Paul Stapel handleiding e1
|
|
|
- Sandra Jacobs
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Zwijsen Paul Stapel handleiding e1
2 hl algemene handleiding Aan de slag met Spelling in beeld Een overzicht van alles wat u moet weten U gaat werken met Spelling in beeld. Deze handleiding helpt u om snel met de methode aan de slag te gaan. Daartoe wordt in een beperkt aantal pagina s de belangrijkste informatie gegeven die u nodig heeft. Alle overige gegevens over de methode, waaronder meer uitgebreide onderdelen die bij deze handleiding horen, vindt u op de website Hebt u vragen, opmerkingen of suggesties, dan kunt u hiermee ook terecht op de website. Hoe meer informatie wij van u krijgen, hoe beter wij in staat zijn om de methode mee te laten groeien met uw wensen en verwachtingen. Overzicht Spelling in beeld bestaat uit vijf delen. Het onderstaande schema geeft aan welk deel bestemd is voor welke jaargroep van het reguliere basisonderwijs. Op andere typen (basis)scholen kunt u ervoor kiezen de leerstof op een andere manier te verdelen. Deel Jaargroep a (a1 en a2) 4 b (b1 en b2) 5 c (c1 en c2) 6 d (d1 en d2) 7 e (e1 en e2) 8 De uitgangspunten van Spelling in beeld Bij de samenstelling van Spelling in beeld zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Spelling is een vaardigheid die ten dienste staat van de schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid. Spelling is een belangrijke voorwaarde voor de schrijfvaardigheid. Hoe minder aandacht de verzorging van spelling en interpunctie kost, hoe meer tijd en aandacht mensen kunnen besteden aan de inhoud en het formuleren van teksten. Daarbij kan voldoende spelvaardigheid mensen het zelfvertrouwen verschaffen dat ze nodig hebben wanneer ze zich schriftelijk uitdrukken. Goede spellers zien meestal het verschil tussen taal en spelling en kunnen daarmee het belang van een goede spelvaardigheid in het juiste, relatieve perspectief plaatsen. Zwakke spellers hebben echter vaak de neiging om spelling als het belangrijkste onderdeel van taal te zien. Zij verwarren spelling zelfs vaak met taal. Een slechte spelvaardigheid kan leiden tot gevoelens van tekortschieten. Ook in dat opzicht is het van belang dat alle leerlingen op de basisschool de gelegenheid krijgen een goede spelvaardigheid te ontwikkelen. Bij het samenstellen van de spellingcategorieën is ernaar gestreefd zo veel mogelijk frequente woorden te kiezen, die de leerlingen gebruiken in eigen taaluitingen en schriftelijk schoolwerk. Zo wordt spelling een functionele activiteit. Het Nederlandse spellingsysteem is voor leerlingen niet eenvoudig te doorgronden. Toch heeft het een beperkte omvang. Daarom kan het spellingonderwijs gestalte krijgen in een relatief beperkte lestijd. Bij de samenstelling van Spelling in beeld zijn daarom per week twee lessen van ongeveer 30 minuten ingepland. Daarbij komt eens per vier weken de afnametijd voor het controledictee en eventueel de tijd voor facultatieve onderdelen als Activiteiten voor tussendoor en eens per vier weken een signaaldictee. Het Nederlandse spellingsysteem is in beginsel een overzichtelijk systeem. Daardoor is het mogelijk het onderwijs in dat spellingsysteem te baseren op de organisatievorm zelfstandig leren. De meeste leerlingen kunnen zich zo een goede spelvaardigheid eigen maken. Maar niet voor alle leerlingen is zelfstandig leren de meest geschikte manier om te leren spellen. Voor leerlingen voor wie zelfstandig leren minder geschikt is, staan daarom in de lesbeschrijvingen voldoende aanwijzingen om begeleid leren mogelijk te maken. Voor de meeste leerlingen is de organisatievorm zelfstandig leren geschikt. Leerlingen nemen zelfstandig de instructie door en verwerken die ook zelfstandig. Ze kijken in week 3 van ieder blok het eigen signaaldictee na, zodat zij zich ervan bewust worden met welke spellingcategorieën zij nog moeite hebben. Hoewel de leerlingen hierdoor een gevoel van verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces ontwikkelen, blijft u de vinger aan de pols houden. Aan de hand van het controledictee aan het eind van ieder blok, kunt u makkelijk constateren welke leerlingen onvoldoende profiteren van zelfstandig leren en op basis daarvan maatregelen nemen. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 3 -Spellingin In de spellinglessen van Spelling in beeld kunnen verschillende organisatievormen gehanteerd worden. Het is mogelijk dat leerlingen (individueel of in tweetallen) zelfstandig leren. Maar Spelling in beeld is ook geschikt voor begeleid leren. Doordat de organisatievorm zelfstandig leren met Spelling in beeld mogelijk is, is de methode zeer geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen. Spelling in beeld spreekt geen voorkeur uit voor een organisatievorm van de spellinglessen. Het streven is verschillende organisatievormen mogelijk te maken. Zo hebben leerkrachten de vrijheid de organisatie van de lessen af te stemmen op hun eigen situatie. Leerkrachten die de voorkeur geven aan begeleid leren kunnen met de methode goed uit de voeten. Maar ook zij profiteren van de mogelijkheden voor zelfstandig leren, bijvoor-
3 n -Spelling- hl algemene handleiding beeld in situaties waarin door onvoorziene omstandigheden een begeleide les geen doorgang kan vinden. Spelling in beeld is cursorisch opgezet. De opklimmende moeilijkheidsgraad van de aangeboden woorden is het uitgangspunt geweest voor de samenstelling van de lessen. In de lessen zit een thematisch aspect, dat vooral in de introductieopdracht van elke les zichtbaar wordt. Het gaat hierbij om tien overkoepelende thema s die elk jaar op hetzelfde moment terugkeren. Spelling in beeld richt zich zowel op het spellingproduct als op het spellingproces. Het is belangrijk dat de leerlingen zo veel mogelijk woorden correct kunnen spellen. Maar het is evenzeer belangrijk dat zij een goede aanpak (strategie) leren om tot de juiste spelling van woorden te komen. Zo werkt de methode aan het spellingbewustzijn van de leerlingen. Daarnaast is het ook essentieel om aan het zogenaamde spellinggeweten te werken. Daarbij gaat het niet alleen om de spelvaardigheid zelf, maar ook om de wil die spelvaardigheid in teksten en ander schriftelijk werk toe te passen. Een bekende manier om het spellinggeweten van leerlingen te bevorderen, is hen regelmatig teksten te laten schrijven die door anderen gelezen zullen worden. Spelling in beeld speelt in op verschillen tussen leerlingen. Voor goede spellers zijn er mogelijkheden aan de slag te gaan met differentiatiemateriaal. Naast Spelling in beeld verschijnt Taal in beeld. Ook met deze taalmethode is de organisatievorm zelfstandig leren mogelijk. De thema s van Spelling in beeld komen overeen met de thema s van Taal in beeld. Spelling in beeld is uitstekend los van de methode Taal in beeld te gebruiken. Leerlingen die aan het eind van een blok in het controledictee voldoende scoren, gaan aan de slag met differentiatiemateriaal uit Taalmaker. Taalmaker past zowel bij Spelling in beeld als bij Taal in beeld. U kunt Taalmaker ook inzetten wanneer u met een andere taalmethode werkt. De kenmerken van Spelling in beeld Spelling in beeld heeft drie belangrijke kenmerken. Het pakket is compleet, compact en flexibel. Compleet Spelling in beeld is een complete methode, omdat het programma alle leerstof aanbiedt die u als school op basis van de kerndoelen geacht wordt aan te bieden. Bij de ontwikkeling van Spelling in beeld is uitdrukkelijk rekening gehouden met de kerndoelen Nederlandse taal, zoals die door de overheid zijn vastgesteld. Een school die werkt met Spelling in beeld is er dus van verzekerd dat het onderwijsaanbod van de methode correspondeert met de spellingleerstof die genoemd wordt in de kerndoelen Nederlandse Taal. Compact Spelling in beeld is een compacte methode. Zowel het aantal lessen als het aantal schoolweken dat nodig is om het programma uit te voeren, is beperkt gehouden. Hierdoor hoeft u als leerkracht geen tijdsdruk te ervaren. Voor de leerlingen is er voldoende tijd beschikbaar om de leerstof goed op te nemen en toe te passen. Verder is ook in de hoeveelheid materialen terug te zien dat de methode compact is. Er is een duidelijke keuze gemaakt voor een overzichtelijk pakket. Flexibele organisatievorm Spelling in beeld is een flexibele methode. Leerlingen verschillen, leerkrachten verschillen, scholen verschillen en omstandigheden verschillen. Spelling in beeld houdt rekening met deze verschillen door diverse organisatievormen mogelijk te maken. Zo kunt u interactief met de hele groep aan de slag gaan, maar u kunt ook alle onderdelen van het programma door de leerlingen zelfstandig laten uitvoeren. U kunt de leerlingen daarbij individueel laten werken of laten samenwerken met andere leerlingen. Doordat de spellingactiviteiten geschikt zijn voor diverse organisatievormen, hoeft u niet te kiezen tussen interactief onderwijs of zelfstandig leren. U kunt met Spelling in beeld de kracht van beide vormen combineren. U bepaalt in welke mate u de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Maar uiteindelijk werken de leerlingen wel aan dezelfde lessen. De organisatie van de lessen blijft daardoor overzichtelijk en uitvoerbaar. De opbouw van Spelling in beeld Jaarprogramma Spelling in beeld biedt een jaarprogramma voor 34 schoolweken, opgebouwd uit acht blokken van vier weken. Na de blokken 4 en 8 is er een zogenaamde breekweek. Deze weken kunnen gebruikt worden als uitloopweken en als weken om op een andere manier met spelling bezig te zijn. Algemene opbouw van een eenheid Een blok bestaat uit vier weken. Per week zijn er twee lessen. De eerste drie weken van ieder blok bestaan uit de basislessen. Deze zes lessen zijn opgenomen in het werkboek. In de eerste vijf lessen wordt telkens één spellingcategorie aangeboden en ingeoefend. Les 6 van ieder blok is een herhalingsles. Daarin wordt de leerstof van het blok herhaald. Ook wordt aandacht besteed aan spellingcategorieën uit voorgaande blokken. Aan het einde van de derde week of in het begin van de vierde week neemt u een controledictee af. 4 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
4 algemene handleiding Aan de hand daarvan kunt u vaststellen welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben en welke nog niet. De leerlingen die de doelen wel bereikt hebben, gaan in week 4 aan de slag met plustaken (verdiepingsstof), waarin ze leerkrachtonafhankelijk hun geleerde kennis, vaardigheden en strategieën op het gebied van taal en spelling toepassen en uitbouwen. De leerlingen die de doelen van het blok nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week herhalingstaken waarin ze de leerstof die ze nog niet beheersen, nogmaals aangeboden krijgen. Extra instructie en begeleide verwerking zijn hierbij het uitgangspunt. De opbouw van deel e1 en e2 Het schema onder aan deze pagina geeft de opbouw van het programma van de delen e1 en e2 weer. In dit voorbeeld geeft u uw spellinglessen op dinsdag en vrijdag. Deel e1 bestaat uit blok 1 tot en met 4 van het jaarprogramma. Ieder blok bestaat uit acht lessen. Per week zijn er twee spellinglessen. Dat is exclusief het facultatieve signaaldictee na les 5 en het controledictee na les 6. Tijdens de twee spellinglessen in week 4 week deel blok weekprogramma dag 1 dag 2 dag 3 dag 4 dag 5 1 e1 blok 1 sp sp 2 blok 1 sp sp 3 blok 1 sp signaaldictee sp (facultatief) 4 blok 1 controledictee h/p h/p 5 blok 2 sp sp 6 blok 2 sp sp 7 blok 2 sp signaaldictee sp (facultatief) 8 blok 2 controledictee h/p h/p 9 blok 3 sp sp 10 blok 3 sp sp 11 blok 3 sp signaaldictee sp (facultatief) 12 blok 3 controledictee h/p h/p 13 blok 4 sp sp 14 blok 4 sp sp 15 blok 4 sp signaaldictee sp (facultatief) 16 blok 4 controledictee h/p h/p 17 breekweek gaan de leerlingen die onvoldoende scoren op het controledictee, aan de slag met de herhalingstaken. De overige leerlingen gaan aan de slag met plustaken. Deel e2 bevat de blokken 5 tot en met 8 van het jaarprogramma. Dit deel heeft dezelfde opbouw als deel e1. De activiteiten in Spelling in beeld Woorden van de week en Extra woorden Boven iedere les staat de doelstelling geformuleerd. In les 1, 3 en 5 van ieder blok krijgen de leerlingen zes woorden (klankwoorden, regelwoorden of werkwoorden) aangeboden. De les is er niet op gericht dat de leerlingen deze zes woorden uit hun hoofd leren. De woorden zijn voorbeeldwoorden voor een bepaalde spellingcategorie. In les 2 en 4 van ieder blok leren de leerlingen acht weetwoorden die ze door middel van inprenting moeten onthouden. 18 e2 blok 5 sp sp 19 blok 5 sp sp 20 blok 5 sp signaaldictee sp (facultatief) 21 blok 5 controledictee h/p h/p 22 blok 6 sp sp 23 blok 6 sp sp 24 blok 6 sp signaaldictee sp (facultatief) 25 blok 6 controledictee h/p h/p 26 blok 7 sp sp 27 blok 7 sp sp 28 blok 7 sp signaaldictee sp (facultatief) 29 blok 7 controledictee h/p h/p 30 blok 8 sp sp 31 blok 8 sp sp 32 blok 8 sp signaaldictee sp (facultatief) 33 blok 8 controledictee h/p h/p 34 breekweek sp = instructie en verwerking spellingcategorieën h/p = herhalingstaken/ plustaken jaarplanning deel e1 en e2 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 5 -Spellingin
5 n -Spelling- hl algemene handleiding De instructie in les 1, 3 en 5 is erop gericht dat de leerlingen het spellingprobleem van die categorie herkennen zodat ze de zes woorden van de week, maar ook andere woorden van die categorie correct kunnen schrijven. Het oefenen van deze toepassingsvaardigheid gebeurt onder andere tijdens de Activiteiten voor tussendoor. Dat zijn korte klassikale oefenmomenten buiten de spellinglessen. Daarin vervangen de leerlingen de woorden van de week op het bord door woorden van dezelfde categorie. Deze Activiteiten voor tussendoor nemen niet meer dan enkele minuten in beslag. Didactische fasering De lessen in Spelling in beeld hebben een vaste opbouw. De lesfasen zijn: introductie, instructie, verwerking en evaluatie/reflectie. Deze onderdelen zijn voor de leerlingen vertaald in de volgende begrippen: Op verkenning, Uitleg, Aan de slag en Terugkijken. Deze begrippen geven de leerlingen greep op hun eigen leerproces. Aan de hand daarvan kunnen zij op een effectieve en efficiënte manier de leerstof zelfstandig doorwerken. De verschillende lesfasen worden hieronder toegelicht. Op verkenning Hierin wordt het spellingprobleem dat in de les aan de orde is, geplaatst in een herkenbare, alledaagse context. Het is een verkennende en introducerende opdracht. Uitleg De fase Uitleg is het instructiemoment in de les. Hierbij maken de leerlingen gebruik van een uitlegkaart, waarop de instructie is weergegeven. Ze kunnen zelfstandig de uitleg op de kaart doornemen. Het is uiteraard ook mogelijk dat ze de uitlegkaart onder uw begeleiding doornemen. Bij de uitleg wordt vanaf het begin de klanknotatie /aa/ gebruikt. Aan de slag In de fase Aan de slag verwerken de leerlingen de instructie. De leerlingen maken opdrachten op: fonologisch niveau: opdrachten met de klanken van woorden, waaronder rijmopdrachten; morfologisch niveau: opdrachten over samenstellingen, voor- en achtervoegsels van afleidingen, werkwoorduitgangen; syntactisch niveau: opdrachten binnen het zinsverband, bijvoorbeeld met woorden die op twee manieren geschreven kunnen worden; orthografisch niveau: opdrachten gericht op het inprenten van de schrijfwijze van woorden, waaronder invuloefeningen en rubriceeroefeningen. In de fase Aan de slag zijn meestal speelse werkvormen opgenomen, zoals rebussen, puzzels en opdrachten met geheimschrift. Terugkijken De vierde fase is Terugkijken. Hierbij reflecteren de leerlingen op de les. De centrale vraag hierbij is: Wat heb ik geleerd? De opdracht houdt altijd verband met het lesdoel dat boven de les staat vermeld. De opdracht is steeds een geschikt aanknopingspunt voor een mondelinge evaluatie van de les, ook als de leerlingen zelfstandig hebben gewerkt. In deze fase wordt de leerlingen regelmatig gevraagd verkeerd gespelde woorden door te strepen. Wanneer verkeerd gespelde woorden zijn afgedrukt, zijn ook steeds de correct gespelde woorden opgenomen. Activiteiten voor tussendoor In de handleiding wordt de suggestie gegeven op dagen waarop u geen spellinglessen geeft, regelmatig enkele minuten met de woorden van de week te oefenen. Schrijf de woorden van de week op het bord. Laat de leerlingen die woorden in een kort mondeling lesmoment vervangen door andere woorden van dezelfde spellingcategorie. Laat enkele leerlingen daarbij hun keuze toelichten. Zo werkt u aan transfer: het toepassen van de leerstof op andere woorden. De organisatie van Spelling in beeld Zelfstandig leren, samenwerkend leren en begeleid leren Spelling in beeld maakt verschillende organisatievormen gelijktijdig mogelijk. De methode is namelijk zo opgezet dat u als leerkracht kunt bepalen welke leerlingen zelfstandig (individueel of op basis van samenwerkend leren) aan de slag gaan en welke leerlingen onder begeleiding (klassikaal of in een groepje onder uw leiding) aan de opdrachten gaan werken. U kunt alle leerlingen zelfstandig laten werken, alle leerlingen begeleid laten werken of een tussenvorm kiezen. Alle lessen zijn zo opgezet dat ze geschikt zijn voor zelfstandig leren. Leerlingen kunnen daardoor zelfstandig alle introductie-, instructie-, verwerkings- en reflectieopdrachten maken. Maar niets verplicht u om de leerlingen de les zelfstandig te laten doorlopen. U kunt er op basis van dezelfde leeractiviteiten ook voor kiezen om de les gezamenlijk op een interactieve manier door te werken. Alle leerlingen doorlopen dezelfde opdrachten en gebruiken dezelfde materialen, ongeacht de organisatievorm. Dit betekent dat de lessen voor u als leerkracht makkelijk te organiseren zijn. U bepaalt zelf in welke mate er sprake is van mondelinge interactie tijdens de les en u kunt er per les voor kiezen om die te beperken. Omdat alle leerlingen aan dezelfde opdrachten werken, kunt u bij de introductie van de les en de reflectie op de les de hele groep aanspreken, ook als de meeste leerlingen bezig zijn met zelfstandig leren. Omdat alle antwoorden in de antwoordenboekjes staan, heeft u de mogelijkheid om de leerlingen hun eigen werk na te laten kijken. 6 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
6 algemene handleiding Tijdsindicaties Een les in Spelling in beeld zal ongeveer 30 minuten duren. De tijdsduur zal afhankelijk zijn van de organisatievorm waarin de les wordt aangeboden. Voor leerlingen die eerder klaar zijn met de opdrachten, bevat iedere les een verwijzing naar extra keuzeopdrachten. Spelling in beeld in combinatiegroepen Alle lessen in Spelling in beeld zijn in beginsel geschikt voor zelfstandig leren. Hierdoor is de methode zeer geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen of stamgroepen. De leerlingen kunnen leerkrachtonafhankelijk aan de opdrachten werken. Daardoor kunt u bepalen welke leerlingen u op welk moment intensiever begeleidt. U kunt zich richten op die leerlingen die uw hulp het hardst nodig hebben, onafhankelijk van de jaargroep waarin ze zitten. Differentiatie en zorgverbreding in Spelling in beeld Met Spelling in beeld heeft u veel mogelijkheden om te differentiëren. Met de differentiatiematerialen Taalmaker, Spellingspoor en het computerprogramma Spelling in beeld heeft u volop mogelijkheden om te differentiëren en iedere leerling adaptief onderwijs te bieden. Hieronder staan de belangrijkste mogelijkheden. Differentiatie naar begeleidingsbehoeften Bij alle lessen kunt u differentiëren in de intensiteit van de begeleiding die u geeft. Veel leerlingen kunt u met een gerust hart zelfstandig laten werken, terwijl u andere leerlingen juist veel instructie en begeleiding wilt bieden. In de handleiding worden onder het kopje Begeleid leren steeds suggesties gegeven voor interactieve begeleiding. De leerlingen die hier minder behoefte aan hebben, laat u zelfstandig werken. Dit kan in de vorm van individueel of samenwerkend leren. Voorinstructie (preteaching) Onder differentiatie naar begeleidingsbehoeften valt ook voorinstructie (preteaching). Die is voornamelijk geschikt voor twee groepen leerlingen: leerlingen met een beperkte woordenschat en leerlingen die door een diepere oorzaak structureel moeite hebben met spelling. Leerlingen met een beperkte woordenschat profiteren ervan als zij voorafgaand aan de les instructie krijgen over de betekenis van de woorden van de week en de extra woorden. Sommige leerlingen hebben door een diepere oorzaak moeite met spelling. De oorzaak kan dyslexie of dysorthografie zijn. Door deze leerlingen voorinstructie te geven, bereikt u dat zij de uitleg tijdens de lessen herkennen en de stof daardoor gemakkelijker opnemen en verwerken. Hierbij kunt u de kopieerbladen extra oefening in Kopieerboek e gebruiken. Tempodifferentiatie: extra stof Tijdens de lessen zullen sommige leerlingen eerder klaar zijn dan andere. In eerste instantie kunnen deze leerlingen een extra opdracht gaan maken. In het werkboek wordt hiernaar aan het einde van iedere les verwezen. De extra opdrachten staan achterin het werkboek. De leerlingen verwerken ze in een schrift. Mocht er daarna nog behoefte zijn aan meer stof, dan kunt u de leerlingen verder laten gaan met plustaken. Zij kunnen dan verder werken met het Computerprogramma Spelling in beeld e, of aan taken uit Taalmaker e. Taalmaker is de naam van de set extra opdrachten bij Taal in beeld en Spelling in beeld. Die set extra taaltaken bestaat uit kaarten, werkbladen (kopieerbladen) en elektronische werkbladen (software). Spelling komt hierbij in toepassende vorm aan de orde. Niveaudifferentiatie in week 4: herhalingstaken en plustaken In het begin van de vierde week van ieder blok maken de leerlingen een controledictee. Aan de hand daarvan stelt u vast welke leerlingen de doelen van de eenheid bereikt hebben. Leerlingen die de doelen nog niet bereikt hebben, krijgen in de vierde week herhalingstaken. De andere leerlingen gaan aan de slag met plustaken. Herhalingstaken Herhalingstaken bieden instructie en verwerking, gericht op één spellingcategorie. Leerlingen die tijdens de controletoets een spellingcategorie nog niet blijken te beheersen, komen hiervoor in aanmerking. U kunt deze leerlingen zelfstandig of interactief met de spellingcategorie laten oefenen. Met het Computerprogramma Spelling in beeld e kunnen de leerlingen zelfstandig aan de slag. Het heeft dezelfde leerstofopbouw als de rest van de methode. De leerlingen krijgen uitleg in geschreven en gesproken vorm, ze oefenen met aantrekkelijke spellen, ze worden getoetst door middel van dictees en krijgen op basis van de resultaten verlengde instructie en extra oefening. Met het leerspel Spellingspoor kunt u een groepje leerlingen over een spellingcategorie interactieve herinstructie geven en begeleide verwerking bieden. De leerlingen voeren op een spelbord een aantal instructieactiviteiten uit, die ze vervolgens verwerken. De herhalingstaak Spellingspoor is in beginsel een begeleide activiteit. U kunt leerlingen met het Computerprogramma Spelling in beeld e zelfstandig aan herhalingstaken laten werken of met Spellingspoor interactief herinstructie en begeleiding geven. U kunt ook voor een combinatie van beide vormen kiezen. U laat dan bijvoorbeeld de leerlingen eerst zelfstandig op de computer aan de herhalingstaak werken en u geeft alleen interactieve herinstructie aan de leerlingen die dat daarna nog nodig hebben. In de handleiding vindt u in ieder blok een verwijzing naar de herhalingstaken bij de verschillende spellingcategorieën. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 7 -Spellingin
