Proefkatern Taal in beeld

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Proefkatern Taal in beeld"

Transcriptie

1 Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek A2: de introductiepagina s en blok 7 3 werkboek A2: de introductiepagina s en blok 7 4 kopieerboek: kopieerbladen blok 7 (met de toetstaak, het registratieblad en de eerste vier herhalingstaken). Met dit katern krijgt u zicht op hoe Taal in beeld werkt. De materialen stellen u in staat lessen van blok 7 uit te proberen in uw groep. Blok 7 bestaat uit 12 lessen. Zwijsen geeft u toestemming om voor het uitproberen kopieën te maken uit dit katern. De herhalingstaken (Woordkenner en Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld) zijn niet bijgevoegd. Woordkenner is een leerspel dat als herhalingstaak op het gebied van woordenschat elk blok terugkomt. Met het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen leerlingen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Meer informatie over Woordkenner en het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vindt u op Heeft u nog vragen, neem dan contact op met Zwijsen Klantenservice: of [email protected]. Wij wensen u en uw leerlingen veel (leer)plezier met Taal in beeld!

2 Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Maril Rijks Desiree van den Bogaard Adriaan Maters Jos Cöp handleiding a

3 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5 Toetsing en evaluatie 6 Combinatiegroepen 7 Materialen 7 Leerstof 7 Handleiding online 10 blok 5 verhalen Basislessen 12 Toetstaak 24 Herhalingstaken 26 blok 6 samen leven Basislessen 31 Toetstaak 43 Herhalingstaken 45 blok 7 cultuur Basislessen 50 Toetstaak 62 Herhalingstaken 64 blok 8 andere tijden Basislessen 69 Toetstaak 81 Herhalingstaken 83 Colofon 88 Taalin - Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

4 hl algemene handleiding met Taal in beeld U gaat werken met Taal in beeld. Deze handleiding helpt u om snel en op een prettige manier met de methode te gaan werken. Daartoe wordt in een beperkt aantal pagina s de belangrijkste informatie gegeven die u nodig hebt. Alle overige gegevens over de methode, waaronder meer uitgebreide onderdelen die horen bij deze handleiding, vindt u op de website Heeft u vragen, opmerkingen of suggesties, dan kunt u hiervoor ook terecht op de website. Hoe meer informatie wij van u krijgen, hoe beter wij in staat zijn om de methode mee te laten groeien met uw wensen en verwachtingen. Invoering Taal in beeld kunt u in één keer in alle groepen invoeren. Het eerste blok van ieder jaarprogramma is een instapblok waarin alle eerder aangeboden leerstof die nodig is voor het komende jaarprogramma, wordt opgefrist. De leerlingen raken dus niet het spoor bijster omdat er ineens termen worden gebruikt of specifieke voorkennis wordt verondersteld die ze nooit eerder aangeboden hebben gekregen. Ook u als leerkracht krijgt tijdens het eerste blok een globaal overzicht van wat aan de orde is geweest in vorige jaargroepen, voorzover het van invloed is op de lessen die u dit leerjaar aan gaat bieden. Mocht u verder nog een gedetailleerde samenvatting willen hebben van de eerder aangeboden leerstof in relatie tot de leerstof in uw jaargroep, dan vindt u op een uitgebreid leerstofoverzicht. Overzicht Taal in beeld bestaat uit vijf gedeelten. Het onderstaande schema geeft aan welk deel bestemd is voor welke jaargroep van het reguliere basisonderwijs. Voor andere typen (basis)scholen kan ervoor gekozen worden om de leerstof op een andere manier te verdelen. Deel Jaargroep A (a1 en a2) 4 B (b1 en b2) 5 C (c1 en c2) 6 D (d1 en d2) 7 E (e1 en e2) 8 De kenmerken van Taal in beeld Taal in beeld heeft drie belangrijke kenmerken. Het pakket is compleet, compact en flexibel. Compleet Taal in beeld is een complete methode: het programma biedt alle leerstof aan die u als school op basis van de kerndoelen geacht wordt aan te bieden. Kerndoelen zijn streefdoelen en geven aan wat een leerling globaal moet kennen en kunnen aan het eind van de basisschool. Ze beschrijven in grote lijnen wat in elk geval aan de orde moet komen op de basisschool. Maar niet alles wat op school gebeurt, is voorgeschreven in kerndoelen. Scholen hebben ook ruimte voor een eigen, specifiek onderwijsaanbod. Bij de ontwikkeling van Taal in beeld is uitdrukkelijk rekening gehouden met de kerndoelen voor taal, zoals die door de overheid zijn vastgesteld. Een school die werkt met Taal in beeld is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van de methode voldoet aan de kerndoelen. Compact Taal in beeld is compleet, maar daarnaast ook compact. Zowel het aantal lessen als het aantal schoolweken dat nodig is om het programma uit te voeren, is beperkt gehouden. Hierdoor zult u als leerkracht geen tijdsdruk ervaren omdat er nog zoveel moet. Voor de leerlingen is er voldoende tijd beschikbaar om de leerstof goed op te kunnen nemen en toe te passen. Verder is ook in de hoeveelheid materialen terug te zien dat de methode compact is. Geen grote hoeveelheid materialen die mogelijk gebruikt kunnen worden, maar een duidelijke keuze voor het noodzakelijke en het wenselijke. Op papier en in de vorm van software. Flexibele organisatievorm Taal in beeld is een flexibele methode. Kinderen verschillen, leerkrachten verschillen, scholen verschillen en omstandigheden verschillen. Taal in beeld houdt rekening met deze verschillen door diverse organisatievormen mogelijk te maken. Zo kunt u interactief met de hele groep aan de slag gaan, maar u kunt de leerlingen ook zelfstandig alle onderdelen van het programma laten uitvoeren. Hierbij kunnen ze individueel werken of samen met andere leerlingen. Doordat de taalactiviteiten geschikt zijn voor een geïndividualiseerde, een samenwerkende en klassikale organisatievorm, hoeft u niet te kiezen tussen interactief taalonderwijs of zelfstandig leren. U kunt met Taal in beeld de kracht van beide vormen combineren. U bepaalt in welke mate u de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Maar uiteindelijk werken ze wel aan dezelfde leerstof, waardoor de organisatie van de lessen overzichtelijk en uitvoerbaar blijft. De opbouw van de methode Taal in beeld Jaarprogramma Taal in beeld biedt een jaarprogramma voor 34 schoolweken en is opgebouwd uit acht blokken van vier weken. Na de blokken 4 en 8 is er een zogenaamde breekweek: een week waarin geen lessen uit de acht blokken aan de orde komen. De breekweken kunnen gebruikt worden als uitloopweken of als weken om op een andere manier met taal bezig te zijn. Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 -Taalin d

5 hl algemene handleiding Algemene opbouw van een blok De eerste drie weken van ieder blok bestaan uit de basislessen. Aan het einde van de derde week of in het begin van de vierde week is er een toetstaak. Daarmee wordt vastgesteld welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben en welke (nog) niet. De kinderen die de doelen bereikt hebben, gaan vervolgens aan de slag met plustaken (verdiepingsstof), waarin ze leerkrachtonafhankelijk hun geleerde kennis, vaardigheden en strategieën toepassen en uitbouwen. De kinderen die de doelen van het blok nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week eerst herhalingstaken waarin ze de leerstof die ze nog niet beheersen, nogmaals aangeboden krijgen. Extra instructie en begeleide verwerking zijn hierbij de uitgangspunten. De opbouw van deel a1 en a2 Het schema hiernaast biedt een overzicht van de opbouw van het programma van de delen a1 en a2. Deel A1 bestaat uit de eerste vier blokken van het jaarprogramma en bevat acht basislessen per blok. Dit betekent dat er in de eerste drie weken van ieder blok drie taallessen per week zijn, inclusief de toetstaak aan het einde van de derde week. Dit is minder dan bij de volgende delen van de methode. De reden hiervoor is dat veel scholen aan het begin van groep 4 nog extra tijd en aandacht willen besteden aan het aanvankelijk lezen. Deel A2 bevat de blokken 5 tot en met 8 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Thema s De verschillende blokken bevatten voor alle jaargroepen op hetzelfde moment dezelfde thema s. De volgende onderwerpen komen aan bod: Blok Thema 1 Omgeving 2 Natuur 3 Reizen 4 Gevoel 5 Verhalen 6 Samen leven 7 Cultuur 8 Andere tijden De thema s komen overeen met die in methoden als Tussen de regels en Ondersteboven van lezen. Hierdoor bent u gemakkelijk in staat om vakoverstijgend en thematisch te werken. Instapblokken Het eerste blok van ieder leerjaar (met uitzondering van deel a1) start met een instapblok. Hierin komen alle leerstofonderdelen aan bod die eerder aangeboden zijn en relevant zijn voor het komende leerjaar. In blok 2 tot en met 7 wordt nieuwe leerstof aangeboden. Blok 8 is een afsluitend blok waarin geen nieuwe leerstof wordt aangeboden. Hierin is alle aandacht gericht op het integreren, herhalen en toepassen van de leerstof die gedurende het jaar is aangeboden. week deel blok weekprogramma dag 1 dag 2 dag 3 dag 4 dag 5 1 a1 blok 1 ws sl s 2 blok 1 ws tb s 3 blok 1 sl tb toets 4 blok 1 h / p h / p h / p 5 blok 2 ws sl s 6 blok 2 ws tb s 7 blok 2 sl tb toets 8 blok 2 h / p h / p h / p 9 blok 3 ws sl s 10 blok 3 ws tb s 11 blok 3 sl tb toets 12 blok 3 h / p h / p h / p 13 blok 4 ws sl s 14 blok 4 ws tb s 15 blok 4 sl tb toets 16 blok 4 h / p h / p h / p 17 breekweek 18 a2 blok 5 ws sl tb s 19 blok 5 ws sl tb s 20 blok 5 ws sl tb s 21 blok 5 toets h / p h / p h / p 22 blok 6 ws sl tb s 23 blok 6 ws sl tb s 24 blok 6 ws sl tb s 25 blok 6 toets h / p h / p h / p 26 blok 7 ws sl tb s 27 blok 7 ws sl tb s 28 blok 7 ws sl tb s 29 blok 7 toets h / p h / p h / p 30 blok 8 ws sl tb s 31 blok 8 ws sl tb s 32 blok 8 ws sl tb s 33 blok 8 toets h / p h / p h / p 34 breekweek ws = woordenschat sl = spreken/luisteren h = herhalingstaken s = schrijven tb = taalbeschouwing p = plustaken jaarplanning deel a1 en a2 -Taalin 4 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

6 algemene handleiding De activiteiten in Taal in beeld Zelfstandig leren, samenwerkend leren en begeleid leren Taal in beeld maakt verschillende organisatievormen gelijktijdig mogelijk. Alle lessen zijn namelijk zo opgezet dat u als leerkracht kunt bepalen of de leerlingen zelfstandig (individueel of in samenwerking met andere kinderen) of begeleid (klassikaal of in een groepje onder uw leiding) aan de slag gaan. Welke organisatievorm u ook kiest, alle kinderen doorlopen altijd dezelfde opdrachten en gebruiken dezelfde materialen. Dit betekent dat de lessen voor u als leerkracht makkelijk te organiseren zijn. U bepaalt zelf in welke mate er sprake is van mondelinge interactie tijdens de les en u kunt ervoor kiezen die te beperken. Wanneer het bereiken van het lesdoel zonder interactie niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een aantal lessen spreken/luisteren, dan attendeert de methode u hierop. Alle activiteiten in het taalboek en het werkboek De lessen in Taal in beeld zijn opgebouwd uit vaste onderdelen: de doelstelling, de introductie, de instructie, de verwerking en de evaluatie/reflectie. Deze elementen zijn ook terug te vinden in het leerlingmateriaal: Wat ga je doen?, Op verkenning, Uitleg, Aan de slag en Terugkijken. Mede hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de leerlingen op een effectieve en efficiënte manier zelfstandig te laten leren. Niets verplicht u echter om kinderen de les zelfstandig te laten doorlopen. U kunt er ook voor kiezen de les gezamenlijk op een interactieve manier door te werken. De verschillende fasen worden hieronder uitvoeriger toegelicht. De didactische fasering en de route door de les Een les in Taal in beeld bestaat uit een viertal fasen die volgen als de doelstelling is aangegeven. Tezamen vormen die fasen de lesroute die de leerlingen aan de hand van de aanwijzingen in het taalboek en het werkboek zelfstandig (individueel of samenwerkend) of begeleid (klassikaal of in een groepje) kunnen doorlopen. Op verkenning De eerste fase is Op verkenning. Hierin gaan kinderen aan de slag met enkele verkennende opdrachten. De bedoeling is dat ze zich hiermee oriënteren of voorbereiden op het onderwerp van de les, of aan de hand van een probleemstelling tot oplossingen proberen te komen. Uitleg De tweede fase is Uitleg. Dit is het instructiemoment in de les. De uitleg is enerzijds een conclusie vanuit de verkenning en anderzijds de inhoudelijke instructie die nodig is om de volgende fase te kunnen doorlopen. De instructie wordt weergegeven in een geschreven blok, maar afhankelijk van de organisatievorm kan ze ook dienen als basis voor mondelinge uitleg. De derde fase is en bevat de verwerkingsopdrachten, die gedeeltelijk in het werkboek en gedeeltelijk in het taalboek staan. Terugkijken De vierde fase is Terugkijken en heeft tot doel om te reflecteren en te evalueren. De centrale vraag hierbij is dan ook: Wat heb je geleerd? De leerlingen maken een evaluerende opdracht, waarin altijd een verband wordt gelegd met het lesdoel. Afhankelijk van de gekozen organisatievorm kan de evaluatie ook mondeling plaatsvinden. Voor kinderen die eerder klaar zijn, bevat iedere les nog een extra opdracht. Tijdsindicaties Een les in Taal in beeld duurt ongeveer 35 tot 50 minuten. De exacte tijdsduur is afhankelijk van de organisatievorm waarin de les wordt aangeboden. Het is een bekend gegeven dat er bij zelfstandig lerende kinderen een aanzienlijk verschil kan zijn in de tijd die ze nodig hebben om tot een resultaat te komen. Organisatorische problemen zullen zich echter niet voordoen, want de snelle kinderen kunnen aan de slag met de extra opdracht. Wanneer de les met de hele groep wordt doorgewerkt, zal deze ongeveer 45 minuten duren. Vanwege verschillen in de benodigde tijd in relatie tot de organisatievorm, is ervoor gekozen de lesonderdelen zelf niet te voorzien van tijdsindicaties. De differentiatie in Taal in beeld Differentiatie naar begeleidingsbehoeften Taal in beeld biedt een breed scala aan differentiatiemogelijkheden. Bij alle lessen kunt u differentiëren naar intensiteit van de begeleiding die u geeft. Sommige leerlingen of groepen kunt u meer loslaten, terwijl u andere juist veel ondersteuning wilt bieden. Om alle kinderen de begeleiding te geven die ze nodig hebben, kunt u groepen in verschillende organisatievormen laten werken. Met de kinderen die veel ondersteuning nodig hebben, doorloopt u de lesroute samen. Binnen deze organisatievariant, eerder benoemd als begeleid leren, is er veel ruimte voor mondelinge interactie en begeleiding. De leerlingen die hier minder behoefte aan hebben, laat u meer leerkrachtonafhankelijk werken, individueel of samen met andere kinderen. Tempodifferentiatie: extra stof Tijdens de lessen zal het vaak zo zijn dat bepaalde leerlingen eerder klaar zijn dan andere. Dit vraagt om tempodifferentiatie, waarbij er extra werk is voor de snelle leerlingen. Allereerst kunnen zij de extra opdracht maken. Deze staat in het taalboek aan Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 5 -Taalin d

