Proefkatern Taal in beeld
|
|
|
- Gerda van den Velde
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek E2: de introductiepagina s en blok 7 3 werkboek E2: de introductiepagina s en blok 7 4 kopieerboek: kopieerbladen blok 7 (met de toetstaak, het registratieblad en de eerste vier herhalingstaken). Met dit katern krijgt u zicht op hoe Taal in beeld werkt. De materialen stellen u in staat lessen van blok 7 uit te proberen in uw groep. Blok 7 bestaat uit 12 lessen. Zwijsen geeft u toestemming om voor het uitproberen kopieën te maken uit dit katern. De herhalingstaken (Woordkenner en Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld) zijn niet bijgevoegd. Woordkenner is een leerspel dat als herhalingstaak op het gebied van woordenschat elk blok terugkomt. Met het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen leerlingen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Meer informatie over Woordkenner en het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vindt u op Heeft u nog vragen, neem dan contact op met Zwijsen Klantenservice: of [email protected]. Wij wensen u en uw leerlingen veel (leer)plezier met Taal in beeld!
2 Zwijsen -Taalin beeld Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding e2
3 hl inhoud algemene handleiding Aan de slag met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5 Toetsing en evaluatie 6 Combinatiegroepen 7 Materialen 7 Leerstof 7 Handleiding online 11 blok 5 verhalen Basislessen 13 Toetstaak 21 Herhalingstaken 23 blok 6 samen leven Basislessen 28 Toetstaak 36 Herhalingstaken 38 blok 7 cultuur Basislessen 43 Toetstaak 51 Herhalingstaken 53 blok 8 andere tijden Basislessen 58 Toetstaak 66 Herhalingstaken 68 Colofon 72 in Taal- -2 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
4 hl algemene handleiding Aan de slag met Taal in beeld U gaat werken met Taal in beeld. Deze handleiding helpt u om snel en op een prettige manier met de methode te gaan werken. Daartoe wordt in een beperkt aantal pagina s de belangrijkste informatie gegeven die u nodig hebt. Alle overige gegevens over de methode, waaronder meer uitgebreide onderdelen die horen bij deze handleiding, vindt u op de website Hebt u vragen, opmerkingen of suggesties, dan kunt u hiervoor ook terecht op de website. Hoe meer informatie wij van u krijgen, hoe beter wij in staat zijn om de methode mee te laten groeien met uw wensen en verwachtingen. Invoering Taal in beeld kunt u in één keer in alle groepen invoeren. Het eerste blok van ieder jaarprogramma is een instapblok waarin alle eerder aangeboden leerstof die nodig is voor het komende jaarprogramma, wordt opgefrist. De leerlingen raken dus niet het spoor bijster omdat er ineens termen worden gebruikt of specifieke voorkennis wordt verondersteld die ze nooit eerder aangeboden hebben gekregen. Ook u als leerkracht krijgt tijdens het eerste blok een globaal overzicht van wat aan de orde is geweest in vorige jaargroepen, voor zover het van invloed is op de lessen die u dit leerjaar aan gaat bieden. Mocht u verder nog een gedetailleerde samenvatting willen hebben van de eerder aangeboden leerstof in relatie tot de leerstof in uw jaargroep, dan vindt u op een uitgebreid leerstofoverzicht. Overzicht Taal in beeld bestaat uit vijf gedeelten. Het onderstaande schema geeft aan welk deel bestemd is voor welke jaargroep van het reguliere basisonderwijs. Voor andere typen (basis)scholen kan ervoor gekozen worden om de leerstof op een andere manier te verdelen. Deel Jaargroep A (a1 en a2) 4 B (b1 en b2) 5 C (c1 en c2) 6 D (d1 en d2) 7 E (e1 en e2) 8 De kenmerken van Taal in beeld Taal in beeld heeft drie belangrijke kenmerken. Het pakket is compleet, compact en flexibel. Compleet Taal in beeld is een complete methode: het programma biedt alle leerstof aan die u als school op basis van de kerndoelen geacht wordt aan te bieden. Kerndoelen zijn streefdoelen en geven aan wat een leerling globaal moet kennen en kunnen aan het eind van de basisschool. Ze beschrijven in grote lijnen wat in elk geval aan de orde moet komen op de basisschool. Maar niet alles wat op school gebeurt, is voorgeschreven in kerndoelen. Scholen hebben ook ruimte voor een eigen, specifiek onderwijsaanbod. Bij de ontwikkeling van Taal in beeld is uitdrukkelijk rekening gehouden met de kerndoelen voor taal, zoals die door de overheid zijn vastgesteld. Een school die werkt met Taal in beeld is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van de methode voldoet aan de kerndoelen. Compact Taal in beeld is compleet, maar daarnaast ook compact. Zowel het aantal lessen als het aantal schoolweken dat nodig is om het programma uit te voeren, is beperkt gehouden. Hierdoor zult u als leerkracht geen tijdsdruk ervaren omdat er nog zoveel moet. Voor de leerlingen is er voldoende tijd beschikbaar om de leerstof goed op te kunnen nemen en toe te passen. Verder is ook in de hoeveelheid materialen terug te zien dat de methode compact is. Geen grote hoeveelheid materialen die mogelijk gebruikt kunnen worden, maar een duidelijke keuze voor het noodzakelijke en het wenselijke. Op papier en in de vorm van software. Flexibele organisatievorm Taal in beeld is een flexibele methode. Kinderen verschillen, leer krachten verschillen, scholen verschillen en omstandigheden verschillen. Taal in beeld houdt rekening met deze verschillen door diverse organisatievormen mogelijk te maken. Zo kunt u interactief met de hele groep aan de slag gaan, maar u kunt de leerlingen ook zelfstandig alle onderdelen van het programma laten uitvoeren. Hierbij kunnen ze individueel werken of samen met andere leerlingen. Doordat de taalactiviteiten geschikt zijn voor een geïndividualiseerde, een samenwerkende en klassikale organisatievorm, hoeft u niet te kiezen tussen interactief taalonderwijs of zelfstandig leren. U kunt met Taal in beeld de kracht van beide vormen combineren. U bepaalt in welke mate u de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Maar uiteindelijk werken ze wel aan dezelfde leerstof, waardoor de organisatie van de lessen overzichtelijk en uitvoerbaar blijft. De opbouw van de methode Taal in beeld Jaarprogramma Taal in beeld biedt een jaarprogramma voor 34 schoolweken en is opgebouwd uit acht blokken van vier weken. Na de blokken 4 en 8 is er een zogenaamde breekweek: een week waarin geen lessen uit de acht blokken aan de orde komen. De breekweken kunnen gebruikt worden als uitloopweken of als weken om op een andere manier met taal bezig te zijn. Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 3 in -Taal- d
5 hl algemene handleiding Algemene opbouw van een blok De eerste drie weken van ieder blok bestaan uit de basislessen. Aan het einde van de derde week of in het begin van de vierde week is er een toetstaak. Daarmee wordt vastgesteld welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben en welke (nog) niet. De kinderen die de doelen bereikt hebben, gaan vervolgens aan de slag met plustaken (verdiepingsstof), waarin ze leerkrachtonafhankelijk hun geleerde kennis, vaardigheden en strategieën toepassen en uitbouwen. De kinderen die de doelen van het blok nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week eerst herhalingstaken waarin ze de leerstof die ze nog niet beheersen, nogmaals aangeboden krijgen. Extra instructie en begeleide verwerking zijn hierbij de uitgangspunten. De opbouw van deel e1 en e2 Het schema hiernaast biedt een overzicht van de opbouw van het programma van de delen e1 en e2. Deel e1 bevat de blokken 1 tot en met 4 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Deel e2 bevat de blokken 5 tot en met 8 van het jaarprogramma. In dit deel zijn er acht basislessen per blok in plaats van twaalf. Dit betekent dat er in de eerste drie weken van ieder blok drie taallessen per week zijn, inclusief de toetstaak aan het einde van de derde week. Hiermee komt Taal in beeld tegemoet aan de wens van veel scholen om aan het eind van groep 8 meer tijd over te houden voor de afronding van het schooljaar. Thema s De verschillende blokken bevatten voor alle jaargroepen op hetzelfde moment dezelfde thema s. De volgende onderwerpen komen aan bod: Blok Thema 1 Omgeving 2 Natuur 3 Reizen 4 Gevoel 5 Verhalen 6 Samen leven 7 Cultuur 8 Andere tijden De thema s komen overeen met die in methoden als Tussen de regels en Ondersteboven van lezen. Hierdoor bent u gemakkelijk in staat om vakoverstijgend en thematisch te werken. Instapblokken Het eerste blok van ieder leerjaar (met uitzondering van deel a1) start met een instapblok. Hierin komen alle leerstofonderdelen aan bod die eerder aangeboden zijn en relevant zijn voor het komende leerjaar. In blok 2 tot en met 7 wordt nieuwe leerstof aangeboden. Blok 8 is een afsluitend blok waarin geen nieuwe leerstof wordt aangeboden. Hierin is alle aandacht gericht op het integreren, herhalen en toepassen van de leerstof die gedurende het jaar is aangeboden. week deel blok weekprogramma dag 1 dag 2 dag 3 dag 4 dag 5 1 e1 blok 1 ws sl tb s 2 blok 1 ws sl tb s 3 blok 1 ws sl tb s 4 blok 1 toets h/p h/p h/p 5 blok 2 ws sl tb s 6 blok 2 ws sl tb s 7 blok 2 ws sl tb s 8 blok 2 toets h/p h/p h/p 9 blok 3 ws sl tb s 10 blok 3 ws sl tb s 11 blok 3 ws sl tb s 12 blok 3 toets h/p h/p h/p 13 blok 4 ws sl tb s 14 blok 4 ws sl tb s 15 blok 4 ws sl tb s 16 blok 4 toets h/p h/p h/p 17 breekweek 18 e2 blok 5 ws sl tb 19 blok 5 s ws sl 20 blok 5 tb s toets 21 blok 5 h/p h/p h/p 22 blok 6 ws sl tb 23 blok 6 s ws sl 24 blok 6 tb s toets 25 blok 6 h/p h/p h/p 26 blok 7 ws sl tb 27 blok 7 s ws sl 28 blok 7 tb s toets 29 blok 7 h/p h/p h/p 30 blok 8 ws sl tb 31 blok 8 s ws sl 32 blok 8 tb s toets 33 blok 8 h/p h/p h/p 34 breekweek ws = woordenschat sl = spreken/luisteren h = herhalingstaken s = schrijven tb = taalbeschouwing p = plustaken jaarplanning deel e1 en e2 in -Taal- 4 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
6 algemene handleiding De activiteiten in Taal in beeld Zelfstandig leren, samenwerkend leren en begeleid leren Taal in beeld maakt verschillende organisatievormen gelijktijdig mogelijk. Alle lessen zijn namelijk zo opgezet dat u als leerkracht kunt bepalen of de leerlingen zelfstandig (individueel of in samenwerking met andere kinderen) of begeleid (klassikaal of in een groepje onder uw leiding) aan de slag gaan. Welke organisatievorm u ook kiest, alle kinderen doorlopen altijd dezelfde opdrachten en gebruiken dezelfde materialen. Dit betekent dat de lessen voor u als leerkracht makkelijk te organiseren zijn. U bepaalt zelf in welke mate er sprake is van mondelinge interactie tijdens de les en u kunt ervoor kiezen die te beperken. Wanneer het bereiken van het lesdoel zonder interactie niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een aantal lessen spreken/luisteren, dan attendeert de methode u hierop. Alle activiteiten in het taalboek en het werkboek De lessen in Taal in beeld zijn opgebouwd uit vaste onderdelen: de doelstelling, de introductie, de instructie, de verwerking en de evaluatie/reflectie. Deze elementen zijn ook terug te vinden in het leerlingmateriaal: Wat ga je doen?, Op verkenning, Uitleg, Aan de slag en Terugkijken. Mede hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de leerlingen op een effectieve en efficiënte manier zelfstandig te laten leren. Niets verplicht u echter om kinderen de les zelfstandig te laten doorlopen. U kunt er ook voor kiezen de les gezamenlijk op een interactieve manier door te werken. De verschillende fasen worden hieronder uitvoeriger toegelicht. De didactische fasering en de route door de les Een les in Taal in beeld bestaat uit een viertal fasen dat volgt als de doelstelling is aangegeven. Tezamen vormen die fasen de lesroute die de leerlingen aan de hand van de aanwijzingen in het taalboek en het werkboek zelfstandig (individueel of samenwerkend) of begeleid (klassikaal of in een groepje) kunnen doorlopen. Op verkenning De eerste fase is Op verkenning. Hierin gaan kinderen aan de slag met enkele verkennende opdrachten. De bedoeling is dat ze zich hiermee oriënteren of voorbereiden op het onderwerp van de les, of aan de hand van een probleemstelling tot oplossingen proberen te komen. Uitleg De tweede fase is Uitleg. Dit is het instructiemoment in de les. De uitleg is enerzijds een conclusie vanuit de verkenning en anderzijds de inhoudelijke instructie die nodig is om de volgende fase te kunnen doorlopen. De instructie wordt weergegeven in een geschreven blok, maar afhankelijk van de organisatievorm kan ze ook dienen als basis voor mondelinge uitleg. Aan de slag De derde fase is Aan de slag en bevat de verwerkingsopdrachten, die gedeeltelijk in het werkboek en gedeeltelijk in het taalboek staan. Terugkijken De vierde fase is Terugkijken en heeft tot doel om te reflecteren en te evalueren. De centrale vraag hierbij is dan ook: Wat heb je geleerd? De leerlingen maken een evaluerende opdracht, waarin altijd een verband wordt gelegd met het lesdoel. Afhankelijk van de gekozen organisatievorm kan de evaluatie ook mondeling plaatsvinden. Voor kinderen die eerder klaar zijn, bevat iedere les nog een extra opdracht. Tijdsindicaties Een les in Taal in beeld duurt ongeveer 35 tot 50 minuten. De exacte tijdsduur is afhankelijk van de organisatievorm waarin de les wordt aangeboden. Het is een bekend gegeven dat er bij zelfstandig lerende kinderen een aanzienlijk verschil kan zijn in de tijd die ze nodig hebben om tot een resultaat te komen. Organisatorische problemen zullen zich echter niet voordoen, want de snelle kinderen kunnen aan de slag met de extra opdracht. Wanneer de les met de hele groep wordt doorgewerkt, zal deze ongeveer 45 minuten duren. Vanwege verschillen in de benodigde tijd in relatie tot de organisatievorm, is ervoor gekozen de lesonderdelen zelf niet te voorzien van tijdsindicaties. De differentiatie in Taal in beeld Differentiatie naar begeleidingsbehoeften Taal in beeld biedt een breed scala aan differentiatiemogelijkheden. Bij alle lessen kunt u differentiëren naar intensiteit van de begeleiding die u geeft. Sommige leerlingen of groepen kunt u meer loslaten, terwijl u andere juist veel ondersteuning wilt bieden. Om alle kinderen de begeleiding te geven die ze nodig hebben, kunt u groepen in verschillende organisatievormen laten werken. Met de kinderen die veel ondersteuning nodig hebben, doorloopt u de lesroute samen. Binnen deze organisatievariant, eerder benoemd als begeleid leren, is er veel ruimte voor mondelinge interactie en begeleiding. De leerlingen die hier minder behoefte aan hebben, laat u meer leerkrachtonafhankelijk werken, individueel of samen met andere kinderen. Tempodifferentiatie: extra stof Tijdens de lessen zal het vaak zo zijn dat bepaalde leerlingen eerder klaar zijn dan andere. Dit vraagt om tempodifferentiatie, waarbij er extra werk is voor de snelle leerlingen. Allereerst kunnen zij de extra opdracht maken. Deze staat in het taalboek aan het einde van iedere les. Mochten zij daarna nog behoefte hebben aan meer Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 5 in -Taal- d