7 n -Spelling- hl algemene handleiding Plustaken (verdiepingsstof) Plustaken zijn taalactiviteiten vanuit een andere invalshoek, meestal gericht op toepassing van geleerde kennis en vaardigheden. Alle plustaken vindt u in het onderdeel Taalmaker e. Taalmaker bestaat uit een kaartenset, werkbladen (kopieerbladen) en elektronische werkbladen (software). Periodiek zullen de plustaken in Taalmaker aangevuld en vernieuwd worden, waardoor de uitdaging voor de leerlingen groot blijft. Zorgverbreding Spelling in beeld is er in beginsel op gericht dat alle leerlingen de leerstof in dezelfde tijd doorlopen. Wij raden u aan deze doelstelling ook voor zwakke spellers zo veel mogelijk aan te houden. Dit kunt u realiseren door zwakke spellers tijdens de lessen begeleide instructie en verwerking te bieden. Daarnaast kunt u voor deze leerlingen eventueel extra instructie- en inoefentijd inroosteren. Deze benadering waarbij u zwakke leerlingen ondersteunt, blijkt effectiever te zijn dan de aanpak waarbij u de doelstellingen voor groepjes leerlingen aanpast (en dus verlaagt). Een bijkomend voordeel van deze benadering is dat u bij de introductie van de les en de reflectie op de les de hele groep kunt aanspreken, ook als de meeste leerlingen bezig zijn met zelfstandig leren. Uiteraard kan het daarnaast noodzakelijk zijn voor individuele leerlingen de doelstellingen wel aan te passen. Daarbij gaat het om leerlingen die door een diepere oorzaak structureel moeite met spellen hebben en het tempo van de groep daardoor niet kunnen volgen. Toetsing en evaluatie in Spelling in beeld Spelling in beeld kent verschillende manieren om de resultaten van de leerlingen te evalueren. Het gaat hierbij om evaluatie op korte, middellange en lange termijn. Reflectie per les De opdracht Terugkijken aan het eind van iedere les is een geschikt handvat om met de leerlingen te bespreken wat zij in deze les hebben geleerd. Dat kunt u doen als afronding van een interactieve les, maar de opdracht Terugkijken is ook een geschikt aanknopingspunt om te reflecteren op een les die door de leerlingen zelfstandig is verwerkt. De reflectie kunt u zowel richten op de leerstof als op het leerproces. Evaluatie per blok Voor de evaluatie van de vorderingen zijn in ieder blok twee dictees opgenomen: een signaaldictee na les 5 van ieder blok; een controledictee na les 6 van ieder blok. Het signaaldictee is facultatief. U neemt het af om de leerlingen te betrekken bij hun eigen leerproces. Dat doet u nadat alle spellingcategorieën van het blok aan de orde zijn gekomen, maar voordat de beheersing daarvan wordt getoetst met het controledictee. De leerlingen schrijven de woorden van het signaaldictee op. Ze kiezen bij ieder woord de bijpassende strategie. Ze geven aan of ze denken het woord goed te hebben geschreven. De leerlingen kijken hun eigen signaaldictee na en verbeteren hun fouten. U adviseert leerlingen die fouten hebben gemaakt de betreffende uitlegkaarten nog eens door te nemen. De resultaten van de signaaldictees worden niet geregistreerd. U kunt het signaaldictee ook gebruiken om te kijken in welke spellingcategorie veel leerlingen nog fouten maken. Aan die categorieën kunt u vervolgens klassikaal aandacht besteden. Als blijkt dat veel leerlingen in verschillende categorieën nog fouten maken, raden we u aan in herhalingsles 6 van het blok te kiezen voor begeleid leren. Het controledictee neemt u af na les 6, dus aan het eind van week 3 of aan het begin van week 4. Aan de hand van de resultaten kunt u vaststellen welke leerlingen de doelen van het blok bereikt hebben. De resultaten van het controledictee noteert u op het registratieblad controledictees e1. Dat registratieblad vindt u in het kopieerboek. Op basis van de score per spellingcategorie krijgt u een advies over de gewenste vervolgactiviteiten. Enkele leerlingen zullen herhalingstaken moeten gaan uitvoeren. De meeste leerlingen zullen worden verwezen naar de plustaken in het onderdeel Taalmaker. U kunt er ook voor kiezen om het controledictee af te nemen met het Computerprogramma Spelling in beeld. De dictees zijn identiek aan de dictees in de handleiding. De leerlingen maken het dictee dan op de computer en vervolgens analyseert en registreert de computer de resultaten. Op basis van deze analyse geeft de computer aan welke spellingcategorieën de leerling nog niet goed beheerst en selecteert hij de instructiemomenten en de oefeningen die de leerling extra hulp kunnen bieden. Op deze manier is er direct een herhalingsprogramma op maat beschikbaar. Methodeonafhankelijke toetsen De controletoetsen zijn methodeafhankelijk. Ze toetsen de beheersing van de leerstof die in Spelling in beeld is aangeboden. Op basis van de resultaten van de controletoetsen kunt u dus geen uitspraak doen over het algemene spellingniveau van een leerling in vergelijking tot leeftijdgenoten. Om een compleet beeld van de spellingvorderingen van de leerlingen te krijgen, raden wij u aan om naast de controletoetsen ook methodeonafhankelijke toetsen af te nemen. Die zijn speciaal voor dit doel ontwikkeld. Een bekend voorbeeld zijn de spellingtoetsen van het Cito. 8 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
8 algemene handleiding De materialen van Spelling in beeld Het materialenoverzicht Het e1-gedeelte van Spelling in beeld bestaat uit de volgende materialen: Basismaterialen: Werkboek e1 Antwoordenboek e1 Handleiding e1 Kopieerboek e Uitlegkaarten e Differentiatiematerialen: Spellingspoor e Computerprogramma Spelling in beeld e Taalmaker e Basismaterialen In Werkboek e1 zijn de lessen 1 tot en met 6 van ieder blok opgenomen. Daarnaast maken de leerlingen in iedere les twee opdrachten in een cahier (spellingschrift). Hierdoor ervaren de leerlingen dat spelling als bewuste activiteit niet beperkt blijft tot het maken van spellingopdrachten in een werkboek. Het ligt voor de hand dat de leerlingen eventuele extra opdrachten aan het einde van de les ook in dit spellingschrift verwerken. In Antwoordenboek e1 zijn de antwoorden bij de opdrachten terug te vinden. Bij open vragen staat een suggestie voor een goed antwoord. U gebruikt het antwoordenboek om het werk na te kijken, of u laat de leerlingen dat zelf doen. De leerlingen gebruiken de Uitlegkaarten e om de instructie over een spellingcategorie door te nemen. De uitlegkaarten fungeren tevens als naslagwerk dat leerlingen bij twijfel kunnen raadplegen. In Handleiding e1 is het volledige lesprogramma voor de leerkracht beschreven. Bij iedere les zijn suggesties voor begeleid leren opgenomen. U vindt hier ook de activiteitenbeschrijvingen bij de toetstaken, de herhalingstaken en de verwijzingen naar de plustaken. Differentiatiematerialen Met Spellingspoor kunt u met een groepje leerlingen op een interactieve manier een herhalingstaak uitvoeren. U geeft aan de hand van opdrachten op een spelbord (her)instructie over een spellingcategorie waarmee een aantal leerlingen volgens het controledictee nog moeite heeft. Bij de instructie gebruiken de leerlingen de betreffende uitlegkaart. Zij verwerken de instructie schriftelijk op het Spellingspoorkopieerblad. Bij deel e van Spelling in beeld hoort het Computerprogramma Spelling in beeld e. U kunt dit programma zowel voor als na het controledictee inzetten. Voorafgaand aan het controledictee dient het als extra oefenstof die aansluit op de leerstof uit het werkboek en de uitlegkaarten. Aansluitend op het controledictee biedt het programma een scala aan mogelijkheden voor verlengde instructie en extra oefening. U kunt het programma ook inzetten als plustaak. U kunt de leerlingen zelfstandig aan de slag laten gaan met spellingcategorieën die pas in latere blokken in de klas aan de orde komen. Als u kiest voor dit type differentiatie, kan het computerprogramma Spelling in beeld voor u een belangrijk hulpmiddel zijn. Taalmaker e is de set waarin alle overige plustaken zijn verzameld. Taalmaker hoort bij de methodes Taal in beeld en Spelling in beeld. Taalmaker e bestaat uit een doos met kaarten, kopieerbladen en elektronische werkbladen die op de computer gemaakt kunnen worden. U kunt de plustaken op twee momenten inzetten. U kunt plustaken gebruiken in de basislessen. Als leerlingen eerder klaar zijn met de opdrachten en een extra opdracht, kunt u ze laten werken aan plustaken. In week 4 spelen de plustaken een grotere rol. Na het controledictee zijn de meeste leerlingen hiermee aan de slag. Wat wordt wanneer gebruikt? Een blok in Spelling in beeld bestaat uit vier lesweken. Tijdens de eerste drie weken wordt de basisleerstof aangeboden. In de eerste les van de week gaat het daarbij steeds om klankwoorden, regelwoorden of werkwoorden, in de tweede les van week 1 en 2 om weetwoorden. Les 6 heeft een algemeen herhalingskarakter. Daarin wordt de leerstof van het blok herhaald en wordt teruggegrepen op eerder aangeleerde spellingcategorieën. Deze lessen staan in het werkboek. In de handleiding worden de lessen toegelicht. Na het controledictee werkt een deel van de leerlingen in week 4 aan herhalingstaken. Zij doen dat interactief aan de hand van Spellingspoor of zelfstandig met het Computerprogramma Spelling in beeld e. De overige leerlingen gaan zelfstandig aan de slag met plustaken van Taalmaker e en het Computerprogramma Spelling in beeld e. Hieronder zijn de activiteiten en de te gebruiken materialen in een schema geplaatst. Week 1, 2 en 3 Week 4 Basisstof Lessen (werkboek en Controledictee uitlegkaarten) (handleiding en Signaaldictee kopieerboek) (handleiding en kopieerboek) Herhalingstaken Geen Spellingspoor Computerprogramma Spelling in beeld Plustaken Taalmaker Computerprogramma Spelling in beeld Taalmaker Computerprogramma Spelling in beeld Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 9 -Spellingin
9 n -Spelling- hl algemene handleiding De leerstof in Spelling in beeld Het Nederlandse Spellingsysteem De Nederlandse taal kent een alfabetisch schriftsysteem. Dat betekent dat afzonderlijke klanken van een woord (fonemen) door een beperkt aantal tekens (grafemen) worden weergegeven. Door dit fonologisch beginsel zou het Nederlandse spellingsysteem ook voor kinderen doorzichtig moeten zijn. Maar de spelling van woorden in het Nederlands wordt niet alleen bepaald door het fonologisch beginsel, maar ook nog door andere beginselen, die met dat fonologisch beginsel in strijd zijn. Het morfologisch beginsel heeft betrekking op de vorm van de woorden. Van dat beginsel zijn de volgende twee regels afgeleid: de regel van de gelijkvormigheid en de regel van de overeenkomst. De regel van de gelijkvormigheid houdt in dat een woord steeds op dezelfde manier geschreven wordt. Omdat honden geschreven wordt met een d, wordt ook hond met een d geschreven. De regel van de overeenkomst houdt in dat de opbouw van een woord in de schrijfwijze zichtbaar wordt. Om die reden wordt breedte gevormd als lengte, dorpsstraat als dorpsweg. Het derde beginsel is het etymologisch beginsel. Dat houdt in dat de oorspronkelijke schrijfwijze bepalend is voor de schrijfwijze. Dit beginsel geldt bijvoorbeeld voor woorden die in het verleden verschillend werden uitgesproken, zoals rauw en rouw. Het beginsel van de taal van herkomst bepaalt de schrijfwijze van veel woorden in de Nederlandse taal die uit andere talen afkomstig zijn. Daarnaast zijn de regels voor de verdubbeling en verenkeling van kracht. Al naar gelang klankgroepen (de stukjes waarin woorden worden uitgesproken) op een lange klinker of een korte klinker eindigen, geldt de regel van de verenkeling of de regel van de verdubbeling. Al deze beginselen en regels, die ook weer uitzonderingen kennen, zijn van invloed op de spelling. Daardoor is het voor kinderen niet eenvoudig greep te krijgen op het Nederlandse spellingsysteem. Doelstelling spellingonderwijs De doelstelling van het spellingonderwijs is: de leerlingen zijn in staat spelling als functionele taalactiviteit te hanteren. In gewone schriftelijke uitingen kunnen ze zonder fouten spellen. Spellingstrategieën Spelling in beeld richt zich zowel op het spellingproduct (het juist spellen van zo veel mogelijk woorden), als op het spellingproces (het kunnen bepalen van de juiste denkwijze om te komen tot de juiste spelling van een woord). Daarom krijgen spellingstrategieën veel nadruk. Een spellingstrategie is een aanpak. Hoe gaat iemand die woorden spelt te werk? Directe spellingstrategie Geoefende spellers passen bij het schrijven van de meeste woorden de directe strategie toe. Daarbij speelt het geheugen een belangrijke rol. Van elk woord is bepaalde informatie vastgelegd in het zogenaamde mentale lexicon. Daarbij gaat het om informatie over de klank, de uitspraak, de vorm, de betekenis en over de mogelijkheid het woord met andere woorden te combineren (syntactische informatie). Van verreweg de meeste woorden is zulke informatie al in het mentale lexicon aanwezig, voordat een kind deze woorden leert spellen. Bij het spellen leert het kind zulke informatie te koppelen aan de zogenaamde orthografische informatie, de informatie over hoe een woord gespeld wordt. Volgens recente theorieën zou daarbij sprake zijn van versmelting: wanneer een kind een bepaald woord hoort, wordt de overige informatie over dat woord geactiveerd. Zo kunnen leerlingen woorden ophalen uit hun geheugen. Wanneer ervaren spellers het woord bomen schrijven, passen zij de directe strategie toe, dat wil zeggen: zij hoeven er niet meer over na te denken hoe zij dat woord schrijven, zij kunnen dat woord ophalen uit hun geheugen. Het spellingonderwijs is erop gericht dat de leerlingen zo veel mogelijk woorden kunnen schrijven door toepassing van deze directe strategie, dus door de woorden uit het mentale lexicon op te halen. Maar de orthografische informatie over woorden wordt niet zomaar toegevoegd aan het mentale lexicon. Dat vergt instructie en oefening. Pas na een aantal jaren spellingonderwijs kan een kind een behoorlijk aantal frequente woorden foutloos volgens de directe strategie schrijven. Indirecte spellingstrategieën Zolang leerlingen niet de vaardigheid hebben om woorden volgens de directe strategie te schrijven, leren zij gebruik te maken van indirecte strategieën. Die zijn gericht op het herkennen van de spellingmoeilijkheid van de aan te leren woorden. Leerlingen leren deze strategieën bewust toe te passen. De aan te leren woorden zijn ingedeeld in spellingcategorieën. Voorbeelden daarvan zijn: woorden met sch~, woorden met ei en woorden op ~ee. Spelling in beeld onderscheidt bij de onveranderlijke woorden (de niet-werkwoorden) ongeveer 90 verschillende categorieën. Omdat gebleken is dat veel leerlingen moeite hebben om meerdere strategieën efficiënt toe te passen, is ervoor gekozen om het aantal hoofdstrategieën te beperken. Het is mogelijk de instructie over de verschillende spellingcategorieën te baseren op slechts drie strategieën: klankstrategie regelstrategie weetstrategie Daarnaast wordt als hulpstrategie de opzoekstrategie aangeleerd. 10 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
10 algemene handleiding Klankstrategie (fonologische strategie) Bij de klankstrategie wordt benadrukt dat er een vaste relatie bestaat tussen een klank en de schrijfwijze daarvan. Dat kan gaan om losse klanken: de klank /oe/ schrijf je als oe. Maar ook bij clusters van klanken is er een vaste relatie tussen klank en schrijfwijze. Zo wordt de klank /ooj/ altijd als ooi geschreven. De klankstrategie bouwt voort op het spellen in groep 3. Daarin schrijven de leerlingen woorden op door ze eerst in klanken te hakken (auditieve discriminatie) en de letters bij die klanken in de goede volgorde op te schrijven. Regelstrategie Met de regelstrategie leren de leerlingen regels toe te passen om woorden goed te schrijven. Een voorbeeld van een regel is: Hoor je aan het eind van een klankgroep een /aa/, dan schrijf je a. Je kunt het woord water niet goed schrijven door het woord in klanken te hakken en vervolgens de letters bij de klanken in de goede volgorde op te schrijven (waater). Weetstrategie (woordbeeldstrategie) Bij veel woorden bestaat er geen eenduidige koppeling van klanken en schrijfwijze. De ei klinkt hetzelfde als de ij. De leerlingen leren dat ze deze woorden moeten onthouden door inprenting. Bij andere woorden bestaat officieel wel een klankverschil, maar dat klankverschil is niet altijd duidelijk hoorbaar, onder meer door regionale verschillen. Daarom zijn woorden die beginnen met f~, v~, s~ en z~ ook bij de weetwoorden ondergebracht. Voor weer andere woorden gelden wel regels, maar die zijn omslachtig uit te leggen. Zo eindigen in het Nederlands niet veel woorden op ~b. Je kunt op die woorden wel een regelstrategie toepassen (langer maken), maar je kunt de belangrijkste woorden op ~b net zo goed leren door inprenting. Klankspoor, regelspoor, weetspoor Op de uitlegkaarten zijn de termen klankwoord, regelwoord of weetwoord vanaf groep 6 vervangen door klankspoor, regelspoor en weetspoor. De leerlingen krijgen met steeds langere woorden te maken en er moeten verschillende strategieën na elkaar worden toegepast. Leerlingen leren te denken in klankgroepen. Ze beslissen bij iedere klankgroep welk spoor ze moeten toepassen. Zo moeten ze bij het woord koudwaterkraan vaststellen dat het om een samenstelling gaat. Daarna volgen ze achtereenvolgens het weetspoor (ou of au), het regelspoor (d of t), het regelspoor (a of aa), het klankspoor (er of ur) en het klankspoor (kraan). In de hogere jaargroepen krijgen de langere woorden met gemengde sporen meer aandacht. Strategie bepalen De leerlingen wordt regelmatig gevraagd om aan te geven welke strategie bij een woord past. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij de signaaldictees. Daar kruisen de leerlingen achter ieder dicteewoord één van de vier rondjes aan. Het rondje ww is vanaf groep 6 toegevoegd en verwijst naar de werkwoordspelling. Dat is een aparte leerlijn die in jaargroep 6 vanaf blok 2 aan de orde komt. In groep 4 en 5 moesten de leerlingen bij opdracht 2 in het werkboek het rondje kleuren van de strategie die bij de woorden van de week past. Vanaf groep 6 wordt dat niet meer gevraagd. Laat de leerlingen die deze rondjes toch willen kleuren, daarbij de kleuren gebruiken die bij de strategieën passen. Elke strategie is gekoppeld aan een kleur, die terugkomt op de uitlegkaarten. De klankwoorden zijn groen, de regelwoorden zijn oranje en de weetwoorden blauw. De uitlegkaarten over de werkwoordspelling zijn paars. Opzoekstrategie Het spellingonderwijs is erop gericht dat de leerlingen over de kennis en de vaardigheid beschikken om de meeste frequente woorden foutloos te schrijven. Daarnaast zullen er altijd woorden zijn waarvan de juiste spelling voor twijfels zorgt. Ook mensen die over een uitstekende spellingvaardigheid beschikken, raadplegen bij het schrijven van teksten regelmatig een woordenboek of woordenlijst. In Spelling in beeld d en e zijn structureel opzoekopdrachten opgenomen. Die zijn erop gericht dat leerlingen ook deze spellingstrategie gaan beheersen. In Spelling in beeld e zoeken de leerlingen in alle lessen 2, 4 en 6 vier woorden op. Daarvan zijn de beginletters gegeven. De punten staan voor het aantal weggelaten letters. In beginsel leidt het opzoeken in een woordenboek of een woordenlijst tot één goede oplossing. Analogiestrategie Bij de onveranderlijke woorden wordt de analogiestrategie niet gebruikt om woorden aan te leren. Het analogiebeginsel gaat ervan uit dat leerlingen zelf de overeenkomst ontdekken in een rijtje net als-woorden. Veel zwakke spellers hebben er moeite mee om die impliciete overeenkomst voor zichzelf te benoemen en te gebruiken. Daarom worden zo veel mogelijk woorden aangeleerd volgens de expliciete klankstrategie. Iedere week leren de leerlingen zes klank- of regelwoorden van de week. De leerkrachten wordt aangeraden om die woorden op het bord te schrijven en dagelijks door de leerlingen te laten omwisselen voor woorden uit dezelfde spellingcategorie (zie Activiteiten voor tussendoor). Zo wordt het analogiebeginsel dus niet toegepast om woorden te leren, maar wel om kennis over aangeleerde woorden uit te breiden naar andere woorden. Werkwoordspelling In jaargroep 6 maken de leerlingen kennis met de werkwoordspelling. De leerlijn werkwoordspelling begint in Spelling in beeld c1. Aan het eind van Spelling in beeld d2 hebben de leerlingen geleerd bijna alle werkwoordvormen correct te schrijven. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 11 -Spellingin
