig hebben, kunt u groepen in verschillende organisatievormen laten werken. Met de kinderen die veel ondersteuning nodig hebben, doorloopt u de lesroute samen. Binnen deze organisatievariant, eerder benoemd als begeleid leren, is er veel ruimte voor mondelinge interactie en begeleiding. De leerlingen die hier minder behoefte aan hebben, laat u meer leerkrachtonafhankelijk werken, individueel of samen met andere kinderen. Tempodifferentiatie: extra stof Tijdens de lessen zal het vaak zo zijn dat bepaalde leerlingen eerder klaar zijn dan andere. Dit vraagt om tempodifferentiatie, waarbij er extra werk is voor de snelle leerlingen. Allereerst kunnen zij de extra opdracht maken. Deze staat in het taalboek aan -Taalin Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 5 d

8 hl algemene handleiding het einde van iedere les. Mochten zij daarna nog behoefte hebben aan meer stof, dan kunt u hun verdiepingsstof geven in de vorm van plustaken uit Taalmaker, of laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Taalmaker is het gedeelte van Taal in beeld dat extra taaltaken bevat in de vorm van kaarten en werkbladen. Niveaudifferentiatie: plustaken (verdiepingsstof) Wat betreft de verdiepingsstof in de vorm van plustaken hebt u een breed scala aan mogelijkheden. Alle plustaken hebben echter één ding gemeen: het is niet meer van hetzelfde, maar het zijn taalactiviteiten vanuit een andere, meer toepassende invalshoek. Alle plustaken die horen bij Taal in beeld, vindt u in het onderdeel Taalmaker. Taalmaker bestaat uit een doos met kaarten en werkbladen. Periodiek zullen de plustaken in Taalmaker aangevuld en vernieuwd worden, waardoor de uitdaging voor de leerlingen groot zal blijven. De plustaken kunnen op drie momenten gebruikt worden. Ten eerste als tempodifferentiatie bij de basislessen. Zijn leerlingen eerder klaar, dan kunnen ze, na de extra opdracht, aan de slag met de plustaken. Ten tweede als leerstof voor op de vijfde dag van de week, wanneer er geen basisprogramma is. Wilt u kinderen die dag toch taalopdrachten laten uitvoeren, dan kunnen ze aan de slag gaan met de plustaken. Ten derde als leerstof voor in week 4, na de toets. In eerste instantie geldt dit voor kinderen die geen behoefte hebben aan herhalingstaken. Meer informatie over de plustaken uit Taalmaker vindt u bij De materialen van Taal in beeld. Niveaudifferentiatie op het gebied van woordenschat kunt u realiseren door kinderen te laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Daarin krijgen ze eerst de woorden uit de basislessen aangeboden. Deze worden uitgelegd, geoefend en getoetst. Kennen ze deze woorden, dan biedt het programma extra woorden aan. Deze zijn onderdeel van de verdiepingsstof. Niveaudifferentiatie: herhalingstaken Aan het einde van de derde week of in de vierde week van ieder blok maken de leerlingen een toetstaak. Deze is bedoeld om vast te stellen of ze de doelen van het blok bereikt hebben. Als dit niet het geval is, krijgen ze de vierde week herhalingstaken bij de onderdelen die ze nog niet beheersen. De herhalingstaken worden bij ieder blok beschreven in de handleiding. De leerlingen kunnen ze in principe zelfstandig maken, maar geadviseerd wordt om hen hierbij te begeleiden. Toetsing en evaluatie in Taal in beeld Er bestaan verschillende manieren om de resultaten van de leerlingen te evalueren. Het gaat hierbij om evaluatie op korte, middellange en lange termijn. Korte termijn Evaluatie op korte termijn is gericht op het vaststellen of de lesdoelen wel of niet bereikt zijn. Dit gebeurt op twee manieren. Ten eerste door de leerlingen zelf, via de reflectieopdracht in de fase Terugkijken van de basislessen. Hierbij stellen ze zelf vast wat ze geleerd hebben tijdens de les. Een tweede manier om na te gaan of de doelen bereikt zijn, is door gebruik te maken van de observatiepunten in de handleiding. Deze zijn terug te vinden bij een aantal basislessen. Middellange termijn Evaluatie op middellange termijn is bedoeld om vast te stellen of de leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben. Aan het einde van de derde of aan het begin van de vierde week van elk blok is er een toetstaak die bestaat uit een aantal toetsopdrachten. Deze opdrachten zijn gericht op verschillende taaldomeinen. Taalbeschouwing en woordenschat worden na ieder blok getoetst. Schrijven en spreken/luisteren worden daar regelmatig aan toegevoegd. Taal in beeld bevat registratiebladen waarop de toetsresultaten van de leerlingen vastgelegd kunnen worden. Tevens vindt u op deze bladen de adviesnorm bij de verschillende toetsopdrachten. Op basis van de score krijgt u ook een advies over de gewenste vervolgactiviteiten. Zo kunt u direct zien of de leerling herhalingstaken moet gaan uitvoeren en welke dat zijn, of dat hij plustaken kan gaan maken. In het laatste geval vindt u een verwijzing naar Taalmaker, het onderdeel van de methode waarin de plustaken zijn verzameld. De registratiebladen vindt u in het kopieerboek. Evaluatie op lange termijn Taal in beeld legt het accent op methodegebonden toetsen, waarmee uitspraken worden gedaan over de mate waarin leerlingen de doelen van de methode bereiken. Evaluatie op lange termijn staat meer in het teken van het taalniveau van een leerling in het algemeen of in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Hiervoor zijn toetsen nodig die voldoende betrouwbaar en gevalideerd zijn om een antwoord te geven op deze vraag. Dit overstijgt de mogelijkheden van de toetsing in een taalmethode. Wanneer u behoefte hebt aan een dergelijke evaluatie, dan adviseren we u gebruik te maken van toetsen die speciaal voor dit doel gemaakt zijn. Onder andere de Cito-groep in Arnhem brengt in het kader van haar leerlingvolgsysteem een aantal geschikte toetsen op de markt. -Taalin 6 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

9 algemene handleiding Taal in beeld in combinatiegroepen Individueel of samen zelfstandig leren Taal in beeld is een methode met veel mogelijkheden om zelfstandig te leren. Alleen in situaties waarin de lesdoelen niet bereikt kunnen worden zonder interactie, zoals bij een aantal lessen spreken/luisteren het geval is, adviseert de methode u bepaalde opdrachten op basis van samenwerkend leren (of klassikaal) te doen. Door de ruime mogelijkheden voor zelfstandig leren (individueel of samenwerkend), is Taal in beeld uitermate geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen of stamgroepen. De leerlingen kunnen leerkrachtonafhankelijk aan de opdrachten gaan werken en u kunt bepalen welke kinderen u op welk moment intensiever begeleidt. Op deze manier wordt voorkomen dat u het gevoel krijgt eigenlijk op meerdere plekken tegelijkertijd te moeten zijn. Doordat de lessen in Taal in beeld ook geschreven zijn voor zelfstandig leren, is dit niet meer het geval. Ook kinderen die zelfstandig aan het werk gaan, worden attent gemaakt op de doelstelling van de les, oriënteren zich op de lesstof, krijgen uitleg in de vorm van beschreven tekstblokken, maken de verwerkingsopdrachten en reflecteren op wat ze geleerd hebben. Doordat zij zich volledig zelf kunnen redden, kunt u zich meer richten op die kinderen die uw hulp het hardst nodig hebben, onafhankelijk van de jaargroep waarin ze zitten. Lessen omwisselen in het weekprogramma Mocht er echter toch een situatie ontstaan waarin u twee jaargroepen tegelijkertijd begeleiding wilt geven, bijvoorbeeld omdat beide groepen op hetzelfde moment een interactieve les spreken/ luisteren op het programma hebben staan, dan is het geen enkel probleem om lessen in het weekprogramma om te wisselen. Door een van de jaargroepen met een schrijfles aan de slag te laten gaan terwijl u zelf met de andere jaargroep de les spreken/luisteren doet, hebt u het probleem opgelost. Het weekprogramma kent geen gedwongen volgorde in de lessen. De materialen van Taal in beeld Het materialenoverzicht Het c1-gedeelte van Taal in beeld bestaat uit de volgende materialen. - Een taalboek c1, waarin de basislessen staan uitgewerkt. - Een werkboek c1, waarin een gedeelte van de opdrachten is uitgewerkt. - Een antwoordenboek c1, waarin de antwoorden op de opdrachten (uit taal- en werkboek) zijn te vinden. - Een handleiding c1, waarin het volledige lesprogramma voor de leerkracht is beschreven. Hierbij vindt u ook de activiteitenbeschrijvingen die horen bij de toets- en herhalingstaken. - Een kopieerboek C, waarin alle kopieerbladen opgenomen zijn. Het gaat hierbij om de toetstaak (inclusief registratiebladen) en de herhalingstaken per blok. - Woordkenner C, een herhalingstaak op het gebied van woordenschat, die ieder blok terugkomt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een kopieerblad en een spelbord dat de activiteit ondersteunt. - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Met dit programma kunnen kinderen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Naar dit gedeelte van het programma wordt verwezen bij de basislessen en de herhalingstaken van ieder blok. Naast de doelwoorden uit de basislessen bevat het programma een groot aantal nieuwe doelwoorden. Dit gedeelte van het programma kan ingezet worden als plustaak. - Taalmaker C, waarin plustaken zijn ondergebracht. Die bestaat uit een doos met kaarten en werkbladen. Wat wordt wanneer gebruikt? Een blok in Taal in beeld bestaat uit vier lesweken. Tijdens de eerste drie weken worden de basislessen aangeboden. Deze staan in het taalboek en het werkboek en worden toegelicht in de handleiding. Op de vijfde dag van iedere week is geen basisstof gepland. U kunt ervoor kiezen op deze dag geen taalles op het rooster te zetten, maar het is ook mogelijk om deze dag als uitloopmogelijkheid te gebruiken. Een derde optie is op die dag geen basisstof aan te bieden, maar de leerlingen te laten werken aan de plustaken. Aan het einde van week 3 of begin van week 4 is er een toetstaak. De kinderen die onvoldoende scoren op (onderdelen van) de toets, gaan vervolgens de bijbehorende herhalingstaken doen. In de handleiding en op het registratieblad (te vinden in het kopieerboek), wordt op basis van de score aangegeven welke herhalingstaken aan bod kunnen komen. De overige kinderen kunnen aan de slag gaan met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Zowel de herhalings- als de plustaken worden per blok toegelicht in de handleiding. De laatste dag van week 4 zijn er geen herhalingstaken. Alle kinderen kunnen dan eventueel aan de slag met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Het schema op de volgende pagina biedt een overzicht van de activiteiten per blok en de te gebruiken materialen. De leerstof in Taal in beeld Vier taaldomeinen Taal in beeld besteedt in elk leerjaar ruim aandacht aan de taaldomeinen woordenschat, spreken/luisteren, schrijven (stellen) en taalbeschouwing. Hiermee voldoet de methode ruimschoots aan de kerndoelen voor het basisonderwijs en de tussendoelen beginnende en gevorderde geletterdheid, voor zover van toepassing voor een taalmethode Voor het spellingonderwijs is er een bijbehorende uitgave beschikbaar onder de naam Spelling in beeld. Deze methode vormt een -Taalin Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 7 d

10 hl algemene handleiding Week 1, 2 en 3 Week 4 Basisstof Lessen (taalboek en werkboek) Toetstaak (kopieerboek) Herhalingstaken Plustaken Geen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen - Herhalingstaken (kopieerboek) - Leerspel Woordkenner - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen complete spellingleergang die werkt volgens dezelfde principes als Taal in beeld. Tevens is er op tal van punten sprake van een afstemming tussen beide methodes. Meer informatie hierover vindt u op onze website, De leerstof van Taal in beeld is sterk gericht op het leren gebruiken van strategieën. De leerlingen leren hoe ze taal moeten gebruiken en welke mogelijkheden taal biedt, maar ook welke taalvaardigheden hen daarbij kunnen helpen. Hierbij gaat het om taalvaardigheden die voor, tijdens en na het communiceren gehanteerd worden. De leerlingen leren om, afhankelijk van de situatie waarin ze zich bevinden, een passende keuze te maken uit de taalvaardigheden die ze beheersen. Het kunnen bepalen welke vaardigheden nodig zijn en deze vervolgens op een juiste manier toepassen, vormt de kern van de strategisch aanpak die de leerlingen zich met Taal in beeld eigen maken. Daardoor ontwikkelen ze taalcompetenties die hen in staat stellen om actief en bewust om te gaan met de taal en ermee te communiceren. Hieronder wordt in grote lijnen per taaldomein aangegeven welke leerstof in Taal in beeld aan de orde komt en hoe deze is opgebouwd. Een meer gedetailleerd overzicht van de leerlijnen vindt u op onze website, Woordenschat Het leerstofaanbod op het gebied van woordenschat is gericht op twee subdomeinen: de beheersing van woordenschatstrategieën en -vaardigheden en het verwerven van de betekenis van de doelwoorden. De woordenschatstrategieën en -vaardigheden In Taal in beeld komen twee soorten woordenschatstrategieën aan de orde: de eerste om de betekenis van woorden te kunnen achterhalen en de tweede om de woordbetekenis beter te kunnen onthouden. Ze worden aangeduid als respectievelijk een woordleerstrategie en een woordonthoudstrategie. De leerlingen beheersen de strategieën als ze uit de bijbehorende taalvaardigheden een adequate keuze kunnen maken en deze op de juiste manier kunnen toepassen. Hierbij gaat het enerzijds om woordleervaardigheden en anderzijds om woordonthoudvaardigheden. Deze vaardigheden komen elk leerjaar op hetzelfde moment terug. Het gaat daarbij om de volgende vaardigheden. Woordleervaardigheden - de woordbetekenis afleiden uit een plaatje - de woordbetekenis afleiden uit de tekst (of de context) - de woordbetekenis afleiden via woordanalyse - de woordbetekenis opzoeken - de woordbetekenis navragen Woordonthoudvaardigheden - de woordbetekenis onthouden door te associëren (bijvoorbeeld door een woordweb te maken) - de woordbetekenis onthouden door woorden te ordenen (bijvoorbeeld door het maken van een woordkast, woordparaplu, woordtrap of woordpodium) - de woordbetekenis onthouden door woorden toe te passen (bijvoorbeeld door te tekenen, te schrijven of woordspellen te maken) De doelwoorden In de woordenschatlessen in het taalboek en het werkboek ligt het accent op het leren van woordenschatstrategieën en -vaardigheden. Deze worden aangeboden in de verschillende lesfasen (Op verkenning, Uitleg, Aan de slag, Terugkijken). In het verlengde hiervan komen ook doelwoorden aan bod in de lessen. Er is voor gekozen om tijdens de basislessen beperkt uitleg te geven over de betekenis van de doelwoorden. Het is bekend dat de verschillen tussen kinderen voor wat betreft hun woordenschat groot zijn. Het is daarom in onze opvatting niet gewenst alle leerlingen uitgebreid uitleg te geven over alle woordbetekenissen in alle situaties. De uitgebreide uitleg vindt dan ook pas plaats in de herhalingstaken, waardoor u als leerkracht zich kunt richten op de kinderen die onvoldoende woorden kenden. De eerste herhalingstaak is het leerspel Woordkenner. In dit spel komen de woorden aan de orde die de leerlingen nog niet beheersen. Ze leren de betekenis van de woorden kennen en beter onthouden door een aantal opdrachten dat terug te vinden is op het spelbord. Meer informatie over het leerspel vindt u in de toelichting in de speldoos. De tweede herhalingstaak is het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Hierin ligt het accent volledig op het beheersen van de doelwoorden. De wijze van aanbieden is gebaseerd op het bekende vierfasenmodel: introductie, semantisering (betekenis aanbrengen), consolideren (veelzijdig inoefenen) en evalueren. Wanneer de leerlingen aan de slag gaan met het computerprogramma, krijgen ze in eerste -Taalin 8 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

