Lesbrief Levensloop 2 e druk
|
|
|
- Quinten ten Wolde
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Hoofdstuk 1. Kiezen B C D B C D D C B 1.32 a. Mannen werken gemiddeld 26,9 uur. In procenten is dat (26,9/39,6) 100% = 67,9%. Vrouwen werken gemiddeld 12,3 van de 38,9 uur, dat is 12,3/38,9 100% = 31,6%. b. Hier spelen nog tradities mee. Traditioneel doen vrouwen de zorgtaken en huishoudelijk werk. Mannen streven een carrière na en hebben dan minder tijd voor de huishouding en zorg. c. Wie betaalde arbeid verricht, heeft koopkracht en is daarmee minder afhankelijk van anderen a. 20A + 25B = b. 20A = A = 500/20 = 25 stuks. c. 21A + 24B = a. b. Marieke zal 8 uur werken, omdat ze het meest verdient per uur. Ze verdient dan 8 25 = 200. Tom zal dan 130/20 = 6,5 uur werken. c. Als Marieke X uur per week werkt, gaat Tom 14 X uur werken. De vergelijking luidt: 25X + (14 X) 20 = X X = 330 5X = 50 X = 10. Marieke moet dan 10 uur per dag gaan werken en Tom = 4 uur.
2 1.35 a. Selma Lara bekent ontkent bekent 4 ; 4 6 ; 3 ontkent 3 ; 6 5 ; 5 b. Het evenwicht in dominante strategieën is dat beiden bekennen: de cel (4;4) linksboven. c. Samuel heeft een dominante strategie: bekennen. Dat levert steeds het hoogste cijfer op: 4 > 3 en 6 > 5. Lars heeft geen dominante strategie. Als Samuel bekent is bekennen dominant (4 > 3), maar als Samuel ontkent zal Lars ook ontkennen (6 > 3). Omdat Lars weet dat Samuel zal bekennen, kiest Lars ook voor bekennen, want dan krijgt hij een 4. Als hij zou ontkennen zou hij een 3 krijgen.
3 Hoofdstuk 2 Jeugd C C A A A A D 2.30 a. Appie is hoger opgeleid. Appie is productiever. Appie doet zwaarder werk. b. Alternatief 2: dat iedereen een even hoog inkomen heeft. c. De minst verdienende helft krijgt 25% van het totale inkomen. De meest verdienende helft krijgt dan = 75%. d. Een willekeurige lorenzcurve tussen de gegeven lorenzcurve A en de diagonaal. e. Curve A. Deze ligt verder van de diagonaal af omdat de inkomensverschillen in verhouding groter zijn geworden.
4 2.31 a. personen van laag in % van cumulatief naar hoog inkomen de groep % personen inkomen in % van het cumulatief totale inkomen % inkomen Mieke 20% 20% % 10% Maike 20% 40% % 25% Elke 20% 60% % 45% Fleur 20% 80% % 70% Mariël 20% 100% % 100% totalen 100% % b. Uitspraak 1 onjuist: de Lorenzcurve zegt niets over de absolute hoogte van de inkomens. Uitspraak 2 juist: hoe verder de kromme verwijderd is van de diagonaal, des te schever de verdeling. Uitspraak 3 onjuist: in de economie spreken we geen waardeoordeel (over rechtvaardigheid) uit.
5 Hoofdstuk 3 Risico en informatie 3.24 C juist; 2. onjuist; 3. juist; 4. onjuist; 5. juist; 6. onjuist; 7. juist; 8. juist C D B A C A A D 3.34 ZW WIA 3.35 De weduwe verdient = meer. 2/3 van is 676. Ze ontvangt een Anw-uitkering van = 444 per maand a. Mensen die niet werkloos zijn betalen mee aan de uitkering van de werklozen. b. Werknemersverzekering. Een uitkering is er alleen voor werknemers die ontslagen worden en de hoogte van de uitkering hangt af van het laatst verdiende loon. c. - er zijn minder werkenden om premie te betalen; - er zijn meer mensen die recht hebben op een uitkering. d. De stijging van het aantal mensen met een uitkering is / % = 25,7%. Dat is meer dan de stijging van de WW-uitgaven (15%). e. - er zijn veel mensen ontslagen die in deeltijd werkten; - er zijn veel mensen ontslagen met een laag inkomen a. Een hogere premie. Het morele risico verhoogt het aantal schadegevallen waardoor de premie omhoog moet. b1. Beide. Averechtse selectie: goede risico's betalen een lagere premie voor hun gedrag en hebben geen last van het eigen risico. Goede risico's hebben minder aanleiding over te stappen naar een goedkopere verzekeraar. Moreel risico: slechte risico's zullen hun gedrag veranderen omdat ze zich niet ongestraft roekeloos kunnen gedragen. b2. Averechtse selectie. Het zijn goede risico's. Om te voorkomen dat ze overstappen krijgen ze korting. b3. Beide. Averechtse selectie: goede risico's zien hun goede gedrag beloond en zullen minder snel overstappen naar en andere verzekering. Moreel risico: slechte risico's zullen voorzichtiger worden omdat ze anders de no-claim mislopen. b4. Moreel risico: slechte risico's zullen wellicht hun gedrag veranderen, omdat ze anders niets uitgekeerd krijgen a. De principaal kan te maken krijgen met keuzemogelijkheden en moet daardoor kosten maken om de kwaliteit van de zorgproducenten te kunnen beoordelen / moet kosten maken om de kwaliteit van de behandelingen te kunnen beoordelen. b. - Het eigen risico gaat tegen dat zorgconsumenten risicovol gedrag vertonen en daardoor zorgkosten claimen. - Het eigen risico gaat tegen dat zorgconsumenten onzorgvuldig omgaan met (gratis) medische zorg en daardoor onnodige zorgkosten claimen. c. - Goede risico s kiezen voor een lage premie met een hoog eigen risico terwijl slechte risico s kiezen voor een hoge premie met een laag eigen risico; deze keuze verschaft de zorgverzekeraars informatie over hoe potentiële klanten over hun gezondheidsrisico s denken, zodat er geen uitgebreide keuring vooraf hoeft plaats te vinden om dat risico in te schatten. - Goede risico s kiezen voor een lage premie met een hoog eigen risico terwijl slechte risico s kiezen voor een hoge premie met een laag eigen risico; deze keuze verschaft de zorgverzekeraars informatie over het (gezondheids)gedrag van verzekerden, zodat achteraf minder onderzoek naar claims hoeft plaats te vinden.
