Methodisch begeleiden + Coördineren BBL MZ Kerntaak 1: Opstellen van een begeleidingsplan. Werkprocessen: 1.1 Inventariseert hulpvragen van een cliënt, 1.2 Schrijft het begeleidingsplan/schrijft een plan van aanpak 1.3 Specificeert het begeleidingsplan/plan van aanpak tot een activiteitenplan Kerntaak 2: Bieden van ondersteunende, activerende begeleiding en zorg. Werkprocessen: 2.5 Ondersteunt de cliënt bij het voeren van de regie over zijn leven 2.6 Ondersteunt het sociale systeem Kerntaak 3: Uitvoeren van organisatie- en professiegebonden taken. Werkprocessen: 3.1 Werkt aan deskundigheidsbevordering en professionalisering van het beroep 3.2 Werkt aan het bevorderen en bewaken van kwaliteitszorg 3.3 Stemt de werkzaamheden af met betrokkenen 3.4 Voert coördinerende taken uit In de komende twee periodes ga je een begeleidingsplan en een activiteitenplan voor een cliënt maken. Je gaat daarbij uit van de hulpvraag van de cliënt op het gebied van: - ADL (en voor gehandicaptenzorg ook verpleging) - wonen en huishouden - werk, scholing en vrije tijd. Het is jouw taak om samen met de cliënt de hulpvraag te vertalen naar concrete, haalbare doelen op de korte en langere termijn. Vervolgens stippel je in een begeleidingsplan het pad uit voor de manier waarop je de cliënt kunt ondersteunen om deze doelen te bereiken. Dit begeleidingsplan leg je ter instemming voor aan de cliënt (als dat mogelijk is) en je stelt het daarna eventueel bij. Hierna leg je je plan voor aan het multidisciplinair team. In beide situaties licht je het plan toe en motiveer je de keuzes die je hebt gemaakt. Een persoonlijk begeleider draagt er zorg voor dat de coördinatie van de zorg, rondom een cliënt, naar wens en soepel verloopt. Naar wens wil zeggen dat alle betrokken weten wat van hen verwacht wordt. Je moet bijvoorbeeld collega s, hulpverleners en familieleden goed informeren over jouw cliënt. Zo kunnen zij de ondersteuning geven die de cliënt nodig heeft. Jij bent het aanspreekpunt voor anderen als het gaat om ondersteuning van de cliënt. Zonodig overleg je namens de cliënt met de contactpersonen van een (toekomstige) werkplek, school of vereniging. Je schakelt zelfstandig anderen in om bepaalde activiteiten met de cliënt uit te voeren. Je maakt kennis met de visie rond zaken als inclusie en partnerschap. Je gaat op zoek naar de mogelijkheden die er zijn om cliënten zoveel mogelijk te betrekken bij maatschappelijke participatie. Ook ga je op zoek naar instanties die cliënten kunnen ondersteunen bij inclusie. Tegenwoordig heeft men in de zorg als doel het sociale netwerk; dat wil zeggen de activiteiten en de contacten, van de cliënt zoveel mogelijk normaal ; zo gewoon mogelijk te laten zijn. Van jou wordt verwacht dat jij de cliënt ondersteunt bij het voeren van de regie over zijn eigen leven. En dat je de cliënt zoveel mogelijk zal helpen om gebruik te maken van gewone maatschappelijke contacten. BBL MZ niv3/4 schooljaar 2015-2016 periode 1 en 2. 1
Een eerste stap is het in kaart brengen van het sociale netwerk. Met een zogeheten netwerktekening maak je overzichtelijk hoe het sociale netwerk van de cliënt er in werkelijkheid, op dit moment uitziet. Wat voor rol hebben de activiteiten die de cliënt doet voor de versteviging van zijn identiteit en voor het sociale netwerk van de cliënt? Misschien zijn er weinig echte vrienden, maar wel een dagelijks contact met iemand in de buurt die zijn hond altijd uitlaat en waar de cliënt naar zwaait of een praatje mee maakt. Misschien blijkt dat de cliënt zijn mentor of jou, de stagiaire als zijn vriend ziet. Hoe kun je de contacten verstevigen of