11 algemene handleiding instantie de woorden aangeboden die ook in het taal- en werkboek aan de orde zijn geweest. Als ze die beheersen, krijgen ze nog een groot aantal nieuwe doelwoorden aangeboden. Het totaal aantal doelwoorden dat per blok aangeboden wordt, bedraagt 80. Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen vindt u in de toelichting die hoort bij dit softwarepakket. De doelwoorden die aangeboden worden, vallen uiteen in drie categorieën: - woorden die nodig zijn voor algemeen dagelijks taalgebruik; - woorden die nodig zijn voor gebruik in en rond de school; - woorden die van belang zijn om te kunnen reflecteren op taal. Spreken/luisteren De leerstof in het domein spreken/luisteren is erop gericht de leerlingen adequate strategieën aan te leren om effectief te kunnen spreken en luisteren. Hierbij maakt Taal in beeld onderscheid tussen spreken, luisteren en het voeren van een gesprek. De onderdelen spreken en luisteren worden aangeboden in de vorm van eenrichtingsverkeer, waarbij zowel voor de spreker als voor de luisteraar specifieke strategieën aan bod komen. Bij het voeren van gesprekken gaat het om de gezamenlijke uitwisseling van gedachten over eenzelfde onderwerp. Om de leerlingen de spreek-, luister- en gespreksstrategieën aan te leren, komen in Taal in beeld, gekoppeld aan een achttal aandachtsgebieden, onder andere de volgende vaardigheden aan de orde: De voorbereiding het spreekdoel bepalen een woordweb gebruiken onderzoek doen in de bibliotheek of op internet vragen stellen De doelgroep praten met verschillende mensen op de luisteraar letten stap voor stap iets uitleggen de juiste mensen aanspreken Spreek/luister-situaties een inleiding geven verslag uitbrengen informatie geven een mening geven en argumenteren een betoog houden en een debat of discussie voeren een monoloog houden een verhaal of gedicht voorlezen, vertellen of voordragen een toneelstuk of een sketch spelen een mop vertellen Gesprekstechnieken bij het onderwerp blijven gedachten uitwisselen vragen stellen en doorvragen reageren op anderen conclusies trekken Het gebruik van beeldmateriaal uitleggen en vertellen met behulp van beeldmateriaal proefjes uitvoeren Lichaamstaal aandacht voor houding en gebaren aandacht voor stemgebruik en spreekpauzes aandacht voor het maken van oogcontact Woordgebruik moeilijke woorden, verwijswoorden en verbindingswoorden gebruiken een juiste woordkeuze maken De structuur van een gesprek informatie ordenen en rangschikken de juiste volgorde aanbrengen improvisatie het gesproken woord vastleggen Wanneer de leerlingen deze vaardigheden beheersen en in staat zijn om ze op het juiste moment te gebruiken, beschikken ze over adequate spreek-, luister- en gespreksstrategieën. Ze ontwikkelen zich op deze manier tot competente sprekers, luisteraars en gesprekspartners. Sprekershoek Vanaf groep 4 wordt in alle lessen spreken/luisteren een tip gegeven voor de Sprekershoek. Daarmee wordt een activiteit bedoeld waarbij de leerlingen in het openbaar leren spreken. De naam is ontleend aan Speaker s Corner, een plek in Hide Park in Londen waar ieder die dat wil zijn zegje mag doen. Voor de Sprekershoek in de klas geldt eveneens dat het de leerlingen vrij staat om hun zegje te doen. Gebruik de Sprekershoek dan ook om de leerlingen uit te dagen iets te vertellen over wat ze hebben geleerd, meegemaakt, ontdekt of wat ze ergens van vinden. Laat de andere kinderen reageren. Geef alle leerlingen de kans om van de Sprekershoek gebruik te maken, ook al is het nog zo kort. Het gaat hier niet om een spreekbeurt, maar om het leren speken in het openbaar. Om de Sprekershoek tot een uitnodigende activiteit te maken, kunt u voor in de klas een lessenaar zetten. Dat is de plek waar de kinderen op gezette tijden hun zegje mogen doen. Dat kan spontaan of voorbereid. Tijdens een discussie kunt u de Sprekershoek bijvoorbeeld gebruiken om enkele leerlingen om de beurt hun mening te laten geven. De Sprekershoek geeft dan iets meer cachet aan de zaak. De tips in de handleiding zijn bedoeld om de geleerde vaardigheden ook in de Sprekershoek toe te passen. -Taalin Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 9 d

12 hl algemene handleiding Schrijven In het domein schrijven leren kinderen een adequate schrijfstrategie hanteren. Om de leerlingen de schrijfstrategie aan te leren, komen in Taal en beeld onder andere de volgende vaardigheden aan de orde. Ze zijn verdeeld over zes aandachtsgebieden: De voorbereiding het schrijfdoel en de doelgroep bepalen het onderwerp bepalen en informatie verzamelen onderzoek doen Tekstsoorten schrijven een verhaaltekst en monoloog schrijven een gedicht, toneelstuk, mop en sketch schrijven een weettekst, verslagtekst en meningtekst schrijven een ansichtkaart, brief en schrijven een doetekst, actietekst en omgevingstekst schrijven werkstukken, schema s, uittreksels en samenvattingen maken (samen) een tekst nalezen en reviseren Tekstonderdelen een titel bedenken een inleiding, conclusie, voorwoord en nawoord schrijven alinea s schrijven en tussenkopjes gebruiken de hoofdgedachte duidelijk maken Woordgebruik moeilijke woorden, verwijs- en verbindingswoorden gebruiken een passende woordkeuze maken Opbouw een tekst schrijven met een vergelijking een tekst schrijven met een opsomming een tekst schrijven met een oorzaak-gevolgrelatie een tekst schrijven met een probleem-oplossingrelatie Uiterlijk van de tekst een tekening maken bij een tekst beeldmateriaal verzamelen en bijschriften maken tekstdragers en lay-out bepalen een inhoudsopgave maken een omslag maken Als de leerlingen deze vaardigheden op het juiste moment en op de juiste wijze kunnen toepassen, beschikken ze over een adequate schrijfstrategie. Dit maakt hen tot competente schrijvers. Schrijfmap Vanaf groep 6 wordt in alle lessen schrijven een tip gegeven voor de Schrijfmap. De Schrijfmap is bedoeld om leerlingen een verzameling teksten aan te laten leggen, de zogenaamde portfolio. De Schrijfmap is in eerste instantie bedoeld als een leerlingoverzicht van de diverse teksten die de kinderen geschreven hebben. Maar u kunt de Schrijfmap ook gebruiken om regelmatig uit te laten voorlezen of de kinderen een tekst te laten kiezen voor bijvoorbeeld de schoolkrant. Ook kunt u tijdens de ouderavonden aan de hand van de Schrijfmap laten zien wat voor teksten de kinderen schrijven. Aan het einde van het jaar laat u de kinderen de Schrijfmap mee naar huis nemen of bewaren voor het volgend jaar. Als Schrijfmap kunt u een inlegmap gebruiken waarin de kinderen losse teksten bewaren. U kunt ook een ringband of een schrift gebruiken. Houd daarmee rekening als u de opdrachten laat maken die de kinderen moeten bewaren. Taalbeschouwing Het domein taalbeschouwing bestaat in Taal in beeld uit drie subdomeinen: woordbouw, zinsbouw en taalgebruik. Woordbouw Bij woordbouw leren de leerlingen de belangrijkste zaken met betrekking tot de functie, de bouw en de betekenis van woorden. Hierbij komen onder andere de volgende onderdelen aan de orde: het zelfstandig naamwoord in al zijn verschijningsvormen, waaronder de samenstelling, het meervoud en verkleinwoorden de werkwoorden en de verschijningsvormen en vervoegingen van het werkwoord, zoals de woordenboekvorm, de persoonsvorm en de deelwoorden de tijden tegenwoordige en verleden tijd functiewoorden zoals lidwoorden en voorzetsels verschillende voornaamwoorden zoals het persoonlijk, het bezittelijk en het aanwijzend voornaamwoord bijvoeglijke naamwoorden neologismen (nieuwe woordvorming) Zinsbouw Bij het onderdeel zinsbouw leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de functie, de bouw en de betekenis van zinnen. Hierbij komen onder andere aan de orde: diverse soorten zinnen zoals vertelzinnen, vraagzinnen, bevelzinnen, ontkenningen, enkelvoudige en samengestelde zinnen en de gebiedende wijs het gebruik van voegwoorden en vraagwoorden het verdelen van zinnen in zinsdelen zoals onderwerp en gezegde, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp de interpunctie: het gebruik van hoofdletter, komma, punt, vraagteken en uitroepteken, dubbele punt, puntkomma en aanhalingstekens -Taalin 10 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

13 algemene handleiding Taalgebruik Bij het onderdeel taalgebruik leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de bouw van teksten en het gebruik van taal. Hierbij wordt onder meer aandacht besteed aan de volgende verschijnselen: bondig en uitvoerig taalgebruik creatief en zakelijk taalgebruik letterlijk en figuurlijk taalgebruik formeel en informeel taalgebruik ouderwets en modern taalgebruik het verschil tussen thuistaal en schooltaal het gebruik van directe en indirecte rede oude taalvormen en zinnen vormen van taalgebruik via nieuwe media zoals en sms het gebruik van dialecten en andere taalvarianten zoals standaard- Nederlands en Vlaams taalgebruik van doven en blinden het gebruik van pictogrammen Een meer gedetailleerde leerstofopbouw van alle taalonderdelen die in Taal in beeld aan bod komen, vindt u op de website Handleiding online Deze handleiding is bedoeld om u zo effectief en prettig mogelijk met Taal in beeld te laten werken. Om deze reden is er ook voor gekozen om dit algemene gedeelte van de handleiding zo compact mogelijk te houden. Mocht u behoefte hebben aan meer of meer gedetailleerde informatie over Taal in beeld, dan kunt u hiervoor terecht op de website Hier vindt u het online-gedeelte van de handleiding met aanvullende informatie. -Taalin Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 11 d

14 blok 4 gevoel Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1

15 hl blok 4 gevoel les 1 woordenschat Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door een woordparaplu te maken. De leerlingen leren de betekenis van tien nieuwe woorden. Doelwoorden zich beheersen, bekvechten, goedaardig, gruwelijk, kwaadaardig, triest, uitgelaten, verrukt, vrezen, waardeloos Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 78 en 79 w c1, pagina 37 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over de bende van Bas. In een woordparaplu schrijven ze op welke woorden bij gruwelijk horen. Daarna maken ze een zin met gruwelijk en maken ze er een tekening bij. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze woorden kunnen onthouden met een woordparaplu. In een woordparaplu staan: woorden die hetzelfde betekenen; woorden die iets uitleggen. Van beide wordt een voorbeeld gegeven. Aan de slag De leerlingen oefenen woorden te onthouden door woordparaplu s te maken. Ze schrijven het juiste woord boven twee woordparaplu s. Aan de hand van een woordparaplu over kwaadaardig maken ze zelf een woordparaplu over goedaardig. Dan lezen ze wat twee woorden betekenen en maken daar een zin mee. Terug in het taalboek lezen ze over de bende van Bas en maken twee woordparaplu s, een met verrukt en een met waardeloos. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om een woordparaplu te maken. Ze schrijven er zelf een zin bij. Laat de leerlingen de komende week woordparaplu s maken van belangrijke begrippen die ze in andere lessen tegenkomen. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden, kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen ieder één woordparaplu maken en die samen beoordelen. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 5 en 7 kunt u de woordparaplu s samen op het bord maken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen weten hoe een woordparaplu is opgebouwd. Aantekeningen -Taalin 70 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

16 hl blok 4 gevoel les 2 spreken/luisteren Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen bekijken vier kinderen die spreken. Ze letten op waarom zij de luisteraar aankijken. Ze schrijven ook op wanneer ze zelf de luisteraar aankijken als ze spreken. Doelen De leerlingen leren wanneer je tijdens het spreken iemand aankijkt. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 80 en 81 w c1, pagina 38 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze tijdens het spreken de luisteraar kunnen aankijken. Bijvoorbeeld: wanneer ze iets duidelijk willen maken; wanneer ze het spannend willen maken; wanneer ze iets willen vragen; wanneer de luisteraar iets vraagt. Aan de slag De leerlingen oefenen wanneer ze bij het spreken iemand moeten aankijken. Ze lezen achtereenvolgens het verhaal De storm en de weettekst Lachen. Bij beide teksten kleuren ze de tekstdelen waarbij ze de luisteraar aankijken. Daarna lezen ze de tekst voor. De luisteraar let op wanneer de spreker hem aankijkt en kruist aan wat het effect hiervan is. Terug in het taalboek voeren de leerlingen een gesprek over sport. Als spreker denken ze na over de vraag wanneer ze de luisteraar aankijken. Als luisteraar noteren ze of en wanneer de spreker hen aankijkt, en of ze dat prettig of vervelend vinden. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het eng of niet eng vinden om de luisteraar aan te kijken. Ze bedenken er zelf een zin bij. Wijs de leerlingen er deze week op dat ze elkaar kunnen aankijken tijdens het spreken. Gebruik hierbij de criteria bij Uitleg. Sprekershoek Laat leerlingen iets vertellen, waarbij ze erop moeten letten dat ze de luisteraar af en toe aankijken. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten 5, 7 en 8 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 5 en 7 kunt u alle varianten bespreken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen iemand durven aankijken tijdens het spreken. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 71 -Taalin d

17 hl blok 4 gevoel les 3 taalbeschouwing Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren hoe ze de persoonsvorm kunnen vinden. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 82 en 83 w c1, pagina 39 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen drie zinnen en schrijven op wat het onderwerp en de persoonsvorm van deze zinnen is en waarom de persoonsvorm van deze zinnen steeds verandert. Ze beantwoorden een aantal vragen over het onderwerp en de werkwoorden in de zin en de samenhang tussen beide. Ze trekken conclusies uit het bovenstaande. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat de persoonsvorm verandert als het onderwerp van enkelvoud in meervoud of van meervoud in enkelvoud verandert en dat dit een manier kan zijn om de persoonsvorm in een zin te vinden. Aan de slag De leerlingen oefenen met het vinden van de persoonsvorm. Ze zetten een aantal zinnen in het meervoud en onderstrepen de persoonsvormen. Ze maken een schema af waarin een aantal persoonsvormen moet worden ingevuld. Terug in het taalboek zetten ze zinnen in het meervoud en concluderen vervolgens wat de persoonsvorm is. Terugkijken Ter evaluatie geven kinderen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om de persoonsvorm te vinden. Met leerlingen die moeite blijven houden met het vinden van de persoonsvorm, kunt u in de loop van deze week nog eens extra oefenen door korte zinnen op het bord te zetten. Laat de kinderen oefenen met beide methoden om de persoonsvorm te vinden, dus door de zinnen in tijd en in getal te veranderen. Begin met zinnen met één werkwoord, en ga verder met zinnen met twee of drie werkwoorden. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval kunt u vooral bij Op verkenning zwakkere en goede leerlingen met elkaar laten samenwerken. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 1 herhaalt u het begrip onderwerp. Leg uit dat de leerlingen het onderwerp kunnen vinden door de vraag te stellen: wie doet iets? Herhaal ook de term persoonsvorm. Deze term is voor het eerst aan de orde geweest in blok 1 van groep 6. Hier werd uitgelegd dat de persoonsvorm gevonden kan worden door de zin in een andere tijd te zetten. Geef hiervan enkele voorbeeldzinnen en leg uit dat er in deze les een andere manier wordt aangeboden om de persoonsvorm te vinden. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 72 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

18 hl blok 4 gevoel les 4 schrijven Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren een verslagtekst schrijven. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 84 en 85 w c1, pagina 40 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning Erik schrijft over de bruiloft van meester Martijn. De leerlingen ontdekken dat Erik eerst een woordweb maakt, daarna een inleiding schrijft en ten slotte stap voor stap beschrijft wat er is gebeurd. Vervolgens kijken ze wat zij zelf nog in het verslag zouden willen schrijven. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat een verslag op papier een verslagtekst heet en dat hierin stap voor stap staat wat er is gebeurd. De leerlingen leren ook dat ze bij een verslagtekst: eerst een woordweb maken; daarna een inleiding schrijven; ten slotte stap voor stap schrijven wat er gebeurt of gebeurd is. Aan de slag De leerlingen oefenen met het schrijven van verslagteksten. Ze lezen een strip over een toneelvoorstelling van Doornroosje. Ze kiezen een titel bij de strip en schrijven een inleiding erbij. Vervolgens maken ze een verslag over de voorstelling door vijf gegeven zinnen in de goede volgorde te zetten. De laatste zin van het verslag maken ze zelf af. Terug in het taalboek kiezen de leerlingen een onderwerp waarover ze een verslag maken. Eerst maken ze een woordweb. Dan bedenken ze de titel en de inleiding, en tot slot schrijven ze het verslag. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om een verslagtekst te schrijven. Ze bedenken zelf ook een zin. Wijs de leerlingen deze week ook in andere lessen op verslagteksten. Controleer of de teksten beantwoorden aan de criteria die bij Uitleg staan. Is stap voor stap beschreven wat er gebeurt of gebeurd is? Schrijfmap Laat de leerlingen het verslag van opdracht 9 in hun schrijfmap bewaren. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 5 en 6 kunnen de leerlingen eerst samen bij elke titel een inleiding bedenken. Bij opdracht 9 kunnen de leerlingen samen een onderwerp kiezen en hierbij een woordweb maken. Uit het woordweb kiezen ze ieder verschillende woorden waardoor ze allebei een ander verslag schrijven. Samen bespreken ze de verschillen. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 5 en 6 kunt u de leerlingen bij elke titel een andere inleiding laten bedenken. Bij opdracht 9 kunt u klassikaal een onderwerp kiezen en hierbij een woordweb maken op het bord. Laat de leerlingen het verslag individueel schrijven. Sommige leerlingen mogen hun verslag voorlezen, waarna u samen de verschillen bespreekt. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen een verslagtekst kunnen schrijven volgens de criteria bij Uitleg. Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 73 -Taalin d