7 hl algemene handleiding stof, dan kunt u hun verdiepingsstof geven in de vorm van plustaken uit Taalmaker, of laten werken met het computer programma Woordenschat Taal/Lezen. Taalmaker is het gedeelte van Taal in beeld dat extra taaltaken bevat in de vorm van kaarten, kopieerbladen en computerbladen. Niveaudifferentiatie: plustaken (verdiepingsstof) Wat betreft de verdiepingsstof in de vorm van plustaken hebt u een breed scala aan mogelijkheden. Alle plustaken hebben echter één ding gemeen: het is niet meer van hetzelfde, maar het zijn taalactiviteiten vanuit een andere, meer toepassende invalshoek. Alle plustaken die horen bij Taal in beeld, vindt u in het onderdeel Taalmaker. Taalmaker bestaat uit een doos met kaarten, kopieerbladen en computerbladen. Hiermee krijgt ook filmmateriaal een plek in het taalonderwijs. Periodiek zullen de plustaken in Taalmaker aangevuld en vernieuwd worden, waardoor de uitdaging voor de leerlingen groot zal blijven. De plustaken kunnen op drie momenten gebruikt worden. Ten eerste als tempodifferentiatie bij de basislessen. Zijn leerlingen eerder klaar, dan kunnen ze, na de extra opdracht, aan de slag met de plustaken. Ten tweede als leerstof voor op de vijfde dag van de week, wanneer er geen basisprogramma is. Wilt u kinderen die dag toch taalopdrachten laten uitvoeren, dan kunnen ze aan de slag gaan met de plustaken. Ten derde als leerstof voor in week 4, na de toets. In eerste instantie geldt dit voor kinderen die geen behoefte hebben aan herhalingstaken. Meer informatie over de plustaken uit Taalmaker vindt u op de webiste Niveaudifferentiatie op het gebied van woordenschat kunt u realiseren door kinderen te laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Daarin krijgen ze eerst de woorden uit de basislessen aangeboden. Deze worden uitgelegd, geoefend en getoetst. Kennen ze deze woorden, dan biedt het programma extra woorden aan. Deze zijn onderdeel van de verdiepingsstof. Niveaudifferentiatie: herhalingstaken Aan het einde van de derde week of in de vierde week van ieder blok maken de leerlingen een toetstaak. Deze is bedoeld om vast te stellen of ze de doelen van het blok bereikt hebben. Als dit niet het geval is, krijgen ze de vierde week herhalingstaken bij de onderdelen die ze nog niet beheersen. De herhalingstaken worden bij ieder blok beschreven in de handleiding. De leerlingen kunnen ze in principe zelfstandig maken, maar geadviseerd wordt om hen hierbij te begeleiden. Toetsing en evaluatie in Taal in beeld Er bestaan verschillende manieren om de resultaten van de leerlingen te evalueren. Het gaat hierbij om evaluatie op korte, middellange en lange termijn. Korte termijn Evaluatie op korte termijn is gericht op het vaststellen of de lesdoelen wel of niet bereikt zijn. Dit gebeurt op twee manieren. Ten eerste door de leerlingen zelf, via de reflectieopdracht in de fase Terugkijken van de basislessen. Hierbij stellen ze zelf vast wat ze geleerd hebben tijdens de les. Een tweede manier om na te gaan of de doelen bereikt zijn, is door gebruik te maken van de observatiepunten in de handleiding. Deze zijn terug te vinden bij een aantal basislessen. Middellange termijn Evaluatie op middellange termijn is bedoeld om vast te stellen of de leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben. Aan het einde van de derde of aan het begin van de vierde week van elk blok is er een toetstaak die bestaat uit een aantal toetsopdrachten. Deze opdrachten zijn gericht op verschillende taaldomeinen. Taalbeschouwing en woordenschat worden na ieder blok getoetst. Schrijven en spreken/luisteren worden daar regelmatig aan toegevoegd. Taal in beeld bevat registratiebladen waarop de toetsresultaten van de leerlingen vastgelegd kunnen worden. Tevens vindt u op deze bladen de adviesnorm bij de verschillende toetsopdrachten. Op basis van de score krijgt u ook een advies over de gewenste vervolgactiviteiten. Zo kunt u direct zien of de leerling herhalingstaken moet gaan uitvoeren en welke dat zijn, of dat hij plustaken kan gaan maken. In het laatste geval vindt u een verwijzing naar Taalmaker, het onderdeel van de methode waarin de plustaken zijn verzameld. De registratiebladen vindt u in het kopieerboek. Evaluatie op lange termijn Taal in beeld legt het accent op methodegebonden toetsen, waarmee uitspraken worden gedaan over de mate waarin leerlingen de doelen van de methode bereiken. Evaluatie op lange termijn staat meer in het teken van het taalniveau van een leerling in het algemeen of in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Hiervoor zijn toetsen nodig die voldoende betrouwbaar en gevalideerd zijn om een antwoord te geven op deze vraag. Dit overstijgt de mogelijkheden van de toetsing in een taalmethode. Wanneer u behoefte hebt aan een dergelijke evaluatie, dan adviseren we u gebruik te maken van toetsen die speciaal voor dit doel gemaakt zijn. Onder andere de Cito-groep in Arnhem brengt in het kader van haar leerlingvolg systeem een aantal geschikte toetsen op de markt. in -Taal- 6 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
8 algemene handleiding Taal in beeld in combinatiegroepen Individueel of samen zelfstandig leren Taal in beeld is een methode met veel mogelijkheden om zelfstandig te leren. Alleen in situaties waarin de lesdoelen niet bereikt kunnen worden zonder interactie, zoals bij een aantal lessen spreken/luisteren het geval is, adviseert de methode u bepaalde opdrachten op basis van samenwerkend leren (of klassikaal) te doen. Door de ruime mogelijkheden voor zelfstandig leren (individueel of samenwerkend), is Taal in beeld uitermate geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen of stamgroepen. De leerlingen kunnen leerkrachtonafhankelijk aan de opdrachten gaan werken en u kunt bepalen welke kinderen u op welk moment intensiever begeleidt. Op deze manier wordt voorkomen dat u het gevoel krijgt eigenlijk op meerdere plekken tegelijkertijd te moeten zijn. Doordat de lessen in Taal in beeld ook geschreven zijn voor zelfstandig leren, is dit niet meer het geval. Ook kinderen die zelfstandig aan het werk gaan, worden attent gemaakt op de doelstelling van de les, oriënteren zich op de lesstof, krijgen uitleg in de vorm van beschreven tekstblokken, maken de verwerkingsopdrachten en reflecteren op wat ze geleerd hebben. Doordat zij zich volledig zelf kunnen redden, kunt u zich meer richten op die kinderen die uw hulp het hardst nodig hebben, onafhankelijk van de jaargroep waarin ze zitten. Lessen omwisselen in het weekprogramma Mocht er echter toch een situatie ontstaan waarin u twee jaargroepen tegelijkertijd begeleiding wilt geven, bijvoorbeeld omdat beide groepen op hetzelfde moment een interactieve les spreken/ luisteren op het programma hebben staan, dan is het geen enkel probleem om lessen in het weekprogramma om te wisselen. Door een van de jaargroepen met een schrijfles aan de slag te laten gaan terwijl u zelf met de andere jaargroep de les spreken/luisteren doet, hebt u het probleem opgelost. Het weekprogramma kent geen gedwongen volgorde in de lessen. De materialen van Taal in beeld Het materialenoverzicht Het e2-gedeelte van Taal in beeld bestaat uit de volgende materialen. - Een taalboek e2, waarin de basislessen staan uitgewerkt. - Een werkboek e2, waarin een gedeelte van de opdrachten is uitgewerkt. - Een antwoordenboek e2, waarin de antwoorden op de opdrachten (uit taal- en werkboek) zijn te vinden. - Een handleiding e2, waarin het volledige lesprogramma voor de leerkracht is beschreven. Hierbij vindt u ook de activiteitenbeschrijvingen die horen bij de toets- en herhalingstaken. - Een kopieerboek e, waarin alle kopieerbladen opgenomen zijn. Het gaat hierbij om de toetstaak (inclusief registratiebladen) en de herhalingstaken per blok. - Woordkenner e, een herhalingstaak op het gebied van woordenschat, die ieder blok terugkomt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een kopieerblad en een spelbord dat de activiteit ondersteunt. - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Met dit programma kunnen kinderen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Naar dit gedeelte van het programma wordt verwezen bij de basislessen en de herhalingstaken van ieder blok. Naast de doelwoorden uit de basislessen bevat het programma een groot aantal nieuwe doelwoorden. Dit gedeelte van het programma kan ingezet worden als plustaak. - Taalmaker e, waarin plustaken zijn ondergebracht. Die bestaat uit een doos met kaarten, kopieerbladen en werkbladen. Wat wordt wanneer gebruikt? Een blok in Taal in beeld bestaat uit vier lesweken. Tijdens de eerste drie weken worden de basislessen aangeboden. Deze staan in het taalboek en het werkboek en worden toegelicht in de handleiding. Op de vijfde dag van iedere week is geen basisstof gepland. U kunt ervoor kiezen op deze dag geen taalles op het rooster te zetten, maar het is ook mogelijk om deze dag als uitloopmogelijkheid te gebruiken. Een derde optie is op die dag geen basisstof aan te bieden, maar de leerlingen te laten werken aan de plustaken. Aan het einde van week 3 of begin van week 4 is er een toetstaak. De kinderen die onvoldoende scoren op (onderdelen van) de toets, gaan vervolgens de bijbehorende herhalingstaken doen. In de handleiding en op het registratieblad (te vinden in het kopieerboek), wordt op basis van de score aangegeven welke herhalingstaken aan bod kunnen komen. De overige kinderen kunnen aan de slag gaan met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Zowel de herhalings- als de plustaken worden per blok toegelicht in de handleiding. De laatste dag van week 4 zijn er geen herhalingstaken. Alle kinderen kunnen dan eventueel aan de slag met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Het schema op de volgende pagina biedt een overzicht van de activiteiten per blok en de te gebruiken materialen. De leerstof in Taal in beeld Vier taaldomeinen Taal in beeld besteedt in elk leerjaar ruim aandacht aan de taaldomeinen woordenschat, spreken/luisteren, schrijven (stellen) en taalbeschouwing. Hiermee voldoet de methode ruimschoots aan de kerndoelen voor het basisonderwijs en de tussendoelen beginnende en gevorderde geletterdheid, voor zover van toepassing voor een taalmethode Voor het spellingonderwijs is er een bijbehorende uitgave beschikbaar onder de naam Spelling in beeld. Deze methode vormt een Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 7 in -Taal- d
9 hl algemene handleiding Week 1, 2 en 3 Week 4 Basisstof Lessen (taalboek en werkboek) Toetstaak (kopieerboek)* Herhalingstaken Plustaken Geen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen - Herhalingstaken (kopieerboek) - Leerspel Woordkenner - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/lezen *In e2 staat de toets gepland aan het eind van week 3. com plete spellingleergang die werkt volgens dezelfde principes als Taal in beeld. Tevens is er op tal van punten sprake van een afstemming tussen beide methodes. Meer informatie hierover vindt u op onze website, De leerstof van Taal in beeld is sterk gericht op het leren gebruiken van strategieën. De leerlingen leren hoe ze taal moeten gebruiken en welke mogelijkheden taal biedt, maar ook welke taalvaardigheden hen daarbij kunnen helpen. Hierbij gaat het om taalvaardigheden die voor, tijdens en na het communiceren gehanteerd worden. De leerlingen leren om, afhankelijk van de situatie waarin ze zich bevinden, een passende keuze te maken uit de taalvaardigheden die ze beheersen. Het kunnen bepalen welke vaardigheden nodig zijn en deze vervolgens op een juiste manier toepassen, vormt de kern van de strategische aanpak die de leerlingen zich met Taal in beeld eigen maken. Daardoor ontwikkelen ze taalcompetenties die hen in staat stellen om actief en bewust om te gaan met de taal en ermee te communiceren. Hieronder wordt in grote lijnen per taaldomein aangegeven welke leerstof in Taal in beeld aan de orde komt en hoe deze is opgebouwd. Een meer gedetailleerd overzicht van de leerlijnen vindt u op onze website, Woordenschat Het leerstofaanbod op het gebied van woordenschat is gericht op twee subdomeinen: de beheersing van woordenschatstrategieën en -vaardigheden en het verwerven van de betekenis van de doelwoorden. De woordenschatstrategieën en -vaardigheden In Taal in beeld komen twee soorten woordenschatstrategieën aan de orde: de eerste om de betekenis van woorden te kunnen achterhalen en de tweede om de woordbetekenis beter te kunnen onthouden. Ze worden aangeduid als respectievelijk een woordleerstrategie en een woordonthoudstrategie. De leerlingen beheersen de strategieën als ze uit de bijbehorende taalvaardigheden een adequate keuze kunnen maken en deze op de juiste manier kunnen toepassen. Hierbij gaat het enerzijds om woordleervaardigheden en anderzijds om woordonthoudvaardigheden. Deze vaardigheden komen elk leerjaar op hetzelfde moment terug. Het gaat daarbij om de volgende vaardigheden. Woordleervaardigheden - de woordbetekenis afleiden uit een plaatje - de woordbetekenis afleiden uit de tekst (of de context) - de woordbetekenis afleiden via woordanalyse - de woordbetekenis opzoeken - de woordbetekenis navragen Woordonthoudvaardigheden - de woordbetekenis onthouden door te associëren (bijvoorbeeld door een woordweb te maken) - de woordbetekenis onthouden door woorden te ordenen (bijvoorbeeld door het maken van een woordkast, woordparaplu, woordpad of woordpodium) - de woordbetekenis onthouden door woorden toe te passen (bijvoorbeeld door te tekenen, te schrijven of een presentatie te houden) De doelwoorden In de woordenschatlessen in het taalboek en het werkboek ligt het accent op het leren van woordenschatstrategieën en -vaardigheden. Deze worden aangeboden in de verschillende lesfasen (Op verkenning, Uitleg, Aan de slag, Terugkijken). In het verlengde hiervan komen ook doelwoorden aan bod in de lessen. Er is voor gekozen om tijdens de basislessen beperkt uitleg te geven over de betekenis van de doelwoorden. Het is bekend dat de verschillen tussen kinderen voor wat betreft hun woordenschat groot zijn. Het is daarom in onze opvatting niet gewenst alle leerlingen uitgebreid uitleg te geven over alle woordbetekenissen in alle situaties. De uitgebreide uitleg vindt dan ook pas plaats in de herhalingstaken, waardoor u als leerkracht zich kunt richten op de kinderen die onvoldoende woorden kenden. De eerste herhalingstaak is het leerspel Woordkenner. In dit spel komen de woorden aan de orde die de leerlingen nog niet beheersen. Ze leren de betekenis van de woorden kennen en beter onthouden door een aantal opdrachten dat terug te vinden is op het spelbord. Meer informatie over het leerspel vindt u in de toelichting in de speldoos. De tweede herhalingstaak is het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Hierin ligt het accent volledig op het beheersen van de doelwoorden. De wijze van aanbieden is gebaseerd op het bekende vierfasenmodel: introductie, semantisering (betekenis aanbrengen), consolideren (veelzijdig inoefenen) en evalueren. Wanneer de leerlingen in -Taal- 8 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
10 algemene handleiding aan de slag gaan met het computerprogramma, krijgen ze in eerste instantie de woorden aangeboden die ook in het taal- en werkboek aan de orde zijn geweest. Als ze die beheersen, krijgen ze nog een groot aantal nieuwe doelwoorden aangeboden. Het totaal aantal doelwoorden dat per blok aangeboden wordt, bedraagt 80. Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen vindt u in de toelichting die hoort bij dit softwarepakket en op De doelwoorden die aangeboden worden, vallen uiteen in drie categorieën: - woorden die nodig zijn voor algemeen dagelijks taalgebruik; - woorden die nodig zijn voor gebruik in en rond de school; - woorden die van belang zijn om te kunnen reflecteren op taal. Spreken/luisteren De leerstof in het domein spreken/luisteren is erop gericht de leerlingen adequate strategieën aan te leren om effectief te kunnen spreken en luisteren. Hierbij maakt Taal in beeld onderscheid tussen spreken, luisteren en het voeren van een gesprek. De onderdelen spreken en luisteren worden aangeboden in de vorm van eenrichtingsverkeer, waarbij zowel voor de spreker als voor de luisteraar specifieke strategieën aan bod komen. Bij het voeren van gesprekken gaat het om de gezamenlijke uitwisseling van gedachten over eenzelfde onderwerp. Om de leerlingen de spreek-, luister- en gespreksstrategieën aan te leren, komen in Taal in beeld, gekoppeld aan een achttal aandachtsgebieden, onder andere de volgende vaardigheden aan de orde: De voorbereiding het spreekdoel bepalen een woordweb gebruiken onderzoek doen in de bibliotheek of op internet vragen stellen De doelgroep praten met verschillende mensen op de luisteraar letten stap voor stap iets uitleggen de juiste mensen aanspreken Spreek/luister-situaties een inleiding geven verslag uitbrengen informatie geven een mening geven en argumenteren een betoog houden en een debat of discussie voeren een monoloog houden een verhaal of gedicht voorlezen, vertellen of voordragen een toneelstuk of een sketch spelen een mop vertellen Gesprekstechnieken bij het onderwerp blijven gedachten uitwisselen vragen stellen en doorvragen reageren op anderen conclusies trekken Het gebruik van beeldmateriaal uitleggen en vertellen met behulp van beeldmateriaal proefjes uitvoeren Lichaamstaal aandacht voor houding en gebaren aandacht voor stemgebruik en spreekpauzes aandacht voor het maken van oogcontact Woordgebruik moeilijke woorden, verwijswoorden en verbindingswoorden gebruiken een juiste woordkeuze maken De structuur van een gesprek informatie ordenen en rangschikken de juiste volgorde aanbrengen improvisatie het gesproken woord vastleggen Wanneer de leerlingen deze vaardigheden beheersen en in staat zijn om ze op het juiste moment te gebruiken, beschikken ze over adequate spreek-, luister- en gespreksstrategieën. Ze ontwikkelen zich op deze manier tot competente sprekers, luisteraars en gesprekspartners. Sprekershoek Vanaf groep 4 wordt in alle lessen spreken/luisteren een tip gegeven voor de Sprekershoek. Daarmee wordt een activiteit bedoeld waarbij de leerlingen in het openbaar leren spreken. De naam is ontleend aan Speaker s Corner, een plek in Hide Park in Londen waar ieder die dat wil zijn zegje mag doen. Voor de Sprekershoek in de klas geldt eveneens dat het de leerlingen vrij staat om hun zegje te doen. Gebruik de Sprekershoek dan ook om de leerlingen uit te dagen iets te vertellen over wat ze hebben geleerd, meegemaakt, ontdekt of wat ze ergens van vinden. Laat de andere kinderen reageren. Geef alle leerlingen de kans om van de Sprekershoek gebruik te maken, ook al is het nog zo kort. Het gaat hier niet om een spreekbeurt, maar om het leren speken in het openbaar. Om de Sprekershoek tot een uitnodigende activiteit te maken, kunt u voor in de klas een lessenaar zetten. Dat is de plek waar de kinderen op gezette tijden hun zegje mogen doen. Dat kan spontaan of voorbereid. Tijdens een discussie kunt u de Sprekershoek bijvoorbeeld gebruiken om enkele leerlingen om de beurt hun mening te laten geven. De Sprekershoek geeft dan iets meer cachet aan de zaak. De tips in de handleiding zijn bedoeld om de geleerde vaardigheden ook in de Sprekershoek toe te passen. Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 9 in -Taal- d
