Opgaven bij hoofdstuk 12



Vergelijkbare documenten
Elektrische Netwerken 27

Opgaven bij hoofdstuk 9

9.2 Bepaal de harmonische tijdsfuncties die horen bij deze complexe getallen: U 1 = 3 + 4j V; U 2 = 3e jb/8 V; I 1 =!j + 1 ma; I 2 = 7e!jB/3 ma.

5.12 Afgerond op twee decimalen, is de effectieve waarde van deze spanning: a: U eff = 4,18 V b: U eff = 5,00 V c: U eff = 5,70 V d: U eff = 5,98 V

Elektrische Netwerken

Bepaal van de hieronder weergegeven spanningen en stromen: de periodetijd en de frequentie, de gemiddelde waarde en de effectieve waarde.

Antwoorden bij Deel 1 (hfdst. 1-8)

Elektrische netwerken

Elektrische Netwerken 59

Netwerken. De ideale spanningsbron. De ideale stroombron. De weerstand. De bouwstenen van elektrische netwerken.

Opgaven bij hoofdstuk 20

Opgaven bij hoofdstuk Bepaal R 1 t/m R 3 (in het sternetwerk) als in de driehoek geldt: R 1 = 2 ks, R 2 = 3 ks, R 3 = 6 ks 20.

Spanning versus potentiaal

Tentamen Lineaire Schakelingen, 2 e deel (EE1300-B)

5 Het oplossen van netwerken

Hertentamen Lineaire Schakelingen (EE1300)

NETWERKEN EN DE WETTEN VAN KIRCHHOFF

Engineering Embedded Systems Engineering

HOOFDSTUK 3: Netwerkanalyse

Laplace vs. tijd. netwerk. Laplace. getransformeerd. netwerk. laplace. laplace getransformeerd. getransformeerd. ingangssignaal.

Elektrische netwerken

Formuleblad Wisselstromen

Hertentamen Lineaire Schakelingen (EE1C11)

PROEF 1. FILTERS EN IMPEDANTIES. Naam: Stud. Nr.: Doos:

Antwoorden bij Deel 3 (hfdst )

Repetitie Elektronica (versie A)

Module 1: werken met OPAMPS. Project 1 : Elementaire lineaire OPAMP schakelingen.

Deel I De basis. De plaats van Elektrische Netwerken binnen de elektrotechniek. ALGEMENE ELEKTROTECHNIEK / ELEKTRONICA ELEKTRISCHE VELDEN

Bij een uitwendige weerstand van 10 is dat vermogen 10

Elektronische Basisschakelingen Oefenzitting 1

Trillingen & Golven. Practicum 1 Resonantie. Door: Sam van Leuven Jiri Oen Februari

Blackman: de impact van terugkoppeling op nodeimpedanties

1. Weten wat elektrische stroom,spanning en vemogen is en het verband ertussen kennen 2. Elektrische netwerken kunnen oplossen

Condensator. Het hellingsgetal a is constant. Dit hellingsgetal noemen we de capaciteit van de condensator C. Er geldt dus: C = Q U

Condensator. Het hellingsgetal a is constant. Dit hellingsgetal noemen we de capaciteit van de condensator C. Er geldt dus: C = Q U

3. Zoek, op het nieuwe vereenvoudigde schema, nieuwe serie en/of parallelschakelingen op en vervang ze. Ga zo door tot het einde.

EXAMENFOLDER maandag 26 januari 2015 OPLOSSINGEN. Vraag 1: Een gelijkstroomnetwerk (20 minuten - 2 punten)

Hoofdstuk 26 Gelijkstroomschakeling

Tent. Elektriciteitsvoorziening I / ET 2105

Sensoren Introductie Weerstandtechniek Brug van Wheatstone Basis Opamp schakelingen Opampschakelingen voor gevorderden

Tentamen. Elektriciteit en Magnetisme 1. Woensdag 22 juni :00-12:00. Schrijf op elk vel uw naam en studentnummer. Schrijf leesbaar.

AS2 lecture 4. Superpositie Thévenin, Norton, en complexe stroom. Cees Keyer. Amsterdam School of technology, dept. Electronic Engineering

Deeltentamen Lineaire Schakelingen (EE1300), deel B

Elektronische basisschakelingen Oefenzitting 3.

TENTAMEN Versterkerschakelingen en Instrumentatie (EE1C31)

Uitwerkingen 1. Opgave 2 a. Ueff. 2 b. Opgave 3

Opgave 2 Een spanningsbron wordt belast als er een apparaat op is aangesloten dat (in meer of mindere mate) stroom doorlaat.