7 hl algemene handleiding het einde van iedere les. Mochten zij daarna nog behoefte hebben aan meer stof, dan kunt u hun verdiepingsstof geven in de vorm van plustaken uit Taalmaker, of laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld. Taalmaker is het gedeelte van Taal in beeld dat extra taaltaken bevat in de vorm van kaarten en werkbladen. Niveaudifferentiatie: plustaken (verdiepingsstof) Wat betreft de verdiepingsstof in de vorm van plustaken heeft u een breed scala aan mogelijkheden. Alle plustaken hebben echter één ding gemeen: het is niet meer van hetzelfde, maar het zijn taalactiviteiten vanuit een andere, meer toepassende invalshoek. Alle plustaken die horen bij Taal in beeld vindt u in het onderdeel Taalmaker. Taalmaker bestaat uit een doos met kaarten en werkbladen. Periodiek zullen de plustaken in Taalmaker aangevuld en vernieuwd worden, waardoor de uitdaging voor de leerlingen groot zal blijven. De plustaken kunnen op drie momenten gebruikt worden. Ten eerste als tempodifferentiatie bij de basislessen. Zijn leerlingen eerder klaar, dan kunnen ze, na de extra opdracht, aan de slag met de plustaken. Ten tweede als leerstof voor op de vijfde dag van de week, wanneer er geen basisprogramma is. Wilt u kinderen die dag toch taalopdrachten laten uitvoeren, dan kunnen ze aan de slag gaan met de plustaken. Ten derde als leerstof voor in week 4, na de toets. In eerste instantie geldt dit voor kinderen die geen behoefte hebben aan herhalingstaken. Meer informatie over de plustaken uit Taalmaker vindt u bij De materialen van Taal in beeld. Niveaudifferentiatie op het gebied van woordenschat kunt u realiseren door kinderen te laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld. Daarin krijgen ze eerst de woorden uit de basislessen aangeboden. Deze worden uitgelegd, geoefend en getoetst. Kennen ze deze woorden, dan biedt het programma extra woorden aan. Deze zijn onderdeel van de verdiepingsstof. Niveaudifferentiatie: herhalingstaken Aan het einde van de derde week of in de vierde week van ieder blok maken de leerlingen een toetstaak. Deze is bedoeld om vast te stellen of ze de doelen van het blok bereikt hebben. Als dit niet het geval is, krijgen ze de vierde week herhalingstaken bij de onderdelen die ze nog niet beheersen. De herhalingstaken worden bij ieder blok beschreven in de handleiding. De leerlingen kunnen ze in principe zelfstandig maken, maar geadviseerd wordt om hen hierbij te begeleiden. Toetsing en evaluatie in Taal in beeld Er bestaan verschillende manieren om de resultaten van de leerlingen te evalueren. Het gaat hierbij om evaluatie op korte, middellange en lange termijn. Korte termijn Evaluatie op korte termijn is gericht op het vaststellen of de lesdoelen wel of niet bereikt zijn. Dit gebeurt op twee manieren. Ten eerste door de leerlingen zelf, via de reflectieopdracht in de fase Terugkijken van de basislessen. Hierbij stellen ze zelf vast wat ze geleerd hebben tijdens de les. Een tweede manier om na te gaan of de doelen bereikt zijn, is door gebruik te maken van de observatiepunten in de handleiding. Deze zijn terug te vinden bij een aantal basislessen. Middellange termijn Evaluatie op middellange termijn is bedoeld om vast te stellen of de leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben. Aan het einde van de derde of aan het begin van de vierde week van elk blok is er een toetstaak die bestaat uit een aantal toetsopdrachten. Deze opdrachten zijn gericht op verschillende taaldomeinen. Taalbeschouwing en woordenschat worden na ieder blok getoetst. Schrijven en spreken/luisteren worden daar regelmatig aan toegevoegd. Taal in beeld bevat registratiebladen waarop de toetsresultaten van de leerlingen vastgelegd kunnen worden. Tevens vindt u op deze bladen de adviesnorm bij de verschillende toetsopdrachten. Op basis van de score krijgt u ook een advies over de gewenste vervolgactiviteiten. Zo kunt u direct zien of de leerling herhalingstaken moet gaan uitvoeren en welke dat zijn, of dat hij plustaken kan gaan maken. In het laatste geval vindt u een verwijzing naar Taalmaker, het onderdeel van de methode waarin de plustaken zijn verzameld. De registratiebladen vindt u in het kopieerboek. Evaluatie op lange termijn Taal in beeld legt het accent op methodegebonden toetsen, waarmee uitspraken worden gedaan over de mate waarin leerlingen de doelen van de methode bereiken. Evaluatie op lange termijn staat meer in het teken van het taalniveau van een leerling in het algemeen of in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Hiervoor zijn toetsen nodig die voldoende betrouwbaar en gevalideerd zijn om een antwoord te geven op deze vraag. Dit overstijgt de mogelijkheden van de toetsing in een taalmethode. Wanneer u behoefte heeft aan een dergelijke evaluatie, dan adviseren we u gebruik te maken van toetsen die speciaal voor dit doel gemaakt zijn. Onder andere de Cito-groep in Arnhem brengt in het kader van haar leerlingvolgsysteem een aantal geschikte toetsen op de markt. -Taalin 6 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

8 algemene handleiding Taal in beeld in combinatiegroepen Individueel of samen zelfstandig leren Taal in beeld is een methode met veel mogelijkheden om zelfstandig te leren. Alleen in situaties waarin de lesdoelen niet bereikt kunnen worden zonder interactie, zoals bijvoorbeeld bij een aantal lessen spreken/luisteren het geval is, adviseert de methode u bepaalde opdrachten op basis van samenwerkend leren (of klassikaal) te doen. Door de ruime mogelijkheden voor zelfstandig leren (individueel of samenwerkend), is Taal in beeld uitermate geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen of stamgroepen. De leerlingen kunnen leerkrachtonafhankelijk aan de opdrachten gaan werken en u kunt bepalen welke kinderen u op welk moment intensiever begeleidt. Op deze manier wordt voorkomen dat u het gevoel krijgt eigenlijk op meerdere plekken tegelijkertijd te moeten zijn. Doordat de lessen in Taal in beeld ook geschreven zijn voor zelfstandig leren, is dit niet meer het geval. Ook kinderen die zelfstandig aan het werk gaan, worden attent gemaakt op de doelstelling van de les, oriënteren zich op de lesstof, krijgen uitleg in de vorm van beschreven tekstblokken, maken de verwerkingsopdrachten en reflecteren op wat ze geleerd hebben. Doordat zij zich volledig zelf kunnen redden, kunt u zich meer richten op die kinderen die uw hulp het hardst nodig hebben, onafhankelijk van de jaargroep waarin ze zitten. Lessen omwisselen in het weekprogramma Mocht er echter toch een situatie ontstaan waarin u twee jaargroepen tegelijkertijd begeleiding wilt geven, bijvoorbeeld omdat beide groepen op hetzelfde moment een interactieve les spreken/ luisteren op het programma hebben staan, dan is het geen enkel probleem om lessen in het weekprogramma om te wisselen. Door een van de jaargroepen met een schrijfles aan de slag te laten gaan terwijl u zelf met de andere jaargroep de les spreken/luisteren doet, hebt u het probleem opgelost. Het weekprogramma kent geen gedwongen volgorde in de lessen. De materialen van Taal in beeld Het materialenoverzicht Het a2-gedeelte van Taal in beeld bestaat uit de volgende materialen. - Een taalboek a2, waarin de basislessen staan uitgewerkt. - Een werkboek a2, waarin een gedeelte van de opdrachten is uitgewerkt. - Een antwoordenboek a2, waarin de antwoorden op de opdrachten (uit taal- en werkboek) zijn te vinden. - Een handleiding a2, waarin het volledige lesprogramma voor de leerkracht is beschreven. Hierbij vindt u ook de activiteitenbeschrijvingen die horen bij de toets- en herhalingstaken. - Een kopieerboek A, waarin alle kopieerbladen opgenomen zijn. Het gaat hierbij om de toetstaak (inclusief registratiebladen) en de herhalingstaken per blok. - Woordkenner A, een herhalingstaak op het gebied van woordenschat, die ieder blok terugkomt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van bladen en een spelbord dat de activiteit ondersteunt. - Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld A. Met dit programma kunnen kinderen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Naar dit gedeelte van het programma wordt verwezen bij de basislessen en de herhalingstaken van ieder blok. Naast de doelwoorden uit de basislessen bevat het programma een groot aantal nieuwe doelwoorden. Dit gedeelte van het programma kan ingezet worden als plustaak. - Taalmaker A, waarin plustaken zijn ondergebracht. Die bestaat uit een doos met kaarten en werkbladen. Wat wordt wanneer gebruikt? Een blok in Taal in beeld bestaat uit vier lesweken. Tijdens de eerste drie weken worden de basislessen aangeboden. Deze staan in het taalboek en het werkboek en worden toegelicht in de handleiding. Op de vijfde dag van iedere week is geen basisstof gepland. U kunt ervoor kiezen op deze dag geen taalles op het rooster te zetten, maar het is ook mogelijk om deze dag als uitloopmogelijkheid te gebruiken. Een derde optie is op die dag geen basisstof aan te bieden, maar de leerlingen te laten werken aan de plustaken. Aan het einde van week 3 of begin week 4 is er een toetstaak. De kinderen die onvoldoende scoren op (onderdelen van) de toets gaan vervolgens de bijbehorende herhalingstaken doen. In de handleiding en op het registratieblad (te vinden in de kopieerboek), wordt op basis van de score aangegeven welke herhalingstaken aan bod kunnen komen. De overige kinderen kunnen aan de slag gaan met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld. Zowel de herhalings- als de plustaken worden per blok toegelicht in de handleiding. De laatste dag van week 4 zijn er geen herhalingstaken. Alle kinderen kunnen dan eventueel aan de slag met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld. Het schema op de volgende pagina biedt een overzicht van de activiteiten per blok en de te gebruiken materialen. De leerstof in Taal in beeld Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 7 -Taalin Vier taaldomeinen Taal in beeld besteedt in elk leerjaar ruime aandacht aan de taaldomeinen woordenschat, spreken/luisteren, schrijven (stellen) en taalbeschouwing. Hiermee voldoet de methode ruimschoots aan de kerndoelen voor het basisonderwijs en de tussendoelen beginnende en gevorderde geletterdheid. Voor het spellingonderwijs is er een bijbehorende uitgave beschikbaar onder de naam Spelling in beeld. Deze methode vormt een com d

9 hl algemene handleiding Week 1, 2 en 3 Week 4 Basisstof Lessen (taalboek en werkboek) Toetstaak (kopieerboek) Herhalingstaken Plustaken Geen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld - Herhalingstaken (kopieerboek) - Woordkenner - Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld plete spellingleergang die werkt volgens dezelfde principes als Taal in beeld. Tevens is er op tal van punten sprake van een afstemming tussen beide methodes. Meer informatie hierover vindt u op onze website, De leerstof van Taal in beeld is sterk gericht op het leren gebruiken van taalstrategieën. De leerlingen leren niet alleen hoe ze taal moeten gebruiken en welke mogelijkheden taal biedt, maar ook welke taalvaardigheden hen daarbij kunnen helpen. Hierbij gaat het om taalvaardigheden voor, tijdens en na het communiceren. Ze leren om, afhankelijk van de situatie waarin ze zich bevinden, een adequate keuze te maken uit de taalvaardigheden die ze beheersen. Het kunnen bepalen welke vaardigheden nodig zijn en deze vervolgens op een juiste manier toepassen, vormt de kern van de taalstrategieën die de leerlingen zich met Taal in beeld eigen maken. Daardoor ontwikkelen ze taalcompetenties die hen in staat stellen om actief en bewust om te gaan en te communiceren met de taal. Hieronder zal in grote lijnen per taaldomein aangegeven worden welke leerstof in Taal in beeld aan de orde komt en hoe deze is opgebouwd. Een meer gedetailleerd overzicht van de leerlijnen vindt u op onze website, Woordenschat Het leerstofaanbod op het gebied van woordenschat is gericht op twee zaken: de beheersing van woordenschatstrategieën en -vaardigheden en de kennis van doelwoorden. De woordenschatstrategieën en -vaardigheden In Taal in beeld komen twee soorten woordenschatstrategieën aan de orde: één om de betekenis van woorden te kunnen achterhalen en één om de woordbetekenis beter te kunnen onthouden. Kortom, een woordleerstrategie en een woordonthoudstrategie. De leerlingen beheersen de strategieën als ze uit de bijbehorende taalvaardigheden een adequate keuze kunnen maken en deze op de juiste manier kunnen toepassen. Hierbij gaat het enerzijds om woordleervaardigheden en anderzijds om woordonthoudvaardigheden. Deze komen elk leerjaar op hetzelfde moment terug. De volgende vaardigheden komen in Taal in beeld aan bod. Woordleervaardigheden - de woordbetekenis afleiden uit beeld - de woordbetekenis afleiden uit de tekst (of context) - de woordbetekenis afleiden door woordanalyse - de woordbetekenis opzoeken - de woordbetekenis navragen Woordonthoudvaardigheden - de woordbetekenis onthouden door te associëren (bijvoorbeeld een woordweb maken) - de woordbetekenis onthouden door woorden te groeperen (bijvoorbeeld een woordkast maken) - de woordbetekenis onthouden door woorden te ordenen (bijvoorbeeld een woordparaplu maken) - de woordbetekenis onthouden door woorden toe te passen (bijvoorbeeld door tekenen, schrijven of woordspellen maken) De doelwoorden In de woordenschatlessen in het taalboek en het werkboek ligt het accent op het leren van woordenschatstrategieën en -vaardigheden. Deze worden aangeboden in de verschillende lesfasen (Op verkenning, Uitleg,, Terugkijken). In het verlengde hiervan komen uiteraard ook doelwoorden aan bod in de lessen. Er is voor gekozen om tijdens de basislessen beperkt uitleg te geven over de betekenis van de doelwoorden. Het is een bekend gegeven dat de verschillen tussen kinderen wat betreft hun vocabulaire groot zijn. Alle leerlingen uitgebreid uitleg geven over woordbetekenissen is daarom in veel situaties ongewenst. Een dergelijke uitleg vindt dan ook pas plaats na de toets in de herhalingstaken, waardoor u als leerkracht zich kunt richten op de kinderen die bij de toets onvoldoende woorden kenden. Een van de herhalingstaken is het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld. Hierin ligt het accent volledig op kennis van de doelwoorden. De wijze van aanbieden is gebaseerd op het bekende vierfasenmodel: introductie, semantisering (betekenis aanbrengen), consolideren (veelzijdig inoefenen) en evalueren. Wanneer de leerlingen gaan werken met het computerprogramma, krijgen ze in eerste instantie de woorden aangeboden die ook in het taal- en werkboek aan de orde zijn geweest. Als ze die beheersen, krijgen ze -Taalin 8 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

10 algemene handleiding nog een groot aantal nieuwe doelwoorden aangeboden. Het totaal aantal doelwoorden dat per blok aangeboden wordt, bedraagt 80. Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vindt u in de handleiding die hoort bij dit softwarepakket. De doelwoorden die aangeboden worden vallen uiteen in drie categorieën: - algemene dagelijkse woorden; - schooltaalwoorden; - woorden nodig bij het reflecteren op taal. Spreken/luisteren De leerstof in het taaldomein spreken/luisteren is erop gericht de leerlingen adequate strategieën aan te leren om effectief te spreken en te luisteren. Hierbij maakt Taal in beeld onderscheid tussen spreken, luisteren en gesprek voeren. Spreken en luisteren worden aangeboden bij wijze van eenrichtingsverkeer, waarbij zowel voor de spreker als de luisteraar specifieke strategieën aan bod komen. Bij het gesprek gaat het om de gezamenlijke uitwisseling van gedachten over eenzelfde onderwerp. Om de leerlingen spreek-, luister- en gespreksstrategieën aan te leren, komen in Taal in beeld de volgende vaardigheden aan de orde: - communicatiedoel bepalen; - voorkennis activeren (bijvoorbeeld met behulp van een woordweb); - onderzoek doen; - aantekeningen maken; - argumenten gebruiken; - informatie gestructureerd weergeven (bijvoorbeeld door het gebruik van relatieschema s); - beeldmateriaal gebruiken; - tekstsoort en doelgroep bepalen; - onderwerp en hoofdgedachte bepalen; - tussentijds informatie vragen; - letten op houding en lichaamstaal; - letten op stemgebruik en woordkeuze; - verhaalsoort en verhaalverloop bepalen; - teksten presenteren en voordragen; - gesprekstechnieken hanteren; - gespreksdoelen bepalen; - juist gebruiken van moeilijke woorden, verwijswoorden en verbindingswoorden; - informatie verwerven uit gesproken taal; - informatie (kritisch) beoordelen; - eigen spreek- en luistergedrag evalueren en bijsturen. Wanneer de leerlingen deze vaardigheden beheersen en in staat zijn om ze op het juiste moment te gebruiken, beschikken ze over adequate spreek-, luister- en gespreksstrategieën. Ze ontwikkelen zich op deze manier tot competente sprekers, luisteraars en gesprekspartners. Schrijven In het taaldomein schrijven leren kinderen een adequate schrijfstrategie te hanteren. Hiertoe worden de volgende vaardigheden geleerd: - communicatiedoel bepalen; - voorkennis activeren (bijvoorbeeld met behulp van een woordweb); - onderzoek doen; - informatie ordenen (bijvoorbeeld in feiten en meningen); - passende woord/beeldrelatie bepalen; - tekstsoort en doelgroep bepalen; - verhaalsoort en verhaalverloop bepalen; - onderwerp en hoofdgedachte bepalen; - schrijftechnieken hanteren; - grammaticaal juist gebruiken van moeilijke woorden, verwijswoorden en verbindingswoorden; - tekst verzorgen; - eigen schrijfgedrag evalueren en bijsturen. Als de leerlingen deze vaardigheden op het juiste moment en op de juiste wijze kunnen toepassen, beschikken ze over een adequate schrijfstrategie. Dit maakt hen tot competente schrijvers. Taalbeschouwing Het onderdeel taalbeschouwing bestaat in Taal in beeld uit drie onderdelen: woordbouw, zinsbouw en taalgebruik. Woordbouw Bij woordbouw leren de leerlingen alle belangrijke zaken die te maken hebben met de functie, de bouw en de betekenis van woorden. De leerstofonderdelen worden op een kindvriendelijke wijze aangeboden door ze te groeperen rondom het zelfstandig naamwoord en het werkwoord. Bij het zelfstandig naamwoord komen onder andere zaken aan bod als: - lidwoorden; - samenstellingen; - meervoudsvorming; - verkleinwoorden; - voornaamwoorden; - bijvoeglijke naamwoorden; - voor- en achtervoegsels. Bij het werkwoord gaat het onder andere over: - vervoegingen; - tegenwoordige tijd; - verleden tijd. Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 -Taalin d

11 hl algemene handleiding Zinsbouw Bij zinsbouw leren kinderen alle zaken die belangrijk zijn als het gaat om de functie, de opbouw en betekenis van zinnen. Hierbij komen onder andere de volgende leerstofonderdelen aan de orde: - zinstypen; - samengestelde zinnen; - zinsdelen en interpunctie. Taalgebruik Bij taalgebruik leren de leerlingen allerlei zaken die te maken hebben met de bouw van teksten en het gebruik van taal. Hierbij komen onder andere de volgende taalgebruiksvarianten aan de orde: - bondig en uitvoerig taalgebruik; - beleefde en onbeleefde taal; - formeel en informeel taalgebruik; - creatief en zakelijk taalgebruik; - letterlijk en figuurlijk taalgebruik (inclusief spreekwoorden en gezegden); - ouderwets en modern taalgebruik; - beeldspraak. Daarnaast is er ook ruimschoots aandacht voor onderwerpen die te maken hebben met de wisselwerking tussen taal en media. Voorbeelden hiervan zijn: - tekst en opmaak; - tekst en internet; - beeldgebruik bij teksten; - beeldtaal. Een meer gedetailleerde leerstofopbouw van alle taalonderdelen die in Taal in beeld aan bod komen, vindt u op de website Handleiding online Deze handleiding is bedoeld om u zo effectief en prettig mogelijk met Taal in beeld te laten werken. Om deze reden is er ook voor gekozen om dit algemene gedeelte van de handleiding zo compact mogelijk te houden. Mocht u behoefte hebben aan meer of meer gedetailleerde informatie over Taal in beeld, dan kunt u hiervoor terecht op de website Hier vindt u het onlinegedeelte van de handleiding met alle aanvullende informatie die u zoekt. -Taalin 10 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

