Hoofdstuk 1. 1.16 C. School of baantje 1.17 a. 200/ 10 = 20 keer. b. Zie figuur. c. Zie figuur. d. 15 keer naar de bioscoop kost hem 150. Er blijft dan nog 50 over voor tijdschriften. Hij kan nog 50/5 = 10 tijdschriften kopen. e. Zie figuur. f. Zie figuur. g. Hij kan nu nog 50/6,25 is 8 tijdschriften kopen. h. Zie figuur. 1.18 a. Als Nasira bekent, zal Gemma ook bekennen omdat ze liever een 4 haalt dan een 1 (die ze krijgt als ze zou ontkennen). Maar doordat Gemma bekent, gaat dit ten koste van Nasira die geen 9 maar slechts een 4 krijgt. Als Nasira ontkent, zal Gemma bekennen omdat ze liever een 9 haalt dan een 8 (die ze krijgt als ze zou ontkennen). Maar doordat Gemma bekent, krijgt Nasira geen 8 maar slechts een 1. Overeenkomstig is de reactie van Nasira op Gemma: Als Gemma bekent, zal Nasira ook bekennen, zodat Gemma een 4 scoort en geen 9. Als Gemma ontkent, zal Nasira bekennen, zodat Gemma een 1 scoort en geen 8. b. Beiden bekennen, waardoor ze allebei een 4 krijgen. c. Ja. Als de afspraak is ontkennen, krijgen beiden een 8.
Hoofdstuk 2. 2.13 2.14 2.15 2.16 C C A C De jeugd 2.17 a. basisbeurs 95,61 aanvullende beurs 222,84 lenen 100,00 collegegeldkrediet 142,75 + totaal 561,20 b. basisbeurs 266,23 collegegeldkrediet 142,75 + totaal 408,98 c. 12 142,75 = 1.713.
Hoofdstuk 3. Werken en belasting betalen 3.12 3.13 B A 3.14 a. bruto inkomen 50.000 aftrekpost rente 0,06 200.000 = 12.000 _ belastbaar inkomen 38.000 schijf 1 14.363 0,329 = 4.725 over 23.637 schijf 2 10.087 0,3685 = 3.717 over 13.550 in schijf 3 13.550 0,42 = 5.691 + totale heffing over de schijven 14.133 totaal heffingskortingen = 1507 + 697 = 2.204 _ Te betalen inkomensheffing 11.929 b. Het tarief over zijn laatstverdiende euro: 42%. c. Gemiddeld tarief = 11.929/50.000 100% = 23,9%. d. De heffing stijgt met 0,42 1.000 = 420 naar 12.349. Het inkomen wordt 51.000. Gemiddeld tarief wordt 12.349/51.000 100% = 24,2%. e. Het is een progressief stelsel omdat het gemiddelde belastingtarief stijgt naarmate je meer verdient. f. Degressief. Boven een belastbaar inkomen van 25.450 blijft het premiebedrag gelijk bij een stijgend belastbaar inkomen. De gemiddelde premiedruk daalt en dus is de heffing boven een belastbaar inkomen van 24.450 degressief. 3.15 a. De heffing van Cas over een stuk van de eerste schijf is 0,3345 3.000 = 1.003,45. De heffingskorting is 2.000. Hij krijgt dus de hele betaalde loonheffing terug. b. De heffing van Sam over een stuk van de eerste schijf is 0,3345 8.000 = 2.676. Hij moet dus betalen: 2.676 2.400 = 276. Omdat hij nog niets betaald heeft, moet hij alsnog 276 betalen.
Hoofdstuk 4. 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 D A C A B 2.29 a. personen van laag naar hoog inkomen Inkomensongelijkheid personen in % van het totaal maandbedrag in maandbedrag in % van het totaal cumulatief % personen cumulatief % maandbedrag Alex 20% 150 10 20% 10% Jason 20% 225 15 40% 25% Maarten 20% 300 20 60% 45% Nigel 20% 375 25 80% 70% Pieter 20% 450 30 100% 100% totaal 100% 1.500 100% b. c. Uitspraak 1 onjuist; de lorenzcurve zegt niets over de absolute hoogte van de inkomens. Uitspraak 2 juist; hoe verder de Lorenzkromme verwijderd is van de diagonaal, des te groter zijn de inkomensverschillen. Uitspraak 3 onjuist; over wat rechtvaardig is, kunnen economen geen uitspraak doen.
