MOBILITEITSBRANCHE...

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "MOBILITEITSBRANCHE..."

Transcriptie

1 Beroepsvorming Autotechniek Bedrijfsautotechniek Motorfietstechniek Vragen & Opdrachten ISBN MOBILITEITSBRANCHE ONDERNEMINGEN IN DE MOBILITEITSBRANCHE PRIVAATRECHTELIJKE BRANCHEORGANISATIES PERSONENAUTO- EN BEDRIJFSAUTOBEDRIJVEN BEROEPEN IN DE MOBILITEITSBRANCHE JOUW POSITIE IN HET BEDRIJF FUNCTIE MOTORVOERTUIGTECHNICUS COMPETENTIES JOUW POSITIE IN DE ORGANISATIE JOUW POSITIE IN DE PERSONEELSSTRUCTUUR COMMUNICATIELIJNEN SAMENWERKEN SAMENWERKEN IN EEN TEAM GROEPSDYNAMICA COACHEN CONFLICTEN OPLOSSEN OMGAAN MET KRITIEK COMMUNICATIE IN DE ORGANISATIE COMMUNICATIE ALGEMEEN NON-VERBALE COMMUNICATIE COMMUNICATIETECHNIEKEN SCHRIFTELIJKE COMMUNICATIE MONDELINGE COMMUNICATIE WERKPLAATSADMINISTRATIE WERKORDER INSPECTIERAPPORT DOCUMENTATIE WERKPLAATSDOCUMENTATIE Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 1

2 7. WETTEN EN VERZEKERINGEN ARBEIDSOVEREENKOMST SOCIAAL ZEKERHEIDSRECHT BEDRIJFSVERZEKERINGEN ONDERHOUD EN REPARATIE ONDERHOUDS- EN REPARATIEASPECTEN DE UITVOERING VAN DE WERKZAAMHEDEN DE CONTROLE VAN DE WERKZAAMHEDEN DE KENTEKENPLAAT WERKPLAATSONDERHOUD ARBEIDSPRODUCTIVITEIT EN EFFICIENCY KENGETALLEN AFZET, OMZET, KOSTEN EN WINST VAN AFZET NAAR WINST KOSTEN ZIJN NOODZAKELIJK KOSTENSOORTEN HET WERKPLAATSUURTARIEF BEREKENING VERKOOPPRIJS INVLOEDSFACTOREN OP AFZET EN KOSTEN VRAAG EN AANBOD WERKPLAATSUREN ORGANISATIE KLANTENBINDING PRODUCTIE IN- EN VERKOOP ONDERHOUDSBEVORDERING MARKETING KOSTEN PRESENTATIE PRESENTATIE: DE HUISSTIJL PRESENTATIE: DE WAARNEMING PRESENTATIE: WERKPLAATS EN PERSONEEL KAM KAM-SYSTEEM PROCESSEN EN PROCEDURES KWALITEIT KWALITEITSBEGRIPPEN KWALITEITSZORG BIJ HET PRODUCTIEPROCES ARBO ARBEIDSOMSTANDIGHEDENWET ARBOZORG VERZUIM VEILIG WERKEN BRANDVEILIGHEID INRICHTING WERKPLEK GEVAARLIJKE STOFFEN PERSOONLIJKE BESCHERMINGMIDDELEN FYSIEKE BELASTING FYSISCHE FACTOREN Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 2

3 16.11 PSYCHOSOCIALE BELASTING MILIEU WET MILIEUBEHEER MILIEUZORG Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 3

4 1. Mobiliteitsbranche 1.1. Ondernemingen in de mobiliteitsbranche 1. Omschrijf wat een bedrijfskolom en een bedrijfstak zijn. 2. Teken de bedrijfskolom van autofabrikanten, importeurs en dealers. 3. Teken bij de in de vorige vraag gemaakte bedrijfskolom de universelen die gebuikte auto's verkopen (blok en lijnen). 4. Omschrijf de functie(s) die autofabrikanten hebben in de bedrijfskolom. 5. Omschrijf de functie(s) die importeurs hebben in de bedrijfskolom. 6. Omschrijf de functie(s) die autodealers hebben in de bedrijfskolom. 7. Deel de markt van personenautobedrijven in in categorieën en geef aan welke functie(s) in elke categorie uitgeoefend word(t)(en). 8. Noem ten minste 10 soorten universelen/specialisten die in de mobiliteitsbranche actief zijn en geef aan welke functie(s) zij uitoefen(t)(en). Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 4

5 1.2. Privaatrechtelijke brancheorganisaties 1. Omschrijf wat er onder privaatrechtelijke organisaties verstaan wordt en noem drie categorieën van organisaties die hieronder vallen. 2. Noem ten minste vijf brancheorganisaties en omschrijf hun doelstellingen. 3. Geef ten minste vier afdelingen van de BOVAG. 4. Geef ten minste vier diensten die de BOVAG uitvoert en omschrijf welke activiteiten hierin plaatsvinden. 5. Geef twee dochterondernemingen van de BOVAG en omschrijf welke functie(s) zij uitoefen(t)(en). 6. Op welke gebieden van de mobiliteitsbranche houdt de FOCWA zich bezig? 7. Omschrijf welke functie(s) de RAI, het RDC Datacentrum, de RDW, de ANWB, de Innovam Groep en de VOC uitoefenen. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 5

6 1.3. Personenauto- en bedrijfsautobedrijven 1. Omschrijf van personenauto-, bedrijfsauto- en motorfietsbedrijven in welke martsegmenten (strategische segmenten) zijactief zijn. 2. Noem de bedrijfsafdelingen die binnen (bedrijfs)autobedrijven gebruikelijk zijn. Komt dit overeen met het bedrijf waar je werkt? Als er afwijking is, motiveer dan waarom dit bij jouw bedrijf zo is. 3. Onder welke voorwaarden zijn de in de vorige vraag genoemde afdelingen tot een eenheid te laten functioneren. 4. Noem ten minste drie taken die een (auto)werkplaats binnen de onderneming vervult en motiveer de gegeven antwoorden. 5. Noem ten minste drie doelstellingen die een (auto)werkplaats binnen de onderneming nastreeft en motiveer de gegeven antwoorden. 6. Noem ten minste drie kenmerken van een (auto)werkplaats. 7. Motiveer waarom een (bedrijfs)autowerkplaats een dienstverlenende afdeling is. 8. Om de werkplaats zo rendabel mogelijk te laten draaien, moeten de werkzaamheden zo productief en efficiënt mogelijk uitgevoerd worden met behoud van het juiste kwaliteitsniveau. Motiveer waarom deze bewering juist is. 9. Wat betekent de uitdrukking servicemarketing in het kader van prijs, kwaliteit, service, goodwill? 10. De werkplaats biedt de klant service tegen een redelijke prijs en te verwachten kwaliteit, waardoor er goodwill ontstaat. Omschrijf de juistheid van deze bewering. 11. Wat wordt er onder dekkingsbijdrage verstaan en motiveer waarom elke bedrijfsafdeling aan de onderneming moet leveren. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 6

7 1.4. Beroepen in de mobiliteitsbranche 1. Geef een omschrijving van functies, taken en werkzaamheden. 2. Als motorvoertuigtechnicus oefen je een beroep en/of functie uit. Wat is het verschil dan wel de overeenkomst tussen beide? 3. Bij een functie horen een of meer taken en bij iedere taak een of meer activiteiten. Geef van jou als motorvoertuigtechnicus de functie die je hebt en geef vervolgens daarvan een taak met bijbehorende activiteiten. 4. Noem ten minste 3 beroepen die in de motorvoertuigbranche voorkomen en geef van elk genoemd beroep de bijbehorende inhoud volgens de mbo-kwalificatiestructuur. 5. Geef een voorbeeld van een functie-inhoud van een werkplaatsmanager van een klein autobedrijf. 6. Waarin verschillen de taken van Eerste Autotechnicus of Eerste Bedrijfsautotechnicus met die van Autotechnicus of Bedrijfsautotechnicus? 7. Waarin verschillen de taken van Technisch Specialist Personenauto s of Technisch Specialist Bedrijfsauto s met die van Autotechnicus of Bedrijfsautotechnicus? 8. Opdracht: Functie-indeling en functie-inhoud Breng van het motorvoertuigbedrijf waarin je werkt of stage loopt: a. alle soorten functies van de werkplaatsafdeling in kaart. Zet de functies in een hiërarchische organisatiestructuur zoals die in het bedrijf (on)bewust aanwezig is; b. de functienamen in kaart die het bedrijf eraan heeft gegeven en zet de officiële functienaam erbij volgens de kwalificatiestructuur; c. de taken van alle door jou genoemde functies in kaart en zet de taken volgens de kwalificatiestructuur erbij. Geef vervolgens de verschillen tussen beide aan. Als er verschillen zijn, motiveer dan waarom dit in jouw bedrijf zo is gedaan. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 7

8 2. Jouw positie in het bedrijf 2.1 Functie motorvoertuigtechnicus 1. In personeelsadvertenties verlangt de ondernemer diverse vaardigheden of competenties van sollicitanten. Deze bestaan uit functiegebonden en persoonsgebonden competenties. a. Wat zijn functiegebonden competenties en noem er ten minste twee. b. Wat zijn persoonsgebonden competenties en noem er ten minste vier. 2. Motiveer waarom er in personeelsadvertenties meestal de nadruk ligt op persoonsgebonden competenties in vergelijking tot functiegebonden competenties. 3. Jouw beroepshouding is naast jouw kennis en vaardigheden een belangrijke factor voor de ondernemer. Wat wordt er onder beroepshouding verstaan? 4. Noem ten minste 3 competenties die bepalend zijn voor jouw beroepshouding als motorvoertuigtechnicus en omschrijf wat deze competenties inhouden. 5. Omschrijf het verschil in beroepshouding tussen de niveaus van motorvoertuigtechnici, dus het verschil tussen technicus, eerste technicus en technisch specialist. 6. In je werk als Voertuigtechnicus loop je kans op afbreukrisico. a. Wat is afbreukrisico? b. Wat maakt dat het afbreukrisico voor een Technisch Specialist groter is als voor een Motorvoertuigtechnicus van een lager beroepsniveau? c. Waarom is afbreukrisico niet te voorkomen, maar wel de kans erop te verkleinen. d. Hoe verklein je de kans op afbreukrisico? 7. Waarin liggen de overeenkomsten en de verschillen in vakbekwaamheid tussen Voertuigtechnici van niveau 2, 3 en 4? Je mag het ook uitdrukken in functiegebonden competenties. 8. Wat is een functieomschrijving en voor welke personele activiteiten (noem er ten minste 2) wordt deze gebruikt? 9. Noem ten minste 3 eisen die in een functieomschrijving opgenomen behoren te zijn. 10. Wat wordt er verstaan onder een functieprofiel? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 8

9 2.2 Competenties 1. Hoe omschrijf je als een werknemer voor zijn functie competent is? 2. Definieer het begrip competentie. Dat mag ook met eigen woorden. 3. Wat is het kenmerkende van persoonsgebonden competenties en wat van functiegebonden competenties. Geef er van elk een voorbeeld bij. 4. Als op competenties beoordeeld wordt, wordt daarvoor gebruik gemaakt van een competentiemodel waarin alle competenties vertegenwoordigd zijn om een goed beeld van je competent zijn te kunnen vormen. In het MBO wordt daarvoor het competentiemodel van het SHL gehanteerd. Omschrijf hoe dit competentiemodel is opgebouwd van globale competentiefactoren tot meetbare gedragsankers. Geef er een voorbeeld bij. 5. Omschrijf wat een prestatie-indicator (PI) is en geef daarbij aan welke functie deze heeft. Omschrijf aan de hand van een voorbeeld hoe een PI is opgebouwd. Omschrijf aan welke voorwaarden een PI moet voldoen. 6. Wat wordt er verstaan onder kerncompetenties van een functionaris? Geef voor de Eerste Bedrijfsautotechnicus aan wat zijn kerncompetenties zijn. 7. Wat wordt er verstaan onder competentieprofiel van een functionaris? Geef voor de Eerste Bedrijfsautotechnicus aan wat zijn competentieprofiel kan zijn. 8. Probeer je eigen competentieprofiel op te stellen voor het beroep waarvoor je nu in opleiding bent. Informatie voor het opstellen van je competentieprofiel vindt je o.a. op: Leg de competentieprofielen van je studiegenoten naast elkaar en licht de grootste onderlinge overeenkomsten onderlinge afwijkingen er uit. Trek nu jullie conclusies. 9. Wat wordt er verstaan onder het competentieniveau van een functionaris? Geef voor de Eerste Bedrijfsautotechnicus aan wat zijn competentieniveau behoort te zijn. 10. Geef aan welke factoren bepalend zijn voor de indeling in competentieniveau van een functionaris. Breng deze factoren grafisch in beeld inclusief de 5 competentieniveaus. 11. Wat wordt er verstaan onder competentiewaardering en wat onder competentiescore? Waarvoor gebruiken we dit? 12. Bepaal het competentieprofiel van een door jou gekozen motorvoertuigenberoep. Waardeer de competentieniveaus van de door jou gekozen competenties. Leg zelf waardering vast waarin je dit wilt uitdrukken. Leg vervolgens van de competenties van een functionaris (of jezelf) de score in de competentieniveaus vast. Laat het verschil in een tabel en/of grafiek tot zijn recht komen. Geef adviezen wat je met een overschot en/of een tekort aan competentieniveau zou doen en motiveer je gegeven antwoord(en). 13. De ontwikkelbaarheid van een competentie verschilt per individu. Het hangt binnen een persoon samen met kennis, vaardigheden, motivatie en de persoonlijkheid. In hoeverre zijn competenties gemakkelijk tot moeilijk te ontwikkelen? Geef daar een voorbeeld van een competentie bij van het eerder door jou vastgestelde competentieprofiel. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 9

10 14. Niet elke competentie is even makkelijk ontwikkelbaar. We onderscheiden vier niveaus van complexiteit voor het ontwikkelen van competenties. Dit onderscheid wordt gemaakt op basis van de manier van denken en de invloed van externe factoren bij de ontwikkeling van de competentie. Leg de verbanden tussen de niveaus van complexiteit voor het ontwikkelen van competenties en licht deze verbanden toe. Geef bij elk niveau van ontwikkelbaarheid een competentie uit het competentieprofiel van de motorvoertuigtechnicus die jij hebt gekozen bij het ontwikkelen van het competentieprofiel. 15. Competentie kwaliteitsgerichtheid : Hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het eigen werk. Zorgvuldigheid en aandacht waarmee een taak wordt uitgevoerd uitgedrukt in termen van het aantal gemaakte fouten of de ernst ervan. Deze competentie staat in directe relatie met de competenties accuratesse en nauwkeurigheid, met gedragscriteria als: Hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het eigen werk. Niet tevreden zijn met doorsnee prestaties. Geen concessies doen ten aanzien van de kwaliteit van het eigen werk, ook als de druk om dat te doen groot is. Kwaliteit voorrang geven boven kwantiteit. Te allen tijde de kwaliteit van het eigen werk hoog houden. Zorgvuldig zijn in de uitwerking. Eigen werk controleren op fouten. Aandacht voor details: Aandacht voor details die van belang zijn voor de kwaliteit van het eigen werk. Blijft in routinetaken kritisch en alert op afwijkingen. Merkt kleine afwijkingen en fouten in werk van anderen snel op. Checkt afspraken, procedures en spelregels, verwoordt afspraken zorgvuldig (zowel mondeling als schriftelijk). Controleert belangrijkere informatie altijd op detailniveau, checkt en benoemt details, data, cijfers. Werkt kwaliteitsgericht volgens geldende procedures en regels. Laat het eigen werk controleren door anderen om fouten te voorkomen. Heeft oog voor details (ook onder tijdsdruk). Controleert en verbetert de juistheid van het eigen werk en dat van anderen. Werkt secuur. Maakt geen slordigheidfouten Reageert direct corrigerend als er wat betreft de kwaliteit iets niet goed gegaan is. Handelt op nauwgezette en geordende wijze prioriteiten van werkzaamheden af ondanks druk van meerdere belangen. Stelt zich consciëntieus, georganiseerd en secuur op onder druk van meerdere belangen, tijd of impact van mogelijke fouten. Blijft nauwkeurig werken als meerdere mensen tegelijk op antwoord wachten of aandringen. a. Onderzoek in hoeverre je je competentieniveau kwaliteitsgerichtheid hebt ontwikkeld. Gebruik daarbij het competentiediagram (figuur 2.2.1), het octogram (figuur 2.2.4), het kader Competentie Kwaliteitsgerichtheid en de heirboven genoemde definitie en gedragscriteria van de competentie kwaliteitsgerichtheid. b. Onderzoek in hoeverre je in staat bent deze competentie verder te ontwikkelen en omschrijf hoe je dat denkt te gaan doen en in welke tijd. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 10

11 2.3 Jouw positie in de organisatie 1. Maak aan de hand van een organisatiestructuur (organigram) duidelijk welke positie je hebt in de organisatiestructuur van een motorvoertuigbedrijf met de afdelingen werkplaats, verkoop auto s en verkoop onderdelen (magazijn). Benoem daarbij de organisatieniveaus en de functienamen. Laat erin uitkomen welke positie je hebt in de door jou getekende organisatiestructuur. 2. Wat is (zijn) de reden(en) voor de taakverdeling binnen een organisatie? 3. Wat wordt er onder delegeren verstaan? 4. Verticale taakverdeling leidt tot een hiërarchische organisatiestructuur. Motiveer dit. 5. Wat verstaan we bij bedrijfsorganisatie onder centralisatie? En wat zijn de kenmerken ervan? 6. Wat verstaan we bij bedrijfsorganisatie onder centralisatie? En wat zijn de kenmerken ervan? 7. Wat heeft jouw voorkeur: een decentraal of een centraal geleide organisatie. Onderbouw je mening. 8. Wat houdt horizontale taakverdeling in? Noem er een voorbeeld van. 9. Motiveer waarom functionele taakverdeling tot afdelingsvorming en vakdeskundigheid leidt. 10. Noem de organisatiestructuren die ten gevolge van de verticale, horizontale en functionele taakverdelingen ontstaan. 11. Noem de kenmerken van een lijnorganisatie. 12. Teken het blokschema (organigram) van een lijnorganisatie en zet in de blokken om welk soort functies het gaat en zet erbij op welk niveau deze functies uitgevoerd worden. 13. Op welke twee manieren kunnen de nadelen van een lijnorganisatie verkleind worden? 14. Omschrijf hoe een passerelle behoort te functioneren. 15. Noem de kenmerken veen functionele organisatie. 16. Teken het blokschema (organigram) van een functionele organisatie en zet in de blokken om welk soort functies het gaat en zet erbij op welk niveau deze functies uitgevoerd worden. 17. Noem de kenmerken van een lijn-/staforganisatie. 18. Teken het blokschema (organigram) van een lijn-/staforganisatie en zet in de blokken om welk soort functies het gaat en zet erbij op welk niveau deze functies uitgevoerd worden. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 11

12 2.4 Jouw positie in de personeelsstructuur 1. Omschrijf wat men onder een personeelsstructuur verstaat. 2. Wat verstaat men onder capaciteit, time span en capaciteitsniveau van iemand en geef daarvan een voorbeeld. 3. Geef de relatie weer tussen de capaciteit van een persoon en zijn competent zijn. Je mag het ook beschrijven voor capaciteitsniveau en competentieniveau. 4. Motiveer waarom de capaciteit bepaald wordt door de `zwakste schakel in de ketting.' Staat dit in directe relatie met competentieniveau? Motiveer dit. 5. Bij verschil in hoogte van capaciteit verschillen de competentieniveaus en het gedrag van functionarissen. Waaraan kun je dat herkennen aan hun werk en aan hun werkwijze? 6. Je capaciteit, en daarmee je capaciteitsniveau, stijgt met de jaren om vervolgens na een bepaalde leeftijd weer af te nemen. Deze capaciteittoename respectievelijk -afname verloopt volgens een capaciteitslijn. Teken deze lijn voor jezelf en geef aan of er rond je 28 e, 33 e en 41 e levensjaar ook voor deze zogeheten kritische leeftijden in aanmerking komt. Motiveer dit ook. 7. Het capaciteitsniveau wordt ook wel uitgedrukt in oogklepper, heggekijker en helikopterviewer. Leg dit eens uit in relatie met het capaciteitsniveau. Geef er ook een voorbeeld bij. 8. Kun je ook aangeven waar eventuele verschillen kunnen optreden tussen een organisatiestructuur en een personeelsstructuur? 9. Welke mogelijke relaties kunnen er bestaan tussen de functionaris en zijn functie? 10. Omschrijf de kenmerken bij een evenwichtsrelatie tussen een functionaris en zijn functie. 11. Wat kunnen de gevolgen zijn wanneer een functionaris een te hoog functieniveau heeft? Hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan? Hoe kan een dergelijke onwenselijke situatie worden opgelost? 12. Wat kunnen de gevolgen zijn wanneer een functionaris een te laag functieniveau heeft? Hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan? Hoe kan een dergelijke onwenselijke situatie worden opgelost? 13. Welke soorten relaties kunnen er bestaan tussen de functionarissen onderling? 14. Wat is het kenmerkende van een evenwichtsrelatie tussen functionarissen onderling? 15. Waarom kunnen bij evenwichtsrelaties bekwaamheidsbotsingen ontstaan, hoe komen deze tot uiting en hoe kunnen ze opgelost worden? 16. Wat is het kenmerkende van een relatie met één subniveau verschil tussen functionarissen? 17. Wat is het kenmerkende van een relatie met één niveau verschil tussen functionarissen? 18. Wat is het kenmerkende van een relatie met twee niveaus verschil tussen functionarissen? Waarom kan bij deze relatie een communicatiegat ontstaan, hoe komt dit tot uiting en hoe kan dit opgelost worden? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 12

13 2.5 Communicatielijnen 1. Op welke wijze kunnen we autonome functies en autonome afdelingen toch goed met elkaar laten communiceren? Hoe is dit geregeld in het (bedrijfs)autobedrijf waar je werkt? 2. Wat verstaat we bij communicatie onder verticale kortsluiting? 3. In ondernemingen wordt ook gebruik gemaakt van top-down en bottom-up communicatie. Geef van elk een voorbeeld, als het kan van het bedrijf waar je werkt. Dat mag ook van een ander bedrijf zijn of een organisatie waar je lid van bent. 4. Geef een voorbeeld van gewenste en ongewenste informele communicatie, als het kan van het bedrijf waar je werkt. Dat mag ook van een ander bedrijf zijn of een organisatie waar je lid van bent. 5. Op welke wijze is de coördinatie tussen de afdelingen geregeld bij het bedrijf waar je werkt? 6. Geef de definitie van interne communicatie. Dat mag met eigen woorden. 7. Omschrijf wat men verstaat onder formele en informele communicatie. 8. Geef twee voorbeelden van formele communicatie en twee voorbeelden van informele communicatie. 9. Omschrijf het belang van beide communicatievormen in een onderneming. 10. Wat is bij interne en externe communicatie een performance gap? Heb je zoiets wel eens meegemaakt? 11. Welke communicatierol speel jij als (Bedrijfs)autotechnicus in het (bedrijfs)autobedrijf waar je werkt? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 13

14 3. Samenwerken 3.1 Samenwerken in een team 1. Definieer het begrip samenwerken. Dat mag ook in eigen woorden. 2. Mensen gebruiken voor samenwerken ten onrechte diverse betekenissen. Noem er 2 en motiveer waarom dit geen samenwerken is. 3. Spontane samenwerking is niet af te dwingen. De manager moet de voorwaarden scheppen voor succesvol samenwerken. Welke voorwaarden zijn dat? 4. Samenwerken is een competentie die je kunt leren. Noem ten minste 2 indicatoren waaraan je kunt zien (meetbaar gedrag) dat je competent bent in het samenwerken. Motiveer of de competentie samenwerken makkelijk of moeilijk kunt ontwikkelen. 5. Samenwerken kan in twee vormen voorkomen: formeel en informeel. Omschrijf waar het verschil zit in beide vormen van samenwerking. 6. Probeer te beredeneren (deze opdracht mag je met medeleerlingen en/of collega s doen): op welk competentieniveau van samenwerken je nu zit (motivatie bijvoegen), naar welk competentieniveau je moet/wilt groeien (motivatie bijvoegen), wanneer je denkt/hoopt dit te bereiken (motivatie bijvoegen), en wat je ervoor moet doen (motivatie bijvoegen). 7. Het kunnen samenwerken staat niet op zichzelf. Dat kan alleen in combinatie met andere sociale vaardigheden. Noem er ten minste 2 en motiveer de samenhang met de competentie Samenwerken. 8. Het kunnen samenwerken staat niet op zichzelf. Dat kan alleen in combinatie met andere sociale eigenschappen. Noem er ten minste 2 en motiveer de samenhang met de competentie Samenwerken. 9. Competentie samenwerken : Samen met anderen de activiteiten richten op een gemeenschappelijk doel. Het gezamenlijke resultaat op de eerste plaats stellen en zich daarvoor naar beste kunnen inzetten. Een goede onderlinge sfeer bevorderen. Het valt samen met de competentiegebieden communicatie en teamgerichtheid. Communicatie omvat de competenties die betrekking hebben op gedrag dat is gericht op onderlinge interactie en communicatie, persoonlijk optreden en sociale vaardigheden. Met als gedragscriteria: Bereid zijn met anderen samen te werken. Inzien dat samenwerken leidt tot betere prestaties voor het bedrijf als geheel. Uit eigen beweging collega s helpen zonder direct eigenbelang. Iets voor anderen over hebben. Plezierige omgang nastreven. Bij onenigheid en conflicten moeite doen om de relatie open te houden en een goede verstandhouding te bereiken. Het gezamenlijke belang stellen boven het eigenbelang. Zich naar beste kunnen inzetten voor een gemeenschappelijk doel. Geven en nemen in de samenwerking. Op juiste momenten en in juiste mate assertief of aanpassingsbereid zijn. Bereid zijn fouten te erkennen. Biedt anderen hulp aan bij problemen of conflicten en helpt anderen hun doel te bereiken. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 14

