Proefkatern Taal in beeld
|
|
|
- Karolien de Ridder
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek B2: de introductiepagina s en blok 7 3 werkboek B2: de introductiepagina s en blok 7 4 kopieerboek: kopieerbladen blok 7 (met de toetstaak, het registratieblad en de eerste vier herhalingstaken). Met dit katern krijgt u zicht op hoe Taal in beeld werkt. De materialen stellen u in staat lessen van blok 7 uit te proberen in uw groep. Blok 7 bestaat uit 12 lessen. Zwijsen geeft u toestemming om voor het uitproberen kopieën te maken uit dit katern. De herhalingstaken (Woordkenner en Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld) zijn niet bijgevoegd. Woordkenner is een leerspel dat als herhalingstaak op het gebied van woordenschat elk blok terugkomt. Met het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld kunnen leerlingen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Meer informatie over Woordkenner en het Computerprogramma Woordenschat Taal in beeld vindt u op Heeft u nog vragen, neem dan contact op met Zwijsen Klantenservice: of [email protected]. Wij wensen u en uw leerlingen veel (leer)plezier met Taal in beeld!
2 Zwijsen Ben Verschuren Adriaan Maters Jos Cöp Hans van Wessel Maril Rijks handleiding b2
3 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5 Toetsing en evaluatie 6 Combinatiegroepen 7 Materialen 7 Leerstof 7 Handleiding online 10 blok 5 verhalen Basislessen 12 Toetstaak 24 Herhalingstaken 26 blok 6 samen leven Basislessen 31 Toetstaak 43 Herhalingstaken 45 blok 7 cultuur Basislessen 50 Toetstaak 62 Herhalingstaken 64 blok 8 andere tijden Basislessen 69 Toetstaak 81 Herhalingstaken 83 Colofon 88 Taalin - Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
4 hl algemene handleiding met Taal in beeld U gaat werken met Taal in beeld. Deze handleiding helpt u om snel en op een prettige manier met de methode te gaan werken. Daartoe wordt in een beperkt aantal pagina s de belangrijkste informatie gegeven die u nodig hebt. Alle overige gegevens over de methode, waaronder meer uitgebreide onderdelen die horen bij deze handleiding, vindt u op de website Hebt u vragen, opmerkingen of suggesties, dan kunt u hiervoor ook terecht op de website. Hoe meer informatie wij van u krijgen, hoe beter wij in staat zijn om de methode mee te laten groeien met uw wensen en verwachtingen. Invoering Taal in beeld kunt u in één keer in alle groepen invoeren. Het eerste blok van ieder jaarprogramma is een instapblok waarin alle eerder aangeboden leerstof die nodig is voor het komende jaarprogramma, wordt opgefrist. De leerlingen raken dus niet het spoor bijster omdat er ineens termen worden gebruikt of specifieke voorkennis wordt verondersteld die ze nooit eerder aangeboden hebben gekregen. Ook u als leerkracht krijgt tijdens het eerste blok een globaal overzicht van wat aan de orde is geweest in vorige jaargroepen, voor zover het van invloed is op de lessen die u dit leerjaar aan gaat bieden. Mocht u verder nog een gedetailleerde samenvatting willen hebben van de eerder aangeboden leerstof in relatie tot de leerstof in uw jaargroep, dan vindt u op een uitgebreid leerstofoverzicht. Overzicht Taal in beeld bestaat uit vijf gedeelten. Het onderstaande schema geeft aan welk deel bestemd is voor welke jaargroep van het reguliere basisonderwijs. Voor andere typen (basis)scholen kan ervoor gekozen worden om de leerstof op een andere manier te verdelen. Deel Jaargroep A (a1 en a2) 4 B (b1 en b2) 5 C (c1 en c2) 6 D (d1 en d2) 7 E (e1 en e2) 8 De kenmerken van Taal in beeld Taal in beeld heeft drie belangrijke kenmerken. Het pakket is compleet, compact en flexibel. Compleet Taal in beeld is een complete methode: het programma biedt alle leerstof aan die u als school op basis van de kerndoelen geacht wordt aan te bieden. Kerndoelen zijn streefdoelen en geven aan wat een leerling globaal moet kennen en kunnen aan het eind van de basisschool. Ze beschrijven in grote lijnen wat in elk geval aan de orde moet komen op de basisschool. Maar niet alles wat op school gebeurt, is voorgeschreven in kerndoelen. Scholen hebben ook ruimte voor een eigen, specifiek onderwijsaanbod. Bij de ontwikkeling van Taal in beeld is uitdrukkelijk rekening gehouden met de kerndoelen voor taal, zoals die door de overheid zijn vastgesteld. Een school die werkt met Taal in beeld is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van de methode voldoet aan de kerndoelen. Compact Taal in beeld is compleet, maar daarnaast ook compact. Zowel het aantal lessen als het aantal schoolweken dat nodig is om het programma uit te voeren, is beperkt gehouden. Hierdoor zult u als leerkracht geen tijdsdruk ervaren omdat er nog zoveel moet. Voor de leerlingen is er voldoende tijd beschikbaar om de leerstof goed op te kunnen nemen en toe te passen. Verder is ook in de hoeveelheid materialen terug te zien dat de methode compact is. Geen grote hoeveelheid materialen die mogelijk gebruikt kunnen worden, maar een duidelijke keuze voor het noodzakelijke en het wenselijke. Op papier en in de vorm van software. Flexibele organisatievorm Taal in beeld is een flexibele methode. Kinderen verschillen, leerkrachten verschillen, scholen verschillen en omstandigheden verschillen. Taal in beeld houdt rekening met deze verschillen door diverse organisatievormen mogelijk te maken. Zo kunt u interactief met de hele groep aan de slag gaan, maar u kunt de leerlingen ook zelfstandig alle onderdelen van het programma laten uitvoeren. Hierbij kunnen ze individueel werken of samen met andere leerlingen. Doordat de taalactiviteiten geschikt zijn voor een geïndividualiseerde, een samenwerkende en klassikale organisatievorm, hoeft u niet te kiezen tussen interactief taalonderwijs of zelfstandig leren. U kunt met Taal in beeld de kracht van beide vormen combineren. U bepaalt in welke mate u de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Maar uiteindelijk werken ze wel aan dezelfde leerstof, waardoor de organisatie van de lessen overzichtelijk en uitvoerbaar blijft. De opbouw van de methode Taal in beeld Jaarprogramma Taal in beeld biedt een jaarprogramma voor 34 schoolweken en is opgebouwd uit acht blokken van vier weken. Na de blokken 4 en 8 is er een zogenaamde breekweek: een week waarin geen lessen uit de acht blokken aan de orde komen. De breekweken kunnen gebruikt worden als uitloopweken of als weken om op een andere manier met taal bezig te zijn. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 -Taalin d
5 hl algemene handleiding Algemene opbouw van een blok De eerste drie weken van ieder blok bestaan uit de basislessen. Aan het einde van de derde week of in het begin van de vierde week is er een toetstaak. Daarmee wordt vastgesteld welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben en welke (nog) niet. De kinderen die de doelen bereikt hebben, gaan vervolgens aan de slag met plustaken (verdiepingsstof), waarin ze leerkrachtonafhankelijk hun geleerde kennis, vaardigheden en strategieën toepassen en uitbouwen. De kinderen die de doelen van het blok nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week eerst herhalingstaken waarin ze de leerstof die ze nog niet beheersen, nogmaals aangeboden krijgen. Extra instructie en begeleide verwerking zijn hierbij de uitgangspunten. De opbouw van deel b1 en b2 Het schema hiernaast biedt een overzicht van de opbouw van het programma van de delen b1 en b2. Deel b1 bevat de blokken 1 tot en met 4 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Deel b2 bevat de blokken 5 tot en met 8 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit twaalf basislessen, die aangeboden worden in de eerste drie weken van het blok. De vierde week start met de toetstaak, gevolgd door herhalingstaken en plustaken. Thema s De verschillende blokken bevatten voor alle jaargroepen op hetzelfde moment dezelfde thema s. De volgende onderwerpen komen aan bod: Blok Thema 1 Omgeving 2 Natuur 3 Reizen 4 Gevoel 5 Verhalen 6 Samen leven 7 Cultuur 8 Andere tijden De thema s komen overeen met die in methoden als Tussen de regels en Ondersteboven van lezen. Hierdoor bent u gemakkelijk in staat om vakoverstijgend en thematisch te werken. Instapblokken Het eerste blok van ieder leerjaar (met uitzondering van deel a1) start met een instapblok. Hierin komen alle leerstofonderdelen aan bod die eerder aangeboden zijn en relevant zijn voor het komende leerjaar. In blok 2 tot en met 7 wordt nieuwe leerstof aangeboden. Blok 8 is een afsluitend blok waarin geen nieuwe leerstof wordt aangeboden. Hierin is alle aandacht gericht op het integreren, herhalen en toepassen van de leerstof die gedurende het jaar is aangeboden. week deel blok weekprogramma dag 1 dag 2 dag 3 dag 4 dag 5 1 b1 blok 1 ws sl tb s 2 blok 1 ws sl tb s 3 blok 1 ws sl tb s 4 blok 1 toets h/p h/p h/p 5 blok 2 ws sl tb s 6 blok 2 ws sl tb s 7 blok 2 ws sl tb s 8 blok 2 toets h/p h/p h/p 9 blok 3 ws sl tb s 10 blok 3 ws sl tb s 11 blok 3 ws sl tb s 12 blok 3 toets h/p h/p h/p 13 blok 4 ws sl tb s 14 blok 4 ws sl tb s 15 blok 4 ws sl tb s 16 blok 4 toets h/p h/p h/p 17 breekweek 18 b2 blok 5 ws sl tb s 19 blok 5 ws sl tb s 20 blok 5 ws sl tb s 21 blok 5 toets h/p h/p h/p 22 blok 6 ws sl tb s 23 blok 6 ws sl tb s 24 blok 6 ws sl tb s 25 blok 6 toets h/p h/p h/p 26 blok 7 ws sl tb s 27 blok 7 ws sl tb s 28 blok 7 ws sl tb s 29 blok 7 toets h/p h/p h/p 30 blok 8 ws sl tb s 31 blok 8 ws sl tb s 32 blok 8 ws sl tb s 33 blok 8 toets h/p h/p h/p 34 breekweek ws = woordenschat sl = spreken/luisteren h = herhalingstaken s = schrijven tb = taalbeschouwing p = plustaken jaarplanning deel b1 en b2 -Taalin d Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2
6 algemene handleiding De activiteiten in Taal in beeld Zelfstandig leren, samenwerkend leren en begeleid leren Taal in beeld maakt verschillende organisatievormen gelijktijdig mogelijk. Alle lessen zijn namelijk zo opgezet dat u als leerkracht kunt bepalen of de leerlingen zelfstandig (individueel of in samenwerking met andere kinderen) of begeleid (klassikaal of in een groepje onder uw leiding) aan de slag gaan. Welke organisatievorm u ook kiest, alle kinderen doorlopen altijd dezelfde opdrachten en gebruiken dezelfde materialen. Dit betekent dat de lessen voor u als leerkracht makkelijk te organiseren zijn. U bepaalt zelf in welke mate er sprake is van mondelinge interactie tijdens de les en u kunt ervoor kiezen die te beperken. Wanneer het bereiken van het lesdoel zonder interactie niet mogelijk is, bijvoorbeeld bij een aantal lessen spreken/luisteren, dan attendeert de methode u hierop. Alle activiteiten in het taalboek en het werkboek De lessen in Taal in beeld zijn opgebouwd uit vaste onderdelen: de doelstelling, de introductie, de instructie, de verwerking en de evaluatie/reflectie. Deze elementen zijn ook terug te vinden in het leerlingmateriaal: Wat ga je doen?, Op verkenning, Uitleg, Aan de slag en Terugkijken. Mede hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de leerlingen op een effectieve en efficiënte manier zelfstandig te laten leren. Niets verplicht u echter om kinderen de les zelfstandig te laten doorlopen. U kunt er ook voor kiezen de les gezamenlijk op een interactieve manier door te werken. De verschillende fasen worden hieronder uitvoeriger toegelicht. De didactische fasering en de route door de les Een les in Taal in beeld bestaat uit een viertal fasen die volgen als de doelstelling is aangegeven. Tezamen vormen die fasen de lesroute die de leerlingen aan de hand van de aanwijzingen in het taalboek en het werkboek zelfstandig (individueel of samenwerkend) of begeleid (klassikaal of in een groepje) kunnen doorlopen. Op verkenning De eerste fase is Op verkenning. Hierin gaan kinderen aan de slag met enkele verkennende opdrachten. De bedoeling is dat ze zich hiermee oriënteren of voorbereiden op het onderwerp van de les, of aan de hand van een probleemstelling tot oplossingen proberen te komen. Uitleg De tweede fase is Uitleg. Dit is het instructiemoment in de les. De uitleg is enerzijds een conclusie vanuit de verkenning en anderzijds de inhoudelijke instructie die nodig is om de volgende fase te kunnen doorlopen. De instructie wordt weergegeven in een geschreven blok, maar afhankelijk van de organisatievorm kan ze ook dienen als basis voor mondelinge uitleg. De derde fase is en bevat de verwerkingsopdrachten, die gedeeltelijk in het werkboek en gedeeltelijk in het taalboek staan. Terugkijken De vierde fase is Terugkijken en heeft tot doel om te reflecteren en te evalueren. De centrale vraag hierbij is dan ook: Wat heb je geleerd? De leerlingen maken een evaluerende opdracht, waarin altijd een verband wordt gelegd met het lesdoel. Afhankelijk van de gekozen organisatievorm kan de evaluatie ook mondeling plaatsvinden. Voor kinderen die eerder klaar zijn, bevat iedere les nog een extra opdracht. Tijdsindicaties Een les in Taal in beeld duurt ongeveer 35 tot 50 minuten. De exacte tijdsduur is afhankelijk van de organisatievorm waarin de les wordt aangeboden. Het is een bekend gegeven dat er bij zelfstandig lerende kinderen een aanzienlijk verschil kan zijn in de tijd die ze nodig hebben om tot een resultaat te komen. Organisatorische problemen zullen zich echter niet voordoen, want de snelle kinderen kunnen aan de slag met de extra opdracht. Wanneer de les met de hele groep wordt doorgewerkt, zal deze ongeveer 45 minuten duren. Vanwege verschillen in de benodigde tijd in relatie tot de organisatievorm, is ervoor gekozen de lesonderdelen zelf niet te voorzien van tijdsindicaties. De differentiatie in Taal in beeld Differentiatie naar begeleidingsbehoeften Taal in beeld biedt een breed scala aan differentiatiemogelijkheden. Bij alle lessen kunt u differentiëren naar intensiteit van de begeleiding die u geeft. Sommige leerlingen of groepen kunt u meer loslaten, terwijl u andere juist veel ondersteuning wilt bieden. Om alle kinderen de begeleiding te geven die ze nodig hebben, kunt u groepen in verschillende organisatievormen laten werken. Met de kinderen die veel ondersteuning nodig hebben, doorloopt u de lesroute samen. Binnen deze organisatievariant, eerder benoemd als begeleid leren, is er veel ruimte voor mondelinge interactie en begeleiding. De leerlingen die hier minder behoefte aan hebben, laat u meer leerkrachtonafhankelijk werken, individueel of samen met andere kinderen. Tempodifferentiatie: extra stof Tijdens de lessen zal het vaak zo zijn dat bepaalde leerlingen eerder klaar zijn dan andere. Dit vraagt om tempodifferentiatie, waarbij er extra werk is voor de snelle leerlingen. Allereerst kunnen zij de extra opdracht maken. Deze staat in het taalboek aan Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 5 -Taalin d
7 hl algemene handleiding het einde van iedere les. Mochten zij daarna nog behoefte hebben aan meer stof, dan kunt u hun verdiepingsstof geven in de vorm van plustaken uit Taalmaker, of laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Taalmaker is het gedeelte van Taal in beeld dat extra taaltaken bevat in de vorm van kaarten en werkbladen. Niveaudifferentiatie: plustaken (verdiepingsstof) Wat betreft de verdiepingsstof in de vorm van plustaken hebt u een breed scala aan mogelijkheden. Alle plustaken hebben echter één ding gemeen: het is niet meer van hetzelfde, maar het zijn taalactiviteiten vanuit een andere, meer toepassende invalshoek. Alle plustaken die horen bij Taal in beeld, vindt u in het onderdeel Taalmaker. Taalmaker bestaat uit een doos met kaarten en werkbladen. Periodiek zullen de plustaken in Taalmaker aangevuld en vernieuwd worden, waardoor de uitdaging voor de leerlingen groot zal blijven. De plustaken kunnen op drie momenten gebruikt worden. Ten eerste als tempodifferentiatie bij de basislessen. Zijn leerlingen eerder klaar, dan kunnen ze, na de extra opdracht, aan de slag met de plustaken. Ten tweede als leerstof voor op de vijfde dag van de week, wanneer er geen basisprogramma is. Wilt u kinderen die dag toch taalopdrachten laten uitvoeren, dan kunnen ze aan de slag gaan met de plustaken. Ten derde als leerstof voor in week 4, na de toets. In eerste instantie geldt dit voor kinderen die geen behoefte hebben aan herhalingstaken. Meer informatie over de plustaken uit Taalmaker vindt u bij De materialen van Taal in beeld. Niveaudifferentiatie op het gebied van woordenschat kunt u realiseren door kinderen te laten werken met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Daarin krijgen ze eerst de woorden uit de basislessen aangeboden. Deze worden uitgelegd, geoefend en getoetst. Kennen ze deze woorden, dan biedt het programma extra woorden aan. Deze zijn onderdeel van de verdiepingsstof. Niveaudifferentiatie: herhalingstaken Aan het einde van de derde week of in de vierde week van ieder blok maken de leerlingen een toetstaak. Deze is bedoeld om vast te stellen of ze de doelen van het blok bereikt hebben. Als dit niet het geval is, krijgen ze de vierde week herhalingstaken bij de onderdelen die ze nog niet beheersen. De herhalingstaken worden bij ieder blok beschreven in de handleiding. De leerlingen kunnen ze in principe zelfstandig maken, maar geadviseerd wordt om hen hierbij te begeleiden. Toetsing en evaluatie in Taal in beeld Er bestaan verschillende manieren om de resultaten van de leerlingen te evalueren. Het gaat hierbij om evaluatie op korte, middellange en lange termijn. Korte termijn Evaluatie op korte termijn is gericht op het vaststellen of de lesdoelen wel of niet bereikt zijn. Dit gebeurt op twee manieren. Ten eerste door de leerlingen zelf, via de reflectieopdracht in de fase Terugkijken van de basislessen. Hierbij stellen ze zelf vast wat ze geleerd hebben tijdens de les. Een tweede manier om na te gaan of de doelen bereikt zijn, is door gebruik te maken van de observatiepunten in de handleiding. Deze zijn terug te vinden bij een aantal basislessen. Middellange termijn Evaluatie op middellange termijn is bedoeld om vast te stellen of de leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben. Aan het einde van de derde of aan het begin van de vierde week van elk blok is er een toetstaak die bestaat uit een aantal toetsopdrachten. Deze opdrachten zijn gericht op verschillende taaldomeinen. Taalbeschouwing en woordenschat worden na ieder blok getoetst. Schrijven en spreken/luisteren worden daar regelmatig aan toegevoegd. Taal in beeld bevat registratiebladen waarop de toetsresultaten van de leerlingen vastgelegd kunnen worden. Tevens vindt u op deze bladen de adviesnorm bij de verschillende toetsopdrachten. Op basis van de score krijgt u ook een advies over de gewenste vervolgactiviteiten. Zo kunt u direct zien of de leerling herhalingstaken moet gaan uitvoeren en welke dat zijn, of dat hij plustaken kan gaan maken. In het laatste geval vindt u een verwijzing naar Taalmaker, het onderdeel van de methode waarin de plustaken zijn verzameld. De registratiebladen vindt u in het kopieerboek. Evaluatie op lange termijn Taal in beeld legt het accent op methodegebonden toetsen, waarmee uitspraken worden gedaan over de mate waarin leerlingen de doelen van de methode bereiken. Evaluatie op lange termijn staat meer in het teken van het taalniveau van een leerling in het algemeen of in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Hiervoor zijn toetsen nodig die voldoende betrouwbaar en gevalideerd zijn om een antwoord te geven op deze vraag. Dit overstijgt de mogelijkheden van de toetsing in een taalmethode. Wanneer u behoefte hebt aan een dergelijke evaluatie, dan adviseren we u gebruik te maken van toetsen die speciaal voor dit doel gemaakt zijn. Onder andere de Cito-groep in Arnhem brengt in het kader van haar leerlingvolgsysteem een aantal geschikte toetsen op de markt. -Taalin 6 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