Hoofdstuk 5. Werken in een eigen bedrijf 5.11 5.12 5.13 5.14a 5.14b A C* C B C * (7.500.000 2.400.000 900.000 300.000) 5.15 a. Omzet = 20.000 10 = 200.000. b. Toegevoegde waarde = 200.000 40.000 5.000 = 155.000. c. De winst = 155.000 1.000 = 154.000. 5.16 Balans op 1-2-2014 ( ) activa passiva kiosk 25.000 eigen vermogen 10.000 computer 2.000 lening pa 20.000 kassa 500 voorraden 1.000 bank 1.300 kasgeld 200 totaal 30.000 totaal 30.000 5.17 a. Werkgelegenheid = 1 1 + 4 1 + 6 0,5 = 8 arbeidsjaren (volledige banen). b. Bij (1) resultatenrekening; bij (2) balans. c. D. d. Toegevoegde waarde = 400.000 20.000 = 380.000.
Hoofdstuk 6. 6.19 6.20 C C Verzekeren 6.21 a. Bij particuliere verzekeringen is de premie gebaseerd op risico en kunnen mensen geweigerd worden. Sociale verzekeringen zijn gebaseerd op solidariteit. De premie is afhankelijk van het inkomen. Mensen zijn niet uitsluitbaar, iedereen moet geaccepteerd worden. b. Bij een particuliere verzekering kunnen mensen met hoge risico's de hoge premie niet betalen als ze een laag inkomen hebben. Sommige mensen zullen bij particuliere verzekeringen niet geaccepteerd worden en moeten dan het hoge risico zelf dragen. c. Bij het omslagstelsel betalen de werkenden van nu premie voor de uitkering van de huidige AOW'ers. Als er in verhouding meer AOW'ers komen moet het premiepercentage omhoog. Bij kapitaaldekking bouwen werkenden door premiebetaling recht op een uitkering op. Als de groep AOW-gerechtigden groter wordt, is er door die groep ook meer gespaard voor later. 6.22 a. Door de acceptatieplicht kan de verzekerde elk jaar van verzekeraar wisselen en zullen de verzekeraars om klanten te behouden en te lokken hun premie zo laag mogelijk vaststellen. Door de verplichte verzekering moeten ook de goede risico's zich verzekeren. Zij betalen meer premie dan ze kosten, waardoor de gemiddelde premie lager kan zijn. b. Goede risico's zijn ook verplicht verzekerd, waardoor verzekeraars niet alleen met de slechte risico's blijven zitten.
Hoofdstuk 7. 7.15 a. onjuist; b. juist; c. juist. Het huishouden 7.16 a. Budgetonderzoek. b. CPI2008 = (18 108 + 6 105 + 34 116 + 22 107 + 20 104)/100 = 109,5. c. Beschikbaar voor vakantie = 1,13 3.000 = 3.390. d. Goedkoper. Volgens de onderste tabel is het prijsniveau van de categorie 'Restaurant' in Portugal lager dan in Nederland. 7.17 a. Er worden te weinig nieuwe huizen gebouwd. Tegelijkertijd willen steeds meer mensen een eigen huis kopen. b. Als de rentekosten van de hypothecaire lening lager wordt, kunnen huizenkopers bij hetzelfde inkomen meer lenen. Ze kunnen dus meer betalen voor een huis. Dat stimuleert de vraag naar huizen, waardoor de prijzen zullen stijgen. c. bedrag van de lening: 1,08 615.000 50.000 = 614.200. rentevoordeel bij uitstel: (0,053 0,044) 614.200 = 5.527,80. d. Dit specifieke huis blijkt een half jaar later al verkocht te zijn. De verkoopprijs van het huis kan gestegen zijn doordat de vraag naar koopwoningen is gestegen. De wereldreis is duurder uitgevallen dan ze hadden gedacht en daarvoor hebben ze een deel van hun spaargeld moeten aanspreken, waardoor het te lenen bedrag is gestegen. Het rentepercentage kan hoger zijn doordat er meer vraag naar hypothecaire leningen is gekomen. e. Bij 1: verhogen; bij 2: daalt. Vermogen = Bezittingen Schulden. Bij een eigen huis stijgt het reële vermogen om twee redenen. 1. Huizenprijzen die sterker stijgen dan de inflatie verhogen het reële vermogen van huiseigenaren. 2. Door inflatie daalt de reële hypotheekschuld. Als er gespaard wordt bij een bank blijft het reële vermogen ongeveer gelijk. De renteopbrengst is nodig om de daling van de reële waarde van het spaargeld door de inflatie te compenseren.