19 hl blok 4 gevoel les 5 woordenschat Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door een woordkast te maken. De leerlingen leren de betekenis van tien nieuwe woorden. Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over de bende van Bas. Ze letten op wat de ouders over de oude en de nieuwe school zeggen. Dat schrijven ze in de woordkast die ze natekenen uit het taalboek. Vervolgens bedenken ze zelf drie woorden bij de oude en de nieuwe school. Organisatie en differentiatie Doelwoorden bedachtzaam, chagrijnig, zich ergeren, foeteren, iemand de huid vol schelden, sidderen, stampvoeten, venijnig, wanhopig, wantrouwig Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 86 en 87 w c1, pagina 41 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Tips Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze woorden kunnen onthouden met een woordkast. Een woordkast bestaat uit twee of meer rijen. In elke rij staan woorden die bij elkaar horen. Aan de slag De leerlingen oefenen met het maken van woordkasten. Ze schrijven woorden die bij foeteren of sidderen horen in de juiste rij. Ze geven een omschrijving van zes woorden aan de hand van zes tekeningen. Terug in het taalboek tekenen de leerlingen een woordkast over prettig en niet prettig. In iedere rij schrijven ze vier woorden. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om een woordkast te maken. Ze schrijven er zelf ook een zin bij. Laat de leerlingen de komende week een woordkast maken van bij elkaar horende of tegenovergestelde begrippen die ze in andere lessen tegenkomen. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden, kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 5 kunnen de leerlingen om de beurt een omschrijving geven en die samen beoordelen. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. De woordkasten bij opdracht 4 en 6 kunt u samen op het bord maken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen weten hoe een woordkast is opgebouwd. Aantekeningen -Taalin 74 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

20 hl blok 4 gevoel les 6 spreken/luisteren Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren hun stem op verschillende manieren gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 88 en 89 w c1, pagina 42 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen zien hoe Meggie oefent om haar stem op verschillende manieren te gebruiken. Ze noteren in hun schrift hoe ze haar stem gebruikt. Daarna zeggen ze de zin Hoera, ik ben jarig eerst hard en daarna zacht. Ze schrijven op wanneer ze die zin hard of zacht zeggen. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze hun stem op verschillende manieren kunnen gebruiken. Daarbij letten ze op: hard en zacht; hoog en laag; snel en langzaam. Aan de slag De leerlingen lezen achtereenvolgens het verhaal Te laat en het gedicht Reisverslag. Ze kleuren in de teksten de passages waarbij ze hun stem anders gebruiken. Daarna lezen ze de teksten voor. Dan bedenken ze hoe ze hun stem in bepaalde situaties gebruiken en geven hiervan voorbeelden. Ze vertellen elkaar ook nog een spannend verhaal en laten met hun stem horen wanneer het spannend wordt. De luisteraar schrijft op hoe de spreker de spanning laat stijgen. Terug in het taalboek lezen de leerlingen het gedicht Regengebed voor. Hierbij letten ze op hun stemgebruik. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om hun stem hoog en laag, hard en zacht, of snel en langzaam te gebruiken. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten 5, 7, 8, 9 en 10 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 8 kunt u leerlingen naar elkaars voorbeelden laten luisteren. Bij opdracht 9 kunt u meerdere leerlingen aan het woord laten. Laat de anderen bepalen wie het spannendst vertelt. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen hun stem op verschillende manieren gebruiken. Aantekeningen Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 75 -Taalin Sprekershoek Laat leerlingen experimenteren met de effecten van verschillend stemgebruik. d

21 hl blok 4 gevoel les 7 taalbeschouwing Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren dat ze de persoonsvorm op verschillende manieren kunnen vinden. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 90 en 91 w c1, pagina 43 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen ontdekken de drie manieren waarop ze de persoonsvorm kunnen vinden. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze de persoonsvorm kunnen vinden door zinnen vragend te maken, door het onderwerp van getal te veranderen, en door zinnen in een andere tijd te zetten. Aan de slag De leerlingen oefenen met het vinden van de persoonsvorm. Ze maken zinnen vragend en onderstrepen de persoonsvorm. Ze vullen het werkwoord in enkele zinnen in, eerst in de tegenwoordige tijd en daarna in de verleden tijd. Opnieuw onderstrepen ze de persoonsvormen. Terug in het taalboek veranderen de leerlingen het onderwerp van jij in jullie en zoeken op die manier de persoonsvorm. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan op welke manier ze het makkelijkst de persoonsvorm kunnen vinden. Ze kunnen daarbij kiezen uit de drie manieren die in deze les aan de orde zijn geweest. Noteer welke kinderen veel moeite hebben met het vinden van de persoonsvorm. Geef hun gedurende deze week nog een keer apart instructie. Voor veel kinderen is het vragend maken van de zinnen de makkelijkste manier om de persoonsvorm te vinden. Als dit ook voor deze kinderen geldt, moedig hen dan aan om vooral deze strategie te kiezen. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Het is goed om tussentijds na te gaan of zwakkere leerlingen de persoonsvorm op alle drie de manieren kunnen vinden. Wanneer dit niet het geval is, neemt de zinvolheid van de oefeningen af en kunt u er beter voor kiezen gedeelten van deze les met hen begeleid of samenwerkend aan te bieden. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval kunnen sterkere en zwakkere leerlingen het best samenwerken. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 1, 2, 3 en 4 kunt u het best enkele zinnen op het bord behandelen. Probeer dit zo veel mogelijk in de vragende vorm te doen. De leerlingen kunnen dan zelf ontdekken wat de persoonsvorm is, zonder dat dit van tevoren uitgelegd wordt. De oefeningen bij Aan de slag kunt u daarna in tweetallen laten doen. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 76 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

22 hl blok 4 gevoel les 8 schrijven Doelen De leerlingen leren plaatjes zoeken bij een verslagtekst. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 92 en 93 w c1, pagina 44 a c1 extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen bekijken de plaatjes die Erik heeft verzameld voor het verslag over de bruiloft van meester Martijn. Ze noteren wat er op de plaatjes gebeurt. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze bij een verslag plaatjes kunnen gebruiken. Elk plaatje vertelt iets over een bepaald moment. Ook leren ze dat ze bij de keuze van de plaatjes letten op de volgende zaken: Welk moment kies ik? Wat moet er op het plaatje staan? Aan de slag De leerlingen oefenen met het zoeken van plaatjes bij verslagteksten. Ze bekijken bij welke twee momenten in haar verslag Ilse een plaatje heeft getekend en schrijven daar een onderschrift bij. Daarna lezen ze een tekst en noteren ze welk moment op het bijbehorende plaatje te zien is. Ten slotte tekenen de leerlingen twee plaatjes bij een enge droom die ze ooit gehad hebben en schrijven er onderschriften bij. Terug in het taalboek schrijven de leerlingen een verslagtekst, waarbij ze twee plaatjes kiezen. Ze motiveren hun keuze. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om plaatjes te zoeken bij een verslag, en om daar een onderschrift bij te bedenken. Wijs de leerlingen deze week op plaatjes bij verslagteksten. Laat hen ook zelf plaatjes zoeken of bedenken en daarbij de criteria bij Uitleg hanteren. Schrijfmap Laat de leerlingen het verslag van opdracht 7 in hun schrijfmap bewaren. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 6 kunnen de leerlingen elkaar hun droom vertellen en samen de twee momenten kiezen die geschikt zijn om te tekenen. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen discussiëren over de plaatjes en beargumenteren waarom ze voor bepaalde plaatjes kiezen. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 6 kunt u de leerlingen over hun dromen laten vertellen en de andere leerlingen een voorstel laten doen voor de momenten die zij zouden tekenen. Bij opdracht 7 kunt u eerst klassikaal het verslag bedenken. Daarna laat u de leerlingen individueel twee plaatjes kiezen en opschrijven waarom ze deze plaatjes kiezen. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen plaatjes kunnen koppelen aan een verslagtekst. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 77 -Taalin d

23 hl blok 4 gevoel les 9 woordenschat Doelen De leerlingen leren hoe ze een woord kunnen onthouden met andere woorden. De leerlingen leren de betekenis van tien nieuwe woorden. Doelwoorden driftig, het naar je zin hebben, ijverig, in weer en wind, knarsetanden, lange tenen hebben, radeloos, sluw, stotteren, vastbesloten Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 94 en 95 w c1, pagina 45 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over de bende van Bas. Na het lezen zetten ze de gekleurde woorden in een woordparaplu of woordkast. Daarna maken ze een tekening van iemand die radeloos is. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze woorden kunnen onthouden met andere woorden. Bijvoorbeeld: een woordparaplu (met woorden die bij hetzelfde onderwerp horen); een woordkast(met woorden die bij verschillende onderwerpen horen). Aan de slag De leerlingen oefenen met het onthouden van woordbetekenissen. Ze lezen de betekenis van vier woorden en maken daar een woordparaplu of een woordkast mee. Terug in het taalboek lezen ze de betekenis van twee woorden en maken daar een woordparaplu of een woordkast mee. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan wanneer ze liever een woordparaplu maken en wanneer liever een woordkast. Laat de leerlingen de komende week kiezen op welke manier ze belangrijke begrippen uit andere lessen ordenen: in een woordparaplu of in een woordkast. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden, kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met het volgende. Het is goed om tussentijds na te gaan of de leerlingen zelfstandig een woordparaplu en een woordkast kunnen maken. Wanneer dit niet het geval is, neemt de zinvolheid van de oefeningen af en kunt u er beter voor kiezen om gedeelten van de les begeleid aan te bieden. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 6 kunnen de leerlingen ieder een deel van de woordkast maken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 5, 6 en 7 kunt u de woordparaplu of de woordkast samen op het bord maken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen zelfstandig een woordparaplu of een woordkast kunnen maken. Aantekeningen -Taalin 78 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

24 hl blok 4 gevoel les 10 spreken/luisteren Doelen De leerlingen leren letten op hun lichaam. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 96 en 97 w c1, pagina 46 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen zien drie sprekers en letten op hun houding en gebaren. Ze beantwoorden vragen over lichaamstaal. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze bij het spreken letten op: hun houding; hun gebaren. Aan de slag De leerlingen oefenen hun houding en gebaren tijdens het spreken. Ze lezen het verhaal Het feest voor en letten hierbij op hun houding en gebaren. De luisteraar noteert wat hij vindt van de houding en gebaren van de spreker. Vervolgens verdedigt de spreker de stelling Sporten is gezond. De luisteraar kruist aan hoe (met welke lichaamstaal) de spreker zijn mening kenbaar maakt. Dan maken ze een tekening van iemand die zich ongelukkig voelt en een tekening van iemand die zich gelukkig voelt. Terug in het taalboek kiezen de leerlingen een plaatje uit en vertellen erover. De spreker let op zijn houding en gebaren. De luisteraar schrijft op wat hij daarvan vindt. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen iets op over hun eigen houding en gebaren. Ze geven aan of ze er moeite mee hebben, of ze zichzelf (on)handig vinden en of ze iets anders zouden willen doen. Wijs de leerlingen deze week tijdens het spreken op hun houding en gebaren. Sprekershoek Laat leerlingen in de sprekershoek oefenen met hun houding en gebaren tijdens het spreken. Aantekeningen Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten 5, 6 en 8 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 6 kunt u verschillende sprekers aan het woord laten komen. De luisteraars geven steeds aan hoe de spreker duidelijk maakt wat hij vindt. Bij opdracht 8 kunt u verschillende kinderen laten vertellen, zodat beide plaatjes aan de beurt komen. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen op hun houding en gebaren letten tijdens het spreken. Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 79 -Taalin d

25 hl blok 4 gevoel les 11 taalbeschouwing Lesactiviteiten Op verkenning In een aantal voorbeeldzinnen zien de leerlingen hoe van twee zinnen met een verbindingswoord één zin gemaakt kan worden. Ze ontdekken dat de volgorde van de woorden hierbij kan veranderen. Doelen De leerlingen leren verbindingswoorden gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 98 en 99 w c1, pagina 47 a c1 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze met verbindingswoorden van twee zinnen één zin kunnen maken. Ook leren ze dat de woordvolgorde hierbij kan veranderen. Aan de slag De leerlingen oefenen met het maken van samengestelde zinnen. Ze vullen in een aantal samengestelde zinnen de juiste verbindingswoorden in. Ze maken met verbindingswoorden van twee zinnen één zin. Terug in het taalboek zoeken de leerlingen in een aantal samengestelde zinnen het verbindingswoord op. Terugkijken Ter evaluatie lezen de leerlingen drie zinnen over verbindingswoorden en samengestelde zinnen. Ze geven aan welke zin onjuist is. Bij oefeningen met samengestelde zinnen speelt het taalgevoel een belangrijke rol. Kinderen die moeite met samengestelde zinnen hebben, kunnen extra oefenen, bijvoorbeeld door in tijdschriften naar samengestelde zinnen te zoeken. U laat hen dan de gevonden verbindingswoorden opschrijven. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. Bij Op verkenning kunt u zelf enkele extra oefenzinnen bedenken. Ook kunt u de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 80 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

26 hl blok 4 gevoel les 12 schrijven Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren voor verschillende mensen schrijven. Materialen/lesstof basisstof t c1, pagina 100 en 101 w c1, pagina 48 a c1 extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Op verkenning De leerlingen lezen drie teksten over één onderwerp, die bedoeld zijn voor verschillende mensen. Ze bepalen voor wie de teksten zijn bedoeld. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze voor verschillende mensen kunnen schrijven. Bijvoorbeeld: voor kinderen of volwassenen; voor jongens of meisjes; voor mensen die veel of weinig van het onderwerp weten. De leerlingen leren ook dat ze daarbij moeten letten op: wat ze schrijven; hoe moeilijk ze schrijven. Aan de slag De leerlingen oefenen met schrijven voor verschillende mensen. Van een aantal zinnen bepalen ze welke je gebruikt bij een kleuter en welke bij een volwassene. Daarna schrijven ze drie zinnen over gezondheid, waarbij ze rekening houden met hun publiek. Dan maken ze een woordweb met woorden en tekeningen over kinderen en volwassenen. Terug in het taalboek gebruiken ze dat woordweb bij het schrijven van een tekst voor kinderen, en een tekst voor volwassenen. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om voor kleine kinderen, grote kinderen of voor volwassenen te schrijven. Wijs de leerlingen deze week op teksten die voor bepaalde mensen zijn geschreven, bijvoorbeeld advertenties. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 6 kunnen de leerlingen samen het woordweb maken. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen afspreken wie welke tekst schrijft. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4 kunt u leerlingen hun antwoord laten motiveren. Bij opdracht 5 kunt u met de leerlingen meerdere mogelijkheden op het bord zetten. Bij opdracht 6 kunt klassikaal een woordweb op het bord maken. Bij opdracht 7 kunt u de leerlingen individueel twee teksten laten schrijven of dit (gedeeltelijk) klassikaal doen. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Tips Schrijfmap Laat de leerlingen de teksten in hun schrijfmap ordenen. Voor wie zijn de teksten geschreven? Voor henzelf of voor anderen? Voor kinderen of volwassenen? Observatiepunten Controleer of de leerlingen teksten voor verschillende mensen kunnen schrijven. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 81 -Taalin d

27 hl blok 4 gevoel toetstaak Toetsactiviteiten Doel Deze toetstaak meet of de leerlingen kernonderdelen van de in blok 4 aangeboden leerstof beheersen. Materialen basisstof k c, blok 4, blad 1 en 2: toetstaak k c, blok 4, blad 3: registratieblad extra stof Taalmaker Voorbereiding Kopieer voor alle leerlingen de toetstaak (kopieerblad 1 en 2 van blok 4). Kopieer voor uzelf het registratieblad (kopieerblad 3 van blok 4). Zorg ervoor dat de kinderen de toetstaak individueel en zelfstandig maken. Het is belangrijk dat ze ongestoord kunnen werken. 1 Onderdeel: schrijven Doel: De leerlingen kunnen een verslagtekst schrijven. Activiteit: De leerlingen maken een woordweb en schrijven aan de hand daarvan een verslagtekst. 2 Onderdeel: schrijven Doel: De leerlingen kunnen voor verschillende mensen schrijven. Activiteit: Van een aantal gegeven zinnen beoordelen de leerlingen voor wie ze geschreven zijn: voor een volwassene, voor een kind uit groep 6, of voor een kleuter. 3 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen kunnen de persoonsvorm vinden. Activiteit: De leerlingen onderstrepen de persoonsvorm in vijf zinnen. 4 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen kunnen twee zinnen met elkaar verbinden met een verbindingswoord. Ook kunnen ze van een samengestelde zin twee enkelvoudige zinnen maken. Activiteit: De leerlingen maken samengestelde zinnen van twee enkelvoudige zinnen en een verbindingswoord. Ook splitsen ze samengestelde zinnen op in twee enkelvoudige zinnen. 5 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen weten dat ze woorden kunnen onthouden door een woordparaplu te maken. Ze kennen enkele nieuwe woorden. Activiteit: Er zijn enkele woordparaplu s getekend. De leerlingen geven aan welke woorden bij welke paraplu horen. 6 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen weten dat ze woorden kunnen onthouden door een woordkast te maken. Ze kennen enkele nieuwe woorden. Activiteit: Er is een woordkast met drie rijen getekend. De leerlingen geven aan welke woorden bij welke rij horen. Aantekeningen -Taalin 82 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