11 hl algemene handleiding Schrijven In het domein schrijven leren kinderen een adequate schrijfstrategie hanteren. Om de leerlingen de schrijfstrategie aan te leren, komen in Taal en beeld onder andere de volgende vaardigheden aan de orde. Ze zijn verdeeld over zes aandachtsgebieden: De voorbereiding het schrijfdoel en de doelgroep bepalen het onderwerp bepalen en informatie verzamelen onderzoek doen Tekstsoorten schrijven een verhaaltekst en monoloog schrijven een gedicht, toneelstuk, mop en sketch schrijven een weettekst, verslagtekst en meningtekst schrijven een ansichtkaart, brief en schrijven een doetekst, actietekst en omgevingstekst schrijven werkstukken, schema s, uittreksels en samenvattingen maken (samen) een tekst nalezen en reviseren Tekstonderdelen een titel bedenken een inleiding, conclusie, voorwoord en nawoord schrijven alinea s schrijven en tussenkopjes gebruiken de hoofdgedachte duidelijk maken Woordgebruik moeilijke woorden, verwijs- en verbindingswoorden gebruiken een passende woordkeuze maken Opbouw een tekst schrijven met een vergelijking een tekst schrijven met een opsomming een tekst schrijven met een oorzaak-gevolgrelatie een tekst schrijven met een probleem-oplossingrelatie Uiterlijk van de tekst een tekening maken bij een tekst beeldmateriaal verzamelen en bijschriften maken tekstdragers en lay-out bepalen een inhoudsopgave maken een omslag maken Als de leerlingen deze vaardigheden op het juiste moment en op de juiste wijze kunnen toepassen, beschikken ze over een adequate schrijfstrategie. Dit maakt hen tot competente schrijvers. Schrijfmap Vanaf groep 6 wordt in alle lessen schrijven een tip gegeven voor de Schrijfmap. De Schrijfmap is bedoeld om leerlingen een verzameling teksten aan te laten leggen, de zogenaamde portfolio. De Schrijfmap is in eerste instantie bedoeld als een leerlingoverzicht van de diverse teksten die de kinderen geschreven hebben. Maar u kunt de Schrijfmap ook gebruiken om regelmatig uit te laten voorlezen of de kinderen een tekst te laten kiezen voor bijvoorbeeld de schoolkrant. Ook kunt u tijdens de ouderavonden aan de hand van de Schrijfmap laten zien wat voor teksten de kinderen schrijven. Aan het einde van het jaar laat u de kinderen de Schrijfmap mee naar huis nemen of bewaren voor het volgend jaar. Als Schrijfmap kunt u een inlegmap gebruiken waarin de kinderen losse teksten bewaren. U kunt ook een ringband of een schrift gebruiken. Houd daarmee rekening als u de opdrachten laat maken die de kinderen moeten bewaren. Taalbeschouwing Het domein taalbeschouwing bestaat in Taal in beeld uit drie subdomeinen: woordbouw, zinsbouw en taalgebruik. Woordbouw Bij woordbouw leren de leerlingen de belangrijkste zaken met betrekking tot de functie, de bouw en de betekenis van woorden. Hierbij komen onder andere de volgende onderdelen aan de orde: het zelfstandig naamwoord in al zijn verschijningsvormen, waaronder de samenstelling, het meervoud en verkleinwoorden de werkwoorden en de verschijningsvormen en vervoegingen van het werkwoord, zoals de woordenboekvorm, de persoonsvorm en de deelwoorden de tijden tegenwoordige en verleden tijd functiewoorden zoals lidwoorden en voorzetsels verschillende voornaamwoorden zoals het persoonlijk, het bezittelijk en het aanwijzend voornaamwoord bijvoeglijke naamwoorden neologismen (nieuwe woordvorming) Zinsbouw Bij het onderdeel zinsbouw leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de functie, de bouw en de betekenis van zinnen. Hierbij komen onder andere aan de orde: diverse soorten zinnen zoals vertelzinnen, vraagzinnen, bevelzinnen, ontkenningen, enkelvoudige en samengestelde zinnen en de gebiedende wijs het gebruik van voegwoorden en vraagwoorden het verdelen van zinnen in zinsdelen zoals onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bepaling de interpunctie: het gebruik van hoofdletter, komma, punt, vraagteken en uitroepteken, dubbele punt, puntkomma en aanhalingstekens in -Taal- 10 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
12 algemene handleiding Taalgebruik Bij het onderdeel taalgebruik leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de bouw van teksten en het gebruik van taal. Hierbij wordt onder meer aandacht besteed aan de volgende verschijnselen: bondig en uitvoerig taalgebruik creatief en zakelijk taalgebruik letterlijk en figuurlijk taalgebruik formeel en informeel taalgebruik ouderwets en modern taalgebruik het verschil tussen thuistaal en schooltaal het gebruik van directe en indirecte rede oude taalvormen en zinnen vormen van taalgebruik via nieuwe media zoals en sms het gebruik van dialecten en andere taalvarianten zoals standaard- Nederlands en Vlaams taalgebruik van doven en blinden het gebruik van pictogrammen Een meer gedetailleerde leerstofopbouw van alle taalonder delen die in Taal in beeld aan bod komen, vindt u op de website Handleiding online Deze handleiding is bedoeld om u zo effectief en prettig mogelijk met Taal in beeld te laten werken. Om deze reden is er ook voor gekozen om dit algemene gedeelte van de handleiding zo compact mogelijk te houden. Mocht u behoefte hebben aan meer of meer gedetailleerde informatie over Taal in beeld, dan kunt u hiervoor terecht op de website Hier vindt u het online-gedeelte van de handleiding met aanvullende informatie. Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 11 in -Taal- d
13 blok 7 cultuur -Taalin Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
14 hl blok 7 cultuur les 1 woordenschat y Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door illustraties te maken of te zoeken. Ze leren tien nieuwe woorden. y Doelwoorden de bijnaam, de concurrentie, de energie, de lekkernij, de schakelaar, sympathiek, de tatoeage, de traditie, virtueel, de wielerkoers y Materialen/lesstof basisstof t e2, pagina 38 en 39 w e2, pagina 17 a e2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken y Voorbereiding Leg voor opdracht 7 en 8 kranten en tijdschriften klaar waar de kinderen plaatjes uit mogen knippen. Het is leuk als de leerlingen ook op internet kunnen zoeken naar afbeeldingen van woorden en die kunnen printen. Bij de extra opdracht hebben de kinderen ook kranten en tijdschriften nodig. Tips y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Roy en Silvie en letten op de illustraties. Ze schrijven op wat een tatoeage is en tekenen iemand met een tatoeage. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je woorden kunt onthouden met behulp van illustraties. Dat kunnen tekeningen, plaatjes of foto s zijn die je opzoekt of zelf maakt. Aan de slag De leerlingen lezen enkele woordbetekenissen. Ze kiezen er een uit en maken daar een illustratie van. Ze kiezen een ander woord en schrijven op wat voor foto ze daarbij zouden kiezen. Daarna kiezen ze weer een ander woord en tekenen daar een strip over. Terug in het taalboek lezen ze weer enkele woordbetekenissen en maken of zoeken bij elk woord een illustratie. Terugkijken Ter evaluatie bedenken de leerlingen een bijnaam voor zichzelf. Ze maken of zoeken een illustratie waardoor ze het woord kunnen onthouden. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Laat de leerlingen ook in andere lessen illustraties maken of zoeken bij woorden die ze moeilijk vinden. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Wellicht is het nodig om tussendoor (of van te voren) te controleren of de kinderen de gegeven woordbetekenissen begrijpen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 4 kunnen de leerlingen proberen te herkennen welk woord de ander heeft getekend. Bij opdracht 5 kunnen de leerlingen proberen een tekening te maken volgens de illustratieomschrijving van de ander. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij de Uitleg kunt u de boeken, kranten en tijdschriften laten zien die u hebt meegebracht. Bij opdracht 7 kunt u de woorden verdelen over de leerlingen. U kunt alle tekeningen en foto s per woord op een tafel verzamelen of op een groot vel papier plakken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen een illustratie bij een woord kunnen maken of zoeken. Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 43 in -Taal- d
15 hl blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren een spreekbeurt voorbereiden. De leerlingen leren een plan van aanpak maken voor een spreekbeurt. y Materialen/lesstof basisstof t e2, pagina 40 en 41 w e2, pagina 18 a e2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken y Voorbereiding In deze les denken de leerlingen na over beelden geluidsmateriaal bij een spreekbeurt. Geef vooraf duidelijk aan wat de (on)mogelijkheden zijn. Er zal bijvoorbeeld niet altijd apparatuur beschikbaar zijn om een filmpje te laten zien of om muziek te laten horen. Tips Op verkenning De leerlingen bekijken een illustratie van Erik die zich voorbereidt op een spreekbeurt over muziek. Ze noteren hoe hij dat doet. Ze schrijven ook een onderwerp op dat met muziek te maken heeft en waarover ze zelf een spreekbeurt zouden willen houden. En welk beeldof geluidsmateriaal ze daarbij zouden willen gebruiken. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je in een spreekbeurt informatie geeft over een onderwerp. Je vertelt, maar je laat ook dingen zien. De stappen die je neemt ter voorbereiding op je spreekbeurt worden toegelicht met een strip. Aan de slag De leerlingen kiezen twee onderwerpen voor een spreekbeurt en schrijven op waarom ze deze onderwerpen kiezen. Daarna schrijven leerlingen bij onderwerp 1 iets op wat ze al weten en iets wat ze nog willen weten. Ze bedenken twee vragen voor een interview over onderwerp 2. Ten slotte geven de leerlingen aan welk materiaal ze bij hun beide spreekbeurten willen gebruiken. Terug in het taalboek kiezen de leerlingen een van de twee onderwerpen uit en maken hiervoor een plan van aanpak. Terugkijken Ter evaluatie schrijven leerlingen op wat ze het leukste onderdeel vinden van de voorbereiding van een spreekbeurt en waarom. In les 6 gaan de kinderen verder met het voorbereiden van een spreekbeurt. Ze kunnen dan een nieuw onderwerp kiezen, maar u kunt ze ook het onderwerp uit deze les verder laten uitwerken. Laat ze in dat geval hun plan van aanpak uit opdracht 8 goed bewaren. Bereid ze er vast op voor dat ze dit weer nodig hebben in les 6. U kunt ervoor kiezen les 2 en 6 aaneengesloten te geven. Sprekershoek Laat leerlingen in de sprekershoek het interview houden van de extra opdracht. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4 kunt u klassikaal twee onderwerpen kiezen en deze in opdracht 5 t/m 8 uitwerken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag gaan. y Observatiepunten Controleer of leerlingen een spreekbeurt kunnen voorbereiden en een plan van aanpak kunnen maken. in -Taal- 44 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
16 hl blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing y Lesactiviteiten Op verkenning Bij opdracht 1 zien de leerlingen het verschil tussen de tegenwoordige en de verleden tijd. Bij opdracht 2 zien ze wat de voltooide tijd is. Bij opdracht 3 zien ze wat de toekomende tijd is. Uitleg Uitgelegd wordt dat alles wat gebeurd is de verleden tijd is. In plaats van de verleden tijd kun je ook de voltooid (tegenwoordige) tijd gebruiken. De voltooide tijd maak je met behulp van hebben of zijn. Daarna wordt uitgelegd wat de toekomende tijd is. De toekomende tijd maak je met behulp van het werkwoord zullen. y Doelen De leerlingen leren dat zinnen in verschillende tijden kunnen staan. y Materialen/lesstof basisstof t e2, pagina 42 en 43 w e2, pagina 19 a e2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Aan de slag Bij opdracht 4 vullen de leerlingen een aantal verleden tijdsvormen in. Bij opdracht 5 en 6 onderstrepen ze de persoonsvorm in enkele zinnen en geven ze aan in welke tijd deze zinnen staan. Bij opdracht 7 vullen de leerlingen een aantal persoonsvormen in de tegenwoordige tijd in. Terug in het taalboek zetten de leerlingen een aantal zinnen die in de tegenwoordige tijd staan om naar de toekomende tijd. Terugkijken De leerlingen geven ter evaluatie aan welke tijden waarin werkwoorden kunnen staan ze goed beheersen en met welke ze nog moeite hebben. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Ze kunnen elkaars antwoorden controleren en als deze van elkaar verschillen over het goede antwoord discussiëren. Tips In het verlengde van deze les kunt u op een later moment de volgende activiteit doen. Schrijf ongeveer vijftien zinnen in verschillende tijden op het bord. Schrijf er de volgende woorden onder: a. verleden tijd, b. tegenwoordige tijd, c. voltooide tijd, d. toekomende tijd. Laat de leerlingen de nummers van de zinnen op een blaadje zetten met daarachter de letter van de tijd die erbij hoort. Maak er een wedstrijdje van. Wie heeft de meeste goed? U kunt bij deze opdracht de leerlingen het beste in tweetallen laten werken. Ze kunnen dan overleggen om welke tijd het gaat. Dit overleg kan voor zwakkere leerlingen erg verhelderend zijn. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan is er de volgende aanvullende mogelijkheid. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag gaan. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 45 in -Taal- d
17 hl blok 7 cultuur les 4 schrijven y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen zien welke mogelijkheden Juliëtte heeft voor de opbouw van haar tekst en schrijven die op. Ook schrijven ze op welke opbouw Juliëtte uiteindelijk kiest. Bovendien noteren ze welke opbouw zij zelf zouden kiezen voor een tekst over het theater. y Doelen De leerlingen leren welke soorten opbouw je voor een tekst kunt kiezen. De leerlingen leren een plan van aanpak maken. y Materialen/lesstof basisstof t e2, pagina 44 en 45 w e2, pagina 20 a e2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat elke tekst een bepaalde opbouw heeft: vergelijking, opsomming, oorzaak en gevolg of probleem en oplossing. De opbouw kun je vaak herkennen aan bepaalde woorden, die signaalwoorden worden genoemd. Voordat je een tekst gaat schrijven, maak je een plan van aanpak. Aan de slag De leerlingen kiezen een onderwerp om een tekst over te schrijven. Ze denken na over de verschillende mogelijkheden voor de opbouw van hun tekst en maken hiervoor aantekeningen. Tot slot kiezen ze één opbouw uit voor hun tekst. Terug in het taalboek maken ze het plan van aanpak voor het onderwerp en de tekstopbouw die ze hebben gekozen. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op of het is gelukt om een plan van aanpak te maken. Ook geven ze aan of ze denken dat het goed genoeg is om een volledige tekst mee te schrijven. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. In het werkboek wordt de leerlingen aangeraden hun antwoorden met potlood in te vullen, na afloop te bespreken met hun buur en indien gewenst te verbeteren. Dit kunt u achterwege laten. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 6 kunt u klassikaal voor een van de onderwerpen de vragen beantwoorden. Tips In les 8 gaan de kinderen verder met het voorbereiden en schrijven van een tekst. Ze kunnen dan een nieuw onderwerp kiezen, maar u kunt ze ook het onderwerp uit deze les verder laten uitwerken. Laat ze in dat geval hun plan van aanpak goed bewaren. Bereid ze er vast op voor dat ze dit weer nodig hebben in les 8. U kunt ervoor kiezen les 4 en 8 aaneengesloten te geven. Schrijfmap Laat leerlingen de aantekeningen van opdracht 8 bewaren in hun schrijfmap. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen een opbouw voor een tekst kunnen kiezen en of ze een plan van aanpak kunnen maken. Aantekeningen in -Taal- 46 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
18 hl blok 7 cultuur les 5 woordenschat y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door ze te gebruiken in een tekst. Ze leren de betekenis van tien nieuwe woorden. y Doelwoorden de abonnee, de bewering, improviseren, irritant, de locatie, (iemand) sparen, het taboe, de toestemming, voortreffelijk, uitschakelen y Materialen/lesstof basisstof t e2, pagina 46 en 47 w e2, pagina 21 a e2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Sanne, Rein en Roy. Ze letten op het gekleurde woord en schrijven op wat het betekent. Ze proberen de betekenis af te leiden uit de tekst. Daarna geven ze een voorbeeld van een taboe bij hen thuis. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat je woorden kunt onthouden door ze gebruiken in een tekst. Je kunt het woord uitleggen in de tekst, een voorbeeld geven of het duidelijk maken in de context. Aan de slag De leerlingen lezen enkele woordbetekenissen, kiezen een woord uit en schrijven op wat ze erover weten. Ze kiezen een ander woord en schrijven een kort verhaal (of een stuk van een verhaal) waarin ze dat woord gebruiken. Ze onderstrepen het woord en maken een tekening bij het verhaal. Ze kiezen weer een ander woord en geven daar drie voorbeelden van. Terug in het taalboek schrijven ze een tekst over een kind dat improviseert. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op of ze vinden dat ze de betekenis van een woord beter kunnen onthouden door het te gebruiken in een tekst. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Laat de leerlingen de komende week ook in andere lessen korte teksten schrijven waarin ze lastige begrippen verwerken. Het doel hiervan is dat ze daardoor de woorden beter onthouden. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Wellicht is het nodig om te controleren of alle leerlingen de uitleg van de woorden begrijpen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 5, 6 en 7 kunnen de leerlingen ieder een ander woord kiezen of juist samen hetzelfde woord. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Opdracht 5 kunt u mondeling bespreken: laat de leerlingen om de beurt zeggen wat ze over een woord weten. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen de doelwoorden in een tekst kunnen gebruiken. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 47 in -Taal- d