6 d. Zorgverzekeraars moeten steeds hogere transactiekosten maken naarmate ze de contracten meer sluitend en compleet willen maken; de extra opbrengsten zullen op zeker moment niet meer opwegen tegen de extra kosten en dus niet meer bijdragen aan de totale winst. e. Een antwoord waaruit blijkt dat: door de prijsregulering zorgproducenten verzekerd zijn van een redelijke prijs en minder gedwongen zijn op kosten te besparen en op kwaliteit in te leveren door het kwaliteitsbeleid meer eenheid in het aanbod komt, waardoor de transactiekosten voor de zorgconsumenten lager worden. door de verplichte zorgverzekering met een uniforme premie solidariteit ontstaat tussen groepen met relatief laag risico en groepen met relatief hoog risico, wat tot gemiddeld lagere premies kan leiden. door de acceptatieplicht de zorgverzekeraars minder transactiekosten hoeven te maken bij het schatten van individuele risico s a. De goede risico s sloten geen verzekering af. Zij vinden de premie te hoog en de kans dat ze gebruik moeten maken van de zorg is laag. Hierdoor bleven de slechte risico s over en ging de premie omhoog. Nog meer goede risico s verlaten dan de verzekering. b. Voorbeelden van kosten om de gezondheidsrisico s van de verzekerde in te schatten, bijvoorbeeld keuringen, checken van medische gegevens bij artsen, vragenlijsten in laten vullen, enzovoort. c. - veel verzekerden met een slecht risico; - hoge transactiekosten.
7 Hoofdstuk 4 Inkomen en belasting en 3 zijn juist C A C C A 4.29 Geen enkele D D 4.32 Maatregel 3 is geschikt a. (102/104) 100 = 98,08 de koopkracht neemt met 1,92% af. b. (100/103) 100 = 97,09 de koopkracht neemt met 2,91% af. c. (98/95) 100 = 103,16 de koopkracht neemt met 3,16% toe a. Reële waarde van Harrie's spaargeld = /101, = /102, = 9.744,98. (9.744, ) / % = -2,55%. De reële waarde van zijn spaargeld is met 2,55% gedaald. b. Nominaal moeten ze terugbetalen, maar door de inflatie is de reële waarde (koopkracht) van lager geworden a. bruto inkomen aftrekpost: 6% van belastbaar inkomen in schijf 1+2 = totale heffing in schijf 3 = heffing = 0, totaal heffingskortingen te betalen inkomensheffing b. Gemiddelde belastingdruk = (11.929/50.000) 100% = 23,9%. c. Over de bonus betaalt hij het marginale tarief van 42% belasting want de hoogste schijf waarin hij valt, blijft de derde schijf. Het belastbaar inkomen stijgt met De heffing stijgt met 0, = 420 en wordt = De belastingdruk wordt (12.349/51.000) 100% = 24,2%. d. Progressief. Naarmate het inkomen toeneemt, stijgt de gemiddelde belastingdruk. e. Het is een combinatie. Tot een inkomen van is het stelsel proportioneel omdat de gemiddelde premiedruk steeds 17,9% is. Boven is het systeem degressief. Het heffingsbedrag neemt niet meer toe terwijl het belastbaar inkomen wel toeneemt. De gemiddelde premiedruk boven een inkomen van daalt, dus is er degressie a. Het bruto jaarloon is gestegen met (435/29.000) 100% = 1,5% en dat is een even grote stijging als die van het prijspeil. b. Van het aanbod van arbeid. De werkenden houden netto meer over en er zullen meer huisvrouwen en studenten zich aanbieden op de arbeidsmarkt. c. AOW, AKW, AWBZ, Anw.
8 d. belastbaar inkomen: te betalen belasting en premies: schijf schijf (40,35% van ) te betalen belastingen en premie volksverzekeringen (rij 2) heffingskortingen te betalen het netto jaarinkomen in jaar 2: = (rij 4) e. De stijging van het netto jaarinkomen = 280. De stijging in procenten = 280/ % = 1,19%. Dit is minder dan de stijging van de prijzen van 1,5%. Dus de koopkracht daalt. f. Door de stijging van het inkomen is het gemiddelde belastingdruk zo sterk toegenomen dat het effect van de hogere heffingskorting meer dan volledig ongedaan is gemaakt a. Bosso bruto inkomen aftrekposten belastbaar inkomen: te betalen belasting en premies: schijf 1 0, schijf 2 0, Schijf 3 0, te betalen inkomensheffing Heffingskortingen ( ) te betalen Plaforte bruto inkomen aftrekposten belastbaar inkomen: te betalen belasting en premies: schijf 1 0, schijf 2 0, schijf 3 0, schijf 4 0, te betalen inkomensheffing Heffingskortingen ( ) te betalen b. Bosso vermogen vrijstelling ,2% over = is de VRH die Bosso moet betalen. Plaforte vermogen vrijstelling ,2% over = is de VRH die Plaforte moet betalen. c. Bosso gemiddelde heffingsdruk is 9.992/ % = 27%. Plaforte gemiddelde heffingsdruk is / % = 31,4%. d. Bosso 42%, Plaforte 52%.
