Proefkatern Taal in beeld
|
|
|
- Jelle de Smedt
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 7: 1 handleiding D2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek D2: de introductiepagina s en blok 7 3 werkboek D2: de introductiepagina s en blok 7 4 kopieerboek: kopieerbladen blok 7 (met de toetstaak, het registratieblad en de eerste vier herhalingstaken). Met dit katern krijgt u zicht op hoe Taal in beeld werkt. De materialen stellen u in staat lessen van blok 7 uit te proberen in uw groep. Blok 7 bestaat uit 12 lessen. Zwijsen geeft u toestemming om voor het uitproberen kopieën te maken uit dit katern. De herhalingstaken (Woordkenner en Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld) zijn niet bijgevoegd. Woordkenner is een leerspel dat als herhalingstaak op het gebied van woordenschat elk blok terugkomt. Met het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen leerlingen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Meer informatie over Woordkenner en het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vindt u op Heeft u nog vragen, neem dan contact op met Zwijsen Klantenservice: of [email protected]. Wij wensen u en uw leerlingen veel (leer)plezier met Taal in beeld!
2 Zwijsen -Taalin beeld Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding d2
3 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5 Toetsing en evaluatie 6 Combinatiegroepen 7 Materialen 7 Leerstof 7 Handleiding online 11 blok 5 verhalen Basislessen 13 Toetstaak 25 Herhalingstaken 27 blok 6 samen leven Basislessen 32 Toetstaak 44 Herhalingstaken 46 blok 7 cultuur Basislessen 51 Toetstaak 63 Herhalingstaken 65 blok 8 andere tijden Basislessen 70 Toetstaak 82 Herhalingstaken 84 Colofon 88 in Taal- -2 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
4 hl algemene handleiding met Taal in beeld U gaat werken met Taal in beeld. Deze handleiding helpt u om snel en op een prettige manier met de methode te gaan werken. Daartoe wordt in een beperkt aantal pagina s de belangrijkste informatie gegeven die u nodig hebt. Alle overige gegevens over de methode, waaronder meer uitgebreide onderdelen die horen bij deze handleiding, vindt u op de website Hebt u vragen, opmerkingen of suggesties, dan kunt u hiervoor ook terecht op de website. Hoe meer informatie wij van u krijgen, hoe beter wij in staat zijn om de methode mee te laten groeien met uw wensen en verwachtingen. Invoering Taal in beeld kunt u in één keer in alle groepen invoeren. Het eerste blok van ieder jaarprogramma is een instapblok waarin alle eerder aangeboden leerstof die nodig is voor het komende jaarprogramma, wordt opgefrist. De leerlingen raken dus niet het spoor bijster omdat er ineens termen worden gebruikt of specifieke voorkennis wordt verondersteld die ze nooit eerder aangeboden hebben gekregen. Ook u als leerkracht krijgt tijdens het eerste blok een globaal overzicht van wat aan de orde is geweest in vorige jaargroepen, voor zover het van invloed is op de lessen die u dit leerjaar aan gaat bieden. Mocht u verder nog een gedetailleerde samenvatting willen hebben van de eerder aangeboden leerstof in relatie tot de leerstof in uw jaargroep, dan vindt u op een uitgebreid leerstofoverzicht. Overzicht Taal in beeld bestaat uit vijf gedeelten. Het onderstaande schema geeft aan welk deel bestemd is voor welke jaargroep van het reguliere basisonderwijs. Voor andere typen (basis)scholen kan ervoor gekozen worden om de leerstof op een andere manier te verdelen. Deel Jaargroep A (a1 en a2) 4 B (b1 en b2) 5 C (c1 en c2) 6 D (d1 en d2) 7 E (e1 en e2) 8 De kenmerken van Taal in beeld Taal in beeld heeft drie belangrijke kenmerken. Het pakket is compleet, compact en flexibel. Compleet Taal in beeld is een complete methode: het programma biedt alle leerstof aan die u als school op basis van de kerndoelen geacht wordt aan te bieden. Kerndoelen zijn streefdoelen en geven aan wat een leerling globaal moet kennen en kunnen aan het eind van de basisschool. Ze beschrijven in grote lijnen wat in elk geval aan de orde moet komen op de basisschool. Maar niet alles wat op school gebeurt, is voorgeschreven in kerndoelen. Scholen hebben ook ruimte voor een eigen, specifiek onderwijsaanbod. Bij de ontwikkeling van Taal in beeld is uitdrukkelijk rekening gehouden met de kerndoelen voor taal, zoals die door de overheid zijn vastgesteld. Een school die werkt met Taal in beeld is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van de methode voldoet aan de kerndoelen. Compact Taal in beeld is compleet, maar daarnaast ook compact. Zowel het aantal lessen als het aantal schoolweken dat nodig is om het programma uit te voeren, is beperkt gehouden. Hierdoor zult u als leerkracht geen tijdsdruk ervaren omdat er nog zoveel moet. Voor de leerlingen is er voldoende tijd beschikbaar om de leerstof goed op te kunnen nemen en toe te passen. Verder is ook in de hoeveelheid materialen terug te zien dat de methode compact is. Geen grote hoeveelheid materialen die mogelijk gebruikt kunnen worden, maar een duidelijke keuze voor het noodzakelijke en het wenselijke. Op papier en in de vorm van software. Flexibele organisatievorm Taal in beeld is een flexibele methode. Kinderen verschillen, leer krachten verschillen, scholen verschillen en omstandigheden verschillen. Taal in beeld houdt rekening met deze verschillen door diverse organisatievormen mogelijk te maken. Zo kunt u interactief met de hele groep aan de slag gaan, maar u kunt de leerlingen ook zelfstandig alle onderdelen van het programma laten uitvoeren. Hierbij kunnen ze individueel werken of samen met andere leerlingen. Doordat de taalactiviteiten geschikt zijn voor een geïndividualiseerde, een samenwerkende en klassikale organisatievorm, hoeft u niet te kiezen tussen interactief taalonderwijs of zelfstandig leren. U kunt met Taal in beeld de kracht van beide vormen combineren. U bepaalt in welke mate u de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Maar uiteindelijk werken ze wel aan dezelfde leerstof, waardoor de organisatie van de lessen overzichtelijk en uitvoerbaar blijft. De opbouw van de methode Taal in beeld Jaarprogramma Taal in beeld biedt een jaarprogramma voor 34 schoolweken en is opgebouwd uit acht blokken van vier weken. Na de blokken 4 en 8 is er een zogenaamde breekweek: een week waarin geen lessen uit de acht blokken aan de orde komen. De breekweken kunnen gebruikt worden als uitloopweken of als weken om op een andere manier met taal bezig te zijn. Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 3 in -Taal- d
5 hl algemene handleiding Algemene opbouw van een blok De eerste drie weken van ieder blok bestaan uit de basislessen. Aan het einde van de derde week of in het begin van de vierde week is er een toetstaak. Daarmee wordt vastgesteld welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben en welke (nog) niet. De kinderen die de doelen bereikt hebben, gaan vervolgens aan de slag met plustaken (verdiepingsstof), waarin ze leerkrachtonafhankelijk hun geleerde kennis, vaardigheden en strategieën toepassen en uitbouwen. De kinderen die de doelen van het blok nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week eerst herhalingstaken waarin ze de leerstof die ze nog niet beheersen, nogmaals aangeboden krijgen. Extra instructie en begeleide verwerking zijn hierbij de uitgangspunten. De opbouw van deel d1 en d2 Het schema hiernaast biedt een overzicht van de opbouw van het programma van de delen d1 en d2. Deel d1 bevat de blokken 1 tot en met 4 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Deel d2 bevat de blokken 5 tot en met 8 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Thema s De verschillende blokken bevatten voor alle jaargroepen op hetzelfde moment dezelfde thema s. De volgende onderwerpen komen aan bod: Blok Thema 1 Omgeving 2 Natuur 3 Reizen 4 Gevoel 5 Verhalen 6 Samen leven 7 Cultuur 8 Andere tijden De thema s komen overeen met die in methoden als Tussen de regels en Ondersteboven van lezen. Hierdoor bent u gemakkelijk in staat om vakoverstijgend en thematisch te werken. Instapblokken Het eerste blok van ieder leerjaar (met uitzondering van deel a1) start met een instapblok. Hierin komen alle leerstofonderdelen aan bod die eerder aangeboden zijn en relevant zijn voor het komende leerjaar. In blok 2 tot en met 7 wordt nieuwe leerstof aangeboden. Blok 8 is een afsluitend blok waarin geen nieuwe leerstof wordt aangeboden. Hierin is alle aandacht gericht op het integreren, herhalen en toepassen van de leerstof die gedurende het jaar is aangeboden. week deel blok weekprogramma dag 1 dag 2 dag 3 dag 4 dag 5 1 d1 blok 1 ws sl tb s 2 blok 1 ws sl tb s 3 blok 1 ws sl tb s 4 blok 1 toets h/p h/p h/p 5 blok 2 ws sl tb s 6 blok 2 ws sl tb s 7 blok 2 ws sl tb s 8 blok 2 toets h/p h/p h/p 9 blok 3 ws sl tb s 10 blok 3 ws sl tb s 11 blok 3 ws sl tb s 12 blok 3 toets h/p h/p h/p 13 blok 4 ws sl tb s 14 blok 4 ws sl tb s 15 blok 4 ws sl tb s 16 blok 4 toets h/p h/p h/p 17 breekweek 18 d2 blok 5 ws sl tb s 19 blok 5 ws sl tb s 20 blok 5 ws sl tb s 21 blok 5 toets h/p h/p h/p 22 blok 6 ws sl tb s 23 blok 6 ws sl tb s 24 blok 6 ws sl tb s 25 blok 6 toets h/p h/p h/p 26 blok 7 ws sl tb s 27 blok 7 ws sl tb s 28 blok 7 ws sl tb s 29 blok 7 toets h/p h/p h/p 30 blok 8 ws sl tb s 31 blok 8 ws sl tb s 32 blok 8 ws sl tb s 33 blok 8 toets h/p h/p h/p 34 breekweek ws = woordenschat sl = spreken/luisteren h = herhalingstaken s = schrijven tb = taalbeschouwing p = plustaken jaarplanning deel d1 en d2 in -Taal- 4 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
6 algemene handleiding De activiteiten in Taal in beeld Zelfstandig leren, samenwerkend leren en begeleid leren Taal in beeld maakt verschillende organisatievormen gelijktijdig mogelijk. Alle lessen zijn namelijk zo opgezet dat u als leerkracht kunt bepalen of de leerlingen zelfstandig (individueel of in samenwerking met andere kinderen) of begeleid (klassikaal of in een groepje onder uw leiding) aan de slag gaan. Welke organisatievorm u ook kiest, alle kinderen doorlopen altijd dezelfde opdrachten en gebruiken dezelfde materialen. Dit betekent dat de lessen voor u als leerkracht makkelijk te organiseren zijn. U bepaalt zelf in welke mate er sprake is van mondelinge interactie tijdens de les en u kunt ervoor kiezen die te beperken. Wanneer het bereiken van het lesdoel zonder interactie niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een aantal lessen spreken/luisteren, dan attendeert de methode u hierop. Alle activiteiten in het taalboek en het werkboek De lessen in Taal in beeld zijn opgebouwd uit vaste onderdelen: de doelstelling, de introductie, de instructie, de verwerking en de evaluatie/reflectie. Deze elementen zijn ook terug te vinden in het leerlingmateriaal: Wat ga je doen?, Op verkenning, Uitleg, Aan de slag en Terugkijken. Mede hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de leerlingen op een effectieve en efficiënte manier zelfstandig te laten leren. Niets verplicht u echter om kinderen de les zelfstandig te laten doorlopen. U kunt er ook voor kiezen de les gezamenlijk op een interactieve manier door te werken. De verschillende fasen worden hieronder uitvoeriger toegelicht. De didactische fasering en de route door de les Een les in Taal in beeld bestaat uit een viertal fasen dat volgt als de doelstelling is aangegeven. Tezamen vormen die fasen de lesroute die de leerlingen aan de hand van de aanwijzingen in het taalboek en het werkboek zelfstandig (individueel of samenwerkend) of begeleid (klassikaal of in een groepje) kunnen doorlopen. Op verkenning De eerste fase is Op verkenning. Hierin gaan kinderen aan de slag met enkele verkennende opdrachten. De bedoeling is dat ze zich hiermee oriënteren of voorbereiden op het onderwerp van de les, of aan de hand van een probleemstelling tot oplossingen proberen te komen. Uitleg De tweede fase is Uitleg. Dit is het instructiemoment in de les. De uitleg is enerzijds een conclusie vanuit de verkenning en anderzijds de inhoudelijke instructie die nodig is om de volgende fase te kunnen doorlopen. De instructie wordt weergegeven in een geschreven blok, maar afhankelijk van de organisatievorm kan ze ook dienen als basis voor mondelinge uitleg. De derde fase is en bevat de verwerkingsopdrachten, die gedeeltelijk in het werkboek en gedeeltelijk in het taalboek staan. Terugkijken De vierde fase is Terugkijken en heeft tot doel om te reflecteren en te evalueren. De centrale vraag hierbij is dan ook: Wat heb je geleerd? De leerlingen maken een evaluerende opdracht, waarin altijd een verband wordt gelegd met het lesdoel. Afhankelijk van de gekozen organisatievorm kan de evaluatie ook mondeling plaatsvinden. Voor kinderen die eerder klaar zijn, bevat iedere les nog een extra opdracht. Tijdsindicaties Een les in Taal in beeld duurt ongeveer 35 tot 50 minuten. De exacte tijdsduur is afhankelijk van de organisatievorm waarin de les wordt aangeboden. Het is een bekend gegeven dat er bij zelfstandig lerende kinderen een aanzienlijk verschil kan zijn in de tijd die ze nodig hebben om tot een resultaat te komen. Organisatorische problemen zullen zich echter niet voordoen, want de snelle kinderen kunnen aan de slag met de extra opdracht. Wanneer de les met de hele groep wordt doorgewerkt, zal deze ongeveer 45 minuten duren. Vanwege verschillen in de benodigde tijd in relatie tot de organisatievorm, is ervoor gekozen de lesonderdelen zelf niet te voorzien van tijdsindicaties. De differentiatie in Taal in beeld Differentiatie naar begeleidingsbehoeften Taal in beeld biedt een breed scala aan differentiatiemogelijkheden. Bij alle lessen kunt u differentiëren naar intensiteit van de begeleiding die u geeft. Sommige leerlingen of groepen kunt u meer loslaten, terwijl u andere juist veel ondersteuning wilt bieden. Om alle kinderen de begeleiding te geven die ze nodig hebben, kunt u groepen in verschillende organisatievormen laten werken. Met de kinderen die veel ondersteuning nodig hebben, doorloopt u de lesroute samen. Binnen deze organisatievariant, eerder benoemd als begeleid leren, is er veel ruimte voor mondelinge interactie en begeleiding. De leerlingen die hier minder behoefte aan hebben, laat u meer leerkrachtonafhankelijk werken, individueel of samen met andere kinderen. Tempodifferentiatie: extra stof Tijdens de lessen zal het vaak zo zijn dat bepaalde leerlingen eerder klaar zijn dan andere. Dit vraagt om tempodifferentiatie, waarbij er extra werk is voor de snelle leerlingen. Allereerst kunnen zij de extra opdracht maken. Deze staat in het taalboek aan het einde van iedere les. Mochten zij daarna nog behoefte hebben aan meer Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 5 in -Taal- d
7 hl algemene handleiding stof, dan kunt u hun verdiepingsstof geven in de vorm van plustaken uit Taalmaker, of laten werken met het computer programma Woordenschat Taal/Lezen. Taalmaker is het gedeelte van Taal in beeld dat extra taaltaken bevat in de vorm van kaarten, kopieerbladen en computerbladen. Niveaudifferentiatie: plustaken (verdiepingsstof) Wat betreft de verdiepingsstof in de vorm van plustaken hebt u een breed scala aan mogelijkheden. Alle plustaken hebben echter één ding gemeen: het is niet meer van hetzelfde, maar het zijn taalactiviteiten vanuit een andere, meer toepassende invalshoek. Alle plustaken die horen bij Taal in beeld, vindt u in het onderdeel Taalmaker. Taalmaker bestaat uit een doos met kaarten, kopieerbladen en computerbladen. Hiermee krijgt ook filmmateriaal een plek in het taalonderwijs. Periodiek zullen de plustaken in Taalmaker aangevuld en vernieuwd worden, waardoor de uitdaging voor de leerlingen groot zal blijven. De plustaken kunnen op drie momenten gebruikt worden. Ten eerste als tempodifferentiatie bij de basislessen. Zijn leerlingen eerder klaar, dan kunnen ze, na de extra opdracht, aan de slag met de plustaken. Ten tweede als leerstof voor op de vijfde dag van de week, wanneer er geen basisprogramma is. Wilt u kinderen die dag toch taalopdrachten laten uitvoeren, dan kunnen ze aan de slag gaan met de plustaken. Ten derde als leerstof voor in week 4, na de toets. In eerste instantie geldt dit voor kinderen die geen behoefte hebben aan herhalingstaken. Meer informatie over de plustaken uit Taalmaker vindt u op de webiste Niveaudifferentiatie op het gebied van woordenschat kunt u realiseren door kinderen te laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Daarin krijgen ze eerst de woorden uit de basislessen aangeboden. Deze worden uitgelegd, geoefend en getoetst. Kennen ze deze woorden, dan biedt het programma extra woorden aan. Deze zijn onderdeel van de verdiepingsstof. Niveaudifferentiatie: herhalingstaken Aan het einde van de derde week of in de vierde week van ieder blok maken de leerlingen een toetstaak. Deze is bedoeld om vast te stellen of ze de doelen van het blok bereikt hebben. Als dit niet het geval is, krijgen ze de vierde week herhalingstaken bij de onderdelen die ze nog niet beheersen. De herhalingstaken worden bij ieder blok beschreven in de handleiding. De leerlingen kunnen ze in principe zelfstandig maken, maar geadviseerd wordt om hen hierbij te begeleiden. Toetsing en evaluatie in Taal in beeld Er bestaan verschillende manieren om de resultaten van de leerlingen te evalueren. Het gaat hierbij om evaluatie op korte, middellange en lange termijn. Korte termijn Evaluatie op korte termijn is gericht op het vaststellen of de lesdoelen wel of niet bereikt zijn. Dit gebeurt op twee manieren. Ten eerste door de leerlingen zelf, via de reflectieopdracht in de fase Terugkijken van de basislessen. Hierbij stellen ze zelf vast wat ze geleerd hebben tijdens de les. Een tweede manier om na te gaan of de doelen bereikt zijn, is door gebruik te maken van de observatiepunten in de handleiding. Deze zijn terug te vinden bij een aantal basislessen. Middellange termijn Evaluatie op middellange termijn is bedoeld om vast te stellen of de leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben. Aan het einde van de derde of aan het begin van de vierde week van elk blok is er een toetstaak die bestaat uit een aantal toetsopdrachten. Deze opdrachten zijn gericht op verschillende taaldomeinen. Taalbeschouwing en woordenschat worden na ieder blok getoetst. Schrijven en spreken/luisteren worden daar regelmatig aan toegevoegd. Taal in beeld bevat registratiebladen waarop de toetsresultaten van de leerlingen vastgelegd kunnen worden. Tevens vindt u op deze bladen de adviesnorm bij de verschillende toetsopdrachten. Op basis van de score krijgt u ook een advies over de gewenste vervolgactiviteiten. Zo kunt u direct zien of de leerling herhalingstaken moet gaan uitvoeren en welke dat zijn, of dat hij plustaken kan gaan maken. In het laatste geval vindt u een verwijzing naar Taalmaker, het onderdeel van de methode waarin de plustaken zijn verzameld. De registratiebladen vindt u in het kopieerboek. Evaluatie op lange termijn Taal in beeld legt het accent op methodegebonden toetsen, waarmee uitspraken worden gedaan over de mate waarin leerlingen de doelen van de methode bereiken. Evaluatie op lange termijn staat meer in het teken van het taalniveau van een leerling in het algemeen of in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Hiervoor zijn toetsen nodig die voldoende betrouwbaar en gevalideerd zijn om een antwoord te geven op deze vraag. Dit overstijgt de mogelijkheden van de toetsing in een taalmethode. Wanneer u behoefte hebt aan een dergelijke evaluatie, dan adviseren we u gebruik te maken van toetsen die speciaal voor dit doel gemaakt zijn. Onder andere de Cito-groep in Arnhem brengt in het kader van haar leerlingvolg systeem een aantal geschikte toetsen op de markt. in -Taal- 6 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