15 Komt met voorstellen voor het bereiken van een gezamenlijk resultaat. Doet concessies aan het eigen belang als het gaat om het behalen van een gezamenlijk resultaat. Komt met voorstellen hoe een gezamenlijk resultaat behaald kan worden. Steunt de voorstellen van anderen en bouwt daarop voort om zodoende het gezamenlijke doel te kunnen bereiken. Pakt ideeën van anderen positief op. Stelt het belang van het team boven het eigen belang. Uit zich positief over prestaties van een collega Zet zich in voor de belangen van anderen (de teamleden). Zet zich in voor het bereiken van win/win situaties. a. Onderzoek in hoeverre je je competentieniveau samenwerken hebt ontwikkeld. Gebruik daarbij het competentiediagram (figuur 2.2.1), het octogram (figuur 2.2.4), het kader Competentie Samenwerken en de heirboven genoemde definitie en gedragscriteria van de competentie samenwerken. b. Onderzoek in hoeverre je in staat bent deze competentie verder te ontwikkelen en omschrijf hoe je dat denkt te gaan doen en in welke tijd. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 15

16 3.2 Groepsdynamica 1. Noem competenties die bij groepsbeleving een belangrijke rol spelen. 2. Definieer of omschrijf wat een groep is. 3. Noem de groepen waarvan jij deel uit maakt. 4. Maak een lijstje van waarden en normen die binnen de door jou genoemde groepen gelden? Geef ook aan waar de eventuele verschillen liggen en of je dat voor jezelf acceptabel vindt. 5. Identificeer je je ook met de door jouw aangegeven groepen? 6. Maak je deel uit van een groep waarvan de leden elkaar niet kennen. Of anders: zal dat ooit gebeuren en welke groep(en) dan? 7. Waardoor wordt het wij-gevoel opgewekt/versterkt? 8. Waarin kan het wij-gevoel tot uiting komen? 9. In welke vorm(en) kan het wij-gevoel in bedrijven voorkomen? 10. Wat kan de keerzijde van het wij-gevoel zijn? 11. Op welke wijzen kunnen zich het positieve en negatieve wij-gevoel zich in ondernemingen uiten? 12. Welke relatie bestaat er tussen het wij-gevoel, de identificatie en het loyaliteitsgevoel? Betrek dit met name op de functionarissen van een onderneming. 13. Binnen organisaties komen formele en informele groepen voor. Wat is het verschil tussen beide groepssoorten? Hoe ontstaan deze groepen? Welke functie(s) kunnen deze groepen hebben? 14. Wanneer mensen met elkaar binnen een organisatie samenwerken, duurt het vaak enige tijd voordat ze als team functioneren. Een goed sociaal klimaat binnen de groep is een eerste voorwaarde voor het goed verlopen van een groepsontwikkeling. Het is belangrijk dat er een sfeer van openheid en wederzijds vertrouwen ontstaat waarin niet alleen oppervlakkige zaken, maar ook diepere emotionele gevoelens ingebracht en bespreekbaar gemaakt kunnen worden. Dit is vooral afhankelijk van hoe je met elkaar omgaat. De groepsontwikkeling volgens Tuckman is hierop gebaseerd. Benoem de fasen van deze groepsontwikkeling. Beschrijf wat daar gebeurt. Motiveer waarom de groepsontwikkeling na een goede start afneemt en zich pas daarna kan herontwikkelen. 15. Beschrijf wat er zich in de vormfase (Forming) van de groepsontwikkeling plaatsvindt en waardoor het zich kenmerkt. 16. Beschrijf wat er zich in de stormfase (Storming) van de groepsontwikkeling plaatsvindt en waardoor het zich kenmerkt. 17. Beschrijf wat er zich in de normfase (Norming) van de groepsontwikkeling plaatsvindt en waardoor het zich kenmerkt. 18. Beschrijf wat er zich in de prestatiefase (Performing) van de groepsontwikkeling plaatsvindt en waardoor het zich kenmerkt. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 16

17 19. Beschrijf wat er zich in de afscheidsfase (Adjourning) van de groepsontwikkeling plaatsvindt en waardoor het zich kenmerkt. 20. Als een team gevormd is en er goed wordt samengewerkt, dan moet je dat ergens aan kunnen waarnemen. Geef ten minste 3 succesfactoren (kenmerken) van een succesvol team. Motiveer de gegeven beweringen. 21. Belbin is de grondlegger van het werken met teamrollen en wordt beschouwd als de ontdekker van teamrollen. Hoe heeft hij teamrol gedefinieerd? Je mag dat met eigen woorden omschrijven. Hierin komt ook het begrip gedragspatroon in voor. Licht de betekenis hiervan toe zoals dit in de definitie wordt gebruikt. 22. Motiveer waarom je een rol kiest in een team. 23. Belbin onderscheidt in zijn model acht kenmerkende teamrollen. Noem deze rollen, geef een korte beschrijving van elke rol, inclusief de specifieke kenmerken ervan. Geef ook aan wat de sterktes en zwaktes van de teamrollen zijn. Geef aan welke zwaktes je (on)acceptabel vindt. Er is ook nog de rol van Specialist. Neem de rol ook mee in jouw omschrijving. 24. Inventariseer je eigen (karakter)eigenschappen en vaardigheden (competenties). Het beste is om dit met anderen in een groep te doen. Ga (met elkaar) na welke teamrol(len) volgens Belbin jou (jullie) het beste passen. Ter ondersteuning of ter controle: doe een van de Belbintesten: Volgens de theorie van Belbin zijn er negen teamrollen te identificeren. Daarbij kun je onderscheid maken tussen een functionele, organisatorische en persoonlijke rol. kun je bepalen in welke mate, Onderzoek vanuit je persoonlijkheid welke teamrollen je aanspreken. Doe de test op een van de websites: Als je met een groep de teamrollen duidelijk hebt, zoek dan nu uit of je met elkaar een compleet team zou kunnen vormen. Als er teveel van dezelfde teamrollen zijn, motiveer dan wie de voorkeur op aan het team deel te nemen? Als er een of meer teamrollen ontbreken, motiveer dan of dit tekort onoverkomelijke is en waarom je de ontbrekende teamrol(len) in het team nodig hebt. Dit betekent dat je moet aannemen wat je met het team wilt gaan doen, bijvoorbeeld de werkplaats van een autobedrijf runnen. 27. Opdracht: Hoe kan een teamleider investeren in zijn teams? 28. Opdracht: Moet je een bedrijfsteam dan ook trainen, net als een topvoetbalteam? 29. Opdracht: Waaraan kan een teamleider zien of zijn teams goed functioneren? 30. Opdracht: Als er een onverwacht probleem is, hoe weet je dan of dit te wijten is aan een individu of aan een slecht functionerend team? 31. Opdracht: HRM is nu vooral gericht op de ontwikkeling van individuen. Hoe zou HRM de ontwikkeling van teams en hun leiders meer kunnen ondersteunen? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 17

18 3.3 Coachen 1. Welke competenties en competentiecomponenten moet je kunnen tonen om als coach succesvol te kunnen zijn? Motiveer dit ook. 2. Omschrijf wat coachen inhoudt. Geef ook het verschil aan met leidinggeven. Motiveer of je direct leidinggevende ook jouw coach kan zijn. 3. Geef ten minste 2 situaties waarin coachen succesvol kan zijn. Omschrijf ook wanneer coachen niet succesvol zal zijn. 4. Als coach kun je een coachstijl kiezen die het beste bij jezelf en de coachee past. Benoem de 2 factoren die de keuze in coachstijl bepalen. Geef de 4 mogelijke combinaties van de coachstijlen weer inclusief de bijbehorende kenmerken. 5. Als coach kies je voor de coachstijl Ondersteunen. Motiveer deze keuze en geef de werkwijze aan bij ondersteuning. 6. Als coach kies je voor de coachstijl Overtuigen. Motiveer deze keuze en geef de werkwijze aan bij overtuiging. 7. Als coach kies je voor de coachstijl Delegeren. Motiveer deze keuze en geef de werkwijze aan bij delegeren. 8. Als coach kies je voor de coachstijl Instrueren. Motiveer deze keuze en geef de werkwijze aan bij instrueren. 9. Het coachen krijgt zijn werking door middel van coachgesprekken. Motiveer waarom coachgesprekken al of niet nodig zijn. Als je vindt dat coachgesprekken noodzakelijk zijn, geef dan 4 tips waarmee je rekening voor een succesvolle uitvoering. 10. Het GROW coachmodel kan gebruikt worden zowel door coach als coachee. Het helpt om een coaching gesprek op een efficiënte en gestructureerde manier te laten verlopen. Wat houdt het GROW coachmodel in? Hoe is het GROW coachmodel opgebouwd? 11. Er zijn indicatoren waaraan je als coach kunt toetsen op je coachkwaliteit. Geef ten minste 2 indicatoren inclusief een beknopte toelichting. 12. In hoeverre is de competentie coachen te ontwikkelen? 13. Als coach kun je je collega s motiveren met het creëren van arbeidsomstandigheden die het werkplezier verhogen. Geef ten minste 3 dissatisfiers en 3 satisfiers waarmee je dit kunt bereiken en motiveer waarom je denkt dat dat zo is. 14. Geef met (twee) kernwoorden aan wat arbeidsmotivatie is. 15. Is er verschil tussen arbeidsmotivatie, studiemotivatie, sportmotivatie, enzovoort? Motiveer je gegeven antwoord. 16. Wie was en wat deed de grondlegger van de motivatietheorie? 17. Wanneer treedt een hogere behoeftetrap in werking? 18. Wat zijn primaire levensbehoeften? 19. Waarom is een juiste beloning in de eerste behoeftetrap belangrijk? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 18

19 20. Waarom streeft de mens naar bestaanszekerheid? 21. Op welke manieren kan men zijn bestaanszekerheid veilig stellen? 22. Hoe kan men in ondernemingen (het gevoel van) de bestaanszekerheid vergroten? 23. Waarom heeft men behoefte aan sociaal contact? 24. Welke belangrijke invloed heeft het management bij deze behoeftetrap? 25. Wat houdt de vierde behoeftetrap in? 26. Herken je je hierin? Je mag daarvoor verschillende groepen nemen waarvan jij deel uit maakt: autobedrijf, gezin, school, sportclub, uitgaansleven, enzovoort. 27. Wat is de hoogste motivatietrap? 28. Welke functie heeft participatie hierbij? 29. Welke invloed hebben negatieve en positieve instellingen op de motivatie. Geef van elk een voorbeeld. 30. Op welke wijzen zijn kennis en ervaring te beïnvloeden en welke wijze dragen deze bij tot prestatieverbetering? 31. Op welke wijzen is de bereidheid tot werken te beïnvloeden en welke wijze draag dit bij tot prestatieverbetering? 32. Op welke wijzen is de werkmethode tot werken te beïnvloeden en welke wijze draag dit bij tot prestatieverbetering? 33. En als je de vorige 4 vragen op jezelf betrekt, bijvoorbeeld je leerprestatie of de kwaliteit van de prestatie van je arbeid in het bedrijf, kun je dan aanwijzen waarin je gegroeid bent om tot prestatieverbetering te komen? 34. Competentie coachen : Ondersteuning, waardering en erkenning geven aan medewerkers. Het begeleiden van medewerkers afstemmen op wat ieder individu afzonderlijk nodig heeft. Feedback geven die medewerkers helpt bij het vergroten van hun competenties. Een lage score op coachen kan samen gaan met een lage score op flexibel gedrag en sensitiviteit. Daarnaast is er een relatie met probleemanalyse (het onderzoeken van ontwikkelbehoeften) en plannen en organiseren (voor het opstellen van ontwikkelplannen) en communicatie en luisteren. Met als gedragscriteria: Aandacht besteden aan coaching van medewerkers tijdens het werk. Tijd vrij maken om specifieke ervaringskennis met medewerkers te delen. Medewerkers opdrachten geven waar ze van kunnen leren. Bespreken van fouten en goede prestaties tijdens of na afloop van een opdracht. Op opbouwende manier kritiek geven aan medewerkers. Wijzen op fouten waar medewerkers hun voordeel mee kunnen doen. Oog hebben voor de ontwikkelingsbehoeften van medewerkers. Maatgesneden ontwikkelingsplannen voor medewerkers opstellen voor de korte en lange termijn en deze in een loopbaanperspectief plaatsen. Onderzoekt de ontwikkelbehoeften van medewerkers of laat dit onderzoeken. Spreekt regelmatig met medewerkers over hun functioneren of competentieontwikkeling en onderzoekt in hoeverre bepaald gedrag effectiever kan worden vertoond. Stelt voor elke medewerker een ontwikkelplan op waarin wordt aangegeven welke ontwikkelactiviteit wanneer wordt ondernomen Spreekt met medewerkers, die bepaalde opleidingen of trainingen volgen of hebben gevolgd, over de behaalde leerresultaten en de toepassingsplannen. Checkt na een gevolgde opleiding in hoeverre de medewerker daadwerkelijk ander of Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 19

20 nieuw gedrag is gaan vertonen. Spreekt dit met de medewerker door. Integreert ontwikkelen van talent in het dagelijkse leidinggeven, door medewerkers aan te spreken op ineffectief gedrag (bijvoorbeeld volgens het S-T-A-R model). Geeft medewerkers ruimte om met eigen ideeën en voorstellen te komen en stimuleert en ondersteunt eigen initiatieven; Stimuleert de medewerker bij het zelf zoeken en vinden van oplossingen voor knelpunten. Spreekt medewerkers aan op behaalde resultaten en op de wijze van functioneren: geeft feedback over sterke en zwakke punten. Verdiept zich in beleving en wensen van de medewerker en komt indien noodzakelijk op voor behoeften van de medewerker. Spreekt vertrouwen uit in de mogelijkheden van het individu. Creëert een vertrouwensband met de medewerker. Adviseert medewerkers objectief over loopbaanmogelijkheden en overlegt regelmatig over mogelijkheden en wensen. a. Onderzoek in hoeverre je je competentieniveau coachen hebt ontwikkeld. Gebruik daarbij het competentiediagram (figuur 2.2.1), het octogram (figuur 2.2.4), het kader Competentie Coachen en de heirboven genoemde definitie en gedragscriteria van de competentie coachen. b. Onderzoek in hoeverre je in staat bent deze competentie verder te ontwikkelen en omschrijf hoe je dat denkt te gaan doen en in welke tijd. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 20

21 3.4 Conflicten oplossen 1. Omschrijf (definieer) wat er onder conflict verstaan wordt. 2. Geef ten minste twee aspecten waaraan personeelsproblemen te herkennen zijn en motiveer waarom dit zo is. 3. Meningsverschillen zijn eigen aan menselijke communicatie, desondanks leiden ze meestal tot conflicten. Vooral intense negatieve emoties belemmeren de mogelijkheid tot differentiëren. Voor mensen met weinig eigenwaarde is erkenning essentieel. Men wil met alle geweld vasthouden aan de eigen mening en staat niet open voor die van de ander. Erkenning van elkaars mening kan de oplossing van het probleem soms al acceptabeler maken. Het beschikken over voldoende competentieniveau in conflicthantering kan in dergelijke situaties waardevol zijn, niet alleen om conflicten tot een goede oplossing te brengen, maar vooral ook om meningsverschillen in een vroeg stadium te onderkennen en te hanteren voordat escaleren tot een conflict. Er zijn indicatoren waaraan je kunt herkennen of je in staat bent (voldoende competent bent) om conflicten te voorkomen dan wel op te lossen. Geef voor conflicthantering ten minste 2 gedragsindicatoren en licht toe waarom deze essentieel zijn voor conflicthantering. 4. In hoeverre is de competentie conflicthantering te ontwikkelen? 5. Hoe ga je om met irritaties op het werk? Hoe benader je collega's waarmee je in conflict bent? Reageer je adequaat, of zijn er aspecten waarop je het beter zou kunnen doen? Met de conflicthanteringstest kun je je manier van conflicthantering in kaart. Zie: 6. Noem ten minste twee soorten oorzaken van conflicten en omschrijf wat je ermee bedoelt. 7. Probeer te omschrijven hoe je zou omgaan met conflicten. Noem daarna een conflict wat je je misschien nog herinnert en motiveer hoe je hiermee bent omgegaan en hoe je dat nu zou doen. 8. Noem ten minste twee soorten gedragspatronen die mensen bij een conflict aan de dag kunnen leggen. Afhankelijk van de zwaarte van het probleem, of de energie die je ervoor over hebt, kun je bij conflicten en ruzies de volgende gedragspatronen laten zien: elkaar ontlopen; je aanpassen; problemen vermijden of je terugtrekken; de dingen toedekken; geforceerd een compromis zoeken; vechten; samenwerken; onderhandelen. 9. Vind je dat er verschil is tussen conflict en ruzie? Motiveer je antwoord. 10. Je hebt kunnen zien dat conflictsituaties snel kunnen ontstaan. En dat het belangrijk is communicatie(problemen) aan de orde te stellen. Maar: niet ieder conflict of iedere vorm van communicatie is hetzelfde. Zo zijn er verschillende fasen in conflictsituaties aan te geven, die elk eigen kenmerken hebben. Probeer met behulp van Internetinformatie te ontdekken bij conflictfase een conflict overgaat in ruzie. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 21

22 11. Welke wapens kun je gebruiken als je een conflict met een collega hebt? Welke wapens gebruik jij? Voor welke valkuilen ben je bang? En welke manieren kun je wel goed de baas bij de ander? 12. Conflicten zijn op te lossen door bepaalde benaderingswijzen. Noem er twee en licht ze toe. Waar gaat jouw voorkeur naar uit? Motiveer dat. 13. Noem ten minste twee positieve effecten en twee negatieve die een conflict of ruzie teweeg kunnen brengen. 14. Competentie conflicthantering : Op een diplomatiek wijze omgaan met belangentegenstellingen en deze helpen oplossen. Met als gedragscriteria: Conflicten moedig tegemoet treden. Bij conflicten zoeken naar win-win oplossingen, maar soms je verlies pakken. Conflicten niet doen escaleren. Bij conflicten vinden van win-win oplossingen. De angel uit een conflict halen. Schat de reikwijdte van het conflict goed in. Onderkent complexe belangen en onuitgesproken meningen. Onderzoekt wat de redenen en achtergronden van een conflict zijn. Heeft verschillende strategieën voorhanden om spanningen te doen verminderen. Overbrugt tegengestelde meningen door te zoeken naar een of meerdere gemeenschappelijke noemers. Schat de machtsverhoudingen in een team of groep goed in. a. Onderzoek in hoeverre je je competentieniveau resultaatgerichtheid hebt ontwikkeld. Gebruik daarbij het competentiediagram (figuur 2.2.1), het octogram (figuur 2.2.4), het kader Competentie Resultaatgerichtheid en de heirboven genoemde definitie en gedragscriteria van de competentie resultaatgerichtheid. b. Onderzoek in hoeverre je in staat bent deze competentie verder te ontwikkelen en omschrijf hoe je dat denkt te gaan doen en in welke tijd. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 22

23 3.5 Omgaan met kritiek 1. Kun je vertellen waarom mensen het krijgen van kritiek (jij misschien ook wel) als bedreigend kunnen ervaren? En dat mensen het geven van kritiek (jij misschien ook wel) ook lastig kunnen vinden? 2. Definieer of omschrijf met eigen woorden wat je onder kritiek verstaat. 3. Noem de vormen van kritiek en omschrijf wat je daaronder verstaat. 4. Op welke wijze geef je constructieve kritiek? Geef ten minste 4 punten. 5. Op welke wijze kun je omgaan met kritiek? Omschrijf ten minste 2 mogelijkheden. 6. Effectieve kritiek heeft drie peilers. Opdracht. Probeer uit de tot nu toe opgedane kennis (en ervaring) de 3 pijlers te halen die de basis zijn voor effectieve kritiek. 7. Kritiek geven gaat een stuk makkelijker als je weet waarover je het wilt hebben en wat je wilt bereiken. Dat betekent dat je eerst bij jezelf te rade moet gaan. Wat is het precies waar je kritiek op hebt? Waar stoor je je aan? Welk effect heeft het gedrag van je gesprekspartner op jouw functioneren? Welke voorbeelden kun je noemen? Als je het antwoord scherp hebt, probeer je de kritiek zó te brengen dat je gesprekspartner hem begrijpt. In heldere bewoordingen, neutraal geformuleerd zonder beschuldigingen. Opdracht. Hoe geef je effectief kritiek en welke regels pas je toe voor het geven van kritiek? Geef ook enkele tips. 8. Wie kritiek krijgt, heeft de neiging in de verdediging te gaan. Jammer. Wie kritiek ziet als een kans om zijn prestaties te verbeteren, doet er juist zijn voordeel mee. Opdracht: Hoe stel je je open voor kritiek en welke regels pas je toe voor het ontvangen van kritiek? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 23

24 4. Communicatie in de organisatie 4.1 Communicatie algemeen 1. Wat is communiceren (je mag het definiëren of met eigen woorden omschrijven) en waarom doen we dat eigenlijk? 2. Teken het communicatiemodel van Shannon en Weaver en beschrijf de werking van het communicatieproces. 3. Welke eisen stelt communicatie aan de zender? 4. Noem ten minste twee oorzaken van een gebrekkige/onvolledige codering ten aanzien van de ontvanger. 5. Welke rol speelt het referentiekader van de ontvanger voor de zender? 6. Noem ten minste twee oorzaken van een gebrekkige/onvolledige boodschap ten aanzien van de ontvanger. 7. Noem een voorbeeld waarbij het overdrachtsmedium goed gekozen is en een voorbeeld waarbij dit niet het geval is. 8. De communicatie moet op de informatiebehoefte van de ontvanger afgestemd zijn. Wat houdt dit in en welke rol speelt de informatiehoeveelheid hierin? 9. Op welke twee niveaus kunnen boodschappen betrekking hebben. Noem een voorbeeld wanneer slechts op een van beide niveaus gecommuniceerd wordt en een voorbeeld wanneer op beide niveaus tegelijkertijd gecommuniceerd wordt. 10. Noem enkele soorten kanalen via welke boodschappen verzonden kunnen worden. Kanalen via welke boodschappen verzonden kunnen worden: intercom, Internet, , (mobiele) telefoon, sociale media (Twitter, Facebook, YouTube), brief, omroepinstallatie. 11. Noem ten minste twee invloeden die de kanaalkeuze op het communicatieproces heeft. 12. Wat verstaat men bij communicatie onder externe en interne ruis? Geef van ieder twee voorbeelden. 13. De boodschap kan door externe ruis, interne ruis en interpretatieverschillen niet correct ontvangen worden. Verklaar in alle drie de gevallen hoe dat komt. 14. Feed back geven is een wezenlijk onderdeel van communicatie. a. Wat is feed back? b. Motiveer waarom feed back zowel positief als negatief kan zijn. c. Motiveer waarom negatieve feed back geven moei lijk is. 15. Succesvolle communicatie ontstaat als het verschil tussen wat door de zender wordt bedoeld en wat de ontvanger interpreteert zo klein mogelijk is. Welke communicatiefouten moet je daarvoor vermijden? Motiveer je gegeven antwoorden. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 24

25 4.2 Non-verbale communicatie 1. Een belangrijk onderscheid in communicatie is de verbale en non-verbale communicatie. a. Omschrijf wat beide communicatievormen inhouden. b. Waarom is de rol van lichaamstaal in verhouding zo groot? c. Kunnen beide vormen onafhankelijk van elkaar voorkomen? Motiveer je antwoord en ondersteun het met voorbeelden. d. Noem ten minste 2 voorbeeld van verbale communicatie. e. Noem ten minste 2 voorbeelden van non-verbale communicatie. 2. Non-verbale communicatie is een ruimer begrip dan non-verbaal gedrag of lichaamstaal in engere zin, waar het meestal toe gereduceerd wordt. Zo is er ook communicatie zonder lichaamstaal en zonder woorden, maar met bijvoorbeeld tekens of symbolen. Dit wordt bestudeerd door de semiotiek (het gebruik van tekens en tekensystemen) en mag ook tot de non-verbale communicatie gerekend worden. Ook stemtaal en paralinguïstiek (spraakklanken) vallen onder non-verbale communicatie. Probeer een indeling te maken waarbij gekeken wordt of de boodschap met of zonder gebruik van woorden (verbaal/non-verbaal) plaatsvindt. 3. Noem ten minste vier communicatiemethoden bij non-verbale communicatie. 4. Kun je een verklaring geven waarom het aandeel non-verbale communicatie een veel grotere rol speelt dan de verbale communicatie? 5. Waarom zal het non-verbale aandeel bij communicatie op betrekkingsniveau nog groter worden? 6. Wat is het belang van het kennen van lichaamstaal? 7. Wat is het verschil of de overeenkomst tussen non-verbale communicatie en lichaamscommunicatie? 8. Maak door middel van een voorbeeld de betrouwbaarheidswaarde van lichaamstaal duidelijk. 9. Waarom is lichaamstaal situatie-afhankelijk, persoonsgebonden en cultuurgebonden? Geef van elk een voorbeeld. 10. Wat verstaat men bij lichaamstaal onder embleemgedrag? Geef hiervan ten minste twee voorbeelden. 11. Noem ten minste vier vormen waaruit lichamelijk contact bestaat. 12. Kun je aanraken ook als managementinstrument gebruiken? 13. Noem twee voorbeelden waarbij de nabijheid een rol speelt bij de persoonlijkheid en interactie en hoe afstand een gesprek kan reguleren. 14. Welke positie van de gesprekspartners ten opzichte van elkaar kun je bij een sollicitatiegesprek voorstellen? Kun je het aannemelijk maken? 15. Hoe zal je lichaamshouding zijn als je iemand graag mag en hoe als er sprake is van hiërarchische verschillen? 16. Als je geëmotioneerd bent, hoe zal je lichaamshouding dan zijn? 17. Welke invloed heeft lichaamshouding op de eerste indruk van iemand? 18. Met welke lichaamshouding kun je respect en belangstelling weergeven? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 25