9 e. Bosso gemiddelde heffingsdruk op vermogen is 1.366/ % = 1,01%. Plaforte gemiddelde heffingsdruk op vermogen is 7.246/ % = 1,16%. f. Een progressieve heffing, de vrijstelling is voor iemand met een klein vermogen in verhouding groter dan voor iemand met een groot vermogen. Of: de gemiddelde heffingsdruk is groter als het vermogen groter is (zie opdracht e). g. Beide betalen in de eerste twee schijven 31,15% premies dat is 0, = Voor Bosso blijft voor de heffingskorting een bedrag van = over. Voor Plaforte blijft voor de heffingskorting een bedrag van = over. h. Degressief, want procentueel betaalt iemand met een hoog inkomen minder aan premies volksverzekeringen dan iemand met een lager inkomen a. Gelijk zijn aan de gemiddelde belastingdruk. Bij een volledig proportionele heffing zonder aftrekposten en zonder heffingskortingen is het gemiddelde belastingtarief gelijk aan het tarief over de laatst verdiende euro (in dit geval 35%). b. De angst voor minder belastinginkomsten is onterecht, want bij het huidige Schijvenstelsel krijgt de overheid al veel minder omdat er heffingskorting en aftrekposten zijn. Vooral de hogere inkomens maken bij het Schijventarief gebruik van de aftrekposten (zie de figuur) en profiteren extra vanwege hun hoge marginale tarief. c. Voor het Schijvenstelsel. Met de progressieve tarieven van het schijvenstelsel en de heffingskortingen kan bereikt worden dat de hogere inkomens relatief meer afdragen dan de lagere, hetgeen nivellerend werkt. d. Deciel 4: belastbaar inkomen = 0, = Belastingheffing = 0, = Gemiddeld belastingtarief = 4.751/ % = 27,9%. Deciel 10: belastbaar inkomen = 0, = belasting = ,42 ( ) = Gemiddeld belastingtarief = / % = 28,0%. e. Nivellerend. De vaste heffingskorting van is voor de lagere inkomens een relatief groter belastingvoordeel dan voor de hogere inkomens, hetgeen de procentuele inkomensverschillen na belastingheffing verkleint.
10 Hoofdstuk 5 Gezin juist; 2. onjuist; 3. onjuist; 4. onjuist; 5. juist; 6. juist; 7. juist; 8. juist B D A D 5.22 a. Afnemen. Dat blijkt uit de zin: 'Het rentepercentage van de lening ligt meestal een aantal jaren vast terwijl het inkomen veelal meestijgt met het gemiddelde prijsniveau.' b. Het nominale rentebedrag blijft gelijk. Bij een toename van het inkomen kan een hoger marginaal belastingpercentage van toepassing worden en daarmee een groter deel van het rentebedrag worden terugontvangen. c. De nominale rente is lager dan de inflatie. d. De waarde van het huis op 1 januari 2011 is ,024 3 = ,36. e. Inflatie heeft geen invloed op de hypotheekschuld zodat het verschil tussen de waarde van het huis en de hypotheekschuld (= het vermogen) zal toenemen a. Er worden te weinig nieuwe huizen gebouwd. Tegelijkertijd willen steeds meer mensen een eigen huis kopen. b. Als de hypothecaire financiering goedkoper wordt, kunnen huizenkopers meer lenen bij een zelfde inkomen en dus kunnen ze meer betalen voor een huis. Dat stimuleert de vraag naar (duurdere) huizen, waardoor de gemiddelde prijzen zullen stijgen. c. bedrag van de lening: 1, = rentevoordeel bij uitstel: (0,053 0,044) = 5.527,80. d. een half jaar later kan dit specifieke huis al verkocht zijn. een half jaar later is de trend van stijgende huizenprijzen ook van invloed is geweest op de vraagprijs voor dit huis (en deze dus door de makelaar is verhoogd). de wereldreis is duurder uitgevallen dan ze hadden gedacht en daarvoor moeten ze een deel van hun spaargeld aanspreken, waardoor het te lenen bedrag is gestegen a. Nee. Ilse is zowel bij tuin onderhouden als bij schoonmaken meer uren kwijt dan Jeroen. b. opofferingskosten van Ilse Jeroen tuin onderhouden kost 2 schoonmaken kost 2 schoonmaken schoonmaken kost ½ tuin onderhouden kost ½ tuin onderhouden c. Nee, de opofferingskosten van tuin onderhouden zijn voor Ilse en Jeroen gelijk. Dat geldt ook voor schoonmaken. d. Ilse Jeroen totaal tuin onderhouden 2 uur 3 uur 5 uur schoonmaken 2 uur 1 uur 3 uur totaal 4 uur 4 uur 8 uur 5.25 a. Ja. Ahmad is bij alle opgaven/onderwerpen minder tijd kwijt. b. De tijd die Ahmad nodig heeft ten opzichte van Ben is: opdracht 1. 0,75; opdracht 2. 0,95; opdracht 3. 0,8; opdracht 4. 0,67. Ahmads comparatief voordeel is het grootst bij opdracht 4, daarna bij 1 en 3. Maar deze laatste krijgt hij niet af. Voor Ben geldt het omgekeerde. Hij heeft het kleinste comparatieve nadeel dus het grootste comparatieve voordeel bij opgave 2. Hij begint met 2 en gaat verder met 3; deze krijgt hij niet af binnen 50 minuten. Dus 1, 2 en 4 zijn af. c. Voor opgave 2 heeft Ben 42 minuten nodig, dus hij heeft nog 8 minuten aan opgave 3 gewerkt. Voor opgave 3 blijven 25 8 = 17 minuten over. Ahmad kan dit in 17 (20/25) = 13,6 minuten afkrijgen. Hij gebruikte in de les = 10 minuten. Hij heeft nog 13,6 10 = 3,6 minuten nodig om opgave 3 af te maken.