8 algemene handleiding Taal in beeld in combinatiegroepen Individueel of samen zelfstandig leren Taal in beeld is een methode met veel mogelijkheden om zelfstandig te leren. Alleen in situaties waarin de lesdoelen niet bereikt kunnen worden zonder interactie, zoals bij een aantal lessen spreken/luisteren het geval is, adviseert de methode u bepaalde opdrachten op basis van samenwerkend leren (of klassikaal) te doen. Door de ruime mogelijkheden voor zelfstandig leren (individueel of samenwerkend), is Taal in beeld uitermate geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen of stamgroepen. De leerlingen kunnen leerkrachtonafhankelijk aan de opdrachten gaan werken en u kunt bepalen welke kinderen u op welk moment intensiever begeleidt. Op deze manier wordt voorkomen dat u het gevoel krijgt eigenlijk op meerdere plekken tegelijkertijd te moeten zijn. Doordat de lessen in Taal in beeld ook geschreven zijn voor zelfstandig leren, is dit niet meer het geval. Ook kinderen die zelfstandig aan het werk gaan, worden attent gemaakt op de doelstelling van de les, oriënteren zich op de lesstof, krijgen uitleg in de vorm van beschreven tekstblokken, maken de verwerkingsopdrachten en reflecteren op wat ze geleerd hebben. Doordat zij zich volledig zelf kunnen redden, kunt u zich meer richten op die kinderen die uw hulp het hardst nodig hebben, onafhankelijk van de jaargroep waarin ze zitten. Lessen omwisselen in het weekprogramma Mocht er echter toch een situatie ontstaan waarin u twee jaargroepen tegelijkertijd begeleiding wilt geven, bijvoorbeeld omdat beide groepen op hetzelfde moment een interactieve les spreken/ luisteren op het programma hebben staan, dan is het geen enkel probleem om lessen in het weekprogramma om te wisselen. Door een van de jaargroepen met een schrijfles aan de slag te laten gaan terwijl u zelf met de andere jaargroep de les spreken/luisteren doet, hebt u het probleem opgelost. Het weekprogramma kent geen gedwongen volgorde in de lessen. De materialen van Taal in beeld Het materialenoverzicht Het d2-gedeelte van Taal in beeld bestaat uit de volgende materialen. - Een taalboek d2, waarin de basislessen staan uitgewerkt. - Een werkboek d2, waarin een gedeelte van de opdrachten is uitgewerkt. - Een antwoordenboek d2, waarin de antwoorden op de opdrachten (uit taal- en werkboek) zijn te vinden. - Een handleiding d2, waarin het volledige lesprogramma voor de leerkracht is beschreven. Hierbij vindt u ook de activiteitenbeschrijvingen die horen bij de toets- en herhalingstaken. - Een kopieerboek D, waarin alle kopieerbladen opgenomen zijn. Het gaat hierbij om de toetstaak (inclusief registratiebladen) en de herhalingstaken per blok. - Woordkenner D, een herhalingstaak op het gebied van woordenschat, die ieder blok terugkomt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een kopieerblad en een spelbord dat de activiteit ondersteunt. - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Met dit programma kunnen kinderen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Naar dit gedeelte van het programma wordt verwezen bij de basislessen en de herhalingstaken van ieder blok. Naast de doelwoorden uit de basislessen bevat het programma een groot aantal nieuwe doelwoorden. Dit gedeelte van het programma kan ingezet worden als plustaak. - Taalmaker D, waarin plustaken zijn ondergebracht. Die bestaat uit een doos met kaarten, kopieerbladen en werkbladen. Wat wordt wanneer gebruikt? Een blok in Taal in beeld bestaat uit vier lesweken. Tijdens de eerste drie weken worden de basislessen aangeboden. Deze staan in het taalboek en het werkboek en worden toegelicht in de handleiding. Op de vijfde dag van iedere week is geen basisstof gepland. U kunt ervoor kiezen op deze dag geen taalles op het rooster te zetten, maar het is ook mogelijk om deze dag als uitloopmogelijkheid te gebruiken. Een derde optie is op die dag geen basisstof aan te bieden, maar de leerlingen te laten werken aan de plustaken. Aan het einde van week 3 of begin van week 4 is er een toetstaak. De kinderen die onvoldoende scoren op (onderdelen van) de toets, gaan vervolgens de bijbehorende herhalingstaken doen. In de handleiding en op het registratieblad (te vinden in het kopieerboek), wordt op basis van de score aangegeven welke herhalingstaken aan bod kunnen komen. De overige kinderen kunnen aan de slag gaan met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Zowel de herhalings- als de plustaken worden per blok toegelicht in de handleiding. De laatste dag van week 4 zijn er geen herhalingstaken. Alle kinderen kunnen dan eventueel aan de slag met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Het schema op de volgende pagina biedt een overzicht van de activiteiten per blok en de te gebruiken materialen. De leerstof in Taal in beeld Vier taaldomeinen Taal in beeld besteedt in elk leerjaar ruim aandacht aan de taaldomeinen woordenschat, spreken/luisteren, schrijven (stellen) en taalbeschouwing. Hiermee voldoet de methode ruimschoots aan de kerndoelen voor het basisonderwijs en de tussendoelen beginnende en gevorderde geletterdheid, voor zover van toepassing voor een taalmethode Voor het spellingonderwijs is er een bijbehorende uitgave beschikbaar onder de naam Spelling in beeld. Deze methode vormt een Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 7 in -Taal- d
9 hl algemene handleiding Week 1, 2 en 3 Week 4 Basisstof Lessen (taalboek en werkboek) Toetstaak (kopieerboek) Herhalingstaken Plustaken Geen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen - Herhalingstaken (kopieerboek) - Leerspel Woordkenner - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen com plete spellingleergang die werkt volgens dezelfde principes als Taal in beeld. Tevens is er op tal van punten sprake van een afstemming tussen beide methodes. Meer informatie hierover vindt u op onze website, De leerstof van Taal in beeld is sterk gericht op het leren gebruiken van strategieën. De leerlingen leren hoe ze taal moeten gebruiken en welke mogelijkheden taal biedt, maar ook welke taalvaardigheden hen daarbij kunnen helpen. Hierbij gaat het om taalvaardigheden die voor, tijdens en na het communiceren gehanteerd worden. De leerlingen leren om, afhankelijk van de situatie waarin ze zich bevinden, een passende keuze te maken uit de taalvaardigheden die ze beheersen. Het kunnen bepalen welke vaardigheden nodig zijn en deze vervolgens op een juiste manier toepassen, vormt de kern van de strategische aanpak die de leerlingen zich met Taal in beeld eigen maken. Daardoor ontwikkelen ze taalcompetenties die hen in staat stellen om actief en bewust om te gaan met de taal en ermee te communiceren. Hieronder wordt in grote lijnen per taaldomein aangegeven welke leerstof in Taal in beeld aan de orde komt en hoe deze is opgebouwd. Een meer gedetailleerd overzicht van de leerlijnen vindt u op onze website, Woordenschat Het leerstofaanbod op het gebied van woordenschat is gericht op twee subdomeinen: de beheersing van woordenschatstrategieën en -vaardigheden en het verwerven van de betekenis van de doelwoorden. De woordenschatstrategieën en -vaardigheden In Taal in beeld komen twee soorten woordenschatstrategieën aan de orde: de eerste om de betekenis van woorden te kunnen achterhalen en de tweede om de woordbetekenis beter te kunnen onthouden. Ze worden aangeduid als respectievelijk een woordleerstrategie en een woordonthoudstrategie. De leerlingen beheersen de strategieën als ze uit de bijbehorende taalvaardigheden een adequate keuze kunnen maken en deze op de juiste manier kunnen toepassen. Hierbij gaat het enerzijds om woordleervaardigheden en anderzijds om woordonthoudvaardigheden. Deze vaardigheden komen elk leerjaar op hetzelfde moment terug. Het gaat daarbij om de volgende vaardigheden. Woordleervaardigheden - de woordbetekenis afleiden uit een plaatje - de woordbetekenis afleiden uit de tekst (of de context) - de woordbetekenis afleiden via woordanalyse - de woordbetekenis opzoeken - de woordbetekenis navragen Woordonthoudvaardigheden - de woordbetekenis onthouden door te associëren (bijvoorbeeld door een woordweb te maken) - de woordbetekenis onthouden door woorden te ordenen (bijvoorbeeld door het maken van een woordkast, woordparaplu, woordpad of woordpodium) - de woordbetekenis onthouden door woorden toe te passen (bijvoorbeeld door te tekenen, te schrijven of een presentatie te houden) De doelwoorden In de woordenschatlessen in het taalboek en het werkboek ligt het accent op het leren van woordenschatstrategieën en -vaardigheden. Deze worden aangeboden in de verschillende lesfasen (Op verkenning, Uitleg,, Terugkijken). In het verlengde hiervan komen ook doelwoorden aan bod in de lessen. Er is voor gekozen om tijdens de basislessen beperkt uitleg te geven over de betekenis van de doelwoorden. Het is bekend dat de verschillen tussen kinderen voor wat betreft hun woordenschat groot zijn. Het is daarom in onze opvatting niet gewenst alle leerlingen uitgebreid uitleg te geven over alle woordbetekenissen in alle situaties. De uitgebreide uitleg vindt dan ook pas plaats in de herhalingstaken, waardoor u als leerkracht zich kunt richten op de kinderen die onvoldoende woorden kenden. De eerste herhalingstaak is het leerspel Woordkenner. In dit spel komen de woorden aan de orde die de leerlingen nog niet beheersen. Ze leren de betekenis van de woorden kennen en beter onthouden door een aantal opdrachten dat terug te vinden is op het spelbord. Meer informatie over het leerspel vindt u in de toelichting in de speldoos. De tweede herhalingstaak is het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Hierin ligt het accent volledig op het beheersen van de doelwoorden. De wijze van aanbieden is gebaseerd op het bekende vierfasenmodel: introductie, semantisering (betekenis aanbrengen), consolideren (veelzijdig inoefenen) en evalueren. Wanneer de leerlingen aan de slag gaan met het computerprogramma, krijgen ze in eerste in -Taal- 8 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
10 algemene handleiding instantie de woorden aangeboden die ook in het taal- en werkboek aan de orde zijn geweest. Als ze die beheersen, krijgen ze nog een groot aantal nieuwe doelwoorden aangeboden. Het totaal aantal doelwoorden dat per blok aangeboden wordt, bedraagt 80. Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen vindt u in de toelichting die hoort bij dit softwarepakket en op De doelwoorden die aangeboden worden, vallen uiteen in drie categorieën: - woorden die nodig zijn voor algemeen dagelijks taalgebruik; - woorden die nodig zijn voor gebruik in en rond de school; - woorden die van belang zijn om te kunnen reflecteren op taal. Spreken/luisteren De leerstof in het domein spreken/luisteren is erop gericht de leerlingen adequate strategieën aan te leren om effectief te kunnen spreken en luisteren. Hierbij maakt Taal in beeld onderscheid tussen spreken, luisteren en het voeren van een gesprek. De onderdelen spreken en luisteren worden aangeboden in de vorm van eenrichtingsverkeer, waarbij zowel voor de spreker als voor de luisteraar specifieke strategieën aan bod komen. Bij het voeren van gesprekken gaat het om de gezamenlijke uitwisseling van gedachten over eenzelfde onderwerp. Om de leerlingen de spreek-, luister- en gespreksstrategieën aan te leren, komen in Taal in beeld, gekoppeld aan een achttal aandachtsgebieden, onder andere de volgende vaardigheden aan de orde: De voorbereiding het spreekdoel bepalen een woordweb gebruiken onderzoek doen in de bibliotheek of op internet vragen stellen De doelgroep praten met verschillende mensen op de luisteraar letten stap voor stap iets uitleggen de juiste mensen aanspreken Spreek/luister-situaties een inleiding geven verslag uitbrengen informatie geven een mening geven en argumenteren een betoog houden en een debat of discussie voeren een monoloog houden een verhaal of gedicht voorlezen, vertellen of voordragen een toneelstuk of een sketch spelen een mop vertellen Gesprekstechnieken bij het onderwerp blijven gedachten uitwisselen vragen stellen en doorvragen reageren op anderen conclusies trekken Het gebruik van beeldmateriaal uitleggen en vertellen met behulp van beeldmateriaal proefjes uitvoeren Lichaamstaal aandacht voor houding en gebaren aandacht voor stemgebruik en spreekpauzes aandacht voor het maken van oogcontact Woordgebruik moeilijke woorden, verwijswoorden en verbindingswoorden gebruiken een juiste woordkeuze maken De structuur van een gesprek informatie ordenen en rangschikken de juiste volgorde aanbrengen improvisatie het gesproken woord vastleggen Wanneer de leerlingen deze vaardigheden beheersen en in staat zijn om ze op het juiste moment te gebruiken, beschikken ze over adequate spreek-, luister- en gespreksstrategieën. Ze ontwikkelen zich op deze manier tot competente sprekers, luisteraars en gesprekspartners. Sprekershoek Vanaf groep 4 wordt in alle lessen spreken/luisteren een tip gegeven voor de Sprekershoek. Daarmee wordt een activiteit bedoeld waarbij de leerlingen in het openbaar leren spreken. De naam is ontleend aan Speaker s Corner, een plek in Hide Park in Londen waar ieder die dat wil zijn zegje mag doen. Voor de Sprekershoek in de klas geldt eveneens dat het de leerlingen vrij staat om hun zegje te doen. Gebruik de Sprekershoek dan ook om de leerlingen uit te dagen iets te vertellen over wat ze hebben geleerd, meegemaakt, ontdekt of wat ze ergens van vinden. Laat de andere kinderen reageren. Geef alle leerlingen de kans om van de Sprekershoek gebruik te maken, ook al is het nog zo kort. Het gaat hier niet om een spreekbeurt, maar om het leren speken in het openbaar. Om de Sprekershoek tot een uitnodigende activiteit te maken, kunt u voor in de klas een lessenaar zetten. Dat is de plek waar de kinderen op gezette tijden hun zegje mogen doen. Dat kan spontaan of voorbereid. Tijdens een discussie kunt u de Sprekershoek bijvoorbeeld gebruiken om enkele leerlingen om de beurt hun mening te laten geven. De Sprekershoek geeft dan iets meer cachet aan de zaak. De tips in de handleiding zijn bedoeld om de geleerde vaardigheden ook in de Sprekershoek toe te passen. Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 9 in -Taal- d
11 hl algemene handleiding Schrijven In het domein schrijven leren kinderen een adequate schrijfstrategie hanteren. Om de leerlingen de schrijfstrategie aan te leren, komen in Taal en beeld onder andere de volgende vaardigheden aan de orde. Ze zijn verdeeld over zes aandachtsgebieden: De voorbereiding het schrijfdoel en de doelgroep bepalen het onderwerp bepalen en informatie verzamelen onderzoek doen Tekstsoorten schrijven een verhaaltekst en monoloog schrijven een gedicht, toneelstuk, mop en sketch schrijven een weettekst, verslagtekst en meningtekst schrijven een ansichtkaart, brief en schrijven een doetekst, actietekst en omgevingstekst schrijven werkstukken, schema s, uittreksels en samenvattingen maken (samen) een tekst nalezen en reviseren Tekstonderdelen een titel bedenken een inleiding, conclusie, voorwoord en nawoord schrijven alinea s schrijven en tussenkopjes gebruiken de hoofdgedachte duidelijk maken Woordgebruik moeilijke woorden, verwijs- en verbindingswoorden gebruiken een passende woordkeuze maken Opbouw een tekst schrijven met een vergelijking een tekst schrijven met een opsomming een tekst schrijven met een oorzaak-gevolgrelatie een tekst schrijven met een probleem-oplossingrelatie Uiterlijk van de tekst een tekening maken bij een tekst beeldmateriaal verzamelen en bijschriften maken tekstdragers en lay-out bepalen een inhoudsopgave maken een omslag maken Als de leerlingen deze vaardigheden op het juiste moment en op de juiste wijze kunnen toepassen, beschikken ze over een adequate schrijfstrategie. Dit maakt hen tot competente schrijvers. Schrijfmap Vanaf groep 6 wordt in alle lessen schrijven een tip gegeven voor de Schrijfmap. De Schrijfmap is bedoeld om leerlingen een verzameling teksten aan te laten leggen, de zogenaamde portfolio. De Schrijfmap is in eerste instantie bedoeld als een leerlingoverzicht van de diverse teksten die de kinderen geschreven hebben. Maar u kunt de Schrijfmap ook gebruiken om regelmatig uit te laten voorlezen of de kinderen een tekst te laten kiezen voor bijvoorbeeld de schoolkrant. Ook kunt u tijdens de ouderavonden aan de hand van de Schrijfmap laten zien wat voor teksten de kinderen schrijven. Aan het einde van het jaar laat u de kinderen de Schrijfmap mee naar huis nemen of bewaren voor het volgend jaar. Als Schrijfmap kunt u een inlegmap gebruiken waarin de kinderen losse teksten bewaren. U kunt ook een ringband of een schrift gebruiken. Houd daarmee rekening als u de opdrachten laat maken die de kinderen moeten bewaren. Taalbeschouwing Het domein taalbeschouwing bestaat in Taal in beeld uit drie subdomeinen: woordbouw, zinsbouw en taalgebruik. Woordbouw Bij woordbouw leren de leerlingen de belangrijkste zaken met betrekking tot de functie, de bouw en de betekenis van woorden. Hierbij komen onder andere de volgende onderdelen aan de orde: het zelfstandig naamwoord in al zijn verschijningsvormen, waaronder de samenstelling, het meervoud en verkleinwoorden de werkwoorden en de verschijningsvormen en vervoegingen van het werkwoord, zoals de woordenboekvorm, de persoonsvorm en de deelwoorden de tijden tegenwoordige en verleden tijd functiewoorden zoals lidwoorden en voorzetsels verschillende voornaamwoorden zoals het persoonlijk, het bezittelijk en het aanwijzend voornaamwoord bijvoeglijke naamwoorden neologismen (nieuwe woordvorming) Zinsbouw Bij het onderdeel zinsbouw leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de functie, de bouw en de betekenis van zinnen. Hierbij komen onder andere aan de orde: diverse soorten zinnen zoals vertelzinnen, vraagzinnen, bevelzinnen, ontkenningen, enkelvoudige en samengestelde zinnen en de gebiedende wijs het gebruik van voegwoorden en vraagwoorden het verdelen van zinnen in zinsdelen zoals onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bepaling de interpunctie: het gebruik van hoofdletter, komma, punt, vraagteken en uitroepteken, dubbele punt, puntkomma en aanhalingstekens in -Taal- 10 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
12 algemene handleiding Taalgebruik Bij het onderdeel taalgebruik leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de bouw van teksten en het gebruik van taal. Hierbij wordt onder meer aandacht besteed aan de volgende verschijnselen: bondig en uitvoerig taalgebruik creatief en zakelijk taalgebruik letterlijk en figuurlijk taalgebruik formeel en informeel taalgebruik ouderwets en modern taalgebruik het verschil tussen thuistaal en schooltaal het gebruik van directe en indirecte rede oude taalvormen en zinnen vormen van taalgebruik via nieuwe media zoals en sms het gebruik van dialecten en andere taalvarianten zoals standaard- Nederlands en Vlaams taalgebruik van doven en blinden het gebruik van pictogrammen Een meer gedetailleerde leerstofopbouw van alle taalonder delen die in Taal in beeld aan bod komen, vindt u op de website Handleiding online Deze handleiding is bedoeld om u zo effectief en prettig mogelijk met Taal in beeld te laten werken. Om deze reden is er ook voor gekozen om dit algemene gedeelte van de handleiding zo compact mogelijk te houden. Mocht u behoefte hebben aan meer of meer gedetailleerde informatie over Taal in beeld, dan kunt u hiervoor terecht op de website Hier vindt u het online-gedeelte van de handleiding met aanvullende informatie. Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 11 in -Taal- d
13 blok 7 cultuur -Taalin Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
14 hl blok 7 cultuur les 1 woordenschat y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door een illustratie te maken. Ze leren tien nieuwe woorden. y Doelwoorden het gewas, de globe, de handpalm, de illustratie, het kunstwerk, opklaren, stampvol, de uitrusting, de wenteltrap, wieden y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 54 en 55 w d2, pagina 25 a d2 s extra stof (differentiatie) computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal, waarin Joost een tekening van een grafkamer maakt. Deze geeft hij aan zijn klasgenoot Lottie, zodat zij beter kan onthouden wat een grafkamer precies is. Ze schrijven op wat voor soort tekening Joost maakt en wat de bedoeling ervan is. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je woorden kunt onthouden door een illustratie te maken. Dat kunnen tekeningen of andere plaatjes zijn. Om het nog duidelijker te maken kun je allerlei woorden bij je illustratie schrijven, om aan te geven wat het voorstelt. De leerlingen kiezen een woord uit een woordenlijst, lezen de betekenis en maken er een illustratie bij. Vervolgens bekijken ze een collage van illustraties die samen de uitrusting van een visser laten zien. Ze schrijven bij elk plaatje wat het is. Ze bedenken wat voor illustratie geschikt is om het woord opklaren te onthouden en beschrijven die illustratie. Terug in het taalboek lezen ze twee nieuwe woorden met uitleg, kiezen er een uit en maken daar een illustratie van. Terugkijken Ter evaluatie maken de leerlingen een zin af in een stripverhaal, die samenvat wat ze deze les hebben geleerd. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Laat de leerlingen ook bijdere vakken illustraties maken bij nieuwe woorden. Bijvoorbeeld bij aardrijkskunde of geschiedenis. Daar kunnen ze een geografisch verschijnsel of een historische gebeurtenis tekenen, maar ook een kaart of een tijdbalk maken. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 4 kunnen de leerlingen ieder een ander woord kiezen en het resultaat daarna samen bespreken. Bij opdracht 5 kunnen ze om de beurt een plaatje aanwijzen. De ander zegt wat het voorstelt. Ook bij opdracht 7 kunnen de leerlingen ieder een ander woord kiezen en het resultaat samen doorspreken. Kiezen ze voor de handpalm, dan kunnen ze eerst hun eigen handpalm en daarna de handpalm van hun buur natekenen. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4 kunt u de vier woorden over de leerlingen verdelen. Bij opdracht 6 kunt enkele leerlingen hun illustratie op het bord laten uitwerken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen een woord kunnen illustreren en daarbij ook doorhebben dat het een manier is om de betekenis beter te onthouden. Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 51 in -Taal- d
