Lesbrief Jong en Oud 3 e druk

Vergelijkbare documenten
Lesbrief Levensloop 1 e druk

Lesbrief Levensloop 2 e druk

Samenvatting Economie Jong & Oud

Begrippenlijst Economie Jong en Oud

5.5 a. Een bezit: Natascha heeft nog geld van de klant tegoed. b. Er is nog niets verkocht, dus ook niet op rekening.

Eindexamen economie pilot havo I

6,7. Samenvatting door een scholier 1150 woorden 10 oktober keer beoordeeld. De productiefactoren noemen en hun beloningen onderscheiden.

Samenvatting Economie Levensloop Hst. 2/3/4

Economie Pincode klas 4 VMBO-GT 5 e editie Samenvatting Hoofdstuk 7 De overheid en ons inkomen Exameneenheid: Overheid en bestuur

4.1 Klaar met de opleiding

Samenvatting Economie Levensloop

Groep Wegingsfactor Prijsverandering Partieel prijsindexcijfer Woning 40% +10% 110 Voeding 30% -10% 90 Kleding 20% +20% 120 Diversen 10% +15% 115

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

4,2. Samenvatting door een scholier 1704 woorden 18 juli keer beoordeeld. Hoofdstuk 1

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Samenvatting Economie Hoofdstuk 4

Jong & Oud ECONOMIE HAVO 4

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * Als %

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25

Te weinig verschil Verschil tussen de hoogte van uitkeringen en loon is belangrijk. Het moet de moeite waard zijn om te gaan werken.

1.6 Meer naar rechtsonder. Hoe meer naar rechtsonder, hoe meer vrije tijd.

Vraag Antwoord Scores

Samenvatting door een scholier 1202 woorden 10 januari keer beoordeeld. Hoofdstuk 4.3 t/m & 4.4 begrippen;

2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.

Inkomstenbelasting. Module 7 hoofdstuk 2

Antwoorden Lesbrief Waar voor je geld

In de economie is een goed schaars als er een offer of inspanning geleverd moet worden om het te krijgen -> relatieve schaarste

Dé arbeidsmarkt bestaat niet. Het bestaat uit een groot aantal deelmarkten die min of meer met elkaar in verbinding staan.

Eindexamen vwo economie I

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Samenvatting Economie Hoofdstuk 4, De collectieve sector

Vraag Antwoord Scores

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten?

Micronieveau: dat wil zeggen naar de productie van een bedrijf of het inkomen van een huishouden

3,3. Opdracht door een scholier 3194 woorden 23 januari keer beoordeeld. Lesbrief Inkomen Economie 1,2. Oefenopgave H1

Iedereen betaalt btw. Daarnaast betaalt iedereen die werkt ook loon- of inkomstenbelasting.

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen

Eindexamen havo economie oud programma I

5.1 Het speelkwartier

6.1 De AOW. Een alleenstaande krijgt 70% van het minimumloon. Gehuwden of samenwonenden krijgen 100% van het minimumloon.

Eindexamen economie vwo I

Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009

Eindexamen economie 1 havo 2005-I


De overheid. Uitgaven: uitkeringen en subsidies. De overheid. Ontvangsten: belasting en premies. De grote herverdeler van inkomens

Samenvatting Economie Jong & Oud

Zacco. bekennen 10 jaar, 10 jaar 1 jaar, 22 jaar zwijgen 22 jaar, 1 jaar 2 jaar, 2 jaar

Koopkracht in perspectief. In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008

Het primaire inkomen is de beloning voor het ter beschikking stellen van productiefactoren.

Sectorwerkstuk Economie Economische crisis

Verantwoord lenen bij OHRA

6,9. Samenvatting door een scholier 1342 woorden 12 augustus keer beoordeeld. Hoofdstuk 4

Grootverdiener zwaarder belast

Hoofdstuk 4 Inkomensongelijkheid 4.1. a/b/c.

Boekverslag door M woorden 21 februari keer beoordeeld

Lesbrief Kopen en Werken 2 e druk Hoofdstuk 2 Geld om van te leven 2.1 a. 64, b. 64,7968. c. 64,80. d. 65.

economie havo 2017-II

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Meso-economie De totale productie van een bedrijfskolom kun je vinden door de toegevoegde waarde van afzonderlijke

4,1. Samenvatting door een scholier 539 woorden 11 oktober keer beoordeeld. Eco H5. Paragraaf 1; Gezinnen ruilen over de tijd

9,6. Samenvatting door N woorden 15 oktober keer beoordeeld. Hoofdstuk 1. Begrippen

Oefentoets Klas: havo 4

Eindexamen economie 1 havo 2008-I

Eindexamen vwo economie pilot I

Samenvatting Economie Lesbrief Welvaart H1-H5

Eindexamen havo economie 2013-I

Ruilen over de tijd (havo)

HET BEROEP VAN MAKELAAR IN ONROEREND GOED VIND IK ONTROEREND GOED!!!!!