11 Hoofdstuk 6 De oude dag D B D C C C 6.18 a. de mensen jonger dan 65 betalen premie om de 65-plussers een uitkering (AOW) te geven. mensen sparen zelf van hun inkomen en gebruiken de opbrengst vanaf hun 65 e. b. thuiszorg door bejaardenhulpen. gezondheidszorg door artsen en verpleegkundigen in ziekenhuizen. c. geld op een spaarrekening zetten. een eigen huis kopen en dat verkopen als dat financieel nodig is. een beroep doen op zorg door kinderen a. 0,225 ( ) = 4.597,65. b. AOW= = over 2006 het volgende jaaroverzicht van PGGM: je stopt met werken bedrag flexpensioen ouderdomspensioen inkomen vanaf 65 jaar = pensioen + AOW (2006) op leeftijd tot 65 jaar vanaf 65 jaar 60 jaar jaar = jaar = jaar = jaar = jaar geen c ,04 = d. Marijke's afweging is: met vervroegd pensioen gaan of doorgaan met werken. Als ze vervroegd met pensioen gaat, krijgt ze meer vrije tijd maar een lager pensioen. Als ze blijft doorwerken, krijgt ze minder vrije tijd en een hoger pensioen. e. Als je eerder met pensioen gaat, moet hetzelfde opgebouwde totaalbedrag over meer jaren worden uitgesmeerd en is het bedrag per jaar dus lager. Als je eerder met pensioen gaat, betaal je minder lang premies waardoor minder pensioen is opgebouwd a. 19 miljard/0, = 19 miljard/ = 2.918,59. b. ( ,36)/ 8.636,36 100% = 201,1%. c. ( )/(0, ) = ,13. In 2040 is de uitkering (12.756, ,59)/ 2.918,59 100% = 337,1% hoger dan in d. Hoger; bij een welvaartvaste uitkering zouden de AOW- uitkeringen hoger zijn uitgevallen, omdat welvaartsvast hier een stijging van de koopkracht betekent. Een welvaartvaste uitkering ligt dus hoger dan een waardevaste uitkering a. De persoon heeft nooit betaald werk verricht. De persoon werkte in een bedrijf zonder pensioenvoorziening. b. Nivellering. Het netto-inkomen van personen met lage inkomens stijgt procentueel meer dan dat van personen met hoge inkomens. c. Het eerste onderdeel / de AOW. De verwachting van de regering verwijst naar een omslagstelsel. d ,85 1,012 =
12 6.22 a. Collectief regelen. Een antwoord waaruit blijkt dat het gaat om risicospreiding. Een toelichting waaruit blijkt dat het aantal deelnemers groot is en dat sommige deelnemers al op korte termijn en andere deelnemers pas op lange termijn met pensioen gaan, zodat zowel op korte als op lange termijn belegd kan worden. Een antwoord waaruit blijkt dat het gaat om rendement. Een toelichting waaruit blijkt dat het aantal deelnemers groot is zodat grote bedragen belegd kunnen worden, waardoor de positie van de belegger tegenover de geldnemers sterk is en scherpe voorwaarden mogelijk zijn. Verplicht stellen. Een antwoord waaruit blijkt dat het gaat om averechtse selectie. Een toelichting waaruit blijkt dat jonge mensen / vermogende mensen / mensen met een lage levensverwachting het minder interessant kunnen vinden om deel te nemen aan een pensioenregeling, waardoor het financiële draagvlak smaller wordt. b. Risicozoekend. Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Een verklaring waaruit blijkt dat het pensioenfonds van Amocco relatief meer belegt in aandelen / relatief minder belegt in obligaties dan gemiddeld en dat aandelen als belegging risicovoller zijn dan obligaties en daardoor een risicopremie opleveren en dus een kans op een hogere opbrengst. c. Rente eerste 10 jaar: 1,021 1,019 = 1,0404 4%. Beschikbaar over 10 jaar: ,55 1,04 10 = ,68. d. Benodigd bedrag over 10 jaar: = ,56. 1,03 25 Bijstorten: , ,68 = ,88. e. Bij Defined Benefit is de koopkracht van het inkomen na pensionering gegarandeerd want het pensioen is waardevast. Het rendement van de beleggingen is echter onzeker en bij een tegenvallend rendement groeit het vermogen te weinig en zal het pensioenfonds de premies moeten verhogen. Bij inflatie wordt bovendien de reële waarde van het vermogen aangetast en om die te herstellen zal het vermogen moeten toenemen en zal het pensioenfonds de premies moeten verhogen. Bij Defined Contribution krijgt de werknemer niet te maken met premieverhoging maar is de koopkracht van het inkomen na pensionering niet gegarandeerd, want de omvang en de reële waarde van het opgebouwde vermogen staan niet vast. Werknemers die zeker van hun koopkracht willen zijn, zullen bij een tegenvallend rendement en bij inflatie extra moeten sparen om het vermogen te laten toenemen.
13 Hoofdstuk D D C D 7.19 a. omvang in miljoenen personen Ruilen tussen de generaties bevolkingsgroep in % van het totaal cumulatief aandeel bevolkingsgroep primair inkomen in euro's primair inkomen in % primair inkomen cumulatief % jong oud 3 18,75 43, werkgeschikt 9 56, miljard totaal miljard 100 b. bevolkingsgroep in % van het totaal cumulatief aandeel bevolkingsgroep inkomen na herverdeling in euro's inkomen na herverdeling in % inkomen na herverdeling cumulatief % oud 18,75 18,75 36 miljard 1) 13,3 13,3 jong 25,00 43,75 60 miljard 2) 22,2 35,5 werkgeschikt 56, miljard 3) 64,5 100 totaal miljard 100 1) 3 miljoen = 36 miljard. 2) 4 miljoen = 60 miljard. 3) 270 miljard 60 miljard 36 miljard = 174 miljard. c. Na herverdeling is er sprake van inkomensnivellering tussen de generaties a. Door (individuele) premiebetaling is vermogen gevormd voor de financiering van (individuele) uitkeringen in de toekomst. b. Grijze druk in Nederland: In 2000: 100% = 21,9%. In 2050: % = 39,8% De toename in Nederland is 39,8 21,9 = 17,9 procentpunt en dat is lager dan in België (19,9 procentpunt) en Duitsland (25,6 procentpunt). c. De uitkeringen in België kunnen lager zijn waardoor een lager premiepercentage kan volstaan om de benodigde uitkeringen op te brengen. Het inkomen waarover premie wordt betaald (de premiegrondslag of het premie-inkomen) kan in België groter zijn, waardoor een lager premiepercentage kan volstaan om de benodigde uitkeringen op te brengen a. 1/9 = 11,1%. b. 4/9 = 44,4%. c. 0,5 45/ = 225 miljard.