12 blok 7 Herhalingstaak 1: schrijven Doel De leerlingen kunnen verschillende dingen over een onderwerp cultuur schrijven. Materialen Kopieerblad 4 van blok 6: Herhalingstaak 1 Voortgangsplanner week 4 blok 2 Toetsopdrachten Resultaat Vervolgactiviteit Opdracht 1 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 1 Opdracht 2 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 2 Opdracht 3 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 3 Opdracht 4 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 4 Opdracht 5 en 6 -> Onvoldoende Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en/of 6 -> (Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld, herhaling doelwoorden uit blok) Alle toetsopdrachten -> Voldoende of goed -> Plustaken Taalmaker -> Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld (extra doelwoorden) Herhalingstaken De herhalingstaken kunnen remediërend ingezet worden en bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De kinderen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij, op onderdelen, te begeleiden. Door gerichte mondelinge interactie is de kans groter dat ze de doelen van het blok alsnog bereiken. Voorbereiding Kopieer kopieerblad 4 van blok 6 (Herhalingstaak 1) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 1. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte beschreven instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u dit samen doen. Als voorbereiding op opdracht 1 gaat u samen met de leerlingen iets schrijven. Kies een onderwerp dat bij de kinderen leeft, bijvoorbeeld het schoolreisje of een schoolfeest. U schrijft vervolgens vraagwoorden op het bord: Wat? (Met) wie? Waar? Wanneer? Hoe? Waarom?. Aan de hand van de antwoorden op deze vragen laat u een verhaal ontstaan. Bij elke vraag geeft u enkele leerlingen een beurt en kiest u de beste zin voor het verhaal uit. Als voorbereiding op de tweede opdracht maakt u met de kinderen een woordweb. U schrijft bijvoorbeeld de naam van uw woonplaats in het midden. Laat de kinderen woorden noemen voor in het web. Als het woordweb klaar is, mogen de kinderen zinnen met de woorden maken. Probeer zinnen die met elkaar te maken hebben bij elkaar te zetten in het verhaal. Vertel dat in een verhaal ook zinnen mogen staan die niets met de woorden uit het web te maken hebben. De webwoorden dienen alleen als richtlijn. Je mag sommige woorden ook best niet gebruiken. De leerlingen gaan nu de opdrachten maken. Bij opdracht 1 schrijven ze met behulp van vraagwoorden een verhaal. Bij opdracht 2 schrijven ze een tekst aan de hand van een woordweb. Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2

13 hl blok 7 cultuur les 1 woordenschat Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door te tekenen. De leerlingen leren tien nieuwe woorden. Doelwoorden het applaus buigen de cd de drummer de dvd het orkest het publiek de radio het toneel de tv Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 54 en 55 w a2, pagina 25 a a2, pagina 25 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal in beeld Taalmaker plustaken Voorbereiding Neem een cd en een dvd mee om in de klas te laten zien tijdens Op verkenning. Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal en proberen te achterhalen hoe Grombol de woorden de cd en de dvd wil onthouden: door er tekeningen van te maken. De leerlingen tekenen zelf een cd en een dvd, waarbij ze laten zien wat je ermee kunt doen (luisteren of kijken). Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je woorden kunt onthouden door ze te tekenen. Er worden suggesties gegeven van wat ze kunnen tekenen en enkele voorbeeldtekeningetjes. De leerlingen verbinden illustraties met de bijbehorende woorden. Ze maken zelf tekeningen die kunnen helpen om woorden te onthouden. Vervolgens maken ze woordbeschrijvingen aan de hand van illustraties. Zo zien ze welke informatie een illustratie over een woord kan geven. Tot slot maken ze van twee zelfgekozen woorden een tekening en geven ze ook een woordbeschrijving. Terugkijken Ter evaluatie kiezen de leerlingen zinnen die aangeven welke aspecten van het woord toneel ze kunnen tekenen. Sommige leerlingen kunnen nog moeite hebben met de doelwoorden van deze les. Met het bijbehorende computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen ze deze nog extra oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Een eenmalige aanbieding tijdens de les is voor veel leerlingen onvoldoende om zich de woorden eigen te maken. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld gebruiken. Laat de leerlingen in de komende periode regelmatig tekeningen maken van nieuwe woorden die ze tegenkomen in de andere lessen. Wijs ze daarbij steeds op de vier suggesties die in de Uitleg staan. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met de volgende zaken. Bij opdracht 4 kiezen de leerlingen twee van de vier plaatjes. Bij opdracht 7 zullen sommige kinderen behoefte hebben aan een voorbeeld. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Laat de cd en de dvd zien die u heeft meegebracht, en bespreek eventueel de uiterlijke kenmerken. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen elkaar woorden over televisie opgeven. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. Laat de cd en de dvd zien die u heeft meegebracht, en bespreek de uiterlijke kenmerken. U kunt ervoor kiezen om de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Opdracht 3 laat u dan op het bord maken. Bij de Uitleg en bij opdracht 7 kunt u met de zwakkere leerlingen de suggesties een voor een bespreken. Bij opdracht 5 en 7 kunt u enkele leerlingen hun tekeningen op het bord laten maken. Daarna kunt u die tekeningen klassikaal bekijken aan de hand van de criteria. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. -Taalin 50 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

14 hl blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen zien verschillende manieren waarop het woord orkest kan worden uitgelegd. Ze noteren welke manieren zij herkennen en hoe zij het zelf zouden uitleggen. Doelen De leerlingen leren hoe ze een moeilijk woord aan iemand kunnen uitleggen. Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 56 en 57 w a2, pagina 26 a a2, pagina 26 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Voorbereiding Voor taalzwakke leerlingen is het prettig om een woordenboek of een aantal plaatjes ter illustratie bij de hand te hebben. Uitleg Er wordt uitgelegd dat je een woord op verschillende manieren kunt uitleggen: met woorden; door het uit te beelden; met een plaatje; door het te laten zien, horen, voelen, proeven of ruiken. Met laten zien wordt hier een voorwerp bedoeld dat je kunt laten zien, dus anders dan een plaatje. De leerlingen geven bij diverse woorden de beste manier van uitleggen aan. Omgekeerd bedenken zij een geschikt woord bij de verschillende uitlegstrategieën. Tot slot passen ze het geleerde toe door aan elkaar een woord uit te leggen op een van de besproken manieren. Ze mogen elkaar daarbij vragen stellen. Terugkijken De leerlingen kiezen twee zinnen uit die op hen van toepassing zijn. De vier uitlegstrategieën komen hierbij aan bod. Hiermee geven ze aan hoe ze een woord het liefst uitleggen en hoe ze een woord het liefst uitgelegd krijgen. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, is opdracht 7 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Opdracht 7 is goed klassikaal uit te voeren. Laat een leerling zijn woord uitleggen, zonder het woord te gebruiken. De andere leerlingen raden het woord. Zij mogen vragen stellen. Tips Indien u tijdens andere lessen een woord tegenkomt dat moeilijk is, herinnert u de leerlingen aan de verschillende manieren van uitleggen. U kunt diverse spelletjes met de leerlingen doen: laat ze bijvoorbeeld woorden uitbeelden of op het bord tekenen; de andere leerlingen raden het woord. Sprekershoek U laat de leerlingen letten op het gebruik van moeilijke woorden en de uitleg daarvan. Aantekeningen Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatie Controleer of de leerlingen de vier manieren van uitleggen begrijpen. Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 51 -Taalin d

15 hl blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing Lesactiviteiten Doelen Tips De leerlingen weten wat schooltaal en thuistaal zijn en snappen waarom er verschil kan zijn. Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 58 en 59 w a2, pagina 27 a a2, pagina 27 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Op verkenning De leerlingen maken opdrachten waarbij het duidelijk wordt dat de taal die iemand thuis spreekt, soms anders is dan de taal die op school gesproken wordt. Het kan gaan om een taal van een ander land of om een dialect. Uitleg Er wordt uitgelegd wat schooltaal en thuistaal zijn. Ook wordt aangegeven waarom kinderen soms op school anders praten dan thuis. De leerlingen zien door het maken van de opdrachten in dat je in de ene situatie beter je thuistaal kunt gebruiken, terwijl een andere situatie zich beter voor de schooltaal leent. Er wordt enige aandacht geschonken aan woorden uit de thuistalen, die in het gangbare Nederlands zijn opgenomen. De leerlingen denken ook na over negatieve reacties op kinderen die anders praten dan de rest. Terugkijken De leerlingen geven aan wat ze geleerd hebben door waar of niet waar te zetten achter een aantal uitspraken. Laat leerlingen die thuis een andere taal spreken dan op school, hierover iets vertellen: - Is het moeilijk om op school anders te praten dan thuis? - Vergissen ze zich weleens? - Maken andere mensen weleens opmerkingen over hun taalgebruik? - Hoe reageren ze hierop? Ze kunnen ook aan de rest van de groep laten horen hoe hun thuistaal klinkt. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met het volgende. Sommige kinderen zullen het onderscheid tussen schooltaal en thuistaal moeilijk herkennen omdat ze thuis geen andere taal spreken dan op school. Controleer tussendoor of iedereen begrijpt waar het om gaat. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Laat kinderen met en kinderen zonder een afwijkende thuistaal zo veel mogelijk samenwerken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Besteed tijdens de les aandacht aan begrip en tolerantie ten opzichte van andere talen en dialecten. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 52 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

16 hl blok 7 cultuur les 4 schrijven Lesactiviteiten Doelen Tips Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 60 en 61 w a2, pagina 28 a a2, pagina 28 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Op verkenning De leerlingen zien aan de hand van twee voorbeelden hoe een moeilijk woord kan worden uitgelegd. Namelijk met zinnen, maar ook met behulp van een plaatje. Ze leggen ook zelf een woord uit met zinnen. Uitleg De leerlingen leren dat ze een woord waarvan de betekenis niet meteen duidelijk is, kunnen uitleggen met een zin en met een plaatje. Bij de uitleg kan de nadruk liggen op verschillende aspecten, bijvoorbeeld: hoe ziet het eruit, wat voor geluid maakt het, wat kun je ermee doen? De leerlingen leggen een aantal moeilijke woorden uit met behulp van zinnen en/of plaatjes. Soms worden aanwijzingen gegeven over wat in de uitleg aan bod moet komen (hoe ziet het eruit, wat kun je ermee, enzovoort). Terugkijken De leerlingen herhalen wat ze geleerd hebben door nogmaals een woord uit te leggen met behulp van een zin en een plaatje. Wijs de komende tijd ook in andere lessen op het gebruik van moeilijke woorden. Worden ze uitgelegd en zo ja, gebeurt dat met tekst en/of een plaatje? Verzamel een paar voorbeelden van hoe moeilijke woorden worden uitgelegd. Gebruik hiervoor bijvoorbeeld een beeldwoordenboek, een (junior)woordenboek en handleidingen met plaatjes. Maak er voor de leerlingen een minitentoonstelling van. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 5 kunnen de leerlingen overleggen welke woorden ze kiezen. Ze beoordelen elkaars uitleg en tekening. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Bij opdracht 4 kunt u samen met de leerlingen een tekst op het bord maken. Opdracht 5 kunt u mondeling doen. Laat alle leerlingen een woord noteren en dat om beurten uitleggen. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 53 -Taalin De leerlingen leren hoe ze moeilijke woorden aan iemand kunnen uitleggen. d

17 hl blok 7 cultuur les 5 woordenschat Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door erover te schrijven. De leerlingen leren tien nieuwe woorden. Doelwoorden de dans de film het gedicht de muziek de poppenkast rijmen de schilder het schilderij de strip de zangeres Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 62 en 63 w a2, pagina 29 a a2, pagina 29 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal in beeld Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal, waarin Wouter het woord de film onthoudt door erover te schrijven. Ze schrijven zelf ook op wat ze weten over de film. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je woorden kunt onthouden door erover te schrijven. Er worden suggesties gegeven over hoe en wat ze over een woord kunnen schrijven. De leerlingen maken opdrachten waarbij woorden onthouden worden door erover te schrijven. Ze zien dat dit zowel weetteksten als verhaalteksten kunnen zijn. Ze verbinden een tekst met het juiste woord en schrijven omgekeerd ook zelf iets op over een woord. Terugkijken Terugkijkend geven kinderen aan wat je kunt doen om een woord te onthouden. Ze doen dit aan de hand van het woord de dans. Ze geven aan welke van de vier gegeven zinnen waar zijn. Sommige leerlingen kunnen nog moeite hebben met de doelwoorden van deze les. Met het bijbehorende computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen ze deze nog extra oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Een eenmalige aanbieding tijdens de les is voor veel leerlingen onvoldoende om zich de woorden eigen te maken. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden bij dit thema, dan kunt u dit doen door gebruik te maken van het bijbehorende computerprogramma Woordenschat Taal in beeld. Laat de leerlingen in de komende periode regelmatig zinnen of korte teksten schrijven over nieuwe woorden die ze tegenkomen in de andere lessen. Wijs ze daarbij steeds op de suggesties die in de Uitleg staan. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met het volgende. Ga tijdens het werken na of de kinderen doorhebben dat schrijven over iets een manier kan zijn om woorden beter te onthouden. Hebben ze dit niet door, dan is het de vraag of ze het lesdoel bereiken. Wijs bij opdracht 7 op de suggesties die in de Uitleg gegeven worden. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen ook samen een tekst schrijven. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Bij de Uitleg kunt u verwijzen naar de voorbeelden (een zin, een verhaaltekst en een weettekst). Met name in een weettekst kun je veel informatie kwijt. Bij de Uitleg kunt u samen met de leerlingen nog meer suggesties bedenken met behulp van de W-vragen (wie, wat, waar, wanneer, waarom) en vragen met hoe (hoe groot, hoe zwaar, hoe veel enzovoort). Bij opdracht 7 kunt u enkele leerlingen hun tekst op het bord laten schrijven. Daarna kunt u die teksten klassikaal bespreken aan de hand van de criteria. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 54 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

18 hl blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Organisatie en differentiatie Doelen Tips De leerlingen kunnen verwijswoorden gebruiken die betrekking hebben op personen: ik, jij, hij, wij, jullie en zij. Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 64 en 65 w a2, pagina 30 a a2, pagina 30 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Voorbereiding Van de leerlingen wordt bij opdracht 8 gevraagd een dialoog voor twee poppen te bedenken. Leg eventueel (poppenkast)poppen of vingerpoppetjes klaar, zodat ze hun dialoog kunnen spelen. Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen een gesprek tijdens een kinderfeestje in het bos. Er worden verwijswoorden gebruikt. De leerlingen herleiden wie over wie spreekt. Uitleg Er wordt uitgelegd dat verwijswoorden woorden zijn die ergens naar verwijzen, bijvoorbeeld naar personen. Er zijn verwijswoorden die verwijzen naar jezelf, naar anderen die aanwezig zijn en naar anderen die niet aanwezig zijn. De leerlingen maken opdrachten waarbij ze verwijswoorden gebruiken. Daarbij ervaren ze het effect van verwijswoorden op een gesprek. Een gesprek waarin enkel ik, jij en wij worden gebruikt, heeft een andere toon dan een gesprek waarin alleen hij en zij worden gebruikt. De leerlingen bedenken zelf een dialoog met verwijswoorden en spelen deze na, eventueel met echte poppen. Terugkijken Ter evaluatie lezen de leerlingen twee teksten: een met en een zonder verwijswoorden. Ze kiezen de beste tekst uit. Ze ervaren dat het te vaak herhalen van een naam niet prettig klinkt. Sprekershoek Laat de leerlingen letten op het gebruik van verwijswoorden. Verwijswoorden worden in het dagelijks leven veel gebruikt. Attendeer de leerlingen ook tijdens andere situaties hierop zodat ze zich van het gebruik ervan bewust zijn. Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met de volgende zaken. Attendeer de leerlingen erop dat het verwijswoord zij twee betekenissen kan hebben: derde persoon enkelvoud of derde persoon meervoud. Omdat spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten 4, 5, 6 en 8 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Leerlingen ervaren de verschillen in het gebruik van verwijswoorden pas goed in een gesprek. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Het werkt goed om de teksten bij Terugkijken hardop voor te lezen. De opdrachten 4, 5 en 6 in het werkboek kunnen door enkele leerlingen klassikaal nagespeeld worden. De andere leerlingen controleren of er geen andere verwijswoorden gebruikt worden dan de opgegeven woorden. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 55 -Taalin d

19 hl blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Doelen Tips Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 66 en 67 w a2, pagina 31 a a2, pagina 31 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen ontdekken de functie en het belang van hoofdletters, punten, uitroeptekens en vraagtekens. Ze ervaren dat een tekst zonder hoofdletters en punten lastig is om te lezen. Uitleg Uitgelegd wordt dat een zin met een hoofdletter begint en met een punt, een uitroepteken of een vraagteken eindigt. De leerlingen voorzien een tekst van hoofdletters en punten en geven aan wanneer een vraagteken en wanneer een uitroepteken wordt gebruikt. Ze schrijven zelf een tekst, waarbij ze erop letten dat de hoofdletters en punten op de juiste plek staan. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen van twee uitspraken over het gebruik van punten aan welke waar is. Ze schrijven ook op waarom. Vestig deze week ook bij andere lees- en schrijftaken de aandacht op het belang van het correct plaatsen van de hoofdletters en de leestekens. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen het onderdeel Op verkenning niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. U kunt bij opdracht 3 extra aandacht besteden aan het gebruik van het uitroepteken. Vaak is het verschil tussen zinnen met een punt en een uitroepteken niet zo groot. Zinnen met een uitroepteken worden met wat meer nadruk gezegd. Laat de leerlingen zelf een aantal zinnen met een uitroepteken bedenken. Bij opdracht 4 kunt u een tekst uit het taalboek of uit een leesboek uitzoeken en de leerlingen enkele zinnen laten voorlezen. Ze laten daarbij duidelijk horen dat je na elke zin een korte rust moet inlassen. Als er een uitroepteken of een vraagteken staat, laten ze dat ook duidelijk horen. Wijs er bij Terugkijken nog eens op bij het schrijven van verhaaltjes de leestekens op de goede plaats te zetten. Uiteraard heeft u de mogelijkheid de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin De leerlingen kunnen een tekst voorzien van hoofdletters, punten, vraagtekens en uitroeptekens. 56 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