26 19. Noem ten minste vier soorten gebaren als communicatiemiddel. 20. Noem ten minste vier universele gezichtsuitdrukkingen. 21. Een gelaatsexpressie, gelaatsuitdrukking of een gezichtsuitdrukking is het gevolg van de samentrekking bepaalde gelaatsspieren en wordt beschouwd als een van de vormen van nietverbale expressies van emoties. Motiveer waarom gezichtsuitdrukkingen een belangrijk onderdeel in de communicatie is. 22. Noem twee voorbeelden waarbij de stand van het hoofd een bepaalde communicatie uitstraalt. 23. Noem van knikken en schudden een voorbeeld welke invloed deze hoofdbewegingen bij een gesprek hebben. 24. Waarom heeft oogcontact evenals afstand een regulatie op het gespreksverloop? 25. Op welke manieren kunnen we onze stem bij non-verbale communicatie inzetten? Maak dat in twee voorbeelden duidelijk. 26. Communicatie bestaat voor een belangrijk deel uit lichaamstaal, al ben je hier niet altijd van bewust. Waardoor kun je de kracht van lichaamstaal (beter) eigen maken? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 26

27 4.3 Communicatietechnieken 1. Noem ten minste 4 communicatietechnieken die je (ook) in je functie gebruikt en noem ten minste 4 omstandigheden waarop je de genoemde communicatietechnieken kunt inzetten. 2. Actief luisteren heeft bij een tweerichtingsgesprek twee kanten: a. Als zender van je boodschap probeer je de aandacht van de ontvanger te trekken en vast te houden. Noem ten minste 2 mogelijkheden die je als zender kunt inzetten waardoor er aandachtiger naar je wordt geluisterd. Motiveer de gegeven antwoorden. b. Als toehoorder probeer je zelf je aandacht erbij te houden en probeer je de ander de ruimte te geven om zijn verhaal goed te kunnen doen. Noem ten minste 2 mogelijkheden die je als ontvanger kunt benutten voor een betere luisterkwaliteit. Motiveer de gegeven antwoorden. 3. Hoe kun je aan de lichaamstaal van de ontvanger zien dat hij/zij naar je luistert? Geef ten minste 3 vormen van lichaamstaal die op aandachtig luisteren betrekking hebben. Geef een toelichting bij de gegeven vormen van lichaamstaal. 4. Hoe kun je verbaal laten merken dat je naar de zender luistert? Geef er ten minste 2 mogelijkheden van en licht ze toe. 5. Doorvragen is een speciale vorm van goede vragen stellen. Met doorvragen bereik je veel in een gesprek. Je kunt vaagheden helder maken, hoofd- en bijzaken scheiden in het antwoord of tegenstrijdigheden oplossen. Noem ten minste 3 mogelijkheden van doorvragen c.q. doorvraagtechnieken. 6. Speur in het gesprek naar aanknopingspunten om door te vragen. Wees alert op vaagheden, subjectieve uitlatingen, aannames, algemene waarheden, zinnen met 'moeten' of 'kunnen'. Deze taalpatronen verhullen vaak waardevolle informatie. Let op wat de ander zegt en op wat hij niet zegt. Zo krijg je meer informatie los. Kun je een voorbeeld noemen waarbij dit het geval is? 7. Als luisteraar kun je de samenvattingstechniek op de boodschap van de zender toepassen. Noem ten minste 2 zaken die je hiermee kunt bereiken. 8. Als luisteraar kun je gemakkelijk fouten maken in het samenvatten van de boodschap van de zender. Noem ten minste 2 valkuilen waarbij je bij de samenvattingstechniek in de fout kunt gaan. Licht de gegeven antwoorden toe. 9. Mensen leren pas iets tijdens het werk als ze gestimuleerd worden na te denken over wat ze gedaan of gezegd hebben. Onbewust flappen mensen er van alles uit. Vaak zijn uitspraken die puur vanuit het gevoel of intuïtie komen heel erg waardevol. Als je die niet spiegelt, vervliegt belangrijke informatie weer. Vat samen in nieuwe woorden. Doordat de ander zijn eigen woorden iets anders terug hoort, denkt hij dieper na en ontdekt hij nieuwe inzichten over zichzelf. Stel dat een collega met een verbeten kop uit een vergadering komt, zijn schrijfblok op tafel gooit en verzucht: Waarom vragen ze me eerst die offerte op te stellen op basis van honderd manuren, dan trekken ze het naar tachtig en nu denken ze dat de klant wel ruimte heeft voor honderdtwintig. En dan zeggen ze dat ik tevoren met Klaas had moeten overleggen omdat hij die klant beter kent. Waarom geven ze die klus dan aan mij? Bedenk een samenvattingsvraag die als effectieve reflectievraag kan scoren. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 27

28 10. Natuurlijk is het niet de bedoeling dat je met reflectievragen een waardeoordeel uitspreekt over de gevoelens van de zender; het gaat erom dat je begrip toont. Als je reflectievragen effectief stelt, geef dan ten minste 2 voordelen die je ermee kunt bereiken. 11. Reflecteren is een belangrijke competentie, en vooral een veelgebruikte term. Wat houdt reflecteren in? 12. Probeer 3 vormen van reflectie te onderscheiden. Maak daarbij gebruik van het Internet. 13. Jezelf leren reflecteren kan d.m.v. een systematische en methodische aanpak met het zogeheten STARR-model: Situatie, Taak, Actie, Resultaat, Reflectie. Omschrijf hoe dit gaat. 14. Wat is het verschil tussen reflecteren en evalueren en in welke relatie staan ze tot elkaar? 15. Omschrijf het verschil tussen reflectie en zelfreflectie. 16. Terwijl je luistert, ben je voortdurend aan het interpreteren: je probeert de informatie van je gesprekspartner te ordenen, je probeert samenhang te ontdekken tussen bepaalde gegevens en je zoekt naar verklaringen voor bepaalde uitspraken. Motiveer waarom de waarneming aan de interpretatie vooraf moet gaan en wat er anders verkeerd kan gaan. 17. De trechtertechniek, als onderdeel van de vraagtechniek, kun je toepassen bij verkoopgesprekken, klachtafhandeling, telefonische communicatie, verkeer, enzovoort. 18. Om goede vragen te kunnen stellen, moet je diverse competenties van een zeker competentieniveau kunnen tonen. Noem ten minste 3 competenties en motiveer waarom je deze bij vraagstelling denkt nodig te hebben en van welk competentieniveau. 19. Vragen stellen doe je om iets te weten te komen. Het is echter de kunst om de vraag dusdanig te formuleren dat de ander de vraag begrijpt en er een bevredigend antwoord op volgt. Je stelt vragen met een bepaald doel. Noem ten minste 2 motieven met welk doel je vragen stelt. 20. Geef de volgorde om tot een goede vraagstelling te komen. 21. Voor het formuleren van een goede vraag is een doelstelling nodig. Waarom is een doelstelling nodig en waarom moet deze SMART-gerelateerd zijn? 22. Er zijn allerlei soorten vragen die je kunt stellen, bijvoorbeeld open en gesloten vragen. Geef een omschrijving van beide vraagsoorten en geef er een voorbeeld bij. Geef ook aan wanneer je de voorkeur hebt voor open vragen en wanneer voor gesloten vragen. 23. Waarom staat ook in het rijtje van de vragende voornaamwoorden waarmee je een open vraag kunt laten beginnen. Maar waarom kan waarom toch een gesloten vraag inhouden? Geef er een voorbeeld van. 24. Goede open vragen kenmerken zich vanwege bepaalde criteria. Noem ten minste 2 criteria en geef er een omschrijving van. 25. Als je een klant onderhoud aan zijn auto probeert te verkopen en hij vertoont vluchtgedrag, hoe zou je dit dan d.m.v. een vraagtechniek kunnen aanpakken om de klant toch over de streep te trekken? 26. Wat is doorvragen voor een soort vraagtechniek en wat kun je ermee bereiken? 27. Bij doorvragen kun je in een valkuil stappen. Wat houdt dit in en geef er een voorbeeld van. 28. Wanneer doorvragen voldoende informatie heeft opgeleverd, volgen er volgens het trechtermodel nog twee stappen om helder te krijgen wat de spreker precies bedoelde. Noem deze stappen en licht ze toe. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 28

29 29. Tevreden klanten krijg je niet zomaar. Naast een goed product is met name de manier waarop je met klanten communiceert cruciaal in het verschil tussen tevreden en ontevreden klanten. De kunst van vragen stellen ligt besloten in de LSD-formule: Luisteren, Samenvatten en Doorvragen. Licht de LSD-formule toe voor een situatie waarin je met de klant het probleem aan zijn auto doorneemt. 30. Een belscript is een handig hulpmiddel om bijvoorbeeld telefonische contacten met klanten mee te doen. Het geeft houvast. Maar dat is ook meteen het grootste nadeel. Te veel houvast, te veel structuur en te veel script komt gemaakt en krampachtig over. Terwijl een natuurlijk en spontaan gesprek juist talloze wendingen zal nemen. Hoewel ervaren collega s het veelal zonder belscripts afkunnen, zijn ze echter wel altijd ontzettend nuttig om een klantverhaal goed uit te denken. Het helpt om helder in kaart te brengen wat mogelijke tegenwerpingen kunnen zijn en daarmee kun je het trechtermodel (elevator pitch) aanscherpen. Door een script te oefenen op proefpersonen leer je al doende vooral je eigen boodschap goed te communiceren. En dat is toch wel het allerbelangrijkste in een klantgesprek. Probeer een belscript te maken zoals hierboven is bedoeld. 31. Competentie luisteren : Belangrijke boodschappen oppikken uit mondelinge communicatie. Aandacht en ruimte geven aan gesprekspartners. Een lage score op luisteren gaat veelal samen met een lage score op probleemanalyse, sensitiviteit en mondelinge presentatie. Slecht luisteren kan bijvoorbeeld leiden tot een gebrekkige probleemanalyse en mondelinge presentatie. Ook te weinig sensitiviteit gaat vaak samen met slecht luisteren: hier ligt een relatie met leidinggeven, ontwikkelen van medewerkers, impact en samenwerken. Bij veel competenties die zwak ontwikkeld zijn is het verstandig om na te gaan of slecht luisteren hier de oorzaak van is. Met als gedragscriteria: Laten uitpraten: Iemand laten uitpraten. Niet onnodig onderbreken. Aandacht geven: Met aandacht luisteren en dit in houding en gelaatsuitdrukking laten blijken. Samenvatten: Laten blijken wat is gezegd goed begrepen te hebben, bijvoorbeeld door geregeld het gehoorde samen te vatten. Doorvragen: Actief doorvragen bij onduidelijke informatie. Ingaan op wat wordt gezegd. Niet genoegen nemen met vage informatie. Signalen oppikken: Ook niet-verbale signalen oppikken en verwerken. Vraagt door op gegeven informatie. Vraagt opheldering, reden of oorzaak als wat de ander zegt niet duidelijk is. Geeft door gedrag en houding blijk van interesse voor wat de gesprekspartners inbrengen. Geeft anderen de ruimte om een mening of idee in te brengen. Laat de ander uitspreken en pauzeert als een ander wil interrumperen. Geeft een goede samenvatting van wat is gezegd. Toetst of hij begrijpt wat de ander zegt. Komt terug op wat eerder in het gesprek door anderen is gezegd. Geeft door gedrag en houding blijk van interesse in wat de gesprekspartners inbrengen. Reageert op lichaamstaal en verbale signalen met relevante vragen. a. Onderzoek in hoeverre je je competentieniveau luisteren hebt ontwikkeld. Gebruik daarbij het competentiediagram (figuur 2.2.1), het octogram (figuur 2.2.4), het kader Competentie Luisteren en de heirboven genoemde definitie en gedragscriteria van de competentie luisteren. b. Onderzoek in hoeverre je in staat bent deze competentie verder te ontwikkelen en omschrijf hoe je dat denkt te gaan doen en in welke tijd. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 29

30 4.4 Schriftelijke communicatie 1. Voor schriftelijke communicatie kun je allerlei communicatiemiddelen gebruiken. Noem ten minste 3 vormen van schriftelijke communicatie en omschrijf daarbij waarvoor ze zijn in te zetten. 2. Schriftelijke communicatie heeft voordelige en nadelige kenmerken t.o.v. mondelinge communicatie. Noem 2 voordelige en 2 nadelige kenmerken en motiveer waarom dit zo is. 3. Omschrijf van jezelf in hoeverre je de schriftelijke competentie beheerst: de competentiecomponenten en het competentieniveau. Geef ook aan waarin je nog moet groeien. 4. Schriftelijk rapporten hebben specifieke voordelige en nadelige kenmerken. Noem ten minste 2 van deze kenmerken. 5. Noem de drie te onderscheiden functies die een rapport kan hebben en omschrijf het specifieke belang van iedere functie. 6. Wat moet je doen voordat je begint met het schrijven van een rapport? Motiveer je gegeven aandachtspunten. 7. Ieder rapport bevat een aantal standaard onderdelen. Geef een lijstje van een gebruikelijke indeling van een van rapport. Omschrijf van alle gegeven onderdelen de functie(s). 8. Als rapportschrijver is het van belang dat je let op je taalgebruik. De inhoud kan nog zo interessant zijn, maar als je onsamenhangend en slordig schrijft, begrijpt niemand je rapport, laat staan dat iemand het helemaal uitleest. Noem ten minste 3 eisen die aan dit taalgebruik gesteld worden. 9. Competentie scgriftelijke communicatie : Het duidelijk, vloeiend, correct en to the point schriftelijk communiceren op een manier die de aandacht vasthoudt. Met als gedragscriteria: Gebruikt correct taalgebruik (spelling, grammatica en/of stijl) in brieven, notities, mailberichten, et cetera. Schrijft teksten met een duidelijke opbouw (bijvoorbeeld; inleiding uitwerking en conclusie): formuleert helder, beknopt en relevant. Gebruikt in teksten korte en duidelijke zinnen, heeft weinig woorden nodig om iets duidelijk te maken. Gebruikt woorden die te begrijpen zijn voor de lezer. Legt afkortingen en vaktermen uit in een tekst. Gebruikt in een tekst voorbeelden, metaforen en figuren om iets te verduidelijken. Gebruikt in een tekst leestekens, zoals komma s, opsommingstek en kopjes, om de leesbaarheid te vergroten. Teksten zijn logisch opgebouwd en hebben een goede structuur. Legt ingewikkelde zaken goed uit, desnoods op verschillende manieren of geeft voorbeelden ter verduidelijking. Formuleert een voorstel of besluit helder en compleet. Schrijft een beknopt, helder en relevant gespreksverslag. a. Onderzoek in hoeverre je je competentieniveau schriftelijke communicatie hebt ontwikkeld. Gebruik daarbij het competentiediagram (figuur 2.2.1), het octogram (figuur 2.2.4), het kader Competentie Schriftelijke communicatie en de heirboven genoemde definitie en gedragscriteria van de competentie schriftelijke communicatie. b. Onderzoek in hoeverre je in staat bent deze competentie verder te ontwikkelen en omschrijf hoe je dat denkt te gaan doen en in welke tijd. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 30

31 4.5 Mondelinge communicatie 1. Functionerings- en beoordelingsgesprekken hebben gezamenlijke doelen, maar er zijn ook wezenlijke verschillen tussen beide communicatievormen. Noem 2 gezamenlijke doelen en 3 verschillen. Licht je antwoorden toe. 2. Het invoeren van gesprekken als instrument a. Met welke actiepunten moeten we rekening houden als we functionerings- en beoordelingsgesprekken gaan invoeren. Motiveer waarom deze actiepunten belangrijk zijn. b. Wat is de reden dat er van iedere werknemer een functiebeschrijving aanwezig moet zijn? 3. Functioneringsgesprek a. Omschrijf wat een functioneringsgesprek is en welke onderwerpen daarbij aan de orde behoren te komen. b. Noem ten minste twee kenmerken van een functioneringsgesprek. c. Wat is het doel van het functioneringsgesprek? d. Hoe ziet de opbouw van een gestructureerd functioneringsgesprek er uit? 4. Noem ten minste vier voordelen van werkoverleg dat regelmatig gehouden wordt. 5. Invoeren van werkoverleg a. Welke participatieniveau bestaan er, wat houden ze in en waarom is het van belang om binnen werkoverleg hiermee op juiste wijze om te gaan? b. Welke rol speelt de leidinggevende bij het opstarten van werkoverleg? 6. Met welke aspecten heeft de leidinggevende te maken bij het voorbereiden van werkoverleg? Motiveer de antwoorden. 7. Geef globaal weer wat de spelregels van werkoverleg zijn. 8. Onderwerpen van werkoverleg a. Noem ten minste twee onderwerpen die bij werkoverleg aan de orde kunnen komen. b. Voor welk soort onderwerpen is werkoverleg niet bedoeld? Waar horen de genoemde onderwerpen dan wel thuis? 9. Noem ten minste drie hulpmiddelen die ingezet kunnen worden bij informeren en overleg en geef de mogelijkheden en eventueel de onmogelijkheden ervan weer. 10. Beoordelingsgesprek a. Omschrijf wat een beoordelingsgesprek is en welke onderwerpen daarbij aan de orde behoren te komen. b. Wat is het doel van het beoordelingsgesprek? c. Hoe ziet de opbouw van het beoordelingsgesprek er uit? 11. Om in het gesprek houvast te hebben, maken jullie gebruik van een beoordelingsformulier als handleiding en voor een directe verslaglegging. Zo heb jij ook een structuur voor en een verslag van het gesprek. Maak een beoordeling m.b.v. het beoordelingsformulier van tabel Je mag een zelfbeoordeling maken, maar dat mag ook van een collega of een medestudent. Het mooiste is dat je direct leidinggevende dat ook van je doet. De verschillen kunnen besproken worden en er kan wat mee worden gedaan (training, POP, e.d.). Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 31

32 5. Werkplaatsadministratie 5.1 Werkorder 1. Werkorder: a. Wat is een werkorder? b. Wat is het doel van werkorders? c. Welke effecten zijn met werkorders te verwezenlijken? 2. Omschrijf (beknopt) het geautomatiseerd aanmaken van een werkorder. 3. Omschrijf de uitvoering van de geautomatiseerde werkorder. 4. Omschrijf het afsluiten van de geautomatiseerde werkorder nadat de Motorvoertuigtechnicus zijn werkzaamheden heeft afgesloten. 5. Maak duidelijk dat zowel onder- als overorganisatie van de werkplaatsadministratie tot rendementsdaling leidt. 6. Werkorder a. Hoe maakt men van een werkorder een factuur? b. Wie vult een werkorder in? c. Wat zijn de voordelen van directe facturering? d. Wanneer is er sprake van wettelijke bescherming door middel van een werkorder? e. Uit hoeveel delen bestaat een werkorder met directe facturering? f. Voor wie zijn de afzonderlijke delen bestemd? 7. Routing werkorder a. Teken de routing volgens de meest efficiënte methode. b. Via welke medewerkers van het bedrijf gaan de delen van de werkorder (één of meer delen) volgens deze methode? 8. Notaties en doel werkorder a. Noteer acht belangrijke gegevens die op een werkorder genoteerd moeten worden. b. Wat is in algemene zin het doel van de diverse noteringen op een werkorder? c. Waarom is het vermelden van de juiste kilometerstand op de werkorder belangrijk? d. Wat is het doel van het vermelden van de gewerkte uren van de autotechnicus op de werkorder? e. Wat is het doel van een interne werkorder? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 32

33 5.2 Inspectierapport 1. Wat is het doel van inspectierapporten? 2. Waarom hanteert een autotechnicus in de werkplaats ook wel inspectierapporten? 3. Welke functie(s) kunnen inspectierapporten voor klanten hebben? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 33

34 6. Documentatie 6.1 Werkplaatsdocumentatie 1. a. Noem ten minste drie bronnen van technische documentatie van de werkplaats. b. Omschrijf wat een werkplaatshandboek is. c. Op welke wijzen worden werkplaatshandboeken geüpdatet? d. Wat is het doel van een werkplaatshandboek? e. Omschrijf hoe er met werkplaatshandboeken gewerkt behoort te worden. f. Motiveer wanneer de voorkeur uitgaat naar een origineel werkplaatshandboek of naar een universeel werkplaatshandboek. g. Motiveer wanneer de voorkeur uitgaat naar een werkplaatshandboek of naar een databank. h. Welke functie hebben vaktijdschriften en studieboeken in de werkplaats van een motorvoertuigbedrijf? 2. Kwaliteitsdocumentatie a. Waaruit bestaat het op schrift gestelde kwaliteitssysteem? b. Waarom is het handboek kwaliteitsborging de top van de documentatiepyramide? c. Wat bevat dit handboek? d. Wat is een procedurehandboek? e. Hoe zou een werkinstructiehandboek eruit moeten zien? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 34

35 7. Wetten en verzekeringen 7.1 Arbeidsovereenkomst 1. Welke drie voorwaarden zijn er volgens het Burgerlijk Wetboek wil er sprake zijn van een geldige arbeidsovereenkomst? 2. Definieer wat een arbeidsovereenkomst is en geef daarbij aan wat het doel ervan is. Dit mag je met eigen woorden omschrijven. 3. Een arbeidsovereenkomst mag je zowel mondeling als schriftelijk afsluiten. Waarom is het beter om dit schriftelijk te doen? 4. Als je jonger bent dan 16 jaar, mag je dan een arbeidsoverkomst afsluiten? Als er voorwaarden zijn, welke zijn dat dan? 5. De duur van een arbeidsovereenkomst kan tijdelijk (voor bepaalde tijd) zijn of vast (voor onbepaalde tijd. Wat is het verschil tussen beide contractvormen en hoe is de beëindiging van beide contractvormen geregeld? 6. Noem ten minste 5 zaken die in een arbeidscontract geregeld (kunnen) zijn. 7. Probeer het volgende uit te zoeken: Jij en jouw werkgever hebben verzuimd een arbeidsovereenkomst af te sluiten. Ben je dan helemaal rechteloos wat betreft ontslag, werknemersverzekeringen e.d.? 8. Probeer uit te zoeken: Wat je kan doen als je een meningsverschil met je werkgever hebt. 9. Probeer uit te zoeken: Waaraan jouw werkgever zich moet houden bij een arbeidsovereenkomst. 10. Probeer uit te zoeken: Waar je wetten, officiële regelingen en verdragen kunt vinden. 11. Voordat je begint met je stage is het belangrijk dat je je stageovereenkomst hebt ondertekend. Hierin staan al je rechten en plichten als stagiair vastgelegd. Je kunt vaak een standaardcontract gebruiken van school of van je stagebedrijf. Noem ten minste 4 zaken die in een stageovereenkomst geregeld (kunnen) zijn. 12. Wanneer eindigt een stageovereenkomst? 13. Waarom is een stageovereenkomst geen arbeidsovereenkomst? 14. Hoe is de stagevergoeding geregeld en met welke financiële zaken hieromtrent kun je in aanraking komen? 15. Ondernemers hebben meestal een bedrijfsreglement opgesteld. Daarbij kunt je denken aan algemene regels voor zijn klanten en voor zijn personeel. a. Uit welke 3 onderdelen bestaat een bedrijfsreglement? b. Omschrijf de inhoud van elk onderdeel van het bedrijfsreglement. 16. Probeer uit te zoeken: Een bedrijfsreglement dat op jouw stagebedrijf of opleidingsinstituut van toepassing is. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 35

36 7.2 Sociaal zekerheidsrecht 1. Wat wordt er verstaan onder sociale zekerheid en wat is er in het sociaal zekerheidsrecht geregeld? 2. Geef de indeling in het sociale zekerheidsstelsel van Nederland. 3. Noem ten minste 2 volksverzekeringen en omschrijf waarvoor deze zijn bedoeld. 4. Noem ten minste 2 werknemersverzekeringen en omschrijf waarvoor deze zijn bedoeld. 5. Noem ten minste 2 sociale voorzieningen en omschrijf waarvoor deze zijn bedoeld. 6. Stagiaires kunnen voor bepaalde uitkeringen in aanmerking komen. Welke regelingen gelden er: a. als er een stageovereenkomst is afgesloten en de stagiair(e) geen loon ontvangt; b. als er een stageovereenkomst is afgesloten en de stagiair(e) ook loon ontvangt; c. als er een arbeidsovereenkomst is afgesloten en de stagiair(e) ook loon ontvangt. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 36

37 7.3 Bedrijfsverzekeringen 1. Hoe is de bedrijfsaansprakelijkheid geregeld? 2. Noem twee voorbeelden van schades waarvoor een bedrijf aansprakelijk gesteld kan worden. 3. Motiveer waarom het werken met een kwaliteitsbeheerssysteem schades kan voorkomen of in omvang kan beperken? 4. Omschrijf wat er onder onrechtmatige daad wordt verstaan. 5. Som de vier punten op wanneer iemand voor een onrechtmatige daad aan te spreken is. 6. Omschrijf wanneer er sprake is van: a. onrechtmatige daad; b. schuld; c. schade; d. relativiteit. 7. Wat verstaat men onder risico-aansprakelijkheid? 8. Op welke wijze kan een ondernemer zich tegen aansprakelijkheid voor goederen en personen zich verzekeren? Kan jij jezelf ook tegen een dergelijke aansprakelijkheid verzekeren? 9. Als jij schade veroorzaakt, is dan je leidinggevende ook aansprakelijk te stellen? 10. Als jij schade veroorzaakt, kun je aansprakelijk gesteld worden. Hoe wordt dit in de praktijk opgelost? 11. Wat betekent regres en hoe werkt dat? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 37

38 8. Onderhoud en reparatie 8.1 Onderhouds- en reparatieaspecten 1. Omschrijf het verschil en de overeenkomst tussen inspecteren, keuren en onderhoud en de soort werkzaamheden bij elk worden uitgevoerd. 2. Omschrijf het begrip service. 3. Geef een voorbeeld wanneer service gratis is (of lijkt). 4. Wat is het doel van een onderhoudsbeurt? 5. Noteer de soorten onderhoudsbeurten die we voor auto s kennen en geef van elk globaal aan welke controles er uitgevoerd worden en wat er eventueel vervangen wordt. 6. Noem de factoren die de mate aan onderhoud bepalen. En geef van elke factor de motivatie waarom deze in de mate aan onderhoud meedoet. 7. Kun je twee situaties noemen waarin voor jou de grens bereikt is om de klant in de kosten van onderhoud tegemoet te komen? 8. Noem de twee vormen van onderhoud en geef er een voorbeeld bij. 9. Noem de factoren die het onderhoudsinterval bepalen. 10. Noem een situatie waarin je kilometergebonden of tijdgebonden onderhoud adviseert. Motiveer het. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 38