8 algemene handleiding Taal in beeld in combinatiegroepen Individueel of samen zelfstandig leren Taal in beeld is een methode met veel mogelijkheden om zelfstandig te leren. Alleen in situaties waarin de lesdoelen niet bereikt kunnen worden zonder interactie, zoals bij een aantal lessen spreken/luisteren het geval is, adviseert de methode u bepaalde opdrachten op basis van samenwerkend leren (of klassikaal) te doen. Door de ruime mogelijkheden voor zelfstandig leren (individueel of samenwerkend), is Taal in beeld uitermate geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen of stamgroepen. De leerlingen kunnen leerkrachtonafhankelijk aan de opdrachten gaan werken en u kunt bepalen welke kinderen u op welk moment intensiever begeleidt. Op deze manier wordt voorkomen dat u het gevoel krijgt eigenlijk op meerdere plekken tegelijkertijd te moeten zijn. Doordat de lessen in Taal in beeld ook geschreven zijn voor zelfstandig leren, is dit niet meer het geval. Ook kinderen die zelfstandig aan het werk gaan, worden attent gemaakt op de doelstelling van de les, oriënteren zich op de lesstof, krijgen uitleg in de vorm van beschreven tekstblokken, maken de verwerkingsopdrachten en reflecteren op wat ze geleerd hebben. Doordat zij zich volledig zelf kunnen redden, kunt u zich meer richten op die kinderen die uw hulp het hardst nodig hebben, onafhankelijk van de jaargroep waarin ze zitten. Lessen omwisselen in het weekprogramma Mocht er echter toch een situatie ontstaan waarin u twee jaargroepen tegelijkertijd begeleiding wilt geven, bijvoorbeeld omdat beide groepen op hetzelfde moment een interactieve les spreken/ luisteren op het programma hebben staan, dan is het geen enkel probleem om lessen in het weekprogramma om te wisselen. Door een van de jaargroepen met een schrijfles aan de slag te laten gaan terwijl u zelf met de andere jaargroep de les spreken/luisteren doet, hebt u het probleem opgelost. Het weekprogramma kent geen gedwongen volgorde in de lessen. De materialen van Taal in beeld Het materialenoverzicht Het b2-gedeelte van Taal in beeld bestaat uit de volgende materialen. - Een taalboek b2, waarin de basislessen staan uitgewerkt. - Een werkboek b2, waarin een gedeelte van de opdrachten is uitgewerkt. - Een antwoordenboek b2, waarin de antwoorden op de opdrachten (uit taal- en werkboek) zijn te vinden. - Een handleiding b2, waarin het volledige lesprogramma voor de leerkracht is beschreven. Hierbij vindt u ook de activiteitenbeschrijvingen die horen bij de toets- en herhalingstaken. - Een kopieerboek B, waarin alle kopieerbladen opgenomen zijn. Het gaat hierbij om de toetstaak (inclusief registratiebladen) en de herhalingstaken per blok. - Woordkenner B, een herhalingstaak op het gebied van woordenschat, die ieder blok terugkomt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van bladen en een spelbord dat de activiteit ondersteunt. - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Met dit programma kunnen kinderen de doelwoorden uit de lessen herhalen en ermee oefenen. Naar dit gedeelte van het programma wordt verwezen bij de basislessen en de herhalingstaken van ieder blok. Naast de doelwoorden uit de basislessen bevat het programma een groot aantal nieuwe doelwoorden. Dit gedeelte van het programma kan ingezet worden als plustaak. - Taalmaker B, waarin plustaken zijn ondergebracht. Die bestaat uit een doos met kaarten en werkbladen. Wat wordt wanneer gebruikt? Een blok in Taal in beeld bestaat uit vier lesweken. Tijdens de eerste drie weken worden de basislessen aangeboden. Deze staan in het taalboek en het werkboek en worden toegelicht in de handleiding. Op de vijfde dag van iedere week is geen basisstof gepland. U kunt ervoor kiezen op deze dag geen taalles op het rooster te zetten, maar het is ook mogelijk om deze dag als uitloopmogelijkheid te gebruiken. Een derde optie is op die dag geen basisstof aan te bieden, maar de leerlingen te laten werken aan de plustaken. Aan het einde van week 3 of begin van week 4 is er een toetstaak. De kinderen die onvoldoende scoren op (onderdelen van) de toets, gaan vervolgens de bijbehorende herhalingstaken doen. In de handleiding en op het registratieblad (te vinden in het kopieerboek), wordt op basis van de score aangegeven welke herhalingstaken aan bod kunnen komen. De overige kinderen kunnen aan de slag gaan met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Zowel de herhalings- als de plustaken worden per blok toegelicht in de handleiding. De laatste dag van week 4 zijn er geen herhalingstaken. Alle kinderen kunnen dan eventueel aan de slag met de plustaken uit Taalmaker of met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Het schema op de volgende pagina biedt een overzicht van de activiteiten per blok en de te gebruiken materialen. De leerstof in Taal in beeld Vier taaldomeinen Taal in beeld besteedt in elk leerjaar ruim aandacht aan de taaldomeinen woordenschat, spreken/luisteren, schrijven (stellen) en taalbeschouwing. Hiermee voldoet de methode ruimschoots aan de kerndoelen voor het basisonderwijs en de tussendoelen beginnende en gevorderde geletterdheid, voor zover van toepassing voor een taalmethode Voor het spellingonderwijs is er een bijbehorende uitgave beschikbaar onder de naam Spelling in beeld. Deze methode vormt een Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 7 -Taalin d
9 hl algemene handleiding Week 1, 2 en 3 Week 4 Basisstof Lessen (taalboek en werkboek) Toetstaak (kopieerboek) Herhalingstaken Plustaken Geen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen - Herhalingstaken (kopieerboek) - Woordkenner - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen - Taalmaker - Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen complete spellingleergang die werkt volgens dezelfde principes als Taal in beeld. Tevens is er op tal van punten sprake van een afstemming tussen beide methodes. Meer informatie hierover vindt u op onze website, De leerstof van Taal in beeld is sterk gericht op het leren gebruiken van strategieën. De leerlingen leren hoe ze taal moeten gebruiken en welke mogelijkheden taal biedt, maar ook welke taalvaardigheden hen daarbij kunnen helpen. Hierbij gaat het om taalvaardigheden die voor, tijdens en na het communiceren gehanteerd worden. De leerlingen leren om, afhankelijk van de situatie waarin ze zich bevinden, een passende keuze te maken uit de taalvaardigheden die ze beheersen. Het kunnen bepalen welke vaardigheden nodig zijn en deze vervolgens op een juiste manier toepassen, vormt de kern van de strategisch aanpak die de leerlingen zich met Taal in beeld eigen maken. Daardoor ontwikkelen ze taalcompetenties die hen in staat stellen om actief en bewust om te gaan met de taal en ermee te communiceren. Hieronder wordt in grote lijnen per taaldomein aangegeven welke leerstof in Taal in beeld aan de orde komt en hoe deze is opgebouwd. Een meer gedetailleerd overzicht van de leerlijnen vindt u op onze website, Woordenschat Het leerstofaanbod op het gebied van woordenschat is gericht op twee subdomeinen: de beheersing van woordenschatstrategieën en -vaardigheden en het verwerven van de betekenis van de doelwoorden. De woordenschatstrategieën en -vaardigheden In Taal in beeld komen twee soorten woordenschatstrategieën aan de orde: de eerste om de betekenis van woorden te kunnen achterhalen en de tweede om de woordbetekenis beter te kunnen onthouden. Ze worden aangeduid als respectievelijk, een woordleerstrategie en een woordonthoudstrategie. De leerlingen beheersen de strategieën als ze uit de bijbehorende taalvaardigheden een adequate keuze kunnen maken en deze op de juiste manier kunnen toepassen. Hierbij gaat het enerzijds om woordleervaardigheden en anderzijds om woordonthoudvaardigheden. Deze vaardigheden komen elk leerjaar op hetzelfde moment terug. Het gaat daarbij om de volgende vaardigheden. Woordleervaardigheden - de woordbetekenis afleiden uit plaatje - de woordbetekenis afleiden uit de tekst (of de context) - de woordbetekenis afleiden via woordanalyse - de woordbetekenis opzoeken - de woordbetekenis navragen Woordonthoudvaardigheden - de woordbetekenis onthouden door te associëren (bijvoorbeeld door een woordweb te maken) - de woordbetekenis onthouden door woorden te ordenen (bijvoorbeeld door het maken van een woordkast, woordparaplu, woordpad of woordpodium) - de woordbetekenis onthouden door woorden toe te passen (bijvoorbeeld door te tekenen, te schrijven of woordspellen te maken) De doelwoorden In de woordenschatlessen in het taalboek en het werkboek ligt het accent op het leren van woordenschatstrategieën en -vaardigheden. Deze worden aangeboden in de verschillende lesfasen (Op verkenning, Uitleg,, Terugkijken). In het verlengde hiervan komen ook doelwoorden aan bod in de lessen. Er is voor gekozen om tijdens de basislessen beperkt uitleg te geven over de betekenis van de doelwoorden. Het is bekend dat de verschillen tussen kinderen voor wat betreft hun woordenschat groot zijn. Het is daarom in onze opvatting niet gewenst alle leerlingen uitgebreid uitleg te geven over alle woordbetekenissen in alle situaties. De uitgebreide uitleg vindt dan ook pas plaats na de toets in de herhalingstaken, waardoor u als leerkracht zich kunt richten op de kinderen die bij de toets onvoldoende woorden kenden. Een van de herhalingstaken is het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen. Hierin ligt het accent volledig op het beheersen van de doelwoorden. De wijze van aanbieden is gebaseerd op het bekende vierfasenmodel: introductie, semantisering (betekenis aanbrengen), consolideren (veelzijdig inoefenen) en evalueren. Wanneer de leerlingen aan de slag gaan met het computerprogramma, krijgen ze in eerste instantie de woorden aangeboden die ook in het taal- en werkboek aan de orde zijn geweest. Als ze die beheersen, krijgen ze nog een groot aantal nieuwe doelwoorden aangeboden. Het totaal aantal doelwoorden dat per blok aangeboden wordt, bedraagt 80. Meer informatie -Taalin d Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2
10 algemene handleiding over het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen vindt u in de toelichting die hoort bij dit softwarepakket. De doelwoorden die aangeboden worden, vallen uiteen in drie categorieën: - woorden die nodig zijn voor algemeen dagelijks taalgebruik; - woorden die nodig zijn voor gebruik in en rond de school; - woorden die van belang zijn om te kunnen reflecteren op taal. Spreken/luisteren De leerstof in het domein spreken/luisteren is erop gericht de leerlingen adequate strategieën aan te leren om effectief te kunnen spreken en luisteren. Hierbij maakt Taal in beeld onderscheid tussen spreken, luisteren en het voeren van een gesprek. De onderdelen spreken en luisteren worden aangeboden in de vorm van eenrichtingsverkeer, waarbij zowel voor de spreker als voor de luisteraar specifieke strategieën aan bod komen. Bij het voeren van gesprekken gaat het om de gezamenlijke uitwisseling van gedachten over eenzelfde onderwerp. Om de leerlingen de spreek-, luister- en gespreksstrategieën aan te leren, komen in Taal in beeld, gekoppeld aan een achttal aandachtsgebieden, onder andere de volgende vaardigheden aan de orde: De voorbereiding het spreekdoel bepalen een woordweb gebruiken onderzoek doen in de bibliotheek of op internet vragen stellen De doelgroep praten met verschillende mensen op de luisteraar letten stap voor stap iets uitleggen de juiste mensen aanspreken Spreek/luister-situaties een inleiding geven verslag uitbrengen informatie geven een mening geven en argumenteren een betoog houden en een debat of discussie voeren een monoloog houden een verhaal of gedicht voorlezen, vertellen of voordragen een toneelstuk of een sketch spelen een mop vertellen Gesprekstechnieken bij het onderwerp blijven gedachten uitwisselen vragen stellen en doorvragen reageren op anderen conclusies trekken Het gebruik van beeldmateriaal uitleggen en vertellen met behulp van beeldmateriaal proefjes uitvoeren Lichaamstaal aandacht voor houding en gebaren aandacht voor stemgebruik en spreekpauzes aandacht voor het maken van oogcontact Woordgebruik moeilijke woorden, verwijswoorden en verbindingwoorden gebruiken een juiste woordkeuze maken De structuur van een gesprek informatie ordenen en rangschikken de juiste volgorde aanbrengen improvisatie het gesproken woord vastleggen Wanneer de leerlingen deze vaardigheden beheersen en in staat zijn om ze op het juiste moment te gebruiken, beschikken ze over adequate spreek-, luister- en gespreksstrategieën. Ze ontwikkelen zich op deze manier tot competente sprekers, luisteraars en gesprekspartners. Sprekershoek Vanaf groep 4 wordt in alle lessen Spreken en luisteren een tip gegeven voor de Sprekershoek. Daarmee wordt een activiteit bedoeld waarbij de leerlingen in het openbaar leren spreken. De naam is ontleend aan Speaker s Corner, een plek in Hide Park in Londen waar ieder die dat wil zijn zegje mag doen. Voor de Sprekershoek in de klas geldt eveneens dat het de leerlingen vrij staat om hun zegje te doen. Gebruik de Sprekershoek dan ook om de leerlingen uit te dagen iets te vertellen over wat ze hebben geleerd, meegemaakt, ontdekt of wat ze ergens van vinden. Laat de andere kinderen reageren. Geef alle leerlingen de kans om van de Sprekershoek gebruik te maken, ook al is het nog zo kort. Het gaat hier niet om een spreekbeurt, maar om het leren spreken in het openbaar. Om de Sprekershoek tot een uitnodigende activiteit te maken kunt u voor in de klas een lessenaar zetten. Dat is de plek waar de kinderen op gezette tijden hun zegje mogen doen. Dat kan spontaan of voorbereid. Tijdens een discussie kunt u de Sprekershoek bijvoorbeeld gebruiken om enkele leerlingen om de beurt hun mening te laten geven. De Sprekershoek geeft dan iets meer cachet aan de zaak. De tips in de handleiding zijn bedoeld om de geleerde vaardigheden ook in de Sprekershoek toe te passen. Schrijven In het domein schrijven leren kinderen een adequate schrijfstrategie hanteren. Om de leerlingen de schrijfstrategie aan te leren komen in Taal en beeld onder andere de volgende vaardigheden aan de orde. Ze zijn verdeeld over zes aandachtsgebieden: Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 -Taalin d
11 hl algemene handleiding De voorbereiding het schrijfdoel en de doelgroep bepalen het onderwerp bepalen en informatie verzamelen onderzoek doen Tekstsoorten schrijven een verhaaltekst en monoloog schrijven een gedicht, toneelstuk, mop en sketch schrijven een weettekst, verslagtekst en meningtekst schrijven een ansichtkaart, brief en schrijven een doetekst, actietekst en omgevingstekst schrijven werkstukken, schema s, uittreksels en samenvattingen maken (samen) een tekst nalezen en reviseren Tekstonderdelen een titel bedenken een inleiding, conclusie, voorwoord en nawoord schrijven alinea s schrijven en tussenkopjes gebruiken de hoofdgedachte duidelijk maken Woordgebruik moeilijke woorden, verwijs- en verbindingwoorden gebruiken een passende woordkeuze maken Opbouw tekst schrijven met een vergelijking tekst schrijven met een opsomming tekst schrijven met een oorzaak-gevolgrelatie tekst schrijven met een probleem-oplossingrelatie Uiterlijk van de tekst een tekening maken bij een tekst beeldmateriaal verzamelen en bijschriften maken tekstdragers en lay-out bepalen een inhoudsopgave maken een omslag maken Als de leerlingen deze vaardigheden op het juiste moment en op de juiste wijze kunnen toepassen, beschikken ze over een adequate schrijfstrategie. Dit maakt hen tot competente schrijvers. Taalbeschouwing Het domein taalbeschouwing bestaat in Taal in beeld uit drie subdomeinen: woordbouw, zinsbouw en taalgebruik. Woordbouw Bij woordbouw leren de leerlingen de belangrijkste zaken met betrekking tot de functie, de bouw en de betekenis van woorden. Hierbij komen onder andere de volgende onderdelen aan de orde: het zelfstandig naamwoord in al zijn verschijningsvormen, waaronder de samenstelling, het meervoud en verkleinwoorden de werkwoorden en de verschijningsvormen en vervoegingen van het werkwoord, zoals de woordenboekvorm, de persoonsvorm en de deelwoorden de tijden tegenwoordige en verleden tijd functiewoorden zoals lidwoorden en voorzetsels verschillende voornaamwoorden zoals het persoonlijk, het bezittelijk en het aanwijzend voornaamwoord bijvoegelijke naamwoorden neologismen (nieuwe woordvorming) Zinsbouw Bij het onderdeel zinsbouw leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de functie, de bouw en de betekenis van zinnen. Hierbij komen onder andere aan de orde: diverse soorten zinnen zoals vertelzinnen, vraagzinnen, bevelzinnen, ontkenningen, enkelvoudige en samengestelde zinnen en de gebiedende wijs het gebruik voegwoorden en vraagwoorden het verdelen van zinnen in zinsdelen zoals onderwerp en gezegde, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp de interpunctie: het gebruik van hoofdletter, komma, punt, vraagteken en uitroepteken, dubbele punt, puntkomma en aanhalingstekens Taalgebruik Bij het onderdeel taalgebruik leren de leerlingen enkele belangrijke aspecten die te maken hebben met de bouw van teksten en het gebruik van taal. Hierbij wordt onder meer aandacht besteed aan de volgende verschijnselen: bondig en uitvoerig taalgebruik creatief en zakelijk taalgebruik letterlijk en figuurlijk taalgebruik formeel en informeel taalgebruik ouderwets en modern taalgebruik het verschil tussen thuistaal en schooltaal het gebruik van directe en indirecte rede oude taalvormen en zinnen vormen van taalgebruik via nieuwe media zoals en sms het gebruik van dialecten en andere taalvarianten zoals standaard- Nederlands en Vlaams taalgebruik van doven en blinden het gebruik van pictogrammen Een meer gedetailleerde leerstofopbouw van alle taalonderdelen die in Taal in beeld aan bod komen, vindt u op de website Handleiding online Deze handleiding is bedoeld om u zo effectief en prettig mogelijk met Taal in beeld te laten werken. Om deze reden is er ook voor gekozen om dit algemene gedeelte van de handleiding zo compact mogelijk te houden. Mocht u behoefte hebben aan meer of meer gedetailleerde informatie over Taal in beeld, dan kunt u hiervoor terecht op de website Hier vindt u het online-gedeelte van de handleiding met alle aanvullende informatie die u zoekt. -Taalin 10 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