Hoofdstuk 8. 8.14 8.15 8.16 8.17 8.18 D B D C C Senioren 8.19 a. 'De bedrijfspensioenen worden in cao's geregeld.' b. Van de AWBZ (algemene wet bijzondere ziektekosten). Ouderen maken relatief veel gebruik van zorgcentra en verpleegtehuizen. 8.20 a. 1048,09/1,021 = 1.026,53. b. je betaalt korter premie. je moet langer een uitkering ontvangen. c. Het gaat vooral om goede onderbouwing van je antwoord. 8.21 a. 0,6 10.850.000 = 6.510.000 = 6,51 miljoen. b. 19 miljard/6,51 miljoen = 2.918,59. c. (26.000 8.636,36)/8.636 100% = 201,1%. d. Benodigd bedrag = 3.400.000 26.000 = 88,4 miljard. Aantal premiebetalers = 0,6 11.550.000 = 6.930.000. Gemiddelde premie = 88,4 miljard/6,93 miljoen = 12.756,13. e. Hoger. De koopkracht van de werknemers stijgt, waardoor een welvaartsvast pensioen hoger zou uitvallen dan een waardevast pensioen. Dan zouden er dus meer premie-inkomsten nodig zijn. 8.22 a. Als AOW-gerechtigden die samenwonen zich inschrijven op verschillende adressen, krijgen ze elk 70% van het minimumloon in plaats van 50%. b. (2 70% 2 50%) 1.400 = 560 per maand.
Hoofdstuk 9. 9.9 9.10 9.11 9.12 9.13 9.14 C B A A C B Ruilen tussen generaties 9.15 a. Mensen betalen premie om later zelf een uitkering te krijgen. Die premie wordt in een fonds gestort. b. Grijze druk 2000 = 2.154/9.831 100% = 21,9 %. Grijze druk 2050 = 3.822/9.603 100% = 39,8 %. c. 39,8 21,9 = 17,9 procentpunt. d. Beide. De vergrijzing (toename van de grijze druk) is sterker dan in de VS, maar minder sterk dan in de andere drie landen. e. de hoogte van de pensioenen: hoe hoger de pensioenen des te hoger het premiepercentage. het percentage actieven tussen 20 en 64 jaar; hoe meer actieven des te lager het premiepercentage (de lasten worden over meer mensen gespreid). het premie-inkomen: hoe hoger het premie-inkomen waarover geheven wordt, des te lager is het percentage. 9.16 a. De onderwijsuitgaven beginnen pas bij 4 jaar. b. Niet alle staven gelden voor evenveel mensen. Door sterfte zitten er steeds minder mensen in de laatste drie staven. Er zijn bijvoorbeeld maar weinig mensen ouder dan 90 jaar. Het bedrag van 30.000 geldt dus maar voor een klein aantal. c. De staaf 60-70 zal wellicht onder nul komen als meer mensen boven 60 jaar gaan werken en belasting betalen. En de staaf 50-60 kan verder naar beneden gaan. d. 'De afdrachten van de burgers meer inkomensafhankelijk maken' slaat op het draagkrachtbeginsel. e. Het profijtbeginsel houdt in dat de gebruiker van een overheidsvoorziening daarvoor betaalt. Als de overheid uitsluitend het profijtbeginsel hanteert, zullen er geen staafjes (naar boven of naar beneden) zijn.