39 8.2 De uitvoering van de werkzaamheden 1. Omschrijf wat er onder afbreukrisico verstaan wordt en welke invloed je hierop hebt. 2. In welke situatie leidt afbreukrisico tot imagoschade? Motiveer het. 3. Competentie resultaatgerichtheid : Gericht op effectief handelen en het op tijd leveren van afgesproken werk. Met als gedragscriteria: Je toont resultaten/output belangrijker te vinden dan input. Je bent gericht op het eindresultaat in plaats van op de weg waarlangs. Je praat in termen van output. Dit geldt voor alle activiteiten voor het ontwikkelen van je eigen vaardigheden (en evt. die van je collega s). Je gaat door totdat je je doel hebt bereikt c.q. resultaat hebt geboekt. Je haalt of overschrijdt je doelstellingen (streefcijfers en andere). Je gaat recht op je doel af, je bewandelt weinig of geen zijpaden en je werkt efficiënt en bereikt daardoor ook sneller dan anderen bepaalde resultaten. Je kan altijd laten zien tot welk resultaat je inspanningen hebben geleid, je behaalt zichtbaar resultaat. Je werkt planmatig aan het realiseren van doelstellingen. Je communiceert het belang van het continu verbeteren van het prestatieniveau. Je grijpt in wanneer resultaten tegenvallen. Je zoekt naar methoden om efficiënter en effectiever te werken. Je praat in termen van resultaten bij vrijwel alle activiteiten. Je geeft aan: wat, wanneer, hoe goed en hoeveel. Je kan altijd laten zien tot welk resultaat je inspanningen hebben geleid. Je vraagt of benoemt na afloop van een overleg wat de afspraken zijn (wie doet wat en wanneer). Je werkt doelgericht en bewandelt geen zijpaden. Je zet jezelf na een tegenslag extra in zodat het resultaat toch nog behaald wordt. a. Onderzoek in hoeverre je je competentieniveau resultaatgerichtheid hebt ontwikkeld. Gebruik daarbij het competentiediagram (figuur 2.2.1), het octogram (figuur 2.2.4), het kader Competentie Resultaatgerichtheid en de heirboven genoemde definitie en gedragscriteria van de competentie resultaatgerichtheid. b. Onderzoek in hoeverre je in staat bent deze competentie verder te ontwikkelen en omschrijf hoe je dat denkt te gaan doen en in welke tijd. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 39

40 8.3 De controle van de werkzaamheden 1. Noem de soorten controles die op je werkzaamheden mogelijk zijn. Motiveer in welke situatie je welke controle toepast. 2. Jij hebt je eigen werk gecontroleerd, maar noem ook een situatie waarin een deskundigere collega jouw werk nog een keer controleert. Motiveer waarom hij dat dan zal doen. 3. Wat is de reden dat bij proefrijden handelaarskentekenplaten op de testauto gemonteerd moeten zitten? 4. Noem de motieven voor het aanhouden van een vast testcircuit bij proefrijden. 5. Motiveer bij wie de verantwoordelijk ligt als jij proefrijdt. 6. Welke voorwaarden zijn er verbonden aan de kentekenbewijsverzekering. 7. Competentie voortgangscontrole : Tussentijds eigen activiteiten (en evt. die van anderen) op inhoud en voortgang controleren, afwijkingen signaleren en zo nodig bijsturen. Als je het belangrijk vindt om de vinger aan de pols te houden, als je graag alle ins en outs weet van wat er gebeurt, als je zicht houdt op hoe het ermee staat en wat de vorderingen zijn, als je in staat bent om indien nodig op tijd in te grijpen, wanneer je je niet laat verrassen door de gang van zaken, als je van tijd tot tijd poolshoogte neemt, als het gaat kriebelen wanneer je al een tijdje niets gehoord hebt, dan beschik je over de competentie voortgangscontrole. a. Onderzoek in hoeverre je je competentieniveau voortgangscontrole hebt ontwikkeld. Gebruik daarbij het competentiediagram (figuur 2.2.1), het octogram (figuur 2.2.4) en het kader Competentie Voortgangscontrole. b. Onderzoek in hoeverre je in staat bent deze competentie verder te ontwikkelen en omschrijf hoe je dat denkt te gaan doen en in welke tijd. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 40

41 8.4 De kentekenplaat 1. Nederland kent nogal wat soorten kentekenplaten. Noem er vier en geef er een beknopte toelichting over. 2. Om welke reden is de GAIK-kentekenplaat ingevoerd en aan welke regels zijn de bedrijven gebonden betreffende deze kentekenplaat? 3. Aan de GAIK-kentekenplaat is een aantal normen verbonden, zoals: het EU-symbool, de unieke code, de duplicaatcode, de cijfers en letters, het keurmerk van de kentekenplaatfabrikant met bedrijfsnummer, de omkadering, en de fabricagedatum. Omschrijf de betekenis van deze coderingen. 4. Welke montagevoorschriften gelden er ten aanzien van de montage van kentekenplaten? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 41

42 8.5 Werkplaatsonderhoud 1. Geef een overzicht van het onderhoud van de werkplaatsoutillage dat wordt uitbesteedt en dat door de werkplaatsfunctionarissen wordt gedaan. 2. Motiveer wanneer het uitbesteden van onderhoud aan werkplaatsoutillage beter of voordeliger is dan het houden in eigen beheer. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 42

43 9. Arbeidsproductiviteit en efficiency 9.1 Kengetallen 1. Definieer het begrip kengetallen. 2. Welke functie(s) c.q. mogelijkhe(i)d(en) heeft een (hebben) kengetal(len)? 3. Welke beperkingen hebben kengetallen? 4. Geef de algemene definitie van productiviteit. Dat mag ook in eigen woorden. 5. Wat wordt er onder resultaat en wat onder offers verstaan? Geef minimaal 2 vormen van elk. 6. Omschrijf waarom arbeidsproductiviteit voor de werkplaats een belangrijk kengetal is. 7. Omschrijf waarom het management de arbeidsproductiviteit zo graag wil weten. Maar waarom zou jij dit ook willen weten? 8. Definieer de arbeidsproductiviteit. Leg uit wat daarbij de invloed is van het aantal verkochte uren en het aantal te verkopen uren. 9. Opdracht: Zoek uit waarom overwerkuren en uren die de werkplaatsmanager aan het directe productieproces meegewerkt heeft tevens tot de te verkopen uren behoren. 10. Er zijn nogal wat factoren die de arbeidsproductiviteit beïnvloeden. a. Noem ten minste 2 factoren met 2 onderliggende elementen die het aantal verkochte uren beïnvloeden. b. Noem ten minste 2 factoren die het aantal te verkopen uren en de kwaliteit ervan beïnvloeden. 11. Geef de algemene definitie van efficiency. Dat mag ook in eigen woorden. 12. Noem ten minste drie efficiencykengetallen en beschrijf waarvoor deze gebruikt worden. 13. Omschrijf op welke manier arbeidsefficiency te berekenen is. 14. Hoe kan de arbeidsproductiviteit stijgen boven de 100%? 15. Met de urenregistratie is de arbeidproductiviteit en de efficiency te berekenen. Bewijs dit. Dat mag ook met een voorbeeld. 16. Bereken het efficiencypercentage als het volgende bekend is: in een bepaald kalenderjaar had een werkplaats uren te verkopen. Daarvan waren uren productief. door toepassing van het flatratesysteem zijn er echter uren verkocht. 17. Er zijn nogal wat factoren die de arbeidsefficiency beïnvloeden. Noem ten minste 5 factoren die de arbeidsefficiency beïnvloeden. 18. Omschrijf op hoe van de productie de arbeidsproductiviteit en efficiency per periode en per motorvoertuigtechnicus bepaald kan worden. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 43

44 19. Motiveer waarom een Motorvoertuigtechnicus niet zomaar op basis van een te laag arbeidsproductiviteitspercentage mag worden bijgestuurd. 20. Noem de factoren die de arbeidsproductiviteit en de efficiency bepalen. Motiveer op welke factoren je als (Bedrijfs)autotechnicus invloed hebt. 21. Verklaar waarom werkmethode, automatisering, mechanisering en specialisatie invloed hebben op het productieproces. 22. Noem een werkmethode met zijn kenmerken. Waarnaar gaat jouw voorkeur uit? Motiveer het. 23. Noem de factoren die tot arbeidsimproductiviteit leiden. Motiveer je gegeven antwoorden. 24. Wat valt er bij het bedrijf waar je werkt of stage loopt onder werkplaatsonderhoud en waarom is dit improductief? 25. Wanneer gaat men over tot uitbesteden van het werkplaatsonderhoud? 26. In welke situaties is een garantieclaim te verhalen en wanneer komen deze ten laste van de werkplaats? 27. Garantie is een kostenpost die door de opbrengst van de verkochte uren gedekt moet worden. Motiveer dit. 28. Er bestaat een bepaald punt waarbij de garantiekosten en de kosten van de werkzaamheden van een bepaald kwaliteitsniveau minimaal zijn. Motiveer dit. 29. Aan te claimen garantiegevallen kan de werkplaats geld verdienen. Motiveer of deze bewering juist dan wel onjuist is of kunnen beide voorvallen? 30. Motiveer waarom leegloop de slechtste vorm van improductiviteit is. 31. Hoe kunnen we leegloop zo veel mogelijk beperken? 32. Wat verstaat men onder `bedekte leegloop'? 33. Omschrijf wat er wordt verstaan onder bezettingsgraad en omschrijf tot welke relatie deze staat met de leegloop. 34. Bewijs dat beide gegeven formules van de bezettingsgraad gelijk aan elkaar zijn. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 44

45 10. Afzet, omzet, kosten en winst 10.1 Van afzet naar winst 1. Laat globaal zien hoe de netto-omzet, de BTW en de bruto-omzet op de factuur tot stand komt. 2. Om ondernemingen financieel te beoordelen, wordt er altijd met de netto winst gerekend, dus exclusief omzetbelasting (BTW). Als we van de netto omzet de kosten aftrekken, houden we het verlies of de winst van de onderneming over. Het break even point (BEP) is het punt waar de onderneming noch verlies lijdt noch winst maakt. De kosten bestaan uit vaste en variabele kosten. De vaste kosten zijn er altijd, ook als er niet wordt gewerkt. De variabele kosten ontstaan juist door het werken, hoe meer er gewerkt wordt, des te meer variabele kosten er zijn. Geef dit grafisch weer. 3. Wat is het verschil tussen afzet en omzet? 4. Wat is de relatie tussen bruto en netto verkoopprijs en BTW (OB)? 5. Hoe kunnen we de bruto winst berekenen? 6. Hoe kunnen we de netto winst berekenen? 7. Wat houdt het gewaardeerd loon van de ondernemer in? 8. Als je het gewaardeerd loon in rekening brengt, wat verdient de ondernemer dan aan zijn bedrijf? 9. Dit is een extra vraag waarin gerekend moet worden. Een uitdaging. Van een autobedrijf hebben we van afgelopen jaar de volgende gegevens verzameld: bruto-omzet , hierin zit , BTW besloten de netto inkoopwaarde bedroeg , de totale kosten bedroegen , de ondernemer stelde zijn gewaardeerd loon op , Bereken achtereenvolgens: a. Netto-omzet b. Brutowinst c. Nettowinst d. Vergoeding eigen vermogen e. Rente op het geïnvesteerde vermogen Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 45

46 10.2 Kosten zijn noodzakelijk 1. Motiveer waarom kosten maken noodzakelijk is. 2. Noem de definitie van product. Dat mag ook in eigen woorden. 3. Noem de definitie van productieproces. Dat mag ook in eigen woorden. 4. Omschrijf hoe we productie en productieproces vertalen naar autobedrijven. 5. Wat verstaan we onder verspilling? Waarom komt dit ten laste van de winst? 6. Wat zijn uitgaven en in welke relatie staan deze tot de kosten? Verduidelijk dit met een voorbeeld. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 46

47 10.3 Kostensoorten 1. Waarom worden de kosten ingedeeld naar kostensoorten? Maak een indeling in kostensoorten. 2. Waarom wordt op de kostensoort `grond' als vestigingsplaats geen afschrijving verricht? 3. Welke kosten zijn aan de grond verbonden wanneer deze als vestigingsplaats gebruikt wordt? 4. Wat wordt er onder grondstoffen en hulpstoffen verstaan? 5. Noem enkele voorbeelden van grond- en hulpstoffen bij autobedrijven. 6. Welke inkoop-, verkoop- en voorraadkosten brengen de kostensoort `grondstof- en hulpkosten' met zich mee? 7. Noem ten minste twee factoren waaruit de kosten ten gevolge van menselijke arbeid kan bestaan. 8. Wat wordt er onder loonheffing verstaan? 9. Waardoor ontstaat er verschil tussen brutoloon en nettoloon? Wie houdt dit verschil in? En aan wie wordt het afgedragen? 10. Naast brutoloon zijn er nog werkgeverslasten. Waaruit bestaan die? 11. Geef enkele voorbeelden waaruit de kosten van diensten van derden kunnen/zullen bestaan. 12. Noem enkele kostprijsverhogende belastingen. 13. Wat betekent de afkorting `BTW'? 14. Waarom is de BTW geen kostprijsverhogende belasting, maar brengt het wel kosten met zich mee? 15. Wat wordt er onder duurzame productiemiddelen verstaan? 16. Geef enkele voorbeelden van DPM's die in autobedrijven gebruikt worden. 17. Waaruit bestaan de kosten die het gebruik van DPM's met zich meebrengen? 18. Wat verstaat men onder afschrijvingskosten? 19. Welke factoren bepalen de jaarlijkse afschrijvingskosten? 20. De technische of economische levensduur bepaalt de afschrijving van het DPM. Leg dit uit. 21. Noem ten minste twee kosten die onder de complementaire kosten vallen. 22. Hoe is de afschrijving met een vast percentage van de aanschaffingswaarde geregeld? 23. Geef de formule van de afschrijving met een vast percentage van de aanschaffingswaarde. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 47

48 24. Rekenopgave met afschrijving zonder restwaarde. De ondernemer heeft een testapparaat aangeschaft ter waarde van ,. Hij denkt dit testapparaat in vier jaar te moeten afschrijven. Verder schat hij dan de restwaarde op 0,. Bereken het bedrag dat jaarlijks moet worden afgeschreven. 25. Rekenopgave met afschrijving met restwaarde. De ondernemer heeft een testapparaat aangeschaft ter waarde van ,. Hij denkt dit testapparaat in vijf jaar te moeten afschrijven. Verder schat hij dan de restwaarde op ,. Bereken het bedrag dat jaarlijks moet worden afgeschreven. 26. Wat houdt schijninkomen in en waarvoor is dat bedoeld? 27. De ondernemer moet rente betalen over het gemiddeld geïnvesteerde vermogen. Leg uit hoe dit zit of laat het door middel van een rekenvoorbeeld zien. 28. Motiveer waarom het logisch is dat de ondernemer ook een vergoeding vraagt over zijn eigen in zijn onderneming geïnvesteerde vermogen. 29. Rekenopgave rentekosten. Aan het begin van het jaar bedroeg het geïnvesteerde vermogen ,. In dat jaar is een bedrag van , geleidelijk afgelost. Het rentepercentage bedroeg 5%. Bereken de rentekosten. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 48

49 11. Het werkplaatsuurtarief 11.1 Berekening verkoopprijs 1. Geef de definitie van de directe kosten. Dat mag ook in eigen woorden. 2. Doe hetzelfde voor de indirecte kosten. 3. Waarvoor worden de (in)directe kosten gebruikt? 4. Geef een voorbeeld van directe kosten en een van indirecte kosten. 5. Op welke manier kunnen de indirecte kosten verdeeld worden over de directe kosten? 6. Wat verstaan we onder de kostprijs van het werkplaatsuurtarief? 7. Hoe komen we tot de netto verkoopprijs respectievelijk bruto verkoopprijs van het werkplaatsuurtarief? 8. Dit is een extra vraag waarin gerekend moet worden. Een uitdaging. Bereken het bruto werkplaatsuurtarief als het volgende bekend is. De directe loonkosten van de werkplaats zijn ,. Het materiaalverbruik is ,. De overige directe kosten zijn ,. Het opslagpercentages voor de indirecte kosten is 25%. Het opslagpercentage voor de winst is 15%. Het aantal productieve uren is De BTW is 21%. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 49

50 12. Invloedsfactoren op afzet en kosten 12.1 Vraag en aanbod werkplaatsuren 1. Er zijn nogal wat factoren die de afzet (dus ook de omzet) en de kosten beïnvloeden. Noem ten minste 3 factoren. 2. Noem ten minste vier elementen die de vraag naar werkplaatsuren bepalen en licht de gegeven antwoorden toe. 3. Op welke wijze kan het klantenbestand en de afzet van de externe uren berekend worden? Geef hiervan de formule. 4. Op welke wijze kan de afzet van de interne uren berekend worden? Geef hiervan de formule. 5. Welke vraagkoppeling is er tussen de afzet van werkplaatsuren en de afzet van onderdelen? Motiveer het gegeven antwoord. 6. Op welke wijze(n) kun jij de vraagkoppeling stimuleren? 7. Noem drie factoren die het aanbod aantrekkelijk maken en de vraag stimuleren. Motiveer de gegeven antwoorden. 8. Maak een assortimentssamenstelling voor de werkplaats. Het assortiment van het werkplaatsaanbod kan bestaan uit: diverse vormen van onderhoud; diverse vormen van inspecties (APK, zomer- en winterchecks); diverse vormen onderhoud (grote en kleine beurten); servicegraad (tot welk percentage de werkplaats gaat); product- en prijsdifferentiaties; ruilsystemen; haal- en brengservice; leenauto en leenfiets; enzovoort. 9. Welke invloed hebben de vraag- en aanbodstructuur invloed op het voorraadbeheer? 10. Wat wordt er onder servicegraad verstaan en welke invloed heeft het servicebeleid hierop? 11. Kunnen we op het werkplaatsuurtarief ook prijsdifferentiatie toepassen? Bij zowel ja of nee moet je je antwoord motiveren. 12. Wat verstaan we onder terugkomfactor? 13. Noem ten minste drie elementen die de terugkomfactor beïnvloeden en motiveer de gegeven antwoorden. 14. Noem ten minste drie elementen die de onderhouds-, reparatie- en installatie-uren beïnvloeden en motiveer de gegeven antwoorden. 15. In welk opzicht heb jij invloed hierop? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 50

51 16. Noem ten minste twee partijen en twee situaties die het marktaandeel mede bepalen. Motiveer de gegeven antwoorden. 17. Kan de ondernemer hier invloed op uitoefenen? 18. Welke rol spelen de marktomvang en het marktaandeel hierbij? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 51

52 12.2 Organisatie 1. Waarom heeft de bezettingskwaliteit invloed op de afzet van producten? 2. Noem ten minste drie vaardigheden van het personeel waarmee de afzet te beïnvloeden is. Motiveer de gegeven antwoorden. 3. Noem ten minste drie arbeidsomstandigheden van het personeel waarmee de afzet te beïnvloeden is. Motiveer de gegeven antwoorden. 4. Waarom is het beschikken over de juiste middelen nodig om aan de verwachtingen van de klanten te kunnen voldoen? 5. Wat wordt er onder logistiek verstaan? 6. Noem ten minste vier middelen en systemen die de logistieke kwaliteit bepalen en motiveer de gegeven antwoorden. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 52

53 12.3 Klantenbinding 1. Motiveer waarom klantenbinding bepalend is voor de continuïteit van het bedrijf. 2. Omschrijf waarom in het contact met de klant zowel het voertuig als de klant zelf belangrijk is. Geef in de omschrijving aan hoe dit te bereiken is. 3. Hoe kan je bereiken dat een klant een persoonlijke behandeling krijgt? 4. Op welke wijze kunnen wachttijden voor de klanten beperkt worden, en als ze toch optreden hoe kan het de klanten dan zo aangenaam mogelijk gemaakt worden? 5. Omschrijf waarom het stellen van een juiste diagnose invloed op de klantenbinding en het rendement van de onderneming heeft. 6. Geef ten minste vier aspecten die de kwaliteit van de diagnose beïnvloeden. 7. Welke apparatuur heeft een autotechnicus in het algemeen nodig om een goede diagnose te kunnen stellen? 8. Waarom is het wenselijk de te verwachten reparatieprijs aan klanten mee te delen? 9. Wat is een economische adviesplicht en wanneer geldt deze? 10. Wanneer staat de reparatie in zekere relatie met de waarde van het voertuig? 11. Waarom mag bij het advies de veiligheidsgrens niet overschreden worden? 12. Waarom is het voor het advies van belang om de behoeften en wensen van de klant te kennen? 13. Een klant is met zijn auto keurig geholpen. Er wordt echter nagelaten de tijdens deze reparatie ontdekte gebreken aan zijn auto door te geven. Welke gevolgen kan dit hebben in de relatie met deze klant? 14. Nu worden de geconstateerde gebreken aan de auto wel aan de klant doorgegeven. Hoe voorkomen we dat de klant zijn elders laat repareren? 15. In het onderstaande schema is het stroomschema gegeven van klantbehandeling en voertuigbehandeling. Bij de onderscheidende stappen ontbreken de elementen die hierop van invloed zijn. Probeer bij elke stap zo veel mogelijk elementen in te vullen. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 53

54 Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 54

55 12.4 Productie 1. De kwaliteit van de outillage heeft een belangrijke invloed op de kwaliteit van de productie. Motiveer waarom dit zo is. 2. Ook de ruimte waarin gewerkt wordt, heeft invloed op de kwaliteit van de productie. Motiveer waarom dit zo is. 3. Noem tenminste vier onderdelen van het productieproces die de kwaliteit van de productie beïnvloeden en motiveer de gegeven antwoorden. 4. Hoe komt het dat het personeel bij de productie de grootste invloed op het zogenaamde afbreukrisico heeft, en wat het doen om dit te beperken? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 55

56 12.5 In- en verkoop 1. Welke soorten producten (goederen en diensten) vallen onder de inkoop van de werkplaats? 2. Welke eisen moeten er aan de inkoop van deze producten gesteld worden? Motiveer het gegeven antwoord. 3. Welke mogelijkheden heeft het magazijnpersoneel tot hun beschikking om zo goed mogelijk aan de vraag te kunnen voldoen? 4. Serviceadviseurs en magazijnbedienden zijn, net als autoverkopers, ook verkopers. Geef je mening over deze stelling. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 56

57 12.6 Onderhoudsbevordering 1. Noem ten minste 4 onderhoudsbevorderende maatregelen. En motiveer op welke onderhoudsbevorderende maatregelen jij invloed uitoefent, of kunt uitoefenen. 2. Behandel de klant als een VIP. Leg dat maar eens uit. 3. Onderhoudsbewaking a. Omschrijf wat onderhoudsbewaking inhoudt. b. Over welke mogelijkheden kan de werkplaatsmanager beschikking in verband met onderhoudsbewaking? c. Stel een volgens uw mening goede herinneringskaart of op die geen inbreuk op de privacy van de klant pleegt en die de klant als attent ervaart. 4. Onderhouds-/reparatiecontract a. Wat zijn de voor- en nadelen voor de werkplaats dat klanten een onderhouds-/reparatiecontract voor hun voertuig hebben? b. In hoeverre zijn de genoemde nadelen voor de werkplaats te beperken? 5. Reparatietijd(stip) a. Direct repareren vereist een flexibele planning. Omschrijf de voor- en nadelen hiervan voor beide partijen. b. Later repareren vereist een zorgvuldig van te voren opgestelde planning. Omschrijf de voor- en nadelen hiervan voor beide partijen. 6. Ruilsysteem a. Omschrijf de redenen waarom er ruilcomponenten worden toegepast. 7. Product-, prijs- en kwaliteitsdifferentiatie a. Wat verstaat men onder prijsdifferentiatie en op welke manier is dit voor een werkplaats van een autobedrijf te bereiken? b. Wat verstaat men onder productdifferentiatie en op welke manier is dit voor een werkplaats van een autobedrijf te bereiken? c. Is het verstandig om bij onderdelen en accessoires aan kwaliteitsdifferentiatie - dus prijsdifferentiatie - te doen? d. Kan kwaliteitsdifferentiatie ook bij werkplaatsuren toegepast worden? Motiveer het antwoord. 8. Product-, prijs- en kwaliteitsdifferentiatie De werkplaats van een motorvoertuigbedrijf wil zich concurrerender opstellen ten opzichte van een specialist in uitlaten, schokdempers en dergelijke. Het werkplaatsmanagement denkt dat prijsdifferentiatie van het werkplaatsuurtarief een goede oplossing is, maar wil eerst de hoogte van de diverse uurtarieven berekenen. Als voorwaarde wordt gesteld, dat het werkplaatsrendement niet mag dalen. Het werkplaatsuurtarief is nu 50,- exclusief BTW. Men verdeelt de werkplaatsactiviteiten in drie groepen, namelijk A, B en C. Om concurrerend te zijn, moet het uurtarief van de activiteiten van groep A 40,- exclusief BTW bedragen. De werkplaatsactiviteiten verhouden zich als volgt: groep A, 24%; groep B, 66%; groep C, 10%. Het uurtarief van de activiteiten van groep C mag 15% hoger zijn dan dat van groep B. Ver- Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 57