Oefeningen Elektriciteit II Deel II

R C L. Weerstand : discrete weerstand, halfgeleider baan,... Condensator : discrete condensator, parasitaire capaciteit, MOS capaciteit,...

Toets 1 IEEE, Modules 1 en 2, Versie 1

Men schakelt nu twee identieke van deze elementen in serie (zie Figuur 3).

Tentamen. Elektriciteit en Magnetisme 1. Woensdag 20 juni :00-12:00. Leg je collegekaart aan de rechterkant van de tafel.

LABORATORIUM ELEKTRICITEIT

7. Hoe groot is de massa van een proton, van een neutron en van een elektron?

Bijlage 2: Eerste orde systemen

Elektro-magnetisme Q B Q A

Tentamen Systeemanalyse (113117)

BIOFYSICA: WERKZITTING 08 en 09 (Oplossingen) ELEKTRISCHE KRINGEN

Speciale transformatoren

Tentamen Elektronische Signaalbewerking (ET2405-D2) 18 juni 2007, 14:00 17:00 uur

Hoofdstuk 7: Algemene versterkingstechniek

Tentamen Lineaire Schakelingen (EE1300)

Dit tentamen bestaat uit vier opgaven verdeeld over drie bladzijden. U heeft drie uur de tijd.

Een elektrische schakeling is tot op zekere hoogte te vergelijken met een verwarmingsinstallatie.

HOOFDSTUK 2: Elektrische netwerken

Leereenheid 5. Diagnostische toets: Parallelschakeling. Let op!

Zelf een hoogspanningsgenerator (9 kv gelijkspanning) bouwen

Schriftelijke zitting Regeltechniek (WB2207) 3 november 2011 van 9:00 tot 12:00 uur

Gelijkstroomketens. Serie. Parallel. Weerstanden optellen R 1 R 2 R 3 E U E U R. geleidingen optellen E U E U

VOORBLAD SCHRIFTELIJKE TOETSEN

Overgangsverschijnselen

De overgang van een gelineariseerde schakeling naar signaalverwerkingsblok

NATUURKUNDE KLAS 5. PROEFWERK H8 JUNI 2010 Gebruik eigen rekenmachine en BINAS toegestaan. Totaal 29 p

4 Elektrische netwerken

GESTABILISEERDE VOEDING

Elektronicapracticum. een toepassing van complexe getallen. Lesbrief

Benodigdheden Gloeilampje, spoel, condensator, signaalgenerator die een sinusvormige wisselspanning levert, aansluitdraden, LCR-meter

De transferfunctie of de versterkingsfactor van een schakeling is gelijk aan de verhouding van de uitgangsspanning op de ingangsspanning.

Gelijkstroomketens. Serie. Parallel. Weerstanden optellen R 1 R 2 R 3 E U E U R. geleidingen optellen E U E U

TECHNISCHE UNIVERSITEIT EINDHOVEN. Tentamen OGO Fysisch Experimenteren voor minor AP (3MN10) Tentamen Inleiding Experimentele Fysica (3AA10)

KABELTESTER en DIGITALE MULTIMETER. Turbotech TT1015

Zomercursus Wiskunde. Katholieke Universiteit Leuven Groep Wetenschap & Technologie. September 2008

I A (papier in) 10cm 10 cm X

STROOMSENSOR 0222I GEBRUIKERSHANDLEIDING

Zomercursus Wiskunde. Module 4 Limieten en asymptoten van rationale functies (versie 22 augustus 2011)

Academiejaar eerste examenperiode Opleidingsonderdeel: Elektrische Schakelingen en Netwerken. EXAMENFOLDER maandag 30 januari 2017

Basiskennistoets wiskunde

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Elektrodynamica. 25 juli 2015 dr. Brenda Casteleyn

TENTAMEN Versterkerschakelingen en Instrumentatie (EE1C31)

VLAKKE PLAATCONDENSATOR

Elektronische basisschakelingen: Oefenzitting 1

Stroomkring en richtingspijlen voor spanning en stroom

Elektronica. Voorvoegsels van eenheden. Schakeling van een simpele audioversterker met een opamp

Extra opgaven. Bewijs de uitdrukking voor L V in de eerste figuur door Z V = Z 1 + Z 2 toe te passen.