28 hl blok 4 gevoel toetstaak Antwoorden 1 Bijvoorbeeld: In het woordweb staan de woorden: cadeautjes, speurtocht, friet, spelletjes, cola Organisatie De leerlingen maken de toetstaak individueel en zelfstandig. Het is wel aan te raden om een korte taakinstructie te geven en na te gaan of de leerlingen de opdrachten snappen. Er is geen tijdslimiet voor het afronden van de toetstaak. De kinderen die klaar zijn met de toetstaak, kunnen aan de slag met plustaken uit Taalmaker. Signalering en differentiatie Nadat de leerlingen de toetstaak hebben afgerond, kunt u zelf de resultaten bekijken en registreren op het registratieblad van blok 4. De toetsvragen 1 t/m 4 resulteren elk in een aparte score. Bij opdracht 5 en 6 wordt het aantal items bij elkaar opgeteld en wordt er een gezamenlijke score berekend. Op basis van de adviesnorm kunt u bepalen of het kind de komende lesmomenten aan de slag moet met herhalingslessen of verder kan gaan met plustaken. De adviesnorm staat vermeld op het registratieblad. De herhalingstaken zijn bedoeld voor leerlingen die in onvoldoende mate de doelen van dit blok bereikt hebben. In de herhalingslessen krijgen zij verlengde instructie en begeleide verwerking, waardoor ze alsnog het gewenste beheersingsniveau kunnen bereiken. In principe zijn de vervolgsuggesties bedoeld voor de lesmomenten die op de toetstaak volgen. Daarnaast is het raadzaam kinderen die onvoldoende scoren, meer begeleiding te geven tijdens de basislessen van de komende blokken. U kunt dit doen door (gedeelten van) de lessen voor deze kinderen begeleid aan te bieden. Het verslag kan er als volgt uitzien: Ik ga jullie vertellen wat ik op mijn verjaardagsfeestje heb gedaan. Toen we uit school kwamen, gingen we eerst cola drinken. Daarna deden we een speurtocht door de wijk. Toen we thuiskwamen heeft mama friet gehaald. Voordat iedereen naar huis ging, hebben we nog wat spelletjes gedaan. 2 volwassene kind kleuter kind kleuter volwassene kind volwassene 3 ga plagen zijn kan durf 4 Ik kwam te laat, want ik had de bus gemist. Ik kreeg de schuld, maar hij had het gedaan. Ga je naar buiten of blijf je binnen? Ik gaf hem geen geld. Ik vertrouwde hem niet. Het was al laat. We wilden niet langer wachten. 5 bekvechten gruwelijk triest uitgelaten 6 eerste rij: wantrouwig, er iets achter zoeken, achterdochtig, geen vertrouwen hebben, het niet geloven tweede rij: foeteren, schelden, mopperen, lelijk doen, boos praten derde rij: behoedzaam, voorzichtig, eerst denken dan doen, bedachtzaam, rustig Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 83 -Taalin d

29 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Activiteiten Op basis van de toetsresultaten gaan kinderen de komende lessen aan de slag met herhalingstaken en/of plustaken. De leerlingen die onvoldoende scoorden op onderdelen van de toetstaak, gaan herhalingstaken maken. De leerlingen die dit niet nodig hebben, gaan zelfstandig aan de slag met de plustaken. De adviesnorm die hoort bij de toetsopdrachten, vindt u op het registratieformulier bij de toetstaak. De onderstaande voortgangsplanner helpt u de vervolgactiviteiten te bepalen. Voortgangsplanner week 4 blok 4 Toetsopdrachten Resultaat Vervolgactiviteit Opdracht 1 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 1 Opdracht 2 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 2 Opdracht 3 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 3 Opdracht 4 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 4 Opdracht 5 en 6 -> Onvoldoende Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en/of 6 -> (Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen, herhaling doelwoorden uit blok) -> Voldoende of goed -> Plustaken Taalmaker -> Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen (extra doelwoorden) Herhalingstaken De herhalingstaken kunnen remediërend ingezet worden en bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De kinderen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij, op onderdelen, te begeleiden. Door gerichte mondelinge interactie is de kans groter dat ze de doelen van het blok alsnog bereiken. Herhalingstaak 1: schrijven Doel De leerlingen kunnen een verslagtekst schrijven. Materialen Kopieerblad 4 van blok 4: herhalingstaak 1 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 4 van blok 4 (herhalingstaak 1) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 1. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u samen een verslag schrijven over een onderwerp als mijn droomvakantie of het schoolreisje. Maak eerst een woordweb. De leerlingen mogen zeggen welke woorden hierin komen te staan. Vervolgens bedenkt u samen met hen een inleiding. Ten slotte maakt u samen een verslag aan de hand van het woordweb. Niet alle woorden uit het woordweb hoeven in het verslag voor te komen. Aan de slag Bij opdracht 1 maken de leerlingen een woordweb over een favoriet tv-programma. Vervolgens schrijven ze een inleidende zin en maken ze met behulp van het woordweb een verslag. Bij opdracht 2 lezen ze het verslag van hun buur. Samen bespreken ze wat goed is en wat beter kan. Antwoorden kopieerblad 4 1 Bijvoorbeeld: Woordweb jeugdjournaal: nieuws, oorlogen, regering, grappige gebeurtenissen, weer Verslag: Inleiding: Wil je kunnen meepraten over wat er in de wereld gebeurt? Dan moet je naar het jeugdjournaal kijken. Stap 1: Je hoort waar er oorlogen zijn. Stap 2: Je ziet welke plannen de Nederlandse regering heeft. Stap 3: Ook vertellen ze je vaak over grappige gebeurtenissen. Stap 4: Aan het einde hoor je altijd het weerbericht. -Taalin Alle toetsopdrachten 84 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

30 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Herhalingstaak 2: schrijven Doel De leerlingen kunnen voor verschillende mensen schrijven. Materialen Kopieerblad 5 van blok 4: herhalingstaak 2 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 5 van blok 4 (herhalingstaak 2) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 2. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele teksten voorlezen, bijvoorbeeld uit een kookboek, uit een encyclopedie, uit uw eigen vakliteratuur, uit een jeugdtijdschrift en uit een prentenboek voor kleuters. U bespreekt met de leerlingen voor wie deze teksten geschreven zijn. Laat de leerlingen zo mogelijk niet alleen leeftijden noemen, maar ook bijvoorbeeld beroepsgroepen of hobby s. Aan de slag Bij opdracht 1 bepalen de leerlingen van enkele teksten de doelgroep. Bij opdracht 2 veranderen ze een tekst die voor volwassenen geschreven is in een tekst die kleuters als doelgroep heeft. Antwoorden kopieerblad 5 1 c-b-a 2 Bijvoorbeeld: De zeehond leeft aan de kust. Hij kan wel twee meter lang worden. Hij eet vissen en andere dieren uit de zee. Een zeehond kan meer dan vijf minuten onder water blijven. Daarna komt hij naar boven om adem te halen. Herhalingstaak 3: taalbeschouwing Doel De leerlingen kunnen de persoonsvorm vinden. Materialen Kopieerblad 6 van blok 4: herhalingstaak 3 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 6 van blok 4 (herhalingstaak 3) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 3. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele zinnen behandelen. Schrijf bijvoorbeeld de volgende zinnen op het bord. Lotte heeft een horloge gekregen. Ik ga een eindje fietsen. Laat bij elke zin zien dat de persoonsvorm op drie manieren te vinden is: a. door de zin vragend te maken; b. door de zin in een andere tijd te zetten; c. door het onderwerp in het meervoud/enkelvoud te zetten. Zeg tegen de kinderen dat ze de methode moeten gebruiken die ze het makkelijkst vinden. Voor veel kinderen zal dit methode a zijn. Aan de slag Bij opdracht 1 zoeken de leerlingen naar de persoonsvorm door zinnen vragend te maken. Bij opdracht 2 doen ze dat door in zinnen het onderwerp van meervoud naar enkelvoud te veranderen. Ten slotte gaan ze bij opdracht 3 op zoek naar de persoonsvorm door zinnen in een andere tijd te zetten. Antwoorden kopieerblad 6 1 Denk ik aan mijn vriendin? Is mijn moeder bij oma geweest? Durft Jaconda niet te springen? In de vraagzin staat de persoonsvorm wel/niet vooraan in de zin. 2 Mijn vriend gaat morgen verhuizen. De tulp zal morgen gaan bloeien. Het werkwoord dat verandert als het onderwerp verandert, is wel/niet de persoonsvorm. 3 Ik wilde het niet weten. Mijn broer had het je verteld. Het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet, is wel/niet de persoonsvorm. Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 85 -Taalin d

31 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Herhalingstaak 4: taalbeschouwing Doel De leerlingen kunnen twee zinnen met elkaar verbinden met een verbindingswoord. Ook kunnen ze van een samengestelde zin twee enkelvoudige zinnen maken. Materialen Kopieerblad 7 van blok 4: herhalingstaak 4 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 7 van blok 4 (herhalingstaak 4) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 4. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u twee zinnen behandelen. Schrijf bijvoorbeeld het volgende op het bord. daardoor Ik stootte mijn been. Ik heb een blauwe plek. Ik stootte mijn been, daardoor heb ik een blauwe plek. Behandel ook een zin waarin het verbindingswoord vooraan komt te staan. Zet bijvoorbeeld het volgende op het bord. omdat De juf was jarig. We vierden feest. Omdat de juf jarig was, vierden we feest. Aan de slag In opdracht 1 vullen de leerlingen een aantal verbindingswoorden in. In opdracht 2 maken ze van twee enkelvoudige zinnen een samengestelde zin. De te gebruiken verbindingswoorden zijn gegeven. Antwoorden kopieerblad 7 1 Ik hoop dat hij komt. Je mag pas gaan spelen, nadat je je kamer opgeruimd hebt. Doe je jas aan, voordat je naar buiten gaat. Omdat Ferry boos was, smeet hij de deur dicht. Floortje zat zachtjes te zingen, terwijl ze tekende. 2 Ik zeg het tegen de juf als je mijn pen niet teruggeeft. Ik wil het geheim wel vertellen, maar ik ben bang dat je het doorvertelt. Ik geloof je niet, want je hebt me al vaker leugens verteld. Onze club speelde heel goed, daarom wonnen wij de wedstrijd. Herhalingstaak 5: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 4. Materialen Woordkenner (leerspel) Voorbereiding Leg de stukken van het spelbord op de juiste manier tegen elkaar aan zodat het één geheel wordt. Op basis van de resultaten op het onderdeel woordenschat van de toetstaak (zie het registratieblad bij de toetstaak) formeert u een groepje met leerlingen die onvoldoende scoorden. U selecteert op basis van de resultaten op de toetstaak ook de doelwoorden die u met het groepje kinderen nog extra wilt gaan oefenen. U kunt hierbij gebruikmaken van het doelwoordenoverzicht (zie pagina 86 en de toelichting bij Woordkenner). U doet dit door deze woorden op de blanco woordkaartjes te schrijven. Voorkom dat het aantal nog te oefenen doelwoorden te groot wordt. De kwaliteit van de oefening gaat boven de hoeveelheid woorden die aan bod komt. Vier tot acht woorden is een geschikt aantal om mee aan de slag te gaan. Werkwijze In principe is deze herhalingstaak een begeleide activiteit waarbij u samen met de leerlingen die de woorden van dit blok nog niet beheersen, de betekenis van de woorden gaat bespreken en activiteiten gaat doen opdat ze deze beter kunnen onthouden. U maakt hierbij gebruik van het leerspel Woordkenner. Indien noodzakelijk kunnen de leerlingen, als ze eenmaal vertrouwd zijn met de werkvorm, de activiteit ook zelfstandig uitvoeren. Wanneer de groep leerlingen waarmee u de activiteiten uit wilt voeren te groot is, kunt u er ook voor kiezen het spelbord deze keer niet te gebruiken en de te oefenen doelwoorden op het bord te schrijven. In dat geval kunnen de leerlingen toch gebruikmaken van het kopieerblad uit Woordkenner. U groepeert de leerlingen rondom het spelbord. U legt het stapeltje beschreven woordkaartjes boven het spelbord. Vervolgens pakt u het eerste woordkaartje, voorziet het van de steuntjes zodat het rechtop kan staan en plaatst het geheel in het startvak. Indien u bepaalde woorden in een context wilt aanbieden, kunt u daarvoor de beschrijfbare hulpboot gebruiken. Nadat de startopdracht (opdracht 1) is gedaan, wordt de boot verplaatst naar de volgende aanlegsteiger. Hier wordt opdracht 2 gedaan, waarna de vaartocht naar de derde steiger plaatsvindt. De woordboot vaart zo om het eiland en legt aan bij alle aanlegsteigers. Bij iedere steiger doen de leerlingen een activiteit met het woord. De activiteiten leiden ertoe dat de kinderen het doelwoord gaan kennen én de woordleer- en woordonthoudvaardigheden die ze in de lessen hebben geleerd, toepassen. De leerlingen voeren de activiteiten uit op het kopieerblad. -Taalin 86 Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 d

32 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Als de woordboot helemaal om het eiland is gevaren, zet deze weer koers naar het vasteland. Hier wordt het woord nog eens gecontroleerd en vervolgens wordt het kaartje naast het spelbord gelegd. Vanaf het startpunt vertrekt het volgende woord. Hiermee voeren de leerlingen dezelfde activiteiten uit. Het spel is afgelopen op het moment dat alle woorden aan de orde zijn gekomen. Het werken met Woordkenner levert een belangrijke bijdrage aan de vergroting van de woordenschat van de leerlingen. U moet zich daarbij wel realiseren dat het belangrijk is de woorden gedurende de week een aantal keren te herhalen, zodat de kinderen zich de betekenis ook blijvend eigen maken. Hierbij kan ook herhalingstaak 6 een belangrijke rol spelen, waarbij kinderen de woorden oefenen met een computerprogramma. Meer informatie over Woordkenner vindt u in de toelichting in de speldoos. Herhalingstaak 6: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 4. De leerlingen oefenen de extra woorden van blok 4. Materialen Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Werkwijze Met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen kunnen de leerlingen de doelwoorden die ze nog niet kennen verder oefenen. Het programma bevat tachtig doelwoorden per blok. In eerste instantie gaan de leerlingen aan de slag met de doelwoorden die ook in de taallessen aan de orde zijn geweest. Ze maken een ordening in woorden die ze kennen en woorden die ze nog niet kennen. Met de laatste gaan ze intensief oefenen, waarbij tussendoor ook gecheckt wordt of ze de woorden die ze zeggen te kennen, ook inderdaad beheersen. Is dit niet het geval, dan worden deze woorden toegevoegd aan de oefeningen. Uiteindelijk worden op deze manier alle doelwoorden van het blok nogmaals gecontroleerd en, indien nodig, geoefend. Als kinderen de doelwoorden uit het blok beheersen, gaan ze vanzelf verder met de extra woorden. De overgang van de herhalingstaak naar de plustaak is dus probleemloos geregeld vanuit de software. Doelwoorden blok 4 bedachtzaam zich beheersen bekvechten chagrijnig driftig zich ergeren foeteren goedaardig gruwelijk het naar je zin hebben iemand de huid vol schelden ijverig in weer en wind knarsetanden kwaadaardig lange tenen hebben radeloos sidderen sluw stotteren stampvoeten triest uitgelaten vastbesloten venijnig verrukt vrezen waardeloos wanhopig wantrouwig Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal/ Lezen vindt u in de handleiding bij de cd-rom. Taal in beeld - jaargroep 6 - handleiding c1 87 -Taalin d

33 taalboek C1 2

34

35 Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Wat heb je nodig? Wat moet je doen? Taalboek c1 Werkboek c1 Schrift Pak je taalboek. Lees wat je gaat doen in de les. Begin bij 1. Volg de nummers door de les. Staat achter een cijfer een S? Schrijf het antwoord in je schrift. Staat achter een cijfer een W? Schrijf het antwoord in je werkboek. Ben je klaar? Maak dan de extra opdracht.

36 Zwijsen Taal in beeld Taalboek B1 taalboek c1 Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Ingeborg Hendriks Maril Rijks Jos Cöp Kom je tekens tegen? Doe dan dit. s Schrijf het antwoord in je schrift. w Schrijf het antwoord in je werkboek. Doe de opdracht met je buur. Spreek samen af wie de spreker is. Spreek samen af wie de luisteraar is.» Extra opdracht. Deze opdracht maak je als je tijd hebt.