58 der is bekend dat het aantal productieve uren per jaar is. Geef de berekening van het werkplaatsuurtarief voor de groepen B en C (afgerond op hele guldens). 9. Er zijn werkplaatsen van autobedrijven waar de klant zowel met prijs- als met productdifferentiatie te maken krijgt. Dit betekent, dat we de door de werkplaats geleverde producten, zowel aan goederen als aan diensten moeten denken. Hoe zou zo'n productdifferentiatie eruit kunnen zien? 10. Product-, prijs- en kwaliteitsdifferentiatie In een autobedrijf wordt gedacht aan een tariefsdifferentiatie om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden. Het personeelsbestand bestaat uit: 5 eerste autotechnici, voor 95% productief; 7 autotechnici, voor 90% productief; 1 specialist elektro, voor 100% productief; 4 assistent autotechnici, voor 50% productief. Men is gemiddeld uur per jaar beschikbaar. Het flatratetarief ligt op dit moment 6,20 per AE. Door een tariefsdifferentiatie wil men voor de eerste autotechnici en de specialist elektro naar 8,- per periode, voor de autotechnici naar 6,- per periode en voor de assistent autotechnici naar 4,50 per AE. Bereken of de tariefsdifferentiatie zo gekozen is dat de werkplaatsomzet gehandhaafd zal blijven. 11. Presentatie en promotie a. Wat verstaat men onder `service promotion'? b. Welke mogelijkheden kan de werkplaatsmanager hanteren om servicepromotie te bevorderen? c. Omschrijf op welke wijze werkplaatsuren te presenteren zijn. d. Op welke manieren kun jij bijdragen aan onderhoudsbevordering via presentatie en promotie? e. Stel een `direct mail' op waarmee u qua presentatie en promotie het gewenste doel denkt te kunnen behalen. Maak gebruik van het Internet. 12. Hogere in- en verkoop van auto's door de verkoopafdeling a. Motiveer onder welke voorwaarde(n) een hogere afzet van auto's door de afdeling verkoop gelegaliseerd is ten koste van de dekkingsbijdrage door deze afdeling. b. Er zijn nog meer mogelijkheden om de bezettingsgraad van de werkplaats op te voeren door middel van het aantrekken van zaken die arbeid vergen. Noem daarvan één of meer mogelijkheden en motiveer ze. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 58

59 12.7 Marketing 1. Noem de zes marketingmixinstrumenten. 2. Wat verstaat men onder marketingmixinstrumenten? 3. Noem de belangrijkste elementen van het productinstrument. 4. Wat verstaat men onder assortimentssamenstelling en op welke wijze kan de ondernemer hiermee de opbrengst beïnvloeden? 5. Op welke wijze(n) kan de ondernemer met het inzetten van het merk de opbrengst beïnvloeden? Motiveer de gegeven antwoorden. 6. Op welke wijze(n) kan de ondernemer met het inzetten van de `verpakking' de opbrengst beïnvloeden? Motiveer de gegeven antwoorden. 7. Welke invloed heb jij op de verpakking? Motiveer je antwoord. 8. Noem de belangrijkste elementen van het prijsinstrument. 9. Waardoor komt het dat de hoogte van de prijs het sterkste instrument van de marketing is? 10. Wat verstaat men onder relatief prijsniveau en wat onder absoluut prijsniveau en waardoor worden deze prijzen bepaald? 11. Welke invloed heeft het imago op de prijsstelling? 12. Geef twee voorbeelden van prijsdifferentiatie. 13. Noem de belangrijkste elementen van het plaatsinstrument. 14. Sommige autobedrijven liggen op zeer kostbare locaties, sommige andere autobedrijven op veel minder kostbare locaties. Deze laatste bedrijven zijn dan toch in het voordeel? Bevestig of weerleg deze stelling. 15. Noem de belangrijkste elementen van het presentatie-instrument. 16. Noem twee mogelijkheden hoe diensten als werkplaatsuren gepresenteerd kunnen worden. 17. Verklaar waarom presentatie een communicatie-instrument is. 18. Noem de belangrijkste elementen van het promotie-instrument. 19. Verklaar waarom promotie het communicatie-instrument bij uitstek is. 20. Noem de belangrijkste elementen van het personeelinstrument. 21. Geef aan waarin het personeelinstrument met alle overige marketingmixinstrumenten een relatie heeft. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 59

60 12.8 Kosten 1. Waarom kunnen werknemers geen invloed op de vaste kosten uitoefenen en op de variabele kosten wel? 2. Noem ten minste drie soorten variabele kosten en hoe hierop `zuinigheid' bevorderd dan wel `verspilling' hiervan beperkt of zelfs vermeden kan worden. 3. Onder welke voorwaarde zal verhoging van de arbeidsproductiviteit tot verlaging van de kosten leiden? 4. In hoeverre heeft de bezettingskwaliteit van het personeel invloed op de kosten? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 60

61 13. Presentatie 13.1 Presentatie: de huisstijl 1. Waarom is het instrument presentatie een communicatie- en een lokmiddel? 2. In welk opzicht speelt de presentatie de bedrijfskeuze voor de consument een rol? 3. Noem twee voorbeelden van passieve presentatie en twee voorbeelden van actieve presentatie. 4. Op welke wijzen kan een werkplaats zijn diensten presenteren? Welke rol speel jij daarbij? 5. Wat verstaan we onder huisstijl en wat onder imago? Geef van beide uitdrukkingen een voorbeeld. 6. Welke relatie bestaat er tussen presentatie, huisstijl en imago? 7. Wat is het doel van de huisstijl en wat is de voorwaarde dat daar een signaalfunctie vanuit gaat? 8. Noem ten minste twee toepassingen van de huisstijl. 9. Noem een voorbeeld in de motorvoertuigenbranche waarin de huisstijl de identiteit en kwaliteit van een bedrijf duidelijk maakt. 10. Noem ten minste vijf elementen die een huisstijl kenmerken. Beschrijf ook een praktijkvoorbeeld. 11. Omschrijf het belang van een beeldmerk en geef daarvan twee voorbeelden uit de motorvoertuigenbranche. 12. Wat wordt er onder een marktsegment verstaan? 13. Welk belang gaat er van het hebben van een marktsegment uit? 14. Wat wordt er onder een doelgroep verstaan? 15. Welk belang gaat er van het hebben van een doelgroep uit? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 61

62 13.2 Presentatie: de waarneming 1. Omschrijf waarom een ondernemer het imago en het segment bij de presentatie als uitgangspunt moet nemen? 2. Noem van de sfeer- en functie-elementen elk twee voorbeelden die bij de presentatie ingezet kunnen worden. 3. Geef van elk zintuig een voorbeeld wat bij presentatie een rol kan spelen. 4. Het bedrijf moet een sfeervolle en functionele presentatie uitstralen. Hoe is dit in een autobedrijf te verwezenlijken? Geef voorbeelden van zowel interne als externe presentatie. 5. Welke zintuiglijke waarnemingen spelen bij de sfeervolle presentatie een belang rijke rol? 6. Waarom is het sfeerelement in de presentatie in eerste instantie belangrijker dan het functionele element? Geef hiervan een voorbeeld. 7. Geef enkele voorbeelden uit de autobranche waarbij de sfeer- en functionele elementen elkaar ondersteunen. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 62

63 13.3 Presentatie: werkplaats en personeel 1. Noem ten minste drie voorbeelden waarmee de receptie de presentatie van het bedrijf kan ondersteunen. 2. Doe hetzelfde voor de wachtruimte. 3. Doe hetzelfde voor de werkplaats. 4. Wat zijn de voordelen van vaste regels over het opruimen van de werkplaats? 5. Noem ten minste twee indicatoren waaraan je de kwaliteit van de service kunt vaststellen. 6. Noem drie prestatie-elementen waarmee jij de kwaliteit van de presentatie positief kunt beïnvloeden. 7. Met welke bedrijfsregels moet je rekening houden om aan een goede dienstverlening bij te dragen? Noem er drie. 8. Noem een aantal ongeschreven regels die in een bedrijf gelden. 9. Noem drie regels waarmee je rekening moet houden als je contact hebt met een klant. 10. Wat is het belang van uniforme bedrijfskleding? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 63

64 14. KAM 14.1 KAM-systeem 1. Wat houdt het KAM-systeem in en op welke gebieden is het van toepassing? 2. Wat is de reden waarom men kwaliteit, arbo en milieu in het KAM-systeem verenigt? 3. Motiveer waarom schadeclaims bij een gecertificeerd KAM-systeem beperkt kunnen blijven ondanks eventuele schade. 4. Noem ten minste twee redenen waarom in organisaties het KAM-systeem wordt toegepast. 5. Noem de drie belangrijkste beheerssystematieken voor de documentatie van kwaliteit, arbo en milieu. 6. Op welke wijze is de KAM-documentatie opgebouwd en waarom is dit als een piramide voorgesteld? 7. Wat is het doel van het handboek (kwaliteits)borging? En waarom is dit het uitgangspunt van de KAM-documentatie? 8. Waarom wordt het handboek (kwaliteits)borging ook wel het wetboek voor het bedrijf genoemd? 9. Wat is het doel van het procedurehandboek? 10. Waarom wordt het procedurehandboek ook wel het geheime receptenboek van het bedrijf genoemd? 11. Wat is het doel van het werkinstructiehandboek? 12. Wat is er in het werkinstructiehandboek beschreven? 13. Noem ten minste twee zaken waarmee je in aanraking in het (stage)bedrijf bent gekomen die met werkinstructies ter maken hebben. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 64

65 14.2 Processen en procedures 1. Wat is een proces? 2. Wat is het verschil tussen een bedrijfsproces en een werkproces. Noem van beide twee voorbeelden. 3. Wat is een werkinstructie? In welke relatie staat een werkinstructie tot een werkproces en een procedure? Noem twee voorbeelden van een werkinstructie. 4. Heb je al eens met een werkinstructie te maken gehad? Welke was dat dan en hoe luidde die? 5. Wat is een procedure? Noem twee voorbeelden van een procedure. 6. Heb je al eens met een procedure te maken gehad? Welke was dat dan en hoe luidde die? 7. Stroomschema (stroomdiagram, flow chart of process chart) a. Wat is het doel van een stroomschema? b. Wanneer maakt men gebruik van stroomschema's? c. Noem ten minste drie eisen die aan een stroomschema gesteld worden. d. Teken de symbolen en geef aan waarvoor ze dienen. Handmatige versie Meestal komt dit overeen met de manier waarop dit in het boek Exploitatie Autobedrijf' staat. Bij eenvoudigere systemen kan het zijn dat de magazijnorder ontbreekt. Dat deel blijft dan bij de werkplaats. Digitale versie Bij digitale versies zie je de routing niet, maar deze is er wel degelijk. Het hangt echter van de bedrijfsgrootte en de taakverdeling af wie welk deel van de werkorder invult en afrekent met de klant. 8. Maak een procedure van de acties die ondernomen worden als je op school (regelmatig) afwezig bent of te laat komt. Maak van de procedure een stroomschema. Gebruik hiervoor een automatiseringsprogramma. 9. De RASCI-methode a. Noem twee voordelen van het gebruik van de RASCI-methode. b. Met de RASCI-methode geef je per processtap aan welke `spelers' er in het `veld' zijn. Doe dit met de garantie-afwikkelingsprocedure van de werkplaats. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 65

66 15. Kwaliteit 15.1 Kwaliteitsbegrippen 1. Omschrijf met eigen woorden wat je onder kwaliteit verstaat. 2. Wat ervaart een klant als kwaliteit? 3. Probeer elementen op te sommen die bij de verkoop van een (bedrijfs)auto de totale kwaliteit bepalen zoals de klant deze ervaart. 4. Wanneer hebben we aan de kwaliteitseisen van de klanten voldaan? 5. Waarom is een te veel aan kwaliteit overbodig en welke nadelige effecten kan een bedrijf hierdoor ondervinden? 6. Hoe luidt de definitie van kwaliteit? 7. Wat houdt kwaliteitszorg voor bedrijven in? 8. Wat verstaat men onder totale of integrale kwaliteitszorg? 9. Wat is een kwaliteitssysteem? 10. Waarom moeten we in de onderneming over goed kwaliteitssysteem beschikken? 11. Noem enkele kwaliteitseisen volgens NEN-ISO Wat is kwaliteitsbeheersing? 13. Wat verstaat men onder kwaliteitsborging? 14. Wat zijn de doelen van kwaliteitsborging? 15. Motiveer waarom uit de kwaliteitsbeheersing de kwaliteitsborging blijkt. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 66

67 15.2 Kwaliteitszorg bij het productieproces 1. In welke drie stadia is de kwaliteitszorg bij het productieproces in te delen? 2. Kwaliteitszorg bij het productieproces is gericht op de productkwaliteit. Welke zeven categorieën hebben invloed op de productkwaliteit? 3. Maak een tabel met zeven kolommen met in de kolomkoppen de zeven categorieën en daaronder de bijbehorende factoren. Als je meer factoren weet dan in het boek vermeld staan, vul deze dan ook in. 4. Deel de tekortkomingen in naar de hoofdgroepen waarin ze kunnen voorkomen. 5. Om fouten en falen van de uitvoerenden te voorkomen (in ieder geval te beperken), moet de (afdelings)manager zorgen voor goede instructies, middelen en procedures en een juist en consequent gebruik ervan stimuleren. Leg uit waarom dit zo is. 6. Waarom past men tussentijdse en eindcontroles toe? 7. Op welke manieren houdt men de toegepaste werkplaatsapparatuur aangepast aan het kwaliteitssysteem? 8. Hoe kunnen functionarissen er toe bijdragen dat de af te leveren producten niet zullen/kunnen beschadigen? 9. Wat zijn interne kwaliteitsaudits? 10. Het kwaliteitssysteem staat of valt met goed opgeleide en vakbekwaam personeel. Beredeneer de juistheid van deze bewering. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 67

68 16. Arbo 16.1 Arbeidsomstandighedenwet 1. De Arbeidsomstandighedenwet bestaat uit drie delen. Noem deze en omschrijf wat erin geregeld is. 2. In het besluit zijn voornamelijk doelvoorschriften opgenomen die met behulp van een ministeriële regeling verder zijn uitgewerkt naar concrete maatregelen. Met deze opzet wil de rijksoverheid bedrijven meer vrijheid geven in de manier waarop zij aan de wettelijke milieueisen voldoen. Wat zijn doelvoorschriften binnen de Arbowet en welke functie hebben deze? 3. Arbocatalogus a. Welke functie heeft de arbocatalogus? b. En heeft het bedrijf waar je werkt er een? c. Hoe is de handhaving van de arbocatalogus geregeld? 4. Arbeidsomstandigheden kunnen ook op andere plekken geregeld zijn dan in de Arbowet. Geef aan waar dit te vinden is. 5. De Arbowet bepaalt voor zowel werkgever als werknemer wat de rechten en plichten zijn op het gebied van arbeidsomstandigheden. a. Noem ten minste 3 plichten die werknemers volgens de Arbowet hebben. b. Noem ten minste 3 rechten die werknemers volgens de Arbowet hebben. c. Noem ten minste 6 plichten die werkgevers volgens de Arbowet hebben. 6. De Arbowet besteedt apart aandacht aan jeugdige werknemers. Zo zijn bepaalde werkzaamheden absoluut verboden en mogen andere werkzaamheden alleen onder toezicht worden uitgevoerd. De mate van toezicht hangt af van het soort werk dat ze uitvoeren. In de risicoinventarisatie en -evaluatie (RI&E) moet de werkgever de speciale risico s voor jeugdige werknemers omschrijven. Noem ten minste 2 regels die voor jeugdige werknemers gelden. 7. Kun je bedenken waarom er voor jongeren, leerlingen en stagiaires extra ARBO-regels gelden boven die van werknemers? 8. Wanneer geldt de Arbowet ook voor leerlingen en studenten en welke voorwaarden gelden er dan? 9. Voor jeugdigen, leerlingen en studenten gelden strengere ARBO-regels dan voor de werknemers. Noem twee soorten werkzaamheden die jij niet of alleen onder begeleiding mag doen die andere werknemers wel zelfstandig mogen doen. En als het al mogelijk is, noem dan twee soorten werkzaamheden die je eerst alleen onder begeleiding mocht doen, maar nu zelfstandig. Benoem ook de betreffende competentie(s) waarin je gegroeid bent om de door jou genoemde werkzaamheden zelfstandig te mogen uitvoeren. 10. Geldt de Arbowet ook voor deze stagiaires en zo ja, zijn er speciale regels zijn waar we rekening mee moeten houden? 11. Werknemers worden niet alleen door de Arbowet beschermd, maar ook door de Arbeidstijdenwet. Wat is er in de Arbeidstijdenwet daarvoor geregeld? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 68

69 12. De Inspectie SZW controleert op de handhaving van de Arbowet en Arboregelgeving. Welke bevoegdheden heeft de Inspectie SZW hiervoor? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 69

70 16.2 Arbozorg 1. Wat houdt arbozorg in voor de werkgever? 2. Voor ondersteuning bij het arbobeleid (arbozorg) hebben werkgevers de vrijheid om te kiezen uit een arbodienst of een arbodeskundige. Er moet altijd een contract met een gecertificeerd bedrijfsarts worden afgesloten. Welke rol kunnen deze specialisten in een onderneming hebben? 3. Iedere ondernemer die werknemers in dienst heeft, moet een risico-inventarisatie en - evaluatie (RI&E) opstellen. Wat houdt dit in? Heeft jouw werkgever een RI&E en mag je dit inzien? 4. Noem ten minste twee soorten risico s waaraan je in een (bedrijfs)autowerkplaats blootstaat. Noem daarvan de maatregelen die de werkgever en jezelf nemen om deze risico s te voorkomen en eventuele gevolgen te beperken. 5. Uit het RI&E volgt het plan van aanpak (PVA). Wat kan daar zoal in staan? Heeft jouw werkgever een PVA of ooit gehad? Wat staat daarin of stond daarin? 6. De werkgever heeft volgens de Arbowet een zogenaamde zorgplicht. Omschrijf wat dit voor hem en voor jou inhoudt. 7. Noem ten minste drie aandachtspunten waarop jouw werkgever je volgens de Arbowet moet voorlichten. 8. Noem ten minste drie soorten functionarissen die specifieke arbotaken uitvoeren en waarmee je in aanraking komt of al bent gekomen. 9. Wie is binnen het bedrijf waar je werkt de bedrijfshulpverlener? Omschrijf zijn taken. 10. Per bedrijf moeten een of meer bedrijfshulpverleners (bhv'ers) rondlopen. Zij verlenen eerste hulp bij ongevallen, bestrijden brand, kunnen iedereen helpen evacueren en doen de communicatie met hulpverleningsorganisaties. De werkgever heeft hierbij enkele verplichtingen. Stel dat jij bbhv er wordt, zet dan deze verplichtingen op een rijtje en geef er een toelichting bij. 11. Preventiemedewerker a. Wie is binnen het bedrijf waar je werkt de preventiemedewerker? b. Wat is het doel van het hebben van een preventiemedewerker? c. Omschrijf zijn functie. d. Omschrijf zijn taken. 12. Wie is binnen het bedrijf waar je werkt de EHBO-er? Omschrijf zijn taken. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 70

71 13. Ondernemingsraad (OR) en Personeelsvertegenwoordiging (PVT) a. Wat zijn de Ondernemingsraad (OR) en Personeelsvertegenwoordiging (PVT) voor soort organen? b. Noem ten minste twee taken die zij mogen uitoefenen. c. Als het bedrijf waar je werkt geen OR of PVT heeft, hoe heeft de werkgever de inspraak dan geregeld? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 71

72 16.3 Verzuim 1. Als een arbeidconflict een reden is tot ziekteverzuim c.q. conflictverzuim, hoe moet er dan met dit conflict worden omgegaan? 2. Sporten is gezond, maar sporten kan ook leiden tot blessures die het werken voor korte of lange tijd onmogelijk maken. Er is sprake van ziekteverzuim. De vraag is: is er recht op ziekteverzuim en is je werkgever verplicht je loon door te betalen? 3. Als je ziek wordt (kort- of langdurend) welke regelingen zijn er dan om je loon tot op zekere hoogte veilig te stellen? 4. Als je langdurig ziek bent, krijg je te maken met re-integratie, de Ziektewet (ZW), het UWV, de WIA, de Wet Verbetering Poortwachter (WVP), het verzuimprotocol en de Arbodienst of de Bedrijfsarts. Wat houdt dit allemaal in en wanneer krijg je hiermee te maken? 5. Omschrijf hoe het principe van ziek- en betermelding is geregeld. 6. Omschrijf de procedurele stappen bij ziekte. 7. Tijdens de ziekteprocedure zie je een aantal regelingen, personen en instanties passeren waarmee je dan te maken krijgt, namelijk: Ziektewetuitkering; re-integratiedossier; Plan van Aanpak; casemanager; WIA-aanvraagformulier; UWV; passend werk. Geef een toelichting op wat de regelingen inhouden en wat de personen en instanties van je eisen. 8. Hoe kan je als werknemer ziekteverzuim beperken dan wel voorkomen? 9. Motiveer waarom werkdruk beter te voorkomen is dan een griepje. 10. Je kunt veel doen aan je eigen gezondheidsbevordering en gezondheidspreventie. Noem ten minste twee maatregelen die bijdragen aan je gezondheid. Noem ten minste twee maatregelen die ongezond gedrag verminderen. 11. Noem ten minste drie voordelen die gezondheidsbevordering en preventie je kunnen opleveren. 12. Ook je werkgever kan maatregelen treffen om je gezondheid te bevorderen of ziekte te voorkomen dan wel te beperken. Noem ten minste twee gezondheidsbevorderende maatregelen en twee preventieve maatregelen. Op welke wijze draagt jouw werkgever hieraan bij? 13. In de Arbeidstijdenwet zijn de werk- en rusttijden geregeld. Ga na (via het Internet) of de werk- en rusttijden volgens de ATW in overeenstemming zijn met die van je werkgever. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 72

73 16.4 Veilig werken 1. Noem ten minste 2 risicogebieden waarop veilig werken van toepassing is. 2. Veilig werken heeft te maken met zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid. Beredeneer of deze bewering juist is. 3. Geef ten minste 3 tips hoe de arbeidsveiligheid verbeterd of geborgd kan worden waarbij je mag kijken vanuit je eigen werksituatie en vanuit de situatie van de ondernemer c.q. het management. Voorzie de antwoorden van een toelichting. 4. De arbeidsmiddelen die je ter beschikking gesteld worden, moeten deugdelijk zijn. Hoe kun je zien of je met deugdelijke arbeidsmiddelen te maken hebt? 5. In het bedrijf waar je werkt mag je de arbeidsmiddelen niet oneigenlijk gebruiken. Wat houdt oneigenlijk gebruiken eigenlijk in? Noem er een voorbeeld van. 6. Sommige arbeidsmiddelen behoeven onderhoud. Noem een arbeidsmiddel van jouw bedrijf dat onderhoud nodig heeft om jouw veiligheid te waarborgen. Wie voert dat onderhoud uit? En is daarvoor een onderhoudsplan? 7. Voor sommige arbeidsmiddelen geldt naast een onderhoudsplicht ook een aanvullende keuringsverplichting. Wanneer is dat het geval? Noem een arbeidsmiddel van jouw bedrijf dat keuring nodig heeft om jouw veiligheid te waarborgen. Op welke manier moet deze keuring geregeld worden? 8. Vanwege de veiligheid behoeven diverse arbeidsmiddelen deskundig gebruik. Noem een arbeidsmiddel waarvoor dit het geval is. Noem de deskundigheid die daarvoor nodig is. 9. Er zijn arbeidsmiddelen waarbij je voor je veiligheid afstand moet bewaren. Noem een arbeidsmiddel waarbij dit het geval is. Geef aan hoe dit daarbij geregeld is. 10. Er zijn elektrische arbeidsmiddelen die na het uitvallen van de elektriciteit niet automatisch mogen opstarten na het opheffen van de storing. Noem een arbeidsmiddel waarbij dit het geval is. Motiveer waarom dit zo is. En geef aan hoe dit geregeld is. 11. Op hijs- en hefgereedschappen staat altijd de maximale werklast aangegeven. Noem twee arbeidsmiddelen in jouw werkplaats waarbij dit het geval is. Motiveer waarom je je hieraan houden moet. 12. In bedrijfsautobedrijven worden wel heftrucks als arbeidsmiddelen ingezet. Aan welke veiligheidseisen moeten heftrucks voldoen? Welke veiligheidseisen moet je zelf in acht nemen bij het gebruik ervan? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 73

74 13. Voor jeugdigen, leerlingen en studenten gelden strengere ARBO-regels dan voor de werknemers. Noem twee soorten werkzaamheden die jij niet of alleen onder begeleiding mag doen die andere werknemers wel zelfstandig mogen doen. En als het al mogelijk is, noem dan twee soorten werkzaamheden die je eerst alleen onder begeleiding mocht doen, maar nu zelfstandig. Benoem ook de betreffende competentie(s) waarin je gegroeid bent om de door jou genoemde werkzaamheden zelfstandig te mogen uitvoeren. 14. Het ultieme doel van de Arbowet is het voorkomen van ongevallen. Desondanks kan er een calamiteit optreden. Noem 2 calamiteiten die zich in het bedrijf (of school) zouden kunnen voordoen. Je kunt daarvoor het RI&E raadplegen. Geef bij de voorbeelden aan hoe er het beste gehandeld kan worden. 15. Bedrijfsnoodplan a. Waarvoor is het bedrijfsnoodplan bedoeld? b. Is er een op het bedrijf waar je werkt en hoe ziet dit bedrijfsnoodplan er uit? c. Voldoet het bedrijfsnoodplan van het bedrijf aan de richtlijnen volgens de Arbowet? 16. Maak een ontruimingsplattegrond (op ruitjespapier van 1 cm = 1 m) van het autobedrijf waar je werkt. In plaats van het autobedrijf, mag je het ook van de benedenverdieping van je opleidingsinstituut doen. Als er al een ontruimingsplattegrond is, ga dan na of deze juist is. 17. Stel een ontruimingsplan op voor het autobedrijf waar je werkt. In plaats van het autobedrijf, mag je het ook van de benedenverdieping van je opleidingsinstituut doen. Als er al een ontruimingsplan is, ga dan na of dit juist is. 18. Wanneer is er sprake van een ernstig ongeval? 19. Noem in volgorde stappen waarin je moet handelen bij een ernstig ongeval. 20. Welke voorwaarden zijn er verbonden aan het bellen van het alarmnummer 112? Als je 112 belt, welke gegevens moet je dan doorgeven? Als er wel hulp nodig is, maar niet spoedeisend, welk nummer bel je dan? 21. Noem in volgorde stappen waarin je moet handelen bij een ongeval zonder ernstig letsel. 22. Definieer wanneer er sprake is van een arbeidsongeval c.q. bedrijfsongeval. 23. Opdracht. Je bent het slachtoffer van een arbeidsongeval als je door een ongeval tijdens het werk letsel hebt opgelopen. Mogelijk kun je je werkgever aansprakelijk stellen voor de geleden letselschade. Is een werkgever altijd aansprakelijk bij een arbeidsongeval? 24. Verkeersongeval a. Wanneer is een verkeersongeval een arbeidsongeval en wanneer een privé-ongeval? b. Als je tijdens jouw werk een verkeersongeval hebt gehad, welke procedure moet er dan worden gevolgd? c. In welke gevallen behalve verkeersongevallen moet de Inspectie SZW ook worden ingelicht? 25. Van ongevallen kun je leren om ongevallen te voorkomen. Motiveer wanneer deze bewering juist is. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 74