11 -Spellingn hl algemene handleiding (onregelmatig werkwoord) (onregelmatig werkwoord) (regelmatig werkwoord) (regelmatig werkwoord) woordenboekvorm: woordenboekvorm: woordenboekvorm: woordenboekvorm: lopen vinden werken redden persoonsvormen tt: persoonsvormen tt: persoonsvormen tt: persoonsvormen tt: 1. ik loop 2. hij loopt 3. wij lopen 1. ik vind 2. hij vindt 3. wij vinden 1. ik werk 2. hij werkt 3. wij werken 1. ik red 2. hij redt 3. wij redden persoonsvormen vt: persoonsvormen vt: persoonsvormen vt: persoonsvormen vt: 4. ik liep 5. wij liepen 4. ik vond 5. wij vonden 4. ik werkte 5. wij werkten 4. ik redde 5. wij redden deelwoordvorm: deelwoordvorm: deelwoordvorm: deelwoordvorm: gelopen gevonden gewerkt gered In Spelling in beeld e wordt veel geoefend met het schrijven van allerlei werkwoordvormen. De leerlijn werkwoordspelling wordt in Spelling in beeld e2 afgerond. In dat deel komt de spelling van een aantal werkwoorden aan de orde die aan het Engels zijn ontleend. De leerlijn werkwoordspelling rust op de volgende pijlers: Leerlingen denken bij het schrijven van werkwoordvormen steeds: Is het een persoonsvorm of niet? Ze beseffen dat ze bij het schrijven van persoonsvormen de keus hebben uit slechts vijf vormen. Ze weten dat ze in de tegenwoordige tijd de vraag Wel of geen t? altijd kunnen oplossen door in gedachten een vorm van het werkwoord lopen in te vullen. Bijna alle werkwoorden hebben vijf persoonsvormen (zie het schema bovenaan deze pagina). De volgende werkwoordvormen leveren vooral problemen op: In de tegenwoordige tijd zorgen de ik-vorm en de hij-vorm van werkwoorden met d, zoals vinden en worden, voor veel problemen. Voor kinderen is het verwarrend dat ze twee woorden die hetzelfde klinken de ene keer als vind, de andere keer als vindt moeten schrijven. In de verleden tijd levert de spelling van de regelmatige ( zwakke ) werkwoorden de meeste problemen op, vooral bij vormen als ik praatte en wij wachtten. Achter de ik-vorm van de tegenwoordige tijd komt ~te of ~ten, ~de of ~den te staan. De leerlingen leren: als in de woordenboekvorm vóór de uitgang ~en een medeklinker van t kofschip staat, dan is de uitgang in de verleden tijd ~te/~ten. Staat in de woordenboekvorm vóór de uitgang ~en een andere letter, dan is de uitgang in de verleden tijd ~de/~den. Een derde probleem waar de meeste leerlingen moeite mee hebben, is de spelling van werkwoorden waarvan de hij-vorm tt hetzelfde klinkt als de deelwoordvorm (gebeurt/gebeurd, vertelt/verteld). Geen persoonsvorm? Dan gelden de gewone spellingregels. De vraag Is het een persoonsvorm of niet? is de centrale vraag om een werkwoordvorm juist te schrijven. Als de werkwoordvorm geen persoonsvorm is, gelden de gewone spellingregels. Die gelden bijvoorbeeld voor de deelwoordvorm en het daarvan afgeleide bijvoeglijke naamwoord (de gemelde schade, de geredde zwemmer). Door steeds de vraag Is het een persoonsvorm of niet? als uitgangspunt te nemen, ervaren de leerlingen gaandeweg dat de spelling van de werkwoorden in beginsel een overzichtelijk systeem is. Opbouw De leerlijn werkwoordspelling in de methode Spelling in beeld kent de volgende opbouw: c1: werkwoorden herkennen van allerlei werkwoorden de drie persoonsvormen tt bij de onderwerpen ik, hij en wij schrijven; c2: van allerlei werkwoorden de drie persoonsvormen tt bij verschillende onderwerpen schrijven; d1: persoonsvorm herkennen; van allerlei werkwoorden de vijf persoonsvormen (drie in de tt, twee in de vt) bij verschillende onderwerpen schrijven; d2: van werkwoorden op ~ten en ~den de vijf persoonsvormen bij verschillende onderwerpen schrijven; van allerlei werkwoorden de deelwoordvorm (voltooid deelwoord) schrijven; werkwoordvormen schrijven waarvan de hij-vorm tt hetzelfde klinkt als de deelwoordvorm (gebeurt/gebeurd, vertelt/verteld); van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden schrijven; e1: oefenen en toepassen van alle werkwoordvormen; e2: oefenen en toepassen van alle werkwoordvormen; schrijven van werkwoorden die aan het Engels ontleend zijn. 12 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
12 algemene handleiding Inhoud Spelling in beeld e In Spelling in beeld c en d hebben de leerlingen geleerd de persoonsvormen in de tegenwoordige en de verleden tijd te schrijven. In blok 8 van Spelling in beeld d zijn ook de werkwoorden met be~, ge~, her~, ver~, ont~ en de van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden aangeboden. Daarmee is in groep 7 alle belangrijke leerstof over werkwoordspelling aan de orde gekomen. Uiteraard betekent dat niet, dat de leerlingen aan het begin van groep 8 de werkwoordspelling in de vingers hebben. Om dat te bereiken is het belangrijk dat zij veel gelegenheid krijgen de leerstof in te oefenen. Handleiding online Deze handleiding is bedoeld om u zo effectief en prettig mogelijk met Spelling in beeld te laten werken. Om deze reden is er ook voor gekozen om dit algemene gedeelte van de handleiding zo compact mogelijk te houden. Mocht u behoefte hebben aan meer of meer gedetailleerde informatie over Spelling in beeld, dan kunt u hiervoor terecht op de website Hier vindt u het onlinegedeelte van de handleiding met alle aanvullende informatie die u zoekt. In blok 1 van Spelling in beeld e komt de spelling van de vijf persoonsvormen tt en vt in les 3 opnieuw aan de orde. Merkt u dat de samenvatting op uitlegkaart WW20 voor sommige leerlingen te beknopt is? Neem dan volgende uitlegkaarten nogmaals met de leerlingen door: WW13: vt regelmatige ww: t kofschip WW14: vt regelmatige ww op ~ven en ~zen WW15: vt regelmatige ww op ~ten WW16: vt regelmatige ww op ~den In blok 2 worden twee lessen gewijd aan kwesties die voor veel leerlingen problemen opleveren: werkwoordvormen die gelijk klinken, maar verschillend geschreven worden (zoals: wij rusten/ wij rustten). werkwoorden met be~, ge~, her~, ver~, ont~. Dat zijn lastige werkwoorden, omdat de hij-vorm tt hij herhaalt hetzelfde klinkt als de deelwoordvorm herhaald. In blok 4 komen de van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden aan de orde. Het uitgangspunt daarbij is steeds: dat zijn geen persoonsvormen, dus gelden de gewone spellingregels. Daarom schrijf je de gemelde schade, de vergrote foto en de geschudde kaarten. Al deze leerstof is eerder in Spelling in beeld d aan de orde gekomen. In blok 6 van Spelling in beeld e2 wordt instructie gegeven over de spelling van een aantal werkwoorden die uit het Engels afkomstig zijn. Opdrachten in andere lessen In iedere les staat altijd één opdracht waarin een eerder aangeboden instructie over werkwoordspelling wordt verwerkt. Die lijn is in Spelling in beeld c ingezet en wordt in Spelling in beeld d en e voortgezet. In Spelling in beeld e gebeurt dat steeds in opdracht 6. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 13 -Spellingin In Spelling in beeld e ligt het accent dus op de inoefening van eerder aangeboden leerstof. Dat gebeurt in de lessen die aan werkwoordspelling zijn gewijd. Soms worden daarin uitlegkaarten uit Spelling in beeld d opnieuw, ongewijzigd aangeboden. Soms wordt de leerstof uit Spelling in beeld d anders geordend en op een nieuwe kaart aangeboden.
13 n -Spelling- hl algemene handleiding Leerstofoverzicht groep 8: Spelling in beeld deel e1 blok 1 R11: woorden met meer klankgroepen: overzicht R19: lange woorden: overzicht W1: woorden met ei W2: woorden met ij WW20: persoonsvormen: overzicht blok 2 K32: vaste stukjes: ~teit, ~air, ~oir W24a: Franse leenwoorden 1 W24b: Franse leenwoorden 1 WW18: werkwoorden met be~, ge~, her~, ver~, ont~ WW21: persoonsvormen die hetzelfde klinken blok 3 R25: samenstellingen met de tussenklank /u(n)/ R26: samenstellingen met tussenklank /u(n)/: uitzonderingen R27: woorden met de tussenklank /u(n)/: overzicht W10: woorden met /ie/ = i W27: woorden met lange klinker die als een korte klinker klinkt blok 4 K33: woorden op ~iaal, ~ieel, ~ueel R28: bijvoeglijke naamwoorden: overzicht W22: struikelblokken 1 W23: struikelblokken 2 WW19: van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden K= klankspoor R= regelspoor W= weetspoor WW= werkwoorden groep 8: Spelling in beeld deel e2 blok 5 R29: bezitsvormen R30: botsende klinkers: trema R31: botsende klinkers: geen trema W16: woorden met x W28: woorden met q blok 6 R14: hoofdletters W29: Engelse leenwoorden W30: woorden met in het midden een stomme e WW22: drie werkwoordvormen WW23: werkwoordvormen van Engelse werkwoorden blok 7 R32: samenstellingen: overzicht R33: aardrijkskundige namen W17: woorden die hetzelfde klinken W25: Franse leenwoorden 2 W31: woorden met niet uitgesproken letters blok 8 K34: vaste stukjes: overzicht W26: Franse leenwoorden 3 W32: woorden met /p/ = b, /t/ = d W33: werkwoorden met twee c s WW21: persoonsvormen die hetzelfde klinken Een compleet leerstofoverzicht van de hele methode Spelling in beeld vindt u op de website in het onderdeel handleiding online. 14 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
14 -Spellingn hl informatie voorafgaand aan blok 4 activiteit spellingcategorie spellingstrategie woorden van de week week 1 les 1 WW19: van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden werkwoorden de gemaakte fout de bestelde cola de geprinte brief het gelezen boek de versleten jas de gesloten deur les 2 W22: struikelblokken 1 weetspoor de sieraden origineel schminken de motor de erwten de vondst de elektriciteit de puberteit week 2 les 3 R28: bijvoeglijke naamwoorden: overzicht regelspoor een mistige dag lekkere koeken een groot huis het bestelde boek het ijzeren hek de gewassen kleren les 4 W23: struikelblokken 2 weetspoor de kangoeroe het apparaat de pyjama de helikopter de pannenkoek de sms en misschien week 3 les 5 K33: woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel eventueel: signaaldictee les 6: herhaling spellingcategorieën blok 4; geen nieuwe spellingcategorieën klankspoor het materiaal de liniaal speciaal officieel officiële eventueel week 4 herhaling eerder aangeboden spellingcategorieën controledictee vervolgactiviteiten: herhalingstaken plustaken R18: meervoud van woorden op ~a, ~i, ~o, ~u en ~y R20: woorden met s ~ 52 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
15 materiaal w e1: pagina 40 en 41 u WW19 spellingschrift hl e1: pagina 54 blok 4 gevoel w e1: pagina 42 en 43 u W22 spellingschrift woordenlijst of woordenboek hl e1: pagina 55 w e1: pagina 44 en 45 u R28 spellingschrift hl e1: pagina 56 w e1: pagina 46 en 47 u W23 spellingschrift woordenlijst of woordenboek hl e1: pagina 57 w e1: pagina 48 en 49 u K33 spellingschrift hl e1: pagina 58 hl e1: pagina 59 k leerlingblad signaaldictee e w e1: pagina 50 en 51 spellingschrift woordenlijst of woordenboek hl e1: pagina 60 u R18, R20 k leerlingblad controledictee e hl e1: pagina 61 u K33, R28, W22, W23, WW19 Spellingspoor Computerprogramma Spelling in beeld Taalmaker Preteaching voor leerlingen met een beperkte woordenschat Bespreek met deze leerlingen de betekenis van de woorden die de komende lessen aan de orde komen. Zo voorkomt u dat deze leerlingen tijdens de lessen te veel aandacht moeten besteden aan de betekenis van de woorden. Preteaching voor leerlingen die moeite hebben met spelling Geef leerlingen die structureel moeite hebben met spelling voorinstructie. Zo bevordert u dat deze leerlingen de uitleg tijdens de lessen makkelijker opnemen en verwerken. Bespreek voorafgaand aan de lessen, met deze leerlingen de uitleg op de uitlegkaart. Laat hen de uitleg verwerken op een kopieerblad extra oefening. Voor iedere spellingcategorie is een kopieerblad extra oefening opgenomen in het kopieerboek. Bespreek eventueel ook alvast een aantal opdrachten in het werkboek. Spelfouten in ander werk Besteed aandacht aan spelfouten in ander werk. Beperk u daarbij tot spellingcategorieën die in de methode aan de orde zijn geweest. Let deze weken met name op de categorieën van dit blok. Schrijf bij fouten eventueel het nummer van de spellingcategorie. Laat een leerling die regelmatig fouten in een bepaalde categorie maakt, daarmee extra oefenen. Gebruik daarbij de kopieerbladen extra oefening. Voor iedere spellingcategorie is een kopieerblad extra oefening opgenomen in het kopieerboek. Herhaling Opdracht 7 van les 1, 3 en 5 is een herhalingsopdracht. Leerstof waarover eerder instructie is gegeven, komt hier nogmaals aan de orde. Omdat de kennis van deze leerstof bekend wordt verondersteld, staan bij deze herhalingsopdrachten niet de nummers van de bijbehorende uitlegkaarten vermeld. Wanneer een leerling moeite met een bepaalde spellingcategorie blijkt te hebben, laat u die leerling de betreffende uitlegkaart nog eens doornemen. Het gaat bij herhalingsopdracht 7 om klankwoorden, regelwoorden en weetwoorden. De herhalingsstof over werkwoordspelling komt steeds in opdracht 6 aan de orde. Meer herhalingssuggesties vindt u op de website in het onderdeel handleiding online. Hier vindt u ook een compleet overzicht van alle leerstof die in Spelling in beeld aan de orde komt. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 53
16 n -Spelling- hl blok 4 gevoel les 1 Lesactiviteiten Doel De leerlingen kunnen van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden correct schrijven. Materialen/lesstof basisstof w e1, pagina 40 en 41 u WW19 Spellingschrift extra stof w e1, pagina 52 t/m 55 Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Op verkenning De leerlingen activeren hun kennis over van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden door vier van zulke woorden bij plaatjes in te vullen. Uitleg De leerlingen krijgen op kaart WW19 uitleg over van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden. Dit is een herhaling van de uitleg in groep 7. Aan de slag De leerlingen kleuren in vier kolommen de tien van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden (opdracht 3 ). Bij opdracht 4 maken ze bijvoeglijke naamwoorden van gegeven deelwoorden. Ze schrijven in hun spellingschrift woordgroepjes met bijvoeglijke naamwoorden in twee rubrieken: bijv. naamwoord op ~e en bijv. naamwoord op ~en (opdracht 5 ). Bij opdracht 6 vullen de leerlingen van werkwoorden het deelwoord in. Als herhalingsopdracht schrijven ze in hun schrift acht woorden die deels onleesbaar zijn gemaakt (opdracht 7 ). Bij opdracht 8 vullen ze van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden in een puzzelschema in, zodat verticaal twee woorden leesbaar worden. Bij opdracht 9 vullen ze in zinnen van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden in. Terugkijken Als evaluatieopdracht kruisen ze aan welke van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden juist zijn gespeld. Ze strepen vier fouten door. Activiteiten voor tussendoor Maak op het bord twee kolommen: bijvoeglijk naamwoord op ~e en bijvoeglijk naamwoord op ~en. Laat de leerlingen bijvoeglijke naamwoorden noemen die afgeleid zijn van deelwoorden. Laat ze bij ieder bijvoeglijk naamwoord een zelfstandig naamwoord bedenken. Schrijf de combinaties op het bord. Schrijf ook de deelwoorden erbij: gekookt - gekookte bietjes, gewassen - gewassen sla. Licht de spelling toe. Neem de bordwoorden dagelijks door en laat ze aanvullen. Oefen zo dagelijks met bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van deelwoorden. Organisatie en differentiatie Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Bespreek de opdracht. Laat de leerlingen andere bijvoeglijke naamwoorden bedenken bij de woorden slingers, stoel, appeltaart en cadeaus. Voorbeelden: gescheurde slingers. Laat de leerlingen uitleggen waarom de vier paarse bijvoeglijke naamwoorden zo gespeld zijn. Waarom schrijf je twee van die woorden met ~e en twee met ~en? Extra bij Uitleg Maak duidelijk dat de uitleg op de kaart een herhaling is van blok 8 van groep 7. Bespreek de punten op de uitlegkaart. Benadruk dat een bijvoeglijke naamwoord nooit een persoonsvorm is. Daarom gelden voor van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden de gewone spellingregels. Schrijf een aantal verkeerd gespelde bijvoeglijke naamwoorden op het bord om duidelijk te maken welke fouten je kunt maken als je niet de gewone spellingregels toepast. Verbeter ze meteen. Wijs daarbij steeds op de gewone spellingregels: de verwachtte verwachte straf; de verbreedde verbrede straat; de vergrootte vergrote kamer. Wijs er op dat de persoonsvormen verwachtte, verbreedde en vergrootte wel bestaan. Daardoor signaleert een spellingcontroleprogramma een fout als de verbreedde straat niet. Wijs erop dat je volgens de gewone spellingregels na een korte klinker twee medeklinkers schrijft. Daarom schrijf je geredde, geschudde, bekladde, geschatte en gezette. Benadruk dat volgens de gewone spellingregels een bijvoeglijk naamwoord op e eindigt: geknipte, verwachte. Maar: als een deelwoord op en eindigt, dan blijft en in het bijvoeglijk naamwoord staan: gevonden voorwerpen. Extra bij Terugkijken Bespreek met de leerlingen wat zij deze les geleerd hebben. Gedifferentieerd leren Laat de leerlingen die dat kunnen, zelfstandig werken. Begeleid leerlingen die moeite met spelling hebben. Neem met hen de opdrachten stap voor stap door. 54 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
17 hl Doelen De leerlingen kunnen acht struikelblokken (woorden waarin veel fouten worden gemaakt) correct schrijven. De leerlingen oefenen met werkwoordspelling. Materialen/lesstof basisstof w e1, pagina 42 en 43 u W22 Spellingschrift Woordenlijst of woordenboek extra stof w e1, pagina 52 t/m 55 Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips blok 4 gevoel les 2 Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen activeren hun kennis over struikelblokken. Ze vullen vier struikelblokken die ze eerder geleerd hebben, in een tekst in. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over struikelblokken op uitlegkaart W22. Wijs hen erop dat het zowel om de woorden van de week A als om de woorden van de week B gaat. Deze kaart is in groep 7 al aan de orde gekomen. Toen hebben de leerlingen de woorden van de week A al geleerd. Aan de slag Bij opdracht 3 vullen de leerlingen woorden van de uitlegkaart in acht zinnen in. Bij opdracht 4 schrijven ze de woorden van de uitlegkaart op die passen bij vier gegeven woorden. Bij opdracht 5 maken ze woorden af en schrijven die in hun spellingschrift in twee rubrieken: (afgemaakt met) één medeklinker en twee medeklinkers. De leerlingen vullen van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden in zinnen in (opdracht 6 ). Bij opdracht 7 zoeken ze in een woordenlijst of een woordenboek vier woorden op die deels onleesbaar zijn gemaakt. Ze vullen woorden van uitlegkaart W22 in een puzzelschema in en maken woorden in zinnen af met één of twee medeklinkers. Die woorden schrijven ze nogmaals op (opdracht 8 en 9 ). Terugkijken Als evaluatieopdracht kruisen de leerlingen aan in welk vak alle woorden juist zijn gespeld. Ze strepen twee fouten door. Activiteiten voor tussendoor Maak op het bord een kolom Struikelblokken. Laat de leerlingen woorden noemen waarbij ze regelmatig over de spelling twijfelen. Schrijf die op het bord en licht de spelling toe. Vul die woorden aan met andere woorden waarin de leerlingen regelmatig fouten maken. Neem de bordwoorden door en laat ze aanvullen. Oefen zo dagelijks met de eigen struikelblokken van de leerlingen. Organisatie en differentiatie Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Vraag naar eigen ervaringen van de leerlingen. Wie heeft wel eens geprobeerd om zelfgemaakte spullen te verkopen? Laat de leerlingen uitleggen waarom je het woord hopelijk zonder n schrijft. (Antwoord: je hoort een tussenklank, maar het is geen samenstelling; dus schrijf je niet ~en~, maar ~e~.) Maak duidelijk wat de term struikelblokken inhoudt. Extra bij Uitleg Maak duidelijk dat deze uitleg een herhaling is. Alle woorden van deze kaart zijn al eerder aan de orde gekomen. Bespreek de woorden van de week A één voor één. Volg daarbij de punten op de uitlegkaart. Wijs daarbij op de fouten die veel gemaakt worden: verassing - verrassing onmidellijk - onmiddellijk interesant - interessant hardstikke - hartstikke stiekum - stiekem hopenlijk - hopelijk intervieuw - interview burgermeester - burgemeester Bespreek de woorden van de week B op dezelfde manier. sierraden - sieraden orgineel - origineel schmincken - schminken moter - motor erten - erwten vonst - vondst electriciteit - elektriciteit pubertijd - puberteit Laat de leerlingen met de woorden van de week A en B samenstellingen en afleidingen bedenken, zoals: verrassingspakket, stiekemerd, oninteressant, interviewen, dorpsburgemeester. Hiervoor gelden dezelfde aandachtspunten als voor de losse woorden. Schrijf een aantal woorden op het bord. Extra bij Terugkijken Bespreek de betekenis van de woorden van opdracht 7. Bespreek met de leerlingen wat zij deze les hebben geleerd. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 55 -Spellingin