14 d/f. (1) (2) (3) bevolking ( 1 miljoen) aantal jongeren ( 1 miljoen) 4 4 ontvangen overdrachten door jongeren ( 1 miljard) aantal ouderen ( 1 miljoen) 1 3 ontvangen overdrachten door ouderen ( 1 miljard) aantal actieven ( 1 miljoen) 4,5 4,5 totale lasten ( 1 miljard) gemiddelde lastendruk voor de actieven 24.4% 37,8% e. 3/9 = 33,3%. g. Toename grijze druk betekent toename lastendruk. h. 9/9 100% = 100% i/k/l. (1) (2) (3) (4) (5) bevolking ( 1 miljoen) aantal jongeren ( 1 miljoen) inkomensoverdracht naar jongeren ( 1 miljard) aantal ouderen ( 1 miljoen) inkomensoverdracht naar ouderen ( 1 miljard) aantal actieven ( 1 miljoen) 4,5 4,5 7 4,5 nationaal inkomen ( 1 miljard) totale lasten ( 1 miljard) lastendruk actieven 24,4% 46,7% 15,7% 57,8% j. 4/14 100% = 28,6%. m. In dit model profiteren degenen die deel uitmaken van de geboortegolf. In de werkgeschikte leeftijd hebben ze lage lasten omdat er dan relatief weinig jongeren en ouderen zijn. Degenen die de geboortegolf teweegbrengen hebben een aantal jaren hogere lasten omdat er veel jongeren zijn. De generatie na de geboortegolf draagt extra lasten omdat ze een groot aantal ouderen moet onderhouden. n. Het aantal actieven is nu 70% van 9 miljoen = 6,3 miljoen. Het nationaal inkomen stijgt naar 6,3 miljoen = 315 miljard. De lasten blijven 130 miljard. De lastendruk daalt naar (130/315) 100% = 41,3%.
Lesbrief Levensloop 1 e druk
Hoofdstuk 1. Kiezen 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 B C D D C B 1.29 a. Mannen werken gemiddeld 26,9 uur. In procenten is dat (26,9/39,6) 100% = 67,9%. Vrouwen werken gemiddeld 12,3 van de 38,9 uur, dat
Lesbrief Jong en Oud 3 e druk
Hoofdstuk 1. 1.16 C. School of baantje 1.17 a. 200/ 10 = 20 keer. b. Zie figuur. c. Zie figuur. d. 15 keer naar de bioscoop kost hem 150. Er blijft dan nog 50 over voor tijdschriften. Hij kan nog 50/5
Eindexamen vwo economie pilot I
Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat de principaal te maken kan krijgen met keuzemogelijkheden en daardoor kosten moet maken om de kwaliteit van de zorgproducenten te kunnen beoordelen
Oefentoets Klas: havo 4
Oefentoets Klas: havo 4 Vak: economie Toets over: h1 tot en met h6 Lesbrief: jong & oud Hulpmiddelen: gewone rekenmachine DEZE TOETS BESTAAT UIT 6 OPGAVEN! Opgave 1 Stel er zijn twee softwarebedrijven
Samenvatting Economie Jong & Oud
Samenvatting Economie Jong & Oud Samenvatting door S. 1109 woorden 25 april 2017 7,3 3 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Hoofdstuk 1: School of baantje Budgetlijn - Geeft verschillende combinaties
Samenvatting Economie Levensloop
Samenvatting Economie Levensloop Samenvatting door A. 1095 woorden 7 februari 2017 5,5 2 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Economie: levensloop Hfst 1 Consumptie: het product wordt aaneschaft door
Begrippenlijst Economie Jong en Oud
Begrippenlijst Economie Jong en Oud Begrippenlijst door Anna 1086 woorden 21 december 2016 8,7 10 keer beoordeeld Vak Economie Aandeel: Bewijs van mede-eigendom van een onderneming. Permanent beschikbaar.
4.1 Klaar met de opleiding
4.1 Klaar met de opleiding 1. Werken in loondienst - Bij een bedrijf of bij de overheid (gemeente, provincie, ministerie); - Je krijgt loon/salaris; - Je hebt een bepaalde zekerheid, dat je werk hebt,
Samenvatting Economie Hoofdstuk 4
Samenvatting Economie Hoofdstuk 4 Samenvatting door M. 1189 woorden 16 november 2016 0 keer beoordeeld Vak Economie Economie, hoofdstuk 4 Loon/winst: zijn vormen van inkomen. Hierover betaal je belastingen
Eindexamen economie pilot vwo I
Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore
Samenvatting Economie Hoofdstuk 19 en 20: Inkomensverdeling en conjuntuur
Samenvatting Economie Hoofdstuk 19 en 20: Inkomensverdeling en conjuntuur Samenvatting door een scholier 1286 woorden 9 januari 2013 6,8 4 keer beoordeeld Vak Methode Economie Percent 19.1 Personele inkomensverdeling
Dé arbeidsmarkt bestaat niet. Het bestaat uit een groot aantal deelmarkten die min of meer met elkaar in verbinding staan.