75 26. Waar heb je de meeste grip op om een ongeval te voorkomen? 27. Maak een plattegrond van de werkplaats (van school of van een motorvoertuigbedrijf: met bruggen en werkbanken op ruitjespapier, 1 cm = 1 m) en geef daarop de volgende zaken aan: waar de EHBO-kist staat; waar zich de brandblussers/brandslangen bevinden; waar de nooduitgangen zijn. 28. Hoe kan er preventief gewerkt worden om ongevallen te beperken/voorkomen? 29. Welke economische belangen spelen een rol bij een ongeluk? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 75

76 16.5 Brandveiligheid 1. Het is belangrijk om maatregelen te nemen die zoveel mogelijk voorkomen dat er brand uitbreekt: dus brandpreventie. Voor de eerste opvang van een uitbrekende brand moet een aantal voorzieningen aanwezig zijn. Noem er ten minste Meedenken over preventie vergroot de betrokkenheid bij veilig werken. Als iedereen weet waarom voorschriften noodzakelijk zijn, is de bereidheid deze voorschriften in acht te nemen het grootst. Noem ten minste 2 aandachtspunten. 3. Waarop berust de werking van een rookmelder? 4. Noem ten minste 4 preventieve maatregelen tegen brand die in een autobedrijf genomen kunnen worden. In hoeverre is dit het geval bij het bedrijf waar je werkt? 5. Hoe moet je handelen bij brand nadat je deze hebt ontdekt? En welke brandbestrijdende maatregelen kun je nemen als de brandweer is gebeld? 6. Hoe moet je bij brand handelen om je persoonlijke veiligheid en die van anderen niet in gevaar te brengen? 7. Deel brandwonden in naar graad van verbranding. Hoe moet je handelen als iemand brandwonden heeft opgelopen? En wat moet je dan beslist niet doen? 8. Brandblusmiddelen hebben een belangrijke functie bij brandpreventie. a. Welke wettelijke eisen zijn er aan brandblusmiddelen gesteld? b. Welke controlewerkzaamheden kunnen bedrijven zelf erbij doen? 9. Brandblussers zijn er in allerlei soorten en maten en hebben een bepaalde geschiktheid naar de soort brand. a. Wat bepaalt de keuze van het type brandblusmiddel? b. Wat bepaalt het aantal brandblusmiddelen? c. Wat is de specifieke geschiktheid van brandblussers en waar ligt hun beperking? d. Deel de brandblussers in naar brandklassen. e. Deel de brandblussers in naar de verschillende typen. 10. Blusapparatuur a. Welke eisen zijn er gesteld aan het hebben van blusapparatuur? En de plaatsen waar ze zich moeten bevinden? b. Welke instantie controleert dat? c. Klopt dit met de situatie van het bedrijf waar je werkt? 11. Blusapparatuur a. Noem de meest voorkomende brandblusapparatuur bij (bedrijfs)autobedrijven. b. In hoeverre zijn deze aanwezig in het bedrijf waar je werkt? 12. Op iedere brandblusser staat de aanduiding van de brandklasse waarvoor deze bedoeld is. Weet je gelijk welk soort brand je ermee kunt blussen. Is dat voldoende om een brand met een brandblusser te kunnen blussen? Motiveer je antwoord. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 76

77 13. Poederblussers a. Noem een brandsoort waarop je de poederblusser kunt inzetten. b. Noem ook waarop dit niet mogelijk is. c. Noem een voordeel en een nadeel ten opzichte van brandblussers met andere blusstoffen. 14. (Sproei)schuimblussers a. Noem een brandsoort waarop je de schuimblusser kunt inzetten. b. Noem ook waarop dit niet mogelijk is. c. Noem een voordeel en een nadeel ten opzichte van brandblussers met andere blusstoffen. 15. CO 2 -blussers a. Noem een brandsoort waarop je de CO 2 -blusser kunt inzetten. b. Noem ook waarop dit niet mogelijk is. c. Noem een voordeel en een nadeel ten opzichte van brandblussers met andere blusstoffen. 16. In het autobedrijf zijn ook brandslangen aanwezig. a. Welk soort branden kun je met water blussen? b. Noem een voordeel en een nadeel van het blussen met water. 17. Omschrijf de werking van een sprinklerinstallatie. 18. Waarvoor is een blusdeken geschikt? Hoe ga je hiermee om als je er een brand mee wilt doven? 19. Noem de brandblusmiddelen die bij branden in autobedrijven ingezet kunnen worden. 20. Water als blusmiddel a. Noem de voor- en nadelen van water als blusmiddel. b. Waarop berust de werking van dit blusmiddel? c. Welke brandklasse(n) kun(nen) je ermee doven? d. En wanneer moet je water nooit als blusmiddel gebruiken? 21. Poeder als blusmiddel a. Noem de voor- en nadelen van poeder als blusmiddel. b. Waarop berust de werking van dit blusmiddel? c. Welke brandklasse(n) kun(nen) je ermee doven? d. En wanneer moet je poeder nooit als blusmiddel gebruiken? 22. Schuim als blusmiddel a. Noem de voor- en nadelen van schuim als blusmiddel. b. Waarop berust de werking van dit blusmiddel? c. Welke brandklasse(n) kun(nen) je ermee doven? d. En wanneer moet je schuim nooit als blusmiddel gebruiken? 23. Koolzuurgas als blusmiddel a. Noem de voor- en nadelen van koolzuurgas als blusmiddel. b. Waarop berust de werking van dit blusmiddel? c. Welke brandklasse(n) kun(nen) je ermee doven? d. En wanneer moet je koolzuurgas nooit als blusmiddel gebruiken? 24. Soms ook wordt zand als blusstof gebruikt. In welke gevallen wordt zand ingezet? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 77

78 25. In autobedrijven kan door de aanwezigheid van brandbare en explosieve stoffen gemakkelijk brand of explosie ontstaan. Noem ten minste twee situaties waarin dat het geval kan zijn. 26. Omschrijf wat er onder brand wordt verstaan. En wat onder explosie. 27. In de werkplaats van een garagebedrijf komen veel brandgevaarlijke stoffen voor. Noemde 3 groepen van brandgevaarlijke stoffen en geef bij elke groep 2 brandgevaarlijke stoffen. 28. Branddriehoek a. Het basisprincipe van brand wordt vaak voorgesteld door de zogenaamde branddriehoek. Motiveer dit. b. En als je een van de factoren weg haalt, bestrijdt je de brand. Motiveer dit ook. 29. Vlampunt a. Het vlampunt speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van brand. Motiveer dit. b. En omschrijf of definieer tevens wat er onder wet vlampunt wordt verstaan. c. En wat is het verschil met de zelfontbrandingstemperatuur? 30. Waarom is benzine een brand en explosie gevaarlijkere stof dan dieselolie? 31. Noem twee explosieve situaties in de werkplaats. 32. Brandbestrijding berust op het weghalen van een van de factoren van de branddriehoek. Motiveer deze bewering voor elke factor. En geef er een voorbeeld bij. 33. Behalve de branddriehoek wordt bij brandbestrijding ook wel de brandvijfhoek gehanteerd. Met welke 2 factoren heeft de brandvijfhoek zijn uitbreiding en welke brandbestrijdingsmethoden worden hierop toegepast? 34. Branden zijn ingedeeld naar brandklassen. a. Waarom heeft men deze indeling gemaakt? b. Noem de brandklassen. Geef van elk een omschrijving en met welke blusstof er naar brandklasse geblust moet worden. 35. Omschrijf hoe je tewerk gaat bij het blussen van: a. A-branden, b. B-branden, en c. C-branden. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 78

79 16.6 Inrichting werkplek 1. Werkpleknormen a. Noem tenminste 3 aandachtspunten waarmee rekening moet worden gehouden bij de inrichting van werkplekken van garagebedrijven. b. Noem tenminste 3 soorten onderdelen uit het Arbobesluit en daarvan 2 aspecten die betrekking hebben op de inrichting van werkplekken van garagebedrijven. 2. Naast de directe werkplekken van werknemers zijn er in een bedrijfsomgeving ook andere soorten ruimten nodig om aan de standaard functionalitietsbehoeften van de werknemers te voldoen. Noem ten minste 2 van dergelijke ruimten en geef daarbij aan welke eisen deze moeten voldoen. 3. Noem ten minste drie eisen die aan elektrische installaties gesteld worden. 4. Noem ten minste twee eisen die aan vluchtwegen en nooduitgangen gesteld worden. 5. Noem ten minste twee eisen die aan brandmelding en brandbestrijding gesteld worden. 6. Noem ten minste vijf maatregelen die je werkgever ten aanzien van brandpreventie moet nemen. 7. Noem ten minste twee eisen die aan vloeren, muren en plafonds van arbeidsplaatsen gesteld worden. 8. Noem ten minste twee eisen die aan afmetingen en luchtvolume van ruimten en bewegingsruimte op arbeidsplaatsen gesteld worden. 9. Noem ten minste twee eisen die aan ontspanningsruimten gesteld worden. 10. Noem ten minste twee eisen die aan kleedruimten gesteld worden. 11. Noem ten minste twee eisen die aan wasgelegenheden en doucheruimten gesteld worden. 12. Noem ten minste twee eisen die aan toiletten, urinoirs en wasbakken gesteld worden. 13. Op welke wijze is in de Arbowet de eerste hulppost geregeld? Is dit in overeenstemming met de wijze waarop je werkgever dit geregeld heeft? 14. Controleer of de inhoud van de bedrijfsverbandset overeenkomt met die volgens de arboeisen. 15. Om preventie en veiligheid te bevorderen zijn in bedrijven signalisatieborden geplaatst. Noem ten minste twee groepen van verplichte signalisatieborden. Is dit in overeenstemming met het bedrijf waar je werkt? 16. De ondernemer kan ook niet-verplichte signalisatieborden plaatsen. Met welke reden doet hij dat? Geef daarvan twee voorbeelden van het bedrijf waar je werkt. 17. Welke eisen worden er aan (verplichte) pictogrammen gesteld? 18. Welke eisen zijn er aan (verplichte) signalisatieborden gesteld? 19. Geef de kleurcodering van de verplichte signalisatieborden. 20. Noem ten minste vier categorieën van signalisatieborden. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 79

80 21. Vertel van verbodsborden: waarvoor ze dienen; welke vorm en kleur ze hebben; welke soorten er zijn (ten minste drie); waar ze behoren te hangen. 22. Doe hetzelfde als vraag 20 maar dan voor: de waarschuwingsborden; de gebodsborden; de reddingsborden; de borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal; aanwijzingspictogrammen; waarschuwingspictogrammen. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 80

81 16.7 Gevaarlijke stoffen 1. Veilig werken heeft te maken met zorgvuldigheid, ordelijkheid en zindelijkheid. Beredeneer of deze bewering juist is. 2. Noem ten minste vijf gevaarlijke stoffen waarmee je in de werkplaats in aanraking kunt komen. Noem ook de organen en/of lichaamsdelen waarop de door jou genoemde stoffen invloed hebben. 3. Omschrijf wat een gevaarlijke stof is. 4. Gevaarlijke stoffen kunnen ook een bestanddeel van een product zijn. Noem twee van dergelijke producten. 5. Gevaarlijke stoffen kunnen ook tijdens het werken ontstaan. Noem hiervan twee voorbeelden. 6. Gevaarlijke stoffen kunnen zowel gassen, vloeistoffen als vaste stoffen zijn. a. Noem twee soorten gevaarlijke vaste stoffen waarmee je in aanraking kunt komen. Omschrijf welke invloed ze op je gezondheid kunnen hebben. Omschrijf hoe je ermee om moet gaan. b. Noem twee soorten gevaarlijke vloeistoffen waarmee je in aanraking kunt komen. Omschrijf welke invloed ze op je gezondheid kunnen hebben. Omschrijf hoe je ermee om moet gaan. c. Noem twee soorten gevaarlijke gassen waarmee je in aanraking kunt komen. Omschrijf welke invloed ze op je gezondheid kunnen hebben. Omschrijf hoe je ermee om moet gaan. 7. Hoe zijn gevaarlijke stoffen te herkennen? 8. Wat is de reden van het verlaten van de Europese gevaarsymbolen en het invoeren van GHS-systeem? 9. Wat betekenen de R- en S-zinnen volgens de EU-indeling en H- en P-zinnen volgens de GHSindeling? 10. Maak een vergelijkende overeenkomst tussen de EU-symbolen en de GHS-symbolen. 11. Welke functie heeft het veiligheidsinformatieblad (VIB)? 12. Er zijn stoffen die gevaarlijk zijn, maar niet onder de Wet Milieugevaarlijke Stoffen (WMS) vallen. Noem zo n gevaarlijke stof inclusief de etikettering ervan. 13. Noem twee criteria waarvan het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg afhankelijk is. 14. Op welke manier is de herkenning van gevaarlijke stoffen geregeld voor het wegvervoer waarbij de gevaarlijke stoffen losgesort worden vervoerd? Hoe ziet het Kemlerbord er uit voor het vervoer van LPG, benzine en dieselolie? Duid ook de cijfercodes. 15. Welke functie(s) hebben de GEVI-coden en UN-code? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 81

82 16. Behalve het Kemlerbord is er nog een tweede labeling verplicht. De wet- en regelgeving schrijft labels voor over het vervoer van gevaarlijke stoffen in vrachtwagens met colli. Daarvoor wordt de indeling in gevarenklassen van de UN toegepast. Omschrijf hoe de indeling in gevarenklassen is geregeld en geef daarbij ook de indeling van de labels weer. 17. Er bestaat nog een gevarenaanduiding voor opslag van gevaarlijke stoffen. Om welke gevarenaanduiding gaat het hier en op welke wijze is deze ingedeeld? 18. Als je met gevaarlijke stoffen in aanraking komt, moeten er zodanige voorzieningen worden getroffen dat het gevaar ervan zoveel mogelijk wordt vermeden. Als zich desondanks een ongewilde gebeurtenis voordoet, moeten er voorzieningen getroffen zijn die de gevolgen daarvan zoveel mogelijk beperken. Noem de maatregelen die getroffen kunnen worden waardoor ongewilde gebeurtenissen tot een minimum te beperken zijn. 19. Het kan zijn dat voor de continuïteit van het productieproces gevaarlijke stoffen aanwezig moeten zijn. Welke voorzieningen kunnen er getroffen worden om de gevolgen bij een calamiteit zoveel mogelijk te beperken. Omschrijf ook hoe je ermee om moet gaan. 20. Welke maatregelen heeft jouw werkgever getroffen, dat je bij de uitoefening van je arbeid niet onnodig wordt blootgesteld aan schadelijke stoffen of er hinder van ondervindt? 21. Als je toch aan schadelijke stoffen wordt blootgesteld, welke maatregelen moeten er dan genomen zijn om schade aan je gezondheid te voorkomen? 22. Als je in aanraking komt met accuzuur, welke algemene maatregelen moet je dan nemen om nog meer (blijvende) gezondheidsschade te voorkomen? 23. Waarom moet de min-kabel van de accu losgehaald worden tijdens reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische installatie? 24. Waarom moet je nooit je handen ontvetten of wassen met benzine? Welke R- en S-zinnen heeft benzine? Zoek dit via het Internet op. 25. Vluchtige organische stoffen a. Wat wordt er onder vluchtige organische stoffen verstaan? b. Noem er 2 voorbeelden van waarmee je in de werkplaats in aanraking kunt komen. c. Noem 2 gevaren die vluchtige organische stoffen met zich kunnen meebrengen. d. Welke gezondheidsschade kan er door ontstaan bij langdurige blootstelling aan deze stoffen? e. Wat is de betekenis van grenswaarden bij deze stoffen? 26. Benzeen a. Wat is benzeen voor een soort stof? b. Waar komst benzeen in voor waardoor je ermee in aanraking komt bij werkzaamheden in de werkplaats? c. Welke negatieve gezondheidseffecten hebben benzeen? 27. Als rem- of koppelingsvoeringen asbest bevatten, hoe moet je hiermee omgaan als je deze moet vervangen? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 82

83 28. Wat zijn biologische agentia? Welke gezondheidsschade kunnen deze stoffen aanrichten? 29. Noem twee soorten biologische agentia waarmee je in de werkplaats in aanraking kunt komen. Wat merk je aan je organen als je eraan blootgesteld wordt? 30. Noem ten minste vijf vuistregels voor het werken met gevaarlijke stoffen. 31. De wettelijke verplichting tot het aanbrengen van een veiligheidsetiket geldt niet voor alle gevaarlijke producten of stoffen. Neem daarom, als je weet of vermoedt dat je met een gevaarlijke stof werkt, altijd een aantal vuistregels in acht. Noem ten minste 4 vuistregels. En als je niet weet of de stof gevaarlijk is, of je twijfet, hoe kun je dan toch zekerheid daarover verkrijgen? 32. Omschrijf wat we verstaan onder irritatie en vergiftiging wanneer we in aanraking zijn gekomen met een gevaarlijke stof. 33. Van stoffen met R36-zinnen kunnen ogen geïrriteerd raken. Zoek via het Internet een stof op met een R36-zin. Wat merk je aan je ogen als je R36-stof erin hebt gekregen? 34. Noem ten minste twee mogelijkheden waardoor irritatie of vergiftiging via de mond kunt oplopen. Noem twee hygiënemaatregelen waardoor dit te voorkomen is. 35. Aan een slang benzine opzuigen, kan schadelijk zijn. Wat moet je doen en wat moet je nalaten als dit toch is gebeurd? 36. Van stoffen met R38-zinnen kan de huid geïrriteerd raken. Zoek via het Internet een stof op met een R38-zin. Wat merk je aan je huid als je R38-stof erop hebt gekregen? 37. Op welke wijze wordt een R-38-stof in je lichaam opgenomen? Wanneer spreekt men van langetermijngevolgen? 38. Als (bedrijfs)autotechnicus kun je van bepaalde stoffen eczeem krijgen. Hoe merk je dat aan je huid? Wat kun je er tegen doen? 39. Welke organen kunnen via de luchtwegen geïrriteerd of vergiftigd worden? 40. Van stoffen met R37-zinnen kunnen de luchtwegen geïrriteerd raken. Zoek via het Internet een stof op met een R37-zin. Wat merk je als je een R37-stof hebt ingeademd? 41. Noem twee stoffen die je luchtwegen irriteren waarmee je als (bedrijfs)autotechnicus in aanraking kunt komen. 42. Wat wordt er onder acute vergiftiging verstaan? Hoe loop je dit op? En hoe moet je er dan naar handelen? 43. Wat is een chronische vergiftiging? Hoe loop je dit op? En hoe moet je er dan naar handelen? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 83

84 44. Op welke wijze wordt in het bedrijf kenbaar gemaakt dat je (op bepaalde plaatsen) met gevaarlijke stoffen te maken hebt? 45. Noem ten minste vier soorten gebodsborden. Geef aan waar je deze in de werkplaats kunt aantreffen. En geef aan aan welke verplichtingen je moet voldoen. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 84

85 16.8 Persoonlijke beschermingmiddelen 1. Aan welke algemene voorwaarden moeten persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM s) voldoen? 2. Waarvoor dienen persoonlijke beschermingsmiddelen? 3. Noem ten minste twee eisen waaraan PBM s moeten voldoen. 4. Noem ten minste twee gezondheidsrisico s waartegen PBS s je moeten beschermen. 5. Noem ten minste twee verplichtingen van je werkgever voor het dragen van PBM s. 6. Als jij ondanks de verplichting van je werkgever geen PBM s draagt of verkeerd gebruikt, welke mogelijke sancties staan daar dan op. 7. Jij kunt zelf ook arbeidsrisico s beperken door goede PBM s juist toe te passen. Noem ten minste drie voorwaarden. 8. Noem ten minste twee eisen waaraan PBM s moeten voldoen. 9. Noem ten minste twee gezondheidsrisico s waartegen PBS s je moeten beschermen. 10. Noem ten minste twee verplichtingen van je werkgever voor het dragen van PBM s. 11. Als jij ondanks de verplichting van je werkgever geen PBM s draagt of verkeerd gebruikt, welke mogelijke sancties staan daar dan op. 12. Jij kunt zelf ook arbeidsrisico s beperken door goede PBM s juist toe te passen. Noem ten minste drie voorwaarden. 13. Wat is een passief beschermingsmiddel. Noem er twee voorbeelden van. 14. Geef een voorbeeld van je arbeidssituatie dat je ondanks het dragen van de PBM s toch letsel of andere gezondheidsschade hebt opgelopen. Was dat te voorkomen? Hoe dan? En zo niet, waarom niet? 15. Wat houdt de zorgplicht volgens de Arbowet in ten aanzien van PBM s? 16. Gezondheid, hygiëne en onderhoud zijn onderdelen van de zorgplicht voor PBM s. Omschrijf wat dit inhoudt voor de PBM s die jij gebruikt. 17. Geef vier voorbeelden van veiligheidssignalering. En geef vier voorbeelden van gezondheidssignalering. 18. Voor de lichaamsbescherming ben je verplicht werkkleding te dragen. Welke functies heeft werkkleding nog meer? 19. Jouw overall is te groot en slobbert om je lichaam. Waarom is dit gevaarlijk? 20. Noem twee omstandigheden waarin jij werkhandschoenen draagt. 21. Noem de drie categorieën waarin werkhandschoenen zijn ingedeeld. 22. Waarom is het dragen van ringen en kettingen in de werkplaats gevaarlijk? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 85

86 23. Noem de vijf categorieën waarin veiligheidsschoenen zijn ingedeeld. 24. Noem de categorie werkschoenen die jij in de werkplaats draagt. Voldoet deze schoen aan jouw arbeidsomstandigheden? 25. Welke soorten gelaatsbescherming moet je dragen bij het vullen van accu s en (elektrisch) lassen? Zoek op Internet er de voorbeelden bij. 26. Waarom zit er in een laskap een glaasje dat ultra violette straling tegenhoudt? 27. Noem ten minste twee soorten werkzaamheden waarbij je oogbescherming moet dragen. Noem een verplichting die jouw werkgever heeft ten aanzien deze PBM. En noem een verplichting die jij zelf hebt ten aanzien van deze PBM. 28. Noem ten minste twee soorten veiligheidsbrillen. Geef ook aan waarbij ze worden ingezet. 29. Welke vuistregel kun je hanteren om vast te stellen dat je gehoorbeschermingsmiddelen moet gebruiken? 30. Noem een verplichting van werkgevers dat ze hun werknemers het dragen van gehoorbescherming verplichten. Noem ook een verplichting die je zelf hebt voor het dragen van een gehoorbeschermingsmiddel. 31. Noem de twee soorten gehoorbeschermingsmiddelen. Geef van elk een voorbeeld wanneer je deze draagt. 32. Noem ten minste twee omstandigheden waarin je een ademhalingsbeschermingsmiddel moet dragen. 33. Noem een verplichting van werkgevers dat ze hun werknemers het dragen van ademhalingsbescherming verplichten. Noem ook een verplichting die je zelf hebt voor het dragen van een ademhalingsbeschermingsmiddel. 34. Noem ten minste twee soorten ademhalingsbeschermingsmiddel. Geef ook aan in welke omstandigheden deze ademhalingsbeschermingsmiddelen gebruikt moeten worden. 35. Maak in overleg met je praktijkopleider een lijst van alle persoonlijke beschermingsmiddelen die in jouw bedrijf aanwezig zijn. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 86

87 16.9 Fysieke belasting 1. Noem ten minste twee arbeidsfactoren die fysieke overbelasting moeten voorkomen. 2. Als er risico bestaat voor fysieke overbelasting, dan moet je werkgever je hierover voorlichten. Noem ten minste een algemene maatregel. 3. Als je tijdens je werk langdurig moet staan, moet je werkgever een voldoende aantal doelmatige zitgelegenheden ter beschikking stellen. Hoe is dat op jouw werkplek geregeld? 4. Jouw werkgever moet zorgen dat de fysieke belasting van de arbeid geen gevaar oplevert voor je veiligheid en gezondheid. Noem ten minste twee maatregelen hoe hij dit kan bereiken. 5. Als je fysiek zwaar werk doet, dan moet jouw werkgever een aantal controles doen. Noem deze. 6. Op welke wijze wordt in de RI&E aandacht besteedt aan fysieke belasting? 7. Noem ten minste vijf tips bij goed tillen. 8. Kun je motiveren waarom duwen beter voor je lichaam is dan trekken? 9. Tot welke lichamelijke klachten kan veel staand werk leiden? 10. Op welke wijze wordt in de RI&E aandacht besteedt aan staan als fysieke belasting? 11. Omschrijf wat ergonomie is en met welke zaken het zich bezig houdt. Kun je ook vertellen wat de reden is waarom ergonomie ontstaan is. 12. Noem ten minste vijf toepassingsgebieden waarop ergonomie zich richt. Geef van de door jou vijf genoemde toepassingsgebieden aan in hoeverre deze invloed hebben op arbeidssituatie (werkplek en lichaam). 13. Ergonomie houdt zich bezig met de anatomie van ons lichaam. Leg uit wat dit betekent. Geef ten minste twee situaties waarin dit op jouw werk van toepassing is. En geef daarvoor de ergonomische oplossingen. 14. Ergonomie houdt zich bezig met de fysiologie van ons lichaam. Leg uit wat dit betekent. Denk daarbij aan dynamische en statische spierarbeid. Geef ten minste twee situaties waarin dit op jouw werk van toepassing is. En geef daarvoor de ergonomische oplossingen. 15. Ergonomie houdt zich bezig met psychologie. Leg uit wat dit betekent. Noem een situatie waarin dit op jouw van toepassing is. En geef daarvoor een ergonomische oplossingen. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 87