37 t blok 4 gevoel les 1 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden met een woordparaplu. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal over de bende van Bas. Let op welke woorden bij het gekleurde woord horen. In de krant We staan in de krant! roept Freek. Hij rent het schoolplein op. Riekje, Yu Lin en Kariem staan in een hoekje bij elkaar. Sstt! roepen ze. Gelukkig heeft niemand anders het gehoord. Zullen we tussen de ouders van groep 1 en 2 gaan staan? zegt Yu Lin. Misschien praten ze er wel over. Met zijn drieën lopen ze naar de ingang van de school. Daar staat een grote groep ouders die hun kinderen naar school hebben gebracht. Riekje, Yu Lin, Kariem en Freek spitsen hun oren. Heb je het ook gelezen in de krant? zegt een moeder. Verschrikkelijk toch? Ja, zegt een vader. Afgrijselijk. Vreselijk! Ontzettend! Om van te rillen, roepen andere ouders. In één woord: gruwelijk! Goed zo, fluistert Freek. Nu wordt er tenminste over gepraat. Maar Riekje schudt haar hoofd. Wat vinden de ouders gruwelijk, verschrikkelijk, afgrijselijk, vreselijk, ontzettend, om van te rillen? Misschien hebben ze het wel over een oorlog, ergens in de wereld. Dat moet ze eerst te weten zien te komen. Verschrikkelijk! Afgrijselijk! Ontzettend! In één woord: gruwelijk! Vreselijk! Om van te rillen! 2 s Welke woorden horen bij het gekleurde woord? Teken een woordparaplu en schrijf ze eronder. Doe het zo: gruwelijk 3 s Maak een zin met het gekleurde woord. Schrijf die in je schrift. Maak er een tekening bij. 78

38 Uitleg Woorden kun je onthouden met een woordparaplu. In een woordparaplu staan: - woorden die hetzelfde betekenen - woorden die uitleg geven vervoer auto trein raket uitgelaten blij vrolijk gelukkig plezier dansen lachen Aan de slag 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees hoe het verhaal over de bende van Bas verdergaat. Riekje luistert naar een dikke mevrouw. Ik vind het helemaal niet erg dat mijn zoontje straks naar een andere school gaat. Een nieuwe school is toch veel leuker? Hij was helemaal verrukt toen ik het hem vertelde. Hij was zo blij, zo gelukkig, zo uitgelaten. Mijn zoontje niet, zegt een andere mevrouw. Die begon meteen te huilen. Ik vind het een waardeloos idee. Riekje schuifelt tussen de ouders door naar de andere kinderen. Ze knikt met haar hoofd. Ze weet genoeg. Het plan is gelukt. Maak twee woordparaplu s met de gekleurde woorden. 8 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zin op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Schrijf er zelf een zin bij. Terugkijken Ik vind het moeilijk/makkelijk om een woordparaplu te maken.» s Wat vind je het allerleukst om te doen? Schrijf dat op en maak een woordparaplu. Wat vind je het vervelendst om te doen? Maak daar ook een woordparaplu mee. 79

39 t blok 4 gevoel les 2 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert wanneer je tijdens het spreken iemand aankijkt. 1 Op verkenning Vier kinderen spreken. Let op wanneer ze de luisteraar aankijken. De kinderen lopen al uren rond als opeens! Mikpunt Wat je zegt, dat ben je zelf. Schelden doet geen pijn. Toch is er niet veel ergers dan het mikpunt zijn. Als je luchtbelletjes in het water ziet, heb je het gaatje gevonden. Kijk, hier zit de schurk! Dat moeten we niet doen. Dan gebeurt er hetzelfde als de vorige keer. Wat gebeurde er dan? 2 s 3 s Waarom kijken de kinderen de luisteraars aan? Schrijf de namen op. Schrijf de goede zin erachter. Doe het zo: Willem: Marjon: Isa: Kas: Wanneer kijk jij de luisteraar aan als je spreekt? Schrijf het op. Omdat ze iets wil laten zien. Omdat hij een vraag stelt. Omdat hij het spannend wil maken. Omdat ze iets belangrijks zegt. 80

40 Uitleg Tijdens het spreken kun je de luisteraar aankijken. Bijvoorbeeld: - wanneer je iets duidelijk wilt maken - wanneer je het spannend wilt maken - wanneer je iets wilt vragen - wanneer de luisteraar iets vraagt Aan de slag 4 7 w 8 Maak de opdrachten in je werkboek. Voer een gesprek over een sport. Vertel wat je weet en wat je vindt. Denk na over wanneer je de luisteraar aankijkt. Kijkt de spreker je wel of niet aan? Wanneer? Vind je dat prettig of vervelend? Schrijf het op. 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zin op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Schrijf er zelf een zin bij. Terugkijken Ik vind het eng/niet eng om de luisteraar aan te kijken.» s Schrijf op wanneer je het prettig vindt dat iemand je aankijkt. Schrijf ook op wanneer je dat niet prettig vindt. Maak twee rijtjes. Schrijf boven één rijtje prettig. Schrijf boven het andere rijtje niet prettig. 81

41 t blok 4 gevoel les 3 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert hoe je een persoonsvorm kunt vinden. 1 s Op verkenning Lees wat Jasper heeft geschreven. Ik lach om de grap. Anna lacht om de grap. De kinderen lachen om de grap. Schrijf het onderwerp en de persoonsvorm van de zinnen in je schrift. Waarom heeft de persoonsvorm in de drie zinnen telkens een andere vorm? Schrijf het op. 2 s Lees de twee zinnen. 1. Mama heeft mij geholpen. Beantwoord de vragen. a. Hoeveel werkwoorden staan er in zin 1? b. Hoeveel werkwoorden staan er in zin 2? c. Wat is het onderwerp in zin 1? d. Wat is het onderwerp in zin 2? e. Welk werkwoord krijgt in zin 2 een andere vorm? f. Welk werkwoord is in zin 1 de persoonsvorm? g. Welk werkwoord is in zin 2 de persoonsvorm? 2. Papa en mama hebben mij geholpen. 3 s Daan en Milou hebben opdracht 1 en 2 ook gemaakt. Lees maar wat ze erover zeggen. Wie heeft gelijk? Daan, Milou of allebei? Schrijf het op. Nu snap ik het! Als het onderwerp verandert, wordt ook de persoonsvorm anders. Dat is handig. Zoek je de persoonsvorm, dan maak je van het onderwerp meervoud. Het werkwoord dat dan ook verandert, is de persoonsvorm. 82

42 Uitleg Soms staan er in een zin meer werkwoorden. Maar er kan maar één werkwoord de persoonsvorm zijn. Dat is het werkwoord dat verandert als het onderwerp verandert. Ik lach. Wij lachen. De persoonsvorm verandert als het onderwerp verandert. Aan de slag 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. In de zinnen hiernaast is ik steeds het onderwerp. Verander ik in wij. Schrijf de nieuwe zinnen in je schrift. Welk woord is er, behalve ik, nog meer veranderd? Dat woord is de persoonsvorm. Zet daar in je schrift telkens een streep onder. Ik lust geen spruitjes. Ik kan geen hap eten. Moet ik alles opeten? Ik heb patat met appelmoes gegeten. 8 s Wat heb je geleerd? Kies de zin die bij jou past en schrijf hem op. Ik vind het moeilijk om de persoonsvorm te vinden. Ik vind het makkelijk om de persoonsvorm te vinden. Terugkijken» s Hier zie je drie onderwerpen en drie persoonsvormen. Zoek de goede persoonsvorm bij het onderwerp. Maak er een zin mee. legt ik kwek en kwak Klaartje spelen lig 83

43 t blok 4 gevoel les 4 schrijven Wat ga je doen? Je leert een verslagtekst schrijven. Op verkenning 1 Meester Martijn is vrijdag getrouwd. Erik schrijft over de bruiloft. Let op hoe hij dat doet. De bruiloft Vrijdag is meester Martijn getrouwd. Lees er alles over. Meester Martijn is vrijdag getrouwd. Zijn bruid droeg een witte trouwjurk. Ook had ze een boeketje bloemen bij zich. De kinderen van groep 6 hebben een lied gezongen. Meester Martijn is getrouwd op het gemeentehuis. Maar het feest was ergens anders. Het bruidspaar kreeg veel cadeautjes. 2 s Hoe schrijft Erik een verslag van de bruiloft? Zoek de goede woorden bij elkaar en schrijf de zinnen op. Eerst Daarna Ten slotte schrijft hij een inleiding. maakt hij een woordweb. schrijft hij stap voor stap wat er is gebeurd. 3 s Lees het verslag van Erik. Wat zou jij er nog meer in zetten? Schrijf het op. Kijk naar het woordweb. 84

44 Uitleg In een verslag vertelt iemand wat er is gebeurd. Bijvoorbeeld via de radio, de tv of een krant. Een verslag op papier heet een verslagtekst. In een verslagtekst staat stap voor stap wat er is gebeurd. Dit doe je als je een verslagtekst schrijft: - eerst maak je een woordweb - daarna schrijf je een inleiding - ten slotte schrijf je stap voor stap op wat er gebeurt of gebeurd is slingers disco Discofeest De bovenbouw van basisschool De Edelsteen heeft een groot discofeest gehad. Het was erg gezellig. Woensdag werd de hal van De Edelsteen omgebouwd tot een echte disco. Er hingen slingers en gekleurde lampen. Van zeven tot half negen werd er volop gedanst op vrolijke muziek. Ook de meesters en juffen waren van de partij. Het feest was volgens de bezoekers een groot succes! cadeautjes vrolijk feest verkleed gekleurde lampen muziek dansen Aan de slag 4 8 w 9 s Maak de opdrachten in je werkboek. Kies een onderwerp. Maak er een verslag over. Maak eerst een woordweb. Schrijf daarna de titel en de inleiding. Ten slotte schrijf je het verslag. Een fijne dag Ruzie op het schoolplein De eerste prijs De verhuizing 10 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zin in je schrift. Kies uit de schuingedrukte woorden. Schrijf er zelf een zin bij. Ik vind het moeilijk/makkelijk om een verslagtekst te schrijven. Terugkijken» s Schrijf een verslag over een race tussen twee slakken. Maak het spannend. Doe alsof het nu gebeurt. 85

45 t blok 4 gevoel les 5 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden met een woordkast. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal over de bende van Bas. Let op wat de ouders over de nieuwe en de oude school zeggen. De ouderavond Bas mag mee met zijn ouders. Ze gaan praten over de school. Samen met andere ouders. Op het schoolplein ziet Bas de ouders van Freek. Freek zelf is er niet bij. Gelukkig maar, anders zou hij misschien alles verraden. Sommige ouders willen graag een nieuwe school. Andere ouders willen liever de oude school. Bas luistert naar wat de ouders zeggen. Een nieuwe school kost veel geld. Ja, maar daar krijg je ook een nieuw gebouw voor. De oude school is gezellig. Ja, maar er is te weinig ruimte. De nieuwe school krijgt een gymlokaal. De oude school staat midden in de buurt. Rond de oude school is veel verkeer. Bij de nieuwe school komen stoplichten. En zo praten ze nog een uur door. Bas probeert te luisteren, maar zijn hoofd zakt langzaam naar beneden. Terwijl de ouders aan het praten zijn over de oude en de nieuwe school, valt Bas in slaap. 2 s Teken de woordkast in je schrift. Schrijf in de linkerrij woorden uit de tekst die bij de oude school horen. Schrijf in de rechterrij woorden die bij de nieuwe school horen. Kijk naar het voorbeeld. oude school gezellig nieuwe school veel geld 3 s Bedenk zelf nog drie woorden bij de oude en de nieuwe school. Schrijf ze in de juiste rijen. 86

46 Uitleg Woorden kun je onthouden met een woordkast. Een woordkast bestaat uit twee of meer rijen. In elke rij staan woorden die bij elkaar horen. chagrijnig slechte zin boos knorrig mopperen venijnig gemeen vals akelig naar Aan de slag 4 5 w 6 s Maak de opdrachten in je werkboek. Teken een woordkast over prettig en niet prettig. Schrijf in iedere rij vier woorden. prettig niet prettig 7 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zin op. Kies het schuingedrukte woord dat bij jou past. Schrijf er zelf nog een zin bij. Ik vind het makkelijk/moeilijk om een woordkast te maken. Terugkijken» s Teken een woordkast met drie rijen. Bedenk zelf de woorden. 87

47 t blok 4 gevoel les 6 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert je stem op verschillende manieren gebruiken. 1 Op verkenning Meggie oefent hoe ze haar stem op verschillende manieren kan gebruiken. Let op hoe ze haar stem gebruikt. Als ik met een bromstem zeg: Kom maar op met die spinnen, klinkt het stoer. Maar als ik het met een piepstemmetje zeg, klinkt het bang. Dat is grappig! a Als ik bang ben voor de boeven, fluister ik: Sst! Straks horen ze ons nog. Maar als de agenten ze gepakt hebben, roep ik hard: HANDEN OMHOOG! b Ik speel de trage schildpad. Dan moet ik heel rustig spreken. c Maar als ik de snelle mier speel, moet ik heel snel praten. 2 s Schrijf de letters op. Schrijf erachter hoe Meggie haar stem gebruikt. Kies uit: hard en zacht - hoog en laag - snel en langzaam. 3 s Zeg de zin: Hoera, ik ben jarig. Doe het eerst hard en daarna zacht. Wanneer zeg je het hard? En wanneer zacht? Schrijf het op. 88

48 Uitleg Je kunt je stem op verschillende manieren gebruiken. Je let op: - hard en zacht - hoog en laag - snel en langzaam Ik snel? Dan moet je mijn neefjes eens zien! En niet te vergeten mijn tante Wat ben jij snel! Aan de slag 4 9 w 10 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees het gedicht Regengebed voor. Let op hoe je je stem gebruikt. Gebruikt de spreker zijn stem op verschillende manieren? Wanneer gebruikt hij hard en zacht? Wanneer hoog en laag? Wanneer snel en langzaam? Schrijf het op. Regengebed God, of wie ook zorgt voor regen, kan het s morgens pas beginnen na de klok van kwart voor negen? Anders moet ik dus dat pak aan, oh dat vreselijke pak waarin ik me goed voor gek voel staan. En t heeft geen zin om onderweg in de regen te gaan stoppen. Word ik nat, dan heb ik pech. Goed, ik zit op school te plakken. Maar dat zit de hele klas want iedereen haat regenpakken. 11 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zinnen op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Terugkijken Ik vind het moeilijk/makkelijk om mijn stem hoog en laag te gebruiken. Ik vind het moeilijk/makkelijk om mijn stem hard en zacht te gebruiken. Ik vind het moeilijk/makkelijk om mijn stem snel en langzaam te gebruiken.» s Maak een strip over twee mannetjes die hun stem op verschillende manieren gebruiken. Laat zien wanneer ze hard, zacht, hoog, laag, snel of langzaam spreken. 89

49 t blok 4 gevoel les 7 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert dat je de persoonsvorm op verschillende manieren kunt vinden. 1 s Op verkenning Lees de zinnen. Schrijf de letters op en zet de persoonsvorm erachter. a. Vrolijk kwam hij de kamer binnen. b. Kwam hij vrolijk de kamer binnen? c. Hij laat zijn nieuwe fiets zien. d. Laat hij zijn nieuwe fiets zien? Wie heeft gelijk? Jelle, Lisa of allebei? Zin b en d zijn vraagzinnen. Als je zinnen vragend maakt, staat de persoonsvorm achteraan in de zin. 2 s Lees de zinnen en beantwoord de vragen. 1. Ik ben bang. 2. Wij zijn bang. 3. Saïd gaat verhuizen. 4. Saïd en Lex gaan verhuizen. 3 s a. Bestaat het onderwerp in zin 1 en 3 uit één of uit meer personen? b. Bestaat het onderwerp in zin 2 en 4 uit één of meer personen? c. Het onderwerp in deze zinnen is veranderd van één in meer. Is de persoonsvorm ook veranderd? Lees de zinnen en beantwoord de vragen. 1. Vandaag komt mijn neef. 2. Gisteren kwam mijn neef. a. In welke tijd staat zin 1? b. In welke tijd staat zin 2? c. Blijft de persoonsvorm hetzelfde als je de zin in een andere tijd zet? 4 s Klopt het wat Lisa zegt? Schrijf het op. Je kunt op drie manieren de persoonsvorm vinden. Door het onderwerp van één naar meer te veranderen. Door de zin vragend te maken. En door de zin van tijd te laten veranderen. 90