R Verklaar alle antwoorden zo goed mogelijk

Transcriptie:

32 Meerkeuze-opgaven Opgaven bij hoofdstuk 12 12.6 Van een lineaire tweepoort is poort 1 als ingang en poort 2 als uitgang op te vatten. Bij de Z-parametervoorstelling van deze tweepoort geldt dan: a: Z 22 is de uitgangsimpedantie bij open ingang b: Z 22 is de uitgangsimpedantie bij kortgesloten ingang c: Z 22 is de uitgangsimpedantie bij open uitgang d: Z 22 is de uitgangsimpedantie bij kortgesloten uitgang 12.7 Van een lineaire tweepoort (onbelast) zijn eerst de Y-parameters gemeten: Y 11 = ½ S; Y 12 = Y 21 = 100 ms; Y 22 = 2 S. Vervolgens wordt poort 2 van deze tweepoort (tussen de klemmen 2 en 2') extern kortgesloten. Dan geldt: a: Y 22 wordt oneindig groot (want U 2 = 0) b: Y 22 wordt nul (vanwege de kortsluiting) c: Y 22 is nu niet meer bepaald d: Y 22 verandert niet 12.8 Voor deze tweepoort geldt: a: Z 11 = 2 ks b: Z 11 = 3 ks c: H 11 = 2 ks d: Y 11 = 2 ms 12.9 Bij metingen aan een lineaire tweepoort wordt de ingangsspanning U 1 steeds gelijk aan 24 V gehouden. Verder geldt: 1) bij open, onbelaste uitgang is U 2 = 12 V en I 1 = 3 A 2) bij kortgesloten uitgang is I 2 =!2 A en I 1 = 4 A. De uitgangsimpedantie Z 22 is dan gelijk aan: a: 2 S b: 4 S c: 6 S d: 8 S

Elektrische Netwerken 33 12.E.1 Van een lineaire tweepoort zijn Z 11, Z 12, Y 11 en Y 12 bekend; de overige parameters zijn (nog) niet bekend. Op basis van deze gegevens zijn nu: a: Z 21 en Y 21 WEL te berekenen; maar Z 22 en Y 22 NIET b: Z 21, Y 21, Z 22 en Y 22 NIET te berekenen c: H 11 en H 12 WEL te berekenen, maar H 21 en H 22 NIET d: alle overige Z-, Y- en H-parameters WEL te berekenen 12.E.2 Van een lineaire tweepoort zijn de Z-parameters bekend: Z 11 = 1 ks, Z 12 = Z 21 = 10 ks, Z 22 = 50 ks. Dan geldt voor deze tweepoort: a: Y 11 = +1 ms b: Y 11 =!1 ms c: H 11 = 1 ks d: H 12 = 0,2 ks 12.E.3 Voor een lineaire tweepoort geldt: Z 12 = Z 21, en Z 11 = ½Z 22. Aan deze tweepoort doen we twee metingen:! ingangsspanning U 1 = 5 V 6 kortsluitstroom aan de uitgang I 2,k =!1 A! ingangsstroom I 1 = 1 A 6 open spanning aan de uitgang U 2,o = 5 V. Als we nu op de ingang weer 5 V aansluiten (U 1 = 5 V), hoe groot is dan de open spanning aan de uitgang U 2,o? a: 1 V b: 2 V c: 2½ V d: 5 V 12.E.4 Van bovenstaande tweepoort zijn de Z-parameters gegeven. Daarmee is te berekenen dat in de getekende situatie de spanning U x gelijk is aan: a: 28 [V] b: 35 [V] c: 42 [V] d: geen van deze waarden is juist

34 Meerkeuze-opgaven 12.10 Van bovenstaande lineaire tweepoort zijn de H-parameters bekend: H 11 = 1 ks, H 12 = +10, H 21 =!10, H 22 = 1 ms. Op poort 1 van deze tweepoort (tussen de klemmen 1 en 1') is een 5mA stroombron aangesloten; poort 2 is belast met een 3 ks weerstand. De aangegeven stroom I 2 is in dit geval: a:!12½ ma b: +25 ma c:!50 ma d: +50 ma 12.11 Van bovenstaande tweepoort (tussen de klemmen A-B en C-D) is de tweepoortparameter Y 11 (de 'ingangs-admittantie') gelijk aan: a: +10.j /3 ms b: +10.j ms c:!10.j ms d:!10.j /3 ms 12.12 Aan een lineaire tweepoort doen we twee metingen: 1: aan poort 1 sluiten wij een spanningsbron aan; poort 2 blijft onbelast. Voor een bronspanning u 1 (t) = 10.cos(Tt) V blijkt nu: i 1 (t) = 2.cos(Tt) ma en de (open) spanning u 2,o (t) = 2.sin(Tt) V. 2: aan poort 1 sluiten wij een stroombron aan; poort 2 wordt kortgesloten. Voor een bronstroom i 1 (t) = 1.cos(Tt) ma blijkt nu: u 1 (t) = 5.sin(Tt) V en de (kortsluit-) stroom i 2,k (t) = ½.sin(Tt) ma. Uit deze resultaten berekenen wij de complexe Y-parameters. Voor Y 12 blijkt: a: Y 12 = +1 +j [ms] b: Y 12 = +1!j [ms] c: Y 12 =!1 +j [ms] d: Y 12 =!1!j [ms]