Samenvatting door Marit 1960 woorden 24 januari 2016 7,2 16 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO economie H.4 1 klaar met de opleiding Als je klaar bent met je opleiding ga je op zoek naar een werkkring.
Eindexamen economie pilot havo 2009 - I
Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 ja Een voorbeeld van een juiste
Eindexamen economie 1-2 vwo 2004-I
4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening
Samenvatting Economie Levensloop Hst. 2/3/4
Samenvatting Economie Levensloop Hst. 2/3/4 Samenvatting door A. 969 woorden 18 november 2012 4 3 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Kinderen krijgen is voor ouders liefde en vreugde en de ouders
In de economie is een goed schaars als er een offer of inspanning geleverd moet worden om het te krijgen -> relatieve schaarste
Samenvatting door C. 2442 woorden 29 mei 2016 4,5 2 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Samenvatting economie Levensloop H.1 Kiezen *consumeren= als producten worden aangeschaft door de eindgebruiker
Het primaire inkomen is de beloning voor het ter beschikking stellen van productiefactoren.
Samenvatting door R. 1396 woorden 17 februari 2014 5,4 5 keer beoordeeld Vak Methode Economie Percent 19.1 personele inkomensverdeling Het besteedbaar uitkomen per huishouding. De besteedbarde inkomens
Begrippenlijst Economie Levensloop H1,H2,H3
Begrippenlijst Economie Levensloop H1,H2,H3 Begrippenlijst door een scholier 1235 woorden 6 november 2011 6,7 68 keer beoordeeld Vak Economie BEGRIPPEN H1 KIEZEN Consumptie De uitgaven van een consument/overheid
Inkomstenbelasting. Module 7 hoofdstuk 2
Inkomstenbelasting Module 7 hoofdstuk 2 Verschillende vormen inkomen, verschillende vormen belasting Verschillende boxen Box 1 Bruto inkomen uit arbeid (denk aan brutoloon) Inkomen uit koophuis Aftrekposten
Hoofdstuk 4 Inkomensongelijkheid 4.1. a/b/c.
Hoofdstuk 4 Inkomensongelijkheid 4.1. a/b/c. 4.2. a/b. (1) (2) (3) (4) (5) (6) bruto inkomen bruto inkomen cumulatief in % in % % van het totaal ( 1.000) van het totaal inkomensgroep van het totale inkomen
4,2. Samenvatting door een scholier 1704 woorden 18 juli keer beoordeeld. Hoofdstuk 1
Samenvatting door een scholier 1704 woorden 18 juli 2015 4,2 1 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Hoofdstuk 1 Consumptie: het aanschaffen van producten door de eindgebruiker. Investeren: het kopen
1) Wat krijgt een werknemer, een ambtenaar, huisarts, boekenschrijvers, makelaars en soldaten?
Samenvatting door een scholier 1896 woorden 6 februari 2007 5,7 20 keer beoordeeld Vak Methode Economie Percent Economie samenvatting : 1) Wat krijgt een werknemer, een ambtenaar, huisarts, boekenschrijvers,
Te weinig verschil Verschil tussen de hoogte van uitkeringen en loon is belangrijk. Het moet de moeite waard zijn om te gaan werken.
Hoofdstuk 4 Inkomen Paragraaf 4.1 De inkomensverschillen Waardoor ontstaan inkomens verschillen. Inkomensverschillen ontstaan door: Opleiding Verantwoordelijkheid Machtspositie Onregelmatigheid of gevaar
Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl
Domein E: Ruilen over de tijd Rente : prijs van tijd Nu lenen: een lagere rente Nu sparen: een hogere rente Individuele prijs van tijd: het ongemak dat je ervaart Algemene prijs van tijd: de rente die
Iedereen betaalt btw. Daarnaast betaalt iedereen die werkt ook loon- of inkomstenbelasting.
Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a b c Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar vaste
Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen
Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren
Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten?
1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 3) Wat zijn negatief externe effecten? 4) Waarom is deze maatstaf niet goed genoeg? Licht toe. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte
Economie Pincode klas 4 VMBO-GT 5 e editie Samenvatting Hoofdstuk 7 De overheid en ons inkomen Exameneenheid: Overheid en bestuur
Paragraaf 7.1 Groeit de economie? BBP = Bruto Binnenlands Product, de totale productie in een land in één jaar Nationaal inkomen = het totaal van alle inkomens in een land in één jaar Inkomen = loon, rente,
Eindexamen economie havo I
Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 van het aanbod van arbeid
Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen
Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar
Eindexamen vwo economie I
Opgave 1 1 maximumscore 1 Uit het antwoord moet blijken dat de hoogte van de arbeidsinkomensquote 0,7 / 70% is. 2 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat als b 1 daalt, het inkomen na belastingheffing
Eindexamen vwo economie pilot 2013-I
Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 maximale winst als MO
Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen
Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte
2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.
2.2 Kinderjaren Het krijgen van kinderen heeft voor ouders economische gevolgen: 1. Ouders krijgen minder tijd voor andere zaken en gaan bv. minder werken; 2. Kinderen kosten geld. De overheid komt ouders
Sparen of lenen Waarom?
Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Sparen of lenen Waarom? 1 Als tijd duur is betaal je veel rente Als de rente hoog is zullen mensen minder lenen en meer sparen! 2 Investeren in je toekomst Door
DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later
DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij
De overheid. Uitgaven: uitkeringen en subsidies. De overheid. Ontvangsten: belasting en premies. De grote herverdeler van inkomens
Overheid H2 De overheid De grote herverdeler van inkomens Ontvangsten: belasting en premies De overheid Uitgaven: uitkeringen en subsidies De grote herverdeler van inkomens 2 De Nederlandse overheid Belangrijke
9,6. Samenvatting door N woorden 15 oktober keer beoordeeld. Hoofdstuk 1. Begrippen
Samenvatting door N. 1514 woorden 15 oktober 2016 9,6 4 keer beoordeeld Vak Economie Hoofdstuk 1 Begrippen bindende afspraak Een afspraak waar je (juridisch) niet van af kunt/niet onderuit kunt. budget
UIT inkomstenbelasting
De inkomstenbelasting, box 1. De inkomstenbelasting box 1, is het systeem van belasten van inkomen uit arbeid. Ook het huis waar men woont wordt in dit systeem belast. Box 1 bestaat uit drie onderdelen:
Vraag Antwoord Scores
Opgave 1 1 maximumscore 1 oligopolie Voorbeelden van een juiste verklaring zijn: Er is sprake van een beperkt aantal (twee) aanbieders. Toetreding tot deze markt is moeilijk. 2 maximumscore 2 Prijs bij
Samenvatting door een scholier 1202 woorden 10 januari keer beoordeeld. Hoofdstuk 4.3 t/m & 4.4 begrippen;
Samenvatting door een scholier 1202 woorden 10 januari 2002 6 104 keer beoordeeld Vak Economie Hoofdstuk 4.3 t/m 5 4.3 & 4.4 begrippen; arbeidsinkomen voor werknemers is dit het loon en voor zelfstandigen
2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd
2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd Mensen moeten steeds de keuze maken tussen werken en vrije tijd: 1. Werken * Je ontvangt loon in ruil voor je arbeid; * Langer werken geeft meer loon (en dus kun
5.5 a. Een bezit: Natascha heeft nog geld van de klant tegoed. b. Er is nog niets verkocht, dus ook niet op rekening.
Hoofdstuk 5 Werken in een eigen bedrijf 5.1 a. De bezittingen zijn altijd door iemand gefinancierd: door de eigenaar (eigen vermogen) en/of door iemand die een lening verschaft (vreemd vermogen). b. Het
6.1 De AOW. Een alleenstaande krijgt 70% van het minimumloon. Gehuwden of samenwonenden krijgen 100% van het minimumloon.
6.1 De AOW In 1957 is in Nederland de AOW ingevoerd door premiers Willem Drees (PVDA). Iedereen die 65 jaar of ouder is, krijgt een uitkering van de staat. Deze uitkering hangt af van het aantal jaren
6,7. Samenvatting door een scholier 1150 woorden 10 oktober keer beoordeeld. De productiefactoren noemen en hun beloningen onderscheiden.
Samenvatting door een scholier 1150 woorden 10 oktober 2015 6,7 9 keer beoordeeld Vak Economie De productiefactoren noemen en hun beloningen onderscheiden. Productiefactoren: arbeid, ondernemerschap, kapitaal
situatie febr 2010 Volksverzekeringen Algemene Ouderdomswet 2 Algemene Nabestaandenwet 2 ANW Algemene kinderbijslagwet 2 AKW
situatie febr 2010 Sociale zekerheid te verdelen in twee stukken: Sociale verzekeringen Sociale voorzieningen Sociale verzekeringen worden beheerd/ uitgevoerd door de sociale verzekeringsfondsen (o.a.
5.1 Het speelkwartier
5.1 Het speelkwartier Economie gaat over het maken van keuzes. Iedereen maakt in het leven constant keuzes. Deze keuzes hebben economische gevolgen: Welke studie ga je volgen? Wanneer ga je op jezelf wonen?
4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro.
Grote opgave personele inkomensverdeling Blz. 1 van 4 personele inkomensverdeling Inkomensverschillen tussen personen kunnen te maken hebben met de verschillende soorten inkomen. 1 Noem drie soorten primair
Samenvatting Economie Werk hoofstuk 1 t/m 3
Samenvatting Economie Werk hoofstuk 1 t/m 3 Samenvatting door H. 1812 woorden 16 juni 2013 6 4 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Economie samenvatting Werk hoofdstuk 1, 2 en 3 Hoofdstuk 1. Werken
economie havo 2018-II
Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van juiste antwoorden zijn: huur weilanden
Grootverdiener zwaarder belast
4 september 2009 Grootverdiener zwaarder belast AMSTERDAM - De PvdA zint op de terugkeer van een toptarief van 60 procent in de inkomstenbelasting. Het toptarief is nu 52 procent. Acht jaar geleden was
6,6. Samenvatting door een scholier 768 woorden 3 maart keer beoordeeld. Economie in context. Hoofdstuk Bruto- en nettoloon
Samenvatting door een scholier 768 woorden 3 maart 2015 6,6 2 keer beoordeeld Vak Methode Economie Economie in context Hoofdstuk 1 1.1 Bruto- en nettoloon Loonstrook/Salarisspecificatie -> krijg je elke
Mag ik dan nooit meer stoppen met werken?
Mag ik dan nooit meer stoppen met werken? 67 vragen over aow-vragen en uw pensioen (Uit AD van 1-11-2016) De AOW-leeftijd gaat in 2022 met drie maanden omhoog voor iedereen die na 1954 geboren is. Reden
Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %
Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven
2.2 Kinderjaren. De bedragen en percentages uit dit hoofdstuk hoef je niet uit je hoofd te leren. Indien nodig krijg je deze op een proefwerk erbij.