20 hl blok 7 cultuur les 8 schrijven Organisatie en differentiatie Doelen Tips De leerlingen leren verwijswoorden gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 68 en 69 w a2, pagina 32 a a2, pagina 32 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen krijgen twee teksten onder ogen. Het enige verschil tussen beide teksten is dat in de ene tekst geen gebruik is gemaakt van verwijswoorden, terwijl dit in de andere tekst wel het geval is. Ze geven aan welke tekst ze het beste vinden en waarom. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd wat verwijswoorden zijn en hoe ze die kunnen gebruiken. Ze zien bovendien een aantal voorbeelden van verwijswoorden. De leerlingen oefenen het gebruik van verwijswoorden door de juiste woorden te kiezen bij tekeningen waarin een persoon wordt aangewezen. Ze kiezen het juiste verwijswoord in een aantal zinnen en maken zelf zinnen en een tekst met verwijswoorden erin. Terugkijken Ter evaluatie kiezen de leerlingen uit twee uitspraken de zin die het beste bij hen past, of ze bedenken zelf een zin. Hiermee geven ze aan of ze het gebruik van verwijswoorden goed onder de knie hebben. Wijs de komende tijd ook in andere lessen op verwijswoorden die naar personen verwijzen. Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met de volgende zaken. Bij opdracht 2 hoeven de leerlingen niet uit te leggen waarom de teksten anders zijn. Ze geven alleen aan wat anders is. Ga na of dit duidelijk is. Bij opdracht 4 kunt u uitleggen dat het erom gaat dat de kinderen in de tekening niet over zichzelf spreken, maar over de persoon die ze aanwijzen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 4 kunnen de leerlingen in het tekenkader een tekening maken van zichzelf en degene met wie ze samenwerken. Daarbij hoort dan het verwijswoord wij. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Bij opdracht 4 kunt u heel expliciet eerst vragen naar wie het kind in de tekening wijst. Daarna kunt u vragen welk verwijswoord bij die persoon hoort. Bij opdracht 5 kunt u de eerste zin samen bedenken en de tweede zin zelfstandig laten maken. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 57 -Taalin d

21 hl blok 7 cultuur les 9 woordenschat Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door er raadspelletjes mee te doen. De leerlingen leren tien nieuwe woorden. Doelwoorden het instrument klappen het lied de spreekbeurt toneelspelen de truc verkleden de viool de voorstelling werkelijk Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 70 en 71 w a2, pagina 33 a a2, pagina 33 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal in beeld Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal, waarin Wouter met Grombol een raadspel speelt om te controleren of hij de nieuwe woorden kent. De leerlingen schrijven op wat Wouter precies doet: hij omschrijft het woord, zonder het te noemen. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je woorden kunt onthouden door er een raadspel mee te doen. Dat doe je door het uit te beelden, of er iets over te vertellen zonder het woord te noemen. Er worden enkele suggesties gedaan wat je over het woord kunt vertellen. De leerlingen maken opdrachten waarbij woorden onthouden worden door er een raadspel mee te doen. Ze raden welk woord bij een bepaalde omschrijving hoort. Ze maken ook zelf raadsels, door iets over een woord te vertellen of het uit te beelden. Tot slot evalueren ze de nieuwe onthoudstrategieën van deze en de vorige woordenschatlessen door van een aantal woorden aan te geven wat ze de beste onthoudstrategie vinden: tekenen, erover schrijven of een raadspel spelen. Terugkijken Terugkijkend op de drie woordenschatlessen van dit blok kiezen de leerlingen de beste onthoudstrategie. Ze mogen ook zelf een strategie bedenken. Sommige leerlingen kunnen nog moeite hebben met de doelwoorden van deze les. Met het bijbehorende computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen ze deze nog extra oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Een eenmalige aanbieding tijdens de les is voor veel leerlingen onvoldoende om zich de woorden eigen te maken. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden bij dit thema, dan kunt u dit doen door gebruik te maken van het bijbehorende computerprogramma Woordenschat Taal in beeld. Laat de leerlingen in de komende periode nieuwe woorden in andere lessen onthouden door er een raadspel mee te doen. Wijs ze daarbij steeds op de suggesties die in de Uitleg staan. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met de volgende zaken. Benadruk bij opdracht 5 en 6 dat het woord zelf niet genoemd mag worden. Bij opdracht 5 werken de leerlingen samen. Ze kunnen de opdracht ook individueel doen door op een blaadje een raadspel over een viool te maken. Bij opdracht 7 moet misschien worden samengewerkt. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 5 en 6 kunnen de leerlingen samen verschillende raadspelletjes bedenken en op elkaar uitproberen. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen elkaar de opdracht geven om de woorden op een bepaalde manier te onthouden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Tijdens de Uitleg kunt u de leerlingen drie woorden op laten schrijven waar ze een raadspel mee kunnen doen (uitbeelden of erover vertellen). Een paar leerlingen voeren hun raadspel uit, de anderen raden om welk woord het gaat. Bij de Uitleg en bij opdracht 8 kunt u met de zwakkere leerlingen de suggesties een voor een bespreken. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. -Taalin 58 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

22 hl blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren Doelen De leerlingen leren de verbindingswoorden maar en want te gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 72 en 73 w a2, pagina 34 a a2, pagina 34 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen wordt een situatie voorgelegd over een voorstelling op school. Verschillende kinderen vertellen elkaar of ze wel of niet gaan kijken. Zij gebruiken daarbij de woorden maar en want. De leerlingen gaan na van welke kinderen ze weten waarom ze wel of niet gaan kijken. Tot slot geven ze zelf aan of ze wel of niet zouden gaan kijken. Uitleg Uitgelegd wordt dat maar en want verbindingswoorden zijn. Zij verbinden twee zinnen aan elkaar. De leerlingen oefenen met de verbindingswoorden maar en want. Ze maken zinnen af en bedenken zelf zinnen met een verbindingswoord. Terugkijken De leerlingen kiezen een zin, die aangeeft of zij het lastig of juist handig vinden om de woorden maar en want te gebruiken. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met het volgende. Controleer of de leerlingen het betekenisverschil tussen maar en want kennen. Ze hoeven het niet uit te leggen, maar moeten wel voorbeelden kunnen geven. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Bij opdracht 7 kunnen de ingevulde teksten klassikaal uitgewisseld en besproken worden. Tips Laat de leerlingen enkele smoezen bedenken met want. De beginzin ligt vast en staat op het bord, bijvoorbeeld: Ik kan niet naar school, want... Laat de leerlingen verschillende tegenstellingen bedenken met maar, bijvoorbeeld: Ik hou van muziek, maar... Sprekershoek Laat de leerlingen bij het spreken in de sprekershoek letten op het gebruik van de verbindingswoorden maar en want. Aantekeningen Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatie Controleer of de leerlingen de term verbindingswoorden begrijpen. Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 59 -Taalin d

23 hl blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing Doelen De leerlingen weten dat hoofdletters gebruikt worden aan het begin van een zin en bij namen van mensen, straten, plaatsen en landen. De leerlingen kunnen zelf hoofdletters plaatsen in een tekst. Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 74 en 75 w a2, pagina 35 a a2, pagina 35 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen bekijken de adreszijde van een kaart met en zonder hoofdletters. Ze beoordelen welke kaart juist geschreven is en waarom. Ze bekijken ook enkele namen van straten, plaatsen en landen. Ze moeten tot de conclusie komen dat die namen met een hoofdletter geschreven worden. Uitleg Uitgelegd wordt wanneer er hoofdletters gebruikt moeten worden: bij namen en aan het begin van een zin. De leerlingen oefenen met het gebruik van hoofdletters. Ze schrijven hun eigen naam en adres en enkele plaats-, straat- en persoonsnamen op met de hoofdletters op de juiste plaatsen. In een tekst zonder hoofdletters geven ze aan waar die moeten staan. Terugkijken De leerlingen passen toe wat ze geleerd hebben door in een tekst aan te geven op welke plaatsen de hoofdletters ontbreken. Laat de leerlingen een echte kaart of brief versturen. U controleert of het adres goed geschreven is. Ze kunnen hiervoor van thuis een postzegel meenemen. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij Op verkenning kunnen de leerlingen samen overleggen alvorens hun antwoord te noteren. Bij de overige opdrachten kunnen ze hun antwoorden achteraf bespreken en op basis daarvan eventueel verbeteren. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 3 kunt u een aantal straten en plaatsen in de buurt van de school als voorbeeld geven. Bij opdracht 4 kunt u een adres als voorbeeld op het bord schrijven. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 60 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

24 hl blok 7 cultuur les 12 schrijven Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dan dient u rekening te houden met de volgende zaken. Bij opdracht 3 kunt u de leerlingen op weg helpen door te vragen wat ze zelf van het schilderij vinden en waarom. Ga na of het de leerlingen bij opdracht 6 duidelijk is dat het om een smoesje gaat. Doelen Tips De leerlingen leren verbindingswoorden gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t a2, pagina 76 en 77 w a2, pagina 36 a a2, pagina 36 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen een gedicht en bekijken een plaatje. Daarop geven ze verklarend commentaar, waarbij ze gestuurd worden in het gebruik van verbindingswoorden. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat verbindingswoorden twee zinnen aan elkaar plakken. De woorden want en maar worden aangeboden als voorbeeld. De leerlingen oefenen het gebruik van de verbindingswoorden maar en want in zinnen, korte teksten en naar aanleiding van plaatjes. Terugkijken Ter evaluatie kiezen de leerlingen een zin die bij hen past. Daarmee geven ze aan of ze het gebruik van de verbindingswoorden maar en want goed onder de knie hebben. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 5 kunnen de leerlingen bij een van de twee zinnen de tekening voor de ander maken. Zo wordt al snel duidelijk of de betekenis klopt. Bij opdracht 6 kunnen de leerlingen samen hun smoes bedenken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt ervoor kiezen om de onderdelen Op verkenning en Terugkijken niet schriftelijk, maar uitsluitend mondeling te behandelen. Bij opdracht 5 laat u de leerlingen verschillende mogelijkheden noemen om beide zinnen af te maken. Bij opdracht 6 kunt u samen verschillende smoezen bedenken. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 61 -Taalin Wijs de komende week ook in andere lessen op het gebruik van verbindingswoorden. d

25 hl blok 7 cultuur toetstaak Toetsactiviteiten Doel Deze toetstaak meet of de leerlingen kernonderdelen van de in blok 7 aangeboden leerstof beheersen. Materialen basisstof k a, blok 7, blad 1 en 2: toetstaak k a, blok 7, blad 3: registratieblad extra stof Taalmaker Voorbereiding Kopieer voor alle leerlingen de toetstaak (kopieerblad 1 en 2 van blok 7). Kopieer voor uzelf het registratieblad (kopieerblad 3 van blok 7). Zorg ervoor dat de kinderen de toetstaak individueel en zelfstandig maken. Het is belangrijk dat ze ongestoord kunnen werken. 1 Onderdeel: spreken/luisteren Doel: De leerlingen weten op welke manieren ze een moeilijk woord kunnen uitleggen. Activiteit: Van een reeks woorden geven de leerlingen aan welke twee woorden je het beste op de gegeven manier kunt uitleggen. 2 Onderdeel: spreken/luisteren Doel: De leerlingen kunnen verwijswoorden gebruiken die betrekking hebben op personen. Activiteit: De leerlingen vervangen in enkele zinnen de zelfstandige naamwoorden door persoonlijke voornaamwoorden. 3 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen weten in welke situaties ze hun school- of hun thuistaal kunnen gebruiken. Activiteit: De leerlingen kruisen een aantal situaties aan waarin ze hun thuistaal gebruiken. 4 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen weten op welke plaatsen hoofdletters, punten en vraagtekens in een tekst geplaatst moeten worden. Activiteit: De leerlingen omcirkelen de letters die hoofdletters moeten zijn, en plaatsen punten en vraagtekens in een tekst. 5 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen weten dat ze woorden kunnen onthouden door ze te tekenen. Activiteit: De leerlingen tekenen enkele woorden. 6 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen weten dat ze woorden kunnen onthouden door er raadspelletjes mee te doen. Activiteit: Enkele woorden worden omschreven. De leerlingen raden om welke woorden het gaat. Ook moeten ze zelf een raadsel maken. Aantekeningen -Taalin 62 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

26 hl blok 7 cultuur toetstaak Organisatie De leerlingen maken de toetstaak individueel en zelfstandig. Het is wel aan te raden om een korte taakinstructie te geven en na te gaan of de leerlingen de opdrachten snappen. Er is geen tijdslimiet voor het afronden van de toetstaak. De kinderen die klaar zijn met de toetstaak, kunnen aan de slag met plustaken uit Taalmaker. Signalering en differentiatie Na het afronden van de toetstaak kunt u zelf de resultaten bekijken en registreren op het registratieblad van blok 7. De toetsvragen 1 t/m 4 resulteren elk in een aparte score. Bij opdracht 5 en 6 wordt het aantal items bij elkaar opgeteld en wordt er een gezamenlijke score berekend. Op basis van de adviesnorm kunt u bepalen of het kind de komende lesmomenten aan de slag moet met herhalingslessen of verder kan gaan met plustaken. De adviesnorm staat vermeld op het registratieblad. De herhalingstaken zijn bedoeld voor leerlingen die in onvoldoende mate de doelen van dit blok bereikt hebben. In de herhalingslessen krijgen zij verlengde instructie en begeleide verwerking, waardoor zij alsnog het gewenste beheersingsniveau kunnen bereiken. In principe zijn de vervolgsuggesties bedoeld voor de lesmomenten die op de toetstaak volgen. Daarnaast is het raadzaam kinderen die onvoldoende scoren, meer begeleiding te geven tijdens de basislessen van de komende blokken. U kunt dit doen door (gedeelten van) de lessen voor deze kinderen begeleid aan te bieden. Antwoorden 1 de boom - de tafel het zout - de bloem kruipen - dik 2 hij, wij, zij, zij, jullie 3 bij je opa en oma tegen je neefje of nichtje 4 Griselda is een gemene heks. Ze woont in het bos. Ze maakt vreemde drankjes. Ze zegt rare toverspreuken. Zou jij Griselda wel eens willen zien? Of ben je bang voor heksen? 5 De volgende woorden zijn getekend: de drummer, buigen, de poppenkast, het schilderij, de cd, de radio. 6 het publiek toneelspelen de viool de dvd Bijvoorbeeld: Je staat voor de klas. Je praat over een onderwerp. Je laat ook plaatjes zien. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 63 -Taalin d

27 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Activiteiten Op basis van de toetsresultaten gaan kinderen de komende lesmomenten aan de slag met herhalingstaken en/of plustaken. De leerlingen die onvoldoende scoorden op onderdelen van de toetstaak, gaan herhalingstaken maken. De leerlingen die dit niet nodig hebben, gaan zelfstandig aan de slag met de plustaken. De adviesnorm die hoort bij de toetsopdrachten, vindt u op het registratieformulier bij de toetstaak. De onderstaande voortgangsplanner helpt u de vervolgactiviteiten te bepalen. Voortgangsplanner week 4 blok 7 Toetsopdrachten Resultaat Vervolgactiviteit Opdracht 1 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 1 Opdracht 2 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 2 Opdracht 3 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 3 Opdracht 4 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 4 Opdracht 5 en 6 -> Onvoldoende Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en/of 6 -> (Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld, herhaling doelwoorden uit blok) Alle toetsopdrachten -> Voldoende of goed -> Plustaken Taalmaker -> Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld (extra doelwoorden) Herhalingstaken De herhalingstaken kunnen remediërend ingezet worden en bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De kinderen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij, op onderdelen, te begeleiden. Door gerichte mondelinge interactie is de kans groter dat ze de doelen van het blok alsnog bereiken. Herhalingstaak 1: spreken/luisteren Doel De leerlingen weten op welke manieren ze een moeilijk woord kunnen uitleggen. Materialen Kopieerblad 4 van blok 7: herhalingstaak 1 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 4 van blok 7 (herhalingstaak 1) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 1. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u dit samen doen. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele opdrachten geven. U schrijft een paar woorden op het bord waarvan de betekenis uitgelegd moet worden. Bijvoorbeeld: trein, suiker, sla, koffer. U schrijft de mogelijkheden om een woord uit te leggen op het bord: - met woorden - met een plaatje/tekening - uitbeelden - laten zien, voelen, ruiken, proeven, horen Bij alle woorden bespreekt u samen met de leerlingen de mogelijkheden. U laat de leerlingen hun conclusies toelichten. Vertel er ook bij dat het soms van de situatie afhangt hoe je een woord uitlegt. Als je op een station bent, kun je een trein laten zien. Als je een boek over treinen hebt, kun je een plaatje laten zien. Als je papier en potlood hebt, kun je een trein tekenen. De leerlingen gaan nu de opdrachten maken. Bij beide opdrachten kiezen de leerlingen op welke manier ze een aantal gegeven woorden willen uitleggen. Daarna leggen ze die woorden uit aan hun buur. Antwoorden kopieerblad 4 1 Bijvoorbeeld: met woorden: de zin, roepen, de boer plaatje/tekening: de tractor, het bad, de steen, de duif uitbeelden: roepen, dansen, de kus laten zien/horen/ruiken/voelen: roepen, de steen 2 Bijvoorbeeld: De wortel: laten proeven/zien, tekenen De baby: laten zien/horen, tekenen, uitbeelden -Taalin 64 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