15 hl blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren een spreekbeurt voorbereiden. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 56 en 57 w d2, pagina 26 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen zien hoe Wikash zijn spreekbeurt voorbereidt. Ze schrijven op hoe en in welke volgorde hij dat doet. Ze schrijven ook op wat ze zelf over het onderwerp zouden vertellen en wat ze zouden laten zien. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je in een spreekbeurt informatie geeft over een bepaald onderwerp. Je vertelt erover maar je laat ook dingen zien. Het is belangrijk dat je een spreekbeurt goed voorbereidt. De stappen die je daarbij neemt, worden genoemd. De leerlingen kiezen een onderwerp voor een spreekbeurt, maken een woordweb over en kleuren woorden die volgens hen bij elkaar horen. Ze ordenen de woorden in een woordkast. Aan de hand daarvan schrijven ze op wat ze gaan vertellen en in welke volgorde. Tot slot schrijven ze op wat ze laten zien. Terug in het taalboek vertellen de leerlingen elkaar hoe ze hun spreekbeurt gaan houden. De ander noteert wat hij van de voorbereidingen vindt. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op hoe ze het voorbereiden van de spreekbeurt vonden gaan. Sprekershoek Laat leerlingen in de komende week hun (korte) spreekbeurt houden, bijvoorbeeld elke dag een paar leerlingen. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Opdracht 9 kan alleen in tweetallen worden uitgevoerd. In plaats daarvan kunt u de leerlingen de laatste hand leggen aan de voorbereiding van hun spreekbeurt. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 9 kunt u de leerlingen voor de klas laten vertellen hoe ze hun spreekbeurt gaan houden. De andere leerlingen geven suggesties. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen een spreekbeurt kunnen voorbereiden volgens de stappen in de Uitleg. Aantekeningen in -Taal- 52 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
16 hl blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing y Organisatie en differentiatie y Doelen De leerlingen leren wanneer ze aanhalingstekens, een dubbele punt, een puntkomma of een komma moeten gebruiken. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 58 en 59 w d2, pagina 27 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen herhalen wat de directe rede is en welke leestekens ze bij de directe rede moeten gebruiken. Ze maken opdrachten waarin ze leren wanneer ze een dubbele punt, een komma of een puntkomma moeten gebruiken. Uitleg Uitgelegd wordt wanner je een komma, een dubbele punt, een puntkomma en aanhalingstekens gebruikt. De leerlingen zetten zinnen om van de indirecte naar de directe rede en letten erop dat ze daarbij de juiste leestekens gebruiken. In een verhaal waaruit de leestekens zijn weggelaten, vullen ze deze in op de juiste plaats. Terug in het taalboek beoordelen de leerlingen of het gebruik van de leestekens in een aantal zinnen correct is. Terugkijken De leerlingen geven ter evaluatie aan of ze de in de les behandelde leestekens wel of niet goed kunnen toepassen. Laat de leerlingen in een boek (bijvoorbeeld hun geschiedenisboek) een verhalende tekst opzoeken. Laat ze aangeven waar in deze tekst de directe rede wordt gebruikt en laat ze de gebruikte leestekens daarbij benoemen. Laat de leerlingen een zo lang mogelijke opsomming bedenken en opschrijven met gebruik van een dubbele punt en komma s. U kunt het volgende voorbeeld gebruiken: In de eredivisie spelen de volgende voetbalclubs: Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Bij opdracht 2 worden de termen directe rede, opsomming en verklaring gebruikt. Misschien is het nodig om na te gaan of de leerlingen weten wat deze termen betekenen. Voor sommige leerlingen kan het nodig zijn om nog even stil te staan bij wat de directe rede is. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. De leerlingen kunnen bij alle opdrachten in overleg de oplossing bepalen en deze vervolgens allebei opschrijven. Benadruk dat ze bij het overleg over het juiste antwoord argumenten moeten geven en vervolgens samen tot een keuze moeten komen. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 1 kunt u zo nodig nog enkele extra oefenzinnen op het bord schrijven. Bij opdracht 2 kunt u de termen nog eens toelichten. Bij opdracht 3 en 4 kunt u de kinderen zelf enkele opsommingen laten bedenken. Bij opdracht 6 laat u verwoorden waarom de leerlingen daar het door hen opgeschreven leesteken gebruiken. Bij opdracht 7 laat u hen toelichten waarom iets niet goed is. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 53 in -Taal- d
17 hl blok 7 cultuur les 4 schrijven y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren een tekst met een opsomming schrijven. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 60 en 61 w d2, pagina 28 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Op verkenning De leerlingen lezen een waarin Froukje een orkest beschrijft door middel van een opsomming. Ze vatten kort samen wat Froukje over het orkest vertelt. Ze schrijven ook op wat de functie is van de schuingedrukte woorden (en, ook, tevens, zelfs). Daarna maken ze zelf een opsomming met enkele muziekinstrumenten. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je in een tekst een opsomming kunt gebruiken. Een opsomming herken je aan woorden als: en, ook, bovendien, eveneens, tevens. Als voorbeeld staat er een korte tekst met een opsomming. U kunt de leerlingen net als bij eerdere schrijflessen hun antwoorden eerst met potlood op laten schrijven. Als ze klaar zijn, bespreken ze de antwoorden met hun buur en brengen eventueel wijzigingen aan. De leerlingen bekijken een woordweb over de piano en kiezen er enkele woorden uit waarmee ze een opsomming denken te kunnen maken. Ze schrijven een inleiding voor de tekst waarin deze opsomming voor zal komen. In de inleiding verwijzen ze naar de opsomming die zal komen. Ze doen hetzelfde nog een keer, maar nu met een zelfgemaakt woordweb over films. Terug in het taalboek kiezen de leerlingen een onderwerp uit het werkboek. Ze nemen de inleiding uit het werkboek over en schrijven er een tekst bij van één alinea waarin ze een opsomming geven. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op hoe het maken van de opsomming ging en welke (signaal)woorden ze hierbij hebben gebruikt. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden: Bij opdracht 5 kunnen de leerlingen discussiëren over de woorden die zij willen kleuren. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen samen het woordweb invullen en elkaar aanvullen. Bij opdracht 9 kunt u de kinderen (ook) een tekst laten schrijven bij de inleiding van de ander. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 5 kunt u de leerlingen laten discussiëren over de te kleuren woorden. Bij opdracht 7 kunt u een groot woordweb op het bord maken waaruit de leerlingen die woorden halen die ze in hun opsomming willen gebruiken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Tips Wijs de leerlingen deze week ook bij andere vakken op het voorkomen van opsommingen in teksten en de daarbij behorende signaalwoorden. Controleer of de leerlingen een tekst met een opsomming kunnen schrijven. in -Taal- 54 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
18 hl blok 7 cultuur les 5 woordenschat y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door er een tekst over te schrijven. De leerlingen leren tien nieuwe woorden. y Doelwoorden de actrice, de chaos, de cursus, de nieuweling, onderdrukken, de schrijfster, uit alle macht, vakkundig, verplicht, volmaakt y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 62 en 63 w d2, pagina 29 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Joost en het geheim van Djer. Ze schrijven op wat met het gekleurde woord chaos wordt bedoeld. Ze kunnen de betekenis opmaken uit de tekst. Daarna bedenken ze zelf een ander voorbeeld van chaos. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je woorden kunt onthouden door er een tekst over te schrijven. De verschillende tekstsoorten worden nog eens herhaald (verhaaltekst, weettekst, verslagtekst, brief of ) Er worden drie voorbeelden gegeven van teksten waarin een bepaald woord wordt uitgelegd.. De leerlingen maken een verhaaltje af. Uit het verhaal moet duidelijk zijn op te maken wat het woord cursus betekent. Ze bekijken vier nieuwe woorden met uitleg, kiezen er een uit en schrijven daar een korte tekst over. Terug in het taalboek schrijven ze een korte tekst over een volmaakte machine, waardoor ze het woord volmaakt beter kunnen onthouden. Ze maken ook een tekening van de machine. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen bij een aantal zinnen op of ze waar of niet waar zijn. De zinnen gaan over manieren om een woord te onthouden. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Laat de leerlingen in de komende periode korte teksten schrijven bij moeilijke woorden die ze in andere vakken tegenkomen. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 6 kunnen ze samen een machine bedenken. Ze kunnen ook een tekening maken bij de tekst van de ander, om te controleren of in de tekst alles duidelijk wordt uitgelegd. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij de opsomming van tekstsoorten in de Uitleg kunt u de leerlingen bij elke tekstsoort een voorbeeld laten geven. Bij opdracht 5 kunt u samen met de leerlingen over elk woord een korte tekst op het bord schrijven. Bij opdracht 6 kunt u enkele leerlingen hun machine op het bord laten tekenen. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen een tekst bij een moeilijk woord kunnen schrijven, waaruit duidelijk wordt wat het woord betekent. Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 55 in -Taal- d
19 hl blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen bekijken een strip. Ze letten op wat Maaike doet als de juf haar vraagt spontaan iets te vertellen over het muziekinstrument dat zij bespeelt. Ze schrijven op wat Maaike doet en vertellen hun buur kort iets over een muziekinstrument, waarbij ze hetzelfde te werk gaan als Maaike. y Doelen De leerlingen leren improviseren. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 64 en 65 w d2, pagina 30 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je ook zonder voorbereiding iets over een onderwerp kunt vertellen. Dat noem je improviseren. Je vertelt dan wat je op dat moment weet. Als hulp maak je een woordweb in je hoofd. Je schrijft dus niks op. De leerlingen kiezen een onderwerp waarover ze iets gaan vertellen. Ze maken als een geheugensteuntje een woordweb, dat ze nu nog wel mogen opschrijven. Daarna vertellen de leerlingen aan hun buur wat ze op dit moment weten over het onderwerp. De luisteraar geeft aan wat hij van de improvisatie vindt. Ze doen hetzelfde nog een keer met een ander onderwerp, dat ze voor elkaar bedenken. Nu maakt de spreker een woordweb in zijn hoofd, zonder iets op te schrijven. Terug in het taalboek improviseren de leerlingen zelf nog een keer over het onderwerp dat ze voor hun buur hadden bedacht. De luisteraar maakt aantekeningen. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op hoe ze het vonden om te improviseren en wat ze daarbij moeilijk en makkelijk vonden. Laat de leerlingen deze week ook in andere vakken improviseren over onderwerpen die aan de orde komen. Sprekershoek Laat leerlingen in de sprekershoek improviseren over het onderwerp van de extra opdracht. U kunt het improviseren ook laten oefenen door de klas spontaan een onderwerp te laten geven. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Opdracht 6, 7 en 8 kunnen alleen in tweetallen worden uitgevoerd. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 6, 7 en 8 kunt u ervoor kiezen om leerlingen voor de klas te laten improviseren. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen kunnen improviseren. in -Taal- 56 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
20 hl blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren wat een bepaling is. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 66 en 67 w d2, pagina 31 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Op verkenning De leerlingen onderstrepen in een aantal zinnen het onderwerp, het gezegde, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Ze schrijven op welke zinnen overblijven. Later zal blijken dat dit de bepalingen zijn. Bij een aantal andere zinnen zoeken de kinderen naar zinsdelen die aangeven waar, wanneer, waarmee of hoe iets gebeurt. Ook dit zijn bepalingen, zien ze straks. Uitleg Uitgelegd wordt dat een bepaling het zinsdeel is dat overblijft als je onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp hebt opgezocht. Een bepaling zegt bijvoorbeeld iets over waarmee, wanneer, waar of hoe iets gebeurt. De leerlingen onderstrepen in een aantal zinnen de zinsdelen die ze kennen en kleuren de zinsdelen die overblijven. Ze geven aan dat deze laatste zinsdelen bepalingen zijn. In de volgende oefening leren ze onderscheid maken tussen bepalingen van tijd en van plaats. Deze geven ze elk een andere kleur. Terug in het taalboek maken ze zelf zinnen met een aantal gegeven bepalingen. Terugkijken Ter evaluatie lezen de leerlingen een aantal zinnen die uitleggen wat een bepaling is. Ze schrijven de letter van de goede zin op. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 1 en 3 kunt u kinderen die moeite hebben met het ontleden nog eens extra hulp geven. Bij opdracht 4 kunt u de leerlingen vragen of de bepalingen in de gegeven zinnen iets zeggen over wanneer, waar, hoe of waarmee het gebeurt. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen bepalingen kunnen benoemen in een zin. In het verlengde van de les kunt u op een later moment het volgende spel spelen. Tips Geef ieder kind een in de lengte doorgeknipt schriftblaadje. Elk kind schrijft boven aan dit blaadje de naam van iemand uit de groep. Daarna wordt het blaadje twee keer omgevouwen, zodat niet meer te lezen is welke naam is opgeschreven. Daarna wordt het blaadje doorgegeven aan de buurman. U geeft nu de opdracht de persoonsvorm in de hijvorm van een werkwoord op te schrijven. Het blaadje wordt weer twee keer omgevouwen en doorgegeven aan de (achter)buurman. Daarna wordt opgeschreven wanneer het gebeurt. Het blaadje wordt weer twee keer omgevouwen en doorgegeven. Vervolgens laat u opschrijven hoe of waarmee het gebeurt. Het blaadje weer omvouwen en doorgeven. Tot slot laat u opschrijven waar het gebeurt. Het blaadje wordt weer doorgegeven. Het kind dat nu het blaadje ontvangt, vouwt het open. Om de beurt lezen de kinderen de zin voor die op deze manier ontstaan is. U schrijft een of twee van de zinnen op het bord en onderstreept de bepalingen. Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 57 in -Taal- d
21 hl blok 7 cultuur les 8 schrijven y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren een tekst schrijven met oorzaak en gevolg. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 68 en 69 w d2, pagina 32 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Op verkenning De leerlingen zien hoe Robbie een tekst met oorzaak en gevolg schrijft over manga s. Ze vatten kort samen wat Robbie over de manga vertelt. Ze zoeken in de tekst van Robbie naar twee voorbeelden van oorzaak en gevolg. Ze noteren welke signaalwoorden daarbij horen (doordat, daarom). Tot slot schrijven ze op van welke strip ze het meest houden en waarom. Ze formuleren het als oorzaak en gevolg. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat in een tekst sprake kan zijn van een oorzaak en een gevolg. De oorzaak is datgene waardoor iets gebeurt. Wat daarna gebeurt, is het gevolg. Een tekst met oorzaak en gevolg herken je aan woorden als: doordat, daardoor, hierdoor, zodat, daarom, omdat, gevolg, oorzaak. Strikt genomen is er verschil tussen een oorzaak en een reden. Voor een oorzaak gebruik je de woorden daardoor en doordat. Voor een reden gebruik je daarom en omdat. Een oorzaak en gevolg zijn altijd onvermijdelijk (bijvoorbeeld: ik word nat doordat het regent). Een reden heeft te maken met vrije wil of eigen mening (bijvoorbeeld: ik ga naar huis omdat ik moe ben). Voor de volledigheid wordt de reden in het taalboek tussen haakjes genoemd. Maar om de stof niet onnodig ingewikkeld te maken, wordt niet verder ingegaan op het verschil. In spreektaal is het meestal wel geaccepteerd om doordat/daardoor en omdat/daarom door elkaar te gebruiken. U kunt de leerlingen net als bij eerdere schrijflessen de antwoorden eerst met potlood op laten schrijven. Als ze klaar zijn, bespreken ze de antwoorden met hun buur en brengen eventueel wijzigingen aan. De leerlingen maken een woordpad met de gegeven woorden. Ze schrijven hierbij een zin die een oorzaak en een gevolg aangeeft. Daarna bedenken ze een gevolg bij een oorzaak en een oorzaak bij een gevolg. Ze maken een woordpad over muziekclips en bedenken hier ook een zin bij met oorzaak en gevolg. Tot slot tekenen ze twee plaatjes waarin een oorzaak en een gevolg worden weergegeven. Terug in het taalboek kiezen de leerlingen een onderwerp uit het werkboek en schrijven daarover een tekst met een oorzaak en een gevolg. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op hoe het schrijven van de tekst ging. Ze schrijven op welke (signaal)woorden ze daarbij hebben gebruikt. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 6 en 7 kunnen de leerlingen samen meerdere oorzaken en gevolgen bedenken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terug kijken uitsluitend mondeling be handelen. Bij opdracht 5, 6, 7 en 8 kunt u de leerlingen laten discussiëren over waarom iets een oorzaak of een gevolg is. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Tips Wijs de leerlingen deze week ook bij andere vakken op het voorkomen van oorzaak en gevolg in teksten en de daarbij behorende signaalwoorden. Schrijfmap Laat de leerlingen de tekst van opdracht 10 bewaren in hun schrijfmap. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen een tekst kunnen schrijven met een oorzaak en een gevolg. in -Taal- 58 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
22 hl blok 7 cultuur les 9 woordenschat y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren woorden uitleggen door ze op verschillende manieren te presenteren. De leerlingen leren tien nieuwe woorden. y Doelwoorden de basstem, kliederen, de presentatie, privé, stamelen, teder, tenger, tieren, treuzelen, uitgestorven y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 70 en 71 w d2, pagina 33 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Joost en het geheim van Djer. Ze letten op hoe Joost uitlegt wat hij heeft gedaan (met woorden en uitbeelden) en schrijven dat op. Daarna denken ze aan iets dat ze gisteren hebben gedaan en schrijven op hoe ze dat zouden uitleggen. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je woorden kunt uitlegen in een presentatie: laten zien/horen, een raadspel of iets vertellen. Van alle drie wordt een voorbeeld gegeven met het woord stamelen. Eerst lezen de leerlingen wat een aantal woorden betekenen. Ze kiezen drie woorden en bedenken bij elk een ander soort presentatie. Ze schrijven op hoe de presentatie eruitziet of klinkt. Vervolgens voeren ze de drie presentaties een voor een uit voor hun buur. Ze kruisen aan of de luisteraar wel of niet begreep om welk woord het ging. Terug in het taalboek nemen ze een dier in gedachten en bedenken een manier om het te presenteren. Ze schrijven het op in hun schrift. Vervolgens voeren ze om de beurt hun presentatie uit en bespreken samen hoe het ging. Terugkijken Ter evaluatie bedenken de leerlingen drie manieren om het woord basstem te presenteren. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Laat de leerlingen in de komende periode ook in andere lessen bijvoorbeeld een geografisch of historisch begrip presenteren. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Opdracht 6 en 7 kunnen alleen in tweetallen worden uitgevoerd. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij de suggesties in de Uitleg kunt u de leerlingen bij elke suggestie nog een ander voorbeeld laten bedenken. Bij opdracht 5 kunt u de woorden verdelen over de leerlingen. Opdracht 6 en 7 kunt u door enkele leerlingen voor de klas laten uitvoeren. Bij opdracht 8 kunt u alle leerlingen één manier laten voordoen. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen woorden kunnen uitleggen door middel van een presentatie. Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 59 in -Taal- d