50 Uitleg Een persoonsvorm kun je op drie manieren vinden. - De persoonsvorm komt in de vraagzin vooraan. - De persoonsvorm verandert als het onderwerp verandert van één in meer. - De persoonsvorm verandert als je de zin in een andere tijd zet. Aisha komt bij me spelen. Komt Aisha bij je spelen? Ik ben blij. Wij zijn blij. Vandaag heb ik geluk. Gisteren had ik geluk. Aan de slag 5 8 w 9 s Maak de opdrachten in je werkboek. In de zinnen hiernaast is jij steeds het onderwerp. Verander het in jullie. Schrijf de nieuwe zinnen in je schrift. Welk woord is ook veranderd? Dat woord is de persoonsvorm. Zet daar telkens een streep onder. Jij vertelt veel grappen. Kun jij goed moppen onthouden? Moet jij hard om die moppen lachen? Jij vindt moppen vaak flauw. 10 s Wat heb je geleerd? Schrijf op wat jij het makkelijkst vindt. Terugkijken De persoonsvorm zoeken door de zin in een andere tijd te zetten. De persoonsvorm zoeken door het onderwerp te veranderen. De persoonsvorm zoeken door van de zin een vraagzin te maken.» s Schrijf een mop op. Onderstreep in de mop de persoonsvormen. 91

51 t blok 4 gevoel les 8 schrijven Wat ga je doen? Je leert plaatjes zoeken bij een verslagtekst. Op verkenning 1 Erik heeft een verslag van de bruiloft van meester Martijn geschreven. Nu zoekt hij plaatjes die erbij passen. Kijk naar de plaatjes die hij heeft verzameld. b a c e d 2 s 3 s Wat voor soort plaatjes heeft Erik verzameld? Schrijf dat op. Schrijf de letters van de plaatjes op. Schrijf erachter wat er gebeurt. 92

52 Uitleg Bij een verslag kun je plaatjes gebruiken. Elk plaatje vertelt iets over een bepaald moment. In het bijschrift staat wat er op dat moment gebeurt. Bij je keuze van de plaatjes let je op: - welk moment kies ik? - wat moet er op het plaatje staan? Marianne Timmer op weg naar de finish. Schaatsen Bij de Olympische Spelen in 2006 in Turijn heeft Marianne Timmer goud gewonnen op de duizend meter. Ze was hiermee heel erg blij. De wedstrijd was tot de laatste seconde spannend. Goud voor Marianne Timmer! Aan de slag 4 6 w 7 s a Maak de opdrachten in je werkboek. Schrijf een verslag met de titel Groep 6 maakt oude mensen blij. Kies er twee plaatjes bij. Schrijf op waarom je deze twee plaatjes hebt gekozen. b c d 8 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zinnen in je schrift. Kies uit de schuingedrukte woorden. Terugkijken Ik vind het moeilijk/makkelijk om plaatjes te kiezen bij een verslag. Ik vind het moeilijk/makkelijk om een bijschrift bij een plaatje te schrijven.» s Schrijf een verslag over je verjaardag. Teken of zoek er drie plaatjes bij. Bij welk moment horen ze? Schrijf er ook bijschriften bij. 93

53 t blok 4 gevoel les 9 woordenschat Wat ga je doen? Je leert hoe je een woord met andere woorden kunt onthouden. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal over de bende van Bas. Let op de gekleurde woorden. De droom van Bas Bas droomt weer over de sprinkhanen. Waarom heb je ons op de spotprent gezet? zeggen ze venijnig. Vooruit, zeg op! Waarom? Jullie willen ons wegjagen, roept Bas. Maar ik wil niet naar een nieuwe school! Ineens is het stil in de hal van de school. Bas schrikt wakker. Alle ouders kijken naar hem. Hij krijgt een rood hoofd. Oei, nu heeft hij het zelf verraden. Wat nu? Hij is helemaal radeloos, wanhopig. Wat moet hij doen? Waarom kijkt iedereen hem zo vreemd aan? Dan staat een van de ouders op. Wij praten als ouders over de school voor onze kinderen, zegt hij. Maar weten we wel wat die kinderen zelf willen? Laten we het ook eens aan de kinderen vragen. Dat vinden alle ouders een goed idee. Ze vragen aan de directeur van de school of hij volgende week kan vertellen hoe de kinderen erover denken. Enkele ouders komen Bas een hand geven. Ze zijn blij dat hij wat gezegd heeft. Het klonk heel vastbesloten. Alsof hij precies wist wat hij wilde. Bas glundert. Ze moesten eens weten! Jullie willen ons wegjagen! 2 s 3 s De woorden radeloos en vastbesloten kun je onthouden met een woordparaplu of een woordkast. Welke manier zou jij kiezen? Teken de woordparaplu of de woordkast in je schrift. Maak een tekening van iemand die radeloos is. 94

54 Uitleg De betekenis van een woord kun je onthouden met andere woorden. Bijvoorbeeld: - een woordparaplu met woorden die bij hetzelfde onderwerp horen - een woordkast met woorden die bij verschillende onderwerpen horen in weer en wind altijd regen storm slecht weer ijverig goed hard werken druk bezig lui geen zin niets doen slaperig Aan de slag 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees eerst wat de woorden betekenen. Kies daarna een woord. Hoe zou jij dat onthouden? Met een woordparaplu of met een woordkast? Maak die in je schrift. lange tenen hebben = als je gauw vindt dat iemand iets zegt wat niet leuk is sluw = slim en gemeen 9 s Wat heb je geleerd? Wanneer kies je een woordparaplu? Wanneer kies je een woordkast? Schrijf de zinnen over en maak ze af. Ik kies een woordparaplu als Terugkijken Ik kies een woordkast als» s Kies een woord over gevoel. Maak er een woordparaplu mee. 95

55 t blok 4 gevoel les 10 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert te letten op je lichaam. Op verkenning 1 Drie kinderen spreken. Let op hun lichaam. Ik heb weleens zóóó n vis gevangen. Ik ben erg blij met de tweede prijs. Ik houd mijn spreekbeurt over de indianen. 2 s 3 s 4 s Wat doet Rob om aan te geven hoe groot de vis was? Schrijf het op. Wat vind Ilka ervan dat ze de tweede prijs heeft gewonnen? Hoe weet je dat? Schrijf het op. Youri praat heel zacht. Waarom is dat, denk je? Schrijf het op. 96

56 Uitleg Bij het spreken let je op: - je houding - je gebaren Aan de slag 5 7 w Maak de opdrachten in je werkboek. 8 s Bekijk de plaatjes. Kies er één en vertel erover. Let op je houding en je gebaren. Wat vind je van de houding en de gebaren van de spreker? Schrijf dat in je schrift. 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf iets op over je eigen houding en gebaren. Heb je er moeite mee? Voel jij je onhandig of juist niet? Zou je het anders willen? Terugkijken» s Na het journaal komt het weerbericht op tv. Teken een weerman die vertelt dat er prachtig weer op komst is. Hoe is zijn houding? Welke gebaren maakt hij? 97

57 t blok 4 gevoel les 11 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert verbindingswoorden gebruiken. 1 s Op verkenning Lees wat Joost zegt. Ik werd driftig. Ik werd driftig, omdat ik geplaagd werd. Ik werd geplaagd. Joost gebruikt eerst korte zinnen. Met welk woord maakt hij van deze zinnen één lange zin? Schrijf dat woord op. 2 s Sander stampvoette van woede, toen hij zijn zin niet kreeg. Deze lange zin is van twee kleine zinnen gemaakt. Schrijf die twee zinnen op. Met welk woord zijn de zinnen aan elkaar gemaakt? 3 s Frank stottert. Hij is heel boos. Maak van deze twee zinnen één zin. Welk woord komt ertussen? 4 s Lees de zinnen. a. Abdu haalt goede cijfers. b. Hij is heel ijverig. c. Abdu haalt goede cijfers, omdat hij heel ijverig is. Wie heeft gelijk? Myrthe, Roos of allebei? In zin a staan de woorden in dezelfde volgorde als in zin c. In zin b staan de woorden in dezelfde volgorde als in zin c. Myrthe Roos 98

58 Uitleg Met behulp van de verbindingswoorden omdat, toen en doordat kun je van twee zinnen één zin maken. De volgorde van de woorden kan in de nieuwe zin veranderen. Ik eet vaak snoep. Dat vind ik lekker. Ik eet vaak snoep, omdat ik dat lekker vind. Aan de slag 5 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. In elke zin staat een woord dat twee zinnen aan elkaar maakt. Zoek dat woord op en schrijf het in je schrift. a. Sluit de deur, voordat je naar huis gaat. b. Oma was radeloos van verdriet, toen zij dat gruwelijke nieuws hoorde. c. Vandaag bekvechten ze de hele dag, terwijl ze gisteren nog de grootste lol hadden. d. De trein had vertraging, daarom kwamen we te laat op school. e. Jeske heeft erg lange tenen, daardoor is ze gauw boos. f. Ik ga naar buiten, wanneer ik mijn huiswerk af heb. g. Je hebt er wel geen zin in, toch zal het je goed doen. 8 s Wat heb je geleerd? Eén zin klopt niet. Schrijf de letter op. Terugkijken a. Met behulp van verbindingswoorden kun je van twee zinnen één zin maken. b. De volgorde van de woorden kan in de nieuwe zin veranderen. c. Een lange zin begint altijd met een vraagwoord.» s Welke van de twee schuingedrukte woorden is goed? Schrijf dat woord in je schrift. a. Hoewel/Omdat mijn vader de trein gemist had, was hij toch nog op tijd. b. Voordat/Nadat je gaat spelen, moet je eerst je werk afhebben. c. Laat het me weten als/toen je goed aangekomen bent. d. Sinds/Indien we verhuisd zijn, hebben we niets meer van hem gehoord. e. Hoewel/Zodra je thuis bent, moet je me even bellen. 99

59 t blok 4 gevoel les 12 schrijven Wat ga je doen? Je leert voor verschillende mensen schrijven. Op verkenning 1 Lees de teksten. Let op voor wie ze zijn bedoeld. a Dat vind ik aardig! Tjonge, wat hebben jullie ijverig gewerkt. Zingen, dansen, toneelspelen. Knap hoor! En alle kleuters weten nu ook hoe je aardig voor elkaar kunt zijn. Dan wordt het vast nog fijner in de klas. b Dat vind ik aardig! De projectweek Dat vind ik aardig! zit er alweer op. Iedereen heeft keihard gewerkt om er een geslaagd project van te maken. Het is echt niet altijd eenvoudig om niet driftig te worden of om geen lange tenen te hebben. Maar jullie hebben laten zien dat je er als echte bovenbouwers hard aan werkt. Houd vol! Zo wordt het fijner op school en horen we steeds vaker: Dat vind ik aardig! schoolkrant De Wissel c Verslag projectweek Dat vind ik aardig! Beste ouders, Alle leerlingen hebben deze week ijverig gewerkt aan het project Dat vind ik aardig! Hierbij hebben ze geleerd dat iedereen weleens chagrijnig is. Maar dat het nog geen reden is om iemand de huid vol te schelden of om te bekvechten. De kinderen uit alle groepen hebben samen gezongen, gedanst en (toneel)gespeeld. We hopen dat iedereen zich voortaan langer kan beheersen als hij een keertje geërgerd raakt. En dat iedereen op onze school het daardoor beter naar zijn zin zal hebben. 2 s Voor wie zijn de teksten bedoeld? Schrijf de letter van de tekst op. Schrijf het antwoord erachter. Kies uit: volwassenen groep 7 en 8 groep 1 en 2 3 s Kies een tekst uit en schrijf de letter op. Maak een tekening bij de tekst. Laat in de tekening zien voor wie de tekst is bedoeld. 100

60 Uitleg Je kunt voor verschillende mensen schrijven. Bijvoorbeeld: - voor kinderen of volwassenen - voor jongens of meisjes - voor mensen die veel of weinig van het onderwerp weten Als je schrijft, let je op: - wat schrijf je? - hoe moeilijk schrijf je? Aan de slag 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Kijk naar het woordweb van opdracht 6 in je werkboek. Schrijf er twee teksten over. - een tekst voor kinderen: wat zou je tegen andere kinderen willen zeggen? - een tekst voor volwassenen: wat zou je tegen volwassenen willen zeggen? Maak bij elke tekst een tekening. 8 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zinnen op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Ik vind het moeilijk/makkelijk om voor kleine kinderen te schrijven. Ik vind het moeilijk/makkelijk om voor grote kinderen te schrijven. Ik vind het moeilijk/makkelijk om voor volwassenen te schrijven. Terugkijken» s Schrijf een tekst over het speelkwartier. Wat mag wel, wat mag niet? Schrijf het voor kleine kinderen. 101

61 werkboek C1 3

62 Zwijsen werkboek c1 Wat moet je doen? Maak de opdrachten. Kom je tekens tegen? Doe dan dit. Kruis het goede antwoord aan. Verbind met lijnen. Schrijf je antwoord op. Teken je antwoord. Kleur het goede antwoord. Omcirkel het goede antwoord. Onderstreep het goede antwoord. Doe de opdracht met je buur. Spreek samen af wie de spreker is. Spreek samen af wie de luisteraar is. t Ga terug naar je taalboek. Lees daar verder.

63 w blok 4 gevoel les 1 woordenschat Aan de slag 4 Kijk naar de twee woordparaplu s. Schrijf bovenaan het juiste woord. Kies uit: zich beheersen of bekvechten. hard praten ruzie uitschelden schreeuwen niets doen voorzichtig stil rustig 5 Bekijk de woordparaplu over kwaadaardig. Maak zelf de woordparaplu over goedaardig. kwaadaardig kwaad gemeen slecht boos goedaardig 6 Lees eerst wat de woorden betekenen. Maak er daarna een zin mee. triest droevig, treurig vrezen bang zijn t ga terug naar je taalboek 37

64 w blok 4 gevoel les 2 spreken/luisteren Aan de slag 4 Lees De storm. Op welke momenten kijk je de luisteraar aan? Kleur die woorden of zinnen groen. De storm Op dat moment lijkt het of het hele park begint te draaien. Alle bomen en struiken verkleuren als een toverbal. Van groen naar paars, blauw en rood. Alles draait om Robin en Inge heen. Dan worden ze opgetild. Even later is alles weer rustig. Maar ze zijn niet meer in het park! 5 Lees De storm voor. Let op wanneer je de luisteraar aankijkt. Wanneer kijkt de spreker je aan? Door het aankijken: werd het spannender. lette ik beter op. gebeurde er niets. 6 Lees Lachen. Wanneer kijk je de luisteraar aan? Kleur die woorden of zinnen groen. Lachen Chimpansees lijken veel op mensen. Maar vergis je niet. Wanneer een chimpansee naar je lijkt te lachen, is hij helemaal niet blij. Hij is juist bang. Of erg opgewonden. Je kunt dan maar beter niet te dicht bij hem in de buurt komen. De uitdrukkingen op het gezicht van een chimpansee lijken wel op die van ons. Maar ze betekenen vaak iets heel anders. 7 Lees Lachen voor. Let op wanneer je de luisteraar aankijkt. Wanneer kijkt de spreker je aan? Door het aankijken: werd het duidelijker. lette ik beter op. gebeurde er niets. t 38 ga terug naar je taalboek

65 w blok 4 gevoel les 3 taalbeschouwing Aan de slag 4 In deze zinnen is het onderwerp één mens, één dier of één ding. Schrijf de zinnen over. Verander de onderwerpen. Maak er meer van. Houd jij wel van een lekker stukje vlees? Vind je kip, worst of biefstuk lekker? Een stukje vlees komt van een dier. Stukjes Zo n dier heeft niet altijd een prettig leven gehad. Zulke dieren jullie wel van jullie Vaak wordt een dier in korte tijd vetgemest. Het zit dan meestal in een te kleine ruimte. Een kip mag niet los op het erf lopen. Een varken kan niet lekker in de modder wroeten. Gelukkig kun je ook scharrelvlees kopen. 5 m 6 Onderstreep in alle zinnen van opdracht 4 de persoonsvorm. Vul het schema in. ik jij, hij, zij jullie, wij, zij gelooft tennissen bedenk vertelt t ga terug naar je taalboek 39

66 w 4 blok 4 gevoel les 4 schrijven Lees de strip. Aan de slag Doornroosje slaapt heel stil, al honderd jaar. Maar eindelijk is haar prins dan daar! Hatsjie... hatsjie hatsjie. 5 Kies een titel bij de strip. Doornroosje en haar prins Een vreemd toneelstuk Kriebels in de neus 6 Schrijf een inleiding bij de strip. 7 Maak een verslag over de voorstelling. Zet de zinnen in de goede volgorde. Schrijf nummers voor de zinnen. 1 Maar in plaats van een kus kreeg Doornroosje een niesbui. Zaterdag werd het toneelstuk Doornroosje gespeeld. Na de pauze kwam de prins om Doornroosje met een kus te redden. Bij het publiek rolden de tranen van het lachen over de wangen. De prins wist niet wat hij moest zeggen. 8 Maak de laatste zin van het verslag af. Na afloop t 40 ga terug naar je taalboek