28 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Herhalingstaak 2: spreken/luisteren Doel De leerlingen kunnen verwijswoorden gebruiken die betrekking hebben op personen. Materialen Kopieerblad 5 van blok 7: herhalingstaak 2 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 5 van blok 7 (herhalingstaak 2) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 2. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u dit samen doen. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele opdrachten geven. Schrijf bijvoorbeeld enkele zinnen op het bord. - Iris is verkouden. Iris moet hard hoesten. - Thera vraagt: Mag Thera een snoepje? - Mijn moeder en ik gaan naar de stad. - Gaan je broer en jij morgen op vakantie? - De kinderen spelen op het plein. De kinderen beginnen met knikkeren. Daarna doen de kinderen verstoppertje. Ga samen met de leerlingen na welke woorden het beste door een verwijswoord vervangen kunnen worden. De leerlingen gaan nu de opdrachten maken. In opdracht 1 geven ze aan waar beter verwijswoorden in plaats van naamwoorden gebruikt kunnen worden. In opdracht 2 kiezen ze uit een aantal verwijswoorden het goede woord. Opdracht 3 is opener. Daar vullen de kinderen zelf verwijswoorden in. Antwoorden kopieerblad 6 1 Tom heeft een nieuwe fiets. Hij laat hem aan Jamal zien. Jamal vraagt: Mag ik er een eindje op rijden? Tom weet niet goed wat hij moet doen. Hij zegt: Nou, goed dan. 2 Help, ik ga recht op de vijver af, denkt hij. Jamal wil remmen, maar dat lukt hem niet. Ik val in het water! roept hij. En ja hoor, hij gaat kopje-onder. 3 Ik hoop dat er niets ergs gebeurd is, denkt hij. Jamal, waar ben je? roept hij. Ik ben hier! roept Jamal. Tom kijkt naar zijn fiets. Gelukkig, hij is nog helemaal heel. Herhalingstaak 3: taalbeschouwing Doel De leerlingen weten in welke situaties ze hun school- of hun thuistaal kunnen gebruiken. Materialen Kopieerblad 6 van blok 7: herhalingstaak 3 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 6 van blok 7 (herhalingstaak 3) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 3. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. U kunt bijvoorbeeld ingaan op de situatie in uw klas. Zitten er in uw groep kinderen van wie het Nederlands de tweede taal is? Wordt er in uw groep een streektaal gesproken? Kennen de kinderen enkele woorden die bij deze streektaal horen? Wat is anders dan in de standaardtaal? Worden de kinderen weleens geplaagd als ze geen ABN spreken? Welke problemen ondervinden de kinderen van wie het Nederlands de tweede taal is? De leerlingen gaan nu de opdrachten maken. In opdracht 1 zegt een Turkse leerling per ongeluk een woord in haar eigen taal. Aan de hand van meerkeuzevragen geven de leerlingen hun visie op deze situatie. In opdracht 2 wordt een kind terechtgewezen, omdat ze haar streektaal gebruikt. De leerlingen geven hun mening door enkele meerkeuzevragen te beantwoorden. Antwoorden kopieerblad 6 1 Selma gebruikt een Turks woord. De kinderen die ook Turks spreken. 2 Bijvoorbeeld: - gewoon Nederlands spreken. - de taal van haar dorp spreken. - vergis je je op school soms. - Nadenken over waar je je thuistaal gebruikt. Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 65 -Taalin d

29 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Herhalingstaak 4: taalbeschouwing Doel De leerlingen weten op welke plaatsen hoofdletters, punten en vraagtekens in een tekst geplaatst moeten worden. Materialen Kopieerblad 7 van blok 7: herhalingstaak 4 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 7 van blok 7 (herhalingstaak 4) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 4. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele zinnen op het bord behandelen. Schrijf bijvoorbeeld (zonder punten en hoofdletters te gebruiken) het volgende op het bord. - aan het begin van een zin staat een hoofdletter - achter een zin staat een punt - weet je ook waar een vraagteken staat U laat een kind naar het bord komen om de hoofdletters, de punten en het vraagteken op de goede plaatsen te zetten. Het kind licht toe waarom de leestekens op de bewuste plekken moeten staan. De leerlingen gaan nu de opdrachten maken. Ze brengen in een tekst de hoofdletters, punten en vraagtekens aan. Bij de tweede opdracht schrijven ze zelf een kort verhaal. Een klasgenoot bekijkt of de leestekens op de goede plaats staan. Antwoorden kopieerblad 7 1 Meester Mark heeft een baby. Ze heet Annemijn. Jitske en Sandra willen de baby graag zien. Ze fietsen naar het huis van meester Mark. Maar ze durven niet aan te bellen. Dan gaat de deur open. Meester Mark komt met een kinderwagen naar buiten. Jitske en Sandra lopen naar de kinderwagen. Ze vragen: Mogen we even kijken? Dat is goed. De baby heeft rood haar. Ze lijkt op haar vader. 2 Ter beoordeling van de leerkracht. Herhalingstaak 5: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 7. Materialen Woordkenner (leerspel) Voorbereiding Leg de stukken van het spelbord op de juiste manier tegen elkaar aan zodat het één geheel wordt. Op basis van de resultaten op het onderdeel woordenschat van de toetstaak (zie het registratieblad bij de toetstaak) formeert u een groepje met leerlingen die onvoldoende scoorden. U selecteert op basis van de resultaten op de toetstaak ook de doelwoorden die u met het groepje kinderen nog extra wilt gaan oefenen. U kunt hierbij gebruik maken van het doelwoordenoverzicht (zie pagina 67). U doet dit door deze woorden op de blanco woordkaartjes te schrijven. Voorkom dat het aantal nog te oefenen doelwoorden te groot wordt. Kies meer voor de kwaliteit van de oefening, dan voor de hoeveelheid woorden die aan bod komen. Vier tot acht woorden is een geschikt aantal om mee aan de slag te gaan. Werkwijze In principe is deze herhalingstaak een begeleide activiteit waarbij u samen met de leerlingen die de woorden van dit blok nog niet beheersen, de betekenis van de woorden gaat bespreken en activiteiten gaat doen opdat ze deze beter kunnen onthouden. U maakt hierbij gebruik van het leerspel Woordkenner. Indien noodzakelijk kunnen de leerlingen, als ze eenmaal vertrouwd zijn met de werkvorm, de activiteit ook zelfstandig uitvoeren. Wanneer de groep leerlingen met wie u de activiteiten uit wilt voeren te groot is, kunt u er ook voor kiezen het spelbord deze keer niet te gebruiken en de te oefenen doelwoorden op het bord te schrijven. In dat geval kunnen de leerlingen toch gebruikmaken van de bladen uit Woordkenner. U groepeert de leerlingen rondom het spelbord. U legt het stapeltje beschreven woordkaartjes boven het spelbord. Vervolgens pakt u het eerste woordkaartje, voorziet het van de steuntjes zodat het rechtop kan staan en plaatst het geheel in het startvak. Nadat de startopdracht (opdracht 1) is gedaan, wordt de boot verplaatst naar de volgende aanlegsteiger. Hier wordt opdracht 2 gedaan, waarna de vaartocht naar de derde steiger plaatsvindt. De woordboot vaart zo om het eiland en legt aan bij alle aanlegsteigers. Bij iedere steiger doen de leerlingen een activiteit met het woord. De activiteiten leiden ertoe dat de kinderen het doelwoord gaan kennen én de woordleer- en woordonthoudvaardigheden die ze in de lessen hebben geleerd, toepassen. De leerlingen voeren de activiteiten uit op het Woordkennerblad. -Taalin 66 Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 d

30 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Als de woordboot helemaal om het eiland is gevaren, zet deze weer koers naar het vasteland. Hier wordt het woord nog eens gecontroleerd en vervolgens wordt het kaartje naast het spelbord gelegd. Vanaf het startpunt vertrekt het volgende woord. Hiermee voeren de leerlingen dezelfde activiteiten uit. Het spel is afgelopen op het moment dat alle woorden aan de orde zijn geweest. Het werken met Woordkenner levert een belangrijke bijdrage aan de vergroting van de woordenschat van de leerlingen. U moet zich daarbij wel realiseren dat het belangrijk is de woorden gedurende de week nog een aantal keren te herhalen, zodat de kinderen zich de betekenis blijvend eigen maken. Hierbij kan ook herhalingstaak 6 een belangrijke rol spelen, waarbij kinderen de woorden oefenen met een computerprogramma. Meer informatie over Woordkenner vindt u in de toelichting in de speldoos. Herhalingstaak 6: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 7. De leerlingen oefenen de extra woorden van blok 7. Materialen Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld Werkwijze Met het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen de leerlingen de doelwoorden die ze nog niet kennen, verder oefenen. Het programma bevat tachtig doelwoorden per blok. In eerste instantie gaan de leerlingen aan de slag met de doelwoorden die ook in de taallessen aan de orde zijn geweest. Ze maken een ordening in woorden die ze kennen, en woorden die ze nog niet kennen. Met de laatste gaan ze intensief oefenen, waarbij tussendoor ook gecheckt wordt of ze de woorden die ze zeggen te kennen, ook inderdaad beheersen. Is dit niet het geval, dan worden deze woorden toegevoegd aan de oefeningen. Uiteindelijk worden op deze manier alle doelwoorden van het blok nogmaals gecontroleerd en, indien nodig, geoefend. Als kinderen de doelwoorden uit het blok beheersen, gaan ze vanzelf verder met de extra woorden. De overgang van de herhalingstaak naar de plustaak is dus probleemloos geregeld vanuit de software. Doelwoorden blok 7 het applaus buigen de cd de dans de drummer de dvd de film het gedicht het instrument klappen het lied de muziek het orkest de poppenkast het publiek de radio rijmen de schilder het schilderij de spreekbeurt de strip het toneel toneelspelen de truc de tv verkleden de viool de voorstelling werkelijk de zangeres Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vindt u in de handleiding bij de cd-rom. Taal in beeld - jaargroep 4 - handleiding a2 67 -Taalin d

31 Ben Verschuren Hans van Wessel Desiree van den Bogaard Adriaan Maters Maril Rijks Wat heb je nodig? Taalboek a2 Werkboek a2 Schrift Wat moet je doen? Pak je taalboek. Lees wat je gaat doen in de les. Begin bij 1. Volg de nummers door de les. Staat achter een cijfer een S? Schrijf het antwoord in je schrift. Staat achter een cijfer een W? Schrijf het antwoord in je werkboek. Ben je klaar? Maak dan de extra opdracht.

32 Zwijsen taalboek a2 Kom je tekens tegen? Doe dan dit. s Schrijf het antwoord in je schrift. w Schrijf het antwoord in je werkboek. Doe de opdracht met je buur. Spreek samen af wie de spreker is. Spreek samen af wie de luisteraar is.» Extra opdracht. Deze opdracht maak je als je tijd hebt.

33 t blok 7 cultuur les 1 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door te tekenen. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal. Grombol leert nieuwe woorden. Let op hoe hij ze wil onthouden. Wouter droomt. Wouter slaapt. Grombol is wakker. Hij loopt door het huis. Er hangen nog steeds kaartjes. Kaartjes met woorden. Die heeft hij lang geleden opgehangen. Grombol kent al veel woorden. Woorden uit de taal van Wouter. Maar sommige woorden zijn moeilijk. Die kan hij niet goed onthouden. Zoals de cd en de dvd. Naar een cd kun je alleen maar luisteren. Naar een dvd kun je ook kijken. Hoe kan hij dat onthouden? Grombol pakt een vel papier. Hij tekent twee rondjes. Bij het ene tekent hij muziek. Bij het andere tekent hij een gezicht. Hij wil de namen eronder schrijven. Maar... welk rondje is ook alweer de cd? En welk rondje is de dvd? 2 s 3 s Hoe wil Grombol de woorden onthouden? Schrijf de goede letter in je schrift. a. Hij kijkt naar de woorden. b. Hij tekent de woorden. c. Hij luistert naar de woorden. Maak een tekening van een cd en een dvd. Teken erbij wat je ermee kunt doen. Schrijf de naam eronder. 54

34 Uitleg Woorden kun je onthouden door ze te tekenen. Je kunt tekenen: - hoe het eruitziet - wie het gebruikt - wat je ermee kunt doen - waar je het ziet de tv het toneel de radio het publiek 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s Denk aan een televisie. Bedenk twee woorden die erbij horen. Schrijf ze op. Maak er een tekening bij. Let op: - hoe het eruitziet - wie het gebruikt - wat je ermee kunt doen - waar je het ziet Schrijf eronder wat het betekent. Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Denk aan het woord toneel. Kies de zin of zinnen die waar zijn. Schrijf de letter(s) op. a. Ik kan tekenen hoe een toneel eruitziet. b. Ik kan tekenen wie toneel speelt. c. Ik kan tekenen wat je op het toneel kunt doen. d. Ik kan tekenen waar je toneel kunt zien.» s Waar denk je aan bij het woord muziek? Teken wat je allemaal weet. Schrijf er woorden bij. 55

35 t blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert hoe je een woord kunt uitleggen. Op verkenning 1 De kinderen leggen het woord orkest uit. Ze doen dat op verschillende manieren. Let op hoe ze dat doen. Er zijn allerlei instrumenten. De viool, de piano, de trompet, het slagwerk. En er is een dirigent die de maat slaat. Zodat iedere muzikant weet wanneer hij moet spelen. 2 s 3 s Hoe leggen de kinderen het woord orkest uit? Schrijf het op. Doe het zo: Veerle Luuk Marlon Britt Hoe zou jij het woord orkest uitleggen? Schrijf het op. Doe het zo: Ik zou 56

36 Uitleg Een woord kun je op verschillende manieren uitleggen: 1. met woorden 2. uitbeelden 3. met een plaatje 4. laten zien, horen, ruiken, voelen of proeven Een hond is een zoogdier op vier poten. Hij heeft een vacht, scherpe tanden en hij kan blaffen. 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s Bedenk een woord dat bij het orkest hoort. Hoe kun je dat woord uitleggen? Schrijf het op. Doe het zo: Het woord is: Ik kan het uitleggen door: Leg het woord uit. Maar zonder het woord te gebruiken. Wat is het woord? Je mag vragen stellen. Terugkijken 8 s Ik begrijp een woord beter als ik een plaatje zie. Ik begrijp een woord beter als ik er iets bij hoor. Wat heb je geleerd? Kies uit elk vak de zin die het best bij je past. Schrijf de twee zinnen op. Ik leg een woord het liefst uit met tekst. Ik leg een woord het liefst uit door het uit te beelden.» s Kies een naam van een muziekinstrument. Leg het woord op drie manieren uit. 57

37 t blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing Wat ga je doen? Soms praten mensen thuis anders dan op school. Je leert waarom. 1 Op verkenning Lees wat Hassan en Lisa zeggen. Hello, ik ben Lisa. Ik heb altijd in Engeland gewoond. We wonen nu een jaar hier. Thuis praat ik Engels. Op school niet, daar praat ik Salam, ik ben Hassan. Ik ben geboren in Nederland. Mijn ouders zijn in Marokko geboren. Thuis spreek ik Arabisch. Maar op school 2 s Welke taal praten Hassan en Lisa op school? Kies een zin. Schrijf de letter in je schrift. a. Lisa en Hassan praten op school Engels. b. Hassan praat op school Arabisch. Lisa praat op school Engels. c. Lisa en Hassan praten op school Nederlands. 3 s 4 s 5 s Waarom praten ze op school anders dan thuis? Schrijf het op. Doe het zo: Omdat Sommige kinderen spreken thuis de taal van een ander land. Sommigen spreken de taal van de plaats waar ze wonen. Ken jij mensen die de taal van hun plaats spreken? Schrijf hun namen op. Welke taal spreek jij thuis? En op school? Schrijf het op. Doe het zo: Thuis spreek ik Op school spreek ik 58

38 Uitleg Soms praten mensen thuis anders dan op school. Omdat ze ergens anders geboren zijn. Of omdat hun ouders zo praten. Of omdat ze dat fijner vinden. tot ziens De taal op school is de schooltaal. De taal thuis heet de thuistaal. au revoir 6 8 w Maak de opdrachten in je werkboek. 9 s 10 s Lees het verhaal. Wat vind jij van de grap van Lars? Schrijf het op. Doe het zo: Ik vind de grap Omdat Maak het verhaal af. Schrijf het op. Zorg dat het goed afloopt. Lars woont in Amsterdam. Hij zit op judo. Er zit een nieuwe jongen in zijn groep. Hij heet Ayoep. Ayoep komt niet uit Amsterdam. Hij praat anders dan de andere jongens. Lars maakt een grap. Hij gaat net zo praten als Ayoep. Ayoep vindt dit niet leuk. Hij loopt huilend naar de kleedkamer. 11 s Wat heb je geleerd? Schrijf de letters op. Zet erachter waar of niet waar. Terugkijken a. Ik weet wat thuistaal is. b. Ik weet wat schooltaal is. c. Ik snap waarom kinderen thuis soms anders praten. d. Ik praat op school anders dan thuis.» s Teken een schilderij dat leeg is. Vul het schilderij met woorden. Schrijf aan de ene kant woorden uit een thuistaal. Schrijf aan de andere kant woorden uit de schooltaal. Maak er iets moois van. 59

39 t blok 7 cultuur les 4 schrijven Wat ga je doen? Je leert hoe je moeilijke woorden kunt uitleggen. Op verkenning 1 Bekijk de plaatjes. Lees de teksten. Let op hoe de scheve woorden worden uitgelegd. Ik ben Kim. Ik houd mijn spreekbeurt over goochelen. Dat is een beetje als toveren. Maar het is niets anders dan het doen van trucs. zadel frame (zeg: freem) dynamo (zeg: dienaamoo) 2 s 3 s Hoe legt Kim het woord goochelen uit? Hoe wordt het woord frame uitgelegd? Schrijf dat op. Doe het zo: Goochelen wordt uitgelegd Frame wordt uitgelegd Leg uit wat een zadel is. Doe het zo: Een zadel velg 60

40 Uitleg Moeilijke woorden kun je uitleggen met een zin. Maar je kunt ook een plaatje gebruiken. Dit kun je uitleggen: - hoe het eruitziet - wat je ermee kunt doen - wat voor geluid het maakt Kim gaat naar een concert. Dat is een voorstelling met muziek. 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Kies een muziekinstrument. Leg uit hoe het eruitziet. En wat je ermee doet. Gebruik een zin en een tekening. trom fluit gitaar piano Terugkijken 8 s Kies een moeilijk woord over toneel, film of dans. Leg dat woord uit met een zin en een plaatje.» s Bedenk een nieuw woord. Niemand weet nog wat het betekent. Leg het woord uit. Is het een ding of een dier? Hoe ziet het eruit? Wat kun je ermee doen? Maak er een tekening bij. 61