uitbreiden; wat voor wensen heeft de cliënt hierin? Let op: het maken van deze opdrachten kost veel tijd. Prestaties: Niv. 4 Prestaties: niv. 3 Opdracht 1: Begeleidingsplan: alle stappen Opdracht 1:stap 1A en stappen 2 t/m 7 Opdracht 2: Coördinatieverslag Opdracht 3A en B Netwerktekening Opdracht 3A: Netwerktekening Literatuur en materialen: Om de workshops te kunnen volgen moet je in het bezit zijn van: 1 MZ Gehandicaptenzorg, Uitgeverij Angerenstein, Thema 1: Opstellen van een ondersteuningsplan Thema 2: Coördineren van Zorg Thema 10: Ernstig meervoudige beperkingen Thema 13: Werken in de activiteitenbegeleiding en woonbegeleiding Thema 14: Methodisch handelen in activiteitenbegeleiding 2 Specifieke doelgroepen, Uitgeverij Angerenstein Thema 1: Methodisch begeleiden voor gevorderden Thema 2: Aspecten van begeleiding Thema 3: Coördineren van de begeleiding Thema 12: Dementie 3 Websites: www.kennisportalgehandicaptenzorg.nl www.vgn.nl www.bijzonderwelkom.nl www.perspectief.nl www.zipcare.nl www.ciz.nl Inhoud: Eisen aan begeleidings- en activiteitenplannen Methodisch handelen bij het coördineren van de begeleiding met en rondom de individuele cliënt Ondersteuningsprocessen Inclusie Partnerschap Cliëntgericht handelen Doelgericht handelen Ontwikkelingsgericht handelen Netwerkgericht handelen Evalueren Duur: 15 x 1 ½ uur Laatste inleverdatum: 11 januari 2016 BBL MZ niv3/4 schooljaar 2015-2016 periode 1 en 2. 2
Opdracht 1: Begeleidingsplan Stap 1A: informatie verzamelen en 1B: schrijven Naam cliënt: Datum: Datum vorige plan/laatste wijzigingen: Naam begeleider/zorgcoördinator: Datum plaatsing van de cliënt in de instelling: 1.1 Persoonlijke gegevens a Naam van de cliënt, b Geslacht; geboortedatum; nationaliteit; burgerlijke staat c Levensbeschouwing of godsdienstachtergrond d Behandelend (huis)arts en specialisten Indien van toepassing: WAO, AAW. AOW, AWBZ 1.2 Sociaal netwerk a. Beschrijf kort uit wat voor een familie de cliënt komt. Ouder(s), broer(s) en zus(sen). Hoe was dit in het verleden en hoe is de huidige familiesituatie? Hoe is de betrokkenheid van familieleden bij het leven van de cliënt? b. Beschrijf het sociale netwerk van de cliënt. Vertel iets over vrienden en hun betrokkenheid bij het leven van de cliënt. c. Beschrijf de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt op het gebied 1.3 Voorgeschiedenis van sociaal-emotioneel functioneren Belangrijke gebeurtenissen in het verleden t.a.v. a. Levensloop b. Gezondheid/medische situatie; diagnostiek c. Eerder geboden begeleiding/behandeling d. Wonen en/of dagbesteding e. Werk en/of opleiding 1.4. Algemeen`huidige functioneren a. Medisch/paramedisch en gezondheid, mogelijkheden en beperkingen b. Lichamelijk functioneren en welbevinden, mogelijkheden en beperkingen c. Verstandelijk/cognitief functioneren, mogelijkheden en beperkingen d. Emotioneel functioneren, mogelijkheden en beperkingen e. Taakgerichtheid, mogelijkheden en beperkingen f. Communicatie en contacten leggen (sociaal functioneren), mogelijkheden en beperkingen g. Maatschappelijk functioneren, mogelijkheden en beperkingen h. Opvallende persoonlijkheidskenmerken en uiterlijk BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 3
1.5. Woonsituatie a. Beschrijf uitgebreid de huidige (woon)situatie van de cliënt. Hoe ziet de ruimte eruit die de cliënt heeft voor zichzelf (indien van toepassing) en hoe ziet de ruimte eruit die de cliënt deelt met anderen? b. Vergelijk de (woon)situatie uit het verleden met de huidige (woon)situatie. Wanneer is deze veranderd? Wat is er veranderd? Hoe ziet de toekomst eruit betreffende de (woon)situatie? c. Beschrijf het welbevinden van de cliënt op het gebied van wonen en huishouden. BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 4