23 hl blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren notities maken terwijl ze luisteren. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 72 en 73 w d2, pagina 34 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen zien in de tekening hoe kinderen notities maken terwijl juf Hanneke in de klas vertelt over Grieken en Romeinen. Ze schrijven op welke manieren deze kinderen notities maken. Ook schrijven ze op hoe zijzelf notities zouden maken. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd hoe je notities kunt maken terwijl je luistert, bijvoorbeeld tijdens een spreekbeurt. Dat kan met trefwoorden, korte zinnen of afkortingen. Na afloop kun je vragen stellen aan de spreker om je notities bij te werken. Met behulp van je notities kun je een kort verslag schrijven over wat is verteld. De leerlingen maken een woordweb over een spel dat ze leuk vinden en vertellen er iets over aan hun buur. De luisteraar maakt notities met behulp van trefwoorden. Daarna vertellen ze iets over een boek dat ze hebben gelezen. Deze keer maken ze het woordweb alleen in hun hoofd, zoals ze geleerd hebben in les 6. De luisteraar maakt weer notities, waarbij hij kiest voor afkortingen of korte zinnen. Terug in het taalboek vertellen de leerlingen elkaar al improviserend iets over hun lievelingsmuziek of favoriete band. Tijdens het luisteren maakt de luisteraar notities op de manier die hij handig vindt. Na afloop schrijven de leerlingen een kort verslag over wat is verteld. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op op welke manier ze notities hebben gemaakt bij opdracht 7. Ook schrijven ze op of ze het moeilijk vonden dat ze moesten luisteren en schrijven tegelijk, wat een kenmerk is van notities maken. Laat de leerlingen deze week ook bij andere vakken notities maken tijdens het luisteren. Ze kunnen dit bijvoorbeeld doen tijdens een uitzending van Schooltv, of gewoon tijdens een uitleg van u. Sprekershoek Laat enkele leerlingen in de sprekershoek iets vertellen. De anderen maken notities. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Opdracht 5, 6 en 7 kunnen alleen in tweetallen worden uitgevoerd. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. U kunt even extra stilstaan bij de functie van notities maken. Dit doe je als je dingen wilt onthouden, bijvoorbeeld om het later na te kunnen vertellen of om er een verslag over te schrijven. Bij opdracht 5, 6 en 7 kunt u meerdere leerlingen voor de klas iets laten vertellen over de opgegeven onderwerpen. De andere leerlingen maken notities terwijl ze luisteren. Laat de leerlingen de gemaakte notities met elkaar vergelijken en vertellen welke vorm zij het handigst vonden en waarom. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen notities kunnen maken tijdens het luisteren. in -Taal- 60 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
24 hl blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren dat er in een zin meerdere bepalingen kunnen staan. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 74 en 75 w d2, pagina 35 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken y Voorbereiding Bij opdracht 8 hebben de leerlingen dobbelstenen nodig. Tips Op verkenning De leerlingen onderstrepen in een aantal zinnen de zinsdelen die ze kennen en schrijven op hoeveel zinsdelen er in elke zin overblijven (dit zijn de bepalingen). Ze kijken ook naar het aantal van elk zinsdeel per zin. Het blijkt dat er meerdere bepalingen in staan, maar van alle andere zinsdelen is er maar een. Er staan wel meerdere werkwoorden in het gezegde. Vervolgens formuleren ze zelf een aantal zinnen en onderstrepen daarin de bepaling. Tot slot kiezen ze de juiste zin die aangeeft wat een bepaling precies is. Uitleg Uitgelegd wordt dat een bepaling kan zeggen hoe, waar, wanneer of waarmee iets gebeurt en dat er meerdere bepalingen in een zin kunnen staan. t De leerlingen kleuren alle bepalingen in een aantal zinnen. Daarna bedenken ze bij een aantal zinnen zelf de bepalingen en geven met kleur aan of het bepalingen zijn van tijd of van plaats. Terug in het taalboek maken ze met behulp van een dobbelsteen en een aantal gegeven zinsdelen grappige zinnen. In elke zin staan drie bepalingen. Terugkijken Ter evaluatie lezen de leerlingen twee zinnen die zeggen wat een bepaling is. Ze geven aan welke van deze twee zinnen juist is. In het verlengde van deze les kunt u op een later moment nogmaals het spel, zoals dat in les 7 van blok 7 beschreven is, spelen. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Opdracht 8 is bedoeld om samen te doen, maar kan ook individueel worden gedaan. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 8 kunt u elk kind zijn grappigste zin laten voorlezen. Vraag bij welke stukjes van de zin het om een bepaling gaat. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de kinderen bepalingen kunnen herkennen in een zin en of ze deze kunnen benoemen (hoe, waar, wanneer of waarmee het gebeurt). Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 61 in -Taal- d
25 hl blok 7 cultuur les 12 schrijven y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen zien hoe Jayden een tekst schrijft over het feit dat veel schrijvers en schrijfsters het moeilijk vinden om een verhaal te schrijven. Ze schrijven op wat Jayden met zijn tekst wil duidelijk maken. Ook bedenken ze een (andere) oplossing voor een van de problemen waarover Jayden schrijft. y Doelen De leerlingen leren een tekst schrijven met een probleem en een oplossing. y Materialen/lesstof basisstof t d2, pagina 76 en 77 w d2, pagina 36 a d2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat in tekst een probleem en een oplossing kunnen staan. Je gebruikt dan woorden als: probleem, kwestie, punt, lastig, oplossing, idee, voorstel. U kunt de leerlingen net als bij eerdere schrijflessen de antwoorden eerst met potlood op laten schrijven. Als ze klaar zijn, bespreken ze de antwoorden met hun buur en brengen eventueel wijzigingen aan. De leerlingen kleuren in een korte tekst het probleem rood en de oplossing groen. Daarna bedenken ze een oplossing bij een probleem en een probleem bij een oplossing. Ze bedenken wat het probleem kan zijn tijdens de uitvoering van een musical. Daar maken ze een woordkast over. Tot slot bekijken ze elkaars woordkast. Zonodig kunnen ze die corrigeren. Terug in het taalboek schrijven de leerlingen een tekst over een musical met behulp van de woordkast uit het werkboek. Hierin beschrijven ze een probleem en een oplossing. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op hoe het schrijven van de tekst ging. Ze geven aan welke signaalwoorden ze daarbij hebben gebruikt. Wijs de leerlingen deze week ook bij andere vakken op het voorkomen van een probleem en een oplossing in teksten en de daarbij behorende signaalwoorden. Schrijfmap Laat de leerlingen de tekst van opdracht 9 bewaren in hun schrijfmap. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Bij opdracht 8 bespreken de leerlingen hun woordkast met hun buur. U kunt de leerlingen ook individueel hun woordkast nog eens kritisch laten bekijken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 5, 6 en 7 kunt de leerlingen klassikaal problemen en oplossingen laten bedenken en daarover laten discussiëren. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen een tekst kunnen schrijven met een probleem en een oplossing. in -Taal- 62 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
26 hl blok 7 cultuur toetstaak y Doel Deze toetstaak meet of de leerlingen kernonderdelen van de in blok 7 aangeboden leerstof beheersen. y Materialen basisstof k d, blok 7, blad 1 en 2: toetstaak k d, blok 7, blad 3: registratieblad extra stof Taalmaker plustaken y Voorbereiding Kopieer voor alle leerlingen de toetstaak (kopieerblad 1 en 2 van blok 7). Kopieer voor uzelf het registratieblad (kopieerblad 3 van blok 7). Zorg ervoor dat de kinderen de toets individueel en zelfstandig maken. Het is belangrijk dat ze ongestoord kunnen werken. y Toetsactiviteiten 1 Onderdeel: spreken/luisteren Doel: De leerlingen kunnen een spreekbeurt voorbereiden. Activiteit: De leerlingen geven met cijfers de juiste volgorde aan van de stappen die je neemt om een spreekbeurt voor te bereiden. 2 Onderdeel: spreken/luisteren Doel: De leerlingen kunnen improviseren. Activiteit: De leerlingen maken in gedachten een woordweb over een hobby. Ze mogen het woordweb dus niet opschrijven. Vervolgens schrijven ze een paar zinnen over hun onderwerp door te improviseren. 3 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen weten wanneer ze aanhalingstekens, een dubbele punt, een puntkomma of een komma moeten gebruiken. Activiteit: De leerlingen zetten leestekens op de juiste plaats in een tekst. 4 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen weten wat een bepaling is. Activiteit: De leerlingen kleuren de bepalingen in enkele zinnen. 5 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen kunnen woorden onthouden door een illustratie te maken. De leerlingen kennen enkele doelwoorden. Activiteit: De leerlingen maken een illustratie bij enkele gegeven woorden. 6 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen kunnen woorden onthouden door er een tekst over te schrijven. De leerlingen kennen enkele doelwoorden. Activiteit: De leerlingen schrijven een tekst met enkele nieuwe woorden erin. Ze kiezen zelf de tekstsoort. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 63 in -Taal- d
27 hl blok 7 cultuur toetstaak y Organisatie De leerlingen maken de toetstaak individueel en zelfstandig. Het is wel aan te raden om een korte taakinstructie te geven en na te gaan of de leerlingen de opdrachten snappen. Er is geen tijdslimiet voor het afronden van de toetstaak. De kinderen die klaar zijn met de toetstaak kunnen aan de slag met plustaken uit Taalmaker. y Signalering en differentiatie Na het afronden van de toetstaak kunt u zelf de resultaten bekijken en registeren op het registratieblad van blok 7. De toetsvragen 1 t/m 4 resulteren in een aparte score. Bij opdracht 5 en 6 wordt het aantal items bij elkaar opgeteld en wordt een gezamenlijke score berekend. Op basis van de adviesnorm kunt u bepalen of het kind de komende lesmomenten aan de slag moet met herhalingslessen of verder kan gaan met plustaken. De adviesnorm staat vermeld op het registratieblad. De herhalingstaken zijn bedoeld voor leerlingen die in onvoldoende mate de doelen van dit blok bereikt hebben. In de herhalingslessen krijgen zij verlengde instructie en begeleide verwerking, waardoor ze alsnog het gewenste beheersingsniveau kunnen bereiken. In principe zijn de vervolgsuggesties bedoeld voor de lesmomenten die op de toetstaak volgen. Daarnaast is het raadzaam kinderen die onvoldoende scoren meer begeleiding te geven tijdens de basislessen van de komende blokken. U kunt dit doen door (gedeelten van) de lessen voor deze kinderen begeleid aan te bieden. Antwoorden 1 4 Je bepaalt wat je gaat vertellen en wat je laat zien. 1 Je bepaalt het onderwerp. 3 Je bepaalt wat bij elkaar hoort en maakt een indeling. 2 Je maakt een woordweb. 2 Ter beoordeling van de leerkracht. 3 Een man kan niet meer praten; (,) hij gaat naar de dokter. Hij schrijft op een briefje dat hij niet kan praten. De dokter zegt: Oké, leg je rechterhand maar op tafel. Als hij dat doet, pakt de dokter een hamer. De man schreeuwt: Aaaaaah! Heel goed, zegt de dokter. De man is boos; (,) hij wil weggaan. Maar de dokter zegt: Komt u morgen maar terug om de letter b te oefenen. 4 Onder de grond met je eigen ogen in het Museonder in het Nationale Park De Hoge Veluwe onder de grond onder de wortels van een oude beuk In het Museonder 5 Ter beoordeling van de leerkracht. 6 Ter beoordeling van de leerkracht. Aantekeningen in -Taal- 64 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
28 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Activiteiten Op basis van de toetsresultaten gaan kinderen de komende lessen aan de slag met herhalingstaken en/of plustaken. De leerlingen die onvoldoende scoorden op onderdelen van de toetstaak, gaan herhalingstaken maken. De leerlingen die dit niet nodig hebben, gaan zelfstandig aan de slag met de plustaken. De adviesnorm die hoort bij de toetsopdrachten, vindt u op het registratieformulier bij de toetstaak. De onderstaande voortgangsplanner helpt u de vervolgactiviteiten te bepalen. Voortgangsplanner week 4 blok 7 Toetsopdrachten Resultaat Vervolgactiviteit Opdracht 1 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 1 Opdracht 2 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 2 Opdracht 3 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 3 Opdracht 4 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 4 Opdracht 5 en 6 -> Onvoldoende Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en/of 6 -> (Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld, herhaling doelwoorden uit blok) Alle toetsopdrachten -> Voldoende of goed -> Plustaken Taalmaker -> Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld (extra doelwoorden) Herhalingstaken De herhalingstaken kunnen remediërend ingezet worden en bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De kinderen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij, op onderdelen, te begeleiden. Door gerichte mondelinge interactie is de kans groter dat ze de doelen van het blok alsnog bereiken. Herhalingstaak 1: spreken/luisteren Doel De leerlingen kunnen een spreekbeurt voorbereiden. Materialen Kopieerblad 4 van blok 7: herhalingstaak 1 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 4 van blok 7 (herhalingstaak 1) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 1. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u hen vragen naar hun ervaringen met het voorbereiden van een spreekbeurt. Hoe zoeken ze naar een onderwerp? Waar halen ze hun informatie vandaan? Krijgen ze hulp? Wat vinden ze het moeilijkste bij de voorbereiding? Wat vinden ze het moeilijkste tijdens het houden van de spreekbeurt? Wat vinden ze van de manier van voorbereiden die bij de Uitleg staat? De leerlingen bereiden een spreekbeurt voor over een sport. Ze maken eerst een woordweb, zoeken daarna uit welke woorden bij elkaar horen en maken een indeling met behulp van een woordkast. Antwoorden kopieerblad 4 Ter beoordeling van de leerkracht. Herhalingstaak 2: spreken/luisteren Doel De leerlingen kunnen improviserend iets vertellen. Materialen Kopieerblad 5 van blok 7: herhalingstaak 2 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 5 van blok 7 (herhalingstaak 2) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 2. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele leerlingen een spreekopdracht geven. Bijvoorbeeld: Wie van jullie verzamelt er iets? Kun je vertellen over je verzameling? Wat is belangrijk bij je verzameling? Laat rondom het woord verzameling een woordweb op het bord ontstaan. Welke woorden horen bij elkaar? Hoe kun je je verhaal het beste indelen? De leerlingen werken in tweetallen. De een geeft de ander een spreekopdracht. Na elke opdracht bespreken ze samen wat goed was en wat beter kon. Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 65 in -Taal- d
29 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Antwoorden kopieerblad 5 Ter beoordeling van de leerkracht. Herhalingstaak 3: taalbeschouwing Doel De leerlingen weten wat de directe rede is. Ze kunnen dubbele punten en aanhalingstekens in een zin op de goede plaats zetten. Ook kunnen ze komma s plaatsen. Materialen Kopieerblad 6 van blok 7: herhalingstaak 3 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 6 van blok 7 (herhalingstaak 3) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 3. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele voorbeeldzinnen op het bord behandelen. U schrijft de zinnen zonder leestekens op het bord. U vraagt een leerling om ze op de goede plaats te zetten. Laat ook beredeneren waarom die leestekens daar moeten staan. Voorbeeldzinnen: Hij is groot, maar zijn broer is klein. (tussen twee zinnen, voor het voegwoord) Je kon aan verschillende sporten mee doen: voetbal, judo, badminton, tafeltennis. (opsomming) Ook al doe je soms wat flauw; je blijft mijn beste vriend. (zinnen die bij elkaar horen) Ik kan niet komen: ik ben dan op vakantie. (verklaring) Ik zei: Dat doe ik morgen wel. (directe rede) De leerlingen zetten in een aantal zinnen de leestekens op de goede plaats. Antwoorden kopieerblad 6 1 Ik kan niet mee, want ik ben ziek. In het safaripark zagen we: apen, zebra s, tijgers, olifanten, giraffes. Gisteren won hij een miljoen euro; toch ging hij vandaag gewoon werken. Mijn vader is een echte voetballiefhebber; hij zal geen wedstrijd overslaan. Ik ken de volgende voorjaarsbloemen: tulpen, hyacinten, narcissen, krokussen. Mijn zus kan niet komen: ze ligt met een gebroken been in het ziekenhuis. Mariska zei: Je moet nu eens ophouden met zeuren. Ik zei: Dat weet ik niet. Nee, zei hij, dat doe ik niet. 2 Ik vroeg: Vind je het mooi? Ik heb geen kaartje gekocht: ze waren uitverkocht. Deze kinderen heb ik uitgenodigd: Najib, Hassan, Paul, Suzan, Anika. Mijn vader vroeg: Kom je bij ons eten, Daan? Gisteren had Rolf nog griep; (,) toch ging hij vandaag weer voetballen. Herhalingstaak 4: taalbeschouwing Doel De leerlingen weten wat een bepaling is. Materialen Kopieerblad 7 van blok 7: herhalingstaak 4 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 7 van blok 7 (herhalingstaak 4) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 4. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele zinnen met een bepaling op het bord schrijven. U legt uit dat bepalingen vaak iets zeggen over de tijd, de plaats, of de manier waarop iets gebeurt. Voorbeeldzinnen: Gisteren wist hij dit nog niet. Gisteren zegt iets over de tijd. Hij sneed met de botte kant van het mes. Met de botte kant van het mes zegt iets over de manier waarop het gebeurt. Ik deed het water in de emmer. In de emmer zegt iets over de plaats waar het water terechtkomt. Bij de eerste opdracht maken de kinderen grappige zinnen met een bepaling. Bij de tweede opdracht kleuren ze de bepalingen in een aantal zinnen. in -Taal- 66 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