Elektrische Netwerken 35 12.E.5 Van een lineaire tweepoort is poort 1 als ingang en poort 2 als uitgang te beschouwen. Bij de Y-parameter voorstelling van deze tweepoort geldt: a: Y 22 is de uitgangs-admittantie (of -geleiding) bij open ingang. b: Y 22 is de uitgangs-admittantie bij kortgesloten ingang. c: Y 22 is de uitgangs-admittantie bij open uitgang. d: Y 22 is de uitgangs-admittantie bij kortgesloten uitgang. 12.E.6 Voor deze tweepoort geldt: a: Z 11 = 3 ks b: Z 12 = 1 ks c: Y 21 =!1/6 ms d: Y 22 = 1/2 ms 12.E.7 Voor deze tweepoort geldt: a: Z 22 = 4 b: Z 12 = 4 ks c: Y 11 = 1/6. 0,167 ms d: Y 12 =!250 :S 12.E.8 Aan een lineaire tweepoort doen we twee metingen: 1: aan poort 1 sluiten wij een spanningsbron aan; poort 2 blijft onbelast. Voor een bronspanning U 1 = 10 V blijkt nu: I 1 = 2 ma en de (open) spanning U 2,O = 2 V. 2: aan poort 1 sluiten wij een stroombron aan; poort 2 wordt kortgesloten. Voor een bronstroom I 1 = 1 ma blijkt nu: U 1 = 5 V en de (kortsluit-) stroom I 2,k =! ½ ma. Uit deze resultaten berekenen wij de Z-parameters. Er blijkt: a: Z 11 = 0 ks b: Z 12 = 0 ks c: Z 21 = 0 ks d: Z 22 = 0 ks

36 Meerkeuze-opgaven Opgaven bij hoofdstuk 13 De volgende drie vragen hebben alle betrekking op de overdracht H v = U 2 /U 1 van het onderstaand netwerk. 13.10 De amplitudekarakteristiek *H v * wordt geschetst op de normale log/log schaal, volgens afspraak voor een Bode diagram. De vorm lijkt dan het meest op: 13.11 Er is in dit netwerk sprake van resonantie. De resonantiefrequentie noemen we T o, en de overdracht U 2 /U 1 bij deze frequentie noemen we H v (T o ). In dit geval geldt: a: T o = (precies gelijk) en H v (T o ) = 1 b: T o. (ongeveer gelijk) en H v (T o ) = 1 c: T o = (precies gelijk) en H v (T o ) = ½ d: T o. (ongeveer gelijk) en H v (T o ) = ½ 13.12 Na berekening van de 3dB punten blijkt voor de bandbreedte B te gelden:

Elektrische Netwerken 37 13.13 Wij beschouwen de overdracht H v = U 2 /U 1 van het bovenstaand netwerk. Daarvoor geldt dat 20.log*H v * = 20.log*U 2 /U 1 * gelijk is aan: a: 0 db voor T 6 4 en onbepaald voor T 6 0 b: 0 db voor T 6 4 en 0 db voor T 6 0 c:!6 db voor T 6 4 en!4 db voor T 6 0 d: 0 db voor T 6 4 en!4 db voor T 6 0 R = 100 S L = 500 mh C = 200 :F 13.14 Wij beschouwen de overdracht H v = U 2 /U 1 van het bovenstaand netwerk. Bij de resonantiefrequentie T 0 is de overdracht 20.log*H v * = 20.log*U 2 /U 1 * gelijk aan: a: 0,0 db b:!0,90 db c:!0,95 db d:!6,0 db 13.15 Gegeven is de volgende overdrachtsfunctie H v (s): Voor de bijbehorende overdrachtsfunctie H v (T) geldt: a: H v (T) heeft (precies) twee polen en drie nulpunten b: H v (T) heeft (onder meer) een nulpunt bij T = 100 rad/s c: H v (T) heeft (onder meer) een pool bij T = 20 rad/s d: H v (T) heeft (onder meer) een pool bij T = 10 rad/s