18 -Spellingn hl blok 4 gevoel les 3 Doel De leerlingen kunnen bijvoeglijke naamwoorden op ~e en ~en correct schrijven. Materialen/lesstof basisstof w e1, pagina 44 en 45 u R28 Spellingschrift extra stof w e1, pagina 52 t/m 55 Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen activeren hun kennis over bijvoeglijke naamwoorden. Ze vullen vier bijvoeglijke naamwoorden op ~e en ~en bij woorden onder afbeeldingen in. Uitleg De leerlingen krijgen op uitlegkaart R28 uitleg over bijvoeglijke naamwoorden op ~e en ~en. Alle leerstof op de uitlegkaart is eerder aan de orde gekomen. Aan de slag Bij opdracht 3 kruisen de leerlingen de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden in een woordenschema aan. Ze maken bijvoeglijke naamwoorden van gegeven deelwoorden (opdracht 4 ). Ze schrijven in hun spellingschrift bijvoeglijke naamwoorden met de zelfstandige naamwoorden die ze daarbij bedacht hebben (opdracht 5 ). Bij opdracht 6 vullen de leerlingen van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden in zinnen in. Als herhalingsopdracht schrijven ze in hun spellingschrift acht woorden die deels onleesbaar zijn gemaakt (opdracht 7 ). Bij opdracht 8 kleuren ze van alle (mogelijke) bijvoeglijke naamwoorden in een woordenschema de vierde letter. Met de gevonden woorden vormen ze drie woorden. Bij opdracht 9 vullen ze in zinnen bijvoeglijke naamwoorden in, die afgeleid zijn van gegeven woorden. Terugkijken Als evaluatieopdracht geven de leerlingen aan in welke regel alle woorden goed gespeld zijn. Ze strepen drie verkeerd gespelde woorden door. Activiteiten voor tussendoor Maak op het bord drie kolommen: bijvoeglijke naamwoorden (bn), stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden (sbn) en van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden (dbn). Laat de leerlingen combinaties van bijvoeglijke naamwoorden en zelfstandige naamwoorden bedenken. Schrijf ze in de goede kolom. Neem de woorden dagelijks door en vul ze aan. Oefen zo dagelijks met bijvoeglijke naamwoorden. Organisatie en differentiatie Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Bespreek de opdracht. Wat is een marathon? (een hardloopwedstrijd over 42,195 km). Sommige topatleten lopen een marathon in 2 uur en 6 minuten. Dat is een gemiddelde snelheid van ongeveer 20 km/uur. Waarmee kun je dat vergelijken? (bijvoorbeeld met een fietser die stevig doorfietst) Bespreek de woorden gelopen, gelukkige, gouden en uitgeputte. Laat de leerlingen uitleggen waarom twee van deze bijvoeglijke naamwoorden op ~e en twee op ~en eindigen. Extra bij Uitleg Vertel de leerlingen dat alle instructie op uitlegkaart R28 een herhaling (samenvatting) is. Bespreek dan puntsgewijs de uitleg. Niet alle bijvoeglijke naamwoorden eindigen op de klank /u(n)/. Zowel in de zin Dat is een mooi gebouw. als in de zin Dat gebouw is mooi. is het woord mooi een bijvoeglijk naamwoord. Bespreek de basisregel: als een bijvoeglijk naamwoord op de klank /u/ eindigt, dan schrijf je ~e: een lange jas, de eenvoudigste oplossing, splinternieuwe fietsen. Bespreek de spelling van stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden. Dat zijn bijvoeglijke naamwoorden die aangeven van welk materiaal iets is gemaakt. Als dit op de klank /u(n)/ eindigt, dan schrijf je en: een leren bal en het ijzeren hek. Laat de leerlingen nog meer voorbeelden noemen. Bespreek bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van een deelwoord op ~d of ~t. Een bijvoeglijk naamwoord is nooit een persoonsvorm. Daarom gelden de gewone spellingregels. Je schrijft de vergrote foto en de geschudde kaarten. Laat de leerlingen meer voorbeelden noemen. Besteed aandacht aan bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van een deelwoord op ~en. In deze bijvoeglijke naamwoorden blijft en staan. Daarom schrijf je de gewassen kleren, de gewonnen wedstrijd en het vergeten liedje. Laat de leerlingen nog meer voorbeelden noemen. Laat alle woorden op de kaart lezen. Laat de leerlingen bij ieder woord uitleggen welke regel van toepassing is. Extra bij Terugkijken Bespreek met de leerlingen wat zij deze les geleerd hebben. 56 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
19 hl blok 4 gevoel les 4 Lesactiviteiten Organisatie en differentiatie Doelen De leerlingen kunnen acht struikelblokken (woorden waarin veel fouten worden gemaakt) correct schrijven. De leerlingen oefenen met werkwoordspelling. Materialen/lesstof basisstof w e1, pagina 46 en 47 u W23 Spellingschrift Woordenlijst of woordenboek extra stof w e1, pagina 52 t/m 55 Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Op verkenning De leerlingen geven met verbindingsstrepen aan waar afkortingen uit de wereld van computers en mobiele telefoons voor staan. Ze geven met verbindingsstrepen aan wat die begrippen betekenen. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over nieuwe struikelblokken op uitlegkaart W23. Wijs hen erop dat ze zowel de woorden van de week A als de woorden van de week B moeten onthouden. Aan de slag Bij opdracht 3 vullen de leerlingen woorden van de uitlegkaart in acht zinnen in. Bij opdracht 4 schrijven ze het meervoud van zes woorden van de uitlegkaart op. Bij opdracht 5 maken ze woorden af en schrijven die in hun spellingschrift in twee rubrieken: (afgemaakt met) één medeklinker en twee medeklinkers. De leerlingen vullen werkwoordvormen in zinnen in en zoeken in een woordenlijst of een woordenboek vier woorden op die deels onleesbaar zijn gemaakt (opdracht 6 en 7 ). Ze lossen een rebus op en maken woorden in zinnen af met één of twee medeklinkers. Die woorden schrijven ze nogmaals op (opdracht 8 en 9 ). Terugkijken Als evaluatieopdracht kruisen de leerlingen aan in welk vak alle woorden juist zijn gespeld. Ze strepen twee fouten door. Activiteiten voor tussendoor Maak op het bord een kolom Struikelblokken. Noteer een aantal van de eigen struikelblokken die de leerlingen na les 2 van dit blok hebben genoemd. Vul die woorden aan met andere woorden waarin de leerlingen regelmatig fouten maken. Laat de leerlingen de juiste spelling van de woorden toelichten. Neem de bordwoorden door en laat ze aanvullen. Oefen zo dagelijks met de eigen struikelblokken van de leerlingen. Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Raad hen aan zinnen met de weetwoorden te bedenken om die beter te onthouden. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Bespreek de opdracht. Laat de leerlingen nog andere bekende afkortingen noemen die te maken hebben met het gebruik van computers en mobiele telefoons. Laat de leerlingen werkwoorden noemen die sinds het gebruik van computers en mobiele telefoons gebruikt worden. Voorbeelden: en, chatten, sms en, msn en. Extra bij Uitleg Bespreek de woorden op kaart W23. Wijs erop dat de woorden van de week B niet meer in een aparte les aan bod komen. Bespreek de woorden van de week A een voor een. Volg de punten op de uitlegkaart. Wijs op de fouten die veel gemaakt worden: kangeroe kangoeroe aparaat apparaat pyama pyjama helicopter helikopter pannekoek pannenkoek sms-en sms en mischien misschien Bespreek de woorden van de week B op dezelfde manier. spercieboon sperzieboon lidteken litteken porcelein porselein gochelen goochelen falikant faliekant papagaai papegaai uitreksel uittreksel achtien achttien Laat de leerlingen met de woorden van de week A en B samenstellingen en afleidingen bedenken, zoals: pyjamapartijtje, helikopterpiloot, kaaspannenkoeken, berichten. Hiervoor gelden dezelfde aandachtspunten als voor de losse woorden. Schrijf een aantal woorden op het bord. Extra bij Terugkijken Bespreek de betekenis van de woorden van opdracht 7. Bespreek met de leerlingen wat zij deze les hebben geleerd. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 57 -Spellingin
20 n -Spelling- hl blok 4 gevoel les 5 Organisatie en differentiatie Doelen De leerlingen kunnen woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel correct schrijven. De leerlingen oefenen met werkwoordspelling. Materialen/lesstof basisstof w e1, pagina 48 en 49 u K33 Spellingschrift extra stof w e1, pagina 52 t/m 55 Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Lesactiviteiten Op verkenning De leerlingen maken kennis met woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel. Ze geven met verbindingsstrepen aan wat acht begrippen betekenen. Ze schrijven het woord op dat het beste bij een afbeelding past. Uitleg De leerlingen krijgen uitleg over klankwoorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel op uitlegkaart K33. Aan de slag Bij opdracht 3 schrijven de leerlingen woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel die passen bij zes gegeven woorden. Ze maken bijvoeglijke naamwoorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel langer (opdracht 4 ). Bij opdracht 5 schrijven ze in hun spellingschrift twaalf woorden in drie rubrieken: woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel. Bij opdracht 6 vullen de leerlingen werkwoordvormen in zinnen in. Als herhalingsopdracht schrijven ze in hun schrift acht woorden die deels onleesbaar zijn gemaakt (opdracht 7 ). Ze lossen een geheimschrift op en maken woorden in zinnen met ~iaal, ~iale, ~ieel, ~iële en ~ueel af. Die woorden schrijven ze nogmaals op (opdracht 8 en 9 ). Terugkijken Als evaluatieopdracht geven de leerlingen aan welke zinnen over woorden waarin je /j/ of /w/ hoort, juist zijn. Activiteiten voor tussendoor Maak op het bord drie kolommen: ~iaal/ ~iale/ ~ialen, ~ieel/ ~iële en ~ueel/ ~uele. Laat de leerlingen de woorden van de week en de verlengde vormen daarvan in de kolommen schrijven. Moedig hen aan om meer woorden te vinden die in de kolommen passen. Neem de woorden dagelijks door en vul ze aan. Oefen zo dagelijks met woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel. Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. Begeleid leren Extra bij Op verkenning Bespreek met de leerlingen de betekenis van de paarse woorden. Laat de woorden in zinnen gebruiken. Wijs erop dat je in de woorden eventueel, individueel en actueel de klank /w/ hoort. Die schrijf je niet. In de woorden filiaal, geniaal, sociaal, financieel en officieel hoor je de klank /j/ die je niet schrijft. Extra bij Uitleg Laat de leerlingen alle woorden op de uitlegkaart lezen. Bespreek hoe je de woorden op de kaart langer maakt. Bij de meeste woorden kan er geen verwarring ontstaan als je de woorden met e of en langer maakt. Daarom schrijf je die woorden zonder trema: materiaal - materialen liniaal - linialen speciaal - speciale eventueel - eventuele filiaal - filialen geniaal - geniale sociaal - sociale actueel - actuele individueel - individuele virtueel - virtuele Alleen bij de woorden op ~ieel kan verwarring over de uitspraak ontstaan. Daarom schrijf je een trema als je woorden op ~ieel langer maakt: officieel - officiële financieel - financiële essentieel - essentiële principieel - principiële Laat de leerlingen in tweetallen de betekenis van enkele woorden bespreken, zoals: essentieel en virtueel en de woorden van opdracht 1. Laat hen de betekenis van deze woorden aan elkaar omschrijven, woorden noemen die ongeveer hetzelfde betekenen en zinnen bedenken waarin de woorden gebruikt worden. Laat de leerlingen hiervan een aantal voorbeelden noemen. Extra bij Terugkijken Bespreek met de leerlingen wat zij deze les hebben geleerd. 58 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
21 hl blok 4 signaaldictee Doel De leerlingen worden zich ervan bewust of zij de volgende spellingcategorieën beheersen: klankspoor: K33: woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel regelspoor: R28: bijvoeglijke naamwoorden: overzicht weetspoor: W22: struikelblokken 1 W23: struikelblokken 2 werkwoorden: WW19: van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden Materiaal k leerlingblad signaaldictee e Signaaldictee afnemen Neem na les 5 eventueel een signaaldictee af over de woorden die in dit blok zijn behandeld. Zorg ervoor dat er tussen de afname van het signaaldictee en het controledictee voldoende tijd zit om aandacht te besteden aan categorieën die niet beheerst worden. Dit signaaldictee bestaat uit twintig woorden. Alle spellingcategorieën van blok 4 worden vier keer bevraagd. Lees de zinnen voor. Laat de leerlingen de vetgedrukte woorden bij de goede nummers opschrijven op leerlingblad signaaldictee e. Laat de leerlingen achter ieder woord het rondje van de bijpassende strategie aankruisen. Laat de leerlingen een kruisje zetten achter de woorden die ze goed geschreven denken te hebben. Wijs hen erop daarbij niet overdreven bescheiden te zijn. Woorddictee 1. Van dat materiaal maken ze ook poppetjes. K 2. De zanger zingt over een gebroken hart. WW 3. Ik zie twee verdrietige ogen. R 4. Wat een verrassing, om dit woord weer tegen te komen! W 5. Wil je de geraspte kaas even doorgeven? WW 6. Daar kun je je gratis laten schminken. W 7. Volgende week is de officiële start van de jubileumweek. K 8. Ik wil even kijken of ze al een gestuurd heeft. W 9. Heb jij misschien nog een kartonnen doos over? R 10. Dit apparaat kan snijden, raspen en malen. W 11. Ik wil je eventueel wel helpen. K 12. Mijn broer doet misschien ook mee aan de wedstrijd. W 13. Ik zie in de lucht een reusachtige regenwolk. R 14. Heb je je pyjama al aan? W 15. Gooi die versleten broek maar weg! WW 16. Heb je een papieren zakdoekje voor me? R 17. Hou daar onmiddellijk mee op! W 18. Om een rechte lijn te trekken gebruik ik een liniaal. K 19. Hij werd per helikopter naar het ziekenhuis vervoerd. W 20. In de kantine verkopen ze nog meer gekoelde dranken. WW Nakijken en verbeteren Schrijf de dicteewoorden op het bord. Schrijf achter ieder woord de eerste letter van de bijpassende strategie of de letters WW van werkwoorden. Laat de leerlingen aan de hand daarvan hun eigen signaaldictee nakijken. Laat hen achter elk fout gespeld woord een kruisje zetten. Laat de leerlingen hun fouten verbeteren. Ze kunnen daarbij eventueel de betreffende uitlegkaarten gebruiken. Bespreek hoe de leerlingen de strategierondjes hebben ingevuld. Laat hen een woord niet als fout tellen als ze alleen een andere strategie hebben aangekruist. Bespreek eventueel kort de gekozen strategieën. Raad leerlingen die fouten hebben gemaakt aan de uitlegkaarten nog eens door te nemen. Loop rond om te kijken of in een bepaalde categorie veel fouten zijn gemaakt. Besteed daar klassikaal aandacht aan. Kies in herhalingsles 6 voor begeleid leren, als uit de fouten blijkt dat veel leerlingen een bepaalde categorie nog niet beheersen. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 59 -Spellingin
22 n -Spelling- hl blok 4 gevoel les 6 Lesactiviteiten Doelen Aan de slag Alle oefeningen in deze les zijn herhalingsopdrachten. Wijs de leerlingen erop dat er geen nieuwe woorden aan de orde komen. Eventueel kunnen zij de uitlegkaarten raadplegen. De leerlingen oefenen met klankwoorden (woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel), regelwoorden (bijvoeglijke naamwoorden) en weetwoorden (struikelblokken). De leerlingen oefenen met woorden die met s beginnen en woorden die op s eindigen. Materialen/lesstof basisstof w e1, pagina 50 en 51 Spellingschrift Woordenlijst of woordenboek extra stof w e1, pagina 52 t/m 55 Taalmaker plustaken Computerprogramma Spelling in beeld Tips Bij opdracht 1 vullen de leerlingen in zinnen bijvoeglijke naamwoorden in, die afgeleid zijn van gegeven woorden. Bij opdracht 2 en 3 maken ze weetwoorden en klankwoorden af die in zinnen onvolledig zijn afgedrukt. Die woorden schrijven ze nogmaals op. Bij opdracht 4 zoeken ze in een woordenlijst of een woordenboek vier woorden op die deels onleesbaar zijn gemaakt. Herhaling Bij opdracht 5 kleuren de leerlingen in vier zinnen de woorden die met s beginnen en de woorden die op s eindigen met twee kleuren. Ze nemen eventueel de uitlegkaarten van deze categorieën nog eens door (R18 en R20). Ze schrijven woorden bij vier plaatjes (opdracht 6 ). Bij opdracht 7 schrijven ze negen woorden in drie rubrieken: s ~, ~ s en ~s. Ze bedenken twaalf woorden die op s eindigen en schrijven die in hun spellingschrift (opdracht 8 ). Bij opdracht 9 maken de leerlingen woorden af met s ~, ~ s of ~s. Die woorden schrijven ze nogmaals op. Leerlingen die moeite hebben met spelling Geef een korte herhalingsinstructie over de spellingcategorieën die in blok 4 aan de orde zijn gekomen. Laat de leerlingen eventueel nogmaals een aantal uitlegkaarten doornemen van spellingcategorieën die in deze les aan de orde komen: K33: woorden op ~iaal, ~ieel, ~ueel; R18: meervoud van woorden op ~a, ~i, ~o en ~u; R20: woorden met s ~; R28: bijvoeglijke naamwoorden: overzicht; W22: struikelblokken 1; W23: struikelblokken 2; WW19: van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden. Organisatie en differentiatie Individueel leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les individueel doornemen en verwerken. Samenwerkend leren De leerlingen kunnen alle opdrachten van deze les in tweetallen doornemen, bespreken en verwerken. In deze les wordt de leerstof van blok 4 en een eerder aangeboden spellingcategorie herhaald. Overweeg daarom de leerlingen individueel te laten werken. Begeleid leren In deze les wordt de leerstof van blok 4 en een eerder aangeboden spellingcategorie herhaald. Overweeg daarom alleen een korte werkinstructie over de bedoeling van de opdrachten te geven. Geef wel aanvullende instructie over één of meer spellingcategorieën als uit het (facultatieve) signaaldictee na les 5 blijkt dat leerlingen daar nog moeite mee hebben. Gedifferentieerd leren Geef de leerlingen die zelfstandig kunnen werken, alleen een korte werkinstructie. Begeleid alleen de leerlingen die moeite hebben met spelling en zonder uw hulp niet vooruit kunnen. Neem met hen de opdrachten stap voor stap door. 60 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
23 hl blok 4 controledictee Doel De leerlingen tonen hun beheersing van de volgende spellingcategorieën: klankspoor: K33: woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel regelspoor: R28: bijvoeglijke naamwoorden: overzicht weetspoor: W22: struikelblokken 1 W23: struikelblokken 2 werkwoorden: WW19: van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden Materialen k leerlingblad controledictee e k leerkrachtblad controledictee e1 blok 4 k registratieblad controledictees e1 Controledictee afnemen Wij raden u aan om het controledictee aan het begin van week 4 af te nemen. Zo zit er enige tijd tussen de laatste instructieles van week 3 en het controledictee. De leerlingen maken het controledictee op het leerlingblad controledictee. U vindt dit blad in het kopieerboek. Het gebruik van dit blad maakt voor u het nakijken en registreren eenvoudiger. Vertel de leerlingen waarom het controledictee wordt afgenomen: zo wordt duidelijk of zij de spellingcategorieën van dit blok beheersen. Maak met de leerlingen afspraken zodat zij individueel, rustig en ongestoord kunnen werken. Het dictee bestaat uit 21 woorden. Lees de zinnen voor. Laat de leerlingen alleen de vetgedrukte woorden opschrijven. Laat de leerlingen na de afname van het dictee hun werk goed nalezen om fouten die hen direct opvallen te verbeteren. Woorddictee 1. Pas op, dat zijn breekbare spullen! 2. Boven de stad cirkelt een helikopter. 3. Mag ik jouw liniaal even gebruiken? 4. Je komt eerst bij een groot ijzeren hek. 5. Zijn die gestolen schilderijen al opgespoord? 6. Ik snap niet hoe dit apparaat werkt. 7. Ik heb een interessant programma gezien. 8. Hij maakt een fietstocht in het Limburgse heuvelland. 9. Is er een speciale truc om dit open te maken? 10. Zouden de bestelde gordijnen al klaar zijn? 11. Dat is een origineel idee! 12. Van welk materiaal worden die beeldjes gemaakt? 13. De prinses droeg een schitterende jurk. 14. De geredde drenkelingen werden eerst onderzocht. 15. Ik heb een nieuwe leren bal. 16. Morgen is de officiële opening van het clubhuis. 17. Wil jij die gewassen broek voor me strijken? 18. We maken een interview voor onze schoolkrant. 19. Een kangoeroe kan grote sprongen maken. 20. Eten we gekookte of gebakken aardappelen? 21. Je kunt eventueel ook bij ons blijven slapen. Nakijken en registreren Kijk het controledictee na. Gebruik hierbij het leerkrachtblad controledictee e1 blok 4 uit het kopieerboek. Dit maakt het voor u makkelijk om na te gaan in welke spellingcategorie de leerlingen fouten maken. Op het leerlingblad controledictee zet u achter ieder fout gespeld woord het nummer van de spellingcategorie (bijvoorbeeld R28 of WW19). Registreer de resultaten. Noteer onderaan het leerlingblad het aantal fouten per categorie en het totale aantal fouten. Neem deze gegevens over op het registratieblad controledictees e1. Zo krijgt u, over de blokken heen, een goed beeld van de spellingcategorieën waarmee individuele leerlingen moeite hebben. Verder kunt u zo in een oogopslag zien welke categorieën op groepsniveau voor veel problemen zorgen. Iedere categorie klankwoorden, regelwoorden en werkwoorden wordt vijf keer be vraagd. Een leerling scoort een categorie voldoende als hij van die categorie vier woorden goed schrijft (beheersingscriterium: 80 %). Van de weetwoorden wordt iedere categorie drie keer bevraagd. Een leerling scoort een categorie alleen voldoende als hij daarin geen fouten maakt. Gebruik de resultaten van het controledictee om het vervolgprogramma voor de vierde week van het blok vast te stellen. Meer informatie hierover vindt u op de volgende pagina bij het onderdeel herhalings- en plustaken. U kunt dit controledictee ook afnemen met behulp van het Computerprogramma Spelling in beeld e. De leerling hoort de voorgelezen zinnen via de koptelefoon en typt vervolgens de dicteewoorden in. Deze zinnen en woorden komen letterlijk overeen met het controledictee op deze pagina. Het computerprogramma kan de resultaten elektronisch registreren en analyseren. Zo geeft het aan welke leerstof een leerling nog niet beheerst. Het selecteert daarvoor automatisch instructie- en oefenstof die de leerling extra hulp biedt. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 61 -Spellingin