12 blok 7 cultuur Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2
13 hl blok 7 cultuur les 1 woordenschat Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door er een plaatje bij te zoeken. De leerlingen leren tien nieuwe woorden. Doelwoorden het antwoordapparaat, de begrafenis, de laatste nieuwtjes, de dirigent, de harmonie, de herinnering, de microfoon, protesteren, de schijnwerper, schminken Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 54 en 55 w b2, pagina 25 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Voorbereiding Leg enkele kranten in de klas voor opdracht 7. Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Femke en Fatma. Ze kijken welke plaatje het beste bij het gekleurde woord past. Ze maken een tekening over een eigen herinnering en schrijven erbij wat er gebeurde. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat je woorden kunt onthouden door er een plaatje bij te zoeken. Er worden suggesties gegeven voor plaatjes bij een verhaaltekst en plaatjes bij een weettekst. De leerlingen maken opdrachten waarbij ze woorden moeten onthouden door er een plaatje bij te zoeken. Ze kiezen een plaatje bij een woord en ze omschrijven het plaatje dat bij een woord past. In het taalboek zoeken ze in kranten naar de laatste nieuwtjes. Ze kijken of er een plaatje bij staat. Het nieuwtje en het plaatje knippen ze uit en plakken in hun schrift. Terugkijken Ter evaluatie kiezen de leerlingen welk van drie gegeven plaatjes het beste past bij de begrafenis. Ze schrijven erbij waarom ze dat vinden. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden, kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Laat de leerlingen in de komende periode plaatjes zoeken bij begrippen die ze in andere lessen tegenkomen. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Bij opdracht 7 mogen de leerlingen gebruikmaken van de kranten die in de klas liggen. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen overleggen welk nieuwtje ze uitknippen en opplakken. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij de uitleg kunt u samen met de leerlingen nog meer suggesties bedenken met behulp van de zogenaamde W&H-vragen. Dat zijn vragen die beginnen met: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Bij opdracht 7 kunt u alle leerlingen een ander nieuwtje laten zoeken en die allemaal op een groot vel laten plakken, samen met het plaatje dat erbij hoort. Op die manier ontstaat er een muurkrant. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen gebruikmaken van de suggesties die in de Uitleg staan. Aantekeningen -Taalin 50 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
14 hl blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren Organisatie en differentiatie Doelen De leerlingen leren een woord uitleggen met een woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 56 en 57 w b2, pagina 26 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen kijken hoe Erik en Daan het woord zich vermommen uitleggen. Erik doet dat met een woord dat hetzelfde betekent, en Daan gebruikt een woord dat het tegengestelde betekent. De leerlingen vertellen elkaar wanneer en waarom iemand zich vermomt. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze een woord kunnen toelichten met een woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. De leerlingen leggen het woord de pruik uit en geven aan op welke manier ze dit hebben gedaan. Vervolgens geven ze bij vier woorden aan op welke manier ze die zouden uitleggen. Ze schrijven hun uitleg op. Tot slot bespreken ze hun uitleg met hun buur, waarbij ze bij elkaar mogen aangeven of die uitleg goed of niet goed is. In het taalboek bedenken ze een woord over het toneel. Ze noteren op welke manier ze het gaan uitleggen. Vervolgens leggen ze het woord uit aan hun buur. Die schrijft op om welk woord het gaat en vertelt op welke manier de spreker het heeft uitgelegd. Terugkijken Ter evaluatie kiezen de leerlingen twee zinnen over uitleggen die bij hen passen. Vraag de leerlingen telkens wanneer u een moeilijk woord uitlegt op welke manier u dat heeft gedaan. Dit kan uiteraard ook bij andere vakken. Sprekershoek U kunt leerlingen vragen iets over de film te vertellen. Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten 3, 7 en 8 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Als dit niet mogelijk is, laat u de leerlingen alleen hun eigen gedachten noteren. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 3 kunt u een klassengesprek houden. Opdracht 4 en 5 kunt u klassikaal doen, ter voorbereiding op de volgende opdrachten. Opdracht 6 maken de leerlingen individueel, waarna u opdracht 7 weer klassikaal kunt behandelen. Hierdoor komen verschillende mogelijke antwoorden aan bod. Met de groep kunt u dan bijvoorbeeld kiezen voor de beste omschrijving. Bij opdracht 8 kunt u meerdere leerlingen woorden aan de klas laten uitleggen. Laat van één woord zo mogelijk beide manieren van uitleg aan bod komen. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen woorden kunnen bedenken die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 51 -Taalin d
15 hl blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren dat bij tegenstellingen het woord maar gebruikt wordt. De leerlingen kunnen tegenstellingen vinden. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 58 en 59 w b2, pagina 27 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen ontdekken wat tegenstellingen zijn. Ze schrijven er een aantal op en zien dat ze daar vaak het woord maar bij kunnen gebruiken. Uitleg Leerlingen krijgen uitleg over tegenstellingen. Ze leren dat ze daar vaak het woord maar bij kunnen gebruiken. De leerlingen maken een aantal tegenstellingen af. Ze doen dit in de vorm van een rijmopdracht. Om te ontdekken dat er tussen twee tegengestelde woorden nog een groot grijs gebied is, zoeken ze welke woorden ongeveer hetzelfde betekenen als mooi, wel aardig en lelijk. In het taalboek zoeken ze naar tegengestelde uitdrukkingen. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen van een aantal uitspraken op of ze waar of niet waar zijn. De uitspraken gaan over tegenstellingen en het gebruik van maar. Schrijf op het bord drie tegenstellingen, bijvoorbeeld: dik dun groot klein krom recht Zeg tegen de kinderen dat zij ervoor moeten zorgen dat deze rij zo lang mogelijk wordt. Ze mogen dit in de loop van de week doen, bijvoorbeeld als ze klaar zijn met een taak. Na een week bekijkt u het resultaat samen met de leerlingen. Waar nodig licht u de betekenis van enkele woorden toe. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Kinderen van wie het Nederlands hun tweede taal is, zullen meer moeite hebben met het vinden van tegenstellingen, omdat hun woordenschat wellicht niet uitgebreid genoeg is. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. De opdrachten in deze les hebben een overlap met woordenschatoefeningen. Een kind met een grote woordenschat kan dan ook het beste samenwerken met een kind met een kleinere woordenschat. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 1 en 2 vraagt u of de leerlingen enkele voorbeelden kunnen geven. Bij opdracht 6 controleert u of alle uitdrukkingen bij de leerlingen bekend zijn. De meeste zijn in blok 5 aan de orde geweest. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en anderen meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 52 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
16 hl blok 7 cultuur les 4 schrijven Doelen De leerlingen leggen een moeilijk woord uit met een woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 60 en 61 w b2, pagina 28 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen twee teksten, waarbij ze erop letten hoe de schuingedrukte woorden worden uitgelegd. In de ene tekst gebeurt dat met een woord dat hetzelfde betekent en in de andere tekst met een woord dat het tegengestelde betekent. Ze leggen de woorden ook op hun eigen manier uit. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat ze moeilijke woorden kunnen uitleggen met een woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. De leerlingen lezen twee korte teksten. Dan kleuren ze in elke tekst het moeilijke woord dat wordt uitgelegd. Vervolgens geven ze aan op welke manier het woord wordt uitgelegd. Tot slot kiezen ze bij twee woorden zowel het woord dat hetzelfde als het woord dat het tegengestelde betekent. In het taalboek kiezen de leerlingen een woord uit vier gegeven woorden. Dit woord leggen ze uit met een woord dat hetzelfde betekent en met een woord dat het tegengestelde betekent. Ze maken er ook een tekening bij. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of zij het moeilijk of makkelijk vinden om een woord uit te leggen met een woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 2 en 3 kunnen de leerlingen elk één woord op twee manieren uitleggen. Bij opdracht 9 kunnen de leerlingen meerdere woorden kiezen en uitleggen. Eventueel kan een leerling steeds een woord met dezelfde betekenis gebruiken, terwijl de andere juist woorden met de tegengestelde betekenis gebruikt. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 8 kunt u de leerlingen vragen zelf ook voorbeelden te bedenken van woorden die hetzelfde betekenen (bijvoorbeeld: friet patat; kwast penseel; schilderen verven) en van woorden die het tegengestelde betekenen (bijvoorbeeld: hoog laag; mooi lelijk; licht donker). Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Tips Laat leerlingen de komende week ook bij teksten in andere lessen letten op woorden die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. Aantekeningen Controleer of de leerlingen woorden kunnen bedenken die hetzelfde of het tegengestelde betekenen. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 53 -Taalin d
17 hl blok 7 cultuur les 5 woordenschat Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door erover te schrijven. De leerlingen leren tien nieuwe woorden. Doelwoorden de aanwijzing, afleiden, begraven, daverend, het hoogste woord hebben, de kunstenaar, opgelucht, opvoeden, de persoon, de uitvoering Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 62 en 63 w b2, pagina 29 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Femke en Fatma. Ze gaan na hoe Femke en Fatma alles willen onthouden. Femke zegt dat ze alles in haar hoofd onthoudt. Fatma wil dingen opschrijven. De leerlingen schrijven drie dingen op die ze nog weten van het avontuur van Femke en Fatma. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat je woorden kunt onthouden door erover te schrijven. Er worden suggesties gegeven wat ze in een verhaaltekst en wat ze in een weettekst kunnen schrijven. De leerlingen maken opdrachten waarbij woorden onthouden worden door erover te schrijven. Ze lezen wat over een woord wordt geschreven en schrijven dat woord onder het bijbehorende plaatje. Ze lezen wat over een woord wordt geschreven en voegen er zelf een zin aan toe. Ze lezen twee verhalen en omschrijven de betekenis van moeilijke woorden. In het taalboek schrijven ze een verhaaltekst of een weettekst over de kunstenaar. Daarbij maken ze gebruik van de suggesties die bij Uitleg staan. Ze maken er ook een tekening bij. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen een verhaaltekst of een weettekst over begraven. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Wijs vooraf op de suggesties die bij Uitleg staan. Die kunnen ze gebruiken bij het schrijven van een tekst. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen onderling afspreken wie de verhaaltekst en wie de weettekst schrijft. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij de uitleg kunt u samen met de leerlingen nog meer suggesties bedenken met behulp van de zogenaamde W&H-vragen. Dat zijn vragen die beginnen met: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. U kunt de leerlingen bij Uitleg een voorbeeld laten geven bij elke suggestie. Bij opdracht 7 kunt u samen een verhaaltekst en/ of een weettekst op het bord maken. Tips Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden, kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Laat de leerlingen in de komende periode verhaalteksten en weetteksten schrijven bij begrippen die ze in andere lessen tegenkomen. Ze kunnen dit ook doen over onderwerpen die ze op het jeugdjournaal zien. Aantekeningen Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen gebruikmaken van de suggesties die bij Uitleg staan. -Taalin 54 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
18 hl blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren verwijswoorden gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 64 en 65 w b2, pagina 30 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen bekijken een tekening van verschillende kinderen met praatwolkjes. Ze schrijven op wat van wie is. Daarna noteren ze welke verwijswoorden zijn gebruikt. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat verwijswoorden woorden zijn die naar personen verwijzen. (In deze les gaat het alleen om persoonlijke voornaamwoorden.) Woorden die zeggen over wie het gaat, zijn: ik, jij, hij of zij, wij, jullie, zij. Woorden die zeggen van wie iets is, zijn: mijn, jouw, zijn of haar, ons, jullie, hun. De leerlingen praten met elkaar over wat ze de leukste muziek vinden en welke schrijver ze goed vinden. Ook voeren ze een gesprek over naar het museum. Telkens moeten ze gebruikmaken van gegeven verwijswoorden. Daarna maken ze een stripverhaal af door de praatwolkjes in te vullen. Ook hierbij maken ze gebruik van gegeven verwijswoorden. In het taalboek bekijken de leerlingen een tekening en spelen ze na wat er gebeurt. Hierbij gebruiken ze verwijswoorden. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om verwijswoorden te gebruiken. Maak de leerlingen de komende week attent op de verwijswoorden die ze bij het spreken gebruiken. Sprekershoek Laat leerlingen het gesprek tussen de dirigent en de muzikant (extra opdracht) in de Sprekershoek naspelen. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten 4, 5, 6 en 8 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand om deze in tweetallen te doen. Als dit niet mogelijk is, laat u de leerlingen alleen hun eigen gedachten noteren. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. Er zijn geen aanvullende mogelijkheden. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 7 kunt klassikaal de praatwolkjes invullen en de strip laten afmaken. Laat meerdere alternatieven de revue passeren. Bij opdracht 8 kunt u een aantal tweetallen de gebeurtenis op de tekening laten naspelen. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen de verwijswoorden kunnen gebruiken. Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 55 -Taalin d
19 hl blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen bekijken een tekst op het gebruik van punten, vraagtekens, uitroeptekens en hoofdletters. Ze lezen in welke gevallen ze hoofdletters moeten gebruiken en passen deze kennis toe op enkele zinnen. Doelen De leerlingen weten waar hoofdletters, punten, vraagtekens en uitroeptekens moeten staan. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 66 en 67 w b2, pagina 31 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over de vraag in welke gevallen hoofdletters, punten, vraagtekens en uitroeptekens gebruikt moeten worden. De leerlingen schrijven hun eigen adres op als oefening in het gebruik van hoofdletters. Ze plaatsen leestekens en hoofdletters in een tekst. In het taalboek rubriceren ze zinnen met punten, vraagtekens en uitroeptekens. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze hoofdletters, punten, vraagtekens en uitroeptekens in hun eigen teksten altijd op de goede plaats zetten. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. De leerlingen kunnen elkaars werk controleren. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan is er de volgende aanvullende mogelijkheid. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Tips Zeg dat u deze week bij al het schriftelijke werk van de leerlingen, dus bijvoorbeeld ook bij aardrijkskunde- en geschiedenislessen, bekijkt of ze de hoofdletters, punten, vraagtekens en uitroeptekens op de goede plaats hebben staan. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 56 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
20 hl blok 7 cultuur les 8 schrijven Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren verwijswoorden gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 68 en 69 w b2, pagina 32 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Op verkenning De leerlingen lezen twee teksten en letten op de verschillen. In de eerste tekst staan geen verwijswoorden, in de tweede tekst wel. De leerlingen geven aan welke tekst zij het beste vinden en waarom. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat verwijswoorden woorden zijn die naar personen verwijzen. Woorden die zeggen over wie het gaat, zijn: ik, jij, hij of zij, wij, jullie, zij. Woorden die zeggen van wie iets is, zijn: mijn, jouw, zijn of haar, ons, jullie, hun. De leerlingen maken een invuloefening met verwijswoorden. Ze schrijven drie zinnen waarin ze achtereenvolgens jouw, haar en onze gebruiken. Daarna vullen ze spreekwolkjes in, waarbij ze gebruikmaken van verwijswoorden. Vervolgens bekijken ze welke verwijswoorden bij de kaartjes in een tekening horen. In het taalboek schrijven ze een tekst over Ada en haar toneelgroep met verwijswoorden. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het moeilijk of makkelijk vinden om verwijswoorden te gebruiken. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 8 kunnen de leerlingen samen een (wat langere) tekst bedenken en schrijven. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 8 kunt u elke leerling een nieuwe zin laten bedenken voor het verhaal. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Tips Wijs de leerlingen de komende week op het gebruik van verwijswoorden in diverse teksten. Aantekeningen Controleer of de leerlingen de verwijswoorden goed gebruiken. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 57 -Taalin d