19 hl blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren y Doelen De leerlingen leren informatie vastleggen in een schema of een inhoudsopgave. De leerlingen leren hierbij hun plan van aanpak te gebruiken. y Materialen/lesstof basisstof t e2, pagina 48 en 49 w e2, pagina 22 a e2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken y Voorbereiding U kunt ervoor kiezen de leerlingen in deze les hun plan van aanpak uit les 2 te laten uitwerken. Laat hen dit er dan vast bij pakken en nog eens doornemen. In deze les denken de leerlingen na over beelden geluidsmateriaal bij hun spreekbeurt. Geef vooraf duidelijk aan wat de (on)mogelijkheden zijn. Er zal bijvoorbeeld niet altijd apparatuur beschikbaar zijn om een filmpje te laten zien of om muziek te laten horen. Tips y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen letten op wat Erik doet nadat hij voor zijn spreekbeurt een onderwerp heeft gekozen en informatie heeft verzameld en schrijven dat op. Bovendien schrijven ze op wat Erik nog op zijn inhoudsopgave moet zetten en welk beeld- of geluidsmateriaal hij daarbij kan gebruiken. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd waar je bij de voorbereiding van een spreekbeurt allemaal aan moet denken. Het is handig om een soort inhoudsopgave van je spreekbeurt te maken, die je tijdens het spreken als spiekbrief kunt gebruiken. Dit kan ook een schema zijn. Er staat kort in waarover je vertelt en wat je moet doen of laten zien. Aan de slag De leerlingen kiezen een onderwerp voor een spreekbeurt (dit mag ook het onderwerp van les 2 zijn). Ze bedenken twee dingen die ze over het onderwerp zouden vertellen. Ze schrijven ook op wat voor materiaal ze zouden laten zien en laten horen. Als ze verder nog iets moeten regelen, schrijven ze dat ook op. Tot slot bedenken ze iets wat ze op het bord kunnen laten zien. Terug in het taalboek maken ze een schema of inhoudsopgave voor hun spreekbeurt, waarin ze alle belangrijke informatie overzichtelijk noteren. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op wat ze liever gebruiken en waarom: een schema of een inhoudsopgave. U kunt ervoor kiezen les 2 en 6 aaneengesloten te geven. Sprekershoek Laat leerlingen in de sprekershoek de quiz doen die ze in de extra opdracht hebben bedacht voor het eind van hun spreekbeurt y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 4 t/m 7 kunt u leerlingen eerst individueel de opdrachten laten maken en ze daarna klassikaal bespreken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen informatie kunnen vastleggen in een schema of een inhoudsopgave. in -Taal- 48 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
20 hl blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing y Lesactiviteiten y Doelen De leerlingen leren dat mensen soms iets anders zeggen dan wat ze bedoelen of denken. Ze leren de begrippen ironie en sarcasme. y Materialen/lesstof basisstof t e2, pagina 50 en 51 w e2, pagina 23 a e2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning Bij opdracht 1 zien de leerlingen dat je spottende opmerkingen kunt maken door het tegenovergestelde te zeggen. Bij opdracht 2 zien de leerlingen dat deze spottende opmerkingen ook kwetsend kunnen zijn. bij opdracht 3 zien de leerlingen dat je vragen kunt stellen waarop je geen antwoord verwacht, maar waarmee je eigenlijk iets anders wilt zeggen (retorische vragen). Bij opdracht 4 zien de leerlingen dat sommige mensen soms om hun gevoelens niet bloot te geven iets anders zeggen dan wat ze denken. Uitleg Uitgelegd wordt dat we soms het tegenovergestelde zeggen van wat we vinden. Meestal gebeurt dit spottend. Bij goedmoedige spot spreken we van ironie, bij spottende opmerkingen die kwetsend kunnen zijn spreken we van sarcasme. Ook wordt uitgelegd dat mensen om hun gevoelens te verbergen soms iets anders zeggen dan wat ze denken. Bijvoorbeeld omdat ze zich schamen of omdat ze iemand niet willen kwetsen. Aan de slag Bij opdracht 5 schrijven de leerlingen bij een aantal ironische uitspraken op wat er eigenlijk wordt bedoeld. Bij opdracht 6 schrijven de leerlingen van een aantal zinnen op of ze ironisch of sarcastisch zijn. Terug in het taalboek bedenken ze zelf een ironische beschrijving van iemand die er een beetje raar uitziet. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de kinderen twee voorbeelden van ironische opmerkingen op die ze zelf weleens maken. Op een later moment kunt u in het verlengde van de les de volgende activiteit doen. Laat een kind het schoolgebouw op een ironische manier beschrijven. Alles wat er minder mooi is aan het gebouw en het plein wordt juist op een heel positieve manier beschreven. Laat daarna op een ironische manier uw woonplaats beschrijven. Ook het weer kan op een ironische manier beschreven worden. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Het verschil tussen ironie en sarcasme is niet altijd even duidelijk en ook enigszins subjectief: wat voor de een een onschuldig grapje is, kan door een ander als kwetsend worden ervaren. Het is goed om te controleren of alle kinderen het verschil snappen. Ook kan het nuttig zijn om opdracht 6 (na afloop) met de kinderen door te nemen. Begrijpen ze waarom de ene opmerking ironisch is en de andere sarcasttisch? Zouden ze zelf zo n opmerking tegen iemand maken? Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 5 en 6 kunnen de leerlingen discussiëren over de bedoeling achter de opmerkingen en aangeven wat ze wel of niet kwetsend vinden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 6 kunt u met de kinderen discussiëren over het verschil tussen ironie en sarcasme. Zie ook de opmerking onder het kopje individueel leren. Hebben alle kinderen hetzelfde aangekruist? Kunnen ze aangeven waarom ze iets wel of niet kwetsend vinden? U kunt enkele kinderen hun beschrijving van opdracht 7 laten voorlezen. Wordt deze door alle kinderen als grappig ervaren? Of zijn er kinderen die het gemeen vinden? Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag gaan. Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 49 in -Taal- d
21 hl blok 7 cultuur les 8 schrijven y Doelen De leerlingen leren een tekst met een opbouw schrijven. De leerlingen leren hierbij hun plan van aanpak te gebruiken. y Materialen/lesstof basisstof t e2, pagina 52 en 53 w e2, pagina 24 a e2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken y Voorbereiding Het is de bedoeling dat de leerlingen in deze les hun plan van aanpak uit les 4 uitwerken. Laat hen dit er vast bij pakken en nog eens doornemen. U kunt er ook voor kiezen de leerlingen met een nieuw onderwerp te laten beginnen. In dat geval moeten ze opdracht 6 en 7 van les 4 nogmaals maken ter voorbereiding op hun tekst. Als ze deze al ingevuld hebben in het werkboek, kunnen ze dit op een blaadje doen of in hun schrift. Zorg van tevoren dat de werkwijze voor iedereen duidelijk is. Tips y Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen de tekst van Juliëtte uit les 4. Ze schrijven op welke opbouw ze voor haar tekst heeft gekozen en noteren welke signaalwoorden ze heeft gebruikt. Tot slot geven ze aan of ze de opbouw duidelijk of onduidelijk vinden en waarom. Uitleg De leerlingen wordt uitgelegd dat elke tekst een bepaalde opbouw heeft: vergelijking, opsomming, oorzaak en gevolg of probleem en oplossing. De opbouw kun je vaak herkennen aan signaalwoorden. Voordat je een tekst gaat schrijven, maak je een plan van aanpak. Daarna schrijf je de tekst met een titel, een inleiding, alinea s en een slot. Aan de slag De leerlingen schrijven het onderwerp dat ze in les 4 hebben gekozen nog eens op. Ze mogen ook een nieuw onderwerp kiezen. In het laatste geval moeten ze opdracht 6 en 7 van les 4 nogmaals maken (dit kan zo nodig op een blaadje of in het schrift). Daarna maken ze een plan van aanpak of stellen hun plan van aanpak uit les 4 bij. Terug in het taalboek schrijven de leerlingen aan de hand van hun plan van aanpak een tekst met een titel, een inleiding, alinea s en een slot. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op hoe ze vinden dat het schrijven van de tekst ging en wat ze een volgende keer anders zouden doen. U kunt ervoor kiezen les 4 en 8 aaneengesloten te geven. Schrijfmap Laat leerlingen de tekst van opdracht 7 in hun schrijfmap bewaren. y Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. In het werkboek wordt de leerlingen aangeraden hun antwoorden met potlood in te vullen, na afloop te bespreken met hun buur en indien gewenst te verbeteren. Dit kunt u achterwege laten. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen individueel een tekst schrijven en die na afloop samen bespreken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. U kunt samen één onderwerp kiezen en de opdrachten klassikaal uitwerken. Daarna kunnen de leerlingen de volledige tekst individueel schrijven. De resultaten worden klassikaal besproken. Uiteraard hebt u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag gaan. y Observatiepunten Controleer of de leerlingen aan de hand van een plan van aanpak een tekst kunnen schrijven met een opbouw. in -Taal- 50 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
22 hl blok 7 cultuur toetstaak y Toetsactiviteiten y Doel Deze toetstaak meet of de leerlingen kernonderdelen van de in blok 7 aangeboden leerstof beheersen. y Materialen basisstof k e, blok 7, blad 1 en 2: toetstaak k e, blok 7, blad 3: registratieblad extra stof Taalmaker y Voorbereiding Kopieer voor alle leerlingen de toetstaak (kopieerblad 1 en 2 van blok 7). Kopieer voor uzelf het registratieblad (kopieerblad 3 van blok 7). Zorg ervoor dat de kinderen de toets individueel en zelfstandig maken. Het is belangrijk dat ze ongestoord kunnen werken. 1 Onderdeel: spreken/luisteren Doel: De leerlingen kunnen een spreekbeurt voorbereiden. Ze kunnen een plan van aanpak maken voor een spreekbeurt. Activiteit: De leerlingen maken aan de hand van een gegeven woordweb en woordpodium een plan van aanpak voor een spreekbeurt. 2 Onderdeel: spreken/luisteren Doel: De leerlingen kunnen informatie vastleggen in een schema of een inhoudsopgave. Activiteit: De leerlingen ordenen de gegeven informatie ine een schema of een inhoudsopgave, die als spiekbrief kan dienen bij een spreekbeurt. 3 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen weten wat de tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende tijd is. Activiteit: De leerlingen omcirkelen van enkele gegeven zinnen in welke tijd deze staan. 4 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen weten dat mensen soms iets anders zeggen dan wat ze bedoelen of denken. Ze weten wat ironie en sarcasme zijn. Activiteit: De leerlingen lezen drie situaties waarin iemand een ironische opmerking maakt. Ze schrijven op wat de spreker bedoelt. 5 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen kunnen woorden onthouden door illustraties te maken of te zoeken. Ze kennen enkele nieuwe woorden. Activiteit: De leerlingen maken een tekening bij enkele zinnen waarin een moeilijk woord staat. 6 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen kunnen woorden onthouden door ze te gebruiken in een tekst. Ze kennen enkele nieuwe woorden. Activiteit: De leerlingen lezen enkele moeilijke woorden en maken met elk een zin. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 51 in -Taal- d
23 hl blok 7 cultuur toetstaak y Organisatie De leerlingen maken de toetstaak individueel en zelfstandig. Het is wel aan te raden om een korte taakinstructie te geven en na te gaan of de leerlingen de opdrachten snappen. Er is geen tijdslimiet voor het afronden van de toetstaak. De kinderen die klaar zijn met de toetstaak kunnen aan de slag met plustaken uit Taalmaker. y Signalering en differentiatie Na het afronden van de toetstaak kunt u zelf de resultaten bekijken en registreren op het registratieblad van blok 7. De toetsvragen 1 t/m 4 resulteren in een aparte score. Bij opdracht 5 en 6 wordt het aantal items bij elkaar opgeteld en wordt een gezamenlijke score berekend. Op basis van de adviesnorm kunt u bepalen of het kind de komende lesmomenten aan de slag moet met herhalingslessen of verder kan gaan met plustaken. De adviesnorm staat vermeld op het registratieblad. De herhalingstaken zijn bedoeld voor leerlingen die in onvoldoende mate de doelen van dit blok bereikt hebben. In de herhalingslessen krijgen zij verlengde instructie en begeleide verwerking, waardoor ze alsnog het gewenste beheersingsniveau kunnen bereiken. In principe zijn de vervolgsuggesties bedoeld voor de lesmomenten die op de toetstaak volgen. Daarnaast is het raadzaam kinderen die onvoldoende scoren meer begeleiding te geven tijdens de basislessen van de komende blokken. U kunt dit doen door (gedeelten van) de lessen voor deze kinderen begeleid aan te bieden. Antwoorden 1 Ter beoordeling van de leerkracht. Bijvoorbeeld: onderwerp: het Mauritshuis presentatievorm: spreekbeurt doelgroep: klasgenoten inhoud: 1. Wat is er allemaal in het Mauritshuis te zien? 2. Mijn favoriete schilderijen. 3. Andere schilderijen van Johannes Vermeer. beeld- of geluidsmateriaal: ansichtkaart, boek 2 Ter beoordeling van de leerkracht. Bijvoorbeeld: Vervoer in New York: - metro (plattegrond) - taxi (foto chauffeur) - te voet 3 toe, vol, ver, teg, teg 4 Bob bedoelt: Wat ben jij een bangerik. De meester bedoelt: Je bent helemaal niet leuk, je bent vervelend. Vader bedoelt: Je moet ophouden met dat getreiter. 5 Ter beoordeling van de leerkracht. 6 Ter beoordeling van de leerkracht. Aantekeningen in -Taal- 52 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
24 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Activiteiten Op basis van de toetsresultaten gaan kinderen de komende lessen aan de slag met herhalingstaken en/of plustaken. De leerlingen die onvoldoende scoorden op onderdelen van de toetstaak, gaan herhalingstaken maken. De leerlingen die dit niet nodig hebben, gaan zelfstandig aan de slag met de plustaken. De adviesnorm die hoort bij de toetsopdrachten, vindt u op het registratieformulier bij de toetstaak. De onderstaande voortgangsplanner helpt u de vervolgactiviteiten te bepalen. Voortgangsplanner week 4 blok 7 Toetsopdrachten Resultaat Vervolgactiviteit Opdracht 1 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 1 Opdracht 2 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 2 Opdracht 3 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 3 Opdracht 4 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 4 Opdracht 5 en 6 -> Onvoldoende Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en/of 6 -> (Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld, herhaling doelwoorden uit blok) Alle toetsopdrachten -> Voldoende of goed -> Plustaken Taalmaker -> Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld (extra doelwoorden) Herhalingstaken De herhalingstaken kunnen remediërend ingezet worden en bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De kinderen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij, op onderdelen, te begeleiden. Door gerichte mondelinge interactie is de kans groter dat ze de doelen van het blok alsnog bereiken. Herhalingstaak 1: spreken/luisteren Doel De leerlingen kunnen een spreekbeurt voorbereiden. Ze kunnen een plan van aanpak maken voor een spreekbeurt. Materialen Kopieerblad 4 van blok 7: herhalingstaak 1 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 4 van blok 7 (herhalingstaak 1) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 1. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u refereren aan spreekbeurten die de leerlingen weleens gehouden hebben. Vraag vooral naar de manier waarop ze zich voorbereid hebben. Hoe kwamen ze tot de keuze van hun onderwerp? Hebben ze van tevoren nagedacht over de manier waarop ze hun spreekbeurt presenteerden? Hebben ze rekening gehouden met de doelgroep? Welk materiaal hebben ze laten zien of laten horen? Aan de slag De leerlingen bereiden een spreekbeurt voor over een museum. Dit mag een museum zijn waar ze een keer zijn geweest, of een fantasiemuseum dat ze zelf bedenken. Ze maken een woordweb en ordenen de informatie. Als ze dat kunnen mogen ze dat in hun hoofd doen, anders maken ze een woordpad, woordpodium, woordkast of woordparaplu op een blaadje (of op de achterkant van het kopieerblad). Daarna vullen ze een plan van aanpak in. Antwoorden kopieerblad 4 1 en 2 Ter beoordeling van de leerkracht. Herhalingstaak 2: spreken/luisteren Doel De leerlingen kunnen informatie vastleggen in een schema of een inhoudsopgave. Materialen Kopieerblad 5 van blok 7: herhalingstaak 2 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 5 van blok 7 (herhalingstaak 2) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 2. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan de opdracht beginnen, kunt u samen met hen een woordweb over uw eigen woonplaats op het bord maken. U laat de leerlingen de items noemen en informatie hierover geven. Waar nodig vult u die informatie aan. Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 53 in -Taal- d