67 w blok 4 gevoel les 5 woordenschat Aan de slag 4 Bas foetert op Freek. Freek siddert door de boze woorden van Bas. Welke woorden horen bij foeteren en welke bij sidderen? Schrijf ze in de goede rij van de woordkast. Kies uit: boos zijn bang zijn schelden kwaad angstig beven mopperen trillen. foeteren sidderen 5 Bekijk de tekeningen en lees de teksten. Schrijf daarna op wat de woorden betekenen. Riekje kijkt bedachtzaam naar de fiets. Ze blijft rustig en denkt na wat ze moet doen. Bas scheldt Freek de huid vol. De fiets van Yu Lin is in het water gevallen. Ze is wanhopig. Kariem is wantrouwig. Hij vindt de computer erg goedkoop. Is dat wel te vertrouwen? de huid vol schelden stampvoeten wanhopig bedachtzaam wantrouwig zich ergeren Kariem is ongeduldig. Hij ergert zich. De computer doet niet wat hij wil. Freek staat te stampvoeten. t ga terug naar je taalboek 41

68 w blok 4 gevoel les 6 spreken/luisteren Aan de slag Lees Te laat. Kleur de stukjes tekst waar je je stem anders gebruikt. Lees Te laat voor. Let op hoe je je stem gebruikt. Hoe gebruikt de spreker zijn stem vooral? hoog laag hard zacht snel langzaam Lees het gedicht Reisverslag. Kleur de stukjes tekst waar je je stem anders gebruikt. Lees Reisverslag voor. Let op hoe je je stem gebruikt. Hoe gebruikt de spreker zijn stem vooral? hoog laag hard zacht snel langzaam Te laat Frederik rent terug naar de klas. Hij wordt op de voet gevolgd door Robin en Inge. Halverwege het schoolplein halen ze hem zelfs in. Hijgend komen ze de klas binnen. Sorry, juf. We hadden de bel niet gehoord! hijgt Inge. Zeker aan het zoenen achter het fietsenhok fluistert Peter zo hard dat iedereen het kan horen. Robin wordt zo rood als een tomaat. Reisverslag We hebben ontzettend gelachen in de vakantie. Als we niet moesten lachen in de vakantie zeiden we: hallo hallo wie stinkt daar zo. Daar moesten we dan weer om lachen in de vakantie, samen met fiets en tent, trekkend door eigen land. 8 Hoe gebruik je je stem? Schrijf het achter de zin. Geef van elke zin een voorbeeld. Je praat tegen een baby. zacht en hoog: Wat is er dan, kleine man? Je bent boos. Je vertelt iets geheimzinnigs. 9 Vertel een spannend verhaal. Laat met je stem horen dat het spannend wordt. Hoe laat de spreker horen dat het spannend wordt? t 42 ga terug naar je taalboek

69 w blok 4 gevoel les 7 taalbeschouwing Aan de slag 5 Maak de zinnen vragend. Bram rijdt op zijn nieuwe fiets. Zijn moeder komt kijken. Bram gaat stunten. Hij rijdt met losse handen. Zijn moeder vindt het niet stoer. Dan valt hij hard op zijn mond. Zijn tanden doen zeer. Hij stapt meteen daarna weer op. Hij rijdt nu met losse tanden. 6 m 7 Onderstreep in alle zinnen van opdracht 5 de persoonsvorm. Vul de werkwoorden in de tegenwoordige tijd in. zwemmen Twee vissen in een rivier. beginnen Opeens het hard te regenen. moeten We maar vlug onder de brug gaan schuilen. Vul de werkwoorden nog een keer in. Nu in de verleden tijd. zwemmen Twee vissen in een rivier. beginnen Opeens het hard te regenen. moeten We maar vlug onder de brug gaan schuilen. 8 m Onderstreep in alle zinnen van opdracht 7 de persoonsvorm. t ga terug naar je taalboek 43

70 w blok 4 gevoel les 8 schrijven Aan de slag 4 Ilse schrijft een verslag over haar bezoek aan de tandarts. Bij welke momenten heeft ze een plaatje getekend? Schrijf de bijschriften onder de plaatjes. 5 Lees de tekst en bekijk het plaatje. Ontsnapt! Sommige dieren zijn eigenwijs. Zoals de vis die uit de kom springt als er vers water in moet. Hij moet dan even in een kleine bak. Maar telkens probeert hij daar uit te springen. Als het lukt, ligt hij te spartelen in de wasbak. Gelukkig wordt hij altijd op tijd gered. Welk moment zie je op het plaatje? 6 Heb je weleens iets engs gedroomd? Teken er twee plaatjes over. Je mag ook zelf iets verzinnen. Schrijf bijschriften bij de tekeningen. t 44 ga terug naar je taalboek

71 w blok 4 gevoel les 9 woordenschat Aan de slag 4 Lees en kijk wat de woorden betekenen. Ik z-z-zal j-j-jou... het naar je zin hebben je ergens lekker voelen knarsetanden je beheersen terwijl je eigenlijk heel erg kwaad bent driftig heel erg boos zijn en dat laten zien en horen stotteren de woorden niet meteen kunnen zeggen 5 Maak een woordparaplu met het naar je zin hebben. het naar je zin hebben 6 Maak een woordkast met driftig zijn en knarsetanden. driftig zijn knarsetanden 7 Maak een woordparaplu met stotteren. stotteren t ga terug naar je taalboek 45

72 w blok 4 gevoel les 10 spreken/luisteren Aan de slag 5 Lees het verhaal voor. Let op je houding en gebaren. Let op de houding en de gebaren van de spreker. Wat vind je daarvan? houding: gebaren: Het feest Jolien is verrukt. Ze is uitgenodigd voor het feest van Sverre. Toen hij haar vroeg, was ze helemaal sprakeloos. Ze wist niet dat Sverre haar leuk vindt. Dan hoort Jolien dat Felix ook komt. Bah, wat heeft ze een gruwelijke hekel aan hem. Ze vindt hem een chagrijnige pestkop. En als iemand er iets van zegt, wordt hij driftig en scheldt hem de huid vol. Jolien vreest dat het feest misschien toch niet zo leuk wordt als ze had gedacht. Maar dat laat ze niet gebeuren. Ze is vastbesloten om het op het feest naar haar zin te hebben. Ze laat zo n rotjoch haar uitgelaten stemming toch niet verpesten! 6 Lees de zin en kijk naar de plaatjes. Vertel aan de ander waarom jij sporten gezond vindt. Let op je houding en gebaren. Sporten is gezond. Hoe maakt de spreker duidelijk wat hij vindt? Hij maakt veel gebaren. Hij kijkt me vaak aan. Hij balt zijn vuisten. Anders: 7 Maak twee tekeningen. Teken eerst iemand die zich ongelukkig voelt. Teken daarna iemand die zich gelukkig voelt. Let op de houding en gebaren. t 46 ga terug naar je taalboek

73 w blok 4 gevoel les 11 taalbeschouwing Aan de slag 5 Met welke verbindingswoorden maak je de zinnen aan elkaar? Kies uit: als terwijl omdat hoewel toen nadat doordat. Oma foeterde, ze bijna door de fietser omver werd gereden. hij zijn portemonnee verloren had, werd hij helemaal wanhopig. Gio had het goed naar zijn zin, Hij is nu weer poeslief, iedereen aardig voor hem was. hij me eerst de huid vol gescholden heeft. Jennifer boos was, kon ze zich toch nog beheersen. Ik vind het vervelend, Mehmet keek naar de tv, hij zo wantrouwend doet. zijn hond naast hem lag. 6 Maak van twee zinnen één zin. Bedenk zelf met welk woord je dat doet. Jochem was uitgelaten. Hij mocht mee op vakantie. De hond gromde kwaadaardig. Hij zag de dief. De man vreesde voor zijn leven. Hij had een ongeluk gehad. Je komt te laat. Je schiet niet op. t ga terug naar je taalboek 47

74 w blok 4 gevoel les 12 schrijven Aan de slag 4 Wat zeg je tegen wie? Kies bij elke foto de goede zin. Bij hoge koorts neemt u contact op met de huisarts. Waar heb je au? 5 Schrijf drie zinnen op over gezond zijn. Let op voor wie je schrijft. 6 Maak een woordweb met woorden en tekeningen over kinderen en volwassenen. kinderen en volwassenen t 48 ga terug naar je taalboek

75 kopieerboek 4

76 blok 4 gevoel

77 k blok 4 toetstaak naam: 1 Hoe was je laatste verjaardagsfeest? Maak er een woordweb over. Je mag ook zelf iets verzinnen. mijn verjaardag Schrijf bij dit woordweb een verslagtekst van vier zinnen. Begin het verslag met een inleiding. 2 Voor wie is de zin geschreven? volwassene kind uit groep 6 kleuter Als de koorts blijft, moet u bellen met de huisarts. Heb je morgen een toets voor taal? Zal mama je even helpen? Zal ik je naar judo brengen, of ga je alleen? Geef mama maar een handje. Ik wil graag iets bij u bestellen. Doe je voorzichtig bij het drukke kruispunt? Kunt u me even helpen? 3 m Onderstreep in elke zin de persoonsvorm. Ik ga elke woensdag zwemmen. Dan zijn er veel kinderen in het zwembad. Ik durf niet goed te duiken. Mijn vriendjes plagen mij daar soms mee. Mijn beste vriendin kan niet zo goed zwemmen. 4 Maak van twee zinnen één zin. Gebruik de verbindingswoorden. want Ik kwam te laat. Ik had de bus gemist. maar Ik kreeg de schuld. Hij had het gedaan. of Ga je naar buiten. Blijf je binnen. cb blok 4 kopieerblad 1 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

78 k blok 4 toetstaak naam: Maak van één zin twee zinnen. Laat het verbindingswoord weg. Ik gaf hem geen geld, omdat ik hem niet vertrouwde. Omdat het al laat was, wilden we niet langer wachten. 5 Welke woorden horen in deze woordparaplu s? Kies uit: triest uitgelaten bekvechten gruwelijk. ruzie maken schelden hard praten schreeuwen verschrikkelijk afgrijselijk heel erg om van te rillen 6 verdrietig erg bedroefd treurig Schrijf de woorden in de goede rij. Kies uit: voorzichtig er iets achter zoeken schelden eerst denken, dan doen achterdochtig geen vertrouwen hebben mopperen lelijk doen bedachtzaam rustig het niet geloven boos praten. blij vrolijk opgewekt gek doen van plezier wantrouwig foeteren behoedzaam Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 4 kopieerblad 2 cb

79 k registratieblad toetstaak Onderdeel Schrijven Taalbeschouwing Woordenschat Opdrachten Opdracht 1 Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4 Opdracht 5 en 6 Naam Adviesnorm 0 fouten: G 0 fouten: G 0 fouten: G 0 fouten: G 0, 1 fouten: G 1 fout: V 1 fout: V 1 fout: V 1 fout: V 2, 3, 4 fouten: V >1 fout: O >1 fout: O >1 fout: O >1 fout: O >4 fouten: O Herhalingsstof Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: ht 1 ht 2 ht 3 ht 4 ht 5/6 (hl c1, p. 84) (hl c1, p. 85) (hl c1, p. 85) (hl c1, p. 86) (hl c1, p. 86) De leerlingen die voldoende of goed scoren op alle onderdelen, kunnen verder gaan met de plustaken. Meer informatie in hl c1, pagina 6. Afkortingen: G = goed, V = voldoende, O = onvoldoende, ht = herhalingstaak, hl = handleiding. bc blok 4 kopieerblad 3 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

80 k blok 4 herhalingstaak 1 schrijven naam: In een verslag vertelt iemand wat er is gebeurd. Bijvoorbeeld via de radio, de tv of een krant. Een verslag op papier heet een verslagtekst. In een verslagtekst staat stap voor stap wat er is gebeurd. Dit doe je als je een verslagtekst schrijft: - eerst maak je een woordweb - daarna schrijf je een inleiding - ten slotte schrijf je stap voor stap op wat er gebeurt of gebeurd is feest muziek dansen de hele klas verjaardag slingers discolampen garage Mijn verjaardag Dit jaar gaf ik voor mijn verjaardag een spetterend feest. Dit jaar was de hele klas uitgenodigd voor mijn verjaardagsfeest. Samen met mijn ouders had ik de garage versierd met slingers en discolampen. Mijn broer zorgde voor de muziek. We hebben de hele avond gedanst. Het feest was super! 1 Maak een verslagtekst over een tv-programma dat je leuk vindt. Doe het zoals hierboven. Inleiding: Stap 1: Stap 2: Stap 3: Stap 4: 2 Laat je buur je verslag lezen. Praat samen over wat goed is en wat beter kan. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 4 kopieerblad 4 cb

81 k blok 4 herhalingstaak 2 schrijven naam: Je kunt voor verschillende mensen schrijven. Bijvoorbeeld: - voor kinderen of volwassenen - voor jongens of meisjes - voor mensen die veel of weinig van het onderwerp weten Als je schrijft, let je op het volgende. - Wat schrijf je? - Hoe moeilijk schrijf je? 1 Voor wie zijn deze teksten bedoeld? Schrijf bij iedere tekst de goede letter. a. voor een kleuter b. voor een volwassene c. voor een kind uit groep 6 Zie je daar die stoere bink? Dat is een haan! Hij probeert indruk op een kippetje te maken. Kijk eens hoe hij loopt: borst vooruit en op hoge poten. En om nog flinker over te komen, kukelt hij er vrolijk op los. De vliesvleugelige galwesp veroorzaakt bij sommige planten gallen. Met haar legstengel maakt het wijfje het plantenweefsel stuk. Daarna deponeert zij in de ontstane spleet haar eitjes. Toet toet! Daar komt Poes Pluis. Hij rijdt in zijn gele autootje. Helemaal naar de zee. Zijn schepje en zijn emmertje gaan mee! 2 Lees de tekst. Verander hem. Schrijf hem zo, dat hij geschikt is voor kleuters. Gebruik eenvoudige woorden. Probeer van de lange zin twee zinnen te maken. De zeehond is een vaste bewoner van onze kust. Zijn lengte kan wel twee meter bedragen. Zijn voedsel bestaat uit vissen, weekdieren en schaaldieren. Een zeehond kan meer dan vijf minuten onder water blijven, voordat hij naar boven komt om adem te halen. bc blok 4 kopieerblad 5 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

82 k blok 4 herhalingstaak 3 taalbeschouwing naam: De persoonsvorm komt in de vraagzin vooraan. De persoonsvorm verandert als het onderwerp verandert van één in meer. De persoonsvorm verandert als je de zin in een andere tijd zet. Isa komt bij me logeren. Ik ben boos. Vandaag heb ik vrij. Komt Isa bij je logeren? Wij zijn boos. Gisteren had ik vrij. 1 Maak de zinnen vragend. Ik denk aan mijn vriendin. Mijn moeder is bij oma geweest. Jaconda durft niet te springen. m m 2 Kleur het woord dat vooraan staat in de vraagzin. Onderstreep de persoonsvorm in de vraagzin. Onderstreep het goede schuingedrukte woord. In de vraagzin staat de persoonsvorm wel / niet vooraan in de zin. Verander het onderwerp. Maak er steeds één van. Kijk naar het voorbeeld. Mijn vriendinnen lachen me uit. Mijn vriendin lacht mij uit. Mijn vrienden gaan morgen verhuizen. De tulpen zullen morgen gaan bloeien. m m 3 Kleur het werkwoord dat verandert. Onderstreep de persoonsvorm in de veranderde zin. Onderstreep het goede schuingedrukte woord. Het werkwoord dat verandert als het onderwerp verandert, is wel / niet de persoonsvorm. Zet de zinnen in een andere tijd. Mijn broek zit te strak. Mijn broek zat te strak. Ik wil het niet weten. Mijn broer heeft het je verteld. m m Kleur het werkwoord dat verandert. Onderstreep de persoonsvorm in de veranderde zin. Onderstreep het goede schuingedrukte woord. Het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet, is wel / niet de persoonsvorm. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 4 kopieerblad 6 cb

83 k blok 4 herhalingstaak 4 taalbeschouwing naam: Met verbindingswoorden kun je van twee zinnen één zin maken. In de lange zin staan dan twee persoonsvormen. De volgorde van de woorden kan in de nieuwe zin veranderen. 1 Vul een verbindingswoord in. Kies uit: omdat terwijl voordat nadat dat. Ik hoop hij komt. Je mag pas gaan spelen, Doe je jas aan, je je kamer opgeruimd hebt. je naar buiten gaat. Ferry boos was, smeet hij de deur dicht. Floortje zat zachtjes te zingen, ze tekende. 2 Maak van twee zinnen één zin. Gebruik het verbindingswoord. als Ik zeg het tegen de juf. Je geeft mijn pen niet terug. maar Ik wil het geheim wel vertellen. Ik ben bang dat je het doorvertelt. want Ik geloof je niet. Je hebt me al vaker leugens verteld. daarom Onze club speelde heel goed. Wij wonnen de wedstrijd. bc blok 4 kopieerblad 7 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek B2: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1 Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding e1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5

Nadere informatie

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1 Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding d1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek E2: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek A2: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 7: 1 handleiding D2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek D2: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek B1: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek A1: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld Bij verschillende onderdelen van de taalmethode Taal in Beeld, kunt u De bovenkamer