24 -Spellingn hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Activiteiten Op basis van de resultaten bij het controledictee gaan de leerlingen de komende lesmomenten aan de slag met herhalingstaken en/of plustaken. De leerlingen die in een of meer spellingcategorieën van het controledictee onvoldoende scoorden, maken herhalingstaken. De andere leerlingen gaan zelfstandig aan de slag met de plustaken. De onderstaande voortgangsplanner helpt u de vervolgactiviteiten te bepalen. Spelling in beeld biedt voor iedere spellingcategorie een herhalingstaak. Dit betekent niet dat het verstandig is om een leerling die in vijf spellingcategorieën onvoldoende scoort, ook vijf herhalingstaken te laten maken. Wij adviseren u om het aantal herhalingstaken per kind beperkt te houden. U kunt in dit opzicht beter kiezen voor de kwaliteit dan voor de kwantiteit. Herhalingstaken U kunt de herhalingstaken remediërend inzetten. Ze bieden de leerlingen verlengde instructie en extra mogelijkheden voor het verwerken van de leerstof. De leerlingen kunnen de herhalingstaken zelfstandig uitvoeren, maar het verdient de voorkeur om hen hierbij te begeleiden. Gerichte mondelinge interactie komt de kwaliteit van de instructie en de (in)oefening ten goede. Dat vergroot de kans dat de leerlingen de betreffende spellingcategorieën alsnog gaan beheersen. Herhalingstaak 1: Spellingspoor Doelen K33: De leerlingen beheersen woorden op ~iaal, ~ieel, ~ueel. R28: De leerlingen beheersen bijvoeglijke naamwoorden. W22: De leerlingen beheersen struikelblokken 1. W23: De leerlingen beheersen struikelblokken 2. WW19: De leerlingen beheersen van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden. Materialen Spelbord en categoriekaartje Spellingspoor: K33, R28, W22, W23, WW19. Kopieerblad Spellingspoor. Uitlegkaarten: K33, R28, W22, W23, WW19. Organisatie Op basis van de resultaten op het controledictee (zie het registratieblad bij controledictee) formeert u een groepje met leerlingen die onvoldoende scoorden op de spellingcategorie die u gaat behandelen. U groepeert de leerlingen rond het spelbord. Wanneer de groep leerlingen te groot is om rond het spelbord te plaatsen, kunt u er incidenteel voor kiezen het bord niet te gebruiken en het voorbeeldwoord bij de spellingcategorie op het bord te schrijven. Maak in dat geval wel gebruik van het Spellingspoorkopieerblad en de uitlegkaart bij de spellingcategorie. Voorbereiding Leg het spelbord Spellingspoor en de uitlegkaart bij de spellingcategorie klaar. Laat leerlingen eventueel hun eigen set uitlegkaarten gebruiken. Leg het categoriekaartje bij de betreffende spellingcategorie klaar en per leerling een Spellingspoorkopieerblad klaar. Voortgangsplanner week 4 blok 4 Spellingcategorieën Resultaat controledictee K33: woorden op ~iaal, ~ieel, -> 2 fouten of meer: ~ueel onvoldoende R28: bijvoeglijke naamwoorden: -> 2 fouten of meer: overzicht onvoldoende W22: struikelblokken 1 -> 1 fout of meer: onvoldoende W23: struikelblokken 2 -> 1 fouten of meer: onvoldoende WW19: van deelwoorden afgeleide -> 2 fouten of meer: bijvoeglijke naamwoorden onvoldoende Alle spellingcategorieën -> Geen onvoldoendes Vervolgactiviteit -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor K33) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor R28) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor W22) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor W23) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) -> Herhalingstaak 1 (Spellingspoor WW19) en/of Herhalingstaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld) -> Plustaak 1 (Taalmaker) en/of Plustaak 2 (Computerprogramma Spelling in beeld, herhaling eerdere blokken of verkenning volgende blokken) 62 Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1
25 hl blok 4 gevoel herhalings- en plustaken Werkwijze Neem het categoriekaartje (met de afbeelding van een trein) met daarop het voorbeeldwoord bij de spellingcategorie. Plaats dit kaartje in de plastic houder(s) zodat het rechtop kan staan. Plaats het woordkaartje in het startvak op het spelbord. De trein is nu klaar om te vertrekken. Op weg naar het eindstation zal hij stoppen bij alle tussenliggende stations. Laat de leerlingen bij ieder station een activiteit uitvoeren. De activiteiten staan beschreven op het spelbord en het Spellingspoorkopieerblad. In principe gaat het om begeleide activiteiten. U bespreekt met de leerlingen de knelpunten van de spellingcategorie en licht de opdrachten toe. Het uitvoeren van de activiteiten leidt ertoe dat de kinderen meer zicht krijgen op het spellingprobleem en de spellingstrategie die ze kunnen toepassen om de woorden correct te schrijven. Maak bij de uitlegactiviteit gebruik van de uitlegkaart. Laat de schriftelijke activiteiten uitvoeren op het Spellingspoorkopieerblad. Verplaats de trein naar het volgende station wanneer een activiteit is uitgevoerd. Daar wacht een nieuwe activiteit. De herhalingstaak over één spellingcategorie is afgerond op het moment dat de trein het eindstation heeft bereikt en de leerlingen alle activiteiten hebben uitgevoerd. Op dezelfde manier kunt u, bijvoorbeeld op een ander moment, herhalingstaken over andere categorieën uitvoeren. Meer informatie over Spellingspoor kunt u vinden in de toelichting bij het leerspel Spellingspoor. Deze vindt u in de speldoos. Herhalingstaak 2: Computerprogramma Spelling in beeld Doel De leerlingen oefenen met de spellingproblemen uit blok 4. Materialen Computerprogramma Spelling in beeld Werkwijze Met het computerprogramma Spelling in beeld herhalen de leerlingen de spellingproblemen uit het blok. Ze krijgen uitleg in geschreven en gesproken vorm, ze oefenen met aantrekkelijke spellen, ze worden opnieuw getoetst door middel van dictees en krijgen op basis van de resultaten, ook in tweede instantie, nog gerichte verlengde instructie. Meer informatie over het computerprogramma Spelling in beeld vindt u in de handleiding bij de cd-rom. Plustaak 1: Taalmaker Doel De leerlingen passen de geleerde vaardigheden op het gebied van taal en spelling toe in een alledaagse context. Materialen Taalmaker Werkwijze De leerlingen die de doelen van het blok beheersen, kunnen verdergaan met activiteiten waarbij ze de geleerde vaardigheden op het gebied van taal en spelling toepassen. Er is bewust niet gekozen voor een directe koppeling aan de lesdoelen van het basisprogramma. Het gaat dus om de algemene toepassing van de taal- en spellingvaardigheden die de leerlingen beheersen. De leerlingen doen dit in alledaagse, voor kinderen herkenbare contexten. Hierbij zijn diverse uitingsvormen op het gebied van taal het uitgangspunt. Dit kunnen allerlei verschillende tekstsoorten zijn, zowel in de vorm van geschreven taal als in de vorm van gesproken taal. Bij deze opdrachten maken de leerlingen na een introductie en uitleg zelf taalproducten. Meer informatie kunt u lezen in de toelichting. Deze vindt u in de Taalmakerdoos. Plustaak 2: Computerprogramma Spelling in beeld Doel De leerlingen herhalen de spellingproblemen uit eerdere blokken en ze verkennen de spellingproblemen van de nog volgende blokken. Materialen Computerprogramma Spelling in beeld Werkwijze Met het computerprogramma Spelling in beeld kunnen de leerlingen de leerstof verder oefenen. Bij herhalingstaak 2 gaat het om de leerstof uit het blok dat aan de orde is. Als plustaak kunnen de leerlingen ook breder herhalen. Ze kunnen de leerstof uit eerdere blokken nog eens doornemen met behulp van de computer. Ook is het mogelijk dat de leerlingen die geen directe herhaling nodig hebben, verder gaan met de leerstof van de volgende blokken. Als u kiest voor dit type differentiatie, biedt het computerprogramma bij de nieuwe categorieën uitleg in geschreven en gesproken vorm, oefeningen met aantrekkelijke spellen en toetsing door middel van dictees. De resultaten worden vastgelegd, geanalyseerd en er wordt een vervolgadvies gegeven. Meer informatie over het computerprogramma Spelling in beeld vindt u in de toelichting bij de cd-rom. Spelling in beeld - jaargroep 8 - handleiding e1 63 -Spellingin
26 - - - Zwijsen e k kopieerboek -Spellingin -Sp -Sp -Sp ling- ling- in in in in n in in -Spelli -Spelli -Spelli -S -Sp i lli lli b beeld beeld ld ld eld ld bb ll g el ee be
27 k woorden op ~iaal, ~ieel en ueel naam: 1 Zet een kring om de woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel. U krijgt bij ons schilderles van speciaal opgeleide leraren. Wij zorgen natuurlijk voor het beste schildermateriaal. Eventueel kunt u de schilderlessen individueel volgen. Maar groepslessen zijn gezelliger én financieel voordeliger. 2 u 3 Klankspoor. Je hoort aan het eind van een woord /iejaal/, /iejeel/ of /uuweel/. Je schrijft iaal, ieel of ueel. Lees kaart K33 goed. Schrijf woorden op die bij de plaatjes passen. Kies uit: financieel, officieel en liniaal. 4 Maak de woorden af met ~iaal, ~ieel, iële of ~ueel. Schrijf ze daarna helemaal op. Van welk mater zijn die beelden gemaakt? Straks volgt natuurlijk nog de offic prijsuitreiking. Ben je spec Je kunt event gekomen om met mij te praten? die uitlegkaart nog eens doornemen. Gaat het plan nog door? Dat is een financ kwestie. 5 Schrijf vier woorden op met ~iaal of ~ieel Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de week. 1 2 kopieerblad extra oefening K33 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg be
28 k bijvoeglijke naamwoorden: overzicht naam: 1 Zet een kring om de vijf bijvoeglijke naamwoorden in de tekst. Ze eindigen op e of en. Vanmiddag is er op school een tentoonstelling van werkstukken. Aan de muur hangen mooie tekeningen en rieten poppetjes. Op de tafels staan gebakken kleibeeldjes en houten figuren. Alles is te koop. De opbrengst is bestemd voor goede doelen. 2 u 3 Regelspoor. Bijvoeglijke naamwoorden: overzicht. Lees kaart R28 goed. Maak de bijvoeglijke naamwoorden af. Schrijf op. de gev koek Fra kaas de hou stoel een gebr hart 4 Vul in: bijvoeglijke naamwoorden op ~e of ~en. mist - een ochtend ijzer - het hek geprint - de teksten geblust - de brandjes blauw - een scooter eigenwijs - de kleuter hout - een kinderstoel verzonnen - een verhaal gewonnen - de wedstrijd geboord - de gaten 5 Schrijf op: drie bijvoeglijke naamwoorden op ~en. Bedenk er zelfstandige naamwoorden bij Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de week. 1 2 kopieerblad extra oefening R28 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg be
29 k struikelblokken 1 naam: 1 Kijk naar de schuingedrukte woorden. Hoe schrijf je die? Kruis aan wat juist is. Een scheerapparaat werkt toch op elektriciteit? met k en c met twee c's Wil jij op het feest de kinderen schminken? met c en k zonder c Door de vrieskou wilde de motor niet starten. met o en e met twee o's In een kistje bewaarde ze al haar sieraden. met één r met twee r's 2 u 3 4 Weetspoor: struikelblokken 1 Lees kaart W22 goed. Deze struikelblokken heb je eerder geleerd. Neem ze nog eens goed door. verrassing, onmiddellijk, interessant, hartstikke, stiekem, hopelijk, interview, burgemeester Welke woorden van kaart W22 passen bij deze afbeeldingen? Schrijf op. e s s e m 5 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf ze nog eens op. In de hele stad is gisteren de ele triciteit uitgevallen. Er en, bonen en linzen horen bij de peulvruchten. Amy heeft een or ineel idee om het probleem op te lossen. In die winkel verkopen ze mooie, niet al te dure, sie Julia was naar een feest. Ze heeft zich mooi laten schmi aden. en. De auto is naar de garage. Er zijn problemen met de mot r. 6 Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de week. 1 2 kopieerblad extra oefening W22B Uitgeverij Zwijsen, Tilburg be
30 k struikelblokken 2 naam: 1 Kijk naar de schuingedrukte woorden. Hoe schrijf je die? Kruis aan wat juist is. Een kangoeroe is een Australisch zoogdier. met e en oe met twee keer oe Gaan jullie je pyjama vast aantrekken? met y en j met y, zonder j De helikopter stijgt loodrecht omhoog. met een c met een k Volgens mij is dit een heel handig apparaat. met één p met twee p's 2 u 3 4 Weetspoor: struikelblokken 2 Lees kaart W23 goed. Deze struikelblokken heb je eerder geleerd. Neem ze nog eens goed door. verrassing, onmiddellijk, interessant, hartstikke, stiekem, hopelijk, interview, burgemeester, sieraden, origineel, schminken, motor, erwten, vondst, elektriciteit, puberteit Welke woorden van kaart W23 passen bij deze afbeeldingen? Schrijf op. py k p h 5 Maak de woorden af met één of twee letters. Schrijf dan de woorden helemaal op. Ga jij zo je p ama aantrekken? Het is al bedtijd. Bel me op, of stuur me anders eventjes een Ik ben de gebruiksaanwijzing van dit a mail. araat kwijt. Ze werd met een heli opter naar het ziekenhuis vervoerd. Wie lust er nog een stukje van de laatste panne oek? Een kang roe kan enorme sprongen maken. 6 Bedenk twee zinnen. In iedere zin staat een woord van de uitlegkaart. 1 2 kopieerblad extra oefening W23A Uitgeverij Zwijsen, Tilburg be
31 k van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden naam: 1 Sommige bijvoeglijke naamwoorden zijn gemaakt van deelwoorden: winnen - gewonnen - de gewonnen race; bestellen - besteld - de bestelde pizza. Zet in elke zin een kring om één bijvoeglijk naamwoord dat van een deelwoord is gemaakt. Doe eerst de gekookte spaghetti op de borden. Schep daar de saus met de gebakken groenten over. Strooi er voor de smaak wat gehakte kruiden overheen. Bedek alles ten slotte met een laagje geraspte kaas. Denk na: welke woordenboekvormen passen bij deze vier bijvoeglijke naamwoorden? 2 u 3 Werkwoorden. Als bijvoeglijke naamwoorden afgeleid zijn van deelwoorden, dan gelden de gewone spellingregels. Maar eindigt een deelwoord op en, dan blijft en in het bijvoeglijk naamwoord staan. Lees kaart WW19 goed. Maak bijvoeglijke naamwoorden van de schuingedrukte deelwoorden. Vul in. vullen - gevuld de koek lukken - gelukt de sprong beloven - beloofd het boek lezen - gelezen de kranten drukken - gedrukt de letters snijden - gesneden de kaas 4 Wat is het deelwoord? Maak daarvan een bijvoeglijk naamwoord. Vul in. deuken - De ged bakken - Lusten jullie allemaal een winnen - Na die versieren - De juf stapte de omhakken - Het bos lag vol met auto wordt weggesleept. ei? race was hij kampioen. klas binnen. bomen. 5 Bedenk drie zinnen. In iedere zin staat een voorbeeldwoord van de uitlegkaart kopieerblad extra oefening WW19 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg be
32 k signaaldictee e blok: naam: datum: Woord Kleur het Ik denk dat Is het goed Fout? Verbeter dan goede rondje. het goed is. of fout? het woord. G F 1 K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww K R W ww leerlingblad signaaldictee e Uitgeverij Zwijsen, Tilburg be
33 k controledictee e blok: naam: datum: Dicteewoorden Spellingcategorie* * alleen invullen bij fouten 12 Resultaat 13 Spelling- Aantal 14 categorie fouten be Totaal leerlingblad controledictee e Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
34 k controledictee e1 blok 4 Spellingcategorie K33: ~iaal, ~ieel, R28: bijvoeglijke W22: W23: WW19: van deelw. ~ueel naamwoorden struikelblokken 1 struikelblokken 2 afgeleide bijv. naamw. Norm herhaling 4 (van 5) goed 4 (van 5) goed 4 (van 5) goed 3 (van 3) goed 3 (van 3) goed 1 breekbare 2 helikopter 3 liniaal 4 ijzeren 5 gestolen 6 apparaat 7 interessant 8 Limburgse 9 speciale 10 bestelde 11 origineel 12 materiaal 13 schitterende 14 geredde 15 leren 16 officiële 17 gewassen 18 interview 19 kangoeroe 20 gekookte 21 eventueel be leerkrachtblad controledictee e1 blok 4 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg
35 k registratieblad controledictees e1 Naam blok 1 blok 2 blok 3 blok R11: meer klankgroepen R19: lange woorden W1: ei W2: ij WW20: persoonsvormen totaal fouten K32: ~teit, ~air, ~oir W24a: Franse leenwoorden 1 W24b: Franse leenwoorden 1 WW18: ww met be~, ge~, her~, ver~, ont~ WW21: pv s die hetzelfde klinken totaal fouten R25: samenst: tussenklank /u(n)/ R26: samenst: tussenklank /u(n)/: uitzond. R27: woorden tussenklank /u(n)/ W10: /ie/ = i W27: lange klinker, korte klinker totaal fouten K33: ~iaal, ~ieel, ~ueel R28: bijvoeglijke naamwoorden W22: struikelblokken 1 W23: struikelblokken 2 WW19: van deelw. afgeleide bijv. naamw. totaal fouten registratieblad controledictees e1 Uitgeverij Zwijsen, Tilburg be
36 u K 33 klankspoor woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel Je hoort aan het eind van een woord /iejaal/, /iejeel/ of /uuweel/. Je schrijft iaal,ieel of ueel. Bij woorden als materiaal, liniaal, geniaal en filiaal hoor je tussen i en aal de klank /j/. Die j schrijf je niet. Let op het woord ideaal. Na de d hoor je (meestal) /ie/, maar je schrijft e. woorden van de week het materiaal de liniaal speciaal officieel officiële eventueel K R W 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het klankspoor? 3. Schrijf deze stukjes zoals je ze hoort. 4. Controleer het woord. Bij woorden als financieel en officieel hoor je de klank /j/. Je schrijft niet j, maar i. Als je woorden op ~ieel langer maakt, schrijf je een trema: officiële, financiële. Bij woorden als eventueel hoor je de klank /w/. Die w schrijf je niet. Let op: bij de woorden juweel en fluweel schrijf je de w wel. extra woorden het filiaal geniaal sociale financieel financiële essentieel actueel individuele virtueel
37 u R 28 K R W regelspoor bijvoeglijke naamwoorden: overzicht Als je aan het eind van een bijvoeglijk naamwoord /u/ hoort, dan schrijf je e. Maar je schrijft en bij: stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden; bijvoeglijke naamwoorden, gemaakt van deelwoorden die op en eindigen. 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het regelspoor? 3. Pas op deze stukjes de regel toe. 4. Controleer het woord. Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord: een dik boek, de dikke boeken. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden vertellen waarvan iets gemaakt is. Hoor je /u/ aan het eind? Dan schrijf je en: een wollen sok. Een bijvoeglijk naamwoord kan gemaakt zijn van een deelwoord. Dat is nooit de persoonsvorm, dus gelden de gewone regels: de gekochte kleren. Uitzondering: als het deelwoord op en eindigt, dan eindigt het bijvoeglijk naamwoord ook op en: gewassen - de gewassen kleren. woorden van de week extra woorden een mistige dag lekkere koeken een groot huis het bestelde boek het ijzeren hek de gewassen kleren breekbare glazen Limburgse vlaai de gevulde koek het gerichte schot het geredde kind de kartonnen doos de glazen schaal het geslepen mes de verloren knoop
38 u W 22 struikelblokken 1 weetspoor Struikelblokken zijn woorden waarin veel fouten worden gemaakt. Onthoud die woorden. Je schrijft twee medeklinkers: verrassing, onmiddellijk, interessant Je schrijft een t: hartstikke Je schrijft niet u, maar e: stiekem Je schrijft geen n: hopelijk Je schrijft geen u: interview Je schrijft geen r: burgemeester A woorden van de week de verrassing onmiddellijk interessant hartstikke stiekem hopelijk het interview de burgemeester K R W 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het weetspoor? 3. Onthoud hoe je deze stukjes schrijft. 4. Controleer het woord. Je schrijft één r: sieraden Je hoort /zj/, je schrijft ig: origineel Je schrijft niet ck, maar k: schminken Je schrijft niet e, maar o: motor Je schrijft een letter die je niet hoort: erwten, vondst, ginds, sinds. Het stukje ~teit heeft niets met tijd te maken: elektriciteit, puberteit. B woorden van de week de sieraden origineel schminken de motor de erwten de vondst de elektriciteit de puberteit