88 16.10 Fysische factoren 1. Wat wordt er bedoeld met fysische factoren? Noem er ten minste drie. 2. Het klimaat op jouw arbeidsplaats bestaat uit een aantal factoren. Noem deze factoren. 3. Noem ten minste twee maatregelen die jouw werkgever kan nemen tegen gezondheidsschade ten gevolge van kou, warmte, vocht en tocht. 4. Noem ten minste drie maatregelen die je zelf kunt nemen tegen gezondheidsschade ten gevolge van kou, warmte, vocht en tocht. 5. Voor luchtverversing kun je natuurlijk de roldeur open zetten. Maar daarmee verdwijnt in het koude jaargetijde onnodig veel warmte. Hoe is de luchtverversing in het koude jaargetijde bij jouw bedrijf geregeld? 6. De arbeidsplaats moet juist verlicht zijn (dag- en kunstlicht) om efficiënt te kunnen werken. Motiveer de juistheid van deze bewering. 7. Om intensiteit van geluid te kunnen duiden, moet je dit definiëren. Noem de drie begrippen. En geef van elk een voorbeeld. 8. Om doofheid te voorkomen, zijn er grenzen gesteld aan het maximale geluidsniveau en geluidsdrukniveau. Op welke wijze zijn deze grenzen aangegeven? 9. Als de grenzen van het maximale geluidsniveau en geluidsdrukniveau overschreden worden, moet je gehoorbescherming dragen. Geef een voorbeeld waarbij je dit op jouw arbeidsplaats doet. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 88

89 16.11 Psychosociale belasting 1. Psychosociale belasting a. Wat is psychosociale arbeidsbelasting? b. Noem er ten minste drie vormen van. c. Noem ten minste twee voorbeelden van de manier waarop zich dat voordoet. 2. Als je op psychosociaal gebied informatie of hulp nodig hebt, noem dan ten minste drie instanties waarbij je terecht kunt en wat ze voor je kunnen betekenen. 3. Op je werk kun je te maken krijgen met (seksuele) intimidatie. Wat wordt er verstaan onder intimidatie? En wat is het zeker niet? 4. Op je werk kun je te maken krijgen met suggestieve opmerkingen. a. Wat wordt er verstaan onder suggestieve opmerkingen? b. Noem een voorbeeld van een suggestieve opmerking. 5. Op je werk kun je te maken krijgen met emotionele chantage. a. Wat wordt er verstaan onder emotionele chantage? b. Noem een voorbeeld van emotionele chantage. 6. Noem ten minste drie vormen van seksuele intimidatie. 7. Seksuele intimidatie a. Op welke manier zijn werkgevers volgens de Arbowet verplicht jou te beschermen tegen seksuele intimidatie? b. Noem ten minste twee maatregelen die werkgevers daarvoor kunnen treffen. c. En kun (durf) je vertellen hoe dit in jouw bedrijf geregeld is? 8. Omschrijf hoe je zelf met seksuele intimidatie kunt omgaan. 9. Als je getroffen wordt door seksuele intimidatie, bij wie zou je dan het liefst een klacht indienen of aangifte doen? a. Bij iemand van het bedrijf waar je werkt (jouw directe chef, de personeelsfunctionaris, het management of de directie, de bedrijfsarts). b. Bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). c. Bij de rechter. d. Bij de politie. Natuurlijk hangt het van de zwaarte van het vergrijp af. Maar ook jou eigen mening telt. 10. Op je werkplek kun je te maken krijgen met agressie en geweld. Noem ten minste twee vormen van geweld. 11. Volgens de Arbowet moet jouw werkgever ervoor zorgen dat je geen psychosociale schade oploopt ten gevolge van agressie of geweld. a. Noem ten minste twee maatregelen die jouw werkgever daartoe kan nemen. b. En hoe is dit in het bedrijf geregeld waar je werkt? 12. Op welke wijze kun je zelf maatregelen nemen tegen agressie en geweld? 13. Op je werk kun je te maken krijgen met pestgedrag door collega s, je leidinggevende of door klanten. Met welk doel doet men dit eigenlijk? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 89

90 14. Pesten a. Noem ten minste twee voorbeelden of vormen van pesten. b. Noem ook een voorbeeld van wat pesten beslist niet is. c. Tot welke gezondheidsschade kan pesten uiteindelijk leiden? 15. Volgens de Arbowet moet jouw werkgever ervoor zorgen dat je geen psychosociale schade oploopt ten gevolge van pesten. a. Noem ten minste twee maatregelen die jouw werkgever daartoe kan nemen. b. En hoe is dit in het bedrijf geregeld waar je werkt? 16. Op welke wijze kun je zelf maatregelen nemen tegen pesten? 17. Werkdruk en werkstress a. Wat is het verschil tussen werkdruk en werkstress? b. Welke relatie is er tussen werkdruk en werkstress? 18. Werkdruk en werkstress a. Noem ten minste twee situaties waardoor werkdruk kan ontstaan. b. Noem ten minste twee situaties waardoor werkstress kan ontstaan. c. Tot welke lichamelijke en/of psychische klachten leidt werkdruk of werkstress? d. Hoe kun je werkdruk en werkstress signaleren? 19. Volgens de Arbowet moet jouw werkgever ervoor zorgen dat je geen psychosociale schade oploopt ten gevolge van overmatige werkdruk of werkstress. a. Noem ten minste twee maatregelen die jouw werkgever daartoe kan nemen. b. En hoe is dit in het bedrijf geregeld waar je werkt? c. Hoe kun je er zelf toe bijdragen hoge werkdruk te voorkomen? 20. De Arbeidstijdenwet (ATW) regelt hoe lang je achtereen mag werken en wanneer je recht hebt op pauze of rusttijd. Noem ten minste twee verplichtingen die je werkgever daarvoor heeft. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 90

91 17. Milieu 17.1 Wet Milieubeheer 1. Wat is het doel van de Wet Milieubeheer? 2. De Wet Milieubeheer is een raamwet of kaderwet. Wat houdt dat in? Vertel ook waarom de WM zo is opgebouwd en welke rol de uitvoeringsbesluiten daarbij spelen. 3. Milieuzorgsysteem a. Wat is een milieuzorgsysteem? b. Welke 2 uitgangspunten staan bij een milieuzorgsysteem centraal? c. Welke voordelen zijn er te behalen met een milieuzorgsysteem? d. Waarom is het efficiënter en effectiever om het milieuzorgsysteem onderdeel te laten zijn van het KAM-systeem? e. Welke rol speelt ISO in het milieuzorgsysteem? 4. Wat wordt er met betrekking tot afvalstoffen in de WM verstaan onder: a. afval; b. een ieder; c. handelingen? 5. Teken en benoem de treden van de ladder van Lansink in volgorde van de minste naar de zwaarste milieubelasting. Vertel ook wat iedere trede inhoudt. 6. Als mens belasten wij de aarde met een ecologische voetafdruk. Omschrijf wat dit inhoudt. Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 91

92 17.2 Milieuzorg 1. Wat verstaat de WM onder milieuzorgsysteem of milieumanagementsysteem? En welk doel wordt hierbij nagestreefd? 2. Motiveer waarom Arbo en Milieu veel raakvlakken met elkaar hebben. Geef daarbij ten minste een voorbeeld. 3. Welk gespecialiseerd bedrijf in het verwijderen van afval ondersteunt hierin het (bedrijfs)autobedrijf waar je werkt of stage loopt? Welke afvalstoffen wordt door dit bedrijf opgehaald? 4. Noem ten minste drie onderdelen die in het milieuzorgsysteem (KAM-systeem) zijn opgenomen. 5. Noem ten minste drie aspecten hoe je met de afvalstromen in de werkplaats moet omgaan. 6. Afvalpreventie a. Motiveer waarom afvalpreventie de hoogste trede van de ladder van Lansink is. b. Geef een voorbeeld van afvalpreventie en omschrijf het gunstige effect van het door jou gegeven voorbeeld. c. Afvalpreventie richt zich op het voorkomen dan wel het beperken van het ontstaan van afvalstoffen (inclusief afvalwater) (kwantitatief) en het verminderen van de milieuschadelijkheid van afvalstoffen (kwalitatief). Het ontstaan van afval moet zoveel mogelijk bij de bron worden voorkomen. Hoe kan dit worden gerealiseerd? 7. In de gevallen dat het ontstaan van afval niet te voorkomen is, moet aan hergebruik de voorkeur worden gegeven (de op een na hoogste trede van de ladder van Lansink). a. Definieer (evt. met eigen woorden) wat er onder afvalhergebruit wordt verstaan. b. Definieer (evt. met eigen woorden) wat er onder afvalstoffen wordt verstaan. c. Bij afvalhergebruik kan onderscheid gemaakt worden tussen producthergebruik en materiaalhergebruik. Licht het verschil tussen beide vormen van afvalhergebruik toe. d. Wat is de voorwaarde voor afvalhergebruik? Motiveer je antwoord. e. En als afvalhergebruik niet meer mogelijk is, hoe wordt er dan met het restafval omgegaan? 8. Geef een voorbeeld van afvalhergebruik van een motorvoertuigonderdeel. 9. Afvalscheiding a. Wat is afvalscheiding? b. Wat is het doel van afvalscheiding? c. Wanneer is afvalscheiding redelijk? d. Wat is bronscheiding en wat is het doel hiervan? 10. De afvalinzameling bij motorvoertuigbedrijven bestaat voornamelijk uit het afvoeren van reststoffen die vrijkomen bij het onderhoud of reparatie van voertuigen. Het inzamel- en afvoerbedrijf zorgt er voor dat de afvalstromen met speciale inzamelmiddelen netjes en centraal kunnen worden verzameld en aangeboden ter verwerking. a. Noem ten minste 5 van de meest voorkomende afvalstromen. b. Welke gevolgen heeft dit voor de afvalopslag? 11. Oliën en smeermiddelen zijn brandbare stoffen en bovendien zijn het bodemverontreinigende stoffen. Daardoor vallen ze onder de gevaarlijke stoffen van de Wet milieubeheer. Welke eisen brengt dit met zich mee? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 92

93 12. Welke maatregelen zijn er genomen om calamiteiten met opgeslagen oliën te voorkomen? 13. Op welke wijze is de opslag van nieuwe oliën geregeld inclusief het transport naar de werkplaats? 14. Op welke wijze is de opslag van afgewerkte oliën geregeld inclusief het transport naar de opslagplaats? 15. Op welke wijze wordt bij jou in het bedrijf de motorolie afgetapt of afgezogen, opgevangen, afgevoerd en opgeslagen? 16. Afgewerkte olie wordt ingedeeld in categorieën van herbruikbaarheid. In het algemeen hebben we in (bedrijfs)autobedrijven te maken met de categorie III olie. a. Wat houdt deze categorie aan afgewerkte olie in? b. Waarom moet je afgewerkte olie niet met andere vloeistoffen (bv. remvloeistof, koelvloeistof) vermengen? 17. Tot welke nieuwe toepassingen worden afgewerkte oliën gerecycled? 18. Op juiste wijze opgeslagen oliën en het op juiste wijze ermee omgaan, voorkomen dat bij een calamiteit (lekkage, brand) er een extra gevaar is voor mens en milieu. Door schoon te werken is er minder gevaar voor uitglijden (door gemorste olie). Maar als er dan toch olie is gemorst, welke maatregelen neem je dan bij het opruimen ervan? 19. Noem de twee manieren waarop oude olie- en brandstoffilters kunnen worden afgevoerd. Vertel de handelingen die daarbij verricht worden en motiveer welke manier van afvoeren volgens jou de voorkeur heeft. 20. Omschrijf welke nieuwe toepassingen er mogelijk zijn van de gerecyclede filters. 21. Bij ontvettings- ofwel oplosmiddelen moeten rekening houden met zowel de Arbowet als de Wet Milieubeheer. Omschrijf op welke wijze je met de bepalingen van beide wetten rekening houdt. 22. Worden er in het bedrijf waar je werkt ontvettingsmiddelen gebruikt die beslist niet in de olie- en waterafscheider terecht mogen komen? Op welke wijze worden deze stoffen opgeslagen en afgevoerd? 23. Wat maakt een ontvettingsmiddel tot een milieuvriendelijk ontvettingsmiddel? Vertel ook de werking ervan. 24. Als er in het bedrijf waar je werkt een Rotocleaner wordt toepast, wat voor een soort vloeistof zit er dan in? Vertel ook hoe je met deze vloeistof moet omgaan betreffende je gezondheid en het milieu. 25. Hoe luiden de regels van het asbestverwijderingsbesluit? 26. Bij welke (bedrijf)auto-onderdelen en tot welk jaartal kun je in aanraking komen met asbest? 27. Hoe herken je asbesthoudend materiaal en hoe moet je ermee omgaan? 28. De tijd dat we nog met R134a-koelmiddel te maken hebben, moeten we deze vloeistof volgens de wettelijke regels aan airco s onttrekken en toevoegen. Hoe dient dit te gebeuren? 29. Hoe moet je met oude autobanden als afval omgaan? 30. Op welke manier wordt het bandenmateriaal hergebruikt? 31. Waarom zijn banden geen gevaarlijk afval en accu s wel? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 93

94 32. Hoe moet je met oude accu s als afval omgaan? 33. Op welke manier wordt het accumateriaal hergebruikt? 34. Hoe moet je met koel- en ruitensproeiervloeistoffen als afval omgaan? 35. Op welke manier worden de oude koel- en ruitensproeiervloeistoffen hergebruikt? 36. Hoe moet je met oude remvloeistoffen als afval omgaan? 37. Op welke manier worden de remvloeistoffen hergebruikt? 38. Hoe moet je omgaan met afval van de volgende auto-onderdelen: a. Katalysatoren en roetfilters; b. Autoruiten; c. IJzer van auto s; d. LPG-tanks; e. Kunststof van auto s; f. Veiligheidsgordels; g. Wieldoppen; h. Rubberen strips; i. Grills; j. Bumpers. 39. Op welke manier worden de bovengenoemde auto-onderdelen hergebruikt? 40. Hoe moet je met vervuilde poetsdoeken omgaan? 41. Op welke manier worden vervuilde poetsdoeken hergebruikt? 42. Hoe moet je met veegvuil omgaan? 43. Hoe moet je met vervuilde absorptiekorrels omgaan? 44. Op welke manier worden vervuilde absorptiekorrels worden hergebruikt? 45. Vanwege de bodembescherming moeten garagebedrijven en autowasbedrijven voorzien zijn van een vloeistofdichte vloer. a. Hoe is deze bodembeschermende voorziening is in het Activiteitenbesluit gedefinieerd? b. Welke eisen zijn er gesteld aan een vloeistofdichte vloer? c. Welke eisen zijn er in dit verband gesteld aan het deconserveren van nieuwe auto s? d. Welke uitzondering geldt hiervoor? 46. Vertel op welke manier je de olieafscheider en slibvangput op verantwoorde wijze gebruikt. 47. Maak een principetekening van een slibvangput, olieafscheider en controleput. Vertel de werking van dit systeem. 48. Wat houdt incidentmanagement in? Als jouw werkgever of stagebedrijf een incidentmanagement heeft, hoe luidt dit dan? 49. Welke voorzieningen moeten getroffen zijn om incidenten als gemorste vloeistoffen correct op te ruimen en uitbreiding van het incident te voorkomen? Uitgeverij Streutker Beroepsvorming, Vragen & Opdrachten 94

Automotivebranche & Automotivebedrijven

Automotivebranche & Automotivebedrijven Automotivebranche & Automotivebedrijven Vragen & Opdrachten ISBN 97894 92062 987 1 ONDERNEMING... 2 1.1 BEGRIPPEN... 2 1.2 BEDRIJF EN MAATSCHAPPIJ... 2 1.3 ECONOMISCHE KRINGLOOP... 3 1.4 ORGANISATIECULTUUR...

Nadere informatie

Hoofdstuk 3 Bedrijfs- en afdelingsorganisatie

Hoofdstuk 3 Bedrijfs- en afdelingsorganisatie Hoofdstuk 3 Bedrijfs- en afdelingsorganisatie Paragraaf 3.1 1. Afdelingsstructuur a. Noem de soorten afdelingen die in bedrijven binnen de mobiliteitsbranche gebruikelijk zijn. b. Onder welke voorwaarden

Nadere informatie

Beroepsvorming Autotechniek Bedrijfsautotechniek Motorfietstechniek K.J. Streutker

Beroepsvorming Autotechniek Bedrijfsautotechniek Motorfietstechniek K.J. Streutker Beroepsvorming Autotechniek Bedrijfsautotechniek Motorfietstechniek K.J. Streutker Beroepsvorming 1 Inhoudsopgave Inleiding: Voertuigtechnici... 7 1 Mobiliteitsbranche... 8 1.1 Ondernemingen in de mobiliteitsbranche

Nadere informatie

OPLEIDING & ONDERNEMING...

OPLEIDING & ONDERNEMING... Beroepsvorming Autotechnicus Bedrijfsautotechnicus Loopbaan & Burgerschap ISBN 97894 92062 987 OPLEIDING & ONDERNEMING... 4 1 ONDERWIJS EN BEDRIJFSLEVEN... 4 1.1 Kwalificatiedossier en L&B-document...

Nadere informatie

Rapportage Competenties. Bea het Voorbeeld. Naam: Datum:

Rapportage Competenties. Bea het Voorbeeld. Naam: Datum: Rapportage Competenties Naam: Bea het Voorbeeld Datum: 24.03.2016 Email: [email protected] Bea het Voorbeeld / 24.03.2016 / Competenties (QPN) 2 Inleiding In dit rapport wordt ingegaan op de competenties

Nadere informatie

360 feedback assessment

360 feedback assessment 360 feedback assessment Naam : Jan Voorbeeld Datum rapportage : oktober 2013 Opdrachtgever : Organisatie Contactpersoon : Ellen Roosen Mpact Training & Advies Overwaard 13, 4205 PA Gorinchem Nederland

Nadere informatie

Trainingen en workshops voor praktijkopleiders en leidinggevenden. Jouw talent, onze ambitie!

Trainingen en workshops voor praktijkopleiders en leidinggevenden. Jouw talent, onze ambitie! Trainingen en workshops voor praktijkopleiders en leidinggevenden Jouw talent, onze ambitie! Je vindt het belangrijk om te blijven investeren in je eigen ontwikkeling. Zeker als je nieuwe vaardigheden

Nadere informatie

Vaardigheidsmeter Communicatie

Vaardigheidsmeter Communicatie Vaardigheidsmeter Communicatie Persoonlijke effectiviteit Teamvaardigheden Een goede eerste indruk Zelfempowerment Communiceren binnen een team Teambuilding Assertiviteit Vergaderingen leiden Anderen beïnvloeden

Nadere informatie

Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties

Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties Het gaat om de volgende zeven verandercompetenties. De competenties worden eerst toegelicht en vervolgens in een vragenlijst verwerkt. Veranderkundige

Nadere informatie

Rapportage Competenties. Bea het Voorbeeld. [email protected]. Naam: Datum: 16.06.2015. Email:

Rapportage Competenties. Bea het Voorbeeld. support@meurshrm.nl. Naam: Datum: 16.06.2015. Email: Rapportage Competenties Naam: Bea het Voorbeeld Datum: 16.06.2015 Email: [email protected] Bea het Voorbeeld / 16.06.2015 / Competenties (QPN) 2 Inleiding In dit rapport wordt ingegaan op de competenties

Nadere informatie

P r o e f l e s Overtuigend communiceren en adviseren Thema > Adviseren kan je leren Door Astrid Kies

P r o e f l e s Overtuigend communiceren en adviseren Thema > Adviseren kan je leren Door Astrid Kies Proefles Overtuigend communiceren en adviseren Thema > Adviseren kan je leren Door Astrid Kies Docent van de cursus Overtuigend Communiceren en Adviseren www.secretary.nl/adviseren Inhoudsopgave 1.Standaard

Nadere informatie

360 GRADEN FEEDBACK. Jouw competenties centraal

360 GRADEN FEEDBACK. Jouw competenties centraal 360 GRADEN FEEDBACK Jouw competenties centraal Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Over gedrag en de... 4 3. Totaalresultaten... 5 4. Overzicht scores per competentie... 7 5. Overschatting-/onderschattinganalyse...

Nadere informatie

Competentie Indicator Kandidaat Voorbeeld

Competentie Indicator Kandidaat Voorbeeld Competentie Indicator Kandidaat Voorbeeld Kandidaatcode IFCEE Invoerdatum 23 januari 2015 Online Talent Manager Kandidaat Voorbeeld / IFCEE Pagina 1 van 11 Inleiding Een competentie is kortgezegd een beroepsbekwaamheid.

Nadere informatie

Rapport Voorbeeld adviseur. Voorbeeld adviseur2. voorbeeld Rapportage

Rapport Voorbeeld adviseur. Voorbeeld adviseur2. voorbeeld Rapportage Rapport Voorbeeld adviseur Naam Adviseur Voorbeeld adviseur2 voorbeeld Rapportage Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Sterkte/zwakte-analyse 3. Feedback open vragen 4. Overzicht competenties 5. Detail overzicht

Nadere informatie

Sollicitatie- vragen. De 100 meest gestelde sollicitatievragen

Sollicitatie- vragen. De 100 meest gestelde sollicitatievragen 100 Sollicitatie- vragen De 100 meest gestelde sollicitatievragen 1. Kan je jezelf kort even voorstellen? 2. Hoe kwam je in contact met deze vacature? 3. Kan je me wat meer vertellen over jouw laatste

Nadere informatie

Competenties op het gebied van Management en Leidinggeven

Competenties op het gebied van Management en Leidinggeven P E O P L E I M P R O V E P E R F O R M A N C E Com puterw eg 1,3542 D P U trecht Postbus 1087,3600 BB Maarssen tel.0346-55 90 10 fax 0346-55 90 15 w w w.picom pany.nl servicedesk@ picom pany.nl Het PiCompany

Nadere informatie

Rondvraag. Persoonlijke rapportage van M. Gulden

Rondvraag. Persoonlijke rapportage van M. Gulden Rondvraag Persoonlijke rapportage van M. Gulden Gegevens deelnemer Naam Organisatie Functie B. Smit PiCompany Intern Leraar De Zevensprong Gegevens Rondvraag Datum 31 oktober 2005 Nummer 31721.96907 Profiel

Nadere informatie

(Bedrijfs)Autotechnicus Vragen & Opdrachten

(Bedrijfs)Autotechnicus Vragen & Opdrachten (Bedrijfs)Autotechnicus Vragen & Opdrachten ISBN 97890 74365 826 MODULE 1, OPLEIDING EN ONDERNEMING... 2 1. ONDERWIJS EN BEDRIJFSLEVEN... 2 2. ONDERNEMING... 4 MODULE 2, ORGANISATIE AUTOBEDRIJF... 9 1.

Nadere informatie

Functieprofiel Young Expert

Functieprofiel Young Expert 1 Laatst gewijzigd: 20-7-2015 Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 2 1 Ervaringen opdoen... 3 1.1 Internationale ervaring in Ontwikkelingssamenwerkingsproject (OS)... 3 1.2 Nieuwe vaardigheden... 3 1.3 Intercultureel

Nadere informatie

DEFINITIES COMPETENTIES

DEFINITIES COMPETENTIES DEFINITIES COMPETENTIES A. MENSEN LEIDINGGEVEN A1 Sturen Geeft op een duidelijke manier richting aan een team, neemt de leiding op zich, zet mensen en middelen zodanig in dat doelen met succes worden bereikt.

Nadere informatie

1.1 FUNCTIE SERVICEADVISEUR...

1.1 FUNCTIE SERVICEADVISEUR... ISBN 97894 92062 987 1.1 FUNCTIE SERVICEADVISEUR... 5 1.1.1 BEROEP, FUNCTIE, TAKEN EN WERKZAAMHEDEN... 5 1.1.2 COMPETENTIES IN ORGANISATIES... 6 1.1.3 PLAATS IN DE ORGANISATIE... 9 1.1.4 PERSONEELSSTRUCTUUR...

Nadere informatie

360 feedback rapportage voor de heer J.A. Smit van Jansen & Co

360 feedback rapportage voor de heer J.A. Smit van Jansen & Co 360 feedback rapportage voor de heer J.A. Smit van Jansen & Co 11 februari 2005 Inhoudsopgave 1 Inleiding 1 2 Totaaloverzicht 2 3 Analyse per competentie 3 3.1 Analyseren 3 3.2 Doel- & resultaatgericht

Nadere informatie

Rapport Kwaliteit- & Projectmanagement 360. Test Kandidaat

Rapport Kwaliteit- & Projectmanagement 360. Test Kandidaat Rapport Kwaliteit- & Projectmanagement 360 Naam Test Kandidaat Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Sterkte/zwakte-analyse 3. Feedback open vragen 4. Overzicht competenties 5. Persoonlijk ontwikkelingsplan Inleiding

Nadere informatie

Oefening: Profiel en valkuilen vragenlijst

Oefening: Profiel en valkuilen vragenlijst Oefening: Profiel en valkuilen vragenlijst Dit is een korte vragenlijst die bedoeld is om een aantal van je denkbeelden, attitudes en gedrag in werksituaties in kaart te brengen. Wees zo eerlijk mogelijk

Nadere informatie

THEMA SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Bovenbouw vmbo Bovenbouw havo-vwo

THEMA SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Bovenbouw vmbo Bovenbouw havo-vwo Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Zelf Gevoelens Verbaal en non-verbaal primaire gevoelens beschrijven en uiten. Kwaliteiten Verbaal en non-verbaal beschrijven dat fijne en nare

Nadere informatie

COMPETENTIEPROFIEL MEDEWERKER KEUKEN COZ SINT - JOZEF

COMPETENTIEPROFIEL MEDEWERKER KEUKEN COZ SINT - JOZEF COMPETENTIEPROFIEL MEDEWERKER KEUKEN COZ SINT - JOZEF pg1/5 DOELSTELLINGEN EN SITUERING IN DE ORGANISATIE (cfr organogram) Vanuit onze opdrachtsverklaring is het de taak van elke medewerker om de zorg

Nadere informatie

Rapport: Delegeren is te leren.