Stap 2: Hulpvraag formuleren Bij deze stap beschrijf je waar de cliënt mee geholpen moet worden en/of wat de behoefte of de wensen van de cliënt zijn. 2.1 Hulpvraag ADL Beschrijf uitgebreid wat de mogelijkheden en beperkingen zijn op het gebied van ADL. Inventariseer wat de wensen en behoeften zijn op het gebied van ADL. Je gaat hierover informatie verzamelen bij de cliënt, en je voert hierover ook een gesprek met de familie of naaste betrokkene(n). (workshop gesprekken voeren: gespreksverslag schrijven) 2.2 Hulpvraag wonen en huishouden Beschrijf uitgebreid wat de mogelijkheden en beperkingen zijn op het gebied van van wonen en huishouden. Inventariseer wat de wensen en de behoeften zijn op het gebied van wonen en huishouden. Je gaat hierover informatie verzamelen bij de cliënt, en je voert hierover ook een gesprek met de familie of naaste betrokkene(n). (workshop gesprekken voeren: gespreksverslag schrijven) 2.3 Hulpvraag werk, scholing en vrije tijd Beschrijf uitgebreid wat de mogelijkheden en beperkingen zijn op het gebied van werk, scholing en vrije tijd. Inventariseer wat de wensen en behoeften zijn op het gebied van werk, scholing en vrije tijd. Je gaat hierover informatie verzamelen bij de cliënt, en je voert hierover ook (zo mogelijk) een gesprek met de familie of naaste betrokkene(n). (workshop gesprekken voeren: gespreksverslag schrijven) BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 5
BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 6
Stap 3: Zorgdoel beschrijven a. Bij deze stap beschrijf je hoe de toekomst van de cliënt eruit zou kunnen zien. Je beschrijft wat de cliënt wil bereiken. b. Je formuleert de zorgdoelen SMART. c. Geef een motivatie van de keuzes die je hebt gemaakt bij de zorgdoelen. 3 Hulpvra(a)g(en) op het gebied van ADL :.. Zorgdoel (SMART formuleren) a. Korte termijn: b. Lange termijn:.. Motivatie: Hulpvra(a)g(en) op het van wonen en huishouden: Zorgdoel (SMART formuleren) a. Korte termijn: b. Lange termijn:.. Motivatie: Hulpvra(a)g(en) op het gebied van werk, scholing en vrije tijd: Zorgdoel (SMART formuleren) a. Korte termijn: b. Lange termijn:.. Motivatie: Stap 4: Begeleidingsprogramma (Zie bijlage 1) a Beschrijf in grote lijnen de manier waarop je de cliënt gaat ondersteunen om zijn/haar doelen bereiken volgens Bijlage 2 b Beschrijf ook welke begeleidingsmethodiek/vorm van begeleiding je toepast. c Beschrijf welke aanvullingen, tips en andere bijdragen je hebt gekregen van de cliënt, van betrokkenen uit de sociale omgeving van de cliënt en van collega s. Stap 5: Activiteitenplan (zie bijlage 2) Beschrijf in een activiteitenplan welke activiteit(en) je uit gaat voeren om een van de doelen uit het zorgplan te bereiken. Je gebruikt voor de beschrijving het Activiteitenplan van Bijlage 3, of een format dat bij jou in de instelling gebruikt wordt. Stap 6: De zorg en begeleiding uitvoeren door middel van activiteiten. Je voert de activiteiten uit. Stap 7: Evalueren (zie bijlage 3) Wordt behandeld in de workshop Evalueren. BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 7