30 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Antwoorden kopieerblad 7 1 Ter beoordeling van de leerkracht. 2 in Rome dicht bij een beroemde fontein in die fontein uit het water al heel lange tijd van dat geld elke dag De laatste weken uit het water naar de dief in het boek Het geheim van de verdwenen muntjes in 2004 Herhalingstaak 5: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 7. Materialen Woordkenner (leerspel) Voorbereiding Leg de stukken van het spelbord op de juiste manier tegen elkaar aan zodat het één geheel wordt. Op basis van de resultaten op het onderdeel woordenschat van de toetstaak (zie het registratieblad bij de toetstaak) formeert u een groepje met leerlingen die onvoldoende scoorden. U selecteert op basis van de resultaten op de toetstaak ook de doelwoorden die u met het groepje kinderen nog extra wilt gaan oefenen. U kunt hierbij gebruikmaken van het doelwoordenoverzicht (zie pagina 68 en de toelichting bij Woordkenner). U doet dit door deze woorden op de blanco woordkaartjes te schrijven. Voorkom dat het aantal nog te oefenen doelwoorden te groot wordt. De kwaliteit van de oefening gaat boven de hoeveelheid woorden die aan bod komt. Vier tot acht woorden is een geschikt aantal om mee aan de slag te gaan. Werkwijze In principe is deze herhalingstaak een begeleide activiteit waarbij u samen met de leerlingen die de woorden van dit blok nog niet beheersen, de betekenis van de woorden gaat bespreken en activiteiten gaat doen opdat ze deze beter kunnen onthouden. U maakt hierbij gebruik van het leerspel Woordkenner. Indien noodzakelijk kunnen de leerlingen, als ze eenmaal vertrouwd zijn met de werkvorm, de activiteit ook zelfstandig uitvoeren. Wanneer de groep leerlingen met wie u de activiteiten uit wilt voeren te groot is, kunt u er ook voor kiezen het spelbord deze keer niet te gebruiken en de te oefenen doelwoorden op het bord te schrijven. In dat geval kunnen de leerlingen toch gebruikmaken van het kopieerblad uit Woordkenner. U groepeert de leerlingen rondom het spelbord. U legt het stapeltje beschreven woordkaartjes boven het spelbord. Vervolgens pakt u het eerste woordkaartje, voorziet het van de steuntjes zodat het rechtop kan staan en plaatst het geheel in het startvak. Indien u bepaalde woorden in een context wilt aanbieden, kunt u daarvoor het beschrijfbare hulpkaartje gebruiken. Nadat de startopdracht (opdracht 1) is gedaan, wordt het kaartje verplaatst naar de volgende stop. Hier wordt opdracht 2 gedaan, waarna de tocht naar de derde stop plaatsvindt. Zo gaat de reis verder. Bij iedere stop doen de leerlingen een activiteit met het woord. De activiteiten leiden ertoe dat de kinderen het doelwoord gaan kennen én de woordleer- en woordonthoudvaardigheden die ze in de lessen hebben geleerd, toepassen. De leerlingen voeren de activiteiten uit op het kopieerblad. Als de tocht ten einde is, wordt het woord nog eens gecontroleerd en vervolgens wordt het kaartje naast het spelbord gelegd. Vanaf het startpunt vertrekt het volgende woord. Hiermee voeren de leerlingen dezelfde activiteiten uit. Het spel is afgelopen op het moment dat alle woorden aan de orde zijn gekomen. Het werken met Woordkenner levert een belangrijke bijdrage aan de vergroting van de woordenschat van de leerlingen. U moet zich daarbij wel realiseren dat het belangrijk is de woorden gedurende de week een aantal keren te herhalen, zodat de kinderen zich de betekenis blijvend eigen maken. Hierbij kan ook her halingstaak 6 een belangrijke rol spelen, waarbij kinderen de woorden oefenen met een computerprogramma. Meer informatie over Woordkenner vindt u in de toelichting in de speldoos. Herhalingstaak 6: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 3. De leerlingen oefenen de extra woorden van blok 3. Materialen Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Werkwijze Met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen kunnen de leerlingen de doelwoorden die ze nog niet kennen, verder oefenen. Het programma bevat tachtig doelwoorden per blok. In eerste instantie gaan de leerlingen aan de slag met de Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 67 in -Taal- d
31 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken doelwoorden die ook in de taallessen aan de orde zijn geweest. Ze maken een ordening in woorden die ze kennen, en woorden die ze nog niet kennen. Met de laatste gaan ze intensief oefenen, waarbij tussendoor ook gecheckt wordt of ze de woorden die ze zeggen te kennen, ook inderdaad beheersen. Is dit niet het geval, dan worden deze woorden toegevoegd aan de oefeningen. Uiteindelijk worden op deze manier alle doelwoorden van het blok nogmaals gecontroleerd en, indien nodig, geoefend. Als kinderen de doelwoorden uit het blok beheersen, gaan ze vanzelf verder met de extra woorden. De overgang van de herhalingstaak naar de plustaak is dus probleemloos geregeld vanuit de software. Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal/ Lezen vindt u in de handleiding bij de cd-rom. Doelwoorden blok 7 de actrice de basstem de chaos de cursus het gewas de globe de handpalm de illustratie kliederen het kunstwerk de nieuweling onderdrukken opklaren de presentatie privé de schrijfster stamelen stampvol teder tenger tieren treuzelen uit alle macht uitgestorven de uitrusting vakkundig verplicht volmaakt de wenteltrap wieden in -Taal- 68 Taal in beeld - jaargroep 7 - handleiding d2 d
32 Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp Wat heb je nodig? Wat moet je doen? Taalboek d2 Werkboek d2 Schrift Neem je taalboek en schrift voor je en voer de opdrachten uit. Bij de meeste opdrachten zie je het pictogram s. Deze maak je in je schrift. Alleen bij enkele opdrachten bij het onderdeel zie je het pictogram w. Deze opdrachten maak je in je werkboek. Aan het einde van een bladzijde in het werkboek zie je het pictogram t. Dit betekent dat je weer terug gaat naar het taalboek. Hier maak je de rest van de opdrachten.
33 Zwijsen taalboek d2 Als je pictogrammen tegenkomt, doe dan het volgende. s Schrijf het antwoord in je schrift. w Schrijf het antwoord in je werkboek. Doe de opdracht met je buur. Spreek samen af wie de spreker is. Spreek samen af wie de luisteraar is.» Extra opdracht. Deze opdracht maak je als je tijd hebt.
34 t blok 7 cultuur les 1 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door een illustratie te maken. Je leert tien nieuwe woorden. 1 s Op verkenning Lees het verhaal over Joost en het geheim van Djer. Let op de tekening die Joost maakt. Het plan van de archeoloog Joost is reuze benieuwd naar wat de archeoloog ontdekt heeft. Samen met de directeur wacht hij op het antwoord. Jullie moeten de steen hiernaartoe brengen, zegt de archeoloog. Want alleen dan kunnen we de deur weer zien en openmaken. De steen moet ons terug door de tijd leiden. En het lijkt me verstandig als Joost meekomt, want misschien hebben we hem ook nodig. De directeur denkt even na. Dan draait hij zich om naar de moeder van Joost. Wat denkt u, kunt u hem een paar dagen missen? Joosts moeder kijkt verbaasd. Tja, als u hem nodig heeft... dan mag hij van mij wel mee. Ze glimlacht naar Joost. Wat vind jij ervan, Joost? Joost springt een gat in de lucht. Echt waar? roept hij. Mag ik mee naar Egypte? Hij kan het haast niet geloven. Hij mag het geheim van Djer gaan oplossen! De directeur heeft nog steeds de telefoon in zijn hand. Oké, zegt hij tegen de archeoloog. We vertrekken morgenavond. De volgende ochtend staat Joost met een foto in de krant. De kinderen uit zijn klas willen ineens alles weten over zijn avontuur. Het is heel anders dan een tijd geleden; toen lachten ze hem nog uit met zijn edelstenen Wat is dat eigenlijk, een grafkamer? vraagt Lottie. Joost legt het uit. Dat valt nog niet mee. Pff, zegt Lottie. Wat ingewikkeld. Dat kan ik nooit allemaal onthouden. Dan heeft Joost een idee. Hij pakt een vel papier en een potlood en maakt een tekening van de grafkamer van Djer. Eronder schrijft hij: de grafkamer. Kijk, zegt hij tegen Lottie, zo ziet een grafkamer eruit. Lottie kijkt naar de tekening. Handig, zo n tekening. Mag ik hem houden? Dan zal ik het woord nooit meer vergeten! 2 s 3 s Schrijf op wat voor tekening Joost maakt. Kies uit: een fantasietekening een tekening van de werkelijkheid. Waarom maakt Joost een tekening voor Lottie? Schrijf het op. 54
35 het kunstwerk Uitleg Woorden kun je onthouden door een illustratie te maken. Een illustratie is een tekening of een plaatje. Om duidelijk te maken wat je bedoelt, kun je erbij schrijven wat er te zien is. de architectuur het schilderij het beeld 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees wat de woorden het gewas en de handpalm betekenen. Kies één woord uit en maak daar een illustratie van. het gewas planten die op het land groeien de handpalm de binnenkant van je hand 8 s Lees wat Timo en Elke zeggen. Maak de laatste zin van Elke af. Terugkijken Wat een mooi kunstwerk. Een kunstwerk... Ik vergeet steeds wat dat precies is. Je hebt toch geleerd dat je een woord kunt onthouden door» s Kies een woord en maak er een illustratie bij. Teken verschillende dingen die bij het woord horen en schrijf erbij wat het is, net als in de Uitleg is gedaan. de bioscoop het theater het tv-programma 55
36 t blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert een spreekbeurt voorbereiden. Op verkenning 1 Bij Wikash in de klas moeten de kinderen om de beurt een spreekbeurt houden. Wikash is binnenkort aan de beurt. Hij denkt na over een onderwerp en wat hij daarover wil zeggen. Let op wat Wikash doet. Muziek vind ik leuk, maar dansen ook... Weet je wat? Ik vertel iets over breakdance. Dat is best een groot woordweb geworden. Woorden die bij elkaar horen heb ik dezelfde kleur gegeven. Eerst vertel ik hoe breakdance is ontstaan. Daarna vertel ik iets over de verschillende danspassen en bewegingen. Ik ga op internet kijken of ik nog meer informatie kan vinden. En foto s natuurlijk. Misschien zijn er wel filmpjes. Want ik wil vooral laten zien wat breakdance is. 2 s 3 s Welke stappen neemt Wikash? Schrijf ze op in de goede volgorde. Wat zou jij nog meer over het onderwerp breakdance willen vertellen? Wat zou je laten zien? Schrijf het op. 56
37 Uitleg In een spreekbeurt geef je informatie over een onderwerp. Je vertelt erover, maar je laat ook dingen zien. Een spreekbeurt moet je goed voorbereiden: 1. Eerst bepaal je het onderwerp. 2. Daarna maak je een woordweb. 3. Dan bepaal je wat bij elkaar hoort en maak je een indeling. 4. Tot slot bepaal je wat je gaat vertellen en wat je laat zien. Welk onderwerp kies ik? Wat hoort bij elkaar? Wat vertel ik eerst, wat daarna? Wat zet ik in mijn woordweb? Wat ga ik vertellen? Wat zal ik laten zien? 4 8 w 9 Maak de opdrachten in je werkboek. Vertel elkaar hoe je je spreekbeurt gaat houden. Gebruik je aantekeningen in je werkboek. Zeg eerst wat je onderwerp is. Vertel wat je erover gaat zeggen en in welke volgorde. Vertel ook wat je laat zien. Wat vind je van de voorbereidingen voor de spreekbeurt? Schrijf het op. 10 s Hoe ging het voorbereiden van je spreekbeurt? Wat ging goed, wat ging minder goed? Schrijf het op. Terugkijken» s Kies een van deze onderwerpen voor een spreekbeurt. Bereid je spreekbeurt voor zoals in de Uitleg staat beschreven. Schrijf al je stappen op. de Kinderboekenweek de Top 40 57
38 t blok blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert wanneer je aanhalingstekens, een dubbele punt, een puntkomma of een komma moet gebruiken. 1 s Op verkenning Lees de zinnen. Beantwoord dan de vragen die eronder staan. 1. Derek zei: Ik vond de clowns erg grappig! 2. Ik zei, dat ik ze minder leuk vond. a. Welke zin staat in de directe rede? b. Worden er in de directe rede aanhalingstekens gebruikt? 2 s Lees de zinnen. 1. Sita zei: Ik vond het circus prachtig. 2. Bonzo viel: hij gleed uit over een bananenschil. 3. Het circus treedt op in: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht. Schrijf de zinnen over en vul de goede woorden in. Kies uit: directe rede opsomming verklaring. a. In zin 1 staat een dubbele punt, omdat er een... volgt. b. In zin 2 staat een dubbele punt, omdat er een... volgt. c. In zin 3 staat een dubbele punt omdat er een... volgt. 3 s Lees de zinnen. Papa zei: Ik ga naar het circus. Ik ga naar het circus, zei papa. Schrijf de letters op van de zinnen die waar zijn. a. Als zei vóór de zin in de directe rede staat, gebruik je een dubbele punt. b. Als zei achter de zin in de directe rede staat, gebruik je een dubbele punt. c. Als zei achter de zin in de directe rede staat, gebruik je een komma. 4 s Let op de leestekens die in de spreekwolken staan. Ik ga naar het circus. Ik heb al een kaartje gekocht. Ik ga naar het circus, omdat ik clowns erg grappig vind. Ik ben dol op het circus; ik ga er dan ook vaak naar toe. Schrijf de letters op van de zinnen die waar zijn. a. Tussen twee zinnen die bij elkaar horen kun je een puntkomma zetten. b. Tussen twee losse zinnen staat een punt. c. Als je van twee zinnen één zin maakt, kun je een komma gebruiken. d. Tussen twee zinnen mag je nooit een puntkomma gebruiken. 58
39 Uitleg Een komma gebruik je: - tussen twee zinnen - tussen de delen van een opsomming Een puntkomma kun je gebruiken tussen twee zinnen die bij elkaar horen. De nieuwe zin begint dan niet met een hoofdletter. Je mag ook gewoon een punt zetten. Dan begint de nieuwe zin wel met een hoofdletter. Een dubbele punt gebruik je: - voor een opsomming - voor een verklaring - voor de directe rede Aanhalingstekens gebruik je als een zin in de directe rede staat. 5 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. In welke zinnen staan de leestekens op de goede plaats? Schrijf de letters van die zinnen op. a. In de pauze vroeg ik aan mijn moeder: om een zak popcorn. b. Mijn moeder zei: Je hebt geluk, want ik heb een zak in mijn tas zitten. c. Mijn vader vond: Dat ik een bofkont was. d. Bij de kassa verkochten ze: ijs, pinda s, repen, popcorn. 8 s Schrijf de letters van de zinnen op. Zet er wel of niet achter. a. Ik weet wel/niet goed waar ik een komma moet zetten. b. Ik weet wel/niet goed waar een dubbele punt moet staan. c. Ik weet wel/niet goed waar ik aanhalingstekens moet zetten. d. Ik weet wel/niet goed waar ik een puntkomma moet zetten. Terugkijken Ik krijg een punthoofd van al die puntkomma s.» s Schrijf een verhaaltje van vijf regels over het circus. Zorg ervoor dat er minstens één zin in de directe rede staat. Zorg er ook voor dat er minstens één opsomming in voorkomt. Zet de leestekens op de goede plaats. 59
40 t blok 7 cultuur les 4 schrijven Wat ga je doen? Je leert een tekst met een opsomming schrijven. Op verkenning 1 Froukje is naar een concert geweest. Ze schrijft er een over naar haar vriendin Marieke. Lees wat Froukje schrijft. Let op de schuingedrukte woorden. Hoi Marieke, froukje [email protected] concert Ik ben naar een concert geweest. Er speelde een heel groot orkest met violen, cello s en grote contrabassen. Er zaten ook fluiten, trombones en trompetten in het orkest. Bovendien was er slagwerk met pauken en klokken. Er speelde zelfs een harp mee. Volgende keer ga ik weer. Ga je dan mee? Froukje :-) 2 s 3 s Wat vertelt Froukje over het orkest? Schrijf het kort op. Kijk naar de schuingedrukte woorden. Wanneer gebruik je die? 4 s Welke muziekinstrumenten ken je nog meer? Schrijf er een paar op in een zin. Gebruik komma s en het woordje en. Doe het zo: Ik ken...,...,...,... en... 60
41 Uitleg In een tekst kun je een opsomming geven. Een opsomming herken je aan woorden als en, ook, bovendien, eveneens, tevens. Bijvoorbeeld: Een kunstschilder maakt gebruik van verschillende materialen. Vaak gebruikt hij een linnen doek om op te schilderen. Ook gebruikt hij natuurlijk penselen en verf. Bovendien gebruiken veel kunstschilders een palet om de verf op te mengen. Tevens heeft de kunstschilder een oplosmiddel nodig om zijn penselen na afloop weer schoon te maken. 5 8 w 9 s Maak de opdrachten in je werkboek. Kies een onderwerp uit je werkboek. Neem je inleiding over in je schrift. Schrijf er een tekst bij van één alinea. In je alinea moet een opsomming staan met woorden als en, ook, bovendien, eveneens, tevens. 10 s Hoe ging het maken van een opsomming? Welke woorden heb je daarvoor gebruikt? Schrijf het op. Terugkijken» s Het is handig om lid te zijn van een bibliotheek. Waarom is dat? Schrijf een tekst van één alinea waarin je de voordelen opsomt. 61
42 t blok 7 cultuur les 5 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door er een tekst over te schrijven. Je leert tien nieuwe woorden. 1 s Op verkenning Lees het verhaal over Joost en het geheim van Djer. Let op het schuingedrukte woord. Wat een chaos! Joost stapt uit de auto. Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd. Wat is het warm in Egypte. Daar komt de archeoloog aan lopen, samen met een Egyptische vrouw. Ze geven Joost en de directeur een hand. De archeoloog heeft een kruiwagen bij zich. Hij tilt de amethist uit de auto en zet hem erin. De amethist is goed ingepakt, zodat hij niet kon beschadigen tijdens de reis. Het is zo net een groot paasei, denkt Joost. Joost herkent helemaal niets van de grafkamer. Wat een chaos is het hier! Alles ligt door elkaar. Op de grond liggen grote brokken steen. Daartussen staat een halve muur. Van de grafkamer is niets meer over. Zijn ze wel op de goede plek? De archeoloog zegt dat bijna alle plekken die al zo oud zijn er zo uitzien. Als je voor de eerste keer op zo n plek komt, is het altijd een chaos, zegt hij. Maar als je de plek vergelijkt met beschrijvingen van vroeger, merk je al gauw dat het meevalt. Kijk, hier hebben waarschijnlijk de grafkisten gestaan. En dat muurtje kan een deel van de wand zijn geweest, hoewel ik daar niet helemaal zeker van ben. Het kan ook later gebouwd zijn. Joost luistert naar de uitleg van de archeoloog. Leuk beroep, denkt hij. Misschien word ik dat later ook wel. De archeoloog begint het plastic van de amethist te halen. Joost wacht tot de man zegt waar hij naartoe moet. Maar dat hoeft al niet meer. Want het is net alsof de steen hem naar het midden van de ruimte stuurt. Naar de plaats waar hij vroeger heeft gestaan. Midden in de chaos van nu. 2 s Joost vindt de plek een chaos. Wat bedoelt hij daarmee? Schrijf het op. 3 s Bedenk een ander voorbeeld van chaos. Bijvoorbeeld op school of thuis. Beschrijf de situatie. 62
43 Uitleg Woorden kun je onthouden door er een tekst over te schrijven. Bijvoorbeeld: - een verhaaltekst - een weettekst - een verslagtekst - een brief of een heidi [email protected] bosclub Hallo Kariem, Als je lid wil worden van de bosclub, moet je elke week komen. Iedereen moet om de beurt een bostocht bedenken. Daarvan moeten de anderen een verslag maken. Dat is dus allemaal verplicht. Als je dat niet wilt, kun je beter geen lid worden. Groetjes, Heidi De actrice Alina Boom speelt de rol van Alice in Wonderland. Ik heb altijd al schrijfster willen worden. Als kind al schreef ik verhaaltjes in een schriftje. Niet alleen fantasieverhaaltjes, maar ook verhaaltjes over wat echt gebeurd was. Dat doe ik nog steeds. Maar nu maak ik er als schrijfster altijd een nieuw verhaal van. 4 5 w 6 s Maak de opdrachten in je werkboek. Als iets volmaakt is, kan het niet beter. Het is helemaal goed. Schrijf een korte tekst over een volmaakte machine. Je mag zelf bedenken wat voor machine dat is. Hoe ziet hij eruit? Wat kun je ermee doen? Hoe werkt hij? Maak ook een tekening van de machine. 7 s Lees de zinnen en schrijf de letters op. Zet er waar of niet waar achter. Terugkijken a. Om een woord beter te onthouden, kun je er een illustratie bij maken. b. Om een woord beter te onthouden, kun je er een tekst over schrijven.» s Stel, je hebt een buitenlandse vriend. Hij wil graag Nederlands leren. Hij weet niet wat het woord school betekent. Schrijf voor hem een tekst over school. Een tekst waardoor hij het woord school goed kan onthouden. 63
44 t blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert improviseren. Op verkenning 1 Maaike speelt sinds kort harp. De juf wil er graag meer van weten. Ze vraagt of Maaike er iets over wil vertellen aan de klas. Let op wat Maaike doet. Maaike, jij bespeelt een bijzonder instrument: een harp. Vertel daar eens iets over. Ik speel dus harp Dat is een groot snaarinstrument. Je speelt altijd zittend. Een harp heeft lange en korte snaren. Sommige snaren zijn dik, andere zijn dun. Je tokkelt met allebei je handen aan twee kanten op de snaren. Onder aan de harp zitten pedalen. Daarmee kun je de klank van de snaren veranderen. Harp spelen is best moeilijk, omdat er zo veel verschillende snaren zijn. 2 s 3 Wat doet Maaike? Schrijf de goede letter op. a. Ze bedenkt in haar hoofd wat ze over de harp weet. Daarna vertelt ze over de harp. b. Ze maakt een woordweb over de harp op een blaadje. Daarna vertelt ze over de harp. Vertel je buur kort iets over een muziekinstrument. Maak in je hoofd een woordweb van wat je weet. 64
45 Uitleg Je kunt ook zonder voorbereiding iets over een onderwerp vertellen. Dat noem je improviseren. Je vertelt dan wat je op dat moment weet. Als hulp maak je een woordweb in je hoofd. voorjaar kwade geesten Holi gekleurd poeder Binnenkort vier jij toch Holi, Pravesh? Vertel ons eens wat dat inhoudt. hindoes Holi is een hindoefeest. We vieren het in het voorjaar. De avond voor Holi maken we vuren om kwade geesten te verjagen. Tijdens het feest gooien we gekleurd poeder over elkaar heen. En we spuiten elkaar ook nat met gekleurd water. 4 7 w 8 Maak de opdrachten in je werkboek. Improviseer nu zelf over het onderwerp dat je voor je buur had bedacht in het werkboek. Maak een woordweb in je hoofd. Vertel wat je op dit moment over het onderwerp weet. Wat vind je van de improvisatie van je buur? Weet hij veel te vertellen? Moet hij lang nadenken of vertelt hij alles achter elkaar door? Schrijf het op. 9 s Hoe vond je het om te improviseren? Wat vond je nog moeilijk? Wat was juist makkelijk? Schrijf het op. Terugkijken Euh...» s Bedenk wat jij zou vertellen als je moest improviseren over het onderwerp schoenen. Schrijf dat op.