41 t blok 7 cultuur les 5 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door erover te schrijven. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal. Wouter leert Grombol woorden onthouden. Let op hoe hij dat doet. Nacht. Donker. Wouter wordt wakker. Hij ziet Grombol. Wat ben je aan het doen? Grom, bol bol. Ik teken woorden. Leuk, zegt Wouter. Maar Grombol schudt zijn hoofd. Hij wijst naar het woord de film. Bol grom, grom grom. Grom, grom bol, bol. Een film kun je niet tekenen. Een film beweegt en een tekening staat stil. Wouter denkt na. Ik weet het al, zegt hij. Je moet er niet over tekenen. Je moet erover schrijven. Bijvoorbeeld: Een film bestaat uit plaatjes die bewegen. Je ziet de mensen lopen. Je ziet dat ze autorijden. Je ziet dat ze praten. En je kunt horen wat ze zeggen. Net alsof je er zelf bij bent. 2 s 3 s Hoe onthoudt Wouter het woord de film? Schrijf de goede letter op. a. Hij schrijft erover. b. Hij maakt er een tekening over. c. Hij wijst naar woorden. Wat weet jij over de film? Schrijf erover in je schrift. 62

42 Woorden kun je onthouden door erover te schrijven. Bijvoorbeeld: - door zinnen te maken - door een verhaaltekst te schrijven - door een weettekst te schrijven Je kunt schrijven: - hoe het eruitziet - wie het gebruikt - wat je ermee kunt doen - waar je het ziet Uitleg een zin: In mijn kamer hangt een schilderij aan de muur. een verhaaltekst: Jorien weet niet wat ze moet doen. Ze verveelt zich. Zal ze gaan tekenen? Of een schilderij maken? een weettekst: Voor een schilderij heb je verf nodig. En een kwast om te verven. Ook heb je papier of een doek nodig. Daarop kun je schilderen. 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s Schrijf een verhaaltekst of een weettekst over de schilder. Let op: - hoe hij eruitziet - wat hij gebruikt - wat hij doet - waar je hem ziet Terugkijken 8 s Denk aan het woord de dans. Wat kun je doen om het woord te onthouden? Schrijf de letters op. Zet er waar of niet waar achter. a. Ik kan een zin schrijven over dans. b. Ik kan een verhaaltekst schrijven over dans. c. Ik kan een weettekst schrijven over dans. d. Ik kan een tekening maken over dans.» s Waar denk je aan bij het woord dans? Schrijf er een verhaaltekst of een weettekst over. Maak er een tekening bij. 63

43 t blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert verwijswoorden gebruiken. Op verkenning 1 s Kijk naar de tekening. Let op over wie de mensen praten. Doe jij voorzichtig? Wij eten taart, wij hebben feest. 2 s 3 s Over wie praten ze? Schrijf de letters op. Vul de zinnen aan in je schrift. Doe het zo: a. Job praat over b. Lars praat over c. Sam praat over d. Jochem praat over e. Moeder praat over f. Inge praat over g. Vader praat over h. Vader praat ook over Ik, jij, hij, wij, jullie en zij. Kies een van deze woorden. Schrijf het op. Maak er twee zinnen mee. Doe het zo: Woord: Zin 1: Zin 2: Ik ben jarig. Ik heb een feestje in het bos. Waar is Ruben? Hij hangt in de boom. Jij krijgt heel veel kadootjes. Jullie boffen. En zij boffen ook! 64

44 Uitleg Verwijswoorden zijn woorden die ergens naar verwijzen. Bijvoorbeeld: ik, jij, hij, wij, jullie en zij. Deze woorden verwijzen naar personen. Dan hoef je niet steeds de naam te noemen. Met deze verwijswoorden kun je praten over: - jezelf - andere mensen die hier zijn - andere mensen die niet hier zijn Hans is ziek. Hans ligt in bed. of Hans is ziek. Hij ligt in bed. 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Bedenk een toneelstukje met twee poppen. Gebruik verwijswoorden. Schrijf het toneelstukje eerst op. Speel het daarna met zijn tweeën. Je duim kan de pop zijn. Ik ben gek op dansen, doe jij mee? Papa zegt dat wij daar te houterig voor zijn. 9 s Welke tekst vind jij het best? Schrijf op: a of b. Schrijf ook op waarom je dat vindt. a. Tessa komt uit school. Tessa loopt naar huis. Het regent pijpenstelen. Tessa wordt nat, kletsnat. Als Tessa thuis is, zegt mama: Trek gauw droge kleren aan, meisje. Terugkijken b. Tessa komt uit school. Ze loopt naar huis. Het regent pijpenstelen. Ze wordt nat, kletsnat. Als ze thuis is, zegt mama: Trek gauw droge kleren aan, meisje.» s Bedenk een gesprek tussen een paar kinderen. De kinderen praten over toneelspelen. Ze willen de rollen verdelen. Schrijf het gesprek in je schrift. Gebruik namen en verwijswoorden. 65

45 t blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert zinnen duidelijk te maken. Door hoofdletters en punten te gebruiken. En vraagtekens en uitroeptekens. Op verkenning 1 Probeer de tekst te lezen. Lukt het? villa zebra villa zebra is een museum voor kinderen van 4 tot 12 jaar je vindt het in rotterdam in villa zebra kunnen kinderen kunst bekijken je kunt er ook zelf kunst maken je kunt er bijvoorbeeld schilderen en tekenen ook kun je er knippen en plakken villa zebra is van dinsdag tot en met zondag van 11 uur tot 5 uur geopend 2 s 3 s Is het moeilijk om de tekst te lezen? Schrijf het op. Vertel ook waarom. Doe het zo: Ik vind Omdat Lees de drie zinnen. a. Wil je grappige of heel bijzondere kunstwerken bekijken? b. Kom naar Villa Zebra! c. Je kunt er ook zelf een kunstwerk maken. Schrijf in je schrift: Achter zin a staat een Omdat Achter zin b staat een Omdat Achter zin c staat een Omdat 66

46 Uitleg Een zin begint met een hoofdletter. Aan het eind van een zin staat meestal een punt. Als de zin iets vraagt, staat er een vraagteken. Roept de zin iets uit, dan staat er een uitroepteken. Ik ben een zin. Ken jij mij? Ik jou gelukkig wel! 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s Katrijn ziet dat Jan Klaassen van de taart snoept. Wat zegt ze? Schrijf dat in je schrift. Zet de hoofdletters en de punten op de goede plaats. Jan heeft er spijt van. Wat zegt Jan? Schrijf dat ook op. 8 s Wie heeft gelijk: Jan Klaassen of Katrijn? Schrijf het in je schrift. Vertel ook waarom. Doe het zo: heeft gelijk. Omdat Terugkijken Achter iedere zin komt een punt. Dat is niet waar.» s Kies een leesboek. Lees een stukje hardop. Let op hoofdletters, punten, vraagtekens en uitroeptekens. Lees de zinnen op de goede manier. Wacht als het moet bij een punt. Ga met je stem omhoog bij een vraagteken. Zet iets met nadruk bij een uitroepteken. 67

47 t blok 7 cultuur les 8 schrijven Wat ga je doen? Je leert verwijswoorden gebruiken. Op verkenning 1 Lees de twee teksten over Flip. Let op wat anders is. Tekst 1 Flip gaat naar de bioscoop. Flip houdt erg van films. Al het zakgeld van Flip gaat op aan films. Later wil Flip zelf ook in een film spelen. Daarom zit Flip op toneelles. Het liefst speelt Flip de rol van de held. Tekst 2 Flip gaat naar de bioscoop. Hij houdt erg van films. Al zijn zakgeld gaat op aan films. Later wil hij zelf ook in een film spelen. Daarom zit hij op toneelles. Het liefst speelt hij de rol van de held. 2 s 3 s Wat is anders in de twee teksten? Schrijf dat op. Welke tekst vind jij het beste? Waarom? Schrijf het in je schrift. Doe het zo: Ik vind tekst het beste. Omdat 68

48 Uitleg Verwijswoorden zijn woorden die naar iets anders wijzen. Bijvoorbeeld naar de naam van iemand. Met een verwijswoord hoef je die naam niet meer te noemen. Voorbeelden van verwijswoorden zijn: ik, jij, hij, wij of we, jullie, zij of ze. Inge mag met vader mee. Hij is drummer. Hij gaat een cd opnemen. Samen rijden ze in de auto. Inge is trots op haar vader. Ze wil later net zo goed drummen als hij. 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s Flip en Inge luisteren veel naar muziek. Maar ze maken ook zelf muziek. Schrijf een tekst over Flip en Inge. Gebruik in je tekst namen en verwijswoorden. Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Kies de zin die bij jou past. Of bedenk er zelf een. Schrijf de zin op. Ik vind het moeilijk om verwijswoorden te gebruiken. Ik kan verwijswoorden gebruiken.» s Schrijf twee zinnen met het verwijswoord ze. Gebruik het verwijswoord op twee manieren. Voor één persoon en voor meer personen. Laat het verschil zien in een tekening. 69

49 t blok 7 cultuur les 9 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden met een raadspel. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal. Wouter wil weten welke woorden Grombol nog kent. Let op hoe hij dat doet. Grombol kent al veel woorden. Wouter wil weten of hij ze nog kent. Daarom doet hij een raadspel. Je kunt er muziek mee maken, zegt Wouter. Grombol kijkt hem verbaasd aan. Welk woord bedoel ik daarmee? zegt Wouter. Grombol kijkt hem nog steeds verbaasd aan. Een instrument! zegt Wouter. Daar kun je muziek mee maken. Snap je? Grombol kijkt nog steeds verbaasd. Wacht, ik zal het makkelijk maken. Wouter klapt in zijn handen. Welk woord is dit? Grombol lacht en klapt ook in zijn handen. Nee, dat bedoel ik niet. Je moet het woord klappen ráden. Welk woord is dit? Wouter doet alsof hij een lied zingt. Grombol lacht weer. Hij doet ook alsof hij een lied zingt. Wouter zucht. Grombol snapt er niets van, denkt hij. Zo leert hij nooit woorden onthouden. 2 s Hoe wil Wouter weten of Grombol de woorden nog kent? Schrijf de letter(s) op van de zin of zinnen die goed zijn. a. Hij beeldt het woord uit. b. Hij tekent het woord. c. Hij vertelt over het woord, maar noemt het niet. 70

50 Uitleg Woorden kun je onthouden. Dat kan door er een raadspel mee te doen. Bijvoorbeeld: - door iets over het woord te vertellen (natuurlijk zonder het woord te noemen!) - door het woord uit te beelden Je kunt vertellen of uitbeelden: - hoe het eruitziet - wie het gebruikt - wat je ermee kunt doen - waar je het ziet 3 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. de voorstelling 7 s Je hebt nu geleerd hoe je een woord kunt onthouden. - door het woord te tekenen - door erover te schrijven - door een raadspel te doen Lees de drie woorden en schrijf ze op. Hoe wil je ze onthouden? Schrijf dat erachter. Voer het ook uit. Een raadspel doe je samen met je buur. toneelspelen werkelijk Terugkijken 8 s Wat vind jij de beste manier om een woord te onthouden? Kies een zin of bedenk er zelf een. Schrijf de zin op. Woorden onthouden door te tekenen. Woorden onthouden door te schrijven. Woorden onthouden met een raadspel.» s Welke woorden vind jij belangrijk om te onthouden? Schrijf vijf woorden op. Schrijf erbij hoe je ze het beste kunt onthouden. 71

51 t blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert verbindingswoorden gebruiken. Op verkenning 1 Er is een voorstelling op school. Sommige kinderen gaan kijken. Anderen gaan niet kijken. Let op hoe zij dat zeggen. Vandaag gaat het gebeuren. De leerlingen van groep 8 geven een voorstelling. Zij spelen toneel, dansen, zingen en maken muziek. Het orkest zit al klaar. Er is een bassist, een fluitist en een violist. De drummer zit met zijn stokken achter zijn drumstel. De kinderen hebben zich verkleed. Zij staan klaar achter de gordijnen. Ze mogen bijna beginnen Het publiek stroomt naar binnen. Ga jij naar de voorstelling kijken? Ik ga niet kijken, want ik moet naar pianoles. Ik ga niet kijken, maar mijn buurjongen gaat wel. Ik ga kijken, want mijn zus doet mee. Ik ga kijken, maar eigenlijk moet ik zwemmen. 2 s 3 s 4 s Axel en Bo gaan niet kijken. Van wie weet je waarom hij niet gaat kijken? Schrijf de naam op. Franka en Samilla gaan wel kijken. Van wie weet je waarom ze wel gaat kijken? Schrijf de naam op. Zou jij gaan kijken? Waarom wel of niet? Schrijf dat op. 72

52 Uitleg Ik ga kijken, Maar en want zijn verbindingswoorden. Zij verbinden twee zinnen met elkaar. eigenlijk moet ik zwemmen. Ik ga niet kijken, ik moet naar pianoles. 5 7 w Maak de opdrachten in je werkboek. 8 s Je moet naar bed. Jij wil dat liever niet. Wat zou je kunnen zeggen? Maak de twee zinnen af. Gebruik maar of want. Ik kan nog niet naar bed Ik ga wel naar bed 9 s Wat vind jij? Kies een zin en schrijf hem op. Terugkijken Ik vind het handig om maar en want te gebruiken. Ik vind het lastig om maar en want te gebruiken.» s Plak zo veel mogelijk zinnen aan elkaar. Maak er een heel lange zin van. Gebruik steeds maar of want. 73

53 t blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je gaat hoofdletters in een tekst zetten. Op verkenning 2 1 Oma stuurt een kaart naar Anouk. Bekijk de kaarten. 1 2 s 3 s Welke kaart is het beste? Kaart 1 of kaart 2? Waarom vind je dat? Schrijf het op. Doe het zo: Kaart is het beste. Omdat Hier zie je namen. Namen van straten, plaatsen en landen. Let goed op de eerste letter. Kerkstraat - Molenstraat - Tuinstraat Amsterdam - Rotterdam - Utrecht Nederland - Duitsland - Frankrijk Schrijf er nu zelf een paar op. Doe het zo: Straatnamen: Plaatsnamen: Namen van landen: 74

54 Uitleg Zinnen beginnen altijd met een hoofdletter. Namen ook. Bijvoorbeeld namen van mensen. Maar ook van straten, plaatsen en landen. 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s Schrijf op. Denk om de hoofdletters. - de voornamen en de achternamen van drie vriendjes - de namen van drie straten bij jou in de buurt - drie plaatsnamen Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Lees het briefje. Er zijn vijf hoofdletters vergeten. Schrijf de woorden goed op. Aan Maaike jans bloemstraat XD utrecht Hallo maaike, Ik kom op je verjaardag. tot dan! Groeten, Jos» s Schrijf nu zelf een korte tekst. Vergeet drie keer een hoofdletter. Vraag iemand om de fouten te zoeken. 75

55 t blok 7 cultuur les 12 schrijven Wat ga je doen? Je leert verbindingswoorden gebruiken. Op verkenning 1 Lange zinnen, korte zinnen. Tekeningen en scheve woorden. Waar zou het over gaan? Tien kleine visjes die zwommen naar de zee Moeder zei: Maar ik ga niet mee Ik blijf lekker in die oude boerensloot want in de zee zwemmen haaien en die bijten je blub, blub, blub, blub, blub blub, blub, blub, blub, blub blub, blub, blub, blub, blub een schilderij een lied 2 s 3 s Lees Tien kleine visjes. Waarom gaat moeder niet mee naar de zee? Schrijf het op. Doe het zo: Moeder gaat niet mee naar de zee, Kijk naar het schilderij. Wat vindt het meisje van het schilderij en waarom? Schrijf de zin op en maak hem af. Ze vindt, want 76

56 Uitleg Verbindingswoorden zijn woorden die twee zinnen aan elkaar plakken. Er zijn veel verbindingswoorden. Bijvoorbeeld maar en want. Ik word nat, want het regent. Ik word nat, maar dat vind ik niet erg. 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s De kinderen gaan een voorstelling geven. Ze bouwen een toren van karton. Schrijf bij elk plaatje een tekst. Gebruik maar of want. a b c Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Kies de zin die bij jou past. Schrijf die op. Ik kan zinnen maken met maar of want. Ik vind zinnen maken met maar of want moeilijk.» s Schrijf een grappige tekst. Gebruik zo vaak mogelijk maar en want. 77

57 w blok 7 cultuur les 1 woordenschat 4 Lees wat de woorden betekenen. Welke plaatjes horen erbij? Trek lijnen naar de goede tekeningen. Kleur de plaatjes. het applaus Het publiek klapt voor de toneelspelers. buigen De toneelspelers bedanken het publiek. 5 Lees wat de woorden betekenen. Maak er een tekening bij. het orkest In een orkest zitten mensen die muziek spelen. de drummer Een drummer slaat op een drumstel. 6 Kijk naar de plaatjes. Schrijf op wat de woorden betekenen. het publiek: het toneel: t ga terug naar je taalboek 25 -Taalin beeld

58 w blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren 4 5 Hoe zou jij uitleggen wat verdriet betekent? door met woorden uit te leggen wat verdriet is door verdrietig te kijken met een plaatje van iemand die verdrietig is door iemand verdrietig te maken Hoe leg je de volgende woorden het best uit? de pepernoot met woorden uitbeelden met een plaatje laten proeven anders: de radio met woorden uitbeelden met een plaatje laten horen anders: de goochelaar met woorden uitbeelden met een plaatje laten horen en zien anders: het schilderij met woorden uitbeelden met een plaatje laten zien anders: het toilet met woorden uitbeelden met een plaatje laten zien of ruiken anders: de spreekbeurt met woorden uitbeelden met een plaatje laten horen anders: 6 Bedenk in elk vak een woord dat je zo uit kunt leggen. met een plaatje met woorden uitbeelden laten zien/horen/voelen/ruiken/proeven t 26 ga terug naar je taalboek