25 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Aan de slag De leerlingen bereiden een spreekbeurt voor over hun woonplaats. Ze maken een woordweb en ordenen de informatie. Als ze dat kunnen mogen ze dat in hun hoofd doen, anders maken ze een woordpad, woordpodium, woordkast of woordparaplu op een blaadje (of op de achterkant van het kopieerblad). Vervolgens maken ze een spiekbrief voor bij hun spreekbeurt in de vorm van een schema of een inhoudsopgave. Antwoorden kopieerblad 5 1 en 2 Ter beoordeling van de leerkracht. Antwoorden kopieerblad 6 1 voltooide tijd, voltooide tijd, verleden tijd, verleden tijd, verleden tijd, voltooide tijd, tegenwoordige tijd, toekomende tijd, toekomende tijd, tegenwoordige tijd 2 Ik zal naar Spanje gaan. Jonah zal het nooit meer doen. Mitchel zal het even uitleggen. Papa heeft bij een bank gewerkt. De kip heeft een ei gelegd. Dirkje is van haar fiets gevallen. Herhalingstaak 3: taalbeschouwing Doel De leerlingen weten wat de tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende tijd is. Materialen Kopieerblad 6 van blok 7: herhalingstaak 3 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 6 van blok 7 (herhalingstaak 3) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 3. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u deze zinnen op het bord schrijven: Ik ga naar huis. Ik ging naar huis. Ik ben naar huis gegaan. Ik zal naar huis gaan. U legt aan de hand van de uitleg op het kopieerblad uit in welke tijd deze zinnen staan. U maakt duidelijk dat er weinig of geen betekenisverschil is tussen de verleden en de voltooid tegenwoordige tijd. U wijst erop dat je bij de voltooide tijd altijd een vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn gebruikt en dat in de toekomende tijd altijd een vorm van het hulpwerkwoord zullen staat. Aan de slag De leerlingen lezen een aantal zinnen en kruisen aan in welke tijd ze staan. Ze zetten drie zinnen om van de tegenwoordige naar de toekomende tijd en drie zinnen van de verleden naar de voltooide tijd. Herhalingstaak 4: taalbeschouwing Doel De leerlingen weten dat mensen soms iets anders zeggen dan wat ze bedoelen of denken. Ze weten wat ironie en sarcasme zijn. Materialen Kopieerblad 7 van blok 7: herhalingstaak 4 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 7 van blok 7 (herhalingstaak 4) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 4. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u een voorbeeld van een ironisch bedoelde zin geven: Je zult wel moe zijn van al dat harde werken! (tegen iemand de de hele dag heeft zitten niksen). Leg uit dat hier het tegenovergestelde gezegd wordt van wat de spreker bedoelt. Aan de slag De leerlingen lezen een aantal situaties met uitspraken en geven aan of deze wel of niet ironisch zijn bedoeld. Ze bedenken zelf voor een aantal gegeven situaties een ironische opmerking. Antwoorden kopieerblad 7 1 wel ironisch, niet ironisch, wel ironisch, niet ironisch, wel ironisch, wel ironisch. 2 Ter beoordeling van de leerkracht. Bijvoorbeeld: Ga vooral zo door! Wat ben jij vrolijk vandaag. Ben je de eendjes aan het voeren? in -Taal- 54 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
26 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Herhalingstaak 5: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 7. Materialen Woordkenner (leerspel) Voorbereiding Leg de stukken van het spelbord op de juiste manier tegen elkaar aan zodat het één geheel wordt. Op basis van de resultaten op het onderdeel woordenschat van de toetstaak (zie het registratieblad bij de toetstaak) formeert u een groepje met leerlingen die onvoldoende scoorden. U selecteert op basis van de resultaten op de toetstaak ook de doelwoorden die u met het groepje kinderen nog extra wilt gaan oefenen. U kunt hierbij gebruikmaken van het doelwoordenoverzicht (zie pagina 56 en de toelichting bij Woordkenner). U doet dit door deze woorden op de blanco woordkaartjes te schrijven. Voorkom dat het aantal nog te oefenen doelwoorden te groot wordt. De kwaliteit van de oefening gaat boven de hoeveelheid woorden die aan bod komt. Vier tot acht woorden is een geschikt aantal om mee aan de slag te gaan. Werkwijze In principe is deze herhalingstaak een begeleide activiteit waarbij u samen met de leerlingen die de woorden van dit blok nog niet beheersen, de betekenis van de woorden gaat bespreken en activiteiten gaat doen opdat ze deze beter kunnen onthouden. U maakt hierbij gebruik van het leerspel Woordkenner. Indien noodzakelijk kunnen de leerlingen, als ze eenmaal vertrouwd zijn met de werkvorm, de activiteit ook zelfstandig uitvoeren. Wanneer de groep leerlingen met wie u de activiteiten uit wilt voeren te groot is, kunt u er ook voor kiezen het spelbord deze keer niet te gebruiken en de te oefenen doelwoorden op het bord te schrijven. In dat geval kunnen de leerlingen toch gebruikmaken van het kopieerblad uit Woordkenner. U groepeert de leerlingen rondom het spelbord. U legt het stapeltje beschreven woordkaartjes boven het spelbord. Vervolgens pakt u het eerste woordkaartje, voorziet het van de steuntjes zodat het rechtop kan staan en plaatst het geheel in het startvak. Indien u bepaalde woorden in een context wilt aanbieden, kunt u daarvoor het beschrijfbare hulpkaartje gebruiken. Nadat de startopdracht (opdracht 1) is gedaan, wordt het kaartje verplaatst naar de volgende stop. Hier wordt opdracht 2 gedaan, waarna de tocht naar de derde stop plaatsvindt. Zo gaat de reis verder. Bij iedere stop doen de leerlingen een activiteit met het woord. De activiteiten leiden ertoe dat de kinderen het doelwoord gaan kennen én de woordleer- en woordonthoudvaardigheden die ze in de lessen hebben geleerd, toepassen. De leerlingen voeren de activiteiten uit op het kopieerblad. Als de tocht ten einde is, wordt het woord nog eens gecontroleerd en vervolgens wordt het kaartje naast het spelbord gelegd. Vanaf het startpunt vertrekt het volgende woord. Hiermee voeren de leerlingen dezelfde activiteiten uit. Het spel is afgelopen op het moment dat alle woorden aan de orde zijn gekomen. Het werken met Woordkenner levert een belangrijke bijdrage aan de vergroting van de woordenschat van de leerlingen. U moet zich daarbij wel realiseren dat het belangrijk is de woorden gedurende de week een aantal keren te herhalen, zodat de kinderen zich de betekenis blijvend eigen maken. Hierbij kan ook her halingstaak 6 een belangrijke rol spelen, waarbij kinderen de woorden oefenen met een computerprogramma. Meer informatie over Woordkenner vindt u in de toelichting in de speldoos. Herhalingstaak 6: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 7. De leerlingen oefenen de extra woorden van blok 7. Materialen Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Werkwijze Met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen kunnen de leerlingen de doelwoorden die ze nog niet kennen, verder oefenen. Het programma bevat tachtig doelwoorden per blok. In eerste instantie gaan de leerlingen aan de slag met de doelwoorden die ook in de taallessen aan de orde zijn geweest. Ze maken een ordening in woorden die ze kennen, en woorden die ze nog niet kennen. Met de laatste gaan ze intensief oefenen, waarbij tussendoor ook gecheckt wordt of ze de woorden die ze zeggen te kennen, ook inderdaad beheersen. Is dit niet het geval, dan worden deze woorden toegevoegd aan de oefeningen. Uiteindelijk worden op deze manier alle doelwoorden van het blok nogmaals gecontroleerd en, indien nodig, geoefend. Als kinderen de doelwoorden uit het blok beheersen, gaan ze vanzelf verder met de extra woorden. De overgang van de herhalingstaak naar de plustaak is dus probleemloos geregeld vanuit de software. Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal/ Lezen vindt u in de handleiding bij de cd-rom. Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 55 in -Taal- d
27 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Doelwoorden blok 7 de abonnee de bewering de bijnaam de concurrentie de energie iemand sparen improviseren irritant de lekkernij de locatie de schakelaar sympathiek het taboe de tatoeage de toestemming de traditie uitschakelen virtueel voortreffelijk de wielerkoers in -Taal- 56 Taal in beeld - jaargroep 8 - handleiding e2 d
28 Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp Wat heb je nodig? Wat moet je doen? Taalboek e2 Werkboek e2 Schrift Neem je taalboek en schrift voor je en voer de opdrachten uit. Bij de meeste opdrachten zie je het pictogram s. Deze maak je in je schrift. Alleen bij enkele opdrachten bij het onderdeel Aan de slag zie je het pictogram w. Deze opdrachten maak je in je werkboek. Aan het einde van een bladzijde in het werkboek zie je het pictogram t. Dit betekent dat je weer terug gaat naar het taalboek. Hier maak je de rest van de opdrachten.
29 Zwijsen taalboek e2 Als je pictogrammen tegenkomt, doe dan het volgende. s Schrijf het antwoord in je schrift. w Schrijf het antwoord in je werkboek. Doe de opdracht met je buur. Spreek samen af wie de spreker is. Spreek samen af wie de luisteraar is.» Extra opdracht. Deze opdracht maak je als je tijd hebt.
30 t blok 7 cultuur les 1 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door illustraties te maken of te zoeken. Je leert tien nieuwe woorden. 1 s Op verkenning Lees het verhaal over Roy en Silvie. Let op de illustratie. Roy en Silvie Roy is helemaal gek van tatoeages. Zijn moeder vindt het maar niks, al die tekeningen op je lijf. Roy snapt dat niet, dat is toch juist leuk. Elke dag tekent hij een nieuwe tatoeage op zijn arm. Dan klaagt zijn moeder dat het er niet af gaat. Maar dat is niet waar. Een echte tatoeage, die krijg je er nooit meer af. Die van Roy kun je eraf wassen. Voor zijn verjaardag wil hij tatoeageplaatjes vragen. Die kun je opplakken, zodat het net lijkt of je een echte tatoeage hebt. Hij wil graag een draak op zijn arm. En een hartje op zijn rug. Die mag niemand anders zien dan Silvie, zijn vriendinnetje van school. Silvies ouders hebben een boek met foto s van mensen die helemaal vol met tatoeages zitten. Dat zou ze zelf ook graag willen, helemaal vol met elfjes en prinsessen. Roy houdt meer van draken en auto s. Soms schrijven ze met viltstiften op elkaars arm. Dat is eigenlijk ook een soort tatoeage, maar dan met woorden. Het is hun manier van praten. 2 s 3 s Wat is een tatoeage? Schrijf het op. Teken iemand met een tatoeage. 38
31 Uitleg Woorden kun je onthouden met behulp van illustraties. Dat kunnen tekeningen, plaatjes of foto s zijn die je opzoekt of zelf maakt. de energie windenergie kernenergie zonne-energie 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees wat de woorden betekenen. Schrijf de woorden in je schrift en maak bij elk woord een tekening. Je mag ook plaatjes of foto s zoeken en die erbij plakken. Aan de slag de lekkernij de wielerkoers de schakelaar iets lekkers om te eten een fietswedstrijd een knop om iets aan of uit te zetten 8 s Bedenk een bijnaam voor jezelf. Maak of zoek een illustratie waardoor je deze bijnaam kunt onthouden. Terugkijken» s Zoek in de kranten of tijdschriften drie moeilijke woorden. Zoek plaatjes of maak een tekening om de woorden beter te kunnen onthouden. 39
32 t blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert een spreekbeurt voorbereiden. Je leert een plan van aanpak maken voor een spreekbeurt. Op verkenning 1 Bij Erik in de klas moeten de kinderen om de beurt een spreekbeurt houden. Erik is binnenkort aan de beurt. Hij wil graag iets over muziek vertellen. Let op hoe Erik zich voorbereidt. Laat ik eens een paar muzikale beroepen bedenken. Zanger of dirigent O, ik weet er nog meer: pianostemmer en dj. Maar welk beroep kies ik? Ik kies de pianist! Wat weet ik al? Wat wil ik nog meer weten? Eens denken... muziekstijlen (laten horen?) de piano waar speelt hij? de pianist bladmuziek Waar haal ik mijn informatie vandaan? Welk beeld- of geluidsmateriaal kan ik gebruiken? bekende pianisten welke opleiding? video eigen pianospel Eerst orden ik mijn informatie in een woordkast. Daarna schrijf ik een plan van aanpak. Plan van aanpak onderwerp: de pianist presentatievorm: informatie geven (spreekbeurt) doelgroep: groep 8 inhoud: 1. de piano 2. bekende pianisten 3. de opleiding tot pianist beeld- of geluidsmateriaal: bladmuziek, dvd, foto piano waarvandaan? materiaal van thuis, informatie van internet en interview met mijn pianoleraar 2 s 3 s Hoe bereidt Erik zich voor op zijn spreekbeurt? Schrijf op welke stappen hij neemt. Welk muzikaal onderwerp zou jij kiezen voor een spreekbeurt en waarom? Welk beeld- of geluidsmateriaal zou jij gebruiken? Schrijf het op. 40
33 Uitleg In een spreekbeurt geef je informatie over een onderwerp. Je vertelt, maar je laat ook dingen zien. Een spreekbeurt moet je goed voorbereiden. - Eerst bepaal je het onderwerp. - Dan maak je een woordweb over je onderwerp. - Je ordent de informatie uit het woordweb. - Je bepaalt wat je gaat vertellen en wat je laat zien of horen. - Vervolgens maak je een plan van aanpak. Je kunt informatie vinden in boeken of op internet. Maar je kunt ook iemand interviewen. Als beeld- of geluidsmateriaal kun je gebruikmaken van bijvoorbeeld: - een foto, een tekening, een grafiek, een tabel of een film - een voorwerp - een proefje - een cd Ik kies de bioscoop, want daar ben ik pas nog geweest! Nu eerst mijn informatie ordenen. Wat kan ik allemaal laten zien een trailer van de film? Maar hoe kom ik daaraan? Wacht, ik neem gewoon die poster mee naar school! 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Plan van aanpak onderwerp: de bioscoop presentatievorm: informatie geven (spreekbeurt) doelgroep: groep 8 inhoud: 1. hoe ziet een bioscoop eruit 2. voorbeelden van films 3. de film waar ik ben geweest beeld- of geluidsmateriaal: filmposter met handtekeningen van de acteurs waarvandaan? hangt thuis in mijn kamer Aan de slag Maak een keuze tussen onderwerp 1 en 2 uit je werkboek. Maak een plan van aanpak voor het onderwerp dat je hebt gekozen. 9 s Wat vind je het leukste onderdeel van de voorbereiding van een spreekbeurt? Waarom? Schrijf het op. Terugkijken» s Erik uit opdracht 1 wil meer te weten komen over het beroep pianist. Hij krijgt de kans om een echte pianist te interviewen. Bedenk vijf vragen die hij kan stellen en schrijf ze op. 41
34 t blok blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert dat zinnen in verschillende tijden kunnen staan. 1 s Op verkenning Lees de twee teksten. Beantwoord de vragen die eronder staan. 1 2 Bas fietst naar huis. Lekker op zijn gemak. Paard ontsnapt Vlak voor hem rijdt een Ermelo - Gistermiddag personenauto met een ontsnapte op de paardentrailer. In de verte provinciale weg te springt het verkeerslicht Ermelo een paard uit op oranje. Remmen dus! een paardentrailer. Tot zijn schrik ziet Bas Dit gebeurde nadat de dat de trailer begint te chauffeur de macht over slingeren. Hij gaat van het stuur verloor bij een links naar rechts. Nog stoplicht. De trailer raakte voordat Bas in de gaten hierbij een paal, waardoor heeft wat er aan de hand de achterklep openviel. Het is, hoort hij een enorme paard ging ervandoor en knal. Met een klap komt werd anderhalve kilometer de trailer tot stilstand. verder aangetroffen, Schuin tegen een paal. En terwijl het stond te dan nog een klap. Bam. drinken uit een beekje. De achterklep valt open. De bestuurder van de auto Plotseling ziet Bas het bleef ongedeerd. Zowel paard weg galopperen. de auto als de trailer liep Als dat maar goed komt behoorlijke schade op. a. Wat is het verschil tussen de persoonsvormen in tekst 1 en tekst 2? b. Welke tekst speelt zich vandaag af? c. Welke tekst speelde zich gisteren af? 2 s Lees de twee teksten en beantwoord de vragen. 1. Ik maak een nestkastje. Eerst zoek ik in een boek naar een bouwtekening. Daarna ga ik hout halen. Ik zaag de planken op de goede lengte. Ik timmer het nestkastje in elkaar. Het nestkastje wordt erg mooi. 2. Ik heb een nestkastje gemaakt. Eerst heb ik in een boek naar een bouwtekening gezocht. Daarna heb ik hout gehaald. Ik heb de planken op de goede lengte gezaagd. Daarna heb ik het nestkastje in elkaar getimmerd. Het nestkastje is erg mooi geworden. a. In welke tekst ben je nog bezig met het nestkastje? b. In welke tekst is het nestkastje al klaar? c. Van welke twee werkwoorden zijn de persoonsvormen in tekst 2? d. Hoe heten de andere werkwoorden in tekst 2? 3 s Lees de zinnen en beantwoord de vragen. 1. Ik zal volgende week naar Turkije gaan. 2. Wij zullen in augustus naar de brugklas gaan. 3. Hier zal een nieuwe snelweg aangelegd worden. a. Wat is de persoonsvorm in deze zinnen? b. Van welk werkwoord zijn de persoonsvormen in deze zinnen? c. Gaan de drie zinnen hierboven over iets wat al gebeurd is, over iets wat nu gebeurt, of over iets wat nog moet gebeuren? 42
35 Uitleg Alles wat al gebeurd is, is verleden tijd. Het maakt niet uit of het zich eeuwen geleden afspeelde, vorig jaar, gisteren of nog maar twee minuten geleden. De hunebedbouwers leefden in ons land. Vorig jaar verhuisde ik. Gisteren kwam ik te laat. Daarnet zag ik hem nog. Om aan te geven dat iets in het verleden gebeurd is en al afgelopen is, kun je de voltooide tijd gebruiken. In de voltooide tijd is de persoonsvorm altijd een vorm van het werkwoord hebben of zijn. Er staat ook altijd een (voltooid) deelwoord in de zin. De verleden tijd en de voltooide tijd worden vaak door elkaar gebruikt. De hunebedbouwers hebben eeuwen geleden in ons land gewoond. Vorig jaar ben ik verhuisd. Gisteren ben ik te laat gekomen. Daarnet heb ik hem nog gezien. Als iets (in de toekomst) nog gebeuren moet, noem je dat de toekomende tijd. In de toekomende tijd is de persoonsvorm altijd een vorm van het werkwoord zullen. Er staat ook een woordenboekvorm van een werkwoord in de zin. Ik zal je een brief sturen. Volgend schooljaar zal ik naar de brugklas gaan. De toekomende tijd en de tegenwoordige tijd worden vaak door elkaar gebruikt. Volgend jaar zullen we op vakantie naar Amerika gaan. Volgend jaar gaan we op vakantie naar Amerika. Aan de slag 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Zet de zinnen in de toekomende tijd. Gebruik een vorm van het werkwoord zullen. Doe het zo: Ik bezoek je morgen. Ik zal je morgen bezoeken. a. We gaan over een maand op vakantie. b. Hier bouwen we een nieuw dorpshuis. c. Ik ga straks met je mee. d. Over een uur stijgt het vliegtuig op. 9 s Schrijf de letters op. Zet er waar of niet waar achter. a. Ik ken het verschil tussen de tegenwoordige en de verleden tijd goed. b. Ik weet goed wanneer een zin in de voltooide tijd staat. c. Ik weet goed wanneer een zin in de toekomende tijd staat. Terugkijken» s Bedenk een grappige tekst van drie regels. Schrijf deze tekst eerst in de tegenwoordige tijd op. Zet hem daarna in de verleden tijd, vervolgens in de voltooide tijd en tot slot in de toekomende tijd. 43