46 t blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert wat een bepaling is. 1 s Op verkenning Schrijf de zinnen over. Zet een streep onder het gezegde. Zet een golflijn onder het onderwerp. Zet plusjes onder het lijdend voorwerp. Zet een stippellijn onder het meewerkend voorwerp. a. De CliniClowns geven afleiding aan zieke kinderen. b. Ze bezoeken de zieke kinderen in het ziekenhuis. c. Ze bezoeken de kinderen bij hun bed. d. Ze spelen ook voor zieke kinderen via internet. 2 s Welke woorden blijven er over in zin b? Welke woorden blijven er over in zin c en d? Schrijf ze op. 3 s Lees de zinnen. Beantwoord dan de vragen die eronder staan. 1. De clowns komen op de kinderafdelingen. 2. Voorzichtig maken ze contact met zieke kinderen. 3. Tijdens hun bezoek hebben de kinderen wat afleiding. 4. Met hun spel geven de clowns de kinderen plezier. a. Waar komen de clowns in zin 1? b. Hoe maken ze contact met kinderen in zin 2? c. Wanneer hebben de kinderen wat afleiding in zin 3? d. Waarmee geven de clowns de kinderen plezier in zin 4? 66
47 Uitleg Je zoekt in een zin eerst het onderwerp en het gezegde. Daarna het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Vaak blijven er dan nog zinsdelen over. Die zinsdelen noem je bepalingen. Een bepaling zegt bijvoorbeeld iets over hoe, waar, wanneer of waarmee iets gebeurt. - Hoe gebeurt het? - Waar gebeurt het? - Wanneer gebeurt het? - Waarmee gebeurt het? Bepalingen geven antwoord op vragen als: Daar lacht toch niemand om. Bedenk eens wat leuks! 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. In de tekening staan verschillende bepalingen. Maak met elke bepaling een zin. in bed om twaalf uur bij de dokter op het nachtkastje tijdens de voorstelling 8 s Schrijf de letter op van de zin die waar is. a. Een bepaling zegt wie er iets doet. b. Een bepaling zegt voor wie het is. c. Een bepaling zegt wat het onderwerp doet. d. Een bepaling zegt waar, wanneer, of hoe iets gebeurt. Terugkijken» s Maak de zinnen af met een bepaling. Schrijf de zinnen op. a. Bram ligt in... b. Hij krijgt bezoek van... c. De CliniClowns komen binnen met... d. Al... is Bram niet meer zo vrolijk geweest. e. Bram vertelt zijn ouders over... f.... wordt hij later ook CliniClown. 67
48 t blok 7 cultuur les 8 schrijven Wat ga je doen? Je leert een tekst schrijven met oorzaak en gevolg. Op verkenning 1 Robbie is dol op strips. Hij tekent zelf ook weleens stripfiguren. Hij gebruikt daarvoor voorbeelden uit zijn boek Zo leer je manga s tekenen. Manga is Japans voor strip. In Japan is het maken van strips een kunst. Robbie wil een tekst schrijven over manga s. Let op hoe hij dat aanpakt. Ik kan schrijven wat een manga is en hoe die eruitziet. Of dat de manga in Japan heel populair is. Ik weet het. Ik schrijf waarom zo veel Japanners van manga s houden. De manga is erg populair in Japan. Het is een strip met weinig tekst. Doordat Japanners weinig vrije tijd hebben, hebben ze ook niet veel tijd om een boek te lezen. Maar een manga lukt wel. Die kun je altijd even tussendoor lezen. Manga s zijn erg goedkoop in Japan. Daarom bewaren Japanners hun uitgelezen boek meestal niet in de boekenkast, maar gooien ze het gewoon weg. 2 s 3 s 4 s Wat vertelt Robbie over de manga? Vat het samen in twee zinnen. Robbie legt in zijn tekst twee keer iets uit. Hij vertelt waardoor iets komt of waarom iets is. Aan welke twee woorden zie je dat? Schrijf ze op. Van welke strip houd jij het meest? Schrijf het op in een of twee zinnen. Gebruik het woord daarom of het woord omdat. 68
49 Uitleg In een tekst kan sprake zijn van een oorzaak (of een reden) en een gevolg. De oorzaak (of reden) is datgene waardoor of waarom iets gebeurt. Wat daarna gebeurt, is het gevolg. Een tekst met oorzaak en gevolg herken je aan woorden als doordat, daardoor, hierdoor, daarom, omdat en want. oorzaak Ik heb gisteren de hele middag mijn gitaarles geoefend. Daardoor heb ik nu pijn aan mijn vingers. gevolg gevolg We hebben de bus gemist, doordat we niet op tijd zijn vertrokken! oorzaak 5 9 w 10 s Maak de opdrachten in je werkboek. Kies een onderwerp uit je werkboek. Schrijf een tekst van twee alinea s. In de tekst beschrijf je een oorzaak en een gevolg. Gebruik woorden die aangeven dat het om een oorzaak en een gevolg gaat. 11 s Hoe ging het schrijven van de tekst? Welke woorden heb je gebruikt voor het aangeven van oorzaak en gevolg? Schrijf het op. Terugkijken» s Schrijf een tekst met oorzaak en gevolg over een toneelrepetitie.
50 t blok 7 cultuur les 9 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden uitleggen door ze op verschillende manieren te presenteren. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal over Joost en het geheim van Djer. Let op hoe Joost uitlegt wat hij heeft gedaan. En toen Joost is zenuwachtig. Iedereen kijkt naar hem: de directeur, de archeoloog en de Egyptische vrouw. Joost loopt naar een rotsblok in het midden van de opgraving. Het is alsof een onzichtbare hand hem ernaartoe leidt. Dit is de goede plek, fluistert hij. De archeoloog en de directeur hijsen de amethist op het rotsblok. En nu? Er gebeurt niets. Wat heb je de vorige keer in de grafkamer gedaan? vraagt de archeoloog. Ik wilde eh... Ik dacht eh... stamelt Joost. Hij krijgt er een kleur van. Ik dacht aan de koning... aan de... nee, aan de koningin van Djer... of ze ook al die eh... al die steentjes... en toen eh... pff... toen ging ik ook de steentjes tellen... geloof ik... eh... Kun je laten zien wat je deed? vraagt de museumdirecteur. Misschien is dat makkelijker. Joost steekt zijn hand in het binnenste van de amethist. Op het moment dat zijn vingers de glinsterende steentjes aanraken, schiet er ineens een felle lichtstraal naar buiten. Iedereen schrikt en kijkt verbaasd naar de straal. Ze zien hoe hij over de grond loopt en aan het einde stopt bij een muur. Een muur die er daarnet nog niet was. De muur van de oude grafkamer. 2 s Op welke twee manieren legt Joost uit wat hij heeft gedaan? Schrijf het op. 3 s Denk aan iets wat je gisteren hebt gedaan. Hoe zou jij dat uitleggen? Schrijf het op. 70
51 Uitleg Woorden kun je uitleggen in een presentatie. Je kunt bijvoorbeeld: - het woord laten zien met gebaren of laten horen met geluiden - het woord laten raden met een raadspel - iets over het woord vertellen Kijk naar de voorbeelden met het woord stamelen. laten zien of laten horen Stamelen is als je... als je het eh... eh... niet zo goed kunt zeggen, omdat je... pff... net als ik ontzettend... eh... ontzettend... zenuwachtig bent. raadspel Je kunt niet zo vlot praten. Bijvoorbeeld omdat je bang bent of zenuwachtig. Welk woord bedoel ik? vertellen Soms moet je praten terwijl je bang of zenuwachtig bent. Bijvoorbeeld bij een spreekbeurt. Dan ga je stamelen. Je gaat een beetje stotteren en hakkelen en je kunt niet goed uit je woorden komen. Het beste kun je dan even diep ademhalen, zodat je wat rustiger wordt. 4 6 w 7 Maak de opdrachten in je werkboek. Neem allebei een dier in gedachten. Bedenk er een presentatie over. Schrijf voor jezelf op hoe je het dier gaat presenteren. Voer de presentatie uit. Wat vind je van de presentatie? Is het duidelijk wat het woord betekent? Vertel het aan de spreker. 8 s Een basstem is een lage mannenstem. Bedenk drie manieren om dit woord te presenteren. Schrijf ze op. Terugkijken» s Bedenk vijf muziekinstrumenten. Teken ze in je schrift. Schrijf erbij hoe je ze bespeelt. Oefen voor jezelf hoe je dat zou presenteren. Misschien mag je het straks voor de klas laten zien. 71
52 t blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert notities maken terwijl je luistert. Op verkenning 1 Juf Hanneke vertelt in de klas over Grieken en Romeinen. De kinderen maken ondertussen notities van wat ze vertelt. Let op hoe ze dat doen. De Grieken en de Romeinen worden vaak samen genoemd. Maar hun bouwkunst is verschillend. Je kunt aan hun gebouwen goed zien door wie ze zijn gemaakt. Griekse gebouwen werden bijvoorbeeld helemaal van marmer gemaakt. Romeinse gebouwen werden gemaakt van baksteen en daarna bekleed met een laag marmer. Ook de tempels zijn verschillend. Een Romeinse tempel staat meestal op een soort podium. De tempel heeft maar aan één kant trappen. Een Griekse tempel staat ook op een podium, maar heeft rondom trappen. 2 s Schrijf de namen van de kinderen op. Schrijf achter elke naam op welke manier het kind notities maakt. Kies uit: afkortingen trefwoorden korte zinnen. 3 s Hoe zou jij notities maken? Waarom zou je het op die manier doen? Schrijf het op. 72
53 Uitleg Je kunt notities maken terwijl je luistert. Je schrijft dan belangrijke informatie op. Dat kun je doen met: - trefwoorden - korte zinnen - afkortingen, zoals in sms-taal Na afloop kun je vragen stellen om je notities bij te werken. Met behulp van je notities kun je een verslag schrijven over wat er is verteld. Op Koninginnedag... notities in trefwoorden notities in korte zinnen notities in afkortingen 4 6 w 7 Maak de opdrachten in je werkboek. Vertel elkaar om de beurt iets over je lievelingsmuziek of over je favoriete band. Bedenk wat je eerst vertelt en wat daarna. Let op je stem, houding, gebaren en spreekpauzes. Maak notities terwijl je luistert. Kies de manier die jij handig vindt. Na afloop stel je vragen om je notities bij te werken. Schrijf met behulp van je notities een kort verslag. 8 s Op welke manier heb je notities gemaakt? Vond je het moeilijk om te luisteren en te schrijven tegelijk? Schrijf het op. Terugkijken» s Denk terug aan een uitleg die je hebt gehoord, bijvoorbeeld op tv of in de klas. Maak notities van wat jij je daarvan herinnert. Schrijf dan een verslag met behulp van je notities.