Bijlage 1: Begeleidingsprogramma Wanneer de doelstellingen zijn vastgesteld, volgt de stap waarbij nauwkeurig wordt omschreven hoe je gaat begeleiden. Om een ander iets te leren maak je gebruik van de volgende leermogelijkheden: 1. Versterkers, beloningen. Om cliënten met succes nieuw gedrag aan te leren, moet je ervoor zorgen dat dit nieuwe gedrag positieve gevolgen heeft. Dan pas zal het gedrag toenemen. 2. Kleine stapjes. Het aanleren van nieuw gedrag kan het best in kleine stapjes gebeuren. 3. Voordoen, samendoen en nadoen. Wil je bijvoorbeeld een cliënt leren zelf z n tanden te poetsen, dan doe je eerst voor wat precies verwacht wordt. Is dit eenmaal duidelijk dan doe je het één of meer keren samen. De laatste stap is dat de cliënt het zelf probeert. 4. Mondelinge instructie (uitleg geven). Soms kun je soms goed gebruik maken van mondelinge instructies maar soms ook niet. Een cliënt met een ernstige verstandelijke handicap begrijpt vaak weinig van jouw uitleg. Je kunt wel zeggen dat hij zijn mond moet spoelen en de tandpasta moet uitspugen, maar dat begrijpt hij niet. Het is dan ook van belang dat je de uitleg aanpast aan de cliënt. Belangrijk is dat je de uitleg kort houdt en telkens dezelfde woorden gebruikt. 5. Natuurlijke situatie. Als je een cliënt nieuw gedrag wilt aanleren, is het altijd het best dit te leren in dezelfde situatie als waarin hij dat gedrag later gaat gebruiken. Dit betekent dus dat wanneer je een cliënt bijvoorbeeld zichzelf wilt leren aankleden, je dat in de natuurlijke situatie ( s morgens vroeg, na het zwemmen etc.) moet aanleren. Je geeft antwoord op de volgende vragen: 1. Welke beloning(en)/versterkers ga je gebruiken en waarom? 2. Welke kleine stapjes neem je en waarom? 3. Hoe kun je het gedrag voordoen, samendoen zodat de cliënt het uiteindelijk zelf kan. 4. Wat vertel je erbij? Kun je gebruik maken van mondelinge instructies of moet je plaatjes gebruiken? Wat laat je dan zien? 5. In welke situatie(s) oefen je en waarom? BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 8
Bijlage 2: Activiteitenplan Je beschrijft alleen de items die in jouw geval van toepassing zijn. 1 Wat is het doel van deze activiteit? Lange termijn doel (SMART formuleren): Korte termijn doel (SMART formuleren): Leg hierbij de koppeling met het Begeleidingsplan van de cliënt. 2 Welke activiteiten ga je aanbieden? 3 Beschrijf zo mogelijk WAT en WANNEER je deze activiteiten gaat doen. 4 In welke ruimte ga je de activiteit(en) uitvoeren? 5 Hoeveel cliënten doen er mee aan de activiteit(en)? 6 Hoe deel je de ruimte in? Denk daarbij aan hoe je de cliënten positioneert, hoe je de tafels en stoelen neerzet, waar je de materialen neerzet. Denk daarbij ook aan de veiligheid van de cliënt(en) en van jezelf. 7 Hoeveel assistentie heb je nodig? 8 Hoe lang duurt/duren de activiteit(en)? 1 Hoe en wanneer ga je de activiteit(en) voorbereiden (moet je van tevoren spullen kopen of dingen maken of vrijwilligers inschakelen?). Maak een tijdsplanning. 2 Hoe bereid je de cliënt voor op de activiteit(en)? 3 Op welk tijdstip ga je de activiteit(en) uitvoeren? 4 Welke materialen heb je nodig? 5 Wat zijn de kosten van de(ze) activiteit(en) en wie betaalt deze? 6 Hoe ga je de activiteit(en) inleiden bij de cliënt? 7 Hoe ga je de activiteit(en) begeleiden? 8 Hoe ga je de activiteit(en) afronden? 9 Indien van toepassing: wat doe je met de gemaakte producten? 10 Op welke wijze pas je de activiteit(en) aan aan de beperkingen van je cliënt? 11 Hoe is je benaderingswijze? Hoe is je taalgebruik? Welke begeleidingsmethodiek(en) pas je toe? 12 Beschrijf welke aanvullingen, tips en andere bijdragen je hebt gekregen van de cliënt, van betrokkenen uit de sociale omgeving van de cliënt en van collega s. BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 9