39 u W 23 struikelblokken 2 weetspoor Struikelblokken zijn woorden waarin veel fouten worden gemaakt. Onthoud die woorden. Je schrijft twee keer oe: kangoeroe Je schrijft twee p s: apparaat Je schrijft een j na de y: pyjama Je schrijft niet c, maar k: helikopter Je schrijft een n: pannenkoek Je schrijft een streepje: Je schrijft een apostrof: sms en Je schrijft twee s en: misschien A woorden van de week de kangoeroe het apparaat de pyjama de helikopter de pannenkoek de sms en misschien K R W 1. Hak het woord in stukjes. 2. Bij welke stukjes past het weetspoor? 3. Onthoud hoe je deze stukjes schrijft. 4. Controleer het woord. Je schrijft niet c, maar z: sperzieboon Je schrijft niet d, maar t: litteken Je schrijft niet c, maar s: porselein Je schrijft twee o s en ch: goochelen Je schrijft niet i, maar ie: faliekant Je schrijft niet a, maar e: papegaai Je schrijft de delen van een samenstelling achter elkaar: uit + treksel, acht + tien B woorden van de week de sperzieboon het litteken het porselein goochelen faliekant papegaai het uittreksel achttien
40 u WW 19 van deelwoorden afgeleide bijvoeglijke naamwoorden werkwoorden Als bijvoeglijke naamwoorden afgeleid zijn van deelwoorden, dan gelden de gewone spellingregels. Maar eindigt een deelwoord op en, dan blijft en in het bijvoeglijk naamwoord staan. 1. Is het werkwoord de persoonsvorm? 2. Ja? Twijfel je in de tt? Denk aan lopen. 3. Ja? Twijfel je in de vt? Denk aan t kofschip. 4. Geen pv? Dan gelden de gewone regels. Sommige bijvoeglijke naamwoorden zijn afgeleid van deelwoorden (zie WW17). werkwoord: poetsen, deelwoord: gepoetst, bijvoeglijk naamwoord: gepoetste tanden Een bijvoeglijk naamwoord is nooit de persoonsvorm, dus gelden de gewone spellingregels. verwachten - de verwachte overwinning verbreden - de verbrede straat schudden - de geschudde kaarten Maar let op: als een deelwoord op en eindigt, dan eindigt het bijvoeglijk naamwoord ook op en. wassen - gewassen - de gewassen kleren woorden van de week extra woorden de gemaakte fout de bestelde cola de geprinte brief het gelezen boek de versleten jas de gesloten deur de geraspte kaas de geverfde deur de gekoelde drank het verdiende geld de gegraven kuil het bewezen feit de gekozen kleur het gebroken hart de gestolen fiets
41 w blok 4 gevoel les 1 Wat ga je doen? Je oefent met bijvoeglijke naamwoorden die afgeleid zijn van deelwoorden. 1 Op verkenning Vul deze bijvoeglijke naamwoorden in: uitgepakte, versierde, gebakken, opgehangen. Over twee weken ben ik jarig. Leuk! In mijn gedachten zie ik... slingers cadeaus vers appeltaart een stoel 2 u Uitleg Werkwoorden. Als bijvoeglijke naamwoorden zijn afgeleid van deelwoorden, dan gelden de gewone spellingregels. Maar eindigt een deelwoord op en, dan blijft en staan. Lees verder op kaart WW19. 3 Aan de slag Kleur de tien bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van deelwoorden. de lastige som de verbrede weg het beloofde geld de blauwe vaas de bedreigde natuur de houdbare melk de geplante boom de geredde bemanning de bekladde muur de vochtige kamer de verborgen schat de geparkeerde auto de dappere ridder de stenen muren het geslepen mes de benutte kans 4 Maak van de deelwoorden bijvoeglijke naamwoorden. Schrijf op. schillen geschild de ge peer pesten gepest het kind vullen - gevuld de koek bakken gebakken de vis richten - gericht het schot zoeken gezocht de bril 5 s Maak in je schrift twee rijen: ~e en ~en. Schrijf de woordgroepjes in de goede rij. geknipt haren gebrok glas gekromp kleren bedrukt shirts gerepareerd auto s verslet stoelen gestemd gitaren gesned kaas gekocht boeken bevror water 40
42 6 Werkwoorden. Vul van deze werkwoorden het deelwoord in. Denk aan ik heb... of ik ben... kopen dwingen draaien verstoppen gebruiken verzinnen smeren breken beginnen uitleggen ontsnappen bestellen 7 s 8 Welke woorden staan hier? Schrijf ze goed in je schrift. kaar s steem arken taart benz nesta on radi ournalist ui nod ging viss rij onderzee r telev sieregi Maak bijvoeglijke naamwoorden van de deelwoordvorm van de paarse werkwoorden. Vul in. Let op: er blijven hokjes leeg. eur vergroten een v e r foto kiezen de activiteiten krimpen een truitje breken het glas redden een drenkeling bewijzen de feiten verwachten het onweer vullen de koek Verticaal lees je twee woorden. Vul die in de zin hieronder in. Waarom huilde je zo? Ik stootte mijn voet. En mijn grote toen pijn! 9 Neem van elk werkwoord het deelwoord. Maak daarvan een bijvoeglijk naamwoord. Vul in. breken Ze zingt over een hart. vervuilen Pas op, grond! maken Dit zijn de afspraken. malen Zijn dat koffiebonen? bakken We eten eieren. kiezen De kleur is paars. kneuzen Ik heb een pols. trouwen Ik heb één zus. Terugkijken 10 Vier paarse woorden zijn goed gespeld. Kruis aan. Streep vier fouten door. verbreden- verbreed- de verbreede weg verbreden- verbreed- de verbrede weg rijden- gereden- de gereden afstand rijden- gereden- de gerede afstand kopen- gekocht- de gekochten kleren kopen- gekocht- de gekochte kleren raden- geraden- het gerade getal raden- geraden- het geraden getal 41» Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55.
43 w blok 4 gevoel les 2 Wat ga je doen? Je oefent met struikelblokken (woorden waarin veel fouten worden gemaakt). 1 Op verkenning Vul deze woorden in: hopelijk, hartstikke, origineel en sieraden. Kijk, ik maak van klei. En die beschilder ik. Wat een idee! En wat wil je daarmee doen? Ik wil ze hier in de straat verkopen, voor één euro per stuk. Volgens mij kun je zo veel geld verdienen. Ja? vindt iedereen ze net zo mooi als jij. 2 Weetspoor: struikelblokken. Uitleg u Lees verder op kaart W22 (woorden van de week A en B). K R W 3 Vul woorden van kaart W22 (A en B) in. Ik laat me als tijger. Heb je dat zelf bedacht? Heel! en bonen zijn peulvruchten. Aan de slag Deze auto heeft een sterke. In dat kistje zitten gouden. De film over pinguïns was. Zit je in je eentje drop te eten? Je moet naar huis gaan! 4 Welk woorden van kaart W22 passen erbij? Schrijf op. vinden hoop interesse sieren 5 s Maak in je schrift twee rijen: één medeklinker en twee medeklinkers. Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze in de goede rij. l of ll: onmidde ijk - onmoge ijk; r of rr: verande ing - ve assing; s of ss: intere ant - re erve; l of ll: hope ijk - tabe en; k of kk: hartsti e - arti el; r of rr: sie aden - so y 42
44 6 Werkwoorden. Vul in: bijvoeglijke naamwoorden gemaakt van deelwoorden. opruimen een opg kamer koken aardappelen smelten chocolade strijken een overhemd indrukken een knop schatten de opbrengst poetsen schoenen parkeren de auto missen de kans verdwijnen de schat 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze in je schrift. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. t e v e r..... c o n c o.. s p l a s t i f v o l i... 8 Vul woorden van kaart W22 in. Dat kan op één manier. Let op: de ij is één letter. h o v s s e m b i e v s o 9 Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze nog eens op. Als ve assing hadden we de klas versierd. Dat noem ik nog eens een o igineel cadeau! In dat atelier maken ze zilveren sie Dat apparaat werkt toch wel op ele aden. triciteit? Daarna was er een intere ante natuurfilm. Terugkijken 10» In welk vak zijn alle woorden goed gespeld? Kruis aan. Streep twee fouten door. elektriciteit - stiekem onmiddellijk - origineel interessant - sieraden interessant - onmiddellijk sieraden - elektriciteit onmiddellijk - stiekem origineel sieraden stiekum interessant origineel electriciteit Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
45 w blok 4 gevoel les 3 Wat ga je doen? Je oefent met bijvoeglijke naamwoorden op ~e en ~en. Op verkenning 1 Deze foto s zijn gemaakt na een marathonwedstrijd. Vul deze bijvoeglijke naamwoorden in: gouden, uitgeputte, gelukkige, gelopen. de afstandde winnaar de medaille een deelnemer Uitleg 2 Regelspoor: bijvoeglijke naamwoorden eindigen op e. Maar stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden eindigen op en. Ook bijvoeglijke naamwoorden, gemaakt van deelwoorden op ~en, eindigen op en. u Lees verder op kaart R28. K R W Aan de slag 3 In ieder rijtje staan twee stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden. Kruis die aan. de gevonden bril de rieten mand de gebroken arm de zijden sjaal het ijzeren hek het verloren geld het gelezen boek het wollen sokje een geraden getal een glazen vaas een gehesen vlag een zilveren ring gebakken vis houten kasten stenen muren gemalen tarwe 4 Maak van de deelwoorden bijvoeglijke naamwoorden. Schrijf op. pesten gepest het kind redden gered het poesje printen geprint de tekst vergroten vergroot de foto lezen - gelezen de tekst doden gedood de mug 5 s Schrijf de bijvoeglijke naamwoorden goed op. Bedenk bij elk bijvoeglijk naamwoord een zelfstandig naamwoord. Gebruik ook de lidwoorden de, het en een. gewass verdiend ingepakt koper geslot gemist aardig gewonn 44
46 6 Werkwoorden. Vul in: bijvoeglijke naamwoorden, gemaakt van deelwoorden. sparen het geld bewaren het geheim verliezen de wedstrijd drukken de folders schuren de planken schrijven de brieven vinden de voorwerpen tekenen de figuren verwachten de winnaar stelen de fietsen 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze goed in je schrift. wer amer parapl s on ekking jubile boek fietsro te arnaval ptocht paard staart bela el k 8 In elke kolom staan drie woorden die bijvoeglijke naamwoorden zijn (of kunnen zijn). Kleur van die woorden steeds de vierde letter. Maak woorden met die letters. seconde rommelige damesmode methode afgeronde gekleurde verontruste verhuizen koperen schelpen dreunen gesneden verwende pakketje gewone bezoekje etalage gedroogde betalen vertellen kartonnen gegeven gevlochten bedreigen verbrande schitterende fabeltje parachute vitamine gemengde gebeuren gestolen instappen gelezen bronzen opknappen 9 Vul bijvoeglijke naamwoorden in. Ze zijn afgeleid van de paarse woorden. handig Hij is een jongen. nieuw Heb je schoenen? verliezen Cato zoekt een knoop. breken Ayse heeft een arm. hout Daar staat een bureautje. zilver Ze won een medaille. schillen Wil je een appel? bereiken Dit is het resultaat. uitzoeken Zijn dit de kleren? breed We zagen een rivier. Terugkijken 10» In welke regel zijn alle woorden goed gespeld? Kruis aan. Streep drie fouten door. bruinen schoenen, gedragen schoenen, leren schoenen, gepoetste schoenen saaie kleren, katoenen kleren, opgevouwen kleren, weggegooiden kleren geslepen schaatsen, nieuwe schaatsen, stalen schaatsen, gehuurde schaatsen een dure vaas, een gebroke vaas, een glazen vaas, een beschilderde vaas Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
47 w blok 4 gevoel les 4 Wat ga je doen? Je leert struikelblokken (woorden waarin veel fouten worden gemaakt). 1 Op verkenning Wie met een computer of een mobiele telefoon werkt, gebruikt allerlei afkortingen. Wat betekenen de afkortingen? En waar staat het voor? Trek strepen. Kijk naar het voorbeeld. www short message service 1024 kilobytes (computer) sms world wide web schijfje met geluid, zoals muziek cd megabyte het wereldwijde(computer)netwerk mb electronic mail bericht per mobiele telefoon gb compact disc post via internet dvd multimedia messaging service 1024 megabytes (computer) gigabyte schijfje met beelden, zoals films mms digital versatile disc beelden (foto s) per mobiele telefoon 2 Weetspoor: struikelblokken 2. Uitleg u Lees verder op kaart W23 (woorden van de week A en B). K R W 3 Vul woorden van kaart W23 (A en B) in. Aan de slag Mijn oudste zus is al jaar. Ik slaap altijd in een. De hangt stil in de lucht. Ik bestel een met kaas. De leeft in Australië. Ik ben nu een bericht aan het. Ik verstuur via de computer. Dat beeldje is van gemaakt. 4 Schrijf van deze woorden het meervoud op. Je kunt kaart R18 nog eens bekijken. pyjama kangoeroe litteken helikopter apparaat 5 s Maak in je schrift twee rijen: één medeklinker en twee medeklinkers. Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze in de goede rij. p of pp: a araat - ka itein; s of ss: intere ant - por elein; l of ll: he ikopter - onmidde ijk; t of tt: ta oeage - li eken; d of dd: honder uizend - siera en; g of gg: kan oeroe - vla en 46
48 6 Werkwoorden. Vul in: een persoonsvorm tt of een deelwoord. behalen Hij de overwinning. gebeuren Waneer is dat? bewaren Ik heb wat voor je. ruilen Alice stickers met mij. halen Heb je ook koekjes? wassen Heb je mijn trui? bedoelen Wat hij daarmee? vertalen Hij heeft alles. vergeten Ik ben je naam. noemen De juf jouw naam! 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze in je schrift. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. v o l g z... p r o g n.. e n a t t i.... d b e d u.. d 8 Los de rebus op. Maak een zin van vier woorden. o = e -n -py ma = s - vu -t - kan roe = d + - heli - t 9 Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze nog eens op. Iedereen was in zijn py ama naar school gekomen. Met dat a araat kunnen ze de bloeddruk meten. Aan die val heb ik een li eken overgehouden. Moeder kangoe oe draagt haar baby in een buidel. Vlak boven ons huis zweefde een heli opter. 10 In welk vak zijn alle woorden goed gespeld? Kruis aan. Streep twee fouten door. pyjama - kangoeroe apparaat - sperzieboon apparaat kangoeroe helikopter - apparaat kangoeroe - pyjama litteken - helikopter sperzieboon lidteken helicopter litteken sperzieboon pyjama Terugkijken» Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
49 w blok 4 gevoel les 5 Wat ga je doen? Je leert woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel. 1 Op verkenning Wat betekenen de paarse woorden? Trek strepen. eventueel wat over geld gaat individueel op dit moment in het nieuws financieel misschien, als het nodig is actueel iedereen apart, in zijn eentje filiaal geniaal sociaal officieel aardig voor anderen precies volgens de regels één winkel van een grotere zaak zéér knap (als een genie) Welk paars woord past het beste bij de tekening? Schrijf op. 2 Uitleg Klankspoor: je hoort aan het eind van een woord /iejaal/, /iejeel/ of /uuweel/. Je schrijft iaal, ieel of ueel. u Lees verder op kaart K33. K R W 3 Aan de slag Welke woorden op ~iaal, ~ieel, ~ueel hebben hiermee te maken? Schrijf op. provincie provinciaal socialisme specialiteit financiën actualiteit individu 4 Maak de woorden langer: geniaal - geniale; commercieel - commerciële. officieel speciaal sociaal actueel provinciaal financieel 5 s Maak in je schrift drie rijen: ~iaal, ~ieel en ~ueel. Maak de woorden af. Schrijf ze in de goede rij. Gebruik eventueel een woordenboek. act essent soc gen financ individ lin offic event spec virt commerc 48
50 6 Werkwoorden. Vul in: een persoonsvorm tt, een deelwoord of een bijvoeglijk naamwoord. bestellen Is het boek er al? spelen Waarom hij niet mee? verdelen De chef de taken. bakken Wie wil een ei? maken Dit heb ik met Najib. fietsen Hebben jullie lekker? raspen Daar doe je kaas op. bedoelen Hij het goed. beginnen We zijn nèt. breken Bo heeft een been. 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze goed in je schrift. kabelj w ta oea e kipp d checel ei et lag pop nth siast ra ecirc t feli iteren 8 De vaste stukjes zijn vervangen door tekens. Welke vaste stukjes zijn het? Schrijf op. offic democrat Ω Ѳ bijten ф gadering kwali ф liezen commerc spec Ѳ breken Aziat Ω Ѳ snapping ф velen gen microscop Ω majes soc activi finan Ω = Ѳ = = ф = = = 9 Maak de woorden af met ~iaal, ~iale, ~ieel, ~iële of ~ueel. Schrijf ze nog eens op. Dames en heren, mag ik uw spec aandacht? Nu volgt de offic uitslag van de talentenjacht. Als het nodig is, kan ik je event wel helpen. Van welk mater zijn die pannen gemaakt? In financ Mag ik jouw lin opzicht gingen de zaken heel goed. nog even gebruiken? Terugkijken 10 Welke zinnen zijn juist? Kruis aan. In de woorden mil oen en kabel auw hoor je /j/. Die schrijf je niet. In de woorden fil aal en mater aal hoor je /j/. Die schrijf je niet. In de woorden event eel en individ eel hoor je /w/. Die schrijf je niet. In de woorden ju eel en flu eel hoor je /w/. Die schrijf je niet.» Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
51 w blok 4 gevoel les 6 Wat ga je doen? Je oefent nog een keer met de woorden van blok 4. Je herhaalt woorden met s~ en woorden op ~ s. 1 Aan de slag Vul bijvoeglijke naamwoorden in. Ze zijn afgeleid van de paarse woorden. staal Het hek is nog dicht. kiezen Dit zijn de kleuren. stelen Ik wil mijn fiets terug! lelijk Daar staan een paar flats. vertalen Is dat de tekst? wol Trek maar een trui aan! aardig Ik vind het een man. snijden Ze kocht andijvie. missen Ik denk aan die kans. bitter Hou jij van chocolade? 2 Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze nog eens op. Ze vlogen met een heli opter naar het eiland. Na die overwinning was iedereen har stikke trots. Daarvoor heb je toch niet zo n duur a araat nodig? Hij stond onmidde ijk op en liep de deur uit. Het is in ieder gevel een heel o igineel idee! 3 Maak de woorden af met ~iaal, ~iale, ~ieel, ~iële of ~ueel. Schrijf ze nog eens op. Deze week hebben we een spec Onze winkel heeft ook een fil Hopelijk wordt die financ aanbieding! in de Marktstraat. kwestie nog opgelost. Ik kan event Vandaag is hij offic een uurtje langer blijven. tot directeur benoemd. 4 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze in je schrift. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. s p e l o.. m e n.. o l b e d w e... n p i n g u.. 50
52 Herhaling 5 Kleur de woorden die beginnen met s en de woorden die eindigen op s met twee kleuren. Vannacht had ik buikpijn. Zou ik gisteren te veel gegeten hebben? Gisteren begon ik s ochtends met twee kiwi s en twee crackers. s Middags at ik twee tosti s en later ook nog een zak pinda s. En s avonds: mmmmm! Mijn vader had zelf pizza s gebakken. u 6 Sommige woorden beginnen met s, andere woorden eindigen op s. Weet je het nog? Je kunt de kaarten R18 en R20 nog eens lezen. Schrijf woorden bij de plaatjes. 7 Maak de woorden af met s of s. Schrijf ze in de goede rij. filmcamera vakantie dictee ochtends vakantiefoto nachts woensdags zwemdiploma nummer s~ ~ s ~s 8 s 9 Schrijf in je schrift twaalf woorden die op s eindigen. Bedenk zo veel mogelijk woorden die niet op de uitlegkaart staan. Maak de woorden af met s~, ~ s of s. Schrijf dan de woorden nog eens op. Op de kermis ga ik het liefste in de botsauto. Mama gaat maandags altijd naar de markt. In de supermarkt waren maar twee kassa open. In Europa leven geen kangoeroe Bij het station staan weer veel taxi in het wild. te wachten. Kom jij ochtends altijd makkelijk uit je bed?» Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
53 a blok 4 gevoel les 1 Wat ga je doen? Je oefent met bijvoeglijke naamwoorden die afgeleid zijn van deelwoorden. 1 Op verkenning Vul deze bijvoeglijke naamwoorden in: uitgepakte, versierde, gebakken, opgehangen. Over twee weken ben ik jarig. Leuk! In mijn gedachten zie ik... opgehangen slingers uitgepakte cadeaus vers gebakken appeltaart een versierde stoel 2 u Uitleg Werkwoorden. Als bijvoeglijke naamwoorden zijn afgeleid van deelwoorden, dan gelden de gewone spellingregels. Maar eindigt een deelwoord op en, dan blijft en staan. Lees verder op kaart WW19. 3 Aan de slag Kleur de tien bijvoeglijke naamwoorden die zijn afgeleid van deelwoorden. de lastige som de verbrede weg het beloofde geld de blauwe vaas de bedreigde natuur de houdbare melk de geplante boom de geredde bemanning de bekladde muur de vochtige kamer de verborgen schat de geparkeerde auto de dappere ridder de stenen muren het geslepen mes de benutte kans 4 Maak van de deelwoorden bijvoeglijke naamwoorden. Schrijf op. schillen geschild de ge schilde peer pesten gepest vullen - gevuld het de gepeste gevulde kind koek bakken gebakken de gebakken vis richten - gericht het gerichte schot zoeken gezocht de gezochte bril 5 s Maak in je schrift twee rijen: ~e en ~en. Schrijf de woordgroepjes in de goede rij. geknipt haren gebrok glas gekromp kleren bedrukt shirts gerepareerd auto s verslet stoelen gestemd gitaren gesned kaas gekocht boeken bevror water 40
54 6 Werkwoorden. Vul van deze werkwoorden het deelwoord in. Denk aan ik heb... of ik ben... kopen gekocht gebruiken gebruikt beginnen begonnen dwingen gedwongen verzinnen verzonnen uitleggen uitgelegd draaien gedraaid smeren gesmeerd ontsnappen ontsnapt verstoppen verstopt breken gebroken bestellen besteld 7 s 8 Welke woorden staan hier? Schrijf ze goed in je schrift. Maak bijvoeglijke naamwoorden van de deelwoordvorm van de paarse werkwoorden. Vul in. Let op: er blijven hokjes leeg. De antwoorden staan op pagina 55. kaar s steem arken taart benz nesta on radi ournalist ui nod ging viss rij onderzee r telev sieregi eur vergroten een v e r g r o t e foto kiezen de g e k o z e n activiteiten krimpen een g e k r o m p e n truitje breken het g e b r o k e n glas redden een g e r e d d e drenkeling bewijzen de b e w e z e n feiten verwachten het v e r w a c h t e onweer vullen de g e v u l d e koek Verticaal lees je twee woorden. Vul die in de zin hieronder in. Waarom huilde je zo? Ik stootte mijn voet. En mijn grote teen deed toen pijn! 9 Neem van elk werkwoord het deelwoord. Maak daarvan een bijvoeglijk naamwoord. Vul in. breken Ze zingt over een gebroken hart. vervuilen Pas op, vervuilde grond! maken Dit zijn de gemaakte afspraken. malen Zijn dat gemalen koffiebonen? bakken We eten gebakken eieren. kiezen De gekozen kleur is paars. kneuzen Ik heb een gekneusde pols. trouwen Ik heb één getrouwde zus. Terugkijken 10 Vier paarse woorden zijn goed gespeld. Kruis aan. Streep vier fouten door. verbreden- verbreed- de verbreede weg verbreden- verbreed- de verbrede weg rijden- gereden- de gereden afstand rijden- gereden- de gerede afstand kopen- gekocht- de gekochten kleren kopen- gekocht- de gekochte kleren raden- geraden- het gerade getal raden- geraden- het geraden getal 41» Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m 55.