36 t blok 7 cultuur les 4 schrijven Wat ga je doen? Je leert welke soorten opbouw je voor een tekst kunt kiezen. Je leert een plan van aanpak maken voor een tekst. Op verkenning 1 Juliëtte wil een tekst schrijven over het theater. Ze weet nog niet welke opbouw ze voor haar tekst zal gebruiken. Let op welke mogelijkheden Juliëtte heeft. Ik zou een opsomming kunnen geven van alle mensen die in het theater werken. Of ik vergelijk het toneelspelen met het werken achter de schermen. Veel mensen weten niet dat het een niet zonder het ander kan. Er kan natuurlijk van alles misgaan in een theater. Wat gebeurt er als het licht of het geluid tijdens de voorstelling uitvalt? Hoe lossen ze dat op? Daar kan ik ook over schrijven. Er gaan maar weinig kinderen naar het theater. Wat zou daarvan de oorzaak zijn? Daar ben ik wel benieuwd naar. Laat ik nu maar één opbouw kiezen. Dan kan ik het plan van aanpak maken. Plan van aanpak onderwerp: tekstsoort: opbouw: doelgroep: signaalwoorden: inhoud: het theater weettekst opsomming kinderen en volwassenen bovendien, tevens - werkzaamheden kassamedewerker - werkzaamheden portier - werkzaamheden lichttechnicus - werkzaamheden geluidstechnicus 2 s 3 s 4 s Welke vier mogelijkheden heeft Juliëtte voor de opbouw van haar tekst? Schrijf ze op. Welke opbouw kiest Juliëtte? Schrijf het op. Schrijf op welke opbouw jij zou kiezen voor een tekst over het theater. 44
37 Uitleg Elke tekst heeft een bepaalde opbouw. Die kun je vaak herkennen aan bepaalde woorden. Die noemen we signaalwoorden. - vergelijking Bij een vergelijking let je op overeenkomsten en verschillen. Je gebruikt signaalwoorden als: ook, net als, overeenkomst, hetzelfde, anders, verschil, maar. - opsomming Bij een opsomming noem je een aantal dingen op. Je herkent een opsomming aan signaalwoorden als: en, ook, bovendien, eveneens, tevens, zelfs. - oorzaak en gevolg De oorzaak is datgene waardoor iets gebeurt; wat daardoor veroorzaakt wordt, is het gevolg. Je gebruikt signaalwoorden als: doordat, daardoor, hierdoor, zodat, daarom, omdat, met als gevolg, de oorzaak hiervan is, dat is te danken aan. - probleem en oplossing Een probleem is een moeilijke situatie. Om daar uit te komen moet een oplossing worden gezocht. Je gebruikt signaalwoorden als: probleem, kwestie, punt, lastig, oplossing, idee, voorstel. Voordat je gaat schrijven, maak je een plan van aanpak. Daarin staat: - het onderwerp dat je kiest - het soort tekst dat je kiest - de opbouw die je kiest - de doelgroep voor wie je schrijft - de signaalwoorden die je gebruikt - de inhoud Plan van aanpak Plan van aanpak onderwerp: bladmuziek onderwerp: bladmuziek tekstsoort: verslag tekstsoort: meningtekst opbouw: oorzaak en gevolg opbouw: probleem en oplossing doelgroep: kinderen doelgroep: kinderen signaalwoorden: het gevolg is, daardoor signaalwoorden: punt, plan inhoud: Oorzaak: ik heb altijd alleen maar van bladmuziek gespeeld. Gevolg: ik kan niet improviseren. inhoud: Probleem: ik kan niet improviseren. Oplossing: les nemen om het te leren. 5 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Aan de slag Maak een plan van aanpak voor een tekst over het onderwerp dat je hebt gekozen. Gebruik de aantekeningen uit je werkboek. 9 s Is het je gelukt om een plan van aanpak te maken? Is je plan van aanpak goed genoeg om er een volledige tekst mee te schrijven, denk je? Schrijf het op. Terugkijken» s Bedenk een ander onderwerp dat met cultuur te maken heeft. Maak een plan van aanpak voor een tekst hierover. 45
38 t blok 7 cultuur les 5 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door ze te gebruiken in een tekst. Je leert tien nieuwe woorden. 1 s Op verkenning Lees het verhaal over Sanne, Rein en Roy. Let op het gekleurde woord. Taboe in het rommelhok Stomme opdracht! Sanne komt mopperend de kamer binnen. Stomme juf met haar stomme opdracht! Rein, Roy en hun vader kijken elkaar vragend aan. Ze zeggen niets. Dat doen ze nooit als Sanne mopperend binnenkomt. Want dan zegt ze steeds dat er niks aan de hand is. Als ze even geduld hebben, vertelt Sanne vanzelf wel wat er is. En jawel hoor. We moeten van de juf onderzoeken of we thuis een taboe hebben. Maar ze heeft niet eens uitgelegd wat het voor ding is. Wie bedenkt nou zo n opdracht. Zoek het zelf maar uit, zei ze. Joehoe taboe! Roy en Rein kijken vragend naar hun vader. Weet hij wat een taboe is? Hij knipoogt. Volgens mij hebben we nog een taboe in het rommelhok liggen, zegt hij. Vraag straks maar aan mama. Die is nu aan het schilderen. Maar Sanne loopt meteen naar de rommelkamer en doet de deur open. Mam, hebben wij een taboe in huis? Haar moeder kijkt verstoord op van het schilderij waar ze mee bezig is. Sanne, je weet toch dat je me niet mag storen als ik aan het schilderen ben! Nou, dan niet! zegt Sanne boos en ze slaat de deur dicht. Stomme mama! moppert ze als ze weer terug in de kamer is. Waarom mag ik niet gewoon wat vragen als ze schildert? Ja, dat weet je, zegt haar vader lachend. Dat is het taboe hier in huis. 2 s 3 s Wat betekent het taboe? Schrijf het op. Is er bij jou thuis ook een taboe? Schrijf het op. 46
39 Uitleg Woorden kun je onthouden door ze te gebruiken in een tekst. Bijvoorbeeld: - door het woord uit te leggen - door een voorbeeld te geven - door het in de context duidelijk te maken Als ze enkele uren later aan tafel zitten, vraagt Sanne: Zo, mam. Vind je het goed dat ik je nu wat vraag? Krijg ik nu toestemming? Natuurlijk, schat, zegt haar moeder. Aan tafel mag je alles vragen. Toch vind ik dat rommelkamertje maar klein, zegt mama. Ik zou graag een andere plek hebben om te schilderen. Maar waar? Roy kijkt haar lachend aan. Hij wijst naar buiten en schildert in de lucht. Ja, dat is een mooie locatie. zegt ze. Het park. Maar wat doe ik dan als het regent? Een voortreffelijk idee, zegt papa. Dan zijn we die verfgeur in huis mooi kwijt. En als het regent, dan neem je gewoon een grote paraplu mee. Rein en Roy zijn het met hem eens. Maar Sanne niet. Ze kijkt boos naar haar moeder en zegt: Als we dan iets willen vragen, moeten we je opbellen. Of helemaal naar het park lopen! uitleg voorbeeld context 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Aan de slag Improviseren betekent iets doen zonder er van tevoren over na te denken. Schrijf een korte tekst over een kind dat improviseert. Gebruik een vorm van dit werkwoord in je tekst. 9 s Wat vind je? Kun je de betekenis van een woord beter onthouden door het te gebruiken in een tekst? Schrijf jouw mening op. Terugkijken» s Improviseer jij weleens? Wat doe je dan? Schrijf het op. 47
40 t blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert informatie vastleggen in een schema of een inhoudsopgave. Je leert hierbij je plan van aanpak gebruiken. Op verkenning 1 Erik heeft ter voorbereiding op zijn spreekbeurt al een onderwerp gekozen en informatie verzameld. Bekijk het plan van aanpak van Erik in les 2 nog eens. Kijk dan wat hij nu doet. Ik leg eerst uit dat ik dit onderwerp heb gekozen omdat ik het zelf ook heel leuk vind om piano te spelen. Maar dan eens even kijken. Ik kan iets vertellen over de piano zelf. Dus hoe die eruitziet en hoe je erop speelt. En dan iets over bekende pianisten. Wie zal ik allemaal noemen? En wat vertel ik over de opleiding tot pianist? Misschien is het handig als ik alles eens goed op een rijtje zet. Met deze inhoudsopgave bij de hand kan ik tijdens mijn spreekbeurt niets vergeten! Inhoudsopgave 1. Waarom ik dit onderwerp heb gekozen: - ik speel zelf ook piano - ik wil ook anderen enthousiast maken 2. Hoe ziet een piano eruit? (foto piano, voordoen hoe je erachter zit) 3. Bekende pianisten - Tori Amos, Scott Joplin (ook componist), Louis van Dijk, Michiel Borstlap (dvd laten zien) 2 s Wat doet Erik nu hij zijn onderwerp heeft gekozen en hij zijn informatie heeft verzameld? Beschrijf het in je schrift. 3 s Erik is nog niet klaar met de inhoudsopgave van zijn spreekbeurt. Wat wil hij nog meer vertellen? Zoek het op in zijn plan van aanpak en maak de inhoudsopgave af. Wat kan hij daarbij laten zien of horen? Zet het erbij. 48
41 Uitleg Een spreekbeurt moet je goed voorbereiden. - Eerst bepaal je het onderwerp. - Dan maak je een woordweb over je onderwerp. Je ordent de informatie uit het woordweb. - Je bepaalt wat je gaat vertellen en wat je laat zien of horen. - Vervolgens maak je een plan van aanpak. - Tot slot leg je de informatie vast in een schema of een inhoudsopgave. 5 bladmuziek voor de linkerhand voor de rechterhand 6 de piano van buiten van binnen 7 video van mijn eigen pianospel 8 quiz voor de kinderen In het schema of de inhoudsopgave staat kort welke informatie je geeft, wat je eerst vertelt of doet en wat daarna. Er staat ook in wanneer je welk materiaal gebruikt of laat zien. Het schema of de inhoudsopgave houd je als spiekbrief bij de hand tijdens je spreekbeurt. Zo sla je niet per ongeluk iets over. Tip: maak een lijstje van wat je moet meenemen naar school en wat je van tevoren moet regelen of klaarzetten. inhoudsopgave schema - conservatorium (HBO) Hoger Beroeps Onderwijs (na HAVO) 4 jaar. instrument verschillende muziekstijlen zang } cd en cd-speler - dit vind ik leuke pianomuziek (ragtime): fragment Scott Joplin (nr. 17 Country Club) boek met bladmuziek - zo ziet de muziek er op papier uit: bladmuziek Scott Joplin } rechterhand op het bord tekenen linkerhand 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Aan de slag Maak een schema of een inhoudsopgave voor een spreekbeurt. Gebruik het onderwerp uit je werkboek. 9 s Wat gebruik je liever: een schema of een inhoudsopgave? Waarom? Schrijf het op. Terugkijken» s Na je spreekbeurt kun je een quiz houden of een puzzel opgeven aan je luisteraars. Hiermee controleer je of iedereen goed heeft opgelet. Bedenk zo n quiz of puzzel over jouw spreekbeurt uit opdracht 8. Schrijf de vragen of opdrachten op. 49
42 t blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert dat mensen soms iets anders zeggen dan wat ze bedoelen of denken. Je leert wat ironie en sarcasme zijn. 1 s Op verkenning Lees de tekst en bekijk de tekening. Lees dan de zinnen die eronder staan. Schrijf de letters op en zet er waar of niet waar achter. Situatie: Anika denkt nooit zo goed na als ze zich aankleedt. Ze let niet op of haar kledingstukken goed bij elkaar passen. Meestal heeft ze dingen aan die niet bij elkaar kleuren. Op een morgen, als ze het heel bont heeft gemaakt, komt ze haar vriendin Daphne tegen. Daphne Wat zie jij er weer voortreffelijk uit vandaag. Die kleurencombinatie... fantastisch! a. Daphne zegt precies wat ze bedoelt. b. Daphne wil Anika een beetje plagen omdat ze de kleren niet mooi vindt. Annika 2 s 3 s Tegen iemand die lacht en een slecht gebit heeft, kun je zeggen: Je hebt een echte filmsterrenlach. Tegen iemand die wat lomp is in zijn bewegingen, kun je zeggen: Wat beweeg je toch sierlijk. Een olifant is er niks bij! Vind jij dit plagende of gemene opmerkingen? Schrijf het op. Lees de tekst. Beantwoord dan de vragen die eronder staan. 4 s Je moeder zegt tegen je kleine zusje, dat niet door wil eten: Heb je je bord nu nog niet leeg? Tegen jou zegt ze als je zonder jas naar buiten gaat: Wil je soms kou vatten? a. Je moeder stelt hier vragen. Verwacht ze daar een antwoord op? b. Wat wil ze met haar vraag aan je zusje bereiken? c. Wat wil ze met haar vraag aan jou bereiken? Lees de tekst en beantwoord de vragen die eronder staan. Met jou? Ik kijk wel uit! Zullen we samen gaan zwemmen? Belle a. Waarom zou Floris het tegenovergestelde zeggen van wat hij denkt? b. Wanneer zeg jij iets anders dan je denkt? Wat zeg je dan? Je mag ook iets verzinnen. Floris 50
43 Uitleg Als je op een spottende manier het tegengestelde zegt van wat je bedoelt, noem je dat ironie. Als je op een nare of gemene manier spot, noem je dat sarcasme. ironie: Iemand stoot een beker cola om. Je zegt: Goed gedaan! sarcasme: Iemand stottert heel erg. Je zegt: Houd jij je mond maar, anders zitten we hier vanavond nog. Soms zeggen mensen het tegengestelde van wat ze denken. Ze doen dit omdat ze niet voor hun gevoelens uit durven komen. Of omdat ze iemand niet willen kwetsen. Ga jij ook naar het feestje bij Hifza? Kijk eens, hij is eindelijk af! Ik ben er wel twee maanden mee bezig geweest. Wat vind je ervan? Nee, ik heb niet zo veel zin. Mooie sjaal, oma! Ik wou dat Hifza mij ook uitgenodigd had. Het lijkt me een heel leuk feest. Bah, ik houd helemaal niet van rood w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Aan de slag Beschrijf op een ironische manier hoe Sonja eruitziet. Als je iets niet mooi vind, schrijf je bijvoorbeeld juist dat het mooi is. 8 s Welke ironische opmerkingen maak jij zelf weleens? Schrijf er twee op. Terugkijken» s Beschrijf op een ironische manier een vakantie. Je doet alsof alles geweldig aan die vakantie was. Maar laat tussen de regels door merken dat het eigenlijk helemaal niet leuk was. 51
44 t blok 7 cultuur les 8 schrijven Wat ga je doen? Je leert een tekst met een opbouw schrijven. Je leert je plan van aanpak gebruiken. Op verkenning 1 Juliëtte heeft haar tekst over het theater klaar. Bekijk eerst Juliëttes plan van aanpak in les 4 nog een keer. Lees dan haar tekst. Let op de opbouw. Het theater In het theater werken veel verschillende mensen. Hieronder noem ik er een paar. Het begint al bij de ingang van het theater. Daar zit de kassamedewerker die de kaartjes verkoopt. Bovendien hebben veel theaters een portier. Die let op of er geen vervelende mensen binnenkomen. Eenmaal binnen zijn er nog veel meer mensen die ervoor zorgen dat de voorstelling voortreffelijk verloopt. Sommige werken achter de schermen, dus die zie je niet. Zo zorgen de mensen van het licht ervoor dat de juiste schakelaar op tijd wordt omgezet. Het zou immers heel irritant zijn als de acteurs op een donker toneel staan! Tevens zijn de mensen van het geluid onmisbaar. Niet iedereen die in het theater werkt, is voor het publiek even goed zichtbaar. Maar zonder hen zou de voorstelling niet kunnen slagen. 2 s Voor welke opbouw heeft Juliëtte gekozen? Welke signaalwoorden heeft ze gebruikt? Schrijf het op. 3 s Vind je de opbouw van Juliëttes tekst duidelijk of onduidelijk? Waarom? Schrijf het op. 52
45 Uitleg Elke tekst heeft een bepaalde opbouw. Die kun je vaak herkennen aan de signaalwoorden. - vergelijking overeenkomsten en verschillen signaalwoorden: ook, net als, overeenkomst, hetzelfde, anders, verschil, maar - opsomming een aantal dingen opnoemen signaalwoorden: en, ook, bovendien, eveneens, tevens, zelfs - oorzaak en gevolg wat er gebeurt en waardoor het gebeurt signaalwoorden: doordat, daardoor, hierdoor, zodat, daarom, omdat, met als gevolg, de oorzaak hiervan is, dat is te danken aan - probleem en oplossing een moeilijke situatie en hoe je daaruit komt signaalwoorden: probleem, kwestie, punt, lastig, oplossing, idee, voorstel Voordat je gaat schrijven maak je een plan van aanpak. Daarin staat: - het onderwerp dat je kiest - het soort tekst dat je kiest - de opbouw die je kiest - de doelgroep voor wie je schrijft - de signaalwoorden die je gebruikt - de inhoud Daarna schrijf je de tekst met een titel, een inleiding, alinea s en een slot. Plan van aanpak onderwerp: tekstsoort: opbouw: doelgroep: signaalwoorden: inhoud: de bas en de gitaar weettekst vergelijking kinderen beide, gelijk, maar, overeenkomst, verschil hetzelfde: de vorm anders: - het aantal snaren - bas: ritme, gitaar: melodie Een bas en een gitaar Een gitaar en een bas lijken op het eerste gezicht veel op elkaar. Wat zijn nu precies de overeenkomsten en de verschillen? De vorm van beide instrumenten is bijna gelijk. Vooral een elektrische bas en een elektrische gitaar lijken erg veel op elkaar. Ook zijn beide instrumenten snaarinstrumenten. Maar een bas heeft slechts vier snaren, terwijl de gitaar er zes heeft. Een ander verschil is dat je met een bas het ritme van een lied speelt. Met een gitaar speel je de melodie van een lied. Kortom, een bas en een gitaar mogen dan op elkaar lijken, ze spelen elk hun eigen rol in een lied. 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Aan de slag Schrijf met behulp van je plan van aanpak een tekst met een opbouw. Denk aan een titel, een inleiding, alinea s en een slot. 8 s Hoe ging het schrijven van je tekst? Ben je tevreden? Wat zou je een volgende keer anders doen? Schrijf erover. Terugkijken» s Maak een tekening bij je tekst van opdracht 9. Of zoek bijpassend beeldmateriaal. Let op: het beeld moet jouw tekst duidelijker maken voor de lezer.