Bijlage 3: Een evaluatierapport opstellen. Je gaat zelfstandig een logisch gestructureerd evaluatierapport opstellen. Kijk goed naar de criteria waar je op beoordeeld wordt. Doelen hierbij zijn: A Het Begeleidingsplan/Activiteitenplan eventueel bij te stellen. B Jouw houding tijdens de begeleiding/ondersteuning zonodig aan te passen op punten/gebieden waar dat nodig blijkt te zijn Om deze opdracht goed uit te kunnen voeren moet je een aantal stappen nemen. Hieronder staan deze stappen punt voor punt beschreven. Je gaat een evaluatierapport opstellen. Dat rapport bestaat uit de volgende onderdelen: 1 Je evalueert 2 x, (zo mogelijk) met de cliënt en de betrokkenen uit het sociale systeem van de cliënt, werkprocessen 2.5, 2.6, 3.2 en 3.4. Het doel hiervan is jouw begeleiding en ondersteuning zo nodig bij te stellen. Noteer de data van de gesprekken. Laat zien dat je beoordelingscriteria uit de werkprocessen er bij betrekt. (Je evalueert 1 x halverwege en 1x tegen het eind van deze periode). 2 Je evalueert 2x met het team, collega s/begeleiders werkprocessen 2.5, 2.6, 3.2 en 3.4. Het doel hiervan is jouw begeleiding en ondersteuning zo nodig bij te stellen. Beschrijf hoe jouw manier van begeleiden is. Lees de werkprocessen goed door. Daarin staat wat er van jouw manier van begeleiden verwacht wordt. Waar ben je goed in? Op welk gebied heb je nog leerdoelen? (1 x halverwege en 1x tegen het eind van deze periode ). Noteer de data van de gesprekken. 3 Tegen het eind van deze periode stel je een Evaluatierapport op aan de hand van onderstaande punten: a Reflecteer op de hulpvraag, het zorgdoel, het begeleidingsplan het activiteitenplan, zoals je dat in je Begeleidingsplan en Activiteitenplan hebt beschreven, en op de uitvoering daarvan. Beschrijf wat goed was en beschrijf wat niet goed was. Wat had je achteraf gezien anders gedaan? Wat heb je achteraf gezien goed gedaan? b Beschrijf feedback van collega's, op de hulpvraag, het zorgdoel, het begeleidingsprogramma en het activiteitenplan zoals je dat in je Begeleidingsplan en Activiteitenplan hebt beschreven, en op de uitvoering daarvan. 4 Je stelt het Begeleidingsplan en/of het Activiteitenplan eventueel bij. Het bijgewerkte Begeleidingsplan en/of Activiteitenplan doe je in je verzamelmap. 5 Je verwerkt toevallig verkregen informatie in je evaluatierapport. 6 Je voegt het Evaluatierapport toe aan je verzamelmap en levert je verzamelmap, op een vooraf afgesproken tijdstip, in. BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 10
Opdracht 2: Coördinatieverslag Gebruik voor onderstaande opdracht de informatie uit het boek Gehandicaptenzorg pagina 55 t/m 68. Voor het maken van deze opdracht neem je één cliënt als uitgangspunt. Dat mag een cliënt zijn die je al voor eerdere opdrachten hebt gebruikt, maar het mag ook iemand anders zijn. Opdracht 2 is tevens een Praktijkopdracht. Overleg alles goed met je praktijkbegeleid(st)er. Hij/zij moet deze opdracht beoordelen. (Zie Praktijkkaart). Wat ga je doen?: Organiseer een overleg of een vergadering met een collega (of meerdere collega s). - Tijdens dit overleg bespreek je twee doelen met betrekking tot de cliënt. Een doel moet haalbaar en meetbaar zijn en goed aansluiten bij de doelstellingen uit het ondersteuningsplan/zorgplan/begeleidingsplan van de cliënt. a. Beschrijf 1 ontwikkelingsgerichte doelstelling. b. Beschrijf 1 netwerkgerichte doelstelling. - Beschrijf welke mensen en middelen er nodig zijn voor het bereiken van deze doelen. Bespreek ze ook tijdens dit overleg. - Ook beschrijf je mogelijke knelpunten en vertel je welke oplossingen je voor deze mogelijke knelpunten hebt bedacht. Bespreek ze ook tijdens dit overleg. - Je maakt duidelijk afspraken met deze collega/collega s en/of mensen van andere disciplines. Je legt de afspraken schriftelijk vast. - Het verslag van dit overleg lever je in op school, inclusief doelen, mensen en middelen, mogelijke knelpunten en oplossingen voor deze knelpunten. BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 11