21 hl blok 7 cultuur les 9 woordenschat Lesactiviteiten Doelen De leerlingen leren woorden onthouden door er raadspelletjes mee te doen. De leerlingen leren tien nieuwe woorden. Doelwoorden het decor, gevoelig, ontkennen, ouderwets, repeteren, de rol, strijken (viool), uitvoeren, het uitzicht, wereldberoemd Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 70 en 71 w b2, pagina 33 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen lezen het verhaal over Femke en Fatma. Daarin wordt een raadsel opgegeven. De leerlingen schrijven dit op en leggen het antwoord uit. Daarna bedenken ze zelf een raadsel dat ze laten oplossen door hun buur. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat je woorden kunt onthouden door er een raadspel mee te doen. Er worden suggesties gegeven voor het bedenken van raadspelletjes: iets over het woord vertellen; het woord uitbeelden. De leerlingen maken opdrachten waarbij ze woorden onthouden door er een raadspel mee te doen. Ze lossen een raadsel op door een lijn naar het juiste woord te trekken. Ze bedenken twee zinnen bij een woord zonder het woord te noemen. Ze beelden dat woord ook uit. Vervolgens bedenken ze bij een zin en een tekening vragen voor een raadspel. In het taalboek nemen de leerlingen een woord in gedachten en bedenken er een raadsel bij. Dat laten ze door hun buur oplossen. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen op welke manier van raadsels maken ze het leukst vinden en waarom. Daarbij kunnen ze kiezen uit een woord uitbeelden of er iets over vertellen. Leerlingen die moeite hebben met de doelwoorden, kunnen deze met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen oefenen. Gebruik momenten tussendoor om de doelwoorden te herhalen. Als u meer doelwoorden aan wilt bieden, dan kunt u het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen gebruiken. Laat de leerlingen de komende week ook in andere lessen woorden of begrippen onthouden door er een raadspel mee te doen. Wijs hen daarbij steeds op de suggesties die bij Uitleg staan. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Wijs de leerlingen er vooraf op dat ze bij opdracht 8 het raadsel alleen mogen opschrijven en het dus niet uitbeelden. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij Uitleg kunnen de leerlingen om beurten een woord kiezen en dat met een van de suggesties uitbeelden of beschrijven. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij de meeste opdrachten kunt u klassikaal raadspelletjes bedenken en laten uitvoeren. Als afsluiting van de les kunt u de tien nieuwe woorden op het bord schrijven en de leerlingen daar raadspelletjes bij laten maken. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen weten wat met een raadspel en wat met uitbeelden wordt bedoeld. Aantekeningen -Taalin 58 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
22 hl blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren Organisatie en differentiatie Doelen De leerlingen leren verbindingswoorden gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 72 en 73 w b2, pagina 34 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen bekijken een tekening van kinderen die vertellen wat zij ervan vinden dat ze erg lang moeten wachten. De leerlingen letten erop hoe de kinderen in de tekening dit zeggen. Ze noteren welke verbindingswoorden worden gebruikt. Ze gebruiken deze verbindingswoorden in een gesprekje. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat verbindingswoorden twee zinnen met elkaar verbinden. De verbindingswoorden maar en want worden herhaald. Als nieuwe verbindingswoorden worden ook, toch en daarom aangeboden. De leerlingen oefenen het gebruik van verbindingswoorden eerst schriftelijk en vervolgens mondeling. In het taalboek maken ze de zinnen van de kinderen uit de verkenningsfase op een andere wijze af. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze het lastig of handig vinden om verbindingswoorden te gebruiken. Ze bedenken er een zin bij waarmee ze hun keuze beargumenteren. Maak de leerlingen de komende week attent op het gebruik van de verbindingswoorden maar, want, ook, toch en daarom. Sprekershoek Laat leerlingen in de Sprekershoek de zinnen over tekenfilms voorlezen (extra opdracht). Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Wanneer u hiervoor kiest, dient u rekening te houden met het volgende. Omdat het spreken en luisteren in deze les centraal staan, zijn de opdrachten 3, 6 en 7 moeilijk individueel uit te voeren. Het ligt voor de hand deze in tweetallen te doen. Als dat niet kan, laat u de leerlingen alleen hun eigen gedachten opschrijven. Opdracht 3 kunt u eventueel ook helemaal schriftelijk laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Bij opdracht 8 kunnen de leerlingen bij elkaar controleren of de zinnen een andere betekenis hebben gekregen dan de oorspronkelijke zinnen bij Op verkenning. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. U kunt opdracht 4, 5 en 8 klassikaal doen. Laat meerdere mogelijkheden aan bod komen. Kijk samen of bij opdracht 8 de tweede zin echt een nieuwe zin is in vergelijking met de oorspronkelijke zin bij Op verkenning. Bij opdracht 7 kunt u een aantal leerlingen laten vertellen wat ze weten over kunstenaars. U kunt hen dan twee zinnen laten bedenken die door een verbindingswoord worden verbonden. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Controleer of de leerlingen de verbindingswoorden op de juiste manier gebruiken. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 59 -Taalin d
23 hl blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing Lesactiviteiten Doelen De leerlingen weten dat er een komma staat tussen samengestelde zinnen en tussen de delen van een opsomming. De leerlingen weten dat er voor een opsomming een dubbele punt staat. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 74 en 75 w b2, pagina 35 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Tips Op verkenning De leerlingen zien een komma staan in enkele zinnen met een voegwoord. Ook zien ze enkele opsommingen. Ze beantwoorden vragen over het gebruik van dubbele punten en komma s. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over de vraag waar de komma moet staan in twee zinnen die met een voegwoord verbonden zijn. Ook wordt het gebruik van komma en dubbele punt bij opsommingen uitgelegd. De leerlingen maken met behulp van een voegwoord van twee zinnen één zin. Daarbij zetten ze de komma op de goede plaats. De leerlingen schrijven enkele zinnen met een opsomming. Ze zetten daarbij de dubbele punt en de komma s op de goede plaats. In het taalboek plaatsen de leerlingen in een tekst dubbele punten en komma s. Hoofdletters, punten, uitroeptekens en vraagtekens worden hier herhaald. Terugkijken Ter evaluatie schrijven de leerlingen van een aantal beweringen op of ze waar of niet waar zijn. De beweringen hebben betrekking op het gebruik van komma s en dubbele punten. U kunt deze week extra op het gebruik van de leestekens letten bij al het schriftelijke werk dat de leerlingen maken. Kies bijvoorbeeld een schriftelijk werk van enkele leerlingen uit dat ze bij een ander vak gemaakt hebben en bespreek of daar de leestekens op de goede plaats staan. Het betrekken van het schriftelijk werk bij andere vakken bevordert de transfer van wat er in de taalles geleerd is. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval is er de volgende aanvullende mogelijkheid. Opdracht 7 kunnen de leerlingen het beste eerst zelfstandig maken. Daarna vergelijken ze elkaars teksten. Samen redenerend komen ze erachter waar de leestekens moeten staan. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 6 kunt u de eerste opsomming klassikaal doen en de andere twee zelfstandig laten maken. Bij opdracht 7 let u vooral op de argumenten die de leerlingen gebruiken bij het plaatsen van de leestekens en de hoofdletters. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en andere meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Aantekeningen -Taalin 60 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
24 hl blok 7 cultuur les 12 schrijven Doelen De leerlingen leren verbindingswoorden gebruiken. Materialen/lesstof basisstof t b2, pagina 76 en 77 w b2, pagina 36 a b2 s extra stof (differentiatie) extra opdracht taalboek Taalmaker plustaken Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen lezen de tekst In de schijnwerpers. Hierbij letten ze op de schuingedrukte (verbindings)woorden. Ook beantwoorden ze enkele vragen over de tekst. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over het feit dat verbindingswoorden twee zinnen aan elkaar verbinden. De verbindingswoorden die de kinderen al kennen zijn: maar, want, ook, toch en daarom. De leerlingen verbinden zinnen met behulp van ook, toch en daarom. Daarna maken ze dezelfde zin drie keer anders af door achtereenvolgens ook, toch en daarom te gebruiken. Verder schrijven ze twee zinnen met verbindingswoorden bij een geschetste situatie. In het taalboek schrijven de leerlingen aan de hand van drie tekeningen een verhaal met de titel De uitvoering. Hierbij gebruiken ze de verbindingswoorden ook, toch en daarom. Terugkijken Ter evaluatie geven de leerlingen aan of ze wel of niet zinnen kunnen maken met ook, toch en daarom. Organisatie en differentiatie Individueel leren Bij deze organisatievorm werken kinderen zelfstandig de opdrachten door. Er zijn geen beperkingen om de les individueel te laten maken. Samenwerkend leren Bij deze organisatievorm werken de leerlingen samen de opdrachten door. In dit geval zijn er de volgende aanvullende mogelijkheden. Bij opdracht 7 kunnen de leerlingen elk een rol op zich nemen. Bij opdracht 8 kunnen ze het verhaal bij de tekeningen samen bedenken en opschrijven. Begeleid leren Bij deze organisatievorm werkt u klassikaal of met een groepje de opdrachten door. Als u hiervoor kiest, dan zijn er bij verschillende lesonderdelen aanvullende mogelijkheden. U kunt de opdrachten bij Op verkenning en Terugkijken uitsluitend mondeling behandelen. Bij opdracht 6 kunt u de leerlingen uitdagen bij elk verbindingswoord meerdere zinnen te bedenken. Bij opdracht 7 kunt u enkele leerlingen Jip en Ada laten spelen. Bij opdracht 8 kunt u de leerlingen op weg helpen door hen eerst uitgebreid te laten vertellen wat er op elke tekening te zien is. Laat hen daarna klassikaal of individueel het verhaal De uitvoering bedenken. Uiteraard heeft u de mogelijkheid om de les gedifferentieerd aan te bieden, waarbij u bepaalde leerlingen intensiever begeleidt en anderen meer individueel of samenwerkend aan de slag laat gaan. Observatiepunten Tips Wijs de leerlingen de komende week in andere teksten op de verbindingswoorden maar, want, ook, toch en daarom. Aantekeningen Controleer of de leerlingen de verbindingswoorden goed gebruiken. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 61 -Taalin d
25 hl blok 7 cultuur toetstaak Doel Deze toetstaak meet of de leerlingen kernonderdelen van de in blok 7 aangeboden leerstof beheersen. Materialen basisstof k b, blok 7, blad 1 en 2: toetstaak k b, blok 7, blad 3: registratieblad extra stof Taalmaker Voorbereiding Kopieer voor alle leerlingen de toetstaak (kopieerblad 1 en 2 van blok 7). Kopieer voor uzelf het registratieblad (kopieerblad 3 van blok 7). Zorg ervoor dat de kinderen de toetstaak individueel en zelfstandig maken. Het is belangrijk dat ze ongestoord kunnen werken. Toetsactiviteiten 1 Onderdeel: spreken/luisteren Doel: De leerlingen leren een woord uitleggen met een ander woord dat hetzelfde of het tegenovergestelde betekent. Activiteit: De leerlingen schrijven van een aantal gegeven woorden het synoniem en antoniem op. 2 Onderdeel: spreken/luisteren Doel: De leerlingen leren verwijswoorden gebruiken. Activiteit: De leerlingen schrijven op wie er bedoeld wordt met het verwijswoord in de zin. 3 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen kunnen een aantal tegenstellingen benoemen. Activiteit: De leerlingen maken een aantal tegenstellingen af. 4 Onderdeel: taalbeschouwing Doel: De leerlingen weten waar leestekens en hoofdletters moeten staan. Activiteit: De leerlingen plaatsen in een tekst de juiste leestekens en hoofdletters. 5 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen weten dat ze de betekenis van woorden kunnen onthouden door er een plaatje bij te zoeken. Activiteit: De leerlingen kiezen welke van drie beschreven plaatjes de gegeven woordbetekenissen het beste weergeeft. 6 Onderdeel: woordenschat Doel: De leerlingen leren woordbetekenissen te onthouden door er raadspelletjes mee te doen. Activiteit: De leerlingen lossen vier woordraadsels op. Ze koppelen de juiste woorden aan de raadspelletjes. Aantekeningen -Taalin 62 d Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2
26 hl blok 7 cultuur toetstaak Antwoorden Organisatie De leerlingen maken de toetstaak individueel en zelfstandig. Het is wel aan te raden om een korte taakinstructie te geven en na te gaan of de leerlingen de opdrachten snappen. Er is geen tijdslimiet voor het afronden van de toetstaak. De kinderen die klaar zijn met de toetstaak kunnen aan de slag met plustaken uit Taalmaker. Signalering en differentiatie Na het afronden van de toetstaak kunt u zelf de resultaten bekijken en registreren op het registratieblad van blok 7. De toetsvragen 1 t/m 4 resulteren elk in een aparte score. Bij opdracht 5 en 6 wordt het aantal items bij elkaar opgeteld en wordt er een gezamenlijke score berekend. Op basis van de adviesnorm kunt u bepalen of het kind de komende lesmomenten aan de slag moet met herhalingslessen of verder kan gaan met plustaken. De adviesnorm staat vermeld op het registratieblad. De herhalingstaken zijn bedoeld voor leerlingen die in onvoldoende mate de doelen van dit blok bereikt hebben. In de herhalingslessen krijgen zij verlengde instructie en begeleide verwerking, waardoor zij alsnog het gewenste beheersingsniveau kunnen bereiken. In principe zijn de vervolgsuggesties bedoeld voor de lesmomenten die op de toetstaak volgen. Daarnaast is het raadzaam kinderen die onvoldoende scoren, meer begeleiding te geven tijdens de basislessen van de komende blokken. U kunt dit doen door (gedeelten van) de lessen voor deze kinderen begeleid aan te bieden. 1 vervelend akelig leuk lawaai herrie stilte vlug snel langzaam verstoppen verbergen opzoeken 2 Katlijn Lars Kim en Tom Katja Mark 3 kort nat recht aftrekken breed verliezen ruw spreken vrolijk iemand aardig vinden 4 Het is woensdagmiddag. Saskia is in de kleedkamer van de sportzaal. Ze pakt haar judopak uit haar tas en doet het aan. Ze doet er ook een oranje band om, want die heeft ze al gehaald. Ze wil graag haar volgende band halen. Weet jij welke kleur die heeft? Juist, die is groen. Vandaag vecht ze tegen Sacha. Zal ze de wedstrijd winnen? 5 de harmonie: mensen die trompet en trommel spelen de dirigent: iemand die voor een orkest staat protesteren: mensen met spandoeken de begrafenis: mensen op een kerkhof schminken: een clown die zijn neus rood maakt 6 het decor het antwoordapparaat strijken de microfoon Aantekeningen Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 63 -Taalin d
27 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Activiteiten Op basis van de toetsresultaten gaan kinderen de komende lesmomenten aan de slag met herhalingstaken en/of plustaken. De leerlingen die onvoldoende scoorden op onderdelen van de toetstaak, gaan herhalingstaken maken. De leerlingen die dit niet nodig hebben, gaan zelfstandig aan de slag met de plustaken. De adviesnorm die hoort bij de toetsopdrachten, vindt u op het registratieformulier bij de toetstaak. De onderstaande voortgangsplanner helpt u de vervolgactiviteiten te bepalen. Voortgangsplanner week 4 blok 7 Toetsopdrachten Resultaat Vervolgactiviteit Opdracht 1 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 1 Opdracht 2 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 2 Opdracht 3 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 3 Opdracht 4 -> Onvoldoende -> Herhalingstaak 4 Herhalingstaak 5 (Woordkenner) en/of 6 Opdracht 5 en 6 -> Onvoldoende -> (Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen, herhaling doelwoorden uit blok) Alle toetsopdrachten -> Voldoende of goed -> -> Plustaken Taalmaker Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen (extra doelwoorden) Herhalingstaken De herhalingstaken kunnen remediërend ingezet worden en bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De kinderen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij, op onderdelen, te begeleiden. Door gerichte mondelinge interactie is de kans groter dat ze de doelen van het blok alsnog bereiken. Herhalingstaak 1: spreken/luisteren Doel De leerlingen leren een woord uitleggen met een ander woord dat hetzelfde of het tegenovergestelde betekent. Materialen Kopieerblad 4 van blok 7: herhalingstaak 1 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 4 van blok 7 (herhalingstaak 1) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 1. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u bijvoorbeeld de volgende opdracht geven. Noem de volgende woorden en laat de kinderen er een synoniem voor geven: rijwiel, ladder, bestuurder, geweldig, seizoen. Bij opdracht 1 worden twee woorden zowel met een synoniem als met een antoniem uitgelegd. De leerlingen geven aan welke uitleg ze het duidelijkst vinden. Bij opdracht 2 beschrijft een jongen zijn karakter op een te positieve manier. Zijn zusje vindt het tegenovergestelde. De leerlingen schrijven op wat zijn zusje zegt. Antwoorden kopieerblad 4 1 Sabine legt de woorden uit met woorden die het tegengestelde/ hetzelfde betekenen. Ron legt de woorden uit met woorden die het tegengestelde/ hetzelfde betekenen. 2 Falco is klein en slap. Falco is voor iedereen bang. Falco is erg dom. Falco is slecht in sport. Falco is de saaiste en de lelijkste jongen van zijn klas. Gelukkig heeft iedereen dit in de gaten. Herhalingstaak 2: spreken/luisteren Doel De leerlingen leren verwijswoorden gebruiken. Materialen Kopieerblad 5 van blok 7: herhalingstaak 2 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 5 van blok 7 (herhalingstaak 2) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 2. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u dit samen doen. Voordat de leerlingen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u enkele opdrachten geven. Schrijf bijvoorbeeld enkele zinnen op het bord. - Moreno is hard gevallen. Moreno moet huilen. -Taalin 64 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