59 w blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing 6 Veel kinderen hebben een schooltaal en een thuistaal. Wanneer praat je in welke taal? Zet een kruisje in het goede vakje. Vul op de onderste twee regels zelf iets in. Welke taal spreek je? schooltaal thuistaal tegen je vader en moeder in de supermarkt tegen je opa en oma in de klas bij de kapper tegen je vrienden op het schoolplein 7 Kijk naar de woorden. Ze staan in verschillende talen. Maar ze betekenen hetzelfde. Wat denk jij dat ze betekenen? De woorden betekenen Merheba Salam Czesc Salut Ciao Szia Hola Shalom Hello Ahoi 8 In Nederland worden woorden uit andere talen gebruikt. Welke woorden zijn getekend? Schrijf het nummer van de tekening erachter. Een Vietnamese loempia Indonesische nasi Franse frites Italiaanse spaghetti t ga terug naar je taalboek 27 -Taalin beeld

60 w blok 7 cultuur les 4 schrijven 4 Schrijf een korte tekst over het circus. Hoe ziet het eruit? Wie treden er op? Wat doen ze? 5 Kies een moeilijk woord over het circus. Leg dit woord uit met een zin en een plaatje. woord: zin: 6 Kijk naar het plaatje van de viool. Leg uit wat een viool is. Hoe ziet een viool eruit? Wat kun je met een viool doen? t 28 ga terug naar je taalboek

61 w blok 7 cultuur les 5 woordenschat 4 Hieronder zie je een strip. Schrijf op wat het woord strip betekent. Een strip is 5 6 Lees de weettekst. Waarover gaat de tekst? Schrijf dat op de lege plek. Kies uit: gedicht muziek film toneel. Kijk naar de plaatjes. Welk woord hoort erbij? Schrijf dat eronder. Kies uit: het schilderij de zangeres de film de poppenkast. Maak een zin met het woord. In een staan korte zinnen. Ze beginnen steeds op een nieuwe regel. Sommige woorden rijmen. Bijvoorbeeld groep en stoep. Of klappen en stappen. a. woord: zin: b. woord: zin: t ga terug naar je taalboek 29 -Taalin beeld

62 w 4 blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Wat vind jij het leukst op de tv? Praat erover met je buur. Gebruik alleen de verwijswoorden ik, jij en wij. De andere verwijswoorden mag je niet gebruiken. 5 Welk boek vind jij het mooist? Praat erover met je buur. Gebruik alleen de verwijswoorden hij en zij. De andere verwijswoorden mag je niet gebruiken. 6 Welke kleren vind jij mooi? Praat erover met je buur. Gebruik alleen de verwijswoorden ik, jij en wij. Gebruik geen andere verwijswoorden. 7 Vul de spreekwolken in. Gebruik de verwijswoorden wij, hij en jullie. Maak de strip af. t 30 ga terug naar je taalboek

63 w blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing 4 Lees de tekst. Waar begint een nieuwe zin? Zet een punt na iedere zin. Welke letters moeten hoofdletters worden? Zet er een rondje omheen. simon ging naar villa zebra hij kreeg een heel bijzondere les hij moest eerst op een groot vel papier gaan liggen iemand anders tekende om zijn lichaam een lijn daarna moest simon doen alsof dat lichaam een eiland was hij tekende er wegen en bomen en huizen op als laatste tekende simon er water omheen het werd een heel mooi kunstwerk 5 Achter een zin komt niet altijd een punt. Soms moet je een vraagteken (?) of een uitroepteken (!) zetten. Zet het goede teken achter de zinnen. Komt dat zien, komt dat zien Er is vandaag een leuke voorstelling in de poppenkast Katrijn is jarig en bakt een taart Maar waar is Jan Klaassen Jan is in de keuken en snoept van de taart Wat zal Katrijntje daarvan vinden Na afloop klapt het publiek hard Jan Klaassen en Katrijn buigen voor het applaus 6 Wat hoort erbij? Een vraagteken zet je achter een Een punt zet je achter een Een uitroepteken zet je achter een gewone zin. zin met een uitroep. vragende zin. t ga terug naar je taalboek 31 -Taalin beeld

64 w blok 7 cultuur les 8 schrijven 4 Bekijk de tekeningen. Kleur het goede verwijswoord. ik zij ik zij hij wij hij wij Teken jezelf. Wijs naar jezelf. ik zij ik zij hij wij hij wij 5 Schrijf twee zinnen. Gebruik in de eerste zin twee namen. Gebruik in de tweede zin één verwijswoord. 6 Zet een rondje om het goede verwijswoord. Schrijf nog twee zinnen. Gebruik verwijswoorden. Petra is 8 jaar. Hij / zij / wij houdt van muziek. Zij / jullie / hij speelt blokfluit op de muziekschool. Wij / zij / ik woont naast Mark. Hij / zij houdt ook van muziek. Hij / jullie zit bij Petra op de muziekschool. Wij / hij speelt sinds een jaar piano. Wij / zij / jullie maken graag samen muziek. t 32 ga terug naar je taalboek

65 w blok 7 cultuur les 9 woordenschat 3 Lees de zinnen. Ze vertellen iets over een woord. Welk woord wordt bedoeld? Trek een lijn. Waar mensen naar gaan kijken. Bijvoorbeeld een toneelstuk. de truc de voorstelling Een slimme manier om iets te doen. Bijvoorbeeld om te goochelen. 4 Kijk naar het plaatje van de spreekbeurt. Wat kun je erover zeggen, zonder het woord spreekbeurt te noemen? Bedenk twee zinnen. 5 Hoe zou jij een viool uitbeelden? Doe dat aan elkaar voor. 6 Lees en kijk wat de woorden betekenen. Bedenk twee zinnen voor een raadspel. toneelspelen verkleden t ga terug naar je taalboek 33 -Taalin beeld

66 w 5 blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren Maak de zinnen af. De stoel is nog nat, want De stoel is al droog, maar 6 Plak de zinnen aan elkaar. Gebruik maar of want. Ik zit aan tafel, Ik koop een jas, Ik ga naar bed, ik heb geen honger. de oude is kapot. ik wil gaan slapen. 7 Plak twee zinnen aan elkaar met maar. Ze moeten gaan over een liedje dat jij leuk vindt. Maak er een tekening bij. liedje Plak twee zinnen aan elkaar met want. Ze moeten gaan over een film die je hebt gezien. Maak er een tekening bij. film t 34 ga terug naar je taalboek

67 w blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing 4 Hier zie je een envelop. Schrijf je naam en adres erop. Denk om de hoofdletters. Zet ze op de goede plaats. 5 Schrijf de plaatsnamen goed op. Verzin er zelf nog twee. 6 In het bericht zijn de hoofdletters vergeten. Waar moesten ze staan? Zet daar een rondje omheen. sandra is een bekende zangeres. ze heeft al veel cd s en dvd s gemaakt. ze is vaak te horen op de radio en de tv. ook heeft ze al eens in een film gespeeld. ze woont in amerika. volgende week komt ze naar nederland. ze zingt dan met een groot orkest. tijdens een voorstelling in amerika gebeurde er iets ergs. na haar laatste lied kreeg sandra veel applaus. ze boog toen het publiek hard voor haar klapte. daarbij liep ze te ver naar voren. ze viel van het toneel. ze kwam terecht boven op de violist van het orkest. gelukkig kon die haar opvangen. t ga terug naar je taalboek 35 - in i - beeld

68 w blok 7 cultuur les 12 schrijven 4 Kies maar of want. Kleur het goede woord. Ik ga naar de bioscoop, maar / want ik houd van films. Jeroen wil ook wel mee, maar / want hij heeft geen geld. Ik wil best naar school, maar / want ik wil niet iedere dag! Morgen kan ik niet komen, maar / want dan moet ik voetballen. 5 Maak de zinnen af. Maak er een tekening bij. Ik houd van honden, want Ik houd van honden, maar 6 Chian komt te laat op school. Onderweg heeft hij nog even gespeeld. Maar dat durft hij niet te zeggen. Wat zegt Chian tegen de juf? Gebruik maar of want. t 36 ga terug naar je taalboek

69 blok 7 cultuur

70 k blok 7 toetstaak naam: 1 2 Woorden kun je op allerlei manieren uitleggen. Van welke twee woorden kun je goed een tekening maken? Laten zien, horen, proeven, voelen of ruiken. Bij welke twee woorden kan dat goed? Welke twee woorden kun je goed uitbeelden? Kijk naar de dikgedrukte woorden. Schrijf er een ander woord voor in de plaats. Kies uit: ik jij hij zij wij jullie zij. de boom de opdracht de tafel het raadsel het zout de verrassing de vakantie de bloem kruipen de keuken het probleem dik De goochelaar buigt voor het applaus. Mijn vriendje en ik keken naar de tv. De zangeres zong een bekend lied. Joris en Iris luisteren naar de cd. Jij en je zus dansen op de muziek. buigt voor het applaus. keken naar de tv. zong een bekend lied. luisteren naar de cd. dansen op de muziek. 3 4 m Op school praat je vaak anders dan thuis. Waar praat je net zoals thuis? Je mag meer hokjes aankruisen. bij je opa en oma in een winkel tegen de juf tegen een vreemde bij de dokter tegen je neefje of nichtje Lees het verhaal. Welke letters moeten hoofdletters zijn? Zet er een streep onder. Waar moet een punt of een vraagteken staan? Schrijf ze in de tekst. griselda is een gemene heks ze woont in het bos ze maakt vreemde drankjes ze zegt rare toverspreuken zou jij griselda wel eens willen zien of ben je bang voor heksen blok 7 kopieerblad 1 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

71 k blok 7 toetstaak naam: 5 Teken de woorden. de drummer buigen de poppenkast het schilderij de cd de radio 6 Hieronder staan vier raadsels. Welk woord wordt bedoeld? Kies uit: het applaus toneelspelen de dvd de truc het publiek de viool de tv het lied. Het zijn mensen. Ze kijken naar een wedstrijd. Of ze kijken naar een voorstelling. Ze klappen als ze iets mooi vinden. Het woord is: Het is een instrument. Het is van hout. Je kunt er muziek mee maken. Het woord is: Je speelt een verhaal. Je trekt andere kleren aan. Die kleren passen bij de voorstelling. Het woord is: Het is een ronde schijf. Je kunt hem afspelen. Er staan films, muziek of spelletjes op. Het woord is: Maak nu zelf een raadsel. Het woord is: de spreekbeurt. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 2

72 k registratieblad toetstaak Onderdeel Spreken/luisteren Taalbeschouwing Woordenschat Opdrachten Opdracht 1 Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4 Opdracht 5 en 6 Naam Adviesnorm 0 fouten: G 0 fouten: G ter beoordeling 0, 1 fouten: G 0, 1 fouten: G 1 fout: V 1 fout: V van de 2, 3, 4 fouten: V 2, 3, 4 fouten: V >1 fout: O >1 fout: O leerkracht >4 fouten: O >4 fouten: O Herhalingsstof Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: ht 1 ht 2 ht 3 ht 4 ht 5/6 (hl a2, p. 64) (hl a2, p. 65) (hl a2, p. 65) (hl a2, p. 66) (hl a2, p. 66) De leerlingen die voldoende of goed scoren op alle onderdelen, kunnen verder gaan met de plustaken. Meer informatie in hl a2, pagina 6. Afkortingen: G = goed, V = voldoende, O = onvoldoende, ht = herhalingstaak, hl = handleiding. blok 7 kopieerblad 3 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

73 k blok 7 herhalingstaak 1 spreken/luisteren naam: Een woord kun je op verschillende manieren uitleggen. Met woorden, met een plaatje of door uitbeelden. Je kunt het laten zien, horen, ruiken, voelen of proeven. 1 Hiernaast staan woorden. Stel je voor: iemand kent de woorden niet. Hoe zou jij ze uitleggen? Schrijf de woorden bij de manier die jij kiest. met woorden: met plaatje of tekening: uitbeelden: de zin laten zien/horen/ruiken/voelen: Leg elkaar om de beurt een woord uit. Doe dat op de manier die je net gekozen hebt. de zin dansen roepen de tractor de steen de kus het bad de duif de boer 2 Je gaat aan je buur het woord de wortel uitleggen. Je buur gaat aan jou het woord de baby uitleggen. Kijk eerst naar het voorbeeld van de eend. tekenen Een eend kan vliegen. Maar hij kan ook zwemmen. Hij heeft veren en een snavel. Hij is net zo groot als een kip. met woorden uitbeelden laten horen/zien/proeven Hoe wil jij jouw woord uitleggen? Kruis het aan. Leg dan het woord uit aan je buur. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 4

74 k blok 7 herhalingstaak 2 spreken/luisteren naam: Wil je iets vertellen over jezelf of over anderen? Dan kun je verwijswoorden gebruiken. Bijvoorbeeld: ik, jij, hij, het, wij, jullie, zij, ze. Je hoeft dan niet steeds de naam te noemen. 1 2 Lees het verhaal. Waar zou jij een verwijswoord gebruiken? Streep de naam door. Schrijf het verwijswoord achter de zin. Tom heeft een nieuwe fiets. Tom laat de fiets aan Jamal zien. Jamal vraagt: Mag ik er een eindje op rijden? Tom weet niet goed wat hij moet doen. Tom zegt: Nou, goed dan. Vul in: ik hij hem. Jamal rijdt hard de heuvel af. Help, ga recht op de vijver af, denkt. Jamal wil remmen, maar dat lukt niet. val in het water! roept. En ja hoor, gaat kopje-onder. 3 m Zet een streep onder het goede verwijswoord. Tom is erg geschrokken. Jij / Ik / Wij hoop dat er niets ergs gebeurd is, denkt hem / ik / hij. Jamal, waar ben je / jullie / hij? roept ze / hij / ik. Wij / Ik / Jij ben hier! roept Jamal. Tom kijkt naar zijn fiets. Gelukkig, ik / zij / hij is nog helemaal heel. blok 7 kopieerblad 5 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

75 k blok 7 herhalingstaak 3 taalbeschouwing naam: Soms praten mensen thuis anders dan op school. Omdat ze in een ander land geboren zijn. Of omdat hun ouders zo praten. Of omdat ze het fijner vinden. De taal op school is de schooltaal. De taal thuis heet de thuistaal. 1 2 Lees wat Selma zegt. Waarom begrijpt de juf niet goed wat Selma zegt? Selma praat te zachtjes. Selma gebruikt een Turks woord. Selma gebruikt een Nederlands woord dat de juf niet kent. Wie verstaan Selma wel? Alle kinderen in Selma s groep. De kinderen die ook Turks spreken. Alle kinderen die uit een ander land komen. Merhaba. Merhaba, is dat hallo in het Turks? Anne woont in een klein dorp. Ze spreekt thuis de taal die bij haar dorp hoort. Evie komt uit een stad. Ze kent de taal van het dorp niet. Wat vind jij? Ik heb gisteren een neij kleedje gekocht. In de klas kan Anne het beste gewoon Nederlands spreken. de taal van haar dorp spreken. Praat niet zo stom. Ik versta je niet. Op het schoolplein kan Anne het beste gewoon Nederlands spreken. de taal van haar dorp spreken. Als je thuis anders spreekt dan op school vergis je je op school soms. vergis je je nooit. Wat is het beste? Overal je thuistaal gebruiken. Nooit je thuistaal gebruiken. Nadenken over waar je je thuistaal gebruikt. Thuis ook gewoon Nederlands spreken. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 6

76 k blok 7 herhalingstaak 4 taalbeschouwing naam: Een zin begint met een hoofdletter. Ook namen schrijf je met een hoofdletter. Aan het einde van een zin staat meestal een punt. Als de zin iets vraagt, staat er een vraagteken. 1 m Welke letters moeten hoofdletters zijn? Zet daar een streep onder. Waar moet een punt of een vraagteken staan? Schrijf ze in de tekst. meester mark heeft een baby ze heet annemijn jitske en sandra willen de baby graag zien ze fietsen naar het huis van meester mark maar ze durven niet aan te bellen dan gaat de deur open meester mark komt met een kinderwagen naar buiten jitske en sandra lopen naar de kinderwagen ze vragen: mogen we even kijken dat is goed de baby heeft rood haar ze lijkt op haar vader 2 Schrijf een tekst over je verjaardag. Of over een ander feest. Let op de hoofdletters en de punten. Ruil je tekst met je buur. Kijk of de hoofdletters, punten en vraagtekens goed staan. Bespreek samen waar het beter kan. blok 7 kopieerblad 7 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek A1: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek E2: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek B1: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 7: 1 handleiding D2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek D2: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek B2: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Proefkatern Taal in beeld

Proefkatern Taal in beeld Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 6: 1 handleiding C1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek C1: de introductiepagina s en blok

Nadere informatie

Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009

Nadere informatie

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1 Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding e1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5

Nadere informatie

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1

Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1 Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding d1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5

Nadere informatie

LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN

LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN LESBOEK b Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HAnDlEIDInG b Hl InHoUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten

Nadere informatie

Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 6

Informatie. vakgebieden. Groep 6 Informatie vakgebieden Groep 6 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN

LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN LESBOEK d Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HANDLEIDING d HL INHOUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Blok 5 Verhalen 15 lesbeschrijvingen toetsing informatie over de herhalings- en plustaken

Inhoudsopgave. Blok 5 Verhalen 15 lesbeschrijvingen toetsing informatie over de herhalings- en plustaken Inhoudsopgave Algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw van de methode 4 Leeractiviteiten 5 Opbrengstgericht werken 6 Samenwerkend leren 7 Toetsing en evaluatie 8 Combinatiegroepen 8

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 4

Informatie. vakgebieden. Groep 4 Informatie vakgebieden Groep 4 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld Bij verschillende onderdelen van de taalmethode Taal in Beeld, kunt u De bovenkamer

Nadere informatie

En, wat hebben we deze les geleerd?

En, wat hebben we deze les geleerd? Feedback Evaluatie Team 5 En, wat hebben we deze les geleerd? FEED BACK in de klas En, wat hebben we deze les geleerd? Leerkracht Marnix wijst naar het doel op het bord. De leerlingen antwoorden in koor:

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 5

Informatie. vakgebieden. Groep 5 Informatie vakgebieden Groep 5 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

Leerstofoverzicht Lezen in beeld

Leerstofoverzicht Lezen in beeld Vaardigheden die bij één passen, worden in Lezen in beeld steeds bij elkaar, in één blok aangeboden. Voor Lezen in beeld a geldt het linker. Voor Lezen in beeld b t/m e geldt het rechter. In jaargroep

Nadere informatie

Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs

Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs kennisnet.nl Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs Op de volgende pagina s treft u het beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs. Het instrument is ingedeeld in acht

Nadere informatie

Het flexibel inzetten van de taalmethode heeft te maken met de functie van taal.