Opdracht 3A: Netwerktekening van een cliënt Kies een cliënt uit die je (goed) kent. - Welk deel van het netwerk is goed gevuld met contacten? - Welk deel vind je mager gevuld? - Hoe beleeft de cliënt zijn contacten? Zijn de contacten steunend, of tegenwerkend? - Weet je of de cliënt wensen heeft t.a.v. zijn contacten? Zo ja, welke? - Welke al bestaande contacten zou je kunnen gebruiken om uit te breiden? - Is er sprake van fysieke, functionele en sociale integratie van de cliënt? Geef van elke soort integratie voorbeelden als die er zijn. - Wat voor rol hebben de activiteiten die de cliënt nu doet voor het hebben van contacten? - Kun je activiteiten gebruiken voor het bevorderen van contacten? Welke? - Heeft de cliënt behoefte aan sociale integratie denk je? Waarom wel, waarom niet? Maak nu een netwerkkaart volgens de beschrijving op pagina 67 van MZ Gehandicaptenzorg, Uitgeverij Angerenstein. Opdracht 3B: het ontwikkelen en benutten van een netwerk - Maak een verslag van wat je zelf aan activiteiten hebt gedaan in het kader van een (sociaal) netwerk ontwikkelen en benutten voor deze client aan de hand van de beschrijving op pagina 380 van MZ Gehandicaptenzorg, Uitgeverij Angerenstein. BBL MZ niv.3/4 2015-2016, periode 1 en 2 12
Beoordelingsformulier Begeleidingsplan/Coördineren BBL MZ Niv. 4 Naam: Klas: Datum: Docent: Competentie Beoordelingscriteria Product O V G Werkproces: 1.2 Schrijft het begeleidingsplan Analyseren Formuleren en rapporteren Samenwerken en overleggen Je analyseert de verkregen informatie over de cliënt. Je legt relaties tussen de gegevens. Je combineert gegevens uit verschillende bronnen tot relevante informatie zodat het een duidelijk, realistisch en werkbaar begeleidingsplan oplevert. Je checkt of de door jouw gemaakte aannames en keuzes in het begeleidingsplan gedeeld worden door de cliënt en door het team zodat het begeleidingsplan de instemming kan verkrijgen van de cliënt en het team. Je bouwt het begeleidingsplan op een logische gestructureerde wijze op. Je formuleert vlot en bondig en maakt duidelijk onderscheid in hoofd -en bijzaken zodat het begeleidingsplan voor zowel de cliënt als professionals begrijpelijk is en richtinggevend is voor de begeleiding van de cliënt. Je vraagt de mening van collega s over de invulling van het begeleidingsplan. Het plan voldoet aan de professionele eisen. Het krijgt draagvlak in het (multidisciplinaire) team. Je overlegt met de cliënt over de invulling van de begeleidingsactiviteiten. Deze kan zich vinden in jouw plan. Werkproces 1.3 Specificeert het begeleidingsplan tot een activiteitenplan Formuleren en Je bouwt het activiteitenprogramma op een logische gestructureerde wijze op. Je formuleert vlot en rapporteren bondig. Je maakt onderscheid in hoofd -en bijzaken. Het activiteitenplan is voor zowel de cliënt als Op de behoeften van de klant richten Plannen en organiseren Vakdeskundigheid toepassen professionals begrijpelijk en richtinggevend voor de begeleiding. Je vertaalt zo mogelijk samen met de cliënt wensen en mogelijkheden van de cliënt in concrete activiteiten. Het activiteitenplan sluit aan bij de leeftijd, achtergrond en ontwikkelingsfase van de cliënt. Deze kan zich vinden in de ondersteuning die geboden gaat worden. Je stelt duidelijke en realistische doelen. Deze zijn haalbaar in de beschikbare tijd. Het plan is uitvoerbaar is en sluit aan bij de mogelijkheden van de cliënt en de organisatie. Je maakt een keuze voor bepaalde