Rapport: Delegeren is te leren. Rapport: Delegeren is te leren. Ingrid Jeuring, trainer, coach, spreker 1 Delegeren is te leren. Allereerst bedankt voor het downloaden van dit rapport. Het betekent dat je open staat voor ontwikkeling

Nadere informatie

Training Leer Balans Leven

Training Leer Balans Leven Training Leer Balans Leven In 5 maanden meer balans in je leven Wil je minder stress? Wil je meer werkplezier? Wil je jouw doelen effectiever bereiken? Wil je handiger communiceren? Wil je efficiënter

Nadere informatie

Gespreksformulieren LA personeel Dommelgroep

Gespreksformulieren LA personeel Dommelgroep Gespreksformulieren LA personeel Dommelgroep (versie mei 2012) FUNCTIONERINGSGESPREK leraar basisonderwijs (LA) Naam: Geboortedatum: Huidige school: Leidinggevende: Huidige functie: Datum vorig gesprek:

Nadere informatie

talentstimuleren.nl CREATIEF DENKEN Ik kom met originele oplossingen en bedenk vernieuwende ideeën

talentstimuleren.nl CREATIEF DENKEN Ik kom met originele oplossingen en bedenk vernieuwende ideeën Ik kom met originele oplossingen en bedenk vernieuwende ideeën Ik let op (onopvallende) details en voeg details toe aan eerdere ideeën Ik zie meerdere denkrichtingen en verander flexibel van denkrichting

Nadere informatie

Persoon X Organisatie X

Persoon X Organisatie X Persoon X Organisatie X ABLE BV - Postbus 132-5590 AC Heeze - T: 040-226 46 36 - I: www.able-group.com Inhoud Het rapport is opgebouwd uit de volgende zes delen: 1. Competentieprofiel De gemiddelde scores

Nadere informatie

Academie voor Talent en Leiderschap Veiligheidsregio s. Leiderschapsprofiel strategisch leidinggevende

Academie voor Talent en Leiderschap Veiligheidsregio s. Leiderschapsprofiel strategisch leidinggevende Leiderschapsprofiel strategisch leidinggevende Leidinggevende*: er zijn 6 hoofdrollen geïdentificeerd voor de leidinggevende en 3 niveaus van leiderschap, te weten strategisch, tactisch en operationeel.

Nadere informatie

EFFECTIEF LEIDINGGEVEN. Een gave of een vak?

EFFECTIEF LEIDINGGEVEN. Een gave of een vak? EFFECTIEF LEIDINGGEVEN Een gave of een vak? Een training van COMMUNICERENENZO Mensen zijn belangrijk. Resultaten ook Mensen zijn belangrijk en waardevol. Resultaten worden behaald dankzij mensen. Zij voegen

Nadere informatie

Gras groeit sneller door eraan te trekken!

Gras groeit sneller door eraan te trekken! Gras groeit sneller door eraan te trekken! Ontwikkel de competenties van je medewerkers Ton van Dongen en Jan Harmen Rietman Thema, uitgeverij van Schouten & Nelissen 1 waarom zijn competenties belangrijk?

Nadere informatie

STAGES IN ARBEIDS- EN ORGANISATIEPSYCHOLOGIE: FEEDBACKINSTRUMENT

STAGES IN ARBEIDS- EN ORGANISATIEPSYCHOLOGIE: FEEDBACKINSTRUMENT STAGES IN ARBEIDS- EN ORGANISATIEPSYCHOLOGIE: FEEDBACKINSTRUMENT Naam stagiair(e):... Stageplaats (+ adres):...... Tussentijdse evaluatie Eindevaluatie Stageperiode:... Datum:.. /.. / 20.. Stagementor:...

Nadere informatie

In 5 stappen naar een leuke (vergader-) groep

In 5 stappen naar een leuke (vergader-) groep In 5 stappen naar een leuke (vergader-) groep Gratis e-boek In 5 stappen naar een leuke (vergader)groep door Carla van den Bos Vergaderen doe je zo! Vergaderen doe je zo! is een project van 12organise

Nadere informatie

Rapport Management i360. Test Kandidaat

Rapport Management i360. Test Kandidaat Rapport Management i360 Naam Test Kandidaat Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Sterkte/zwakte-analyse 3. Feedback open vragen 4. Overzicht competenties 5. Persoonlijk ontwikkelingsplan Inleiding Voor u ligt

Nadere informatie

Medewerker interne dienst. Persoonlijke effectiviteit: 2. Accuratesse

Medewerker interne dienst. Persoonlijke effectiviteit: 2. Accuratesse Persoonlijke effectiviteit: 2. Accuratesse Werkt gedurende langere periode nauwkeurig en zorgvuldig, met oog voor detail, gericht op het voorkómen van fouten en slordigheden, zowel in eigen als andermans

Nadere informatie

Spaarne Coaching 360º 360º feedback is een krachtig instrument, maar dient op de juiste wijze gebruikt te worden.

Spaarne Coaching 360º 360º feedback is een krachtig instrument, maar dient op de juiste wijze gebruikt te worden. Haal het maximale uit Spaarne Coaching 360º Hartelijk dank voor het gebruiken van Spaarne Coaching 360º 360º feedback is een krachtig instrument, maar dient op de juiste wijze gebruikt te worden. Lees

Nadere informatie

Key success actors. De rol van middenmanagement bij strategische veranderingen. Onderzoek door Turner en de Rotterdam School of Management

Key success actors. De rol van middenmanagement bij strategische veranderingen. Onderzoek door Turner en de Rotterdam School of Management Key success actors De rol van middenmanagement bij strategische veranderingen Onderzoek door Turner en de Rotterdam School of Management 1 Key success actors De rol van middenmanagement bij strategische

Nadere informatie

Rapport Sales 360. Test Kandidaat

Rapport Sales 360. Test Kandidaat Rapport Sales 360 Naam Test Kandidaat Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Sterkte/zwakte-analyse 3. Feedback open vragen 4. Overzicht competenties 5. Persoonlijk ontwikkelingsplan Inleiding Voor u ligt het rapport

Nadere informatie

Introductie in effectief en bewust communiceren. Communicatie; wat is dat eigenlijk?

Introductie in effectief en bewust communiceren. Communicatie; wat is dat eigenlijk? Introductie in effectief en bewust communiceren. Communicatie; wat is dat eigenlijk? Zodra er twee of meer mensen in 1 ruimte zijn is er sprake van communicatie, ook al wordt er niet gesproken. Het is

Nadere informatie

Competentieprofiel Teamleider Scouting Lambertus Reuver

Competentieprofiel Teamleider Scouting Lambertus Reuver Competentieprofiel Teamleider Scouting Lambertus Reuver Leeswijzer Voor je ligt het competentieprofiel van de teamleider. Het profiel beschrijft wat er van een goed functionerende teamleider wordt verwacht.

Nadere informatie

COMMUNICATIE technieken. voor leidinggevenden

COMMUNICATIE technieken. voor leidinggevenden COMMUNICATIE technieken voor leidinggevenden Een training van COMMUNICERENENZO Mensen zijn belangrijk. Resultaten ook Mensen zijn belangrijk en waardevol. Resultaten worden behaald dankzij mensen. Zij

Nadere informatie

Kernachtig communiceren

Kernachtig communiceren Kernachtig communiceren De draad van mijn verhaal Generaliseren en concretiseren Hoofd en bijzaken Werken met tijdlijnen Verbaliseren en visualiseren De kern van mijn boodschap Taalpatronen Samenvatten

Nadere informatie

EFFECTIEF COMMUNICEREN MET NLP. Compacte introductie van NLP met focus op praktische toepassing in gespreksvoering en samenwerken

EFFECTIEF COMMUNICEREN MET NLP. Compacte introductie van NLP met focus op praktische toepassing in gespreksvoering en samenwerken EFFECTIEF COMMUNICEREN MET NLP Compacte introductie van NLP met focus op praktische toepassing in gespreksvoering en samenwerken Effectief Communiceren met NLP Effectief communiceren is niet zo moeilijk,

Nadere informatie

Secretaresse Mei 2009

Secretaresse Mei 2009 Functienaam Vastgesteld: Secretaresse Mei 2009 Aard van de functie De secretaresse ondersteunt en faciliteert manager en (beleids)adviseurs. Zij voert haar werkzaamheden voornamelijk zelfstandig uit. Minder

Nadere informatie

J L. Nordwin College Competentiemeter MBO - 21st Century & Green Skills. Vaardigheden Gedragsindicatoren. 21st Century Skill - -

J L. Nordwin College Competentiemeter MBO - 21st Century & Green Skills. Vaardigheden Gedragsindicatoren. 21st Century Skill - - Nordwin College Competentiemeter MBO - 21st Century & Green Skills 21st Century Skill Jouw talent Vaardigheden Gedragsindicatoren J L Ik weet wat ik wil Ik weet wat ik kan Ik ga na waarom iets mij interesseert

Nadere informatie

ken jezelf en en verbeter je relaties met anderen

ken jezelf en en verbeter je relaties met anderen DISC KLEURENTRAININGEN: ken jezelf en en verbeter je relaties verbeter met anderen je relaties met anderen Waarom klikt het met de ene persoon direct en verloopt het contact met andere altijd moeizaam?

Nadere informatie

competenties en voorbeeldvragen

competenties en voorbeeldvragen competenties en voorbeeldvragen 1 Aanpassingsvermogen Blijft doelmatig handelen door zich aan te passen aan een veranderende omgeving of veranderende taken, andere vakgebieden of verantwoordelijkheden

Nadere informatie

E-book. 49 vragen voor een effectieve continue dialoog

E-book. 49 vragen voor een effectieve continue dialoog E-book 49 vragen voor een effectieve continue dialoog Inleiding Door Jochem Aubel Veel organisaties hebben de ambitie om een continue dialoog op gang te brengen. Een doorlopend gesprek tussen medewerkers

Nadere informatie

Bas Smeets page 1

Bas Smeets  page 1 Bas Smeets www.bsmeets.com page 1 JE ONBEWUSTE PROGRAMMEREN VOOR EEN GEWELDIGE TOEKOMST De meeste mensen weten heel goed wat ze niet willen in hun leven, maar hebben vrijwel geen idee wat hoe hun ideale

Nadere informatie

Aanbod Persoonlijke Vaardigheden

Aanbod Persoonlijke Vaardigheden Aanbod Persoonlijke Vaardigheden Naast de huidige in-house trainingen is er ook op individuele basis een aanbod van trainingen waaraan oio-medewerkers kunnen deelnemen. Deze trainingen zijn gericht op

Nadere informatie

Wat het effect van een vraag is, hangt sterk af van het soort vraag. Hieronder volgen enkele soorten vragen, geïllustreerd met voorbeelden.

Wat het effect van een vraag is, hangt sterk af van het soort vraag. Hieronder volgen enkele soorten vragen, geïllustreerd met voorbeelden. Actief luisteren Om effectief te kunnen communiceren en de boodschap van een ander goed te begrijpen, is het belangrijk om de essentie te achterhalen. Je bent geneigd te denken dat je een ander wel begrijpt,

Nadere informatie

Competentieprofiel. Maatschappelijk werker

Competentieprofiel. Maatschappelijk werker Competentieprofiel maatschappelijk werker OCMW 1. Functie Functienaam Afdeling Dienst Functionele loopbaan Maatschappelijk werker Sociale zaken Sociale dienst B1-B3 2. Context Het OCMW garandeert aan elke

Nadere informatie

Joe Jouw Ontwikkeling Eerst

Joe Jouw Ontwikkeling Eerst Competentiebeoordeling Kandidaat-rapportage Joe Jouw Ontwikkeling Eerst www.jouwontwikkelingeerst.nl - [email protected] - 06 46 13 63 21 Inhoudsopgave Inleiding 3 Basisgegevens van de rapportage

Nadere informatie

Functiebeschrijving technisch administrateur (junior)

Functiebeschrijving technisch administrateur (junior) Functiebeschrijving technisch administrateur (junior) Doel Het tijdig en correct voeren van (sub-)administraties van de nieuwbouwprojecten, vastgoed onderhoud- en investeringsprojecten, het leveren van

Nadere informatie

10 onmisbare vaardigheden voor. de ambtenaar van de toekomst. 10 vaardigheden. Netwerken. Presenteren. Argumenteren 10. Verbinden.

10 onmisbare vaardigheden voor. de ambtenaar van de toekomst. 10 vaardigheden. Netwerken. Presenteren. Argumenteren 10. Verbinden. 10 vaardigheden 3 Netwerken 7 Presenteren 1 Argumenteren 10 Verbinden Beïnvloeden 4 Onderhandelen Onderzoeken Oplossingen zoeken voor partijen wil betrekken bij het dat u over de juiste capaciteiten beschikt

Nadere informatie

Standaardrapportage (strikt vertrouwelijk) Naam: Wouter van Straten Adviseur: Floor Meijer Datum: 15 maart 2014

Standaardrapportage (strikt vertrouwelijk) Naam: Wouter van Straten Adviseur: Floor Meijer Datum: 15 maart 2014 Naam: Adviseur: Floor Meijer Datum: 15 maart 2014 Inleiding In dit rapport wordt ingegaan op alle afgeronde onderdelen. 2 Algemeen werk- en denkniveau Ver beneden - gemidde ld Ver bovengemidde ld Algemene

Nadere informatie

Inhoud. coaching. Opleidingen, cursussen, workshops

Inhoud. coaching. Opleidingen, cursussen, workshops Inhoud coaching Opleidingen, cursussen, workshops Inhoud Les 1. Wat is coaching? Coaching: verwezenlijk je dromen en ervaar succes! Stappenplan Het beroep Wat is coaching en wat is het niet? De verschillen

Nadere informatie

feedback Flexibel en online Robuust 360º Werkboek Robuus Hartelijk dank voor het gebruiken van Robuust 360º Haal het maximale uit 360º

feedback Flexibel en online Robuust 360º Werkboek Robuus Hartelijk dank voor het gebruiken van Robuust 360º Haal het maximale uit 360º Robuus Robuust 360º Werkboek e Haal het maximale uit Hartelijk dank voor het gebruiken van Robuust 360º 360º feedback is een krachtig instrument, maar dient op de juiste wijze gebruikt te worden. Lees

Nadere informatie

Stemklank Intonatie Aanraking in nabijheidsgedrag Lichaamstaal

Stemklank Intonatie Aanraking in nabijheidsgedrag Lichaamstaal Les 3 Stemklank Intonatie Aanraking in nabijheidsgedrag Lichaamstaal Komt het zelfbeeld van jou overeen met het beeld dat anderen van je hebben? Opdracht: 1. Schrijf van jezelf op hoe jij denkt over te

Nadere informatie

Inleiding... 9. Hoofdstuk 2: Positie van de leidinggevenden op middenkaderniveau

Inleiding... 9. Hoofdstuk 2: Positie van de leidinggevenden op middenkaderniveau Inhoud Inleiding... 9 Hoofdstuk 1: Managen versus leidinggeven... 13 1.1 Management... 13 1.2 Leiding geven... 13 1.3 Competenties en taakaspecten van de leidinggevende... 16 1.4 Samenvattend... 16 Hoofdstuk

Nadere informatie

ASSERTIVITEIT. beter communiceren vanuit jezelf

ASSERTIVITEIT. beter communiceren vanuit jezelf ASSERTIVITEIT beter communiceren vanuit jezelf Een training van COMMUNICERENENZO Mensen zijn belangrijk. Resultaten ook Mensen zijn belangrijk en waardevol. Resultaten worden behaald dankzij mensen. Zij

Nadere informatie

Leren/coachen van meisjes - Dingen om bij stil te staan

Leren/coachen van meisjes - Dingen om bij stil te staan De ontwikkeling van vrouwen en meisjes in het rugby heeft de afgelopen jaren flink aan momentum gewonnen en de beslissing om zowel heren als dames uit te laten komen op het sevenstoernooi van de Olympische

Nadere informatie

1Communicatie als. containerbegrip

1Communicatie als. containerbegrip 1Communicatie als containerbegrip Als medisch specialist is communiceren onlosmakelijk verbonden met het uitoefenen van uw professie. Niet alleen hebt u contact met uw patiënten, maar ook met diverse professionals

Nadere informatie

E-CURSUS 1: WELKE WAARDEN ZIJN VAN WEZENLIJK BELANG VOOR JOU?

E-CURSUS 1: WELKE WAARDEN ZIJN VAN WEZENLIJK BELANG VOOR JOU? E-CURSUS 1: WELKE WAARDEN ZIJN VAN WEZENLIJK BELANG VOOR JOU? Thuis en op school heb je allerlei waarden meegekregen. Sommigen passen bij je, anderen misschien helemaal niet. Iedereen heeft waarden. Ken

Nadere informatie

NLP & INKOOP. Dam Inkoopadvies & Training 2018

NLP & INKOOP. Dam Inkoopadvies & Training 2018 NLP & INKOOP Dam Inkoopadvies & Training 2018 Stelling Als iemand anders het kan, kan ik het ook. Gewetensvraag Doe jij wat je zegt EN Zeg jij wat je doet? Jolanda Dam VERTROUWEN OPENHEID ONTWIKKELEN Sinds

Nadere informatie

VERTROUWELIJK. Rapport 360 -feedback Voorbeeldrapport

VERTROUWELIJK. Rapport 360 -feedback Voorbeeldrapport VERTROUWELIJK Rapport 36 -feedback Voorbeeldrapport 7-2-215 www.talentfactor.nl Inhoudsopgave 1 Introductie... 3 2 Sterkte / zwakte analyse... 4 3 Score top 5... 6 4 Verschil eigen score en omgevingsscore...

Nadere informatie

SPEELWIJZE WERKPLEZIER SPEL

SPEELWIJZE WERKPLEZIER SPEL SPEELWIJZE WERKPLEZIER SPEL Heb je plezier in je werk? Dat is een vraag die regelmatig wordt gesteld. Is je antwoord ja, dan is de kunst dit zo te houden. Als je nee zegt, is het zinvol na te gaan waar

Nadere informatie

Training Conflicthantering

Training Conflicthantering Training Conflicthantering Conflicthantering, onderhandelen met resultaat Effectief ruziemaken. Kan dat? Wij denken van wel. Een conflict kan zorgen voor een nieuw inzicht of een frisse wind in een relatie.

Nadere informatie

Whitepaper Communicatie op de werkvloer WHITEPAPER. Communicatie. op de werkvloer. 10 tips om communicatie op de werkvloer te verbeteren!

Whitepaper Communicatie op de werkvloer WHITEPAPER. Communicatie. op de werkvloer. 10 tips om communicatie op de werkvloer te verbeteren! Whitepaper Communicatie op de werkvloer WHITEPAPER Communicatie op de werkvloer 10 tips om communicatie op de werkvloer te verbeteren! Een organisatie is zo goed als de kwaliteit van de onderlinge communicatie.

Nadere informatie

Kies Actief Rapportage van Femke Peeters

Kies Actief Rapportage van Femke Peeters Kies Actief Rapportage van Femke Peeters De huidige school van Femke Peeters Summa College Eindhoven Eindhoven Huidige opleiding: MBO, klas 3, richting Economie Kies Actief Geef richting aan je loopbaan!

Nadere informatie

Wat is competentiemanagement en hoe ga je ermee om? Welke resultaten zijn er te behalen? Welke valkuilen kom je tegen?

Wat is competentiemanagement en hoe ga je ermee om? Welke resultaten zijn er te behalen? Welke valkuilen kom je tegen? Competentiemanagement Wat is competentiemanagement en hoe ga je ermee om? Welke resultaten zijn er te behalen? Welke valkuilen kom je tegen? Vragen die door de praktijkervaringen van de afgelopen jaren

Nadere informatie

Junior team. Senior team. Teamontwikkeling

Junior team. Senior team. Teamontwikkeling Fasen van teamontwikkeling Teams zijn als organismen: ze maken diverse ontwikkelingsstadia door. Elk stadium stelt nieuwe eisen en dwingt de teamleden om zich, naarmate ze groeien in hun ontwikkeling en

Nadere informatie

Feedback is een mededeling aan iemand die hem informatie geeft over hoe zijn gedrag wordt waargenomen, begrepen en ervaren.

Feedback is een mededeling aan iemand die hem informatie geeft over hoe zijn gedrag wordt waargenomen, begrepen en ervaren. FEEDBACK WAT IS FEEDBACK EIGENLIJK? Feedback is een mededeling aan iemand die hem informatie geeft over hoe zijn gedrag wordt waargenomen, begrepen en ervaren. Hiermee is feedback een belangrijk middel

Nadere informatie

SPEELWIJZE WERKPLEZIER SPEL - Bladzijde 1 / 11

SPEELWIJZE WERKPLEZIER SPEL - Bladzijde 1 / 11 SPEELWIJZE WERKPLEZIER SPEL - Bladzijde 1 / 11 SPEELWIJZE Werkplezier Spel Heb je plezier in je werk? Dat is een vraag die regelmatig wordt gesteld. Is je antwoord ja, dan is de kunst dit zo te houden.

Nadere informatie

SPEELWIJZE LEIDERSCHAPSSPEL

SPEELWIJZE LEIDERSCHAPSSPEL SPEELWIJZE LEIDERSCHAPSSPEL Bij werken, zowel betaald als vrijwillig, hoort leiding krijgen of leiding geven. De vraag wat effectief leiderschap is houdt dan ook veel mensen bezig. De meningen hierover

Nadere informatie

Paul van der Voorbeeld

Paul van der Voorbeeld TMA Talentenanalyse match 24-11-2017 Paul van der Voorbeeld Linie 552-1 0-Linie 552-1 7325 DZ Apeldoorn [email protected] Inhoudsopgave match Assertiviteit Conflicthantering Delegeren Flexibel gedrag Integriteit

Nadere informatie

Order 2 Cash Professional

Order 2 Cash Professional Order 2 Cash Professional Keser Academy Steeds meer bedrijven brengen focus aan in het Order-2-Cash proces. Het zijn dan ook de customerservicemedewerkers die naast kritisch bekijken of de processen nog

Nadere informatie

Beter Leren Communiceren. U zoekt een training om uw communicatieve vaardigheden te versterken?

Beter Leren Communiceren. U zoekt een training om uw communicatieve vaardigheden te versterken? Beter Leren Communiceren U zoekt een training om uw communicatieve vaardigheden te versterken? Effectief communiceren. Het lijkt misschien eenvoudig, maar misverstanden of oplopende emoties tijdens gesprekken

Nadere informatie

Nimva. Sociale Business Efficiënte e-marketing

Nimva. Sociale Business Efficiënte e-marketing Sociale Business Efficiënte e-marketing Hedendaagse business draait om vertrouwen. De technologische evolutie van internet, sociale media, mobiele toestellen hebben de klantenrelaties verschoven van controle

Nadere informatie

TMA 360º feedback Flexibel en online. TMA 360º feedback werkboek. Dank u voor het gebruiken van de TMA 360º feedback competentie-analyse

TMA 360º feedback Flexibel en online. TMA 360º feedback werkboek. Dank u voor het gebruiken van de TMA 360º feedback competentie-analyse Haal het maximale uit de TMA 360º fb competentieanalyse Dank u voor het gebruiken van de TMA 360º feedback competentie-analyse 360º feedback is een krachtig instrument, maar dient op de juiste wijze gebruikt

Nadere informatie

Smart Competentiemeting BSO

Smart Competentiemeting BSO Smart Competentiemeting BSO Pedagogisch medewerker Naam: Josà Persoon Email Testcode : [email protected] : NMZFIC Leeftijd (jaar) : 1990 Geslacht Organisatie Locatie : v : Okidoki : Eikenlaan Datum invoer

Nadere informatie

Het Management Skills Assessment Instrument (MSAI)

Het Management Skills Assessment Instrument (MSAI) Het Management Skills Assessment Instrument (MSAI) Het zelfbeoordelingsformulier Het doel van deze evaluatie is om u te helpen bij het bepalen van de belangrijkste aandachtsvelden van uw leidinggevende

Nadere informatie

Beoordelingsformulier

Beoordelingsformulier Beoordelingsformulier functie Naam medewerker Naam leidinggevende Naam manager Functie medewerker Ervaren ArcheoTolk Functieklasse 3 Periode van de beoordeling Datum beoordelingsgesprek Toelichting op

Nadere informatie

Training Omgaan met Agressie en Geweld

Training Omgaan met Agressie en Geweld Training Omgaan met Agressie en Geweld 2011 Inleiding In veel beroepen worden werknemers geconfronteerd met grensoverschrijdend gedrag, waaronder agressie. Agressie wordt door medewerkers over het algemeen

Nadere informatie

HOE LAAT IK MEDEWERKERS

HOE LAAT IK MEDEWERKERS MANAGEMENT Een zelfstandige medewerker is een tevreden medewerker HOE LAAT IK MEDEWERKERS ZELFSTANDIG FUNCTIONEREN? De ene mens is de andere niet. Sommigen zijn blij met een chef die aan hen geducht leiding

Nadere informatie

ecourse Moeiteloos leren leidinggeven

ecourse Moeiteloos leren leidinggeven ecourse Moeiteloos leren leidinggeven Leer hoe je met minder moeite en tijd uitmuntende prestaties met je team bereikt 2012 Marjan Haselhoff Ik zou het waarderen als je niets van de inhoud overneemt zonder

Nadere informatie

Samenvatting M&O H6: Communicatieproces

Samenvatting M&O H6: Communicatieproces Samenvatting M&O H6: Communicatieproces Samenvatting door K. 1320 woorden 29 oktober 2016 10 1 keer beoordeeld Vak Methode M&O In balans H6; Communicatieproces 6.1 De definitie van communicatie Bij communicatie

Nadere informatie

Resultaatgericht Management (3 daags)

Resultaatgericht Management (3 daags) Resultaatgericht Management (3 daags) Steviger sturen op resultaten en verwachtingen? En dit in een omgeving waar u met minder mensen meer moet bereiken? In de training Resultaatgericht Management ontdekt

Nadere informatie

Feedback geven. Feedback kan positief en negatief zijn. Negatieve feedback geven is moeilijk

Feedback geven. Feedback kan positief en negatief zijn. Negatieve feedback geven is moeilijk 2 12 Feedback geven Feedback is een boodschap over het gedrag of de prestaties van een ander. Feedback is onmisbaar als je met anderen samenwerkt. Je moet zo nu en dan kunnen zeggen dat het werk van de

Nadere informatie