Nadere informatie

Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009

Nadere informatie

LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN

LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN LESBOEK b Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HAnDlEIDInG b Hl InHoUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten

Nadere informatie

Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er

Nadere informatie

LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN

LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN LESBOEK d Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HANDLEIDING d HL INHOUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten

Nadere informatie

Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands colofon Dit overzicht is samengesteld door Josée Coenen, auteur van De bovenkamer. Vormgeving Marjo Starink Bazalt 2016 Voor meer

Nadere informatie

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 h/v de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 h/v de betekenis

Nadere informatie

Leerstofoverzicht Taal in beeld groep 4

Leerstofoverzicht Taal in beeld groep 4 Leerstofoverzicht Taal in beeld groep blok woordenschat spreken/luisteren schrijven taalbeschouwing Les : betekenis door plaatje Les : spreken Les : bij elke tekst hoort een schrijver Les : spelen met

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 6

Informatie. vakgebieden. Groep 6 Informatie vakgebieden Groep 6 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

Leerlijn Spreken & luisteren groep 5

Leerlijn Spreken & luisteren groep 5 Leerlijn Spreken & luisteren groep 5 Spreken (individueel / gesprekken voeren): Luisteren: Een monoloog houden in een kleine groep, duidelijk verwoorden wat ze bedoelen. Een gesprek (overleg) voeren in

Nadere informatie

Uitprobeerpakket. Handleiding 4a groep 4 blok 4

Uitprobeerpakket. Handleiding 4a groep 4 blok 4 Uitprobeerpakket Handleiding 4a groep 4 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd

Nadere informatie

Uitprobeerpakket. Handleiding 5a groep 5 blok 4

Uitprobeerpakket. Handleiding 5a groep 5 blok 4 Uitprobeerpakket Handleiding 5a groep 5 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd

Nadere informatie

Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5

Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5 Taal actief 4 taal verkennen groep 5-8 taal verkennen groep 5 In dit document een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen Taal verkennen groep 5. Deze kenn maakt onderdeel uit van de leerlijn

Nadere informatie

Methodeanalyse. Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO. Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg

Methodeanalyse. Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO. Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg Methodeanalyse Stelonderwijs; Taal in beeld Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg www.zwijsen.nl www.taalinbeeld.nl Eerste

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 4

Informatie. vakgebieden. Groep 4 Informatie vakgebieden Groep 4 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Blok 5 Verhalen 15 lesbeschrijvingen toetsing informatie over de herhalings- en plustaken

Inhoudsopgave. Blok 5 Verhalen 15 lesbeschrijvingen toetsing informatie over de herhalings- en plustaken Inhoudsopgave Algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw van de methode 4 Leeractiviteiten 5 Opbrengstgericht werken 6 Samenwerkend leren 7 Toetsing en evaluatie 8 Combinatiegroepen 8

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing

Programma van Inhoud en Toetsing Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp werkwoordelijk gezegde

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing

Programma van Inhoud en Toetsing Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp

Nadere informatie

Het flexibel inzetten van de taalmethode heeft te maken met de functie van taal.

Het flexibel inzetten van de taalmethode heeft te maken met de functie van taal. Taal: vakspecifieke toelichting en tips Taalverwerving en -onderwijs verlopen als het ware in cirkels: het gaat vaak om dezelfde inhouden, maar de complexiteit en de mate van beheersing nemen toe. Anders

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 5

Informatie. vakgebieden. Groep 5 Informatie vakgebieden Groep 5 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2018-2019 Klas: HV1 Lesperiode: 1 + 2 Diploma grammatica Methode: Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: Grammatica HF 1 t/m 6 Bladzijde: 25 t/m 30, 67 t/m 72, 109 t/m 114, 151 t/m 156, 193 t/m 198, 235

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Schooljaar 2015 2016 Nederlands havo vwo 1 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling H 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 vmbo de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 vmbo de betekenis

Nadere informatie

Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen

Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Basis Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Deviant methode leer/werkboek VIA vooraf op weg naar 1F. De 8 thema s in het boek hebben terugkerende

Nadere informatie

Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Naam leerlingen. Groep BBL 1 Nederlands. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen.

Naam leerlingen. Groep BBL 1 Nederlands. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. Verdiepend Basisarrange ment Naam leerlingen Groep BBL 1 Nederlands Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. - 5 keer per week 45 minuten basisdoelen toepassen in verdiepende contexten.

Nadere informatie

Visuele Leerlijn Taal

Visuele Leerlijn Taal Visuele Leerlijn Taal www.gynzy.com Versie: 05-09-2019 Taalbegrip Abstracties Probleem & oplossing Zender & ontvanger Functies van taal Discussie Standpunt & argument Feit & mening Illustratie (als voorbeeld)

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing

Programma van Inhoud en Toetsing Onderdeel: leesvaardigheid Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1 + 2 Theorie blz. 7-8, 50 aantekeningen oefeningen uit het leerboek stappenplan lezen De leerling kent de termen onderwerp, deelonderwerp, hoofdgedachte,

Nadere informatie

Taal in beeld Spelling in beeld

Taal in beeld Spelling in beeld Taal in beeld/ / Spelling in beeld Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld

Nadere informatie

OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID. 1. Lees- en schrijfmotivatie

OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID. 1. Lees- en schrijfmotivatie OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID 1. Lees- en schrijfmotivatie 1.1 Kinderen zijn intrinsiek gemotiveerd voor lezen en schrijven. 1.2 Ze beschouwen lezen en schrijven als dagelijkse routines.

Nadere informatie

SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1

SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1 SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder

Nadere informatie

SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1

SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1 SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 7

Informatie. vakgebieden. Groep 7 Informatie vakgebieden Groep 7 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO

Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO Oktober 2015 Verantwoording 2015 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het

Nadere informatie

Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL

Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Nationaal congres Taal en Lezen 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Contactgegevens Tseard Veenstra [email protected] 06 55168626 Is spellingonderwijs nog relevant als we met behulp

Nadere informatie

Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009

Nadere informatie

Proefkatern Spelling in beeld

Proefkatern Spelling in beeld Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek E2: de introductiepagina s

Nadere informatie

Kinderen leren schrijven. www.taalvorming.nl

Kinderen leren schrijven. www.taalvorming.nl Kinderen leren schrijven www.taalvorming.nl Uitgangspunten van taalvorming Taalvorming is een lang bestaande werkwijze die je ook kunt zien als schrijfdidactiek werken vanuit eigen ervaringen samenhang

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 8

Informatie. vakgebieden. Groep 8 Informatie vakgebieden Groep 8 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs

Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs kennisnet.nl Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs Op de volgende pagina s treft u het beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs. Het instrument is ingedeeld in acht

Nadere informatie

Blauwe stenen leer je zo

Blauwe stenen leer je zo Handleiding groep 3-8 Blauwe stenen leer je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een steen van Jeelo leert. Voor groep 3-4 wijzer 2009 Zo leer je blauwe stenen

Nadere informatie

DATplus. Kerndoelanalyse SLO

DATplus. Kerndoelanalyse SLO DATplus Kerndoelanalyse SLO September 2014 Verantwoording 2014SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het toegestaan zonder voorafgaande toestemming

Nadere informatie

Zin in taal/ Zin in spelling tweede editie

Zin in taal/ Zin in spelling tweede editie Zin in taal/ Zin in spelling tweede editiee Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt

Nadere informatie

Onderdeel: Spelling Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

Onderdeel: Spelling Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing: Onderdeel: Spelling week 1 t/m week 3 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan een deel zuiver morfologisch

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Vak: Nederlands Klas: vmbo-tl 2 Onderdeel: Spelling 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan

Nadere informatie

Taaldomein vmbo. 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen: PowerPointpresentatie. k4 3 De spreekbeurt Soorten spreekbeurten De boekpresentatie

Taaldomein vmbo. 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen: PowerPointpresentatie. k4 3 De spreekbeurt Soorten spreekbeurten De boekpresentatie Taaldomein vmbo Methode Taaldomein 1 Mondeling 60p Schooltype vmbo-kgt 1-2, k3-4 2 Lezen 266p Editie vanaf 2004 3 Schrijven 120p Niveau 2F 4 Taalbeschouwing 285p 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen:

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Fictie Klas: MH-1 Lesperiode:1 Taalportfolio In je taalportfolio komen 5 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode worden de eerste 3 opdrachten beoordeeld

Nadere informatie

Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting

Nadere informatie

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Basisgrammatica Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Basisgrammatica Het computerprogramma Basisgrammatica

Nadere informatie

(werkwoordelijk gezegde)

(werkwoordelijk gezegde) Grammatica 1F Grammatica 1F bestrijkt de basisregels van de Nederlandse grammatica die op de basisschool worden aangeleerd en waarmee in het voortgezet onderwijs meestal nog wordt geoefend. Doelgroepen

Nadere informatie

Onderdeel: LEZEN Docent: RKW Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

Onderdeel: LEZEN Docent: RKW Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing: Rapportperiode 1 Vak: Nederlands Onderdeel: LEZEN Docent: RKW 1 Aantal lessen per week: 4 Methode: Lees Mee Hoofdstuk: Blok 1 t/m 6 Blz. Weging: 1x 3x woordmixtoets 3x leestoets In totaal 6 cijfers Studievaardigheden:

Nadere informatie

BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8

BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8 Zoals u wellicht weet wordt er ieder jaar in oktober de KINDERBOEKENWEEK georganiseerd. Op de meeste scholen worden er dan ook Voorleeswedstrijden gehouden, en gaat de aandacht speciaal uit naar de PROMOTIE

Nadere informatie

Vakgebieden Methoden Omschrijving Taal Groep 1-2. Schatkist

Vakgebieden Methoden Omschrijving Taal Groep 1-2. Schatkist Nederlandse taal Kinderen ontwikkelen mondelinge en schriftelijke vaardigheden waarmee ze de Nederlandse taal leren gebruiken in situaties die zich in het dagelijkse leven voordoen. Tevens verwerven ze

Nadere informatie

Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Alles telt Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking

Nadere informatie

Tips bij het bestellen van nieuwe boeken

Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Versie: juni 2015 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Nieuwe methode aanschaffen? Dat kan nu veel voordeliger. Snappet

Nadere informatie

Alles over. Leeslink. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Leeslink. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Alles over. Rekenrijk. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Rekenrijk. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Sterk in Taal en Spelling

Sterk in Taal en Spelling Sterk in Taal en Spelling Staal Spelling methodiek José Schraven: voordoen, verwoorden, begeleid inoefenen, gerichte feedback 3 onderdelen: 1. spelling (onveranderlijke woorden): 34 categorieën verdeeld

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Vak: Nederlands Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Lesperiode: 1 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. 1. Tussendoelen lees- en schrijfmotivatie. 2. Tussendoelen technisch lezen

Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. 1. Tussendoelen lees- en schrijfmotivatie. 2. Tussendoelen technisch lezen Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid Bron: Aarnoutse, C. & Verhoeven, L. (red.), Zandt, R. van het, Biemond, H.(in voorbereiding). Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. Een leerlijn voor groep 4 tot

Nadere informatie

Verleg je grenzen! Compleet vernieuwd! Waarom kiest ú voor de nieuwe Taalblokken? Taalblokken Nederlands Brochure MBO

Verleg je grenzen! Compleet vernieuwd! Waarom kiest ú voor de nieuwe Taalblokken? Taalblokken Nederlands Brochure MBO Taalblokken Nederlands Brochure MBO Verleg je grenzen! Waarom kiest ú voor de nieuwe Taalblokken? U kunt gemakkelijk differentiëren studenten leren wat nodig is Motiverend en uitdagend lesmateriaal voor

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Onderdeel: Spelling Lesperiode: week 1 t/m week 3 Aantal lessen per week: 4 Methode: Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Onderdeel: Spelling week 1 t/m week 3 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan een deel

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende regel De stam van werkwoorden kunnen noteren

Nadere informatie

Staal. Kerndoelanalyse SLO

Staal. Kerndoelanalyse SLO Staal Kerndoelanalyse SLO oktober 2014 Verantwoording 2014SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het toegestaan zonder voorafgaande toestemming van

Nadere informatie

Lesstof overzicht Station vanaf

Lesstof overzicht Station vanaf Lesstof overzicht Station vanaf 2018 complete methode Nederlands vmbo STATION Mondelinge taalvaardigheid Nederlands vmbo KGT 1 Beter gebekt STATION Nederlands vmbo BK 1 Tussen hoofdletter en punt jaar

Nadere informatie

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Vak: Nederlands, onderdeel taalportfolio /HV Lesperiode: 1 Taalportfolio deel 1 In je taalportfolio komen 4 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode

Nadere informatie

Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing: Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Lesperiode: 5 Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: 4 Blz. 127 t/m 12 Nieuw Nederlands Online H 1 t/m 4, onderdeel Lezen extra en Test Nieuwsbegrip

Nadere informatie

Brochure Begrijpend lezen VMBO 1

Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 2 Inleiding Het belang van begrijpend lezen kan nauwelijks overschat worden. Het niveau van begrijpend lezen dat kinderen aan het einde van

Nadere informatie

PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing: PIT HAVO-2 +HAVO/VWO-2 2016-2017 Vak: Nederlands Onderdeel: Spelling H1 en H2 Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1 en 2 Extra materiaal: Nieuw Nederlands Online De leerling kent de volgende

Nadere informatie

Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Alles telt Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking

Nadere informatie

Alles over. Blink Wereld Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Blink Wereld Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

2.BESCHRIJVING VAN HET TAALONDERWIJS VAN DE SCHOOL

2.BESCHRIJVING VAN HET TAALONDERWIJS VAN DE SCHOOL Taalbeleid 1.ALGEMEEN 1.1 Woord vooraf 1.2 Visie van de school 1.3 Omschrijving taalbeleid 1.4 Motivering van het belang van taalbeleid onze school 1.5 De populatie van de school 2.BESCHRIJVING VAN HET

Nadere informatie

Alles over. Blink Wereld geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Blink Wereld geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht!

UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht! UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht! Informatie: er is maar één juiste keuze! In onze informatiecentra in Rijssen en Ede vindt u de materialen uit de verschillende methoden, zodat u zich goed

Nadere informatie

Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing: - NEX Klas: IG2 HV Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Lesperiode: 2 1 Nieuwsbegrip en Nieuwsbegrip XL Materiaal: Leerlingschrift A4 Snelhechter Markeerstift Al

Nadere informatie

Routeboekje. Taal in beeld. Groep 8. Dit boekje is van:

Routeboekje. Taal in beeld. Groep 8. Dit boekje is van: Routeboekje Taal in beeld Groep 8 Dit boekje is van: Groep 8 Blok 1 Les 1 Basisstof HL E1 13 1 Woordenschat TB E1 6 1 Lees het verhaal over Sanne, Rein en Roy. TB E1 6 2 Schrijf op wat de gekleurde woorden

Nadere informatie

Verleg je grenzen! Waarom kiest ú voor het nieuwe Taalblokken? Taalblokken Nederlands Brochure MBO

Verleg je grenzen! Waarom kiest ú voor het nieuwe Taalblokken? Taalblokken Nederlands Brochure MBO Taalblokken Nederlands Brochure MBO Na het doorlopen van de weet ik precies wat ik kan verwachten op het examen Nederlands. Door deze goede voorbereiding zie ik het examen met vertrouwen tegemoet! Toetsing

Nadere informatie

Oranje stappers maak je zo

Oranje stappers maak je zo Handleiding groep 3-8 Oranje stappers maak je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een oranje stapper van Jeelo maakt. Voor groep 3-4 wijzer 2008 Zo maak je oranje

Nadere informatie

Wat te doen met zwakke begrijpend lezers?

Wat te doen met zwakke begrijpend lezers? Wat te doen met zwakke begrijpend lezers? Cor Aarnoutse Wat doe je met kinderen die moeite hebben met begrijpend lezen? In dit artikel zullen we antwoord geven op deze vraag. Voor meer informatie verwijzen

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Het programma van deze PIT wordt gedurende het schooljaar aangepast aan het tempo en het niveau van de klas. Vak: Nederlands, onderdeel taalportfolio Klas: IG1 - EBR Lesperiode: 1 en 2 Taalportfolio opdracht

Nadere informatie

Paul Stapel handleiding e1

Paul Stapel handleiding e1 Zwijsen Paul Stapel handleiding e1 hl algemene handleiding Aan de slag met Spelling in beeld Een overzicht van alles wat u moet weten U gaat werken met Spelling in beeld. Deze handleiding helpt u om snel

Nadere informatie

Onderwijs in een combinatiegroep

Onderwijs in een combinatiegroep KWALITEITSKAART Organisatie Onderwijs in een combinatiegroep PO Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze kwaliteitskaart zijn te vinden op www.schoolaanzet.nl.

Nadere informatie

Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen?

Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen? Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen? In groep 5-6 nemen kinderen steeds vaker werk mee naar huis. Vaak vinden kinderen het leuk om thuis aan schooldingen

Nadere informatie