activiteiten en begeleidingsvormen op basis van de verzamelde gegevens. Het activiteitenplan draagt bij aan het realiseren van de doelstellingen uit het begeleidingsplan. Werkproces 3.3: Stemt de werkzaamheden af met betrokkenen Plannen en organiseren Je formuleert bij (het overdragen van) je werkzaamheden duidelijke en haalbare doelen. Je geeft mogelijke knelpunten aan. Je houdt rekening met tijd en kwaliteit. Je collega s weten waar je mee bezig bent. Je kwaliteit en continuïteit van de zorg en begeleiding zijn gewaarborgd. Begeleidingsplan Activiteiten- programma Coördinatie verslag + 13
Samenwerken en overleggen Je overlegt bij de uitvoering van de opvang en begeleiding tijdig met anderen. Je raadpleegt anderen indien nodig. Je weet wat de consequenties zijn van je eigen acties. Je stelt je zo op dat de samenwerking met andere groepsleden soepel verloopt. Je geeft relevante informatie door aan het multidisciplinair team. De gezamenlijk dienstverlening verloopt daardoor eenduidig en soepel. Werkproces 3.4: Voert coördinerende taken uit Plannen en organiseren Samenwerken en overleggen Je garandeert de beschikbaarheid van middelen. Je maakt duidelijk afspraken met andere medewerkers en eventuele andere deskundigen van andere disciplines. Je bewaakt de voortgang zodat de ondersteuning organisatorisch goed verloopt en voldoet aan de wettelijk eisen. Je toont waardering voor de ideeën en bijdragen van collega s in het team. Je deelt kennis en ervaring. Je maakt zaken in het functioneren van de medewerker(s) bespreekbaar door feedback te geven. Zo optimaliseer je de kwaliteit van de dienstverlening door medewerker(s). Werkproces 3.5: Evalueert de geboden ondersteuning Aandacht en begrip Je signaleert of de cliënt en andere betrokkenen tevreden zijn over de geboden zorg en begeleiding. tonen Analyseren Je analyseert beschikbare gegevens grondig. Je concludeert of de geboden zorg en begeleiding voldoen. Je concludeert of de uitgevoerde coördinatie voldoet en of er voldoende voortgang is. Je komt met haalbare oplossingen, zodat je indien nodig (in overleg) de uitvoering van de ondersteuning kan bijstellen. Formuleren en rapporteren Handtekening docent: Je verwerkt alle benodigde gegevens. Je scheidt de hoofd en bijzaken, zodat je een kernachtig evaluatieverslag schrijft. Netwerktekening Coördinatie verslag + Netwerktekening Evaluatieverslag Datum: 14
PRAKTIJKOPDRACHTEN Begeleidingsplan/Coördineren van Zorg BBL- MZ Naam: Klas: Praktijkbegeleid(st)er: Praktijkopdracht 1. Schrijf een begeleidingsplan volgens het format van de projecthandleiding. Dat doe je op de volgende manier: Je verzamelt gegevens over een cliënt. Daarvoor gebruik je verschillende bronnen. Op basis van deze gegevens schrijf je een duidelijk, realistisch en werkbaar begeleidingsplan. Je plan zit logisch in elkaar. Je formuleert vlot en bondig. Je maakt duidelijk onderscheid in hoofd -en bijzaken. Het begeleidingsplan is voor iedereen begrijpelijk. Het geef richting aan de begeleiding van de cliënt. Je vraagt de mening van collega s over de invulling van het begeleidingsplan. Je vraagt aan het team of ze het eens zijn met jouw begeleidingsplan. Het plan voldoet aan de professionele eisen. Als het mogelijk is overleg je met de cliënt over de invulling van de activiteiten zodat hij/zij zich kan vinden in de ondersteuning die geboden gaat worden. Praktijkopdracht 2. Je schrijft een activiteiten plan volgens het format van de projecthandleiding. Het plan sluit aan bij de leeftijd, achtergrond en ontwikkelingsfase van de cliënt. Deze kan zich vinden in de ondersteuning die geboden gaat worden. In het