28 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken - Lola vraagt: Mag Lola buiten spelen? - Gaan je zus en jij morgen mee naar de speeltuin? - Eerst gaan mijn opa en ik paardrijden. Daarna gaan mijn opa en ik eten. En ten slotte fietsen mijn opa en ik weer naar huis. Ga samen met de leerlingen na welke woorden het beste door een verwijswoord vervangen kunnen worden. Bij opdracht 1 kleuren de leerlingen de verwijswoorden in een tekst. Bij opdracht 2 schrijven ze op naar welke woorden deze woorden verwijzen. Antwoorden kopieerblad 5 1 Een boer fietst door het dorp. Zijn paard loopt aan een stevig touw naast hem. Er komt een agent aan. Hij zegt tegen de boer: Je mag hier niet fietsen met een paard naast je. De boer kijkt over zijn schouder achterom. Hij zegt tegen de agent: Ik dacht dat hij achterop zat. Hij is nu al voor de vijfde keer van mijn bagagedrager gesprongen. 2 Het woord zijn in zin b verwijst naar de boer. Het woord hij in zin d verwijst naar een agent. Het woord je in zin d verwijst naar de boer. Het woord zijn in zin e verwijst naar de boer. Het eerste woord hij in zin f verwijst naar de boer. Het woord hij in zin g verwijst naar het paard. Het woord mijn in zin g verwijst naar de boer. Herhalingstaak 3: taalbeschouwing Doel De leerlingen kunnen een aantal tegenstellingen benoemen. Materialen Kopieerblad 6 van blok 7: herhalingstaak 3 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 6 van blok 7 (herhalingstaak 3) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 3. Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u de leerlingen zelf enkele voorbeelden van tegenstellingen laten geven. Laat hen ontdekken dat je bij een tegenstelling meestal het woord maar gebruikt. Bij opdracht 1 bedenken de leerlingen woorden die het tegenovergestelde betekenen van de gegeven woorden. Bij opdracht 2 verbinden ze twee tegengestelde zinnen met het voegwoord maar. Bij opdracht 3 verbinden ze zinnen die elkaars tegengestelden zijn. Antwoorden kopieerblad 6 1 saai weinig ver weg nooit vervelende 2 Jim had een leuke vakantie, maar Bridget vond de vakantie niet leuk. Jim heeft fijn gespeeld, maar Bridget heeft zich verveeld. 3 Bob heeft een vrolijke bui. Roel is erg chagrijnig. Feisal heeft veel succes. Bij Renate mislukt alles. Ruud laat alles achter Rashida ruimt alles op. zich slingeren. Sara is een echte kletskous. Samir zegt niet veel. Parna werkt hard. Yildiz voert niets uit. Boris wil graag nog even Tara wil ermee stoppen. doorgaan. Hassan verzint veel spelletjes. Manon weet niets te bedenken. Herhalingstaak 4: taalbeschouwing Doel De leerlingen weten waar leestekens en hoofdletters moeten staan. Materialen Kopieerblad 7 van blok 7: herhalingstaak 4 Voorbereiding Kopieer kopieerblad 7 van blok 7 (herhalingstaak 4) voor leerlingen die onvoldoende scoorden op toetsopdracht 4. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 65 -Taalin d
29 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken Werkwijze Uitleg Het kopieerblad bevat een korte instructie die de leerlingen zelf kunnen lezen. Indien u de leerlingen begeleidt bij deze taak, kunt u hier dieper op ingaan. Voordat de kinderen aan deze herhalingstaak beginnen, kunt u de uitleg op het kopieerblad extra toelichten. Schrijf ook een samengestelde zin met een voegwoord op het bord, bijvoorbeeld de volgende. Mijn zusje stak de straat over, maar ze keek niet goed uit. Wijs erop dat in deze zin vóór het woord maar een komma moet staan. Schrijf ten slotte de naam en het adres van een van de leerlingen op het bord. Laat zien waar de hoofdletters moeten staan. Bij opdracht 1 zetten de leerlingen leestekens achter een aantal zinnen. Bij opdracht 2 schrijven ze op een ansichtkaart hoofdletters en leestekens op de goede plaats. Ten slotte zetten ze bij opdracht 3 de komma s op de juiste plaats. Antwoorden kopieerblad 7 1 Wil je dat even wegbrengen? Let op! Ben je nu tevreden? Je mag bij mij achter op de fiets zitten. Kun je me even helpen? Ik zal je straks bellen. Kijk uit! Ga je mee buiten spelen? 2 Hallo Joost, Ik ben nu een week in Frankrijk. Joost Verkade Het is hier hartstikke leuk. Ik heb veel vriendjes op de camping. Rijnstraat 47 We zwemmen elke dag in zee. Hoe was jouw vakantie? 6342 ZB Bladel Hoe lang zijn jullie weggeweest? Volgende week kom ik weer thuis. Holland Ik hoop dat jij er dan ook bent. Nederland Groeten, Frank 3 Ik heb me niet verveeld, want er was van alles te doen. In het begin was het boek saai, maar later werd het spannend. Mijn vriend ging niet mee, omdat hij ziek was. Ga je met ons mee, of blijf je liever hier? Herhalingstaak 5: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 7. Materialen Woordkenner (leerspel) Voorbereiding Leg de stukken van het spelbord op de juiste manier tegen elkaar aan zodat het één geheel wordt. Op basis van de resultaten op het onderdeel woordenschat van de toetstaak (zie het registratieblad bij de toetstaak) formeert u een groepje met leerlingen die onvoldoende scoorden. U selecteert op basis van de resultaten op de toetstaak ook de doelwoorden die u met het groepje kinderen nog extra wilt gaan oefenen. U kunt hierbij gebruikmaken van het doelwoordenoverzicht (zie pagina 67 en de toelichting bij Woordkenner). U doet dit door deze woorden op de blanco woordkaartjes te schrijven. Voorkom dat het aantal nog te oefenen doelwoorden te groot wordt. De kwaliteit van de oefening gaat boven de hoeveelheid woorden die aan bod komt. Vier tot acht woorden is een geschikt aantal om mee aan de slag te gaan. Werkwijze In principe is deze herhalingstaak een begeleide activiteit waarbij u samen met de leerlingen die de woorden van dit blok nog niet beheersen, de betekenis van de woorden gaat bespreken en activiteiten gaat doen opdat ze deze beter kunnen onthouden. U maakt hierbij gebruik van het leerspel Woordkenner. Indien noodzakelijk kunnen de leerlingen, als ze eenmaal vertrouwd zijn met de werkvorm, de activiteit ook zelfstandig uitvoeren. Wanneer de groep leerlingen met wie u de activiteiten uit wilt voeren te groot is, kunt u er ook voor kiezen het spelbord deze keer niet te gebruiken en de te oefenen doelwoorden op het bord te schrijven. In dat geval kunnen de leerlingen toch gebruikmaken van het kopieerblad uit Woordkenner. U groepeert de leerlingen rondom het spelbord. U legt het stapeltje beschreven woordkaartjes boven het spelbord. Vervolgens pakt u het eerste woordkaartje, voorziet het van de steuntjes zodat het rechtop kan staan en plaatst het geheel in het startvak. Indien u bepaalde woorden in een context wilt aanbieden, kunt u daarvoor de beschrijfbare hulpboot gebruiken. Nadat de startopdracht (opdracht 1) is gedaan, wordt de boot verplaatst naar de volgende aanlegsteiger. Hier wordt opdracht 2 gedaan, waarna de vaartocht naar de derde steiger plaatsvindt. De woordboot vaart zo om het eiland en legt aan bij alle aanlegsteigers. Bij iedere steiger doen de leerlingen een activiteit met het woord. De activiteiten leiden ertoe dat de kinderen het doelwoord gaan kennen én de woordleer- en woordonthoudvaardigheden die ze in de lessen hebben -Taalin 66 Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 d
30 hl blok 7 cultuur herhalings- en plustaken geleerd, toepassen. De leerlingen voeren de activiteiten uit op het kopieerblad. Als de woordboot helemaal om het eiland is gevaren, zet deze weer koers naar het vasteland. Hier wordt het woord nog eens gecontroleerd en vervolgens wordt het kaartje naast het spelbord gelegd. Vanaf het startpunt vertrekt het volgende woord. Hiermee voeren de leerlingen dezelfde activiteiten uit. Het spel is afgelopen op het moment dat alle woorden aan de orde zijn geweest. Het werken met Woordkenner levert een belangrijke bijdrage aan de vergroting van de woordenschat van de leerlingen. U moet zich daarbij wel realiseren dat het belangrijk is de woorden gedurende de week een aantal keren te herhalen, zodat de kinderen zich de betekenis blijvend eigen maken. Hierbij kan ook herhalingstaak 6 een belangrijke rol spelen, waarbij kinderen de woorden oefenen met een computerprogramma. Meer informatie over Woordkenner vindt u in de toelichting in de speldoos. Herhalingstaak 6: woordenschat Doel De leerlingen oefenen de doelwoorden van blok 7. De leerlingen oefenen de extra woorden van blok 7. Materialen Computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen Werkwijze Met het computerprogramma Woordenschat Taal/Lezen kunnen de leerlingen de doelwoorden die ze nog niet kennen, verder oefenen. Het programma bevat tachtig doelwoorden per blok. In eerste instantie gaan de leerlingen aan de slag met de doelwoorden die ook in de taallessen aan de orde zijn geweest. Ze maken een ordening in woorden die ze kennen, en woorden die ze nog niet kennen. Met de laatste gaan ze intensief oefenen, waarbij tussendoor ook gecheckt wordt of ze de woorden die ze zeggen te kennen, ook inderdaad beheersen. Is dit niet het geval, dan worden deze woorden toegevoegd aan de oefeningen. Uiteindelijk worden op deze manier alle doelwoorden van het blok nogmaals gecontroleerd en, indien nodig, geoefend. Als kinderen de doelwoorden uit het blok beheersen, gaan ze vanzelf verder met de extra woorden. De overgang van de herhalingstaak naar de plustaak is dus probleemloos geregeld vanuit de software. Doelwoorden blok 7 de aanwijzing afleiden het antwoordapparaat de begrafenis begraven daverend de laatste nieuwtjes het decor de dirigent gevoelig de harmonie (orkest) de herinnering het hoogste woord hebben de kunstenaar de microfoon ontkennen opgelucht opvoeden ouderwets de persoon protesteren repeteren de rol de schijnwerper schminken strijken (viool) uitvoeren de uitvoering het uitzicht wereldberoemd Meer informatie over het computerprogramma Woordenschat Taal/ Lezen vindt u in de handleiding bij de cd-rom. Taal in beeld - jaargroep 5 - handleiding b2 67 -Taalin d
31 Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Wat heb je nodig? Maril Rijks Taalboek b2 Werkboek b2 Schrift Wat moet je doen? Pak je taalboek. Lees wat je gaat doen in de les. Begin bij 1. Volg de nummers door de les. Staat achter een cijfer een S? Schrijf het antwoord in je schrift. Staat achter een cijfer een W? Schrijf het antwoord in je werkboek. Ben je klaar? Maak dan de extra opdracht.
32 Zwijsen EJ 2==H >AA Taal in beeld Taalboek B1 Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Ingeborg Hendriks Maril Rijks Jos Cöp Kom je tekens tegen? Doe dan dit. s w» Schrijf het antwoord in je schrift. Schrijf het antwoord in je werkboek. Doe de opdracht met je buur. Spreek samen af wie de spreker is. Spreek samen af wie de luisteraar is. Extra opdracht. Deze opdracht maak je als je tijd hebt. taalboek b2
33 t blok 7 cultuur les 1 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door er een plaatje bij te zoeken. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal. Kijk goed naar de plaatjes. Herinneren Femke en Fatma zijn blij dat ze elkaar weer zien. Ze hebben elkaar veel te vertellen. Ze vertellen alles wat in hun herinnering zit, alles wat ze nog weten. Over het dambord, de tekeningen op de muur. Over de pijl naar de cirkel, het luik dat openging. Over de spiegel en de man van de douane. Over Grotrijk, Damland, Valleien, Muntenije. Over Sterrenland, de berg met munten. Over Verhalenrijk en de verhalenman. En natuurlijk over de teller met cijfers. Wat een bijzondere grot, zeggen ze allebei. En dan hebben jullie het mooiste nog niet eens gezien, zegt de man van de douane. Femke en Fatma kijken alsof ze hem niet geloven. Kom maar mee, zegt hij. Dan zal ik het jullie laten zien. Leuk! Prachtig! Alleen! Bang! Mooi! Spannend! Muntenije! Sterrenland! Verhalenrijk! Grotrijk! Munten! Teller! a b 2 s 3 s Welk plaatje past het best bij het gekleurde woord? Schrijf de letter op. Schrijf ook op waarom je dat vindt. Maak een tekening bij het gekleurde woord. Teken over jezelf, over iets wat jij je nog herinnert. Schrijf erbij wat er gebeurde. c 54
34 Uitleg Woorden kun je onthouden door er een plaatje bij te zoeken. Dit kan op een plaatje bij een verhaaltekst staan: - wie erbij zijn - wat er gebeurt - waar het gebeurt - wanneer het gebeurt Dit kan op een plaatje bij een weettekst staan: - hoe het eruitziet - wie het gebruikt - wat je ermee kunt doen - waar je het ziet wie? wat? waar? wanneer? wat? het antwoordapparaat waar? het toneel hoe? de microfoon wie? de dirigent 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. In de krant staan elke dag de laatste nieuwtjes. Dat zijn dingen die pas gebeurd zijn. Zoek in een krant naar een laatste nieuwtje. Kijk of er een plaatje bij staat. Knip het uit en plak het op. 8 s Denk aan het woord de begrafenis. Iemand die dood is, wordt dan in een graf gelegd. Welk plaatje vind jij daar het best bij passen? Schrijf de letter op. Schrijf ook op waarom je dat vindt. Terugkijken a b c» s Wat zijn de laatste nieuwtjes uit de buurt? Schrijf ze op. Maak er een tekening bij. 55
35 t blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert een woord uitleggen met een woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. Op verkenning 1 Erik en Daan leggen het woord zich vermommen uit. Let op hoe ze dat doen. Je vermommen is je verkleden. Als je je vermomt, word je niet herkend. 2 s Hoe leggen Erik en Daan het woord zich vermommen uit? Schrijf de namen op. Schrijf erachter hoe ze het woord uitleggen. Kies uit: Met een woord dat hetzelfde betekent. Met een woord dat het tegengestelde betekent. 3 Vertel elkaar wanneer iemand zich vermomt. Waarom vermomt iemand zich? 56
36 Uitleg Een woord kun je uitleggen met een woord dat hetzelfde betekent. Je kunt een woord ook uitleggen met een woord dat het tegengestelde betekent. Instrumentaal wil zeggen zonder zang. De Inuit zijn de Eskimo s. 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Bedenk een woord over het toneel. Hoe kun je dat woord uitleggen? Schrijf het woord op en zet de uitleg erachter. Leg het woord uit. Je mag het woord zelf niet gebruiken. Gebruik een ander woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. Wat is het woord? Heeft de spreker een woord gebruikt dat hetzelfde betekent? Of heeft hij een woord gebruikt dat het tegengestelde betekent? Schrijf het op. 9 s Wat heb je geleerd? Kies uit elk vak een zin die bij jou past. Schrijf de twee zinnen op. Ik leg een woord het best uit met een woord dat hetzelfde betekent. Ik leg een woord het best uit met een woord dat het tegengestelde betekent. Ik begrijp een woord beter met een woord dat hetzelfde betekent. Ik begrijp een woord beter met een woord dat het tegengestelde betekent. Terugkijken» s Bedenk een woord over de film. Leg het woord twee keer uit. Een keer met een woord dat hetzelfde betekent. Een keer met een woord dat het tegengestelde betekent. 57
37 t blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert hoe je het woord maar gebruikt. Je leert wat tegenstellingen zijn. Op verkenning 1 s Bekijk de tekst. Schrijf nog drie tegenstellingen in je schrift. Welk woord staat er telkens tussen? Doe het zo: Niet, maar. Niet, maar. Niet, maar. Het woord dat er tussen staat is. Niet mooi, maar lelijk. Niet zoet, maar zuur. Niet jong, maar oud. 2 s Lees de zinnen. Ik houd van sport, maar mijn zus heeft er een hekel aan. Ik wilde de bal vangen, maar ik liet hem vallen. Deze zinnen zijn tegenstellingen. Welk woord staat ertussen? Schrijf dat op. Schrijf in je schrift twee zinnen met dat woord. 3 s Lees de zinnen. Schrijf de letters in je schrift. Schrijf er het tegengestelde achter. Bekijk eerst het voorbeeld. ergens snel mee klaar zijn ergens lang over doen a. ergens een hekel aan hebben b. iets onthouden c. iemand welkom heten d. troep maken 58
38 Uitleg Ik ben niet groot, maar klein. Ik ben groot. Groot en klein is een tegenstelling. Bij zinnen met een tegenstelling gebruik je het woord maar. 4 5 w 6 s Maak de opdrachten in je werkboek. Schrijf de nummers van de uitdrukkingen in je schrift. Zet de letters van het tegengestelde erachter. 1. op zijn dooie gemak iets doen 2. meteen aan de slag gaan 3. met de mond vol tanden staan a. het hoogste woord voeren b. ergens nog een nachtje over slapen c. flink de handen uit de mouwen steken Terugkijken 7 s Wat heb je geleerd? Schrijf de letters in je schrift. Schrijf er waar of niet waar achter. a. Ik vind het moeilijk om tegenstellingen te vinden. b. Ik weet wanneer ik het woord maar moet gebruiken. c. Ik ken uitdrukkingen die elkaars tegengestelde zijn.» Speel memory met je buur. Je doet het zo: Vouw een A4-papier 4 keer dubbel. Je krijgt dan 16 kaartjes. Knip de kaartjes uit. Bedenk samen 8 tegenstellingen. Je hebt dan 16 woorden. Schrijf de woorden op de kaartjes. Draai ze om. Speel het spel. Wie heeft de meeste?
39 t blok 7 cultuur les 4 schrijven Wat ga je doen? Je leert een moeilijk woord uit te leggen. Dit doe je met een woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. Op verkenning 1 Lees de teksten. Let op hoe de schuingedrukte woorden worden uitgelegd. Het optreden Volgende week gaat groep 5 optreden. Ze maken muziek voor de hele school. Ook de ouders mogen komen. De juf wil dat de kinderen elke middag repeteren. Dan moeten ze hard oefenen. Het optreden wordt vast een groot succes. Lekkere hapjes Op het plein staan kraampjes. Daar kun je hapjes proeven uit allerlei landen. Alles ziet er heerlijk uit. En het ruikt heerlijk. Wat is dat? Farid wijst. Dat is kip. Het is mild van smaak. Dat wil zeggen dat het niet erg gekruid is. Wil je proeven? Ja, dat is goed. Bij de vorige kraam stond mijn mond haast in brand! 2 s Schrijf de schuingedrukte woorden op. Schrijf erachter hoe ze worden uitgelegd. Kies uit: Met een woord dat hetzelfde betekent. Met een woord dat het tegengestelde betekent. 3 s Leg de twee woorden ook op een andere manier uit. 60
40 Uitleg Moeilijke woorden kun je uitleggen met een woord dat hetzelfde betekent. Maar je kunt ze ook uitleggen met een woord dat het tegengestelde betekent. Maar eigenlijk is het nep, dus niet echt. Wij gaan een spannende truc laten zien. Ik speel cello. Dat is een viool, maar dan veel groter. 4 8 w 9 s Maak de opdrachten in je werkboek. Kies een woord en schrijf het in je schrift. Schrijf er een woord achter dat hetzelfde betekent. Leg het ook uit met een woord dat het tegengestelde betekent. Maak er een tekening bij. de toegangsprijs de griezelfilm het instrument het publiek 10 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zinnen op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Ik vind het makkelijk/moeilijk om een woord uit te leggen met een woord dat hetzelfde betekent. Ik vind het makkelijk/moeilijk om een woord uit te leggen met een woord dat het tegengestelde betekent. Terugkijken» s Kies een bericht uit de krant. Zoek een moeilijk woord. Kleur dit woord. Leg uit wat het woord betekent. Kies zelf de manier waarop je het woord uitlegt.