38 Meerkeuze-opgaven De volgende drie vragen hebben betrekking op de (complexe) admittantie Y van het nevenstaand netwerk. 13.E.1 De absolute waarde (modulus) van de admittantie, *Y*, wordt geschetst op de normale log/log schaal, volgens afspraak voor een Bode diagram. De vorm lijkt dan het meest op: 13.E.2 De fasekarakteristiek, arg(y), wordt geschetst op de normale lin/log schaal, volgens afspraak voor een Bode diagram. De vorm lijkt dan het meest op: 13.E.3 Zijn de twee volgende beweringen WAAR of ONWAAR: 1: de grenswaarden *Y* max en *Y* min zijn NIET afhankelijk van de waarde van de condensator C 2: voor de fasehoek n = arg(y) geldt:!¼b < n < +¼B a: Beide beweringen zijn WAAR b: Bewering 1 is WAAR, maar bewering 2 is ONWAAR c: Bewering 1 is ONWAAR, maar bewering 2 is WAAR d: Beide beweringen zijn ONWAAR 13.E.4 Wij schatten de overdracht H v = U 2 /U 1 van het hiernaast gegeven netwerk, op basis van technisch inzicht. De amplitudekarakteristiek *H v *, geschetst op de normale log/log schaal, lijkt het meest op:

Elektrische Netwerken 39 De volgende drie vragen hebben betrekking op de (complexe) overdracht H v = U 2 /U 1 van het hiernaast gegeven netwerk. 13.E.5 De amplitudekarakteristiek *H v * wordt geschetst op de normale log/log schaal, volgens afspraak voor een Bode diagram. De vorm lijkt dan het meest op: 13.E.6 De fasekarakteristiek arg(h v ) wordt geschetst op de normale lin/log schaal, volgens afspraak voor een Bode diagram. De vorm lijkt dan het meest op: 13.E.7 Zijn de twee volgende beweringen WAAR of ONWAAR: 1: de resonantiefrequentie T o is mede afhankelijk van de waarde van de weerstand R 2: de bandbreedte B is mede afhankelijk van de waarde van de weerstand a: Beide beweringen zijn WAAR b: Bewering 1 is WAAR, maar bewering 2 is ONWAAR c: Bewering 1 is ONWAAR, maar bewering 2 is WAAR d: Beide beweringen zijn ONWAAR

40 Meerkeuze-opgaven Opgaven bij hoofdstuk 14 De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het nevenstaand netwerk. 14.12 Wij willen alle spanningen in dit netwerk bepalen met de knooppuntsmethode. Hoeveel onafhankelijke knooppunt-potentiaal vergelijkingen zijn er (minimaal) nodig én voldoende? a: 3 b: 4 c: 5 d: 6 14.13 Wij willen alle stromen in dit netwerk bepalen met de maasstroom-methode. Hoeveel onafhankelijke maasstroomvergelijkingen zijn er (minimaal) nodig én voldoende? a: 3 b: 4 c: 5 d: 6 De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het nevenstaand netwerk. 14.14 Stel dat uit een berekening zou blijken dat U x = 35 V; dan volgt daaruit: a: I o = 0 ma b: I o = 50 ma c: I o = 100 ma d: I o < 0 ma 14.15 We sluiten R b = 300 S aan, tussen de klemmen, zoals hierboven getekend. De stroom I o is dan: a: 66 b ma b: 126 b ma c: 166 b ma d: 216 b ma

Elektrische Netwerken 41 14.16 In een netwerk gelden de volgende knooppunt-potentiaal vergelijkingen: Na oplossing van deze vergelijkingen blijkt: a: U A < U B en U B < 3,5 V b: U A < U B en U B > 3,5 V c: U A > U B en U B < 3,5 V d: U A > U B en U B > 3,5 V De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het hiernaast weergegeven complexe netwerk. 14.17 Voor dit netwerk is de knooppuntvergelijking voor knooppunt A in de eenvoudigste vorm: a: (2 + 3j).U A! 3j.U B = + 12 + 17 j b: (2 + 3j).U A! 3j.U B = + 12! 7 j c: (2 + 3j).U A! 3j.U B =! 18! 12 j d: (2 + 3j).U A! 3j.U B =! 18 + 12 j 14.18 In dit netwerk zijn twee maasstromen aangegeven; voor de derde maasstroom I A is de referentierichting rechtsom (zie boven). Voor de fase daarvan geldt: a:!½b # arg (I A ) < 0 [rad] b: arg (I A ) = 0 [rad] c: 0 < arg (I A )< + ½B [rad] d: +½B # arg (I A )< +1½B [rad]