2.2 Kinderjaren Het krijgen van kinderen heeft voor ouders economische gevolgen: 1. Ouders krijgen minder tijd voor andere zaken en gaan bv. minder werken; 2. Kinderen kosten geld. De overheid komt ouders
Vraag Antwoord Scores
Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een voorbeeld van een
Jong & Oud ECONOMIE HAVO 4
Jong & Oud ECONOMIE HAVO 4 Hoofdstuk 1: school of baantje Gevangendilemma Laat de gevolgen van een keuze zien, waarbij een ander betrokken is Twee strategieën waaruit gekozen kan worden Tabel van een gevangendilemma
3,3. Opdracht door een scholier 3194 woorden 23 januari keer beoordeeld. Lesbrief Inkomen Economie 1,2. Oefenopgave H1
Opdracht door een scholier 3194 woorden 23 januari 2002 3,3 64 keer beoordeeld Vak Economie Lesbrief Inkomen Economie 1,2 Oefenopgave H1 Opgave 1 In 1995 waren de bestedingen van een bepaalde sociale groep
economie havo 2017-II
Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 Pretkortingen 1 maximumscore 2 (1) oligopolie (2) heterogeniteit
Vraag Antwoord Scores
Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 Zakelijk boeren 1 maximumscore 1 A, B, D, E, F, H Opmerking
Eindexamen economie 1 vwo I
Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 vakbonden, werkgeversbonden, individuele
Wat krijgt u in onze pensioenregeling?
Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl
Eindexamen havo economie 2013-I
Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) monopolie bij (2) toe
Pensioen Continu Plan
Pensioen Continu Plan Een nettolijfrente oplossing Voor werknemers met een salaris boven 100.000 Per 1 januari 2015 gelden er belangrijke nieuwe regels voor pensioen. Hierdoor bouwen veel werknemers minder
Wat krijgt u in onze pensioenregeling?
Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl.
Wat krijgt u in onze pensioenregeling?
Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl.
8,5. Samenvatting door Nienke 1188 woorden. 2 keer beoordeeld 6 mei Domein G: Risico en informatie. Informatie bij marktpartijen
8,5 Samenvatting door Nienke 1188 woorden 2 keer beoordeeld 6 mei 2017 Vak Economie Domein G: Risico en informatie Informatie bij marktpartijen Symmetrische informatie alle partijen dezelfde informatie
6,9. Samenvatting door Larissa 659 woorden 18 januari keer beoordeeld. Samenvatting Economie Werk & Inkomen H1. Actieven en inactieven:
Samenvatting door Larissa 659 woorden 18 januari 2016 6,9 10 keer beoordeeld Vak Methode Economie Index Samenvatting Economie Werk & Inkomen H1 Actieven en inactieven: Actieven; mensen die betaald werk
Polisvoorwaarden= hierin staat tegen welke risico s je verzekerd bent en onder welke voorwaarde er schade-uitkering wordt gegeven
Samenvatting door een scholier 1219 woorden 3 maart 2015 7,2 2 keer beoordeeld Vak Methode Economie Economie in context Samenvatting economie 3.1 Verzekeringspolis Onzeker voorval= gebeurtenis die je niet
Wat krijgt u in onze pensioenregeling?
Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl
Als je allemaal iets in de pot moet doen, voor bijvoorbeeld een uitje, heb je verschillende manieren om vast te stellen wie wat moet betalen:
Economie samenvatting hoofdstuk 2 Dagmar Rasenberg 4a Hoofdstuk 2 Kinderen brengen veel vreugde en gezelligheid, maar de keuze voor kinderen is niet altijd economisch verantwoord. Het heeft namelijk veel
Eindexamen economie havo I
Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat
Pensioen Continu Plan nettolijfrente Voor de periode ná uw pensioendatum
Pensioen Continu Plan nettolijfrente Voor de periode ná uw pensioendatum Aanvulling van partner- en ouderdomspensioen voor werknemers met een salaris boven 100.000 Sinds 1 januari 2015 gelden er belangrijke
Wat krijgt u in onze pensioenregeling?
Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl.
Eindexamen economie vwo II
Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een
Vraag Antwoord Scores
Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 Rek in het arbeidsaanbod 1 maximumscore 2 Doordat het aanbod van
Eindexamen havo economie oud programma I
Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat mensen met een hoog
Eindexamen economie havo II
Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 import: 250 + 29 + 139 + 415 460
Domein E: Concept Ruilen over de tijd
1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande
Vraag Antwoord Scores
Opgave 1 Hoe verdelen we de zorgkosten? 1 maximumscore 2 Stel het bbp op 100 en het totaal van de zorgkosten op 9 9 1,035 24 = 9 2,283328 = 20,55 1 100 1,0132 24 = 136,99 20,55 136,99 100% = 15% (en dat
Pensioen Continu Plan nettopensioen Voor de periode na uw pensioendatum
Pensioen Continu Plan nettopensioen Voor de periode na uw pensioendatum Aanvulling van ouderdomspensioen en partnerpensioen voor werknemers met een salaris boven 100.000 Sinds 1 januari 2015 gelden er
Wat krijgt u in onze pensioenregeling?
Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl.
Vraag Antwoord Scores
Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 altijd toekennen Bij een lagere prijs
Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II
Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet
Facts & Figures uitwerking Pensioenakkoord
Facts & Figures uitwerking Pensioenakkoord Waarom langer doorwerken? De levensverwachting stijgt Elke generatie leeft langer dan de vorige. Dat is al langer bekend, maar de stijging van de levensverwachting
Wat krijgt u in onze pensioenregeling?
Hoe is uw pensioen geregeld? In dit Pensioen 1-2-3 leest u wat u wel en niet krijgt in onze pensioenregeling. Pensioen 1-2-3 bevat geen persoonlijke informatie over uw pensioen. Die vindt u wel op www.mijnpensioenoverzicht.nl
Eindexamen economie pilot havo 2011 - II
Beoordelingsmodel Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore
Koopkracht in perspectief. In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008
Koopkracht in perspectief In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008 Koopkrachtberekeningen 2007-2008/ 2 Koopkracht in perspectief In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden,
Samenvatting Economie Hoofdstuk 23 en 24
Samenvatting Economie Hoofdstuk 23 en 24 Samenvatting door een scholier 1361 woorden 23 mei 2003 8,3 16 keer beoordeeld Vak Methode Economie Percent Samenvatting Economie Hoofdstuk 23: Productiefactoren
Eindexamen economie havo I
Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 Voorbeeld van een juiste berekening: 47,5 27,5 100% = 72,73% 27,5