46 w blok 7 cultuur les 1 woordenschat Aan de slag 4 Lees wat de gekleurde woorden betekenen. Kies er één uit en maak daar een tekening bij. Schrijf in de tekening wat er te zien is. de concurrentie tegenstanders die hetzelfde willen als jij. Bijvoorbeeld: Door de concurrentie van de supermarkt moest de slager zijn winkel sluiten. sympathiek aardig. Bijvoorbeeld: Ik vind mijn nieuwe buurjongen sympathiek. de traditie iets wat al heel lang de gewoonte is. Bijvoorbeeld: De jaarlijkse optocht in ons dorp is een oude traditie. virtueel iets wat echt lijkt maar dat niet is. Bijvoorbeeld: Het gevecht op de computer is virtueel. 5 Kies een ander woord uit opdracht 4. Wat voor foto zou je daarbij kiezen? Wat is er op de foto te zien? Schrijf het op. 6 Kies weer een ander woord uit opdracht 4. Teken daar een strip over. -Taalin beeld t ga terug naar je taalboek 17
47 w blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren Aan de slag 4 Kies twee onderwerpen voor een spreekbeurt. Zet er de cijfers 1 en 2 voor. Schrijf op waarom je deze onderwerpen kiest. musicals mijn popidool de pianostemmer 5 Schrijf één ding op dat je al weet over onderwerp 1. Schrijf ook op wat je nog meer wilt weten. Ik weet al: Ik wil nog weten: 6 Stel, je gaat iemand interviewen voor je spreekbeurt over onderwerp 2. Bedenk twee vragen voor het interview. Vraag 1: Vraag 2: 7 Bedenk welk beeld- of geluidsmateriaal je kunt gebruiken bij spreekbeurt 1 en bij spreekbeurt 2. Kruis aan en vul in. onderwerp 1: tekening van foto van film over geluid: voorwerp: onderwerp 2: tekening van foto van film over geluid: voorwerp: t 18 ga terug naar je taalboek
48 w blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing Aan de slag 4 Vul de persoonsvormen in de verleden tijd in. Gebruik het werkwoord dat tussen haakjes staat. (kopen) Hodja bij de slager een kilo vlees. (geven) Hij het aan zijn vrouw en vroeg haar het klaar te maken. (verdwijnen) Zijn vrouw in de keuken. (gaan) Hodja ondertussen nog wat boodschappen doen. (komen) Even later de broer van Hodja s vrouw langs. (ruiken) Hij de heerlijke vleeslucht. (halen) Hij zijn zus over om het vlees samen met hem op te eten. 5 m Zet een dubbele streep onder de persoonsvormen. In welke tijd staan de zinnen? Kruis het aan. Na een tijdje komt Hodja thuis. Hij ruikt het vlees en gaat naar de keuken. Hij tilt het deksel van de pan en ziet alleen saus zonder vlees. Hodja roept zijn vrouw. De zinnen staan in de: verleden tijd tegenwoordige tijd voltooide tijd toekomende tijd 6 m Zet een dubbele streep onder de persoonsvormen. Maak dan de zin onderaan af en omcirkel de goede tijd. Hodja: Waar is het vlees gebleven? Vrouw: De kat is de keuken binnengekomen. Hij heeft al het vlees opgegeten. De persoonsvormen in deze twee zinnen zijn vormen van de werkwoorden en. De zinnen staan in de verleden / voltooide / tegenwoordige / toekomende tijd. 7 Vul de persoonsvormen in de tegenwoordige tijd in. Gebruik het werkwoord dat tussen haakjes staat. (vangen) Hodja de kat. (zetten) Hij hem op de weegschaal. (wegen) De kat precies een kilo. (zeggen) Hodja : Als dit de kat is, waar is dan het vlees? (vasthouden) En als wat ik hier het vlees is, waar is dan de kat? -Taalin beeld t ga terug naar je taalboek 19
49 w blok 7 cultuur les 4 schrijven Aan de slag Schrijf alles op met potlood, zodat je na afloop nog iets kunt veranderen. 5 Hieronder staan twee onderwerpen waarover je een tekst kunt schrijven. Bedenk zelf nog een onderwerp dat met cultuur te maken heeft en schrijf het erbij. Kies één onderwerp en kruis het aan. museumbezoek muziekstijlen 6 Hieronder staan vier mogelijkheden voor de opbouw van je tekst. Vul bij elke mogelijkheid in hoe jij het zou doen. Denk aan het onderwerp dat je hebt aangekruist bij opdracht Vergelijking Wat ga je vergelijken? Welke overeenkomst is er? Welk verschil is er? 2. Opsomming Schrijf drie dingen op voor je opsomming: 3. Oorzaak en gevolg Bedenk een oorzaak waarover je kunt schijven: Bedenk het gevolg: 4. Probleem en oplossing Bedenk een probleem waarover je kunt schrijven: Bedenk een oplossing: 7 Welke opbouw zou jij kiezen voor je tekst? Kleur het vakje. vergelijking oorzaak en gevolg opsomming Bespreek met je buur de opdrachten. Je mag veranderingen aanbrengen. probleem en oplossing t 20 ga terug naar je taalboek
50 w blok 7 cultuur les 5 woordenschat Aan de slag 4 Lees wat de woorden betekenen. de abonnee iemand die betaalt om een krant of tijdschrift steeds thuisgestuurd te krijgen de bewering iets waarvan je zegt dat je het zeker weet, een mening irritant als iets je ergert of boos maakt, bijvoorbeeld een irritant geluid iemand sparen voorzichtig zijn met iemand om diegene geen pijn te doen, bijvoorbeeld je kleine zusje sparen door haar niet te vertellen dat er iets ergs is gebeurd uitschakelen uitzetten, bijvoorbeeld de tv uitschakelen 5 Kies een woord uit opdracht 4. Schrijf op wat je er nog meer over weet. woord: 6 m Kies een ander woord uit opdracht 4. Gebruik het in een kort verhaal. Onderstreep het woord in je verhaal. Maak er een tekening bij. 7 Kies weer een ander woord uit opdracht 4. Bedenk er drie voorbeelden bij en schrijf ze op. woord: Taalin beeld t ga terug naar je taalboek 21
51 w blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Aan de slag 4 5 Kies een onderwerp voor een spreekbeurt en kruis het aan. Je mag een van de onderwerpen nemen die je in les 4 heb gekozen. dansen zingen muziek maken musicals mijn popidool de pianostemmer Bedenk twee dingen die jij zeker zou vertellen over je onderwerp. Schrijf ze op. 6 Wat zou je meenemen naar school voor je spreekbeurt? Schrijf iets op wat je laat zien en iets wat je laat horen. laten zien: laten horen: Moet je van tevoren nog iets regelen voor je spreekbeurt? Schrijf dat ook op. 7 Bedenk iets wat je op het bord kunt schrijven of tekenen om jouw spreekbeurt te verduidelijken. Laat het hieronder zien. t 22 ga terug naar je taalboek
52 w blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing Aan de slag 5 De moeder van Eline gebruikt ironie. Schrijf onder elke tekening wat Elines moeder eigenlijk wil zeggen. Mam, wil je iets te drinken pakken? Mankeert er soms iets aan je handen? Dat heb je mooi voor elkaar! Moeder bedoelt: Moeder bedoelt: Mam, hoe werkt de magnetron? Dat heb ik nu al honderd keer uitgelegd! Heb je er nu nog geen genoeg van? Zzzz Moeder bedoelt: Moeder bedoelt: 6 Lees wat er gezegd wordt. Is het ironie of sarcasme? Zet een kruisje op de goede plaats. Je klasgenoot is heel slecht in rekenen. Jullie hebben net een rekentoets gemaakt. Je zegt: Zo Einstein, jij hebt vast en zeker een tien. Je klasgenoot heeft een splinter in zijn vinger. Hij stelt zich een beetje aan. Je vraagt: Zal ik een ambulance voor je bellen? Je klasgenoot heeft een enstig ongeluk gehad. Ze komt op school met een verband om haar hoofd en een groot litteken op haar gezicht. Je roept: Hé, is dat de nieuwste mode? Je vriendin kan niet mee naar de kermis, omdat ze weer eens blut is. Ze heeft al haar zakgeld uitgegeven aan een cd. Nu heeft ze daar een beetje spijt van. Je zegt: Jij wordt nog eens minister van financiën. ironie sarcasme Een klasgenoot huilt, omdat zijn hond is weggelopen. Je roept door de klas: Nou, ik geef die hond groot gelijk. Ik zou ook niet bij hem willen wonen. -Taalin beeld t ga terug naar je taalboek 23
53 w blok 7 cultuur les 8 schrijven Aan de slag Schrijf alles op met potlood, zodat je na afloop nog iets kunt veranderen. 4 In les 4 heb je een onderwerp gekozen waarover je een tekst kunt schrijven. Schrijf je onderwerp hier nog eens op. Je mag ook een nieuw onderwerp bedenken dat met cultuur te maken heeft. Mijn onderwerp is: 5 6 Als je een nieuw onderwerp hebt bedacht, maak dan opdracht 6 en 7 van les 4 nog een keer. Heb je deze al gemaakt, dan ga je verder met opdracht 6 hieronder. Maak een plan van aanpak voor je tekst. Je kunt ook je plan van aanpak van les 4 nemen en bijstellen. Plan van aanpak onderwerp: tekstsoort: opbouw: doelgroep: signaalwoorden: inhoud: Bespreek met je buur de opdrachten. Je mag veranderingen aanbrengen. t 24 ga terug naar je taalboek
54 blok 7 cultuur
55 k blok 7 toetstaak naam: 1 Azra gaat een spreekbeurt houden over het Mauritshuis. Dat is een museum met schilderijen. Ze heeft al een woordweb gemaakt en een woordpodium. Bekijk deze goed. Maak dan het plan van aanpak van Azra af. Hendrick Avercamp Johannes Vermeer Carel Fabritius Het puttertje (ansichtkaart) het Mauritshuis IJsvermaak (boek) Meisje met de parel (boek) Het puttertje Meisje met de parel IJsvermaak Het mooiste schilderij vond ik Meisje met de parel van Vermeer. Het puttertje van Fabritius en IJsvermaak van Avercamp vond ik ook mooi. Plan van aanpak onderwerp: presentatievorm: doelgroep: 1. Wat is er allemaal in het Mauritshuis te zien? inhoud: beeld- of geluidsmateriaal: waarvandaan? materiaal van thuis 2 Stel, je gaat een spreekbeurt houden over je reis naar New York. Hieronder staat wat je allemaal wilt vertellen en laten zien. Zet deze informatie in een schema of een inhoudsopgave. Doe het zo, dat je een handige spiekbrief hebt voor bij je spreekbeurt. Je wilt iets vertellen over het vervoer in New York. Je hebt daar gereisd met de metro en met de taxi. Ook heb je veel gelopen. Als beeldmateriaal heb je een plattegrond van de metro en een foto van een taxichauffeur. eb -Taalin beeld blok 7 kopieerblad 1 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
56 k blok 7 toetstaak naam: 3 4 In welke tijd staat de zin? Omcirkel de goede letters: teg = tegenwoordige tijd, ver = verleden tijd, vol = voltooide tijd, toe = toekomende tijd. Onze groep zal volgende week een musical opvoeren. teg / ver / vol / toe Wij hebben al vaak geoefend. teg / ver / vol / toe Gisteren was de generale repetitie. teg / ver / vol / toe Ik heb een van de hoofdrollen. teg / ver / vol / toe Ik hoop dat ik niet zenuwachtig ben. teg / ver / vol / toe De mensen hieronder bedoelen iets anders dan wat ze zeggen. Wat bedoelen ze eigenlijk? Schrijf het eronder. Rick en Bob zijn op het strand. Rick wil niet mee het water in, want hij vindt het te koud. Bob zegt: Wat een held ben jij! Bob bedoelt: Doris is heel irritant. Steeds als iemand in de klas iets zegt, zegt ze een rijmwoord. De meester zegt: Jij bent zeker de leukste thuis. De meester bedoelt: Greetje plaagt haar zusje. Ze moet huilen, maar Greetje houdt niet op. Greetjes vader zegt: Ga vooral nog even door met dat getreiter van je! Vader bedoelt: 5 Maak bij elke zin een illustratie waarmee je het woord kunt onthouden. Ed heeft een tatoeage. De schakelaar staat aan. Op tafel staan lekkernijen. 6 Gebruik elk woord in een zin. Schrijf de zin op. (uitschakelen) (irritant) (improviseren) (de locatie) (de toestemming) Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 2 eb -Taalin beeld
57 k registratieblad toetstaak Onderdeel Schrijven Taalbeschouwing Woordenschat Opdrachten Opdracht 1 Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4 Opdracht 5 en 6 Naam Adviesnorm 0 fouten: G 0 fouten: G 0 fouten: G 0 fouten: G 0 fouten: G 1 fout: V >0 fouten: O 1 fout: V 1 of meer 1, 2 fouten: V >1 fout: O >1 fout: O fouten: O >2 fouten: O Herhalingsstof Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: ht 1 ht 2 ht 3 ht 4 ht 5/6 (hl e2, p. 53) (hl e2, p. 53) (hl e2, p. 54) (hl e1, p. 54) (hl e2, p. 55) De leerlingen die voldoende of goed scoren op alle onderdelen, kunnen verdergaan met de plustaken. Meer informatie in hl e2, pagina 6. Afkortingen: G = goed, V = voldoende, O = onvoldoende, ht = herhalingstaak, hl = handleiding. eb -Taalin beeld blok 7 kopieerblad 3 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
58 k blok 7 herhalingstaak 1 spreken/luisteren naam: In een spreekbeurt geef je informatie over een onderwerp. Je vertelt, maar je laat ook dingen zien. Een spreekbeurt moet je goed voorbereiden. - Eerst bepaal je het onderwerp. - Dan maak je een woordweb over je onderwerp. Je ordent de informatie uit het woordweb. - Je bepaalt wat je gaat vertellen en wat je laat zien of horen. - Vervolgens maak je een plan van aanpak. Je kunt informatie vinden in boeken of op internet. Maar je kunt ook iemand interviewen. Als beeld- of geluidsmateriaal kun je gebruikmaken van bijvoorbeeld: een foto, een tekening, een grafiek, een tabel, een film, een voorwerp, een proefje, een cd. 1 Bereid een spreekbeurt voor over een (zelfverzonnen) museum. Maak eerst een woordweb over het museum waarover je gaat vertellen. 2 Orden de informatie uit je woordweb. Doe dit in je hoofd of op een blaadje. Bedenk wat je wilt vertellen en wat je wilt laten zien of horen. Maak dan een plan van aanpak voor je spreekbeurt. Plan van aanpak onderwerp: presentatievorm: doelgroep: inhoud: beeld- of geluidsmateriaal: waarvandaan? Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 4 eb -Taalin beeld
59 k blok 7 herhalingstaak 2 spreken/luisteren naam: Een spreekbeurt moet je goed voorbereiden. - Eerst bepaal je het onderwerp. - Dan maak je een woordweb over je onderwerp. Je ordent de informatie uit het woordweb. - Je bepaalt wat je gaat vertellen en wat je laat zien of horen. - Vervolgens maak je een plan van aanpak. - Tot slot leg je de informatie vast in een schema of een inhoudsopgave. In het schema of de inhoudsopgave staat kort welke informatie je geeft, wat je eerst vertelt of doet en wat daarna. Er staat ook in wanneer je welk materiaal gebruikt of laat zien. Het schema of de inhoudsopgave houd je als spiekbrief bij de hand tijdens je spreekbeurt. Zo sla je niet per ongeluk iets over. 1 Bereid een spreekbeurt over je eigen woonplaats voor. Vul eerst het woordweb in. Zet je woonplaats in het midden. 2 Orden de informatie uit je woordweb. Doe dit in je hoofd of op een blaadje. Bedenk wat je wilt vertellen en wat je wilt laten zien of horen. Maak dan een schema of een inhoudsopgave. Deze kun je als spiekbrief gebruiken tijdens je spreekbeurt. eb -Taalin beeld blok 7 kopieerblad 5 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
60 k blok 7 herhalingstaak 3 taalbeschouwing naam: Alles wat al gebeurd is, is verleden tijd: Gisteren kwam ik te laat. In de voltooide tijd is de persoonsvorm altijd een vorm van het werkwoord hebben of zijn. Er staat ook altijd een (voltooid) deelwoord in de zin: Gisteren ben ik te laat gekomen. In de toekomende tijd is de persoonsvorm altijd een vorm van het werkwoord zullen. Er staat ook een woordenboekvorm van een werkwoord in de zin: Volgend jaar zullen we op reis gaan naar Amerika. 1 In welke tijd staat de zin? Zet een kruisje in het goede vakje. Ik heb een digitale camera gekregen. Ik heb er al enkele foto s mee gemaakt. Gisteren nam ik foto s in de dierentuin. Ik fotografeerde een aap van heel dichtbij. Ik bekeek de foto s. Ze zijn goed gelukt. De foto van de aap vind ik erg leuk. Ik zal hem vergroot laten afdrukken. Ik zal hem daarna op mijn kamer ophangen. Ik hoop nog veel mooie foto s te maken. tegenwoordige tijd verleden tijd voltooide tijd toekomende tijd 2 De zinnen staan in de tegenwoordige tijd. Zet ze in de toekomende tijd. Ik ga naar Spanje. Jonah doet het nooit meer. Mitchel legt het even uit. Deze zinnen staan in de verleden tijd. Zet ze in de voltooide tijd. Papa werkte bij een bank. De kip legde een ei. Dirkje viel van haar fiets. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 6 eb -Taalin beeld
61 k blok 7 herhalingstaak 4 taalbeschouwing naam: Als je op een spottende manier het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt, noem je dat ironie. Als je op een nare of gemene manier spot, noem je dat sarcasme. ironie: Iemand stoot een beker cola om. Je zegt: Goed gedaan! sarcasme: Iemand stottert heel erg. Je zegt: Houd jij je mond maar, anders zitten we hier vanavond nog. Soms zeggen mensen het tegenovergestelde van wat ze denken. Ze doen dit omdat ze niet voor hun gevoelens uit durven komen. Of omdat ze iemand niet willen kwetsen. 1 Soms maken leerkrachten ironische opmerkingen tegen hun leerlingen. Zijn de onderstaande opmerkingen wel of niet ironisch bedoeld? Zet een kruisje op de goede plaats. Tegen een leerling die een onvoldoende haalt: Je hebt het weer uitstekend gedaan. Tegen een leerling die niet op let: Wil je even bij de les blijven? Tegen een leerling die te laat komt: Je vindt het toch niet erg dat we alvast begonnen zijn? Tegen een leerling met een heel slecht rapport: Je moet wat harder gaan werken, anders blijf je zitten. Tegen een leerling die probeert af te kijken: Als je spiekt, dan geef ik je een 1 voor de moeite. Tegen een leerling die andere leerlingen verklikt: Je maakt je op deze manier erg geliefd bij je klasgenoten. wel ironisch niet ironisch 2 Bedenk een ironische opmerking en schrijf hem op. Tegen iemand die een ander pest: Tegen iemand die een slecht humeur heeft: Tegen iemand die zijn boterham op de grond laat vallen: eb -Taalin beeld blok 7 kopieerblad 7 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 7: 1 handleiding D2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek D2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek A2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek B1: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek A1: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 6: 1 handleiding C1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek C1: de introductiepagina s en blok
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding e1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek B2: de introductiepagina s en blok
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding d1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands
Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld Bij verschillende onderdelen van de taalmethode Taal in Beeld, kunt u De bovenkamer
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK b Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HAnDlEIDInG b Hl InHoUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo
Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 h/v de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 h/v de betekenis
Leerlijn Spreken & luisteren groep 5
Leerlijn Spreken & luisteren groep 5 Spreken (individueel / gesprekken voeren): Luisteren: Een monoloog houden in een kleine groep, duidelijk verwoorden wat ze bedoelen. Een gesprek (overleg) voeren in
De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon
Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands colofon Dit overzicht is samengesteld door Josée Coenen, auteur van De bovenkamer. Vormgeving Marjo Starink Bazalt 2016 Voor meer
Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen
Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er
Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Leerstofoverzicht Taal in beeld groep 4
Leerstofoverzicht Taal in beeld groep blok woordenschat spreken/luisteren schrijven taalbeschouwing Les : betekenis door plaatje Les : spreken Les : bij elke tekst hoort een schrijver Les : spelen met
LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK d Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HANDLEIDING d HL INHOUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Schooljaar 2015 2016 Nederlands havo vwo 1 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling H 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen?
Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen? In groep 5-6 nemen kinderen steeds vaker werk mee naar huis. Vaak vinden kinderen het leuk om thuis aan schooldingen
Informatie. vakgebieden. Groep 4
Informatie vakgebieden Groep 4 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo
Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 vmbo de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 vmbo de betekenis
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2018-2019 Klas: HV1 Lesperiode: 1 + 2 Diploma grammatica Methode: Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: Grammatica HF 1 t/m 6 Bladzijde: 25 t/m 30, 67 t/m 72, 109 t/m 114, 151 t/m 156, 193 t/m 198, 235
Methodeanalyse. Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO. Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg
Methodeanalyse Stelonderwijs; Taal in beeld Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg www.zwijsen.nl www.taalinbeeld.nl Eerste
Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5
Taal actief 4 taal verkennen groep 5-8 taal verkennen groep 5 In dit document een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen Taal verkennen groep 5. Deze kenn maakt onderdeel uit van de leerlijn
Het flexibel inzetten van de taalmethode heeft te maken met de functie van taal.
Taal: vakspecifieke toelichting en tips Taalverwerving en -onderwijs verlopen als het ware in cirkels: het gaat vaak om dezelfde inhouden, maar de complexiteit en de mate van beheersing nemen toe. Anders
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp werkwoordelijk gezegde
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp
Informatie. vakgebieden. Groep 6
Informatie vakgebieden Groep 6 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Inhoudsopgave. Blok 5 Verhalen 15 lesbeschrijvingen toetsing informatie over de herhalings- en plustaken
Inhoudsopgave Algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw van de methode 4 Leeractiviteiten 5 Opbrengstgericht werken 6 Samenwerkend leren 7 Toetsing en evaluatie 8 Combinatiegroepen 8
Naam leerlingen. Groep BBL 1 Nederlands. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen.
Verdiepend Basisarrange ment Naam leerlingen Groep BBL 1 Nederlands Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. - 5 keer per week 45 minuten basisdoelen toepassen in verdiepende contexten.
Leerstofoverzicht Lezen in beeld
Vaardigheden die bij één passen, worden in Lezen in beeld steeds bij elkaar, in één blok aangeboden. Voor Lezen in beeld a geldt het linker. Voor Lezen in beeld b t/m e geldt het rechter. In jaargroep
Voordoen (modelen, hardop denken)
week 11-12 maart 2012 - hardop-denktekst schrijven B Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet.
Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen
Basis Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Deviant methode leer/werkboek VIA vooraf op weg naar 1F. De 8 thema s in het boek hebben terugkerende
Informatie. vakgebieden. Groep 5
Informatie vakgebieden Groep 5 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Kinderen leren schrijven. www.taalvorming.nl
Kinderen leren schrijven www.taalvorming.nl Uitgangspunten van taalvorming Taalvorming is een lang bestaande werkwijze die je ook kunt zien als schrijfdidactiek werken vanuit eigen ervaringen samenhang
Voordoen (modelen, hardop denken)
Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet. Het voordoen (modelen) van het schrijven van
BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8
Zoals u wellicht weet wordt er ieder jaar in oktober de KINDERBOEKENWEEK georganiseerd. Op de meeste scholen worden er dan ook Voorleeswedstrijden gehouden, en gaat de aandacht speciaal uit naar de PROMOTIE
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: leesvaardigheid Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1 + 2 Theorie blz. 7-8, 50 aantekeningen oefeningen uit het leerboek stappenplan lezen De leerling kent de termen onderwerp, deelonderwerp, hoofdgedachte,
Visuele Leerlijn Taal
Visuele Leerlijn Taal www.gynzy.com Versie: 05-09-2019 Taalbegrip Abstracties Probleem & oplossing Zender & ontvanger Functies van taal Discussie Standpunt & argument Feit & mening Illustratie (als voorbeeld)
Routeboekje. Taal in beeld. Groep 8. Dit boekje is van:
Routeboekje Taal in beeld Groep 8 Dit boekje is van: Groep 8 Blok 1 Les 1 Basisstof HL E1 13 1 Woordenschat TB E1 6 1 Lees het verhaal over Sanne, Rein en Roy. TB E1 6 2 Schrijf op wat de gekleurde woorden
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Fictie Klas: MH-1 Lesperiode:1 Taalportfolio In je taalportfolio komen 5 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode worden de eerste 3 opdrachten beoordeeld
Uitprobeerpakket. Handleiding 4a groep 4 blok 4
Uitprobeerpakket Handleiding 4a groep 4 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Basisgrammatica Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Basisgrammatica Het computerprogramma Basisgrammatica
Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL
Nationaal congres Taal en Lezen 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Contactgegevens Tseard Veenstra [email protected] 06 55168626 Is spellingonderwijs nog relevant als we met behulp
Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs
kennisnet.nl Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs Op de volgende pagina s treft u het beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs. Het instrument is ingedeeld in acht
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder
En, wat hebben we deze les geleerd?
Feedback Evaluatie Team 5 En, wat hebben we deze les geleerd? FEED BACK in de klas En, wat hebben we deze les geleerd? Leerkracht Marnix wijst naar het doel op het bord. De leerlingen antwoorden in koor:
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Vak: Nederlands Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Lesperiode: 1 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Sterk in Taal en Spelling
Sterk in Taal en Spelling Staal Spelling methodiek José Schraven: voordoen, verwoorden, begeleid inoefenen, gerichte feedback 3 onderdelen: 1. spelling (onveranderlijke woorden): 34 categorieën verdeeld
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Vak: Nederlands, onderdeel taalportfolio /HV Lesperiode: 1 Taalportfolio deel 1 In je taalportfolio komen 4 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
Het houden van een spreekbeurt
Het houden van een spreekbeurt In deze handleiding staan tips over hoe je een spreekbeurt kunt houden. Waar moet je op letten? Wat moet je wel doen? En wat moet je juist niet doen? We hopen dat je wat
Workshop Handleiding. Verhalen schrijven. wat is jouw talent?
Workshop Handleiding Verhalen schrijven wat is jouw talent? Inhoudsopgave Hoe gebruik je deze workshop? Hoe kun je deze workshop inzetten in je klas? Les 1: Even voorstellen stelt zich kort voor en vertelt
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende regel De stam van werkwoorden kunnen noteren
Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is
Taal in beeld Spelling in beeld
Taal in beeld/ / Spelling in beeld Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld
Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Nationaal Gevangenismuseum Gevangen in beeld
Nationaal Gevangenismuseum Gevangen in beeld Groep 8 Les 1. Boeven in beeld Les 1. Boeven in beeld Nationaal Gevangenismuseum Groep 8 120 minuten Samenvatting van de les De les begint met een klassikaal
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek E2: de introductiepagina s
2 > Kerndoelen 11. 4 > Aan de slag 15. 5 > Introductie van de manier van werken 22. 6 > Mogelijke werkvormen en de plaats op het rooster 27
Inhoud 1 > Uitgangspunten 9 2 > Kerndoelen 11 3 > Materialen 12 4 > Aan de slag 15 5 > Introductie van de manier van werken 22 6 > Mogelijke werkvormen en de plaats op het rooster 27 7 > Waarom samenwerkend
Uitprobeerpakket. Handleiding 5a groep 5 blok 4
Uitprobeerpakket Handleiding 5a groep 5 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Het programma van deze PIT wordt gedurende het schooljaar aangepast aan het tempo en het niveau van de klas. Vak: Nederlands, onderdeel taalportfolio Klas: IG1 - EBR Lesperiode: 1 en 2 Taalportfolio opdracht
Informatie. vakgebieden. Groep 7
Informatie vakgebieden Groep 7 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Blauwe stenen leer je zo
Handleiding groep 3-8 Blauwe stenen leer je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een steen van Jeelo leert. Voor groep 3-4 wijzer 2009 Zo leer je blauwe stenen
Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO
Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO Oktober 2015 Verantwoording 2015 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het
Taaldomein vmbo. 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen: PowerPointpresentatie. k4 3 De spreekbeurt Soorten spreekbeurten De boekpresentatie
Taaldomein vmbo Methode Taaldomein 1 Mondeling 60p Schooltype vmbo-kgt 1-2, k3-4 2 Lezen 266p Editie vanaf 2004 3 Schrijven 120p Niveau 2F 4 Taalbeschouwing 285p 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen:
DATplus. Kerndoelanalyse SLO
DATplus Kerndoelanalyse SLO September 2014 Verantwoording 2014SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het toegestaan zonder voorafgaande toestemming
OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID. 1. Lees- en schrijfmotivatie
OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID 1. Lees- en schrijfmotivatie 1.1 Kinderen zijn intrinsiek gemotiveerd voor lezen en schrijven. 1.2 Ze beschouwen lezen en schrijven als dagelijkse routines.
Informatie. vakgebieden. Groep 8
Informatie vakgebieden Groep 8 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Versie: juni 2015 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Nieuwe methode aanschaffen? Dat kan nu veel voordeliger. Snappet
werkblad Scheldeberoep verkennen Veel beroepen hebben met de Schelde te maken. Welk beroep zou jij verder willen verkennen?
werkblad Scheldeberoep verkennen Veel beroepen hebben met de Schelde te maken. Welk beroep zou jij verder willen verkennen? Noteer ook 2 reservekeuzen: 1. 2. 1. Wat weet je al van dit beroep? Schrijf het
Lesbeschrijving Nederlands
Lesbeschrijving Nederlands Overzicht Leerjaar 1 VOx leerlijn nr. 1 Mondelinge taalvaardigheid Onderdeel nr. 2. Leesvaardigheid Subonderdeel nr. 2.1 Zakelijke teksten Lesnummer 9 Titel van de les Onderdelen
Uitwerking Leerlijn ICT Ogtb Titus Brandsma
Algemeen Uitwerking Leerlijn ICT Ogtb Titus Brandsma Maart 2015 o Groep 0/instroom: Afhankelijk van de ontwikkeling van het kind kunnen de muisvaardigheden geoefend worden door het programma Spelen met
Basis Werkwoordspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basisspelling en Basisgrammatica.
Basis Werkwoordspelling Basis Werkwoordspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basisspelling en Basisgrammatica. Basis Werkwoordspelling is een programma voor het leren
Onderdeel: Spelling Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Onderdeel: Spelling week 1 t/m week 3 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan een deel zuiver morfologisch
Ogo en taal van methode naar bronnenboek
Ogo en taal van methode naar bronnenboek Help!! Wat nu?? Niet in 1 keer alles loslaten Gefaseerd invoeren van werken met OGO thema s Gefaseerd invoeren van taal binnen thema s ???Taaltrapeze en OGO???
Handleiding leerkrachten. Eigen strip maken. Kerndoelen: Taal en ict 1x per week 4 tot 5 weken
Handleiding leerkrachten Eigen strip maken Doelgroep: Vak: Duur: Midden/bovenbouw Taal en ict 1x per week 4 tot 5 weken Inhoud: Het project wordt uitgevoerd tijdens de taallessen die ingeroosterd zijn.
Informatieboekje groep 5-6 schooljaar 2015-2016. Samenwerkingsschool de Lispeltuut
Informatieboekje groep 5-6 schooljaar 2015-2016 Samenwerkingsschool de Lispeltuut Oostkapelle, september 2015 informatieboekje voor groep 5/6 In dit boekje willen wij u in t kort vertellen hoe en met welke
Sabine Sommer is Interne begeleider van de bovenbouw.. Zij gaat vooral over de zorg van de kinderen.
Informatie over de gang van zaken in leerjaar 5 Sabine Sommer is Interne begeleider van de bovenbouw.. Zij gaat vooral over de zorg van de kinderen. ALGEMEEN Het allerbelangrijkste vinden wij dat de kinderen
LESSENSERIE 4: CKV-NL Recensie schrijven Lesplannen
LESSENSERIE 4: CKV-NL Recensie schrijven Lesplannen Algemene gegevens Docent Evah den Boer School Helen Parkhurst Titel lessenserie Recensie schrijven CKV/NETL Klas (en niveau) 4 vwo Aantal leerlingen
Brochure Begrijpend lezen VMBO 1
Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 2 Inleiding Het belang van begrijpend lezen kan nauwelijks overschat worden. Het niveau van begrijpend lezen dat kinderen aan het einde van
Handleiding Vervolgmodule OGO- Extra materiaal na Taalsituaties 3-6-9
Handleiding Vervolgmodule OGO- Extra materiaal na Taalsituaties 3-6-9 Extra materiaal na de Taalsituaties, Vervolgmodule OGO Algemeen In Extra materiaal na de Taalsituaties wordt de leerstof uit drie voorgaande
PROGRAMMA VOOR BEGRIJPEND LEZEN DE ZUID-VALLEI
PROGRAMMA VOOR BEGRIJPEND LEZEN DE ZUID-VALLEI (Dit programma is in 2011 aangepast aan de meest recente AVI-indeling van het CITO.) Het leren lezen is voor veel leerlingen een proces dat veel inspanning
HANDLEIDING LEA HAAR WERKEN MET WISK
HANDLEIDING LEA HAAR WERKEN MET WISK WERKEN MET WISK Wat voor methode is WISK? WISK is een leerlijn wiskunde- en rekentaal voor anderstaligen. De methode kan worden ingezet vanaf de eerste lesdag van de
Proefkatern Zin in taal Nieuw
Proefkatern Zin in taal Nieuw In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Zin in taal, groep 8: 1. Handleiding e1: het algemene gedeelte en eenheid 4 2. Taalboek e1: eenheid 4 3. Werkboek e1:
Zin in taal/ Zin in spelling tweede editie
Zin in taal/ Zin in spelling tweede editiee Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt
Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Lesperiode: 5 Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: 4 Blz. 127 t/m 12 Nieuw Nederlands Online H 1 t/m 4, onderdeel Lezen extra en Test Nieuwsbegrip
Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. 1. Tussendoelen lees- en schrijfmotivatie. 2. Tussendoelen technisch lezen
Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid Bron: Aarnoutse, C. & Verhoeven, L. (red.), Zandt, R. van het, Biemond, H.(in voorbereiding). Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. Een leerlijn voor groep 4 tot
(werkwoordelijk gezegde)
Grammatica 1F Grammatica 1F bestrijkt de basisregels van de Nederlandse grammatica die op de basisschool worden aangeleerd en waarmee in het voortgezet onderwijs meestal nog wordt geoefend. Doelgroepen
UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht!
UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht! Informatie: er is maar één juiste keuze! In onze informatiecentra in Rijssen en Ede vindt u de materialen uit de verschillende methoden, zodat u zich goed
Slimme en aantrekkelijke software voor taal en spelling
Slimme en aantrekkelijke software voor taal en spelling Met de software van en Spelling in beeld haalt u meer uit élke leerling! Leerkrachtassistent: digibordsoftware voor optimale voorbereiding en aantrekkelijke
Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs Paul Filipiak
Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs Paul Filipiak juli 2009 Schrapvoorstel Taal actief 3e versie Ten behoeve van intensiever woordenschatonderwijs 1 Schrapcriteria
Lesstof groep 8 Wat leert uw kind de komende maanden.
Nummer 1 oktober 2015 Lesstof groep 8 Wat leert uw kind de komende maanden. In groep 8 vindt de afronding plaats van de basisschool. Dit betekent dat alle stof herhaald wordt en vooral door elkaar wordt