42 Meerkeuze-opgaven De volgende drie vragen hebben alle betrekking op het hiernaast gegeven netwerk. 14.E.1 14.E.2 Wij willen alle stromen in dit netwerk berekenen met de maasstroommethode. We kunnen de maasstromen op diverse manieren kiezen; vier van de mogelijkheden zijn hiernaast geschetst. Voor optimale toepassing van de maasmethode is één van deze mogelijkheden echter minder geschikt, omdat deze tot een groter aantal vergelijkingen leidt. Welk van deze vier varianten is minder geschikt? Wij willen alle spanningen in dit netwerk bepalen met de knooppuntsmethode. Bij knooppunt (Ua) hoort de vergelijking (in de eenvoudigste vorm): a: 3.Ua! 2.Uc = + 26 b: 7.Ua! 2.Uc = + 35 c: 3.Ua! 2.Uc = + 45 d: 3.Ua! 2.Uc =!45 14.E.3 Wij willen alle spanningen in dit netwerk bepalen met de knooppuntsmethode. Bij knooppunt (Uc) hoort de vergelijking (in de eenvoudigste vorm): a:!3.ua + 7.Uc! 2.Ud = 150 b: 3.Ua + 6.Ub! 13.Uc + 2.Ud =!30 c: 3.Ua! 7.Uc + 2.Ud = 60 d:!3.ua + 7.Uc! 2.Ud = 30

Elektrische Netwerken 43 De volgende drie vragen hebben alle betrekking op onderstaand netwerk. 14.E.4 14.E.5 Stel dat we in dit netwerk de maasstroom-methode willen toepassen. Een bepaalde keuze van de maasstromen noemen wij minder geschikt als deze leidt tot een groter aantal vergelijkingen. Welk van de nevenstaande varianten is in deze zin minder geschikt te noemen? De maasstromen zijn gekozen zoals hiernaast is aangegeven. Stel dat na berekening blijkt: I E =!8 ma. Daaruit volgt dan voor U a (de potentiaal in het punt a): a: U a =!19 V b: U a = +13 V c: U a =!30 V d: geen van deze drie waarden is juist 14.E.6 Stel dat na berekening blijkt: U d =!49 V en U e = 20 V. Dan is de spanning U x (over de stroombron van 13 ma) gelijk aan: a:!9 V b: 49 V c: 78 V d: 147 V

44 Meerkeuze-opgaven De volgende twee vragen hebben beide betrekking op onderstaand netwerk. 14.E.7 Wij willen in dit netwerk de maasstroom-methode gebruiken. Stel dat de maasstromen gekozen zijn zoals hiernaast aangegeven. Welke van de onderstaande vergelijkingen is dan de enig juiste? a:!3.i A + 6.I B! I C =! 12 b:!3.i A + 12.I B! I C =! 66 c:!3.i A + 18.I B! 6.I C =!126 d:!3.i A + 18.I B! 6.I C =!273 14.E.8 In het gegeven netwerk stellen we de knooppuntpotentiaal-vergelijkingen op, in eerste (ruwe) opzet. Slechts één van de volgende vergelijkingen is goed. Welke?

Elektrische Netwerken 45 De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het hiernaast gegeven netwerk. Alle componenten (bronnen en weerstanden) zijn bekend. 14.E.9 Wij willen alle stromen in dit netwerk bepalen met de maasstroommethode. Hoeveel onafhankelijke maasstroom vergelijkingen zijn er nodig (minimaal)? a: 2 b: 3 c: 4 d: 5 14.E.10 Wij willen alle spanningen in dit netwerk bepalen met de knooppuntsmethode. Hoeveel onafhankelijke knooppunt-potentiaal vergelijkingen zijn er nodig? a: 2 b: 3 c: 4 d: 5 De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het hiernaast gegeven netwerk. Alle componenten (bronnen en weerstanden) zijn bekend. 14.E.11 Wij willen alle stromen in dit netwerk bepalen met de maasstroommethode. Hoeveel onafhankelijke maasstroom vergelijkingen zijn er nodig (minimaal)? a: 2 b: 3 c: 4 d: 5 14.E.12 Wij willen alle spanningen in dit netwerk bepalen met de knooppuntsmethode. Hoeveel onafhankelijke knooppunt-potentiaal vergelijkingen zijn er nodig? a: 2 b: 3 c: 4 d: 5

46 Meerkeuze-opgaven De volgende drie vragen hebben alle betrekking op nevenstaand netwerk. 14.E.13 We willen in dit netwerk de maasstroom-methode toepassen, en kiezen de maasstromen zoals hiernaast weergegeven. Na berekening blijkt dat I A = 10 ma. Daaruit volgt: a: U a = 0 V b: U a = 10 V c: U a = 15 V d: U a = 20 V 14.E.14 In dit netwerk zijn de maasstromen gekozen zoals hiernaast getekend. Helaas is bij onze uitwerking echter het een en ander fout gegaan! Van onderstaande mogelijkheden a t/m d is slechts één juist. Welke? a: De maasstromen zijn niet goed gekozen b: Maas C: 21.I C! 9.I D! 11.I E = 130 c: Maas D: 9.I C! 9.I D! 5.I E = 100 d: Maas E:!11.I C! 5.I D + 11.I E = 60 14.E.15 Bij hetzelfde netwerk stellen wij nu de knooppunt-potentiaal vergelijkingen op, in eerste opzet. Slechts één van de volgende vergelijkingen is goed. Welke?