54 t blok blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert dat er in een zin een of meer bepalingen kunnen staan. 1 s Op verkenning Schrijf de zinnen die hieronder staan over. Zet een streep onder het gezegde. Zet een golflijn onder het onderwerp. Zet plusjes onder het lijdend voorwerp. Zet een stippellijn onder het meewerkend voorwerp. 1. Deze actrice zal op 11 mei een voorstelling geven in de schouwburg. 2. De tekenaar liet mij gisteren haar illustraties zien in het boek. 3. Vorig jaar heeft de schrijfster samen met haar man een kinderboek geschreven. Schrijf op: a. Hoeveel zinsdelen blijven er over in zin a? b. Hoeveel zinsdelen blijven er over in zin b? c. Hoeveel zinsdelen blijven er over in zin c? 2 s 3 s Kijk nog eens naar de zinnen van opdracht 1. Schrijf de letters op. Zet er waar of niet waar achter. a. In deze zinnen staan meerdere onderwerpen. b. In deze zinnen bestaat het gezegde uit meerdere werkwoorden. c. In deze zinnen staan meerdere lijdende voorwerpen. d. In deze zinnen staan meerdere bepalingen. e. In deze zinnen staan meerdere persoonsvormen. Bedenk bij elke vraag een antwoordzin. Schrijf deze zinnen op. Kleur dan in elke antwoordzin de bepaling. a. Hoe lang duurt het nog? b. Waar heb je dat opgeschreven? c. Wanneer kom je? d. Waarmee heb je dat gedaan? 4 s Schrijf de letter op van de zin die waar is. a. Een bepaling geeft antwoord op de vraag: Wie doet er iets? b. Een bepaling geeft antwoord op de vraag: Hoe, waar, wanneer of waarmee gebeurt er iets? c. Een bepaling geeft antwoord op de vraag: Wat doet het onderwerp? 74
55 Uitleg Je zoekt in een zin eerst het onderwerp en het gezegde. Daarna het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Vaak blijven er dan nog zinsdelen over. Dat zijn de bepalingen. In een zin kunnen meerdere bepalingen staan. Een bepaling geeft antwoord op de vraag hoe, waar, wanneer of waarmee het gebeurt. 5 7 w 8 Maak de opdrachten in je werkboek. Gooi zes keer met een dobbelsteen. Gooi je bijvoorbeeld 3, 5, 1, 2, 4 en 3? Maak dan een zin met bepaling nummer 3, gezegde nummer 5, onderwerp nummer 1 enzovoort, tot je alle rijtjes hebt gehad. Je krijgt dan de zin: Midden in de nacht belt Janna boos de afwas in de brievenbus. Maak op deze manier minstens vijf grappige zinnen. Schrijf ze op. bepaling met wanneer gezegde onderwerp bepaling met hoe lijdend voorwerp bepaling met waar 1 tussen de middag 2 straks 3 midden in de nacht 4 om vijf uur 5 morgen 6 over vijf jaar 1 verzint 2 verhuist 3 koopt 4 kliedert 5 belt 6 roept 1 Janna 2 de kikker 3 de wielrenner 4 de boer 5 mijn vriendin 6 de zanger 1 teder 2 boos 3 veel te hard 4 vakkundig 5 verplicht 6 uit alle macht 1 de wenteltrap 2 een paard 3 het kunstwerk 4 de afwas 5 de uitrusting 6 de dokter 1 in het keukenkastje 2 op het aanrecht 3 in de brievenbus 4 bij de molen 5 achter het behang 6 onder het bed 9 s Welke meester heeft gelijk? Schrijf de naam op. Een bepaling zegt wanneer, hoe, waar of waarmee iets gebeurt. Terugkijken meester Jaro meester Arno Een bepaling zegt wie er iets doet.» s Bedenk drie zinnen. In elke zin moeten twee bepalingen staan. Schrijf de zinnen op. 75
56 t blok 7 cultuur les 12 schrijven Wat ga je doen? Je leert een tekst schrijven met een probleem en een oplossing. Op verkenning 1 Jayden heeft gehoord dat veel schrijvers het best moeilijk vinden om een verhaal te bedenken. Hij wil een tekst schrijven over dit probleem. Let op hoe hij dat doet. Wat maakt het schrijven van een verhaal zo lastig? Voor elk probleem bestaat een oplossing. Let op. Zelfs voor schrijvers kan het soms een probleem zijn om een verhaal te bedenken. Hoe komt dat, en hoe kunnen ze dat oplossen? Het kan bijvoorbeeld lastig zijn om genoeg tijd vrij te maken, of om een rustige werkplek te vinden. Maar het komt ook vaak voor dat schrijvers geen inspiratie hebben. Dan kunnen ze gewoon niks verzinnen. Gelukkig is voor elk probleem wel een oplossing te vinden. Als je geen inspiratie hebt, ga dan eens lekker uitwaaien op het strand. Een ander voorstel is om een tijd op een terrasje te gaan zitten en naar mensen te kijken. 2 s 3 s Wat wil Jayden met zijn tekst duidelijk maken? Schrijf het op. Bedenk nog een oplossing voor een van de problemen waarover Jayden schrijft. Schrijf je oplossing op. 76
57 Uitleg In een tekst kan sprake zijn van een probleem en een oplossing. Die herken je aan woorden als probleem, kwestie, punt, lastig, oplossing, idee, voorstel, mogelijkheid. Ieder jaar kiest een jury welke foto de beste is. Het is altijd weer lastig om tot een keuze te komen. Toch kan er maar één de winnaar zijn. De oplossing is om de foto s een cijfer te geven. Elk jurylid geeft punten aan de foto die hij het beste vindt. De foto met de meeste punten is de winnaar. 4 8 w 9 s Maak de opdrachten in je werkboek. Schrijf een tekst van twee alinea s over een musical. Gebruik de woordkast uit je werkboek. In de tekst beschrijf je een probleem en een oplossing. Gebruik woorden om aan te geven dat het om een probleem en een oplossing gaat. 10 s Hoe ging het schrijven van je tekst? Welke woorden heb je gebruikt om aan te geven dat er een probleem was en een oplossing? Terugkijken» s Winnie mag meedoen aan een voorleeswedstrijd. Tot haar schrik merkt ze onderweg dat... Tja, wat is het probleem van Winnie? En hoe lost ze dat op? Beschrijf het in een tekst van twee alinea s.
58 w blok 7 cultuur les 1 woordenschat 4 Lees wat de gekleurde woorden betekenen. Kies er een uit en maak daar een illustratie bij. Schrijf in de illustratie wat er te zien is. Een globe is een wereldbol op een standaard. Een wenteltrap is een trap die draait. Wieden is plantjes uit de grond halen die je niet in je tuin wilt. Stampvol is helemaal vol. 5 Kijk goed naar de foto. Waaruit bestaat de uitrusting van een visser? Schrijf dat erbij. 6 Het gaat opklaren, zegt de weervrouw. Dat betekent dat het beter weer wordt. De wolken trekken weg en de zon gaat weer schijnen. Wat voor illustratie zou jij maken om dit woord te onthouden? Wat staat er allemaal op? Geef een beschrijving. t ga terug naar je taalboek 25 -Taalin beeld
59 w blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren 4 5 Kies een onderwerp waarover je een spreekbeurt wilt houden. Kruis het aan. schilderen toneel ballet Maak een woordweb over het onderwerp. Geef de woorden die bij elkaar horen dezelfde kleur. 6 Maak een indeling van de informatie. Gebruik daarvoor de woordkast. 7 Wat vertel je eerst en wat daarna? Schrijf het op. Eerst Daarna 8 Wat laat je zien tijdens je spreekbeurt? t 26 ga terug naar je taalboek
60 w blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing 5 Kijk naar het voorbeeld. Zet dan zelf de zinnen in de directe rede. Schrijf de nieuwe zinnen op. indirecte rede De leeuwentemmer zei, dat hij zijn hoofd in de bek van een leeuw durfde te steken. directe rede De leeuwentemmer zei: Ik durf mijn hoofd in de bek van een leeuw te steken. De koorddanseres vertelde, dat ze nog bijna nooit van het koord was gevallen. De acrobaat kondigde aan, dat hij de dodensprong ging doen. De clown vroeg, of ik even in de piste wilde komen. De jongen bij de kassa zei, dat alle kaartjes waren uitverkocht. 6 Zet in de hokjes het goede leesteken: een dubbele punt, aanhalingstekens, een komma of een puntkomma. In het circus zagen we acrobaten leeuwentemmers muzikanten en clowns. Zie je daar die tijger?, vroeg mijn vriendje. Mijn vriendje is een echte paardenliefhebber hij vond het paardennummer geweldig. De clown viel maar hij stond meteen weer op. De clown heet Elmar zijn naam staat op zijn pet. De circusdirecteur zei Hooggeëerd publiek u gaat vanavond een spetterende show beleven. Ik ben niet naar het circus geweest de kaartjes waren uitverkocht. Mijn vader vroeg Vonden jullie het mooi? -Taalin beeld t ga terug naar je taalboek 27
61 w blok 7 cultuur les 4 schrijven 5 Bekijk het woordweb over de piano. Kruis de woorden aan die jij in een opsomming wilt gebruiken. muziek hamertjes vleugel toetsen de piano snaren pedalen pianist pianostemmer stemvork 6 Schrijf een inleiding voor een tekst over de piano. Maak duidelijk dat je een opsomming gaat geven. Probeer de lezer nieuwsgierig te maken. 7 Maak een woordweb over films. Kruis de woorden aan die je in een opsomming wilt gebruiken. films 8 Schrijf een inleiding voor een tekst over films. Maak duidelijk dat je een opsomming gaat geven. Probeer de lezer nieuwsgierig te maken. t 28 ga terug naar je taalboek
62 w blok 7 cultuur les 5 woordenschat 4 Lees het verhaal en maak het af. Let op het gekleurde woord. Zorg dat in je verhaal duidelijk wordt wat het woord betekent. Wendy volgt een cursus schilderen. Daar leert ze hoe je een schilderij kunt maken. In de eerste les moet ze een schaal met fruit naschilderen. Dat lijkt makkelijk, maar het valt nog best tegen. Als het schilderij klaar is, laat ze het aan de leraar zien. 5 Lees wat de gekleurde woorden betekenen. Kies daarna een woord. Schrijf erover wat je nog meer weet. de nieuweling onderdrukken uit alle macht vakkundig iemand die ergens voor het eerst komt de baas spelen over mensen en hen dwingen te doen wat jij zegt (uitdrukking) zo goed als je kunt, bijvoorbeeld: uit alle macht meehelpen als je ergens veel verstand van hebt; als je goed bent in je vak -Taalin beeld t ga terug naar je taalboek 29
63 w 4 blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Kies een onderwerp waarover je iets gaat vertellen. Kruis het aan. stripverhalen het circus kinderfeesten 5 Bedenk wat je allemaal over het onderwerp kunt vertellen. Maak als geheugensteuntje een woordweb. 6 Improviseer over het onderwerp dat je hebt gekozen. Vertel wat je op dit moment weet over het onderwerp. Let op stem, houding, gebaren en pauzes. Wat vind je van de improvisatie van je buur? Kruis het aan in het eerste hokje. De spreker maakt gebaren. De spreker praat aan één stuk door. Er vallen veel lange stiltes. De spreker komt niet goed uit zijn woorden. Ik begrijp wat de spreker zegt. Ik begrijp niet wat de spreker zegt. 7 Improviseer om de beurt over een ander onderwerp. Bedenk een onderwerp waarover je buur iets moet vertellen. Wat vind je van de improvisatie van je buur? Kruis het aan bij opdracht 6. Gebruik het tweede hokje. Schrijf het onderwerp op dat je buur voor jou heeft bedacht. Maak een woordweb in je hoofd. Vertel wat je op dit moment over het onderwerp weet. t 30 ga terug naar je taalboek
64 w blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing 4 m Lees de zinnen. Onderstreep het gezegde. Zet een golflijn onder het onderwerp, zet plusjes onder het lijdend voorwerp en zet een stippellijn onder het meewerkend voorwerp. Kleur het zinsdeel dat overblijft. Let op: niet in iedere zin blijft er een zinsdeel over. De CliniClowns zijn in 1985 ontstaan. Het begon in Amerika. De broer van clown Michael Christensen lag in het ziekenhuis. Michael bezocht hem vaak. Hij gaf voor alle kinderen een voorstelling op de kinderafdeling. De kinderen genoten van het optreden. Ze vergaten even hun pijn. Michael wilde meer zieke kinderen laten lachen. Hij stichtte de Clown Care Unit. De Clown Care Unit verzorgde voorstellingen in heel veel Amerikaanse ziekenhuizen. 5 6 Hoe noem je de gekleurde zinsdelen in opdracht 3? Kruis het goede antwoord aan. De gekleurde zinsdelen noem je... het onderwerp het lijdend voorwerp de bepaling het gezegde In de meeste zinnen hieronder staan bepalingen. Zegt de bepaling iets over wanneer het gebeurt? Kleur hem dan geel. Zegt de bepaling iets over waar het gebeurt? Kleur hem dan blauw. Een Nederlandse kinderarts zag in Amerika een voorstelling. Hij zag al die blije gezichtjes. Tijdens zo n bezoek kreeg hij een goed idee. Hij wilde in Nederlandse ziekenhuizen clowns laten optreden. In 1992 stichtte hij CliniClowns Nederland. Deze clowns kwamen in steeds meer ziekenhuizen. Na een bezoek van de clowns zijn de kinderen opgevrolijkt. t ga terug naar je taalboek 31 -Taalin beeld
65 w blok 7 verhalen les 8 schrijven 5 Maak een woordpad met de volgende woorden: gehoorschade harde muziek luisteren. Schrijf onder het woordpad een zin waarin je deze drie woorden gebruikt. In de zin moeten een oorzaak en een gevolg staan. 6 Lees de zin. Bedenk een gevolg en schrijf het op. Josine zit op schilderles. Daardoor 7 Lees de zin. Bedenk een oorzaak en schrijf hem op. Rajid stoot vaak zijn hoofd, doordat 8 Maak een woordpad over muziekclips. Schrijf eronder een zin met de woorden uit je woordpad. In de zin moeten een oorzaak en een gevolg staan. 9 Teken een strip van twee plaatjes. Op het eerste plaatje zie je een oorzaak. Op het tweede plaatje zie je het gevolg. t 32 ga terug naar je taalboek
66 w blok 7 verhalen les 9 woordenschat 4 Lees wat de gekleurde woorden betekenen. kliederen knoeien, morsen. Je moet niet zo kliederen aan tafel! privé alleen voor jezelf. Mijn dagboek is privé. teder lief en zacht. De moeder nam de baby teder in haar armen. tenger smal en mager. Mijn grote zus eet veel. Toch blijft ze tenger. tieren tekeergaan omdat je kwaad bent. De juf tierde omdat we niet stil werden. treuzelen iets langzaam doen wat ook sneller kan. Kom Jim, treuzel niet zo! uitgestorven als een plant- of diersoort niet meer leeft. De dodo is een uitgestorven diersoort. 5 Kies drie woorden van opdracht 4 waarover je een presentatie gaat houden. Het eerste woord ga je uitbeelden. Met het tweede woord maak je een raadsel. En over het derde woord ga je iets vertellen. Schrijf op hoe je dat gaat doen. 1. Uitbeelden woord: hoe? 2. Raadsel woord: hoe? 3. Vertellen woord: hoe? 6 Beeld om de beurt je eerste woord uit. De ander kijkt hoe het gaat. Ziet hij welk woord het is? ja nee Geef elkaar om de beurt je raadsel op. Kan de ander raden welk woord het is? ja nee Vertel elkaar om de beurt over je derde woord. Kan de ander het goed begrijpen? ja nee -Taalin beeld t ga terug naar je taalboek 33
67 w 4 blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren Denk aan een spel dat jij graag speelt. Maak er een woordweb over. 5 Vertel iets over het spel. Bedenk wat je eerst vertelt en wat daarna. Let op stem, houding, gebaren en spreekpauzes. Gebruik je woordweb en improviseer. Maak notities terwijl je luistert. Gebruik trefwoorden. Stel na afloop vragen om je notities bij te werken. 6 Vertel iets over een boek dat je pas hebt gelezen. Maak een woordweb in je hoofd. Improviseer. Maak notities tijdens het luisteren. Gebruik korte zinnen of afkortingen. Stel na afloop vragen om je notities bij te werken. t 34 ga terug naar je taalboek
68 w blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing 5 Kleur in de zinnen hieronder alle bepalingen. Let op: er kunnen meerdere bepalingen in een zin staan. De zanger wist met zijn lage basstem het publiek te veroveren. Bij het horen van dit mooie lied applaudisseerde de stampvolle zaal luid. Helaas was na de hagelbui het gewas beschadigd. De volgende dag was het weer opgeklaard. Volgende maand vertrek ik met de boot naar Engeland. Gisteren sneed Fleur zich met een mes in haar vinger. Misschien regent het morgen. Tot mijn schrik slipte de auto. 6 Maak de zinnen af. Vul een bepaling in. Ruben wiedde het onkruid leefden er dieren die nu uitgestorven zijn. ontstond er een grote verkeerschaos. Op de globe wees Hassan aan, waar hij geweest was. De presentatie van het project vindt plaats treuzelde Rashida heel erg. Ik bel je op. De cursus werd gegeven 7 Kijk nog eens naar de zinnen van opdracht 6. Zegt jouw bepaling iets over waar het gebeurt, kleur hem dan blauw. Zegt jouw bepaling iets over wanneer het gebeurt, kleur hem dan geel. -Taalin beeld t ga terug naar je taalboek 35
69 w blok 7 cultuur les 12 schrijven 4 Lees de tekst. Kleur de zin met het probleem rood. Kleur de zin met de oplossing groen. Tijdens de tekenles is het vaak een chaos. Het voorstel is dat er een tweede begeleider bijkomt die kan helpen tijdens de lessen. 5 Lees het probleem. Bedenk een oplossing en schrijf hem op. probleem: Tijdens een toneelvoorstelling vergeten veel kinderen hun tekst. oplossing: 6 Lees de oplossing. Bedenk wat het probleem kan zijn schrijf het op. probleem: oplossing: Een acteur of actrice speelt de rol van het dier. 7 Bedenk een probleem dat je kunt hebben bij de uitvoering van een musical. Maak er een woordkast over. Zet in de ene rij alles wat met het probleem te maken heeft. Zet in de andere rij alles wat met een oplossing te maken heeft. Gebruik een potlood. probleem oplossing t 8 36 Bespreek met je buur je woordkast. Kun je deze woordkast goed gebruiken bij het schrijven van een tekst? Verbeter je woordkast als je dat nodig vindt. ga terug naar je taalboek
70 blok 7 cultuur
71 k blok 7 toetstaak naam: 1 Wat moet je doen als je een spreekbeurt gaat voorbereiden? Zet een 1 voor wat je als eerste doet, een 2 voor wat je daarna doet, enzovoort. Je bepaalt wat je gaat vertellen en wat je laat zien. Je bepaalt het onderwerp. Je bepaalt wat bij elkaar hoort en maakt een indeling. Je maakt een woordweb. 2 Improviseer over een hobby. Maak eerst een woordweb in je hoofd. Je schrijft het woordweb dus niet op! Schrijf dan een paar zinnen op over je hobby. Gebruik woorden uit het woordweb dat je hebt bedacht. 3 In dit verhaaltje zijn de komma s, dubbele punten en puntkomma s weggelaten. Ook de aanhalingstekens ontbreken. Zet alle leestekens op de goede plaats. Een man kan niet meer praten hij gaat naar de dokter. Hij schrijft op een briefje dat hij niet kan praten. De dokter zegt Oké, leg je rechterhand maar op tafel. Als hij dat doet pakt de dokter een hamer. De dokter slaat op de duim van de man. De man schreeuwt Aaaaaah! Heel goed zegt de dokter. De man is boos hij wil weggaan. Maar de dokter zegt Komt u morgen maar terug om de letter b te oefenen. db blok 7 kopieerblad 1 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
72 k blok 7 toetstaak naam: 4 Lees de zinnen en kleur alle bepalingen. Onder de grond leven veel dieren. Je kunt ze met je eigen ogen zien. Dat kan in het Museonder. Het Museonder vind je in het Nationale Park De Hoge Veluwe. Het museum ligt onder de grond. Je staat onder de wortels van een oude beuk. In het Museonder zie je een prachtige dassenburcht. 5 Maak bij elk woord een illustratie. Je mag bij de illustratie schrijven. de globe de handpalm de wenteltrap de uitrusting van een bergbeklimmer 6 Lees de woorden in het kader. Schrijf een tekst waarin deze woorden voorkomen. Kies uit: een verhaaltekst een weettekst een verslagtekst een brief of een . de actrice tieren vakkundig teder stamelen Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 2 db
73 k registratieblad toetstaak Onderdeel Schrijven Taalbeschouwing Woordenschat Opdrachten Opdracht 1 Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4 Opdracht 5 en 6 Naam Adviesnorm 0 fouten: G 0 fouten: G 0, 1 fout: G 0 fouten: G 0, 1 fout: G 1 of meer 1 of meer 2 fouten: V 1 fout: V 2 fouten: V fouten: O fouten: O >2 fouten: O >1 fout: O >2 fouten: O Herhalingsstof Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: ht 1 ht 2 ht 3 ht 4 ht 5/6 (hl d2, p. 65) (hl d2, p. 65) (hl d2, p. 66) (hl d2, p. 66) (hl d2, p. 67) De leerlingen die voldoende of goed scoren op alle onderdelen, kunnen verder gaan met de plustaken. Meer informatie in hl d2, pagina 6. Afkortingen: G = goed, V = voldoende, O = onvoldoende, ht = herhalingstaak, hl = handleiding. db blok 7 kopieerblad 3 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
74 k blok 7 herhalingstaak 1 spreken/luisteren naam: In een spreekbeurt geef je informatie over een onderwerp. Je vertelt, maar je laat ook dingen zien. Een spreekbeurt moet je goed voorbereiden: 1. Eerst bepaal je het onderwerp. 2. Daarna maak je een woordweb. 3. Dan bepaal je wat bij elkaar hoort en maak je een indeling. 4. Tot slot bepaal je wat je gaat vertellen en wat je laat zien. 1 Stel, je moet een spreekbeurt houden over een sport. Vul eerst het woordweb in. Zet de sport die je kiest in het midden. 2 Geef in je woordweb de woorden die bij elkaar horen dezelfde kleur. Maak dan een indeling voor je spreekbeurt. Gebruik daarvoor de woordkast. 3 Wat vertel je eerst en wat daarna? Schrijf het op. Eerst Daarna 4 Wat zou jij bij je spreekbeurt laten zien? Schrijf het op. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 4 db