41 t blok 7 cultuur les 5 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden door erover te schrijven. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal. Femke en Fatma willen alles onthouden. Let op hoe ze dat doen. Onthouden De man van de douane loopt voorop. Femke en Fatma volgen hem. Wat een avontuur, hè? zegt Femke. Nou, zegt Fatma. Daar zullen ze in de klas van opkijken. We hebben een heleboel te vertellen. Dus moeten we zorgen dat we alles onthouden. Hoe doen we dat? Ik onthoud altijd alles in mijn hoofd, zegt Femke. O ja? zegt Fatma. Weet je dan nog hoeveel zeven keer zeven is? Dat is gemeen! zegt Femke. Je weet dat ik niet goed ben in rekenen. En wat heeft de meester toen gezegd? zegt Fatma. Dat je erover kunt schrijven om het te onthouden. Ik heb dat toen gedaan. Ik weet nu dat 7 en 7 broertjes zijn en samen op nummer 49 wonen. Zo onthoud ik dat zeven keer zeven negenenveertig is. Dus om alles over deze grot te onthouden, gaan we erover schrijven. Oké, zegt Femke. Maar eerst wil ik weten waar de man van de douane ons naartoe brengt. Want daar ben ik wel heel erg nieuwsgierig naar. 2 s Hoe wil Femke alles onthouden? 3 s Hoe wil Fatma dat doen? Schrijf dat op. Wat weet jij nog over het avontuur van Femke en Fatma? Schrijf drie dingen op. 62
42 Uitleg Woorden kun je onthouden door erover te schrijven. Bijvoorbeeld: - door zinnen te maken - door een verhaaltekst te schrijven Ouders moeten hun kinderen opvoeden. - door een weettekst te schrijven Dit kun je schrijven in een verhaaltekst: - wie erbij is - wat er gebeurt - waar het gebeurt - wanneer het gebeurt Dit kun je schrijven in een weettekst: - hoe iets of iemand eruitziet - wie het ding gebruikt - wat je ermee kunt doen - waar je het ziet Sanne zit op pianoles. Dat moet ze van haar moeder. Die wil dat Sanne veel over muziek leert. Dat hoort bij het opvoeden, vindt ze. Ouders moeten hun kinderen opvoeden. Ze leren ze lopen en praten. Maar ook wat je wel en niet mag doen. 4 6 w Maak de opdrachten in je werkboek. 7 s Schrijf een verhaaltekst of een weettekst over de kunstenaar. Kijk in de Uitleg wat je er allemaal over kunt schrijven. Maak er ook een tekening bij. 8 s Wat heb je geleerd? Denk aan het woord begraven. Schrijf er een verhaaltekst of een weettekst over in je schrift. Terugkijken» s Naar wie kijk je graag op tv? Schrijf erover in je schrift. Maak er een tekening bij. 63
43 t blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert verwijswoorden gebruiken. 1 Op verkenning Kijk naar de tekening. Let op wat van wie is. Jongens, hier zijn jullie teksten. Goed zo, Menno, laat ze ophouden met hun gezeur. Als jullie zo kletsen, wordt ons toneelstuk nooit wat! Waar is de juf? Ik heb haar boek. Goed Kevin, als ik jouw jasje aan mag. Vraag aan Luuk of je zijn laarzen mag lenen. 2 s 3 s Wat is van wie? Schrijf de zinnen op en maak ze af. De gympen zijn van De laarzen zijn van Het jasje is van Het boek is van Het toneelstuk is van Het gezeur is van De teksten zijn van Mijn, jouw, zijn, haar, ons, hun en jullie. Welk van deze woorden zijn gebruikt? Schrijf dat achter de zinnen van opdracht 2. Doe het zo: De gympen zijn van Kevin - mijn gympen Op mijn gympen kan ik de Gelaarsde Kat niet zijn. 64
44 Uitleg Verwijswoorden zijn woorden die naar een persoon verwijzen. Er zijn verwijswoorden die zeggen over wie het gaat: ik, jij, hij of zij, wij, jullie, zij. Er zijn ook verwijswoorden die zeggen van wie iets is: mijn, jouw, zijn of haar, ons, jullie, hun. Ik ben Ilse. Ik speel op mijn gitaar. Mijn broer heet Hans. Ik speel op zijn piano. 4 7 w 8 Maak de opdrachten in je werkboek. Bekijk de tekening. Bespreek samen wat er gebeurt. Gebruik verwijswoorden. 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zin op. Kies uit de schuingedrukte woorden. Ik vind het moeilijk/makkelijk om verwijswoorden te gebruiken. Terugkijken» s Bedenk een gesprek tussen een dirigent en een muzikant. De muzikant begint steeds te laat. Hij let niet op het teken van de dirigent. Schrijf het gesprek op. Gebruik verwijswoorden. 65
45 t blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert waar je hoofdletters, punten, vraagtekens en uitroeptekens moet gebruiken. Op verkenning 1 Lees de kaart. Lieve Isa, Oma en opa zijn nu nog in Italië. Over drie weekjes komen we terug. We zijn dan nog op tijd voor je verjaardag. Want die willen we natuurlijk niet missen! We willen graag weten wat je voor je verjaardag vraagt. Stuur je een verlanglijstje naar ons in Italië? Dikke kus, Opa en oma Isa Jongeneel Tuinstraat BK Joure Nederland 2 s Schrijf de letters in je schrift. Schrijf de antwoorden erachter. Kies uit: punt hoofdletter vraagteken uitroepteken. a. Achter de meeste zinnen op de kaart staat een b. Oma vraagt om een verlanglijstje. Achter een vraagzin staat een c. Oma zegt met nadruk dat ze Isa s verjaardag niet wil missen. Achter die zin staat een d. Met een zijn geschreven: Isa s voornaam en achternaam, de straatnaam, de woonplaats en het land. 3 s Ook andere namen schrijf je met een hoofdletter. Bijvoorbeeld: De schippers van de Kameleon. Pluk woont in de Petteflet. Schrijf de zinnen in je schrift. Schrijf waar het hoort een hoofdletter. Onze school heet de julianaschool. De griezelbus is een spannend boek. Ik lees de fabeltjeskrant. Het klokhuis is een kinderprogramma. 66
46 Uitleg Ik wil dat je komt. Kom hier! Achter zinnen die je met nadruk zegt, komt een uitroepteken. Gewone zinnen eindigen met een punt. Wil je even komen? Achter vraagzinnen staat een vraagteken. Ik ben Isa Jongeneel. Ik woon in de Tuinstraat in Joure in Nederland. Namen schrijf je met een hoofdletter. 4 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Neem het schema over in je schrift. Schrijf ook de voorbeelden erin. Punt Vraagteken Uitroepteken Ik kom vanavond. Hoe laat is het? Binnen! Schrijf onder de goede rij: Wat zeg je Goed gedaan Veel succes Dit huis is nieuw Help Kom je Dat durft hij niet Oma is ziek Wie deed dat Terugkijken 8 s Wat heb je geleerd? Schrijf twee zinnen op die bij jou passen. Ik zet hoofdletters altijd op de goede plaats. Ik vergeet hoofdletters weleens. Ik zet achter iedere zin een punt, vraagteken of uitroepteken. Ik vergeet achter sommige zinnen een punt, vraagteken of uitroepteken te zetten.» s Schrijf een kort verhaal bij de tekening. Zet de hoofdletters, punten, vraagtekens en uitroeptekens op de goede plaats. Zorg ervoor dat er minstens één uitroepteken en één vraagteken in je verhaal staan. Laat je buur controleren of je alle tekens op de goede plaats hebt gezet.
47 t blok 7 cultuur les 8 schrijven Wat ga je doen? Je leert verwijswoorden gebruiken. Op verkenning 1 Lees de twee teksten over Ada. Let op wat anders is. Tekst 1 Ada speelt toneel Ada speelt toneel. De groep van Ada oefent een nieuw stuk. Het stuk van de groep van Ada heet Dansen op het dak. Ada heeft een rol mogen kiezen. De rol van Ada is die van kat. Een keer per week oefent Ada met de groep. De rest van de week oefent Ada thuis voor de spiegel. Tekst 2 Ada speelt toneel Ada speelt toneel. Haar groep oefent een nieuw stuk. Hun stuk heet Dansen op het dak. Ada heeft een rol mogen kiezen. Haar rol is die van kat. Een keer per week oefent Ada met haar groep. De rest van de week oefent ze thuis voor de spiegel. 2 s 3 s Kies een zin uit tekst 1. Schrijf de zin in je schrift. Zoek in tekst 2 een zin die hetzelfde betekent. Schrijf deze zin ook in je schrift. Wat is het verschil? Schrijf dat op. Doe het zo: Tekst 1: Tekst 2: In plaats van Welke tekst vind jij het best? Waarom? Schrijf het in je schrift. Doe het zo: Ik vind tekst het best. Want 68
48 Uitleg Verwijswoorden zijn woorden die naar iemand anders verwijzen. Er zijn verwijswoorden die zeggen over wie het gaat: ik, jij, hij of zij, wij, jullie, zij. Er zijn ook verwijswoorden die zeggen van wie iets is: mijn, jouw, zijn of haar, ons, jullie, hun. Ik ben Cleo. Ik speel op mijn trompet. Mijn broer heet Ivo. Ik speel op zijn drumstel. 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Vandaag treedt Ada op. Ze speelt mee in het toneelstuk Dansen op het dak. Ada speelt de rol van kat. Schrijf een tekst over Ada en haar toneelgroep. Gebruik verwijswoorden en kleur ze. 9 s Wat heb je geleerd? Schrijf de zin op die bij jou past. Ik vind het moeilijk om verwijswoorden te gebruiken. Ik kan verwijswoorden gebruiken. Terugkijken» s Schrijf twee zinnen met het verwijswoord ze. Gebruik het verwijswoord op twee manieren. Voor één persoon en voor meer personen. Laat het verschil zien met een tekening.
49 t blok 7 cultuur les 9 woordenschat Wat ga je doen? Je leert woorden onthouden met een raadspelletje. Je leert tien nieuwe woorden. Op verkenning 1 Lees het verhaal. Let op welk raadsel er wordt gegeven. Raadselland Hier is het, zegt de man van de douane. Hij doet een deur open. Femke en Fatma lopen voorzichtig naar binnen. Meteen vliegen er tientallen woorden langs hun oren. Zoef! Flats! Bukken! Au! Fatma wrijft over haar neus. Er is een woord tegenaan gevlogen. Waar zijn we? vraagt Femke angstig. Dit is Raadselland, zegt de man van de douane. Hier bestaan alleen maar raadsels. Mag ik jullie aan de directeur voorstellen? Dit is Ronnie Raadsel. Ze lopen naar Ronnie, die de meisjes lachend aankijkt. Hallo, ik ben Ronnie Raadsel. Weten jullie wie het meest wereldberoemd is? Dat is de wereld zelf. Hahaha! En weten jullie wat... Ronnie, stop even, zegt de man van de douane. Dit zijn Femke en Fatma. Ze willen graag een kijkje nemen in Raadselland. Met alle plezier, zegt Ronnie Raadsel. Mag ik jullie rondleiden? Dan zal ik laten zien wat voor raadsels er allemaal zijn. Willen jullie dat? Femke en Fatma knikken. Ze vinden het een raar figuur. Alsof hij zelf een raadsel is. 2 s 3 s Welk raadsel geeft Ronnie Raadsel? Schrijf dat op. Snap je het antwoord? Leg dat uit in je schrift. Bedenk zelf een raadsel. Schrijf het op, ook het antwoord. Vraag het raadsel aan je buur. 70
50 Uitleg Woorden kun je onthouden door er een raadspelletje mee te doen. Maar zonder het woord te noemen, natuurlijk! Bijvoorbeeld: - door iets over het woord te vertellen - door het woord uit te beelden Dit kun je vertellen of uitbeelden: - hoe het eruitziet - wie het gebruikt - wat je ermee kunt doen - waar je het ziet (strijken) Dat is allemaal van vroeger. (ontkennen) (ouderwets) 4 7 w 8 Maak de opdrachten in je werkboek. Neem een woord in gedachten. Bedenk er een raadsel bij. Laat je buur het raadsel oplossen. Terugkijken 9 s Welke manier van raadsels maken vind jij het leukst? Schrijf dat op. Schrijf ook op waarom je dat vindt. Iets over het woord vertellen. Het woord uitbeelden.» s Schrijf vijf woorden op die met cultuur te maken hebben. Bedenk er raadsels bij. 71
51 t blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren Wat ga je doen? Je leert verbindingswoorden gebruiken. 1 Op verkenning De meidengroep Jippie! heeft een uitvoering. Nikki gaat erheen. Er staat een lange rij voor ze naar binnen kan. Sommige kinderen staan zich te vervelen. Andere kinderen zijn daar niet gevoelig voor. Let op hoe ze dat zeggen. Ik vind het niet erg. Ook mijn zus verveelt zich niet. Ik luister naar mijn mp3-speler. Daarom is het niet saai. Ik vind wachten stom. Daarom heb ik mijn gameboy meegenomen. Ik houd van Jippie! Toch vind ik dit saai. Nee, dat vind ik niet. Toch wacht ik al een uur. Vinden jullie wachten ook zo saai? Ik vind het supersaai! Ook mijn vriend, die een geduldig persoon is, begint te protesteren. 2 s Lees hieronder nog eens wat Tristan zegt. Uit de tweede zin is het verbindingswoord toch weggelaten. Tristan: Nee, dat vind ik niet. Ik wacht al een uur. Schrijf achter elke naam de twee zinnen op. Uit de tweede zin moet je het verbindingswoord weglaten. Let op: de zin wordt soms anders. Kijk naar het voorbeeld. Doe het zo: Kim: Mandy: Max: Karim: Jasmijn: 3 Vertel elkaar wat je ervan vindt als je ergens lang moet wachten. Wat doe je dan? Gebruik de verbindingswoorden ook, toch of daarom. 72
52 Uitleg Je kent de verbindingswoorden maar en want. Ze verbinden twee zinnen aan elkaar. Ook, toch en daarom zijn ook verbindingswoorden. Ik ga vanavond naar de harmonie luisteren. Ook mijn ouders luisteren dan mee. Ik ben een beetje ziek. Toch wil ik naar de harmonie gaan luisteren. Ik ga vanavond naar de harmonie luisteren. Daarom ruim ik nu alvast mijn kamer op. 4 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees de tekst van opdracht 1 nog een keer. Bedenk voor elk kind een nieuw einde van de zin. Schrijf het op. Doe het zo: Tristan: Nee, dat vind ik niet. Toch Kim: Ik vind het supersaai. Ook Mandy: Ik vind wachten stom. Daarom Max: Ik luister naar mijn mp3-speler. Daarom Karim: Ik houd van Jippie! Toch Jasmijn: Ik vind het niet erg. Ook 9 s Wat heb je geleerd? Kies een zin. Bedenk er een tweede zin bij. Schrijf de zinnen op. Terugkijken Ik vind het lastig om ook, toch of daarom te gebruiken. Ik vind het handig om ook, toch of daarom te gebruiken.» s Bedenk de tweede zin. Doe dat drie keer. Gebruik ook, toch en daarom. Ik ben dol op tekenfilms. Toch Ik ben dol op tekenfilms. Ook Ik ben dol op tekenfilms. Daarom 73
53 t blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing Wat ga je doen? Je leert waar je een komma moet gebruiken. Je leert waar je een dubbele punt gebruikt. 1 Op verkenning Lees de zinnen. De wereldberoemde dirigent geeft een aanwijzing. De muzikant let niet goed op. De wereldberoemde dirigent geeft een aanwijzing, maar de muzikant let niet goed op. De dirigent is opgelucht. De uitvoering was een daverend succes. De dirigent is opgelucht, want de uitvoering was een daverend succes. 2 s Van twee zinnen is steeds één zin gemaakt. Lees de vragen. Schrijf de letters op. Zet de antwoorden erachter. a. Welke woorden zijn hierbij gebruikt? b. Welk leesteken zet je voor maar en want? 3 s Lees de zinnen. Het orkest repeteerde vaak en dat kon je goed merken. De dirigent pakte een microfoon en hij bedankte het publiek. De twee zinnen zijn aan elkaar gemaakt door het woord en. Staat hier ook een komma? Schrijf het op. 4 s Lees wat Harm en Manja opschrijven. In mijn harmonie spelen: klarinetten, trompetten, fluiten en trommels. Ik ga op reis en neem mee: mijn tas, mijn jas, mijn fiets en verder niets. Lees de zinnen hieronder. Welke zinnen zijn waar? Schrijf die letters op. a. Als je een rijtje dingen noemt, staat daar vaak een voor. b. Tussen de opgenoemde dingen staat altijd. c. Tussen de opgenoemde dingen staat altijd een. d. Tussen de opgenoemde dingen staat meestal een en soms. 74
54 Uitleg Maak je van twee zinnen één zin? Dan zet je er een komma tussen. Ook bij opsommingen gebruik je een komma. Voor een opsomming staat een dubbele punt. Bij het woord en staat geen komma. Zie je de opsomming? Let op en. Ik ken de volgende leestekens: de punt, de komma, het uitroepteken en het vraagteken. 5 6 w 7 s Maak de opdrachten in je werkboek. Lees het verhaal. Vergeten zijn de punten, komma s, uitroeptekens en vraagtekens. Maar ook de dubbele punten en hoofdletters. Schrijf de zinnen over en zet de leestekens en hoofdletters op de goede plaats. ik zit op een toneelclub daar repeteerden wij een spannend toneelstuk de decors hadden we zelf gemaakt want laten maken was te duur je zag een paleis een troon een bos en het huis van de heks vorige week was de uitvoering die was werkelijk fantastisch weet je wat het publiek het mooist vond de decors 8 s Wat heb je geleerd? Schrijf de letters in je schrift. Schrijf er waar of niet waar achter. b. Als je van twee zinnen één zin maakt, gebruik je meestal een komma. Terugkijken a. Aan het eind van de zin schrijf je een komma. c. Ook bij het woord en gebruik je een komma. d. Bij een opsomming gebruik je meestal een komma. e. Voor een opsomming komt een uitroepteken. f. Voor een opsomming komt een dubbele punt.» s Schrijf een verhaal van ongeveer vijf zinnen. Doe het over een schoolreisje of over een pretpark. Of iets anders wat je leuk vindt. In je verhaal staan minstens een komma, een punt, een uitroepteken en een vraagteken. 75
55 t blok 7 cultuur les 12 schrijven Wat ga je doen? Je leert verbindingswoorden gebruiken. Op verkenning 1 Lees de tekst. Let op de schuingedrukte woorden. In de schijnwerpers Aan het maken van een film werken veel mensen mee. Allereerst zijn er de acteurs. Dat zijn de toneelspelers. Zij spelen ieder een rol. De regisseur geeft de acteurs aanwijzingen. Je ziet hem nooit in de film, ook al is hij erg belangrijk. Bij de filmopname moeten de acteurs goed verstaanbaar zijn. Daarom worden er microfoons gebruikt. De acteurs repeteren hun rol. Ze leren hun tekst vanbuiten. Toch lukt dat niet altijd. Dan moet de opname opnieuw. Als de opnames goed zijn gelukt, haalt iedereen opgelucht adem. Sommige acteurs zijn wereldberoemd geworden door hun rol. 2 s 3 s 4 s De acteurs zijn belangrijk bij het maken van een film. Wie nog meer? Hoe weet je dat? Schrijf het op. Aan welk woord zie je dat er microfoons nodig zijn? Schrijf het op. Lukt het de acteurs altijd hun rol vanbuiten te leren? Ja of nee? Hoe weet je dat? Schrijf het op. 76
56 Uitleg Je kent al de verbindingswoorden maar en want. Ze verbinden twee zinnen met elkaar. Ook, toch en daarom zijn ook verbindingswoorden. Jip houdt van trommelen. Daarom zit hij op drumles. Jip houdt van trommelen. Toch zit hij niet op drumles. Jip houdt van trommelen. Ook pianospelen vindt hij leuk. 5 7 w 8 s Maak de opdrachten in je werkboek. Bekijk de plaatjes. Schrijf bij de plaatjes het verhaal De uitvoering. Gebruik de verbindingswoorden ook, toch en daarom. 9 s Wat heb je geleerd? Kies de zinnen die bij jou passen. Schrijf ze op. Ik kan een zin maken met ook. Ik kan een zin maken met toch. Ik kan een zin maken met daarom. Terugkijken» s Schrijf drie zinnen bij het plaatje. Een zin met ook. Een zin met toch. En een zin met daarom.