Elektrische Netwerken 47 14.E.16 In een netwerk gelden de volgende knooppunt-potentiaal vergelijkingen: Na oplossing van deze vergelijkingen blijkt: a: U A > 10 V b: U A > U B en U A < 10 V c: U A = U B en U A < 10 V d: U A < U B en U A < 10 V 14.E.17 In een bepaald netwerk gelden de volgende maasstroomvergelijkingen: 1) 7.I A! 3.I B = 28 2)!I A + 6.I B! 2.I C = 182 3)! I B + I C =!18 Na berekening blijkt dat de waarde van de maasstroom I C gelijk is aan: a: 24 A b: 12 A c: 20,5 A d: een andere waarde 14.E.18 In een netwerk gelden de volgende knooppunt-potentiaal vergelijkingen: Na oplossing van deze vergelijkingen blijkt: a: U A! U B = + 4,0 V b: U A! U B = + 0,7 V c: U A! U B =! 4,0 V d: U A! U B =! 0,7 V

48 Meerkeuze-opgaven De volgende twee vragen hebben beide betrekking op onderstaand netwerk. 14.E.19 Voor dit netwerk is de knooppuntvergelijking voor knooppunt A in de eenvoudigste vorm: a: 3.U A! U B =! 2 b: 3.U A! U B =!30 c: 3.U A! U B = +30 d: 3.U A! U B = + 6 14.E.20 In dit netwerk zijn twee maasstromen aangegeven; voor de derde maasstroom I A is de referentierichting rechtsom (zie boven). Voor deze stroom geldt: a: I A $ 2 [ma] b: 2 > I A $ 0 [ma] c: 0 > I A $!2 [ma] d:!2 > I A [ma] 14.E.21 In een netwerk gelden de volgende knooppunt-potentiaal vergelijkingen, in de eenvoudigste vorm: Na oplossing van deze vergelijkingen blijkt: a: U A > U B b: U A > U C c: U A = U B d: U A = U C

Elektrische Netwerken 49 De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het hiernaast gegeven netwerk. 14.E.22 In dit netwerk stellen we de knooppuntpotentiaal-vergelijkingen op, en vereenvoudigen die zoveel mogelijk. Slechts één van de volgende vergelijkingen is goed. Welke? a: 5.Ua! 4.Ub = 3 b: 5.Ua! 4.Ub = 12 c:!5.ua + 4.Ub = 3 d:!5.ua + 4.Ub = 12 14.E.23 In dit netwerk stellen we de knooppuntpotentiaal-vergelijkingen op, in eerste opzet (dus nog niet in de eenvoudigste vorm). In het knooppunt c geldt:

50 Meerkeuze-opgaven De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het hiernaast gegeven complexe netwerk. 14.E.24 Voor dit netwerk is de knooppuntpotentiaal-vergelijking voor het knooppunt A te schrijven als: k.u A! l.u B = m, waarin k, l en m complexe getallen voorstellen. Er geldt dan: HINT: Kijk goed naar de opzet van de gegeven uitdrukkingen en niet zozeer naar de waarden zelf. Let ook op het minteken: k.u A! l.u B = m 14.E.25 Stel dat de volgende knooppuntpotentiaal-vergelijkingen gelden: (1+3j).U A! (1+2j).U B =30 U A! (1!j).U B = 0 Dan is U B, de potentiaal in punt B, gelijk aan: a: +10 V b:!10 V c: +10j V d:!10j V