activiteitenplan stel je duidelijke en realistische doelen, die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Het plan sluit aan bij de mogelijkheden van de cliënt en de organisatie. Het activiteitenplan draagt bij aan het realiseren van de doelstellingen uit het begeleidingsplan. Praktijkopdracht 3. Schrijf een evaluatierapport volgens het format van de Projecthandleiding. Je signaleert of de cliënt en andere betrokkenen tevreden zijn over de geboden zorg en begeleiding. Je analyseert beschikbare gegevens. Je concludeert of de geboden zorg en begeleiding naar wens zijn. Je concludeert of de uitgevoerde coördinerende zorg voldoende was. Als het nodig is kom je met haalbare vorstellen om de ondersteuning bij te stellen. Praktijkopdracht 4 Maak opdracht 2: Coördinatieverslag. Overleg hierover met je praktijkbegeleid(st)er. Praktijkopdracht 5 Maak opdracht 3: Netwerktekening. Overleg hierover met je praktijkbegeleid(st)er. Werkproces 3.3: Stemt de werkzaamheden af met betrokkenen Competentie Beoordelingscriteria Product O V G Q. Plannen en organiseren Je formuleert bij (het overdragen van) je werkzaamheden duidelijke en haalbare doelen. Je geeft mogelijke knelpunten aan. Je houdt rekening met tijd en kwaliteit. Je collega s weten waar je mee bezig bent. Je kwaliteit en continuïteit van de zorg en begeleiding zijn gewaarborgd. Opdracht 1, Coördinatie verslag + 15
E. Samenwerken en overleggen Je overlegt bij de uitvoering van de opvang en begeleiding tijdig met anderen. Je raadpleegt anderen indien nodig. Je weet wat de consequenties zijn van je eigen acties. Je stelt je zo op dat de samenwerking met andere groepsleden soepel verloopt. Je geeft relevante informatie door aan het multidisciplinair team. De gezamenlijke dienstverlening verloopt daardoor eenduidig en soepel. Werkproces 3.4: Voert coördinerende taken uit Q. Plannen en organiseren E. Samenwerken en overleggen Handtekening prakrijkbegeleid(st)er: Datum: Je garandeert de beschikbaarheid van middelen. Je maakt duidelijk afspraken met andere medewerkers en eventuele andere deskundigen van andere disciplines. Je bewaakt de voortgang zodat de ondersteuning organisatorisch goed verloopt en voldoet aan de wettelijk eisen. Je toont waardering voor de ideeën en bijdragen van collega s in het team. Je deelt kennis en ervaring. Je maakt zaken in het functioneren van de medewerker(s) bespreekbaar door feedback te geven. Zo optimaliseer je de kwaliteit van de dienstverlening door medewerker(s). Netwerktekening Opdracht 1, Coördinatie Verslag + Netwerktekening 16
EVALUATIEFORMULIER Begeleidingsplan/Coördineren van Zorg Bewaar dit in je portfolio Naam: Klas: Docent: Zet een kruisje in het vakje dat het best aansluit bij je mening 5: helemaal mee eens 4: mee eens 3: gedeeltelijk mee eens 2: gedeeltelijk mee oneens 1: geheel mee oneens De lessen hebben mij goed voorbereid op het maken van de opdrachten. Ik had genoeg tijd om mijn opdrachten zelfstandig te maken. Ik begreep al snel wat er van me verwacht werd voor deze workshop Het kunnen maken van deze opdrachten vind ik nuttig voor mijn taak als Medewerker Gehandicaptenzorg/Specifieke doelgroepen De workshop was leerzaam Ik vond de workshop leuk De handleiding is duidelijk geschreven De opdrachten waren duidelijk Ik heb veel geleerd van deze workshop Mijn docent kon duidelijke uitleg geven op mijn vragen over het project Mijn docent ondersteunde mij goed bij mijn leerproces Rooster De roosters deze periode waren in orde Er was geen of weinig lesuitval Praktijkkaart De praktijkopdrachten vond ik zinvol voor mijn werk 1 2 3 4 5 Tips en opmerkingen a.u.b. op achterzijde 17