55 a blok 4 gevoel les 2 Wat ga je doen? Je oefent met struikelblokken (woorden waarin veel fouten worden gemaakt). 1 Op verkenning Vul deze woorden in: hopelijk, hartstikke, origineel en sieraden. Kijk, ik maak sieraden van klei. En die beschilder ik. Wat een origineel idee! En wat wil je daarmee doen? Ik wil ze hier in de straat verkopen, voor één euro per stuk. Volgens mij kun je zo hartstikke veel geld verdienen. Ja? Hopelijk vindt iedereen ze net zo mooi als jij. 2 Weetspoor: struikelblokken. Uitleg u Lees verder op kaart W22 (woorden van de week A en B). K R W 3 Vul woorden van kaart W22 (A en B) in. Ik laat me als tijger Heb je dat zelf bedacht? Heel schminken origineel.! Aan de slag Deze auto heeft een sterke motor. In dat kistje zitten gouden sieraden. Erwten en bonen zijn peulvruchten. De film over pinguïns was interessant. Zit je in je eentje stiekem drop te eten? Je moet onmiddellijk naar huis gaan! 4 Welk woorden van kaart W22 passen erbij? Schrijf op. vinden hoop interesse sieren vondst hopelijk interessant sieraden 5 s Maak in je schrift twee rijen: één medeklinker en twee medeklinkers. Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze in de goede rij. l of ll: onmidde ijk - onmoge ijk; r of rr: verande ing - ve assing; s of ss: intere ant - re erve; l of ll: hope ijk - tabe en; k of kk: hartsti e - arti el; r of rr: sie aden - so y 42
56 6 Werkwoorden. Vul in: bijvoeglijke naamwoorden gemaakt van deelwoorden. opruimen een opg eruimde kamer koken gekookte aardappelen smelten gesmolten chocolade strijken een gestreken overhemd indrukken een ingedrukte knop schatten de geschatte opbrengst poetsen gepoetste schoenen parkeren de geparkeerde auto missen de gemiste kans verdwijnen de verdwenen schat 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze in je schrift. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. t e v e r g e e f s c o n c o u r s p l a s t i f i c e r e n v o l i è r e 8 Vul woorden van kaart W22 in. Dat kan op één manier. Let op: de ij is één letter. v e r r a s s i n g s t e l e k t r i c i t e i t h i h o r i g i n e e l m o t o r p k i e e e v o n d s t l b u r g e m e e s t e r k ij w s i e r a d e n k i n t e r e s s a n t e o n m i d d e l l ij k 9 Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze nog eens op. Als ve rr assing hadden we de klas versierd. verrassing Dat noem ik nog eens een o r igineel cadeau! origineel In dat atelier maken ze zilveren sie r aden. sieraden Dat apparaat werkt toch wel op ele k triciteit? elektriciteit Daarna was er een intere ss ante natuurfilm. interessante Terugkijken 10» In welk vak zijn alle woorden goed gespeld? Kruis aan. Streep twee fouten door. elektriciteit - stiekem onmiddellijk - origineel interessant - sieraden interessant - onmiddellijk sieraden - elektriciteit onmiddellijk - stiekem origineel sieraden stiekum interessant origineel electriciteit Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
57 a blok 4 gevoel les 3 Wat ga je doen? Je oefent met bijvoeglijke naamwoorden op ~e en ~en. 1 Op verkenning Deze foto s zijn gemaakt na een marathonwedstrijd. Vul deze bijvoeglijke naamwoorden in: gouden, uitgeputte, gelukkige, gelopen. de gelopen afstandde winnaar gelukkige de medaille gouden een deelnemer uitgeputte 2 Uitleg Regelspoor: bijvoeglijke naamwoorden eindigen op e. Maar stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden eindigen op en. Ook bijvoeglijke naamwoorden, gemaakt van deelwoorden op ~en, eindigen op en. u Lees verder op kaart R28. K R W 3 Aan de slag In ieder rijtje staan twee stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden. Kruis die aan. de gevonden bril de rieten mand de gebroken arm de zijden sjaal het ijzeren hek het verloren geld het gelezen boek het wollen sokje een geraden getal een glazen vaas een gehesen vlag een zilveren ring gebakken vis houten kasten stenen muren gemalen tarwe 4 Maak van de deelwoorden bijvoeglijke naamwoorden. Schrijf op. pesten gepest het gepeste kind redden gered het geredde poesje printen geprint de geprinte tekst vergroten vergroot de vergrote foto lezen - gelezen de gelezen tekst doden gedood de gedode mug 5 s Schrijf de bijvoeglijke naamwoorden goed op. Bedenk bij elk bijvoeglijk naamwoord een zelfstandig naamwoord. Gebruik ook de lidwoorden de, het en een. Voorbeeldantwoorden staan op pagina 55. gewass verdiend ingepakt koper geslot gemist aardig gewonn 44
58 6 Werkwoorden. Vul in: bijvoeglijke naamwoorden, gemaakt van deelwoorden. sparen het gespaarde geld bewaren het bewaarde geheim verliezen de drukken de schuren de schrijven de verloren gedrukte geschuurde geschreven wedstrijd folders planken brieven vinden de gevonden voorwerpen tekenen de getekende figuren verwachten de verwachte winnaar stelen de gestolen fietsen 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze goed in je schrift. De antwoorden staan op pagina 55. wer amer parapl s on ekking jubile boek fietsro te arnaval ptocht paard staart bela el k 8 In elke kolom staan drie woorden die bijvoeglijke naamwoorden zijn (of kunnen zijn). Kleur van die woorden steeds de vierde letter. Maak woorden met die letters. seconde rommelige damesmode methode afgeronde gekleurde verontruste verhuizen koperen schelpen dreunen gesneden verwende pakketje gewone bezoekje etalage gedroogde betalen vertellen kartonnen gegeven gevlochten bedreigen verbrande schitterende fabeltje parachute vitamine gemengde gebeuren gestolen instappen gelezen bronzen opknappen meloen wortel bieten 9 Vul bijvoeglijke naamwoorden in. Ze zijn afgeleid van de paarse woorden. handig Hij is een handige jongen. nieuw Heb je nieuwe schoenen? verliezen Cato zoekt een verloren knoop. breken Ayse heeft een gebroken arm. hout Daar staat een houten bureautje. zilver Ze won een zilveren medaille. schillen Wil je een geschilde appel? bereiken Dit is het bereikte resultaat. uitzoeken Zijn dit de uitgezochte kleren? breed We zagen een brede rivier. Terugkijken 10» In welke regel zijn alle woorden goed gespeld? Kruis aan. Streep drie fouten door. bruinen schoenen, gedragen schoenen, leren schoenen, gepoetste schoenen saaie kleren, katoenen kleren, opgevouwen kleren, weggegooiden kleren geslepen schaatsen, nieuwe schaatsen, stalen schaatsen, gehuurde schaatsen een dure vaas, een gebroke vaas, een glazen vaas, een beschilderde vaas Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
59 a blok 4 gevoel les 4 Wat ga je doen? Je leert struikelblokken (woorden waarin veel fouten worden gemaakt). 1 Op verkenning Wie met een computer of een mobiele telefoon werkt, gebruikt allerlei afkortingen. Wat betekenen de afkortingen? En waar staat het voor? Trek strepen. Kijk naar het voorbeeld. www short message service 1024 kilobytes (computer) sms world wide web schijfje met geluid, zoals muziek cd megabyte het wereldwijde(computer)netwerk mb electronic mail bericht per mobiele telefoon gb compact disc post via internet dvd multimedia messaging service 1024 megabytes (computer) gigabyte schijfje met beelden, zoals films mms digital versatile disc beelden (foto s) per mobiele telefoon 2 Weetspoor: struikelblokken 2. Uitleg u Lees verder op kaart W23 (woorden van de week A en B). K R W 3 Vul woorden van kaart W23 (A en B) in. Aan de slag Mijn oudste zus is al achttien jaar. Ik slaap altijd in een pyjama. De helikopter hangt stil in de lucht. Ik bestel een pannenkoek met kaas. De kangoeroe leeft in Australië. Ik ben nu een bericht aan het sms en. Ik verstuur via de computer. Dat beeldje is van porselein gemaakt. 4 Schrijf van deze woorden het meervoud op. Je kunt kaart R18 nog eens bekijken. pyjama pyjama s litteken littekens apparaat apparaten kangoeroe kangoeroes helikopter helikopters s 5 s Maak in je schrift twee rijen: één medeklinker en twee medeklinkers. Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze in de goede rij. p of pp: a araat - ka itein; s of ss: intere ant - por elein; l of ll: he ikopter - onmidde ijk; t of tt: ta oeage - li eken; d of dd: honder uizend - siera en; g of gg: kan oeroe - vla en 46
60 6 Werkwoorden. Vul in: een persoonsvorm tt of een deelwoord. behalen Hij behaalt de overwinning. gebeuren Waneer is dat gebeurd? bewaren Ik heb wat voor je bewaard. ruilen Alice ruilt stickers met mij. halen Heb je ook koekjes gehaald? wassen Heb je mijn trui gewassen? bedoelen Wat bedoelt hij daarmee? vertalen Hij heeft alles vertaald. vergeten Ik ben je naam vergeten. noemen De juf noemt jouw naam! 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze in je schrift. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. v o l g z a a m p r o g n o s e n a t t i g h e i d b e d u u s d 8 Los de rebus op. Maak een zin van vier woorden. o = e -n -py ma = s - vu -t - kan roe = d + - heli - t Welke jas is goedkoper? 9 Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze nog eens op. Iedereen was in zijn py j ama naar school gekomen. pyjama Met dat a pp araat kunnen ze de bloeddruk meten. apparaat Aan die val heb ik een li tt eken overgehouden. litteken Moeder kangoe r oe draagt haar baby in een buidel. kangoeroe Vlak boven ons huis zweefde een heli k opter. helikopter 10 In welk vak zijn alle woorden goed gespeld? Kruis aan. Streep twee fouten door. pyjama - kangoeroe apparaat - sperzieboon apparaat kangoeroe helikopter - apparaat kangoeroe - pyjama litteken - helikopter sperzieboon lidteken helicopter litteken sperzieboon pyjama Terugkijken» Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
61 a blok 4 gevoel les 5 Wat ga je doen? Je leert woorden op ~iaal, ~ieel en ~ueel. 1 Op verkenning Wat betekenen de paarse woorden? Trek strepen. eventueel wat over geld gaat individueel op dit moment in het nieuws financieel misschien, als het nodig is actueel iedereen apart, in zijn eentje filiaal geniaal sociaal officieel aardig voor anderen precies volgens de regels één winkel van een grotere zaak zéér knap (als een genie) Welk paars woord past het beste bij de tekening? Schrijf op. financieel 2 Uitleg Klankspoor: je hoort aan het eind van een woord /iejaal/, /iejeel/ of /uuweel/. Je schrijft iaal, ieel of ueel. u Lees verder op kaart K33. K R W 3 Aan de slag Welke woorden op ~iaal, ~ieel, ~ueel hebben hiermee te maken? Schrijf op. provincie provinciaal socialisme sociaal specialiteit speciaal financiën financieel actualiteit actueel individu individueel 4 Maak de woorden langer: geniaal - geniale; commercieel - commerciële. officieel officiële sociaal sociale provinciaal provinciale speciaal speciale actueel actuele financieel financiële 5 s Maak in je schrift drie rijen: ~iaal, ~ieel en ~ueel. Maak de woorden af. Schrijf ze in de goede rij. Gebruik eventueel een woordenboek. act essent soc gen financ individ lin offic event spec virt commerc 48
62 6 Werkwoorden. Vul in: een persoonsvorm tt, een deelwoord of een bijvoeglijk naamwoord. bestellen Is het bestelde boek er al? spelen Waarom speelt hij niet mee? verdelen De chef verdeelt de taken. bakken Wie wil een gebakken ei? maken Dit heb ik met Najib gemaakt. fietsen Hebben jullie lekker gefietst? raspen Daar doe je geraspte kaas op. bedoelen Hij bedoelt het goed. beginnen We zijn nèt begonnen. breken Bo heeft een gebroken been. 7 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze goed in je schrift. De antwoorden staan op pagina 55. kabelj w ta oea e kipp d checel ei et lag pop nth siast ra ecirc t feli iteren 8 De vaste stukjes zijn vervangen door tekens. Welke vaste stukjes zijn het? Schrijf op. offic democrat Ω Ѳ bijten ф gadering kwali ф liezen commerc spec Ѳ breken Aziat Ω Ѳ snapping ф velen gen microscop Ω majes soc activi finan Ω = isch Ѳ = ont = teit ф = ver = ieel = iaal 9 Maak de woorden af met ~iaal, ~iale, ~ieel, ~iële of ~ueel. Schrijf ze nog eens op. Dames en heren, mag ik uw spec iale aandacht? speciale Nu volgt de offic iële uitslag van de talentenjacht. officiële Als het nodig is, kan ik je event ueel wel helpen. eventueel Van welk mater iaal zijn die pannen gemaakt? materiaal In financ ieel opzicht gingen de zaken heel goed. financieel Mag ik jouw lin iaal nog even gebruiken? liniaal Terugkijken 10 Welke zinnen zijn juist? Kruis aan. In de woorden mil oen en kabel auw hoor je /j/. Die schrijf je niet. In de woorden fil aal en mater aal hoor je /j/. Die schrijf je niet. In de woorden event eel en individ eel hoor je /w/. Die schrijf je niet. In de woorden ju eel en flu eel hoor je /w/. Die schrijf je niet.» Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
63 a blok 4 gevoel les 6 Wat ga je doen? Je oefent nog een keer met de woorden van blok 4. Je herhaalt woorden met s~ en woorden op ~ s. 1 Aan de slag Vul bijvoeglijke naamwoorden in. Ze zijn afgeleid van de paarse woorden. staal Het stalen hek is nog dicht. kiezen Dit zijn de gekozen kleuren. stelen Ik wil mijn gestolen fiets terug! lelijk Daar staan een paar lelijke flats. vertalen Is dat de vertaalde tekst? wol Trek maar een wollen trui aan! aardig Ik vind het een aardige man. snijden Ze kocht gesneden andijvie. missen Ik denk aan die gemiste kans. bitter Hou jij van bittere chocolade? 2 Maak de woorden af met één of twee medeklinkers. Schrijf ze nog eens op. Ze vlogen met een heli k opter naar het eiland. helikopter Na die overwinning was iedereen har t stikke trots. hartstikke Daarvoor heb je toch niet zo n duur a pp araat nodig? apparaat Hij stond onmidde ll ijk op en liep de deur uit. Het is in ieder gevel een heel o r igineel idee! onmiddellijk origineel 3 Maak de woorden af met ~iaal, ~iale, ~ieel, ~iële of ~ueel. Schrijf ze nog eens op. Deze week hebben we een spec iale aanbieding! speciale Onze winkel heeft ook een fil iaal in de Marktstraat. filiaal Hopelijk wordt die financ iële kwestie nog opgelost. financiële Ik kan event ueel een uurtje langer blijven. eventueel Vandaag is hij offic ieel tot directeur benoemd. officieel 4 s Welke woorden staan hier? Schrijf ze in je schrift. Gebruik een woordenboek of woordenlijst. s p e l o n k m e n t h o l b e d w e l m e n p i n g u i n 50
64 Herhaling 5 Kleur de woorden die beginnen met s en de woorden die eindigen op s met twee kleuren. Vannacht had ik buikpijn. Zou ik gisteren te veel gegeten hebben? Gisteren begon ik s ochtends met twee kiwi s en twee crackers. s Middags at ik twee tosti s en later ook nog een zak pinda s. En s avonds: mmmmm! Mijn vader had zelf pizza s gebakken. u 6 Sommige woorden beginnen met s, andere woorden eindigen op s. Weet je het nog? Je kunt de kaarten R18 en R20 nog eens lezen. Schrijf woorden bij de plaatjes. zebra s baby s paraplu s kiwi s 7 Maak de woorden af met s of s. Schrijf ze in de goede rij. filmcamera vakantie dictee ochtends vakantiefoto nachts woensdags zwemdiploma nummer s~ ~ s ~s s ochtends s nachts s woensdags filmcamera s vakantiefoto s zwemdiploma s vakanties dictees nummers 8 s Schrijf in je schrift twaalf woorden die op s eindigen. Bedenk zo veel mogelijk woorden die niet op de uitlegkaart staan. Voorbeeldantwoorden staan op pagina Maak de woorden af met s~, ~ s of s. Schrijf dan de woorden nog eens op. Op de kermis ga ik het liefste in de botsauto s. botsauto s Mama gaat s maandags altijd naar de markt. s maandags In de supermarkt waren maar twee kassa s open. kassa s In Europa leven geen kangoeroe s in het wild. kangoeroes Bij het station staan weer veel taxi s te wachten. taxi s Kom jij s ochtends altijd makkelijk uit je bed? s ochtends» Klaar? Kies een extra opdracht op pagina 52 t/m
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek E2: de introductiepagina s
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 werkboek A2: de introductiepagina s
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 5: 1 Handleiding b1: algemene gedeelte en lesbeschrijvingen bij blok 4 2 Werkboek b1: introductiepagina
Proefkatern Spelling in beeld
Proefkatern Spelling in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 4: 1 handleiding A1: het algemene gedeelte en blok 4 2 werkboek A1: de introductiepagina s
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal in beeld Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
LESBOEK b. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK b Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HAnDlEIDInG b Hl InHoUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
proefkatern groep 8 - blok 6
proefkatern groep 8 - blok 6 In dit katern vind je onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1. Handleiding 8B: algemene gedeelte en lesbeschrijvingen bij blok 6 2. Werkboek 8: blok
Alles over. Lezen in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Taaljournaal, tweede versie
SPELLING Taaljournaal, tweede versie Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze methode zijn te vinden op www.taalpilots.nl, www.rekenpilots.nl en
LESBOEK d. Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN
LESBOEK d Zwijsen BEGRIJPEND EN STUDEREND LEZEN Zwijsen Paul Stapel Dianne Manders Maril Rijks Jos Cöp HANDLEIDING d HL INHOUD Algemene handleiding Aan de slag met Lezen in beeld 3 Kenmerken 3 Uitgangspunten
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek A2: de introductiepagina s en blok
Tien eenheden per jaar, voor dertig weken spellingonderwijs (exclusief
SPELLING Zin in taal (oude versie) Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze methode zijn te vinden op www.taalpilots.nl, www.rekenpilots.nl en www.schoolaanzet.nl/opbrengstgerichtwerken.