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II

Eindexamen economie havo I

6,1. Samenvatting door een scholier 2162 woorden 3 juni keer beoordeeld. De collectieve sector blauwe boekje H1 + H2

Hoofdstuk 12. Vreemd vermogen op lange termijn. Een lening (schuld) met een looptijd van langer dan een jaar. We bespreken 3 verschillende leningen:

Wijzigingen minimumloon en sociale uitkeringen 2016

ONDERWERP PRESENTATIE IS EEN STELSELWIJZIGING IN BELANG VAN U ALS DEELNEMER? GENOEMDE ONTWIKKELINGEN / PROBLEMEN OM ONS PENSIOEN STELSEL TE WIJZIGEN

Eindexamen economie havo I

6,6. Samenvatting door een scholier 768 woorden 3 maart keer beoordeeld. Economie in context. Hoofdstuk Bruto- en nettoloon

Sparen of lenen Waarom?

Belasting betalen en Hypotheekrente aftrek. Ontwerp power point; Henk Douna

Opgave koppeling ambtenaren particuliere sector

Antwoorden Economie index hoofdstuk 1 & 2

Verplichte context Module 4 Onderwijs en menselijk kapitaal

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Eindexamen economie 1-2 vwo I

Transcriptie:

Hoofdstuk 1. 1.16 C. School of baantje 1.17 a. 200/ 10 = 20 keer. b. Zie figuur. c. Zie figuur. d. 15 keer naar de bioscoop kost hem 150. Er blijft dan nog 50 over voor tijdschriften. Hij kan nog 50/5 = 10 tijdschriften kopen. e. Zie figuur. f. Zie figuur. g. Hij kan nu nog 50/6,25 is 8 tijdschriften kopen. h. Zie figuur. 1.18 a. Als Nasira bekent, zal Gemma ook bekennen omdat ze liever een 4 haalt dan een 1 (die ze krijgt als ze zou ontkennen). Maar doordat Gemma bekent, gaat dit ten koste van Nasira die geen 9 maar slechts een 4 krijgt. Als Nasira ontkent, zal Gemma bekennen omdat ze liever een 9 haalt dan een 8 (die ze krijgt als ze zou ontkennen). Maar doordat Gemma bekent, krijgt Nasira geen 8 maar slechts een 1. Overeenkomstig is de reactie van Nasira op Gemma: Als Gemma bekent, zal Nasira ook bekennen, zodat Gemma een 4 scoort en geen 9. Als Gemma ontkent, zal Nasira bekennen, zodat Gemma een 1 scoort en geen 8. b. Beiden bekennen, waardoor ze allebei een 4 krijgen. c. Ja. Als de afspraak is ontkennen, krijgen beiden een 8.

Hoofdstuk 2. 2.13 2.14 2.15 2.16 C C A C De jeugd 2.17 a. basisbeurs 95,61 aanvullende beurs 222,84 lenen 100,00 collegegeldkrediet 142,75 + totaal 561,20 b. basisbeurs 266,23 collegegeldkrediet 142,75 + totaal 408,98 c. 12 142,75 = 1.713.

Hoofdstuk 3. Werken en belasting betalen 3.12 3.13 B A 3.14 a. bruto inkomen 50.000 aftrekpost rente 0,06 200.000 = 12.000 _ belastbaar inkomen 38.000 schijf 1 14.363 0,329 = 4.725 over 23.637 schijf 2 10.087 0,3685 = 3.717 over 13.550 in schijf 3 13.550 0,42 = 5.691 + totale heffing over de schijven 14.133 totaal heffingskortingen = 1507 + 697 = 2.204 _ Te betalen inkomensheffing 11.929 b. Het tarief over zijn laatstverdiende euro: 42%. c. Gemiddeld tarief = 11.929/50.000 100% = 23,9%. d. De heffing stijgt met 0,42 1.000 = 420 naar 12.349. Het inkomen wordt 51.000. Gemiddeld tarief wordt 12.349/51.000 100% = 24,2%. e. Het is een progressief stelsel omdat het gemiddelde belastingtarief stijgt naarmate je meer verdient. f. Degressief. Boven een belastbaar inkomen van 25.450 blijft het premiebedrag gelijk bij een stijgend belastbaar inkomen. De gemiddelde premiedruk daalt en dus is de heffing boven een belastbaar inkomen van 24.450 degressief. 3.15 a. De heffing van Cas over een stuk van de eerste schijf is 0,3345 3.000 = 1.003,45. De heffingskorting is 2.000. Hij krijgt dus de hele betaalde loonheffing terug. b. De heffing van Sam over een stuk van de eerste schijf is 0,3345 8.000 = 2.676. Hij moet dus betalen: 2.676 2.400 = 276. Omdat hij nog niets betaald heeft, moet hij alsnog 276 betalen.