75 k blok 7 herhalingstaak 2 spreken/luisteren naam: Je kunt ook zonder voorbereiding iets over een onderwerp vertellen. Dat noem je improviseren. Je vertelt dan wat je op dat moment weet. Als hulp maak je een woordweb in je hoofd. Ben jij in De Efteling geweest? Vertel daar eens iets over! 1 Improviseer om de beurt over een onderwerp. Bedenk een onderwerp waar je buur iets over moet vertellen. Kijk en luister dan goed hoe hij dat doet. Maak notities. Let op de volgende zaken: - Is het interessant wat hij vertelt? - Is de volgorde waarin hij vertelt goed? - Hoe gebruikt hij zijn stem? - Vertelt hij alles achter elkaar, of zijn er pauzes? - Maakt hij ook gebruik van gebaren? Improviseer over het onderwerp. Maak in je hoofd een woordweb en vertel wat je op dit moment weet. Bespreek samen over wat goed was en wat beter kon. 2 Draai de rollen om en doe opdracht 1 nog een keer. De spreker is nu luisteraar. db blok 7 kopieerblad 5 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
76 k blok 7 herhalingstaak 3 taalbeschouwing naam: Een komma gebruik je: - tussen twee zinnen - tussen de delen van een opsomming Een puntkomma kun je gebruiken tussen twee zinnen die bij elkaar horen. De nieuwe zin begint dan niet met een hoofdletter. Je mag ook gewoon een punt zetten. Dan begint de nieuwe zin wel met een hoofdletter. Een dubbele punt gebruik je: - voor een opsomming - voor een verklaring - voor de directe rede Aanhalingstekens gebruik je als een zin in de directe rede staat. 1 In de zinnen hieronder ontbreken leestekens. Zet ze op de goede plaats. Erboven staat steeds welk leesteken je moet invullen. komma s Ik kan niet mee want ik ben ziek. In het safaripark zagen we: apen zebra s tijgers olifanten giraffes. puntkomma s Gisteren won hij een miljoen euro toch ging hij vandaag gewoon werken. Mijn vader is een echte voetballiefhebber hij zal geen wedstrijd overslaan. dubbele punten Ik ken de volgende voorjaarsbloemen tulpen, hyacinten, narcissen, krokussen. Mijn zus kan niet komen ze ligt met een gebroken been in het ziekenhuis. Mariska zei Je moet nu eens ophouden met zeuren. aanhalingstekens Ik zei: Dat weet ik niet. Nee, zei hij, dat doe ik niet. 2 Zet in de zinnen hieronder de komma s, puntkomma s, dubbele punten en aanhalingstekens op de goede plaats. Schrijf ze in de hokjes. Ik vroeg Vind je het mooi? Ik heb geen kaartje gekocht ze waren uitverkocht. Deze kinderen heb ik uitgenodigd Najib Hassan Paul Suzan Anika. Mijn vader vroeg Kom je bij ons eten Daan? Gisteren had Rolf nog griep toch ging hij vandaag weer voetballen. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 6 db
77 k blok 7 herhalingstaak 4 taalbeschouwing naam: Je zoekt in een zin eerst het onderwerp en het gezegde. Daarna het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp. Vaak blijven er dan nog zinsdelen over. Die zinsdelen noem je bepalingen. Een bepaling zegt bijvoorbeeld iets over hoe, waar, wanneer of waarmee iets gebeurt. Bepalingen geven antwoord op vragen als: Hoe gebeurt het? Waar gebeurt het? Wanneer gebeurt het? Waarmee gebeurt het? Wanneer gebeurt er nou eens iets leuks? 1 Kies uit elk rijtje een zinsdeel. Maak zo vijf grappige zinnen. onderwerp persoonsvorm bepaling de aap zingt in het aanrechtkastje de krokodil slaapt met een pistool de politieagent zwemt na schooltijd de vuilnisbak eet op de markt de kelner droomt volgende week 2 Lees de tekst en kleur alle bepalingen. Francesco woont in Rome. Hij woont dicht bij een beroemde fontein. Toeristen gooien muntjes in die fontein. Niemand mag die muntjes uit het water halen. Het geld is al heel lange tijd bestemd voor nonna Marta. Zij koopt van dat geld kattenvoer. Dit geeft ze elke dag aan de zwerfkatten van Rome. De laatste weken raapt nonna Marta minder geld op. Een dief haalt het geld uit het water. Francesco belooft nonna Marta te helpen zoeken naar de dief. Dit verhaal staat in het boek Het geheim van de verdwenen muntjes. Rindert Kromhout heeft dat boek geschreven in db blok 7 kopieerblad 7 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek E2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek A2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek B1: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek A1: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 6: 1 handleiding C1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek C1: de introductiepagina s en blok
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding e1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek B2: de introductiepagina s en blok
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding d1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands
Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld Bij verschillende onderdelen van de taalmethode Taal in Beeld, kunt u De bovenkamer
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK b Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HAnDlEIDInG b Hl InHoUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon
Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands colofon Dit overzicht is samengesteld door Josée Coenen, auteur van De bovenkamer. Vormgeving Marjo Starink Bazalt 2016 Voor meer
Leerlijn Spreken & luisteren groep 5
Leerlijn Spreken & luisteren groep 5 Spreken (individueel / gesprekken voeren): Luisteren: Een monoloog houden in een kleine groep, duidelijk verwoorden wat ze bedoelen. Een gesprek (overleg) voeren in
CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo
Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 h/v de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 h/v de betekenis
Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp
Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen
Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp werkwoordelijk gezegde
Methodeanalyse. Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO. Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg
Methodeanalyse Stelonderwijs; Taal in beeld Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg www.zwijsen.nl www.taalinbeeld.nl Eerste
Leerstofoverzicht Taal in beeld groep 4
Leerstofoverzicht Taal in beeld groep blok woordenschat spreken/luisteren schrijven taalbeschouwing Les : betekenis door plaatje Les : spreken Les : bij elke tekst hoort een schrijver Les : spelen met
LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK d Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HANDLEIDING d HL INHOUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen
Basis Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Deviant methode leer/werkboek VIA vooraf op weg naar 1F. De 8 thema s in het boek hebben terugkerende
Informatie. vakgebieden. Groep 4
Informatie vakgebieden Groep 4 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Informatie. vakgebieden. Groep 6
Informatie vakgebieden Groep 6 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Schooljaar 2015 2016 Nederlands havo vwo 1 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling H 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5
Taal actief 4 taal verkennen groep 5-8 taal verkennen groep 5 In dit document een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen Taal verkennen groep 5. Deze kenn maakt onderdeel uit van de leerlijn
Inhoudsopgave. Blok 5 Verhalen 15 lesbeschrijvingen toetsing informatie over de herhalings- en plustaken
Inhoudsopgave Algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw van de methode 4 Leeractiviteiten 5 Opbrengstgericht werken 6 Samenwerkend leren 7 Toetsing en evaluatie 8 Combinatiegroepen 8
CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo
Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 vmbo de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 vmbo de betekenis
Naam leerlingen. Groep BBL 1 Nederlands. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen.
Verdiepend Basisarrange ment Naam leerlingen Groep BBL 1 Nederlands Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. - 5 keer per week 45 minuten basisdoelen toepassen in verdiepende contexten.
Kinderen leren schrijven. www.taalvorming.nl
Kinderen leren schrijven www.taalvorming.nl Uitgangspunten van taalvorming Taalvorming is een lang bestaande werkwijze die je ook kunt zien als schrijfdidactiek werken vanuit eigen ervaringen samenhang
Het flexibel inzetten van de taalmethode heeft te maken met de functie van taal.
Taal: vakspecifieke toelichting en tips Taalverwerving en -onderwijs verlopen als het ware in cirkels: het gaat vaak om dezelfde inhouden, maar de complexiteit en de mate van beheersing nemen toe. Anders
Visuele Leerlijn Taal
Visuele Leerlijn Taal www.gynzy.com Versie: 05-09-2019 Taalbegrip Abstracties Probleem & oplossing Zender & ontvanger Functies van taal Discussie Standpunt & argument Feit & mening Illustratie (als voorbeeld)
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: leesvaardigheid Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1 + 2 Theorie blz. 7-8, 50 aantekeningen oefeningen uit het leerboek stappenplan lezen De leerling kent de termen onderwerp, deelonderwerp, hoofdgedachte,
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2018-2019 Klas: HV1 Lesperiode: 1 + 2 Diploma grammatica Methode: Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: Grammatica HF 1 t/m 6 Bladzijde: 25 t/m 30, 67 t/m 72, 109 t/m 114, 151 t/m 156, 193 t/m 198, 235
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder
Onderdeel: Spelling Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Onderdeel: Spelling week 1 t/m week 3 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan een deel zuiver morfologisch
Taal in beeld Spelling in beeld
Taal in beeld/ / Spelling in beeld Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld
Informatie. vakgebieden. Groep 5
Informatie vakgebieden Groep 5 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Leerstofoverzicht Lezen in beeld
Vaardigheden die bij één passen, worden in Lezen in beeld steeds bij elkaar, in één blok aangeboden. Voor Lezen in beeld a geldt het linker. Voor Lezen in beeld b t/m e geldt het rechter. In jaargroep
Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO
Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO Oktober 2015 Verantwoording 2015 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het
Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL
Nationaal congres Taal en Lezen 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Contactgegevens Tseard Veenstra [email protected] 06 55168626 Is spellingonderwijs nog relevant als we met behulp
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2016-2017 Vak: Nederlands Klas: vmbo-tl 2 Onderdeel: Spelling 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2015-2016 Onderdeel: Spelling Lesperiode: week 1 t/m week 3 Aantal lessen per week: 4 Methode: Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van
Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
- NEX Klas: IG2 HV Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Lesperiode: 2 1 Nieuwsbegrip en Nieuwsbegrip XL Materiaal: Leerlingschrift A4 Snelhechter Markeerstift Al
Onderdeel: LEZEN Docent: RKW Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Rapportperiode 1 Vak: Nederlands Onderdeel: LEZEN Docent: RKW 1 Aantal lessen per week: 4 Methode: Lees Mee Hoofdstuk: Blok 1 t/m 6 Blz. Weging: 1x 3x woordmixtoets 3x leestoets In totaal 6 cijfers Studievaardigheden:
Uitprobeerpakket. Handleiding 4a groep 4 blok 4
Uitprobeerpakket Handleiding 4a groep 4 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
DATplus. Kerndoelanalyse SLO
DATplus Kerndoelanalyse SLO September 2014 Verantwoording 2014SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het toegestaan zonder voorafgaande toestemming
Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen?
Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen? In groep 5-6 nemen kinderen steeds vaker werk mee naar huis. Vaak vinden kinderen het leuk om thuis aan schooldingen
Sterk in Taal en Spelling
Sterk in Taal en Spelling Staal Spelling methodiek José Schraven: voordoen, verwoorden, begeleid inoefenen, gerichte feedback 3 onderdelen: 1. spelling (onveranderlijke woorden): 34 categorieën verdeeld
Zin in taal/ Zin in spelling tweede editie
Zin in taal/ Zin in spelling tweede editiee Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt
Brochure Begrijpend lezen VMBO 1
Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 2 Inleiding Het belang van begrijpend lezen kan nauwelijks overschat worden. Het niveau van begrijpend lezen dat kinderen aan het einde van
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2015-2016 Onderdeel: Spelling week 1 t/m week 3 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan een deel
Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Lesperiode: 5 Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: 4 Blz. 127 t/m 12 Nieuw Nederlands Online H 1 t/m 4, onderdeel Lezen extra en Test Nieuwsbegrip
Staal. Kerndoelanalyse SLO
Staal Kerndoelanalyse SLO oktober 2014 Verantwoording 2014SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het toegestaan zonder voorafgaande toestemming van
Voordoen (modelen, hardop denken)
week 11-12 maart 2012 - hardop-denktekst schrijven B Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet.
Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Basisgrammatica Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Basisgrammatica Het computerprogramma Basisgrammatica
Routeboekje. Taal in beeld. Groep 8. Dit boekje is van:
Routeboekje Taal in beeld Groep 8 Dit boekje is van: Groep 8 Blok 1 Les 1 Basisstof HL E1 13 1 Woordenschat TB E1 6 1 Lees het verhaal over Sanne, Rein en Roy. TB E1 6 2 Schrijf op wat de gekleurde woorden
Informatie. vakgebieden. Groep 7
Informatie vakgebieden Groep 7 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Versie: juni 2015 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Nieuwe methode aanschaffen? Dat kan nu veel voordeliger. Snappet
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek E2: de introductiepagina s
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8
Zoals u wellicht weet wordt er ieder jaar in oktober de KINDERBOEKENWEEK georganiseerd. Op de meeste scholen worden er dan ook Voorleeswedstrijden gehouden, en gaat de aandacht speciaal uit naar de PROMOTIE
PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
PIT HAVO-2 +HAVO/VWO-2 2016-2017 Vak: Nederlands Onderdeel: Spelling H1 en H2 Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1 en 2 Extra materiaal: Nieuw Nederlands Online De leerling kent de volgende
Taaljournaal, tweede versie
SPELLING Taaljournaal, tweede versie Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze methode zijn te vinden op www.taalpilots.nl, www.rekenpilots.nl en
Lesstof overzicht Station vanaf
Lesstof overzicht Station vanaf 2018 complete methode Nederlands vmbo STATION Mondelinge taalvaardigheid Nederlands vmbo KGT 1 Beter gebekt STATION Nederlands vmbo BK 1 Tussen hoofdletter en punt jaar
Leerdoel/inhoud/stof/onderwerp/onderdeel/toets overig jaarplanning Docentenactiviteit Leerlingactiviteit aug
KLAS: H2/V2 VAK: Nederlands 2019/2020 Week Vanaf Opmerking Leerdoel/inhoud/stof/onderwerp/onderdeel/toets overig jaarplanning Docentenactiviteit Leerlingactiviteit 34 19 aug 20 augustus Mentorles brugklas
OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID. 1. Lees- en schrijfmotivatie
OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID 1. Lees- en schrijfmotivatie 1.1 Kinderen zijn intrinsiek gemotiveerd voor lezen en schrijven. 1.2 Ze beschouwen lezen en schrijven als dagelijkse routines.
Uitprobeerpakket. Handleiding 5a groep 5 blok 4
Uitprobeerpakket Handleiding 5a groep 5 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
Voordoen (modelen, hardop denken)
Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet. Het voordoen (modelen) van het schrijven van
Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs
kennisnet.nl Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs Op de volgende pagina s treft u het beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs. Het instrument is ingedeeld in acht
Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Blauwe stenen leer je zo
Handleiding groep 3-8 Blauwe stenen leer je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een steen van Jeelo leert. Voor groep 3-4 wijzer 2009 Zo leer je blauwe stenen
Inhoud. 1 Spelling 5. Noordhoff Uitgevers bv
Inhoud 1 Spelling 5 1 geschiedenis van de nederlandse spelling in vogelvlucht 11 2 spellingregels 13 Klinkers en medeklinkers 13 Spelling van werkwoorden 14 D De stam van een werkwoord 14 D Tegenwoordige
Taaldomein vmbo. 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen: PowerPointpresentatie. k4 3 De spreekbeurt Soorten spreekbeurten De boekpresentatie
Taaldomein vmbo Methode Taaldomein 1 Mondeling 60p Schooltype vmbo-kgt 1-2, k3-4 2 Lezen 266p Editie vanaf 2004 3 Schrijven 120p Niveau 2F 4 Taalbeschouwing 285p 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen:
Informatie. vakgebieden. Groep 8
Informatie vakgebieden Groep 8 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Vak: Nederlands, onderdeel taalportfolio /HV Lesperiode: 1 Taalportfolio deel 1 In je taalportfolio komen 4 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode
Routeboekje. Taal in beeld. Groep 7. Dit boekje is van:
Routeboekje Taal in beeld Groep 7 Dit boekje is van: Groep 7 Blok 1 Les 1 Basisstof HL D1 13 1 Woordenschat TB D1 6 1 Lees het verhaal over Joost en het geheim van Djer. TB D1 6 2 Joost legt uit wat een
Onderdeel: Grammatica zinsdelen Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Onderdeel: Grammatica zinsdelen Lesperiode: 2 1, 2 en 5 Extra materiaal: PowerPoint Stappenplan zinsdelen op blz. 268 t/m 270 zinsdelen: Onderwerp Werkwoordelijk- en naamwoordelijk gezegde Lijdend voorwerp
Ogo en taal van methode naar bronnenboek
Ogo en taal van methode naar bronnenboek Help!! Wat nu?? Niet in 1 keer alles loslaten Gefaseerd invoeren van werken met OGO thema s Gefaseerd invoeren van taal binnen thema s ???Taaltrapeze en OGO???
Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is
Alles over. Naut. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Naut Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Vak: Nederlands Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Lesperiode: 1 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Werken met tussendoelen in de onderbouw
Laura Punt 2013 Werken met tussendoelen in de onderbouw Interactief lees- en schrijfonderwijs Inhoud Het waarom en het wat van tussendoelen Aansluiting tussen po en vo Werken met tussendoelen Voorbeelden
Handleiding Vervolgmodule OGO- Extra materiaal na Taalsituaties 3-6-9
Handleiding Vervolgmodule OGO- Extra materiaal na Taalsituaties 3-6-9 Extra materiaal na de Taalsituaties, Vervolgmodule OGO Algemeen In Extra materiaal na de Taalsituaties wordt de leerstof uit drie voorgaande
Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. 1. Tussendoelen lees- en schrijfmotivatie. 2. Tussendoelen technisch lezen
Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid Bron: Aarnoutse, C. & Verhoeven, L. (red.), Zandt, R. van het, Biemond, H.(in voorbereiding). Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. Een leerlijn voor groep 4 tot
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Fictie Klas: MH-1 Lesperiode:1 Taalportfolio In je taalportfolio komen 5 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode worden de eerste 3 opdrachten beoordeeld
Workshop BLIKSEM - Leesbegrippen in de BLIKSEM Oefenteksten en Toetsen
Leesbegrippen Groep 5 1. alinea (7)* 2. anekdote (2) 3. bedoeling van de schrijver (3) 4. boodschap overbrengen (1) 5. bronvermelding (2) 6. conclusie (1) 7. de bedoeling van de schrijver (2) 8. de clou
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende regel De stam van werkwoorden kunnen noteren
Een overtuigende tekst schrijven
Een overtuigende tekst schrijven Taalhandeling: Betogen Betogen ervaarles Schrijftaak: Je mening geven over een andere manier van herdenken op school instructieles oefenlesles Lesdoel: Leerlingen kennen
Alles over. Tijdzaken. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Lesbeschrijving Nederlands
Lesbeschrijving Nederlands Overzicht Leerjaar 1 VOx leerlijn nr. 1 Mondelinge taal Onderdeel nr. 1.3 Spreekvaardigheid Subonderdeel nr. 1.3.1 Spreken Lesnummer 34 Titel van de les Ik houd mijn spreekbeurt
Checklist Begrijpend lezen en woordenschat Curriculum Nederlands ? - + +
Checklist Begrijpend lezen en woordenschat Curriculum Nederlands? - + + De gebruikte methoden stellen duidelijke (toetsbare) doelen en leerlijnen voor begrijpend lezen. Zwakke lezers krijgen een aanvullend
Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs Paul Filipiak
Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs Paul Filipiak juli 2009 Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs 1 Schrapcriteria