57 w blok 7 cultuur les 1 woordenschat 4 Lees wat het gekleurde woord betekent. Welk plaatje vind jij daar het best bij passen? Kleur dat plaatje. de harmonie Een harmonie is een orkest. Een orkest met blazers en trommelaars. 5 Lees wat de woorden betekenen. Kruis aan welk plaatje erbij hoort. de schijnwerper Een schijnwerper geeft licht. Je kunt er in het donker mee zoeken. schminken Een toneelspeler doet kleur op zijn gezicht. Hij moet zich schminken. 6 Soms zijn mensen het ergens niet mee eens. Dan willen ze dat laten horen. Ze protesteren. Wat voor plaatje zou jij daarbij zoeken? Wat moet erop staan? Schrijf dat op. t ga terug naar je taalboek 25
58 w blok 7 cultuur les 2 spreken/luisteren 4 Leg uit wat de pruik betekent. Gebruik een woord dat hetzelfde of het tegengestelde betekent. 5 6 Hoe heb jij het woord uitgelegd? Met een woord dat hetzelfde betekent. Met een woord dat het tegengestelde betekent. Hoe leg je de volgende woorden het beste uit? Kruis aan en leg uit. de tv-serie Met een woord dat hetzelfde betekent. Met een woord dat het tegengestelde betekent. uitleg: stout Met een woord dat hetzelfde betekent. Met een woord dat het tegengestelde betekent. uitleg: de tekenfilm Met een woord dat hetzelfde betekent. Met een woord dat het tegengestelde betekent. uitleg: saai Met een woord dat hetzelfde betekent. Met een woord dat het tegengestelde betekent. uitleg: 7 Bespreek de uitleg van de woorden van opdracht 6. Is het woord goed of niet goed uitgelegd? de tv-serie goed uitgelegd niet goed uitgelegd stout goed uitgelegd niet goed uitgelegd de tekenfilm goed uitgelegd niet goed uitgelegd saai goed uitgelegd niet goed uitgelegd t 26 ga terug naar je taalboek
59 w blok 7 cultuur les 3 taalbeschouwing 4 Schrijf het tegengestelde op. Laat de woorden rijmen. Niet klein, maar groot. Niet levend, maar Niet groot, maar Niet kort, maar Niet koud, maar Niet jong, maar Niet recht, maar Niet gewoon, maar Niet grof, maar Niet dapper, maar Niet rijk, maar Niet lief, maar Niet knap, maar Nu is mijn gedichtje af. 5 Schrijf de woorden in de goede rij. Let op de betekenis. Vul in: prachtig - t gaat wel - schitterend - niet heel bijzonder - stom - afschuwelijk - vreselijk - geweldig - het kan ermee door. wel aardig mooi lelijk Bedenk zelf nog drie woorden. Schrijf ze in de goede rij. t ga terug naar je taalboek 27
60 w blok 7 cultuur les 4 schrijven 4 Lees de tekst. Er wordt een moeilijk woord uitgelegd. Kleur het moeilijke woord. Feest bij Vinod Vinod komt uit India. Elk jaar viert hij Diwali. Dat is het lichtjesfeest. Iedereen steekt dan kaarsjes aan. Mensen geven elkaar cadeautjes. Ook steekt Vinod dan vuurwerk af. 5 Lees de zin. Kies uit de schuingedrukte woorden. Zet een rondje om het goede woord. In Feest bij Vinod wordt een moeilijk woord uitgelegd met een woord dat hetzelfde / het tegengestelde betekent. 6 Lees de tekst. Er wordt een moeilijk woord uitgelegd. Kleur het moeilijke woord. Naar de film Erik en Daan gaan naar de film. Ze gaan naar een première. De film is voor de eerste keer te zien. De mensen die in de film meespelen komen ook kijken. Erik en Daan zijn erg benieuwd. 7 Lees de zin. Kies uit de schuingedrukte woorden. Zet een rondje om het goede woord. In Naar de film wordt een moeilijk woord uitgelegd met woorden die hetzelfde / het tegengestelde betekenen. 8 Welke woorden betekenen hetzelfde of het tegengestelde? Trek een lijn naar het woord dat hetzelfde betekent. Kleur het tegengestelde woord. hard lachen simpel moeilijk schateren huilen makkelijk t 28 ga terug naar je taalboek
61 w blok 7 cultuur les 5 woordenschat 4 Lees wat de gekleurde woorden betekenen. Schrijf ze daarna onder het goede plaatje. Sanne oefent op de piano. Haar leraar geeft een aanwijzing. Kijk, zo moet je dat spelen. Sanne oefent heel hard. Vanavond geeft ze een uitvoering. Dan speelt ze voor andere mensen. Sanne heeft goed gespeeld. Ze krijgt een daverend applaus. Het publiek klapt heel hard. 5 Lees de zinnen. Schrijf er een zin bij. Leg met deze zin het gekleurde woord uit. Sanne is blij dat het voorbij is. Gelukkig ging alles goed. Ze is opgelucht. De moeder van Sanne is trots. Dat vertelt ze tegen iedereen. Ze heeft het hoogste woord. 6 Lees de verhalen. Wat betekenen de gekleurde woorden? Sanne speelt piano. De mensen luisteren. Soms wordt er gehoest. Maar Sanne let er niet op. Ze laat zich niet afleiden. Na afloop loopt iedereen naar Sanne. Geweldig! Proficiat! Heel mooi! Ze is de belangrijkste persoon. Belangrijker dan alle andere mensen. t ga terug naar je taalboek 29
62 w 4 blok 7 cultuur les 6 spreken/luisteren Wat vind jij de leukste muziek? Praat erover met je buur. Gebruik alleen de woorden ik, mijn, jij, jouw, wij en ons. Gebruik geen andere verwijswoorden. 5 Welke schrijver vind jij goed? Praat erover met je buur. Gebruik alleen de woorden hij of zij en zijn of haar. Gebruik geen andere verwijswoorden. 6 7 Voer een gesprek over naar het museum. Gebruik alleen de woorden ik, mijn, jij, jouw, wij en ons of onze. Gebruik geen andere verwijswoorden. Vul de spreekwolken in. Gebruik ik, mijn, jij, jouw, hij, zijn, wij, ons of onze, jullie, zij, ze, haar en hun. Maak de strip af. t 30 ga terug naar je taalboek
63 w blok 7 cultuur les 7 taalbeschouwing 4 Op een envelop moeten een naam en een adres staan. Schrijf je voor- en achternaam op. Daaronder je straatnaam en het huisnummer. Daaronder de woonplaats en het land. Vergeet de hoofdletters niet. 5 Zet achter elke zin een punt, een vraagteken of een uitroepteken. Komt dat zien Komt dat zien Circus Charlie komt in de stad Heb je weleens zingende papegaaien gezien Of dansende zeeleeuwen Kom dan naar Circus Charlie kijken De voorstelling begint vanavond om acht uur 6 Lees de tekst. Welke letters moeten hoofdletters worden? Zet er een rondje omheen. Ook de punten, vraagtekens en uitroeptekens zijn vergeten. Zet ze op de goede plaats. goochelaar remco staat op het podium stilte roept hij ik ga nu de grote verdwijntruc doen er klinkt tromgeroffel de zaal wordt doodstil wie durft er op het podium te komen een meisje komt naar voren en gaat het podium op remco blaast wat poeder over haar heen wat is dat het meisje is verdwenen maar even later goochelt hij haar weer terug t ga terug naar je taalboek 31
64 w blok 7 cultuur les 8 schrijven 4 Vul het goede verwijswoord in. Kies uit: mijn - jouw - zijn - haar - ons - onze - jullie - hun. Dat verhaal hebben wij geschreven. Het is Die tekening heb ik gemaakt. Het is De saxofoon is van Sem. Het is Ze sparen samen voor een kaartje. Het is verhaal. tekening. saxofoon. spaargeld. 5 Schrijf drie zinnen met verwijswoorden. Gebruik één keer jouw. Eén keer haar. En één keer onze. 6 Vul de lege spreekwolken in. Gebruik verwijswoorden. Ha ha, dit boek is nu van mij. Rood of blauw? Ik wil paarse haren! 7 Welke kaartjes horen bij elkaar? Geef ze dezelfde kleur. Wat hoort er op het lege kaartje te staan? Schrijf dat erop. zijn haar hun t 32 ga terug naar je taalboek
65 w blok 7 cultuur les 9 woordenschat 4 Lees de zinnen. Ze vertellen iets over een woord. Welk gekleurde woord wordt bedoeld? het decor gevoelig repeteren Een ander woord voor oefenen. Het staat op het toneel. Daaraan kun je zien waar het stuk speelt. Je bent heel gauw boos, blij of verdrietig. 5 Op de foto staat het uitzicht over de bergen. Wat kun je over het uitzicht zeggen zonder het woord te noemen? Bedenk twee zinnen. 6 7 Hoe zou jij het woord het uitzicht uitbeelden? Doe dat aan elkaar voor. Lees en kijk wat de woorden betekenen. Bedenk vragen voor een raadspel. Tom speelt de rol van oude man. De kinderen voeren een muziekstuk uit. t ga terug naar je taalboek 33
66 w blok 7 cultuur les 10 spreken/luisteren 4 Verander de tweede zin. Gebruik ook, toch of daarom. Bas heeft geen geld. Hij koopt een boek. Bas heeft geen geld. Ik heb niet geoefend. Ik kan het stuk niet spelen. Ik heb niet geoefend. Ik houd een spreekbeurt. Ruben houdt een spreekbeurt. Ik houd een spreekbeurt. 5 Maak de tweede zin af. Ik zing met een microfoon. Ook Ik zing zonder een microfoon. Toch Ik houd van zingen. Daarom 6 7 Vertel elkaar de laatste nieuwtjes. Gebruik ook, toch en daarom. Vertel wat je weet over kunstenaars. Gebruik de verbindingswoorden maar, want, ook, toch en daarom. t 34 ga terug naar je taalboek
67 w blok 7 cultuur les 11 taalbeschouwing 5 Maak van twee zinnen één zin. Gebruik het schuingedrukte woord dat erboven staat. Gebruik een komma als dat nodig is. als Het antwoordapparaat staat aan. Ik ben weg. maar Dat is niet ouderwets. Dat is modern. en Ik kreeg de rol van heks. Daarvoor werd ik geschminkt. omdat Wij klimmen naar de top. Het uitzicht is daar erg mooi. 6 Wat is er getekend? Maak de zinnen af. Denk om de dubbele punt en de komma s. Op de boerderij zag ik In het sprookjesbos zag ik In het orkest zag ik t ga terug naar je taalboek 35
68 w blok 7 cultuur les 12 schrijven 5 Kleur het goede schuingedrukte woord. Kijk naar het voorbeeld. Ik wil muziek leren maken. Ook / Toch / Daarom ga ik op muziekles. Opa maakt graag een dansje. Ook / Toch / Daarom oma doet graag mee. Ik houd van mooie dingen. Ook / Toch / Daarom ga ik vaak naar het museum. Papa kan goed zingen. Ook / Toch / Daarom doet hij dat niet vaak. 6 Maak de zinnen af. Maak er een tekening bij. Ik houd van popmuziek. Ook Ik houd van popmuziek. Toch Ik houd van popmuziek. Daarom 7 Ada en Jip repeteren hun rol. Ada vergeet af en toe haar tekst. Jip denkt dat ze niet goed genoeg heeft geoefend. Schrijf op wat Jip tegen Ada zegt. Schrijf ook op wat Ada zegt. Gebruik verbindingswoorden. Jip: Ada: t 36 ga terug naar je taalboek
69 blok 7 cultuur
70 k blok 7 toetstaak naam: 1 Zet de woorden op de goede plaats. Eén woord is al voorgedaan. Kies uit: langzaam herrie akelig opzoeken snel stilte verbergen leuk. betekent hetzelfde als is het tegengestelde van stout ondeugend lief vervelend lawaai vlug verstoppen 2 Wie wordt er met het onderstreepte woord bedoeld? Schrijf de naam van dat kind achter de zin. Katlijn: Wie doet er met mij mee? Mij is Marvin: Vraag aan Lars of hij komt. Hij is Bartho: Kim en Tom, wat gaan jullie doen? Jullie zijn Katja: Ik zal het aan Birgit vragen. Ik is Anouk: Waar is Mark? Ik wil dat hij ook komt. Hij is 3 Maak tegenstellingen. niet lang, maar niet krom, maar niet smal, maar niet glad, maar niet droog, maar niet optellen, maar niet winnen, maar niet zwijgen, maar niet verdrietig, maar geen hekel hebben aan iemand, maar b blok 7 kopieerblad 1 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
71 k blok 7 toetstaak naam: 4 Zet de punten, komma s, uitroeptekens en vraagtekens op de goede plaats. Zet een streep onder de letters die hoofdletters moeten zijn. het is woensdagmiddag saskia is in de kleedkamer van de sportzaal ze pakt haar judopak uit haar tas en doet het aan ze doet er ook een oranje band om want die heeft ze al gehaald ze wil graag haar volgende band halen weet jij welke kleur die heeft juist die is groen vandaag vecht ze tegen sacha zal ze de wedstrijd winnen 5 Welk plaatje zou jij zoeken bij de volgende woorden? de harmonie mensen die viool en gitaar spelen mensen die trompet en trommel spelen de dirigent iemand die voor de klas staat iemand die op het toneel staat mensen die piano, orgel en keyboard spelen iemand die voor een orkest staat protesteren mensen met spandoeken mensen die naar voetbal kijken mensen die dansen de begrafenis mensen op een kerkhof mensen die een concert bijwonen mensen die met een graafmachine werken schminken een clown die zijn neus rood maakt een kind dat een gezicht tekent een vrouw die haar haren kamt 6 Welk woord wordt er bedoeld? Kies uit: strijken het decor het antwoordapparaat de microfoon. Het woord hoort bij toneel. Het laat zien waar het toneelstuk zich afspeelt. Je gebruikt het bij de telefoon. Je kunt iets zeggen als iemand niet thuis is. Het is een woord dat bij een violist hoort. De violist gebruikt er een soort stok voor. Het is een apparaat dat bij een zanger of een spreker hoort. Je gebruikt het om een geluid harder te laten klinken. Het woord hoort bij een toneelstuk. Je noemt het zo als je iemand anders speelt. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 2 b
72 k registratieblad toetstaak Onderdeel Spreken/luisteren Taalbeschouwing Woordenschat Opdrachten Opdracht 1 Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4 Opdracht 5 en 6 Naam Adviesnorm 0 fouten: G 0 fouten: G 0, 1 fouten: G 0,1, 2 fouten: G 0, 1 fouten: G 1, 2 fouten: V 1 fout: V 2 fouten: V 3, 4, 5 fouten: V 2, 3, 4 fouten: V >2 fouten: O >1 fout: O >2 fouten: O >5 fouten: O >4 fouten: O Herhalingsstof Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: Onvoldoende: ht 1 ht 2 ht 3 ht 4 ht 5/6 (hl b2, p. 64) (hl b2, p. 64) (hl b2, p. 65) (hl b2, p. 65) (hl b2, p. 66) De leerlingen die voldoende of goed scoren op alle onderdelen, kunnen verder gaan met de plustaken. Meer informatie in hl b2, pagina 6. Afkortingen: G = goed, V = voldoende, O = onvoldoende, ht = herhalingstaak, hl = handleiding. b blok 7 kopieerblad 3 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
73 k blok 7 herhalingstaak 1 spreken/luisteren naam: Een woord kun je uitleggen met een woord dat hetzelfde betekent. Je kunt een woord ook uitleggen met een woord dat het tegengestelde betekent. Instrumentaal wil zeggen De Inuit zijn de eskimo s. zonder zang. 1 Welke uitleg vind je beter? Sabine en Ron leggen het woord modern uit. Sabine: Een moderne bloes is een bloes die er hip uitziet. Ron: Een moderne bloes is een bloes die niet ouderwets is. m Sabine en Ron leggen het woord aanwezig uit. Sabine: Aanwezig betekent dat je ergens bij bent geweest. Ron: Aanwezig betekent dat je niet afwezig bent. Onderstreep de schuingedrukte woorden die goed zijn. Sabine legt de woorden uit met woorden die het tegengestelde / hetzelfde betekenen. Ron legt de woorden uit met woorden die het tegengestelde / hetzelfde betekenen. 2 Lees wat Falco over zichzelf zegt. Ik ben groot en sterk. Ik ben voor niemand bang. Ik ben erg slim. Ik ben goed in sport. Ik ben de leukste en de knapste jongen van mijn klas. Het is jammer dat niemand dit in de gaten heeft. Zijn zusje vindt Falco een grote opschepper. Zij zegt telkens precies het tegengestelde. Schrijf op wat zijn zusje zegt. De eerste zin is al voorgedaan. Falco is klein en slap. Falco is voor bang. Falco is erg. Falco is in sport. Falco is de en de jongen van zijn klas. heeft dit in de gaten. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 4 b
74 k blok 7 herhalingstaak 2 spreken/luisteren naam: Verwijswoorden zijn woorden die naar iemand anders verwijzen. Er zijn verwijswoorden die zeggen over wie het gaat: ik, jij, hij of zij, wij, jullie, zij. Er zijn ook verwijswoorden die zeggen van wie iets is: mijn, jouw, zijn of haar, ons, jullie, hun. Ik ben Ilse. Ik speel op mijn gitaar. Mijn broer heet Hans. Ik speel op zijn piano. 1 Dave vertelt een mop. In de mop gebruikt hij verwijswoorden. Kleur deze verwijswoorden. a. Een boer fietst door het dorp. b. Zijn paard loopt aan een stevig touw naast hem. c. Er komt een agent aan. d. Hij zegt tegen de boer: Je mag hier niet fietsen met een paard naast je. e. De boer kijkt over zijn schouder achterom. f. Hij zegt tegen de agent: Ik dacht dat hij achterop zat. g. Hij is nu al voor de vijfde keer van mijn bagagedrager gesprongen. 2 Kijk nog eens naar de zinnen hierboven. Naar wie verwijzen de woorden? Het woord zijn in zin b verwijst naar Het woord hij in zin d verwijst naar Het woord je in zin d verwijst naar Het eerste woord hij in zin f verwijst naar Het woord hij in zin g verwijst naar Het woord mijn in zin g verwijst naar b blok 7 kopieerblad 5 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
75 k blok 7 herhalingstaak 3 taalbeschouwing naam: Dik en dun vormen een tegenstelling. Bij tegenstellingen gebruik je het woord maar: Niet dik, maar dun. Ik ben dik. Maar ik ben dun. 1 Jim en Bridget denken overal heel anders over. Vervang het schuingedrukte woord door het tegenovergestelde. Dit vindt Jim: Dit vindt Bridget: Het was gezellig op de camping. Het was op de camping. Er was veel te doen. Er was te doen. De camping lag dicht bij de zee. De camping lag van de zee. We gingen altijd naar het strand. We gingen naar het strand. Onze buren waren leuke mensen. Onze buren waren mensen. 2 Maak van twee zinnen één zin. Welk woord zet je ertussen? Jim had een leuke vakantie. Bridget vond de vakantie niet leuk. Jim heeft fijn gespeeld. Bridget heeft zich verveeld. 3 Wat is het tegengestelde? Bob heeft een vrolijke bui. Yildiz voert niets uit. Feisal heeft veel succes. Manon weet niets te bedenken. Ruud laat alles achter zich slingeren. Samir zegt niet veel. Sara is een echte kletskous. Tara wil ermee stoppen. Parna werkt hard. Rashida ruimt alles op. Boris wil graag nog even doorgaan. Bij Renate mislukt alles. Hassan verzint veel spelletjes. Roel is erg chagrijnig. Uitgeverij Zwijsen, Tilburg blok 7 kopieerblad 6 b
76 k blok 7 herhalingstaak 4 taalbeschouwing naam: Achter zinnen die je met nadruk zegt, komt een uitroepteken. Achter vraagzinnen staat een vraagteken. Kom hier! Wil je even komen? Gewone zinnen eindigen met een punt. Ik wil dat je komt. Als je van twee zinnen één zin maakt, staat daar vaak een komma tussen. Ik kom straks, want ik ben nu nog even bezig. 1 Zet een punt, vraagteken of uitroepteken achter de zinnen. Wil je dat even wegbrengen Ben je nu tevreden Kun je me even helpen Kijk uit Let op Je mag bij mij achter op de fiets zitten Ik zal je straks bellen Ga je mee buiten spelen 2 m Schrijf de goede leestekens op deze kaart. Verbeter ook de hoofdletters door er een streep onder te zetten. hallo joost ik ben nu een week in frankrijk het is hier hartstikke leuk ik heb veel vriendjes op de camping we zwemmen elke dag in zee hoe was jouw vakantie hoe lang zijn jullie weggeweest volgende week kom ik weer thuis ik hoop dat jij er dan ook bent groeten frank joost verkade rijnstraat zb bladel nederland 3 Zet de komma s op de goede plaats. Ik heb me niet verveeld want er was van alles te doen. In het begin was het boek saai maar later werd het spannend. Mijn vriend ging niet mee omdat hij ziek was. Ga je met ons mee of blijf je liever hier? b blok 7 kopieerblad 7 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 6: 1 handleiding C1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek C1: de introductiepagina s en blok
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding e1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek E2: de introductiepagina s en blok
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding d1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek A2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek B1: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 7: 1 handleiding D2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek D2: de introductiepagina s en blok
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek A1: de introductiepagina s en blok
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands
Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands Het gebruik van De bovenkamer bij Taal in Beeld Bij verschillende onderdelen van de taalmethode Taal in Beeld, kunt u De bovenkamer
LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK b Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HAnDlEIDInG b Hl InHoUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK d Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HANDLEIDING d HL INHOUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen
Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen 1.1 Eigen kennis 1.1.1 Kinderen kunnen hun eigen kennis activeren, m.a.w. ze kunnen aangeven wat ze over een bepaald onderwerp al weten en welke ervaringen ze er
Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon
Josée Coenen De bovenkamer een kleurrijke grammatica van het Nederlands colofon Dit overzicht is samengesteld door Josée Coenen, auteur van De bovenkamer. Vormgeving Marjo Starink Bazalt 2016 Voor meer
CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo
Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 h/v de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 h/v de betekenis
Informatie. vakgebieden. Groep 6
Informatie vakgebieden Groep 6 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Leerlijn Spreken & luisteren groep 5
Leerlijn Spreken & luisteren groep 5 Spreken (individueel / gesprekken voeren): Luisteren: Een monoloog houden in een kleine groep, duidelijk verwoorden wat ze bedoelen. Een gesprek (overleg) voeren in
Leerstofoverzicht Taal in beeld groep 4
Leerstofoverzicht Taal in beeld groep blok woordenschat spreken/luisteren schrijven taalbeschouwing Les : betekenis door plaatje Les : spreken Les : bij elke tekst hoort een schrijver Les : spelen met
Uitprobeerpakket. Handleiding 5a groep 5 blok 4
Uitprobeerpakket Handleiding 5a groep 5 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
Uitprobeerpakket. Handleiding 4a groep 4 blok 4
Uitprobeerpakket Handleiding 4a groep 4 blok 4 Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp
Informatie. vakgebieden. Groep 4
Informatie vakgebieden Groep 4 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Programma van Inhoud en Toetsing
Onderdeel: Grammatica zinsdelen (RTTI) Lesperiode: 1 Hoofdstuk: 1, 2,3 & 5 Theorie blz 28, 68, 108, 188, 189 De leerling moet de volgende zinsdelen kennen: persoonsvorm onderwerp werkwoordelijk gezegde
Inhoudsopgave. Blok 5 Verhalen 15 lesbeschrijvingen toetsing informatie over de herhalings- en plustaken
Inhoudsopgave Algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw van de methode 4 Leeractiviteiten 5 Opbrengstgericht werken 6 Samenwerkend leren 7 Toetsing en evaluatie 8 Combinatiegroepen 8
Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5
Taal actief 4 taal verkennen groep 5-8 taal verkennen groep 5 In dit document een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen Taal verkennen groep 5. Deze kenn maakt onderdeel uit van de leerlijn
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Schooljaar 2015 2016 Nederlands havo vwo 1 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling H 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Het flexibel inzetten van de taalmethode heeft te maken met de functie van taal.
