0.35 Naam... Studentnummer... Tentamen Sportpsychologie, 22 oktober 2008 1. Schrijf duidelijk. Let op de formulering van je antwoord, zodat over je bedoelingen geen misverstand kan ontstaan. 2. Als een vraag je niet duidelijk is, aarzel dan niet om verduidelijking te vragen. 3. Leg je collegekaart zichtbaar op tafel en laat hem zien bij het inleveren van het tentamen. 4. Het is in principe de bedoeling dat je je antwoord geeft op de gestippelde lijnen. Soms loopt de ruimte om te antwoorden door op de volgende bladzijde. Het is handig om dat te checken. 5. Na afloop van het tentamen zet ik de vragen op bb. 1. Je kunt het begin van de sportpsychologie als min of meer zelfstandige subdiscipline van de psychologie plaatsen zo rond 1895/1900, rond 1925, of ergens tussen 1950 en 1965. Voor elk van de drie beginpunten zijn wel argumenten aan te voeren. Geef aan wat volgens jou het beginpunt is en waarom dat punt als beginpunt van de sportpsychologie kan worden beschouwd. [maximaal 8 punten] 2a. Geef aan wat onder self-efficacy (Bandura) verstaan wordt (ook wel geloof in eigen kunnen genoemd). [maximaal 4 punten] 1
2b. Noem drie mentale vaardigheden die je een sporter zou willen aanleren, specifiek met het oog op het ontwikkelen van zijn/haar self-efficay. Geef kort aan waarom je van de door jou genoemde vaardigheden mag verwachten dat ze gunstig zijn voor de ontwikkeling van de self-efficacy van de sporter. [maximaal 6 punten] 3a. In onderzoek bij kunstschaatsers en bij langebaanschaatsers van Jong Oranje zijn vier bronnen van plezier in het schaatsen naar voren gekomen. Noem die bronnen en geef bij elke bron één uitspraak van een schaatser die als voorbeeld dient van de uitspraken die binnen die categorie (bron) horen. [maximaal 4 punten] 3b. In de Self-Determination Theory wordt onderscheid gemaakt tussen intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie. Geef aan wat kenmerkend is voor intrinsieke motivatie en wat kenmerkend is voor extrinsieke motivatie. [maximaal 4 punten] 2
3c. Plezier wordt over het algemeen gezien als een belangrijke factor in iemands motivatie. Als je de vier bronnen van plezier in ogenschouw neemt, moet je plezier dan zien als factor die met intrinsieke motivatie te maken heeft of met een of meer van de vormen van extrinsieke motivatie zoals die in de Self-Determination Theory worden onderscheiden, of is er misschien sprake van dat die vier plezier-categorieën deels met intrinsieke, deels met extrinsieke motivatie te maken hebben? [maximaal 6 punten] 4. Uit onderzoek van Suzanne Piët onder beoefenaren van risicosporten komt naar voren dat het ervaren van gevoelens van competentie en iets kunnen wat weinig andere mensen kunnen, belangrijke drijfveren zijn voor het beoefenen van die sporten. Het om kunnen gaan met stress is een van de competenties die specifiek is als het gaat over risicosporten. Leg uit wat dat specifieke is in dit verband. [maximaal 8 punten] 3
5. Leg uit waarom een sporter die sterk egogeoriënteerd is, bij een blessure eerder geneigd zal zijn al weer aan wedstrijden deel te nemen (ook al is die blessure nog niet 100% genezen) dan iemand met een sterke taakoriëntatie. [maximaal 8 punten] 6. In het model van Widmeyer, Brawley en Carron over teamcohesie wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds groepsintegratie en individuele aantrekking tot de groep en anderzijds taakgerichte en sociaal gerichte cohesie. Er resulteren zo vier vormen van cohesie: (1) taakgerichte groepsintegratie, (2) sociaal gerichte groepsintegratie, (3) taakgerichte individuele aantrekking tot de groep en (4) sociaal gerichte individuele aantrekking tot de groep. Geef van elk van de vier vormen door middel van een voorbeeld aan wat daarmee wordt bedoeld. [maximaal 8 punten] 4
7a. Geef in een figuur een weergave van het zogenoemde iceberg profile : de gestandaardiseerde scores op de zes subschalen van de Profile of Mood States (POMS). Geef op de x-as aan om welke zes stemmingen het gaat (als je de specifieke namen van de stemmingen niet weet, geef dan in elk geval bij elk van de zes stemmingen aan of het om een positieve of negatieve stemming gaat). Geef op de y-as aan waar de populatienorm ligt. [maximaal 4 punten] 7b. Uit een meta-analyse blijkt dat er op basis van de POMS nauwelijks onderscheid kan worden gemaakt tussen sporters van verschillend niveau (effectgrootte.10, wat klein is). Op basis van POMS-scores vlak voor de wedstrijd blijkt het wel mogelijk iets te voorspellen over de prestatie van sporters van een ongeveer gelijk niveau (effectgrootte.35, wat klein tot middelmatig is). Leg uit waarom er hier geen sprake is van tegenstrijdige uitkomsten, ook al lijkt dat misschien zo op het eerste gezicht. [maximaal 6 punten] 8. In het artikel van Boschker et al. (Imagery and realizing affordances imagery) lieten de onderzoekers hun proefpersonen oefenen met hun voorkeurshand. 5
Proefpersonen die in verbeelding hadden geoefend, gingen toen zij in de posttest weer vrij konden kiezen tussen het reageren met links of rechts, vaker hun voorkeurshand gebruiken. Bij proefpersonen die echt hadden geoefend, was er geen verschil in het gebruik van hun linker of rechter hand in de posttest, vergeleken met de pretest. Welke uitkomsten verwacht je op de posttest als de proefpersonen zouden oefenen met hun niet-voorkeurshand. Geef aan wat je van de imagery-groep verwacht en van de fysiek oefenende groep en geef aan waarop je verwachtingen zijn gebaseerd. [maximaal 8 punten] 9. Hackfort schrijft in zijn hoofdstuk over handelingsregulering over psychofysiologische en psycho-sociale aspecten van handelingsregulering. Bij beide aspecten maakt hij onderscheid tussen tuning en uitvoering. Maak duidelijk welke invloed de emotie blijheid kan hebben op elk van de vier aspecten (tuning en uitvoering psycho-fysiologisch en tuning en uitvoering psycho-sociaal). [maximaal 8 punten] 10a. Geef in een schema de Theory of Planned Behavior (TPB) van Ajzen over gedragsverandering. [maximaal 5 punten] 6
10b. Leg uit wat vanuit het perspectief van de TPB verwacht mag worden van een reclamespotje dat oproept om meer aan de fitness te gaan doen. [maximaal 5 punten] 11. Geef drie kenmerkende verschillen tussen instrumentele en reactieve (vijandige) agressie. Geef vervolgens een voorbeeld van agressief gedrag dat als mengvorm van instrumentele en reactieve agressie kan worden gezien. Licht je voorbeeld toe aan de hand van de door jou genoemde drie kenmerken. [maximaal 8 punten] 7