Informatie. vakgebieden. Groep 6
Informatie vakgebieden Groep 6 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Alles over. Taal in beeld. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Opbrengstgericht werken en spelling
WORKSHOP Opbrengstgericht werken en spelling Programma en doelen Is spelling moeilijk? Het waarom en wat Effectief spellingonderwijs Spellingbewustzijn Tips Afsluiting. Schema spellingsproces Gesproken
Voor welke groepen? Voor het onderdeel spelling is er materiaal voor de groepen 4 t/m 8.
KWALITEITSKAART Spellen en stellen PO Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs zoals deze Kwaliteitskaart Opbrengstgericht Werken zijn te vinden op www.schoolaanzet.nl. Deze website bevat
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 4: 1 handleiding A1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek A1: de introductiepagina s en blok
Taal actief (oud, versie 2) - Woordspel
SPELLING Taal actief (oud, versie 2) - Woordspel Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze methode zijn te vinden op www.taalpilots.nl, www.rekenpilots.nl
proefkatern groep 8 - blok 4
proefkatern groep 8 - blok In dit katern vind je onderdelen uit de materialen van Spelling in beeld, groep 8: 1. Handleiding 8A: algemene gedeelte en lesbeschrijvingen bij blok 2. Werkboek 8A: introductiepagina
Wat is Digi-Spelling?
Digi - Spelling Digi-Spelling is een webbased remediërend spellingprogramma van de Zuid-Vallei. Het programma behoort tot de reeks remediërende programma s van De Zuid-Vallei. Voor informatie over het
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 8: 1 handleiding E2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek E2: de introductiepagina s en blok
Informatie. vakgebieden. Groep 5
Informatie vakgebieden Groep 5 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
Taaljournaal (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taaljournaal (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taaljournaal (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting
Informatie. vakgebieden. Groep 4
Informatie vakgebieden Groep 4 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
werkwoordspelling brochure
werkwoordspelling brochure Uitgangspunten Voordat kinderen met de werkwoordspelling beginnen, hebben ze al veel kennis opgedaan met betrekking tot: spelling van de onveranderlijke woorden het mondeling
Nationaal congres Taal en Lezen. 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL
Nationaal congres Taal en Lezen 15 oktober 2015 Effectief spellingonderwijs WWW.CPS.NL Contactgegevens Tseard Veenstra [email protected] 06 55168626 Is spellingonderwijs nog relevant als we met behulp
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek B1: de introductiepagina s en blok
TAALONTWIKKELING 2. Activiteiten bij leren. Inspiratie:
TAALONTWIKKELING 2 Boek: Activiteiten bij leren Inspiratie: Blz. 15 Blz. 18 Blz. 39 Taalactiviteiten bij een boek Leergebieden in samenhang (kerndoelen) linken naar Taalactiviteiten rond een boek Voor
Alles over. Grip op lezen. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Het belangrijkste doel van de studie in hoofdstuk 3 was om onafhankelijke effecten van visuele preview en spellinguitspraak op het leren spellen van
Samenvatting Het is niet eenvoudig om te leren spellen. Om een woord te kunnen spellen moet een ingewikkeld proces worden doorlopen. Als een kind een bepaald woord nooit eerder gelezen of gespeld heeft,
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 5: 1 handleiding B2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek B2: de introductiepagina s en blok
Spelling Werkwoorden. Doelgroep Spelling Werkwoorden. Omschrijving Spelling Werkwoorden
Spelling Werkwoorden Spelling Werkwoorden is een programma voor het leren schrijven van de werkwoordsvormen. Deze module behandelt de spelling van infinitief, tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid
Effectief spellingonderwijs
Effectief spellingonderwijs Foutloos kunnen spellen is een belangrijke vaardigheid om je goed en correct te kunnen uitdrukken op papier en in de digitale wereld. Maar hoe maakt u van alle leerlingen goede
Taal actief (derde versie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taal actief (derde versie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal actief (derde versie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij
spellingvaardigheid van droom naar daad
1 spellingvaardigheid van droom naar daad 2 Het is de vraag Het is (...) de vraag of niet betere instrumenten dan de huidige ontwikkeld moeten en kunnen worden. Frans Daems e.a.: Letters en punten, 2010.
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 6: 1 handleiding C1: het algemene gedeelte en blok 4 2 taalboek C1: de introductiepagina s en blok
Informatie. vakgebieden. Groep 7
Informatie vakgebieden Groep 7 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht!
UITNEEMVEL > Alle taalmethoden in 1 overzicht! Informatie: er is maar één juiste keuze! In onze informatiecentra in Rijssen en Ede vindt u de materialen uit de verschillende methoden, zodat u zich goed
Voor welke groepen? Voor het onderdeel spelling is er materiaal voor de groepen 4 t/m 8.
KWALITEITSKAART Spellen en stellen SPELLING PO Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze methode zijn te vinden op www.taalpilots.nl, www.rekenpilots.nl
Inhoud Doelgericht werken Tijd voor spellingonderwijs Het spellingaanbod
Inhoud Voorwoord 7 1 Doelgericht werken 10 1.1 Twee soorten doelen 11 1.2 Inhoudelijke doelen 12 1.2.1 Schoolniveau 12 1.2.2 Leerjaarniveau 13 1.2.3 Lesniveau 14 1.2.4 Leerlingniveau 15 1.3 Toetsbare doelen
Proefkatern Taal in beeld
Proefkatern Taal in beeld In dit katern vindt u onderdelen uit de materialen van Taal in beeld, groep 7: 1 handleiding D2: het algemene gedeelte en blok 7 2 taalboek D2: de introductiepagina s en blok
Inleiding 7. Deel 1 BASISVAARDIGHEDEN SPELLING 9
INHOUD Inleiding 7 Deel 1 BASISVAARDIGHEDEN SPELLING 9 Les 1 Stap voor stap op weg naar minder spellingfouten 11 1.1 Juist spellen is... 11 1.2 Stappenplan goed spellen 13 1.3 Hardnekkige spellingproblemen
Informatie. vakgebieden. Groep 8
Informatie vakgebieden Groep 8 Taal Gehanteerde methode: Taal in beeld - Spelling in beeld Uitgever: Zwijsen Taal in beeld is een taalmethode voor groep 4 tot en met 8 van het basisonderwijs. De methode
TAALLEESONDERWIJS - 19 tips voor betere spellingresultaten
TAALLEESONDERWIJS - 19 tips voor betere spellingresultaten Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs zoals deze kwaliteits zijn te vinden op www.taalpilots.nl en www.rekenpilots.nl. De
1 De kennisbasis Nederlandse taal
Noordhoff Uitgevers bv De kennisbasis Nederlandse taal. De opzet van de kennisbasis. De inhoud van de kennisbasis. Toetsing van de kennisbasis. Hoe gebruik je Basiskennis taalonderwijs? In dit hoofdstuk
Toelichting bij de kaartjes die in het opzoekboekje spelling en werkwoordspelling zijn opgenomen
Toelichting bij de kaartjes die in het opzoekboekje spelling en werkwoordspelling zijn opgenomen Van elk kaartje wordt in deze toelichting kort beschreven wat erop staat. Een spellingregel wordt extra
Format groepsplan. HOE bied ik dit aan? -instructie -leeromgeving AANPAK METHODIEK. Automatiseren Modelen. Automatiseren Modelen Begeleid inoefenen
Format groepsplan Groep namen WAT wil ik bereiken? WAT bied ik aan om dit doel te bereiken? HOE bied ik dit aan? -instructie -leeromgeving HOEveel tijd? Zelfstandig of met de leerkracht? HOE volg ik de
Nieuwe woorden correct kunnen schrijven, kunnen vertalen van N-F en van F-N en kunnen gebruiken in mondelinge en schriftelijke zinnen.
Vaktips Frans 1. D O E L S T E L L I N G E N De Franse taal leren verstaan, lezen, spreken en schrijven. Om dit te bereiken, moet je: Nieuwe woorden correct kunnen schrijven, kunnen vertalen van N-F en
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding e1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding e1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
Met spelling aan de slag: Juf, hoe schrijf je hangbuikzwijn?
Met spelling aan de slag: Juf, hoe schrijf je hangbuikzwijn? Gerri Koster Knelpunten bij het spellingonderwijs Te weinig oefening Niet betekenisvol Motivatie Succeservaringen Reflectie Toepassing Actieve
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken
Tips bij het bestellen van nieuwe boeken Versie: juni 2015 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Nieuwe methode aanschaffen? Dat kan nu veel voordeliger. Snappet
Blauwe stenen leer je zo
Handleiding groep 3-8 Blauwe stenen leer je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een steen van Jeelo leert. Voor groep 3-4 wijzer 2009 Zo leer je blauwe stenen
Kim A. H. Cordewener Variatie in de Spellingvaardigheid van Kinderen: Voorspellers, Verwerving en Instructie 2014 Radboud Universiteit
Kim A. H. Cordewener Variatie in de Spellingvaardigheid van Kinderen: Voorspellers, Verwerving en Instructie 2014 Radboud Universiteit Wanneer kinderen vier, vijf of zes jaar oud zijn, maken ze bewust
Basisarrangement. Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal. 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen
Basis Groep: AGL fase 1 Leerjaar 1 Vak: Nederlandse taal 5x per week 45 minuten werken aan de basisdoelen Deviant methode leer/werkboek VIA vooraf op weg naar 1F. De 8 thema s in het boek hebben terugkerende
Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 4 en 5 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.
Spelling op maat 1 De Muiswerkprogramma s Spelling op maat 1, 2 en 3 vormen een complete leerlijn voor de spelling die op de basisschool moet worden aangeleerd. Spelling op maat 1 is het eerste deel van
Optimaal zicht op spelling
Cito Spelling LVS Team Werken met de LVS-toetsen en hulpboeken Optimaal zicht op spelling Kim heeft midden groep 5 bij de LVS-toets Spelling een vaardigheidsscore gehaald van 122. Haar leerkracht weet
Benodigde voorkennis spelling groep 5
Taal actief 4 spelling groep 5-8 spelling groep 5 In dit document is een overzicht opgenomen van de benodigde voor de lessen spelling groep 5. Deze kennis maakt onderdeel uit van de leerlijn groep 4. Hebben
Dit programma is gemaakt voor leerlingen vanaf groep 6 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2.
Werkwoordspelling op maat Werkwoordspelling op maat besteedt aandacht aan het hele algoritme van de spelling van regelmatige werkwoorden en ook aan de verleden tijd van onregelmatige werkwoorden. Doelgroepen
Slimme en aantrekkelijke software voor taal en spelling
Slimme en aantrekkelijke software voor taal en spelling Met de software van en Spelling in beeld haalt u meer uit élke leerling! Leerkrachtassistent: digibordsoftware voor optimale voorbereiding en aantrekkelijke
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Zin in taal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
Nieuwe generatie rekenmethodes vergeleken
Nieuwe generatie rekenmethodes vergeleken Ruud Janssen Alles telt (2e editie - ThiemeMeulenhoff) De methode biedt een doorgaande lijn vanuit de kleuterbouw. De leerlijnen zijn digitaal beschikbaar. Het
Zwijsen. Ben Verschuren Hans van Wessel. Jos Cöp. Adriaan Maters Maril Rijks. handleiding d1
Zwijsen Ben Verschuren Hans van Wessel Adriaan Maters Maril Rijks Jos Cöp handleiding d1 hl inhoud algemene handleiding met Taal in beeld 3 Kenmerken 3 Opbouw methode 3 Activiteiten 5 Differentiatie 5
Alles over. Taalverhaal.nu. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Taalverhaal.nu Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking
Basisspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basis Werkwoordspelling en Basisgrammatica.
Basisspelling Basisspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basis Werkwoordspelling en Basisgrammatica. Het Muiswerkprogramma Basisspelling bestrijkt de basisregels van
Alfabetisering. ~de versnelde versie~
Alfabetisering ~de versnelde versie~ Introductie pilot versnelde alfabetisering Waarom gekozen voor een versnelde manier van alfabetisering? - het trage tempo + ballast (bij de start van geletterdheid
Richtlijn Het Activerende Directe Instructie Model
Richtlijn Het Activerende Directe Instructie Model Omschrijving Verwijzing naar Doelgroep Opsteller Intern document die uitleg geeft over het activerende directe instructiemodel. Vaardigheidsmeter Betrokken
Onderwijskundige Verantwoording Spelling & Grammatica
Onderwijskundige Verantwoording Spelling & Grammatica www.gynzy.com Versie: 30-07-2018 Inhoud Inleiding...2 Introductie 2 Structuur...3 Werelden 3 Eilanden 4 Leerdoelen 4 6-fasenmodel 4 Elementen...5 Flitsen
Het verbeterplan Spelling is gemaakt n.a.v. de klassenbezoeken en daaraan gekoppeld de analyse van de taalopbrengsten.
Voorwoord: Het verbeterplan Spelling obs de Lisdodde Daltonschool Het verbeterplan Spelling is gemaakt n.a.v. de klassenbezoeken en daaraan gekoppeld de analyse van de taalopbrengsten. Tijdens de klassenbezoeken
Alles over. Wijzer! Geschiedenis. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Wijzer! Geschiedenis Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In
Alles over. Wijzer! Natuur en techniek. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Wijzer! Natuur en techniek Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken.
Lijn 3 in een combinatiegroep
Inhoud 1 Werken met blz. 3 2 2-3 blz. 4 3 3-4 blz. 6 Bijlagen 1 De combinatie Lijn 3 - Station Zuid blz. 7 2 De combinatie Lijn 3 - Station Zuid en Taal actief 4 blz. 9 3 De combinatie Lijn 3 - Station
Taalverhaal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taalverhaal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taalverhaal Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
Flitsend Spellen en Lezen 1
Flitsend Spellen en Lezen 1 Flitsend Spellen en Lezen 1 is gericht op het geven van ondersteuning bij het leren van Nederlandse woorden, om te beginnen bij de klanklettercombinaties. Doelgroep Flitsend
De ontwikkelde materialen per unit.
Handleiding. Dit is de handleiding voor het remediërende programma voor de leeszwakke leerling bij het vak Engels. De hulpmiddelen zijn ontwikkeld voor leerlingen die bij de toetsen technisch lezen uitvallen
Alles over. Reken zeker. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking met de educatieve
Basis Werkwoordspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basisspelling en Basisgrammatica.
Basis Werkwoordspelling Basis Werkwoordspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basisspelling en Basisgrammatica. Basis Werkwoordspelling is een programma voor het leren
Alles over. Wijzer! Natuur en techniek. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Wijzer! Natuur en techniek Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken.
Alles over. Reken zeker. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Reken zeker Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In samenwerking
Lesbrief groep 5/6. Beste ouders,
Lesbrief groep 5/6 Beste ouders, Het is al weer een tijdje geleden dat we een lesbrief aan jullie hebben gestuurd. Maar met de start op onze prachtige nieuwe school, ook gelijk maar een doorstart met de
Inhoud De inhoud van het computerprogramma is hetzelfde als die van het foliomateriaal.
Titel Taalverhaal, software bij, spelling Vak/onderwerp Nederlandse taal/spelling Hardware-eisen Beeldschermformaat: 800 x 600, aantal kleuren 256, audio: 48 kbps, 22/44.1 khz, Processor minimaal Pentium
Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taalleesland (tweede editie) Beschrijvingsgegevens en toelichting
Taal op maat Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten
Taal op maat Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten SLO nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling Taal op maat Beschrijvingsgegevens en toelichting bij het compacten November 2009
Leerstofaanbod groep 4
Leerstofaanbod groep 4 Rekenen Rekenen Methode: RekenZeker De lessen zijn onderverdeeld in een aantal domeinen: getallen, bewerkingen (optellen, aftrekken en tafels en meten van tijd en geld. Optellen
Drie maal taal. Taal beschouwen in realistische situaties
Ronde 3 Joost Hillewaere Eekhoutcentrum Contact: [email protected] Drie maal taal. Taal beschouwen in realistische situaties 1. Inleiding Waarom leren kinderen taal op school? Taal heeft
Spelling 3.0. Groep 5
Primair en speciaal onderwijs Cito Volgsysteem Spelling 3.0 Groep 5 op papier vanaf schooljaar 2015/2016 vanaf 2016/2017 ook digitaal alleen dicteeopgaven, ook in de hogere groepen uitgebreide foutenanalyse
Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.
Grammatica op maat Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw. Doelgroepen Grammatica op maat Dit programma is
Nr Kernkwaliteiten Score In de groepen 4 tot en met 8 wordt de Taalmethode Taal Actief gebruikt
Indicator Algemeen 1.1.1 In de groepen 4 tot en met 8 wordt de Taalmethode Taal Actief gebruikt 1.1.2 In de groepen 4 tot en met 8 wordt het computerprogramma Spelling van de Taalmethode Taal Actief gebruikt.
Oranje stappers maak je zo
Handleiding groep 3-8 Oranje stappers maak je zo Wijzers Jeelo heeft gele wijzers om samen met leerlingen te verkennen hoe je een oranje stapper van Jeelo maakt. Voor groep 3-4 wijzer 2008 Zo maak je oranje
Flitsend Spellen en Lezen 1
Flitsend Spellen en Lezen 1 Flitsend Spellen en Lezen 1 is gericht op het geven van ondersteuning bij het leren van Nederlandse woorden, om te beginnen bij de klanklettercombinaties. Doelgroep Flitsend
Alles over. Wijzer! Aardrijkskunde. Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen
Alles over Wijzer! Aardrijkskunde Achtergrondinformatie, bestellijsten en additionele materialen Wij vinden het belangrijk dat u goed geïnformeerd wordt om vervolgens de juiste keuze te kunnen maken. In
Wat maakt mijn kind allemaal mee op De Fontein. in groep 3?
Wat maakt mijn kind allemaal mee op De Fontein in groep 3? Informatieavond 1 september 2016 1 1 september 2016 Beste ouders / verzorgers van de kinderen uit groep 3 Voor u ligt het informatieboekje van
Dit programma is gemaakt voor leerlingen van eind groep 3 en groep 4 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.
Spelling op maat 1 De programma s Spelling op maat 1, 2 en 3 vormen een complete leerlijn voor de spelling die op de basisschool moet worden aangeleerd. Spelling op maat 1 is het eerste deel van deze leerlijn.
Snappet is een alternatief voor...
Snappet is een alternatief voor... Hulp bij het bestellen van nieuwe boeken. Versie: mei 2014 Leidseveer 2, 3511 SB Utrecht Telefoon: 088-999 0 444 Email: [email protected] Informatie Nieuwe methode aanschaffen?
Didactische verantwoording. Allemaal taal. Taal en communicatie voor pedagogisch medewerkers in de kinderopvang en op de peuterspeelzaal
Didactische verantwoording Allemaal taal Taal en communicatie voor pedagogisch medewerkers in de kinderopvang en op de peuterspeelzaal Jenny van der Ende Taalondersteuning bij kinderen Naast behoefte aan
Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 4 en 5 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.
Spelling op maat 1 De Muiswerkprogramma s Spelling op maat 1, 2 en 3 vormen een complete leerlijn voor de spelling die op de basisschool moet worden aangeleerd. Spelling op maat 1 is het eerste deel van
Informatie over groep 4
Informatie over groep 4 Godsdienst Wij volgen de methode Trefwoord. Dit is een godsdienstmethode met lesmateriaal voor de hele basisschool. Er wordt gewerkt aan de hand van verschillende thema s.dit zijn
Groep 3: twee blokken per jaar, start is na de kerst (80 lessen, waaronder
KWALITEITSKAART Spellen en stellen SPELLING Woordbouw nieuw Woordbouw nieuw PO Praktische handvatten voor het taallees- en rekenonderwijs en opbrengstgericht werken zoals deze methode zijn te vinden op
JAARPROGRAMMA GROEP 7
JAARPROGRAMMA GROEP 7 Even voorstellen De leerkrachten van deze groep zijn: Patricia Mulder, zij werkt op maandag en dinsdag. Evelien Rikken werkt op woensdag, donderdag en vrijdag. Technisch lezen Technisch