Taal: vakspecifieke toelichting en tips Taalverwerving en -onderwijs verlopen als het ware in cirkels: het gaat vaak om dezelfde inhouden, maar de complexiteit en de mate van beheersing nemen toe. Anders
Methodeanalyse. Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO. Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg
Methodeanalyse Stelonderwijs; Taal in beeld Methodeanalyse van de leerlijn stellen in taalmethode: Taal in beeld PO / SO / SBO Uitgeverij en website Zwijsen, Tilburg www.zwijsen.nl www.taalinbeeld.nl Eerste
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2018-2019 Klas: HV1 Lesperiode: 1 + 2 Diploma grammatica Methode: Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: Grammatica HF 1 t/m 6 Bladzijde: 25 t/m 30, 67 t/m 72, 109 t/m 114, 151 t/m 156, 193 t/m 198, 235
Informatie. vakgebieden. Groep 5
Informatie vakgebieden Groep 5 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8
Zoals u wellicht weet wordt er ieder jaar in oktober de KINDERBOEKENWEEK georganiseerd. Op de meeste scholen worden er dan ook Voorleeswedstrijden gehouden, en gaat de aandacht speciaal uit naar de PROMOTIE
Naam leerlingen. Groep BBL 1 Nederlands. Verdiepend arrangement. Basisarrange ment. Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen.
Verdiepend Basisarrange ment Naam leerlingen Groep BBL 1 Nederlands Leertijd; 5 keer per week 45 minuten werken aan de basisdoelen. - 5 keer per week 45 minuten basisdoelen toepassen in verdiepende contexten.
Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen
Basis Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Deviant methode leer/werkboek VIA vooraf op weg naar 1F. De 8 thema s in het boek hebben terugkerende
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2015-2016 Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL
Nationaal congres Taal en Lezen 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Contactgegevens Tseard Veenstra [email protected] 06 55168626 Is spellingonderwijs nog relevant als we met behulp
CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo
Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten Subdomein A 1.1: Woordenschat 1.1 vmbo de betekenis van onbekende woorden afleiden uit de context; 1.2 vmbo de betekenis
Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Basisgrammatica Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Basisgrammatica Het computerprogramma Basisgrammatica
Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart. Uitgeverij Alles-in-1
SLO-kerndoelanalyse Alles-in-1/Alles apart Uitgeverij Alles-in-1 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede 2 maart 2010 Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld is het toegestaan om zonder
(werkwoordelijk gezegde)
Grammatica 1F Grammatica 1F bestrijkt de basisregels van de Nederlandse grammatica die op de basisschool worden aangeleerd en waarmee in het voortgezet onderwijs meestal nog wordt geoefend. Doelgroepen
Taal in beeld Spelling in beeld
Taal in beeld/ / Spelling in beeld Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt vermeld
Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Vak: Nederlands EBR Klas: IG 2 mh/hv Onderdeel: Leesvaardigheid Lesperiode: 5 Nieuw Nederlands 5 e editie Hoofdstuk: 4 Blz. 127 t/m 12 Nieuw Nederlands Online H 1 t/m 4, onderdeel Lezen extra en Test Nieuwsbegrip
Informatie. vakgebieden. Groep 7
Informatie vakgebieden Groep 7 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Kinderen leren schrijven. www.taalvorming.nl
Kinderen leren schrijven www.taalvorming.nl Uitgangspunten van taalvorming Taalvorming is een lang bestaande werkwijze die je ook kunt zien als schrijfdidactiek werken vanuit eigen ervaringen samenhang
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek E2: de introductiepagina s
OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID. 1. Lees- en schrijfmotivatie
OVERZICHT TUSSENDOELEN GEVORDERDE GELETTERDHEID 1. Lees- en schrijfmotivatie 1.1 Kinderen zijn intrinsiek gemotiveerd voor lezen en schrijven. 1.2 Ze beschouwen lezen en schrijven als dagelijkse routines.
Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO
Taal in beeld/ Spelling in beeld (tweede versie) Kerndoelanalyse SLO Oktober 2015 Verantwoording 2015 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het
Blauwe stenen leer je zo
Handleiding groep 3-8 Blauwe stenen leer je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een steen van Jeelo leert. Voor groep 3-4 wijzer 2009 Zo leer je blauwe stenen
Informatie. vakgebieden. Groep 8
Informatie vakgebieden Groep 8 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Vak: Nederlands Programma van Inhoud en Toetsing (PIT) 2016-2017 Lesperiode: 1 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende
DATplus. Kerndoelanalyse SLO
DATplus Kerndoelanalyse SLO September 2014 Verantwoording 2014SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het toegestaan zonder voorafgaande toestemming
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2016-2017 Vak: Nederlands Klas: vmbo-tl 2 Onderdeel: Spelling 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Lesperiode: 1 week 36 t/m week 38 Hoofdstuk: Spelling 2 t/m 6 De stam van het werkwoord Splitsbare werkwoorden Persoonsvorm tegenwoordige tijd en de bijbehorende regel De stam van werkwoorden kunnen noteren
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
Fictie Klas: MH-1 Lesperiode:1 Taalportfolio In je taalportfolio komen 5 opdrachten die gedurende het jaar worden uitgedeeld en uitgelegd. In de eerste rapportperiode worden de eerste 3 opdrachten beoordeeld
Onderdeel: Spelling Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Onderdeel: Spelling week 1 t/m week 3 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan een deel zuiver morfologisch
Routeboekje. Taal in beeld. Groep 8. Dit boekje is van:
Routeboekje Taal in beeld Groep 8 Dit boekje is van: Groep 8 Blok 1 Les 1 Basisstof HL E1 13 1 Woordenschat TB E1 6 1 Lees het verhaal over Sanne, Rein en Roy. TB E1 6 2 Schrijf op wat de gekleurde woorden
Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting
Sterk in Taal en Spelling
Sterk in Taal en Spelling Staal Spelling methodiek José Schraven: voordoen, verwoorden, begeleid inoefenen, gerichte feedback 3 onderdelen: 1. spelling (onveranderlijke woorden): 34 categorieën verdeeld
Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
- NEX Klas: IG2 HV Onderdeel: Vakvaardigheden EBR Nieuwsbegrip: Leesvaardigheid en woordenschat Lesperiode: 2 1 Nieuwsbegrip en Nieuwsbegrip XL Materiaal: Leerlingschrift A4 Snelhechter Markeerstift Al
Wat te doen met zwakke begrijpend lezers?
Wat te doen met zwakke begrijpend lezers? Cor Aarnoutse Wat doe je met kinderen die moeite hebben met begrijpend lezen? In dit artikel zullen we antwoord geven op deze vraag. Voor meer informatie verwijzen
Zin in taal/ Zin in spelling tweede editie
Zin in taal/ Zin in spelling tweede editiee Kerndoelanalyse SLO Juli 2011 Verantwoording 2011 SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Alle rechten voorbehouden. Mits de bron wordt
Taaldomein vmbo. 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen: PowerPointpresentatie. k4 3 De spreekbeurt Soorten spreekbeurten De boekpresentatie
Taaldomein vmbo Methode Taaldomein 1 Mondeling 60p Schooltype vmbo-kgt 1-2, k3-4 2 Lezen 266p Editie vanaf 2004 3 Schrijven 120p Niveau 2F 4 Taalbeschouwing 285p 4 Een mondelinge presentatie Hulpmiddelen:
Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs
kennisnet.nl Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs Op de volgende pagina s treft u het beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs. Het instrument is ingedeeld in acht
Onderdeel: LEZEN Docent: RKW Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
Rapportperiode 1 Vak: Nederlands Onderdeel: LEZEN Docent: RKW 1 Aantal lessen per week: 4 Methode: Lees Mee Hoofdstuk: Blok 1 t/m 6 Blz. Weging: 1x 3x woordmixtoets 3x leestoets In totaal 6 cijfers Studievaardigheden:
Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. 1. Tussendoelen lees- en schrijfmotivatie. 2. Tussendoelen technisch lezen
Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid Bron: Aarnoutse, C. & Verhoeven, L. (red.), Zandt, R. van het, Biemond, H.(in voorbereiding). Tussendoelen Gevorderde Geletterdheid. Een leerlijn voor groep 4 tot
Brochure Begrijpend lezen VMBO 1
Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 2 Inleiding Het belang van begrijpend lezen kan nauwelijks overschat worden. Het niveau van begrijpend lezen dat kinderen aan het einde van
UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht!
UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht! Informatie: er is maar één juiste keuze! In onze informatiecentra in Rijssen en Ede vindt u de materialen uit de verschillende methoden, zodat u zich goed
Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)
2015-2016 Onderdeel: Spelling week 1 t/m week 3 1 & 2 Digitale methode 1F Spelling: verdubbeling en verenkeling. 1F Spelling: vorming van het bijvoeglijk naamwoord. 1F Werkwoordspelling waarvan een deel
Grammatica 2F. Doelgroepen Grammatica 2F. Omschrijving Grammatica 2F. meewerkend voorwerp. voegwoord alle woordsoorten
Grammatica 2F Grammatica 2F bestrijkt de basisregels van de Nederlandse grammatica die op de basisschool worden aangeleerd en waarmee in het voortgezet onderwijs meestal nog wordt geoefend. Doelgroepen
Alles over. Leeslink. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Versie: juni 2015 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Nieuwe methode aanschaffen? Dat kan nu veel voordeliger. Snappet
Alles over. Tijdzaken. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Lesstof overzicht Station vanaf
Lesstof overzicht Station vanaf 2018 complete methode Nederlands vmbo STATION Mondelinge taalvaardigheid Nederlands vmbo KGT 1 Beter gebekt STATION Nederlands vmbo BK 1 Tussen hoofdletter en punt jaar
Alles over. Wijzer! Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Wijzer! Geschiedenis Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In
Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen?
Met welk werk kunnen kinderen uit groep 5-6 thuiskomen en hoe kunt u uw kind thuis helpen? In groep 5-6 nemen kinderen steeds vaker werk mee naar huis. Vaak vinden kinderen het leuk om thuis aan schooldingen
Paul Stapel handleiding e1
Zwijsen Paul Stapel handleiding e1 hl algemene handleiding Aan de slag met Spelling in beeld Een overzicht van alles wat u moet weten U gaat werken met Spelling in beeld. Deze handleiding helpt u om snel
2.BESCHRIJVING VAN HET TAALONDERWIJS VAN DE SCHOOL
Taalbeleid 1.ALGEMEEN 1.1 Woord vooraf 1.2 Visie van de school 1.3 Omschrijving taalbeleid 1.4 Motivering van het belang van taalbeleid onze school 1.5 De populatie van de school 2.BESCHRIJVING VAN HET
Alles over. Blink Wereld Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Richtlijn Het Activerende Directe Instructie Model
Richtlijn Het Activerende Directe Instructie Model Omschrijving Verwijzing naar Doelgroep Opsteller Intern document die uitleg geeft over het activerende directe instructiemodel. Vaardigheidsmeter Betrokken
Alles over. Blink Wereld geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Alles over. Rekenrijk. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:
PIT HAVO-2 +HAVO/VWO-2 2016-2017 Vak: Nederlands Onderdeel: Spelling H1 en H2 Lesperiode: 1 Aantal lessen per week: 4 Hoofdstuk: 1 en 2 Extra materiaal: Nieuw Nederlands Online De leerling kent de volgende
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 5: 1 Handleiding b1: algemene gedeelte en lesbeschrijvingen bij blok 4 2 Werkboek b1: introductiepagina
Alles over. Alles telt. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Alles telt Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking
Staal. Kerndoelanalyse SLO
Staal Kerndoelanalyse SLO oktober 2014 Verantwoording 2014SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), Enschede Mits de bron wordt vermeld, is het toegestaan zonder voorafgaande toestemming van
HANDLEIDING LEA HAAR WERKEN MET WISK
HANDLEIDING LEA HAAR WERKEN MET WISK WERKEN MET WISK Wat voor methode is WISK? WISK is een leerlijn wiskunde- en rekentaal voor anderstaligen. De methode kan worden ingezet vanaf de eerste lesdag van de
Onderwijs in een combinatiegroep
KWALITEITSKAART Organisatie Onderwijs in een combinatiegroep PO Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze kwaliteitskaart zijn te vinden op www.schoolaanzet.nl.
Ontwerponderzoek paper 2 Geografische informatievaardigheden in 5 VWO
Ontwerponderzoek paper 2 Geografische informatievaardigheden in 5 VWO Student: Vincent van der Maaden, MSc Studentnummer: 5783070 Opleiding: Interfacultaire lerarenopleiding, UvA Vakgebied: Aardrijkskunde
Lesstof groep 8 Wat leert uw kind de komende maanden.
Nummer 1 oktober 2015 Lesstof groep 8 Wat leert uw kind de komende maanden. In groep 8 vindt de afronding plaats van de basisschool. Dit betekent dat alle stof herhaald wordt en vooral door elkaar wordt
Vakgebieden Methoden Omschrijving Taal Groep 1-2. Schatkist
Nederlandse taal Kinderen ontwikkelen mondelinge en schriftelijke vaardigheden waarmee ze de Nederlandse taal leren gebruiken in situaties die zich in het dagelijkse leven voordoen. Tevens verwerven ze
en 2 Brochure Begrijpend lezen VMBO 1
en 2 Brochure Begrijpend lezen VMBO 1 Brochure Begrijpend lezen VMBO 2 Inleiding Het belang van begrijpend lezen kan nauwelijks overschat worden. Het niveau van begrijpend lezen dat kinderen aan het einde