Elektrische Netwerken 51 14.E.26 In een complex vervangingsnetwerk gelden de volgende knooppuntpotentiaal vergelijkingen, in de eenvoudigste vorm: We lossen deze vergelijkingen op. Uit de gevonden waarden voor U A en U B blijkt dan: a: U A + U B = 1 + j [V] b: U A + U B = 1! j [V] c: U A + U B = 5/6 + 3½ j [V] d: U A + U B = 5/6! 3½ j [V] De volgende twee vragen hebben beide betrekking op dit complex netwerk. 14.E.27 Voor maas B geldt de volgende maasstroom-vergelijking: a:!(200!400j).î A + (200!100j).î B! (300!400j).î C = +54j b:!200.î A + (200!100j).î B = +54j c:!(200!400j).î A + (200!100j).î B! (300!400j).î C =!54j d:!200.î A + (200!100j).î B =!54j 14.E.28 Stel! alleen voor deze vraag! dat de beide bronnen stroombronnen waren in plaats van spanningsbronnen. In dat geval moeten wij definiëren: a 1 onbekend knooppuntpotentiaal en 3 onbekende maasstromen. b: 1 onbekend knooppuntpotentiaal en 1 onbekende maasstroom. c: 3 onbekende knooppuntpotentialen en 1 onbekende maasstroom. d: 3 onbekende knooppuntpotentialen en 3 onbekende maasstromen.

52 Meerkeuze-opgaven 14.E.29 In een complex vervangingsnetwerk gelden de volgende knooppuntpotentiaal vergelijkingen, in de eenvoudigste vorm: We lossen deze vergelijkingen op. Uit de gevonden waarden voor U A en U B blijkt dan: a: U A! U B = + 1 [V] b: U A! U B =! j [V] c: U A! U B = 1! j [V] d: U A! U B = 1 + j [V] De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het hieronder weergegeven complexe netwerk: 14.E.30 Voor dit netwerk is de knooppuntvergelijking voor knooppunt A in de eenvoudigste vorm: a: (5 + 2j).U A! 5.U B =! 14! 8j b: (5 + 2j).U A! 5.U B = + 44! 22j c: (5 + 2j).U A! 5.U B = + 66 d: (5 + 2j).U A! 5.U B =! 66 14.E.31 In dit netwerk zijn twee maasstromen aangegeven; voor de derde maasstroom I A is de referentierichting rechtsom (zie boven). Voor de fase daarvan geldt: a:!½b # arg (I A ) < 0 [rad] b: arg (I A ) = 0 [rad] c: 0 < arg (I A )< + ½B [rad] d: arg (I A )= + ½B [rad]

Elektrische Netwerken 53 Opgaven bij hoofdstuk 15 De volgende twee vragen hebben beide betrekking op het hiernaast weergegeven netwerk. 15.5 In dit netwerk geldt: a: U 1 = 11 V b: I 1 = 1 ma c: I 2 = 10/11 ma d: géén van deze drie beweringen is juist 15.6 In bovenstaand netwerk geldt voor de ingangsweerstand R in = U 1 /I 1 : a: R in $ 100 ks b: 100 ks > R in $ 0 ks c: 0 ks > R in $!100 ks d:!100 ks > R in 15.7 In nevenstaand netwerk geldt voor de ingangsweerstand R in = U 1 /I 1 : a: R in $ +10 ks b: 0 < R in < +10 ks c: 0 > R in >!10 ks d: R in #!10 ks 15.8 In nevenstaand netwerk is de ingangsimpedantie R in tussen de klemmen A en B: a: 100 S b: 175 S c: 200 S d: 400 S

54 Meerkeuze-opgaven 15.9 De open klemspanning U o in bovenstaand netwerk is: a: U o. +1 V (ongeveer) b: U o = +1 V (precies) c: U o.!1 V (ongeveer) d: U o =!1 V (precies) 15.10 In nevenstaand netwerk is de ingangsimpedantie R in tussen de klemmen A en B: a: 100 S b: 175 S c: 200 S d: 400 S 15.11 De open klemspanning U o in dit netwerk is: a: U o = 30 V b: U o = 24 V c: U o = 18 V d: U o = 12 V (Hint: één knooppuntvergelijking, bij het aangegeven punt X; U x = U o!)

Elektrische Netwerken 55 15.E.1 In nevenstaand netwerk levert de gestuurde bron een stroom die gelijk is aan 99 I. Voor de ingangsimpedantie R in tussen de klemmen A en B geldt dan: a: R in # 100 S b: 100 < R in # 200 S c: 200 < R in #1000 S d: 1000 < R in S 15.E.2 De (open) klemspanning Uo in nevenstaand netwerk is: a:!1 V b:!2 V c:!3 V d:!4 V 15.E.3 De open klemspanning U o in dit netwerk is: a: U o =!90 V b: U o = 53 V c: U o = 12 V d: U o = 6 V (Hint: gebruik de knooppunt-methode) 15.E.4 De open klemspanning U o in dit netwerk (let op de pijlrichting bij de bron!) is ongeveer: a: U o. 3 V b: U o. 13 V c: U o. 53 V d: U o.!13 V (Hint: gebruik de knooppunt-methode)

56 Meerkeuze-opgaven Opgaