2.7 In de supermarkt **

Vergelijkbare documenten
Spreekopdrachten thema 3 Vervoer

Spreekopdrachten thema 4 Wonen

Spreekopdrachten thema 4 Wonen

Spreekopdrachten thema 3 Vervoer

Thema 3 Vervoer. Inhoudsopgave

Spreekopdrachten thema 2 Boodschappen

ANTWOORDEN TAALCOMPLEET A1 THEMA 3 VERVOER

ANTWOORDEN TAALCOMPLEET A1 THEMA 4 WONEN

1. De verjaardag OPDRACHT 1. OPDRACHT 2 1. b) niet waar 2. a) waar 3. b) niet waar 4. a) waar 5. b) niet waar

Een retour Rotterdam

de aanbieding reclame, korting De appels zijn in de a Ze zijn vandaag extra goedkoop.

Spreekopdrachten thema 7 Werken

Spreekopdrachten thema 6 Werk zoeken

Ria Massy. De taart van Tamid

ANTWOORDEN TAALCOMPLEET A2 THEMA 1 NEDERLAND

DICTEE WOORDEN 1. DICTEE WOORDEN ik 2. jij 3. ja 4. zij 5. hij. 6. wij 7. nee 8. de baby 9. het kind 10. de naam

MODULE 1 OPDRACHT 16. OPDRACHT heten 2. heet 3. heet 4. heten 5. heet 6. heten 7. heet 8. heet 9. heten 10. heet

Spreken Oefentoets spreken. SPREKEN NIVEAU A1

enkele genoeg informatie korting ongeveer overstappen rechtstreekse reis spoor vertrekt

Te huur HOOFDSTUK 4 WOORDEN. Kies het goede woord. 1 Ik woon in een flat op de vierde... a verdieping b appartement

5 Verkeer en vervoer

ANTWOORDEN TAALCOMPLEET A2 THEMA 2 GELD

Spreken. Les 4: Wat zeg je? In een kledingzaak. SPREKEN NIVEAU A1

Spreken. Les 3: Wat zeg je? De supermarkt. SPREKEN NIVEAU A1

Dag! kennismaken. Ik ben Eric.

Het thema van deze les is Op zoek naar werk. Dit is les 7 Beginners. Werk vragen in een winkel.

Thema Op zoek naar werk

OEFENSCHRIFT DEEL 2 A1-A2

Spreekopdrachten thema 1 Nederland

Thema Op zoek naar werk

Thema In en om het huis.

ANTWOORDEN TAALCOMPLEET A1 THEMA 2 BOODSCHAPPEN

Hoofdstuk 1 De verjaardag 1

Spreekopdrachten thema 6 Werk zoeken

Spreekopdrachten thema 5 Gemeente

Deel D Spreken - Thema 11 Milieu

Spreken. Les 6: Wat zeg je? Telefoon. SPREKEN NIVEAU A1

Thema In en om het huis

Wie is dat? thema. Hoe heet jij? Ik weet het niet! Beatriz. Marco. Hallo, ik heet Jürgen. Dag mevrouw. Dag meneer. Hoi! Ik heet Bushra. En jij?

Stufe 1. Kreuzen Sie die richtige(n) Lösung(en) an. 1. Waar kom je a) van. b) vandaan. c) vandaag. 2. u Duitse? a) Bent b) Ben c) Zijn

Melkweg. Lijn 5. Lezen Alfa A. Reizen

Max van Olden DE JUISTE MAN. in makkelijke taal

Kijk nog eens in het boek op bladzijde 80 naar Werkwoorden in een andere tijd.

Opstartlessen. Les 2. Wonen. Wat leert u in deze les? Veel succes! Een gesprek voeren over wonen. Zeggen hoe u woont.

Spreekopdrachten thema 3 Kinderen

Thema Gezondheid Beginnerslessen

Dat is een koopje! HOOFDSTUK 8 WOORDEN. Kies het goede woord. Ik ga even naar de... Ik ga sla en tomaten halen. a groenteman b slager

REGELS. Onderstreep de pluralisvorm in de zin.

Thema 4 Communicatie. Taalhulp Telefoneren. Informele situaties - opbellen en opnemen. Hoi, Diana. Hallo, Diana van Someren. Hi, met. Hé, met John.

Thema Op zoek naar werk. Lesbrief 7. Werk vragen in een winkel

Spreken. Les 6: Wat zeg je? Telefoon OPDRACHTKAART.

Les 2. Naar het ziekenhuis.

Kies uit: schiet op jarig ziekenhuis sport laat. 1 Morgen is mijn dochter. Ze wordt zes jaar. 3 Ik op maandag, woensdag en vrijdag.

Spreekopdrachten thema 3 Kinderen

Melkweg. Goede reis. Lezen van Alfa A naar Alfa B. Reizen

Thema Op zoek naar werk. Lesbrief 8. Praten en bellen over een baantje

Spreken. Wat zeg je? SPREKEN NIVEAU A1

Spreken. Les 3: Wat zeg je? De supermarkt OPDRACHTKAART.

Auteur: Mirjam Wind, docent en coördinator NT2, Educatie Video s: Gabe Dijkstra en Rick Biemolt, studenten Alfa-college, MultiMedia en Design

Tekst 1 Hoe laat vertrekt de trein?

NT2. Examen I: Spreken. Voorbeeldexamen. Opgavenboekje. Staatsexamen Nederlands als tweede taal. Examennr. kandidaat: Aanwijzingen

Heb je misschien zin om straks een kopje koffie te komen drinken? Dat lijkt me gezellig. Ik kom er zo aan. Gezellig. Tot straks!

Spreken. Les 2: Wat zeg je? Bus, tram en trein OPDRACHTKAART.

afgeven de kleur gaat in de Dit rode overhemd moet je apart wassen, want het g a. andere kleren zitten

Les 4: Les conversatie + grammatica Nederlands Conversatie Les 2 A-klas

Spreken. Les 4: Wat zeg je? In een kledingzaak OPDRACHTKAART.

At the train station. Treinstation. Situation 1. Begroet de persoon. Koop een enkele reis naar London.

Voorwoord 6. Woordenlijst 283

NT /2004 SPREKEN EXAMEN. Voorbeeldexamen Tijdsduur ± 30 minuten. Opgavenboekje. Examennummer kandidaat: Aanwijzingen

Lesbrief 1. Bij de huisarts

Thema Gezondheid. Lesbrief 1. Een afspraak maken

Les 1. Bij de huisarts

Vriendschap op de middelbare school. Een zoektocht naar echte vrienden

Deel D Spreken - Thema 1 Thuiskomen

Lesbrief 8. Een taxi bellen

Les 35. Een nieuw paspoort

Thema Op het werk. Les 12. De eerste werkdag

Thema Op zoek naar werk. Lesbrief 5. Werk vragen in een winkel

Antwoorden Thema 6 Wonen

In de huizen aan de overkant wonen Marokkanen. Het zijn precies negen huizen. Van nummer 29 op de ene hoek tot nummer 45 op de andere hoek.

Voor jou. Verhalen van mantelzorgers. Anne-Rose Hermer

Spreken. Les 2: Wat zeg je? Bus, tram en trein. SPREKEN NIVEAU A1

Puzzel OVCP - Wal. Beste medewerker,

Thema Gezondheid. Lesbrief 2. Naar het ziekenhuis.

Les 5. Tijd & het weer

Spreekopdrachten thema 2 Boodschappen

2002/2003 SPREKEN EXAMEN I. Voorbeeldexamen Tijdsduur ± 30 minuten. Opgavenboekje. Examennummer kandidaat: Aanwijzingen. Staatsexamen Nederlands

Veertien leesteksten. Leesvaardigheid A1. Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek. Ad Appel

- je kan me wat - module 3. docere delectare movere. je kan me wat nt2taalmenu.nl module 3. tekeningen -

Thema In en om het huis

Thema Nederlandse cultuur en gewoontes

april 2013 vanaf 4 jaar tekst: Marian van Gog muziek: Ton Kerkhof Buschauffeur

ANTWOORDEN TAALCOMPLEET A2 THEMA 7 WERKEN

Thema In en om het huis

HANDLEIDING BIJ HET INVULLEN VAN HET DAGBOEK

1. I: *Schiphol inlichtingen** S: *ja goedemorgen u spreekt met A.D. ik wilde

RobbeDouce Goethalsstraat 9, Nieuwpoort

Opstartles 10. EXTRA Oefenen met woorden bij de lessen

les 1: Kennismaken. Schrijf de zinnen achter de plaatjes. Leer dan de zinnen uit je hoofd. Het is 7 uur. Het is ochtend. Wat zegt u dan?

Transcriptie:

2.7 In de supermarkt ** Je hoort. Ze gaat naar de supermarkt. In de supermarkt zoekt ze alle boodschappen. Maar ze kan de koffie niet vinden. Ze vraagt het aan iemand die in de supermarkt werkt. verkoper verkoper Sorry, mag ik wat vragen? Natuurlijk. Waar staat de koffie? Ik kan het niet vinden. Ik zal het u laten zien. Loop maar mee Hier staat de koffie. Dank u wel! Daarna gaat naar de kassa om te betalen. Goedemiddag. verkoopster Goedemiddag. Heeft u een kortingskaart? Ja, alstublieft. verkoopster Dank u wel. Dan wordt het vijftien euro, alstublieft. Ik wil graag pinnen. verkoopster Dat kan. U mag uw pas erin doen. Wilt u de bon nog? Nee, dank u. verkoopster Spaart u zegeltjes? Nog niet, maar ik wil er graag mee beginnen. verkoopster Dan geef ik u meteen een spaarkaart. Alstublieft. Dank u wel. Tot ziens! verkoopster Prettige middag, tot ziens!

3.4 Reizen met de trein ** Je hoort en een conducteur. is op het station. Ze wil met de trein naar Rotterdam en weer terug. Bij de ingang van het station praat ze met de conducteur. Goedemorgen! conducteur Goedemorgen! Mag ik u iets vragen? conducteur Natuurlijk. Hoe laat vertrekt de trein naar Rotterdam? conducteur Die trein heeft u net gemist. Welke trein moet ik dan nemen? conducteur De trein van half negen. Die vertrekt van spoor 3. Hoe laat is het nu? conducteur Het is nu kwart over acht. Moet ik ook overstappen als ik naar Rotterdam ga? conducteur Ja, u moet in Utrecht overstappen. Daar vertrekt de trein van spoor 5. Stopt de trein overal? conducteur Nee, dit is een sneltrein. Die stopt alleen in de grote steden. De sneltrein is dus sneller dan de stoptrein? conducteur Ja, dat klopt. Oké, dank u wel. conducteur Graag gedaan. Goede reis. Dag! Dag!

3.7 Reizen met de auto ** Je hoort en zijn. vertrekt iedere ochtend om 7.00 uur met de auto naar zijn werk. Hij woont in Almere en hij werkt in Amsterdam. Vandaag komt pas om 9.00 uur op zijn werk. Goedemorgen! Goedemorgen! Wat ben jij laat! Er stond twintig kilometer file op de snelweg. Er was een ongeluk gebeurd. En het was heel erg druk. Ik hoorde het al op de radio. Twintig kilometer is een lange afstand. Ja, al die files iedere dag Ik vind het maar vervelend. Inderdaad.

4.3 Lang niet gezien ** Je hoort en Lütfiye. Ze hebben elkaar al heel lang niet gezien. Hallo! Dat is lang geleden! Hoe gaat het met jou? Lütfiye Met mij gaat het goed. Met jou ook? Met mij gaat het ook goed, dankjewel. Waar woon je nu? Lütfiye Ik woon in Amersfoort. Ik heb daar pas een huis gekocht. Ik ben vorige week verhuisd. Wat leuk! Wat voor een huis is het? Lütfiye Het is een appartement op de eerste verdieping. Er zijn drie slaapkamers. Er is ook een groot balkon. Dat klinkt mooi. Lütfiye Wil je een keer komen kijken? Dat lijkt me leuk. Wat is het adres? Lütfiye Dat is Kerkstraat 2. De postcode is 6221 BC in Amersfoort. Wat was het huisnummer ook al weer? Lütfiye 2. Oké. Wanneer zal ik komen? Lütfiye Zaterdagmiddag? Dat is goed. Tot dan! Lütfiye Tot dan!

4.9 Het dak is kapot. ** Je hoort en iemand van de. heeft een huurhuis. Het dak is kapot. Nu lekt het water naar binnen. Daarom belt hij de. Goedemorgen. Met Woonvereniging Prettig Wonen. Goedemorgen. Met de Vries. Mijn dak is kapot. Wat vervelend. Hoelang is dat al zo? Ik zag het net pas. Er komt zo snel mogelijk iemand om het te repareren. Bent u vandaag thuis? Nee, vandaag moet ik werken, maar morgen ben ik vrij. Oké. Dan komt er morgenochtend iemand naar u toe. Dat is goed. Dank u wel! Graag gedaan!