Het flexibel inzetten van de taalmethode heeft te maken met de functie van taal. Taal: vakspecifieke toelichting en tips Taalverwerving en -onderwijs verlopen als het ware in cirkels: het gaat vaak om dezelfde inhouden, maar de complexiteit en de mate van beheersing nemen toe. Anders

Nadere informatie

Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen

Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Basis Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Deviant methode leer/werkboek VIA vooraf op weg naar 1F. De 8 thema s in het boek hebben terugkerende

Nadere informatie

Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Uitprobeerpakket. Handleiding 4a groep 4 blok 4

Uitprobeerpakket. Handleiding 4a groep 4 blok 4 Uitprobeerpakket Handleiding 4a groep 4 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing

Programma van Inhoud en Toetsing Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp

Nadere informatie

BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8

BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8 Zoals u wellicht weet wordt er ieder jaar in oktober de KINDERBOEKENWEEK georganiseerd. Op de meeste scholen worden er dan ook Voorleeswedstrijden gehouden, en gaat de aandacht speciaal uit naar de PROMOTIE

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing

Programma van Inhoud en Toetsing Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp werkwoordelijk gezegde

Nadere informatie

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 h/v de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 h/v de betekenis

Nadere informatie

Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL

Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Nationaal congres Taal en Lezen 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Contactgegevens Tseard Veenstra [email protected] 06 55168626 Is spellingonderwijs nog relevant als we met behulp

Nadere informatie

Tips bij het bestellen van nieuwe boeken

Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Versie: juni 2015 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Nieuwe methode aanschaffen? Dat kan nu veel voordeliger. Snappet

Nadere informatie

Uitprobeerpakket. Handleiding 5a groep 5 blok 4

Uitprobeerpakket. Handleiding 5a groep 5 blok 4 Uitprobeerpakket Handleiding 5a groep 5 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd

Nadere informatie

Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten

Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009

Nadere informatie

Een overtuigende tekst schrijven

Een overtuigende tekst schrijven Een overtuigende tekst schrijven Taalhandeling: Betogen Betogen ervaarles Schrijftaak: Je mening geven over een andere manier van herdenken op school instructieles oefenlesles Lesdoel: Leerlingen kennen

Nadere informatie

Lesstof overzicht Station vanaf

Lesstof overzicht Station vanaf Lesstof overzicht Station vanaf 2018 complete methode Nederlands vmbo STATION Mondelinge taalvaardigheid Nederlands vmbo KGT 1 Beter gebekt STATION Nederlands vmbo BK 1 Tussen hoofdletter en punt jaar

Nadere informatie

Taaljournaal, tweede versie

Taaljournaal, tweede versie SPELLING Taaljournaal, tweede versie Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze methode zijn te vinden op www.taalpilots.nl, www.rekenpilots.nl en

Nadere informatie

Proefkatern Spelling in beeld

Proefkatern Spelling in beeld Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek E2: de introductiepagina s

Nadere informatie

UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht!

UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht! UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht! Informatie: er is maar één juiste keuze! In onze informatiecentra in Rijssen en Ede vindt u de materialen uit de verschillende methoden, zodat u zich goed

Nadere informatie

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 8

Informatie. vakgebieden. Groep 8 Informatie vakgebieden Groep 8 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

Informatie. vakgebieden. Groep 7

Informatie. vakgebieden. Groep 7 Informatie vakgebieden Groep 7 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode

Nadere informatie

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands colofon Dit overzicht is samengesteld door Josée Coenen, auteur van De bovenkamer. Vormgeving Marjo Starink Bazalt 2016 Voor meer

Nadere informatie

Brochure Begrijpend lezen VMBO 1

Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 2 Inleiding Het belang van begrijpend lezen kan nauwelijks overschat worden. Het niveau van begrijpend lezen dat kinderen aan het einde van

Nadere informatie

Onderwijs in een combinatiegroep

Onderwijs in een combinatiegroep KWALITEITSKAART Organisatie Onderwijs in een combinatiegroep PO Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze kwaliteitskaart zijn te vinden op www.schoolaanzet.nl.

Nadere informatie

Slimme en aantrekkelijke software voor taal en spelling

Slimme en aantrekkelijke software voor taal en spelling Slimme en aantrekkelijke software voor taal en spelling Met de software van en Spelling in beeld haalt u meer uit élke leerling! Leerkrachtassistent: digibordsoftware voor optimale voorbereiding en aantrekkelijke

Nadere informatie

Syntheseproef kerst 2013 Theoretische richtingen

Syntheseproef kerst 2013 Theoretische richtingen Syntheseproef kerst 2013 Theoretische richtingen Vooraf De syntheseproef bestaat uit een aantal onderdelen. 1. Schriftelijke taalvaardigheid Het verslag dat je maakte van de aidsgetuigenis van Kristof

Nadere informatie

Ontwerponderzoek paper 2 Geografische informatievaardigheden in 5 VWO

Ontwerponderzoek paper 2 Geografische informatievaardigheden in 5 VWO Ontwerponderzoek paper 2 Geografische informatievaardigheden in 5 VWO Student: Vincent van der Maaden, MSc Studentnummer: 5783070 Opleiding: Interfacultaire lerarenopleiding, UvA Vakgebied: Aardrijkskunde

Nadere informatie

Blauwe stenen leer je zo

Blauwe stenen leer je zo Handleiding groep 3-8 Blauwe stenen leer je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een steen van Jeelo leert. Voor groep 3-4 wijzer 2009 Zo leer je blauwe stenen

Nadere informatie

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is

Nadere informatie

Naam leerlingen. Groep BBL 1 Nederlands. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen.

Naam leerlingen. Groep BBL 1 Nederlands. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. Verdiepend Basisarrange ment Naam leerlingen Groep BBL 1 Nederlands Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. - 5 keer per week 45 minuten basisdoelen toepassen in verdiepende contexten.

Nadere informatie

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Basisgrammatica Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Basisgrammatica Het computerprogramma Basisgrammatica

Nadere informatie

Wat te doen met zwakke begrijpend lezers?

Wat te doen met zwakke begrijpend lezers? Wat te doen met zwakke begrijpend lezers? Cor Aarnoutse Wat doe je met kinderen die moeite hebben met begrijpend lezen? In dit artikel zullen we antwoord geven op deze vraag. Voor meer informatie verwijzen

Nadere informatie

Oranje stappers maak je zo

Oranje stappers maak je zo Handleiding groep 3-8 Oranje stappers maak je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een oranje stapper van Jeelo maakt. Voor groep 3-4 wijzer 2008 Zo maak je oranje

Nadere informatie

Alles over. Tijdzaken. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Tijdzaken. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Handleiding Vervolgmodule OGO- Extra materiaal na Taalsituaties 3-6-9

Handleiding Vervolgmodule OGO- Extra materiaal na Taalsituaties 3-6-9 Handleiding Vervolgmodule OGO- Extra materiaal na Taalsituaties 3-6-9 Extra materiaal na de Taalsituaties, Vervolgmodule OGO Algemeen In Extra materiaal na de Taalsituaties wordt de leerstof uit drie voorgaande

Nadere informatie

Sabine Sommer is Interne begeleider van de bovenbouw.. Zij gaat vooral over de zorg van de kinderen.

Sabine Sommer is Interne begeleider van de bovenbouw.. Zij gaat vooral over de zorg van de kinderen. Informatie over de gang van zaken in leerjaar 5 Sabine Sommer is Interne begeleider van de bovenbouw.. Zij gaat vooral over de zorg van de kinderen. ALGEMEEN Het allerbelangrijkste vinden wij dat de kinderen

Nadere informatie

Nederlands in Uitvoering

Nederlands in Uitvoering Nederlands in Uitvoering Leerjaar 1 Sport & spel Een mondelinge instructie begrijpen Algemene modulegegevens Leerjaar: 1 Taaltaak: Een mondelinge instructie begrijpen Thema: Sport & spel Leerstijlvariant:

Nadere informatie

Proefkatern Spelling in beeld

Proefkatern Spelling in beeld Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 5: 1 Handleiding b1: algemene gedeelte en lesbeschrijvingen bij blok 4 2 Werkboek b1: introductiepagina

Nadere informatie

Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Alles telt Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking

Nadere informatie

Richtlijn Het Activerende Directe Instructie Model

Richtlijn Het Activerende Directe Instructie Model Richtlijn Het Activerende Directe Instructie Model Omschrijving Verwijzing naar Doelgroep Opsteller Intern document die uitleg geeft over het activerende directe instructiemodel. Vaardigheidsmeter Betrokken

Nadere informatie

Checklist Begrijpend lezen en woordenschat Curriculum Nederlands ? - + +

Checklist Begrijpend lezen en woordenschat Curriculum Nederlands ? - + + Checklist Begrijpend lezen en woordenschat Curriculum Nederlands? - + + De gebruikte methoden stellen duidelijke (toetsbare) doelen en leerlijnen voor begrijpend lezen. Zwakke lezers krijgen een aanvullend

Nadere informatie

Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen?

Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen? Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen? In groep 5-6 nemen kinderen steeds vaker werk mee naar huis. Vaak vinden kinderen het leuk om thuis aan schooldingen

Nadere informatie

Ogo en taal van methode naar bronnenboek

Ogo en taal van methode naar bronnenboek Ogo en taal van methode naar bronnenboek Help!! Wat nu?? Niet in 1 keer alles loslaten Gefaseerd invoeren van werken met OGO thema s Gefaseerd invoeren van taal binnen thema s ???Taaltrapeze en OGO???

Nadere informatie

TAALONTWIKKELING 2. Activiteiten bij leren. Inspiratie:

TAALONTWIKKELING 2. Activiteiten bij leren. Inspiratie: TAALONTWIKKELING 2 Boek: Activiteiten bij leren Inspiratie: Blz. 15 Blz. 18 Blz. 39 Taalactiviteiten bij een boek Leergebieden in samenhang (kerndoelen) linken naar Taalactiviteiten rond een boek Voor

Nadere informatie

Proefkatern Spelling in beeld

Proefkatern Spelling in beeld Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek A2: de introductiepagina s

Nadere informatie

Snappet is een alternatief voor...

Snappet is een alternatief voor... Snappet is een alternatief voor... Hulp bij het bestellen van nieuwe boeken. Versie: mei 2014 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Informatie Nieuwe methode aanschaffen?

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie

Audit WoordenSchatuitbreiding.

Audit WoordenSchatuitbreiding. Naam: Groep: Audit WoordenSchatuitbreiding. Invoeringsfase: Opmerkingen (knelpunten afspraken): Datum: Tijd: 1. Doelen: a. b. c. 2. Discussie en/of reflectie: 3. Klassenbezoek / feedback: Werkwijze: Observatiepunten

Nadere informatie

Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Alles telt Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking

Nadere informatie

ADHD en lessen sociale competentie

ADHD en lessen sociale competentie ADHD en lessen sociale competentie Geeft u lessen sociale competentie én heeft u een of meer kinderen met ADHD in de klas, dan kunt u hier lezen waar deze leerlingen tegen aan kunnen lopen en hoe u hier

Nadere informatie

Alles over. Taalverhaal.nu. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Taalverhaal.nu. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Taalverhaal.nu Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking

Nadere informatie

Alles over. Wijzer! Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Wijzer! Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Wijzer! Geschiedenis Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In

Nadere informatie

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 vmbo de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 vmbo de betekenis

Nadere informatie

-Samen meertalig en talentvol de wereld in- GROEP Erik Smit

-Samen meertalig en talentvol de wereld in- GROEP Erik Smit -Samen meertalig en talentvol de wereld in- GROEP 8 2017-2018 Erik Smit [email protected] WAT KUNNEN DE KINDEREN VERWACHTEN DIT SCHOOLJAAR? Schoolkeuze voortgezet onderwijs Kamp van 27 september tot 29

Nadere informatie

Alles over. Naut. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Naut. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Naut Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met

Nadere informatie

Alles over. Rekenrijk. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Rekenrijk. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Alles over. Leesparade. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Leesparade. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Leesparade Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking

Nadere informatie

Alles over. Blink Wereld Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Blink Wereld Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Proefkatern Zin in taal Nieuw

Proefkatern Zin in taal Nieuw Proefkatern Zin in taal Nieuw In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Zin in taal, groep 8: 1. Handleiding e1: het algemene gedeelte en eenheid 4 2. Taalboek e1: eenheid 4 3. Werkboek e1:

Nadere informatie

Voordoen (modelen, hardop denken)

Voordoen (modelen, hardop denken) Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet. Het voordoen (modelen) van het schrijven van

Nadere informatie

HANDLEIDING LEA HAAR WERKEN MET WISK

HANDLEIDING LEA HAAR WERKEN MET WISK HANDLEIDING LEA HAAR WERKEN MET WISK WERKEN MET WISK Wat voor methode is WISK? WISK is een leerlijn wiskunde- en rekentaal voor anderstaligen. De methode kan worden ingezet vanaf de eerste lesdag van de

Nadere informatie

Alles over. Blink Wereld geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen

Alles over. Blink Wereld geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve

Nadere informatie

Nationaal Gevangenismuseum Gevangen in beeld

Nationaal Gevangenismuseum Gevangen in beeld Nationaal Gevangenismuseum Gevangen in beeld Groep 8 Les 1. Boeven in beeld Les 1. Boeven in beeld Nationaal Gevangenismuseum Groep 8 120 minuten Samenvatting van de les De les begint met een klassikaal

Nadere informatie

Aanvullende informatie ter voorbereiding op de TGN A1. Inleiding. Hoe maakt u de TGN?

Aanvullende informatie ter voorbereiding op de TGN A1. Inleiding. Hoe maakt u de TGN? Aanvullende informatie ter voorbereiding op de TGN A1 Inleiding Dit is informatie over de Toets Gesproken Nederlands (of TGN) 1. De TGN maakt deel uit van het inburgeringsexamen buitenland. Moet u de TGN

Nadere informatie

LESSENSERIE 4: CKV-NL Recensie schrijven Lesplannen

LESSENSERIE 4: CKV-NL Recensie schrijven Lesplannen LESSENSERIE 4: CKV-NL Recensie schrijven Lesplannen Algemene gegevens Docent Evah den Boer School Helen Parkhurst Titel lessenserie Recensie schrijven CKV/NETL Klas (en niveau) 4 vwo Aantal leerlingen

Nadere informatie

Leerlijn Spreken & luisteren groep 5

Leerlijn Spreken & luisteren groep 5 Leerlijn Spreken & luisteren groep 5 Spreken (individueel / gesprekken voeren): Luisteren: Een monoloog houden in een kleine groep, duidelijk verwoorden wat ze bedoelen. Een gesprek (overleg) voeren in

Nadere informatie

De ontwikkelde materialen per unit.

De ontwikkelde materialen per unit. Handleiding. Dit is de handleiding voor het remediërende programma voor de leeszwakke leerling bij het vak Engels. De hulpmiddelen zijn ontwikkeld voor leerlingen die bij de toetsen technisch lezen uitvallen

Nadere informatie

Naam leerlingen. Groep BBL1 Engels. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 3 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen.

Naam leerlingen. Groep BBL1 Engels. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 3 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. Verdiepend Basisarrange ment Naam leerlingen Groep BBL1 Engels Leertijd; 3 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. - 3 keer per week 45 minuten basisdoelen toepassen in verdiepende contexten.

Nadere informatie

-Samen meertalig en talentvol de wereld in- GROEP Suheda Sarikaya

-Samen meertalig en talentvol de wereld in- GROEP Suheda Sarikaya -Samen meertalig en talentvol de wereld in- GROEP 4 2017-2018 Suheda Sarikaya [email protected] INHOUD IGDI-model Vakken en methodes Klassenouders HOE ZIET EEN LES ERUIT - HET IGDI-MODEL Lesmodel

Nadere informatie

China Pagina 1. - Wie nodig jij uit voor een Chinese maaltijd? -

China Pagina 1. - Wie nodig jij uit voor een Chinese maaltijd? - China Pagina 1 Colofon Uitnodiging voor maaltijd in Chinees Les voor groep 6-8 150-180 minuten Handvaardigheid Let op! In deze les opzet werken leerlingen in tweetallen, en maken samen 1 werkstuk, maar

Nadere informatie

Methodeanalyse. Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO. Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg

Methodeanalyse. Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO. Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg Methodeanalyse Stelonderwijs; Taal in beeld Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg www.zwijsen.nl www.taalinbeeld.nl Eerste

Nadere informatie

Kinderen leren schrijven. www.taalvorming.nl

Kinderen leren schrijven. www.taalvorming.nl Kinderen leren schrijven www.taalvorming.nl Uitgangspunten van taalvorming Taalvorming is een lang bestaande werkwijze die je ook kunt zien als schrijfdidactiek werken vanuit eigen ervaringen samenhang

Nadere informatie

Proefkatern Zin in taal Nieuw

Proefkatern Zin in taal Nieuw Proefkatern Zin in taal Nieuw In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Zin in taal, groep 4: 1. Handleiding a1: het algemene gedeelte en eenheid 4 2. Taalboek a1: eenheid 4 3. Werkboek a1:

Nadere informatie

werkblad Scheldeberoep verkennen Veel beroepen hebben met de Schelde te maken. Welk beroep zou jij verder willen verkennen?

werkblad Scheldeberoep verkennen Veel beroepen hebben met de Schelde te maken. Welk beroep zou jij verder willen verkennen? werkblad Scheldeberoep verkennen Veel beroepen hebben met de Schelde te maken. Welk beroep zou jij verder willen verkennen? Noteer ook 2 reservekeuzen: 1. 2. 1. Wat weet je al van dit beroep? Schrijf het

Nadere informatie

L e e s p. Presentatie. Wat is Leesparade?

L e e s p. Presentatie. Wat is Leesparade? Presentatie L e e s p a r a de Wat is Leesparade? Complete methode voortgezet technisch lezen Doorlopende leerlijn van groep 4 t/m 8 Lijn voor leesbegrip, leespromotie & woordenschat Passend onderwijs:

Nadere informatie

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) Schooljaar 2015 2016 Nederlands havo vwo 1 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling H 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende

Nadere informatie