Hoofdstuk 4. 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 D A C A B 2.29 a. personen van laag naar hoog inkomen Inkomensongelijkheid personen in % van het totaal maandbedrag in maandbedrag in % van het totaal cumulatief % personen cumulatief % maandbedrag Alex 20% 150 10 20% 10% Jason 20% 225 15 40% 25% Maarten 20% 300 20 60% 45% Nigel 20% 375 25 80% 70% Pieter 20% 450 30 100% 100% totaal 100% 1.500 100% b. c. Uitspraak 1 onjuist; de lorenzcurve zegt niets over de absolute hoogte van de inkomens. Uitspraak 2 juist; hoe verder de Lorenzkromme verwijderd is van de diagonaal, des te groter zijn de inkomensverschillen. Uitspraak 3 onjuist; over wat rechtvaardig is, kunnen economen geen uitspraak doen.

Hoofdstuk 5. Werken in een eigen bedrijf 5.11 5.12 5.13 5.14a 5.14b A C* C B C * (7.500.000 2.400.000 900.000 300.000) 5.15 a. Omzet = 20.000 10 = 200.000. b. Toegevoegde waarde = 200.000 40.000 5.000 = 155.000. c. De winst = 155.000 1.000 = 154.000. 5.16 Balans op 1-2-2014 ( ) activa passiva kiosk 25.000 eigen vermogen 10.000 computer 2.000 lening pa 20.000 kassa 500 voorraden 1.000 bank 1.300 kasgeld 200 totaal 30.000 totaal 30.000 5.17 a. Werkgelegenheid = 1 1 + 4 1 + 6 0,5 = 8 arbeidsjaren (volledige banen). b. Bij (1) resultatenrekening; bij (2) balans. c. D. d. Toegevoegde waarde = 400.000 20.000 = 380.000.

Hoofdstuk 6. 6.19 6.20 C C Verzekeren 6.21 a. Bij particuliere verzekeringen is de premie gebaseerd op risico en kunnen mensen geweigerd worden. Sociale verzekeringen zijn gebaseerd op solidariteit. De premie is afhankelijk van het inkomen. Mensen zijn niet uitsluitbaar, iedereen moet geaccepteerd worden. b. Bij een particuliere verzekering kunnen mensen met hoge risico's de hoge premie niet betalen als ze een laag inkomen hebben. Sommige mensen zullen bij particuliere verzekeringen niet geaccepteerd worden en moeten dan het hoge risico zelf dragen. c. Bij het omslagstelsel betalen de werkenden van nu premie voor de uitkering van de huidige AOW'ers. Als er in verhouding meer AOW'ers komen moet het premiepercentage omhoog. Bij kapitaaldekking bouwen werkenden door premiebetaling recht op een uitkering op. Als de groep AOW-gerechtigden groter wordt, is er door die groep ook meer gespaard voor later. 6.22 a. Door de acceptatieplicht kan de verzekerde elk jaar van verzekeraar wisselen en zullen de verzekeraars om klanten te behouden en te lokken hun premie zo laag mogelijk vaststellen. Door de verplichte verzekering moeten ook de goede risico's zich verzekeren. Zij betalen meer premie dan ze kosten, waardoor de gemiddelde premie lager kan zijn. b. Goede risico's zijn ook verplicht verzekerd, waardoor verzekeraars niet alleen met de slechte risico's blijven zitten.

Hoofdstuk 7. 7.15 a. onjuist; b. juist; c. juist. Het huishouden 7.16 a. Budgetonderzoek. b. CPI2008 = (18 108 + 6 105 + 34 116 + 22 107 + 20 104)/100 = 109,5. c. Beschikbaar voor vakantie = 1,13 3.000 = 3.390. d. Goedkoper. Volgens de onderste tabel is het prijsniveau van de categorie 'Restaurant' in Portugal lager dan in Nederland. 7.17 a. Er worden te weinig nieuwe huizen gebouwd. Tegelijkertijd willen steeds meer mensen een eigen huis kopen. b. Als de rentekosten van de hypothecaire lening lager wordt, kunnen huizenkopers bij hetzelfde inkomen meer lenen. Ze kunnen dus meer betalen voor een huis. Dat stimuleert de vraag naar huizen, waardoor de prijzen zullen stijgen. c. bedrag van de lening: 1,08 615.000 50.000 = 614.200. rentevoordeel bij uitstel: (0,053 0,044) 614.200 = 5.527,80. d. Dit specifieke huis blijkt een half jaar later al verkocht te zijn. De verkoopprijs van het huis kan gestegen zijn doordat de vraag naar koopwoningen is gestegen. De wereldreis is duurder uitgevallen dan ze hadden gedacht en daarvoor hebben ze een deel van hun spaargeld moeten aanspreken, waardoor het te lenen bedrag is gestegen. Het rentepercentage kan hoger zijn doordat er meer vraag naar hypothecaire leningen is gekomen. e. Bij 1: verhogen; bij 2: daalt. Vermogen = Bezittingen Schulden. Bij een eigen huis stijgt het reële vermogen om twee redenen. 1. Huizenprijzen die sterker stijgen dan de inflatie verhogen het reële vermogen van huiseigenaren. 2. Door inflatie daalt de reële hypotheekschuld. Als er gespaard wordt bij een bank blijft het reële vermogen ongeveer gelijk. De renteopbrengst is nodig om de daling van de reële waarde van het spaargeld door de inflatie te compenseren.

Hoofdstuk 8. 8.14 8.15 8.16 8.17 8.18 D B D C C Senioren 8.19 a. 'De bedrijfspensioenen worden in cao's geregeld.' b. Van de AWBZ (algemene wet bijzondere ziektekosten). Ouderen maken relatief veel gebruik van zorgcentra en verpleegtehuizen. 8.20 a. 1048,09/1,021 = 1.026,53. b. je betaalt korter premie. je moet langer een uitkering ontvangen. c. Het gaat vooral om goede onderbouwing van je antwoord. 8.21 a. 0,6 10.850.000 = 6.510.000 = 6,51 miljoen. b. 19 miljard/6,51 miljoen = 2.918,59. c. (26.000 8.636,36)/8.636 100% = 201,1%. d. Benodigd bedrag = 3.400.000 26.000 = 88,4 miljard. Aantal premiebetalers = 0,6 11.550.000 = 6.930.000. Gemiddelde premie = 88,4 miljard/6,93 miljoen = 12.756,13. e. Hoger. De koopkracht van de werknemers stijgt, waardoor een welvaartsvast pensioen hoger zou uitvallen dan een waardevast pensioen. Dan zouden er dus meer premie-inkomsten nodig zijn. 8.22 a. Als AOW-gerechtigden die samenwonen zich inschrijven op verschillende adressen, krijgen ze elk 70% van het minimumloon in plaats van 50%. b. (2 70% 2 50%) 1.400 = 560 per maand.

Hoofdstuk 9. 9.9 9.10 9.11 9.12 9.13 9.14 C B A A C B Ruilen tussen generaties 9.15 a. Mensen betalen premie om later zelf een uitkering te krijgen. Die premie wordt in een fonds gestort. b. Grijze druk 2000 = 2.154/9.831 100% = 21,9 %. Grijze druk 2050 = 3.822/9.603 100% = 39,8 %. c. 39,8 21,9 = 17,9 procentpunt. d. Beide. De vergrijzing (toename van de grijze druk) is sterker dan in de VS, maar minder sterk dan in de andere drie landen. e. de hoogte van de pensioenen: hoe hoger de pensioenen des te hoger het premiepercentage. het percentage actieven tussen 20 en 64 jaar; hoe meer actieven des te lager het premiepercentage (de lasten worden over meer mensen gespreid). het premie-inkomen: hoe hoger het premie-inkomen waarover geheven wordt, des te lager is het percentage. 9.16 a. De onderwijsuitgaven beginnen pas bij 4 jaar. b. Niet alle staven gelden voor evenveel mensen. Door sterfte zitten er steeds minder mensen in de laatste drie staven. Er zijn bijvoorbeeld maar weinig mensen ouder dan 90 jaar. Het bedrag van 30.000 geldt dus maar voor een klein aantal. c. De staaf 60-70 zal wellicht onder nul komen als meer mensen boven 60 jaar gaan werken en belasting betalen. En de staaf 50-60 kan verder naar beneden gaan. d. 'De afdrachten van de burgers meer inkomensafhankelijk maken' slaat op het draagkrachtbeginsel. e. Het profijtbeginsel houdt in dat de gebruiker van een overheidsvoorziening daarvoor betaalt. Als de overheid uitsluitend het profijtbeginsel hanteert, zullen er geen staafjes (naar boven of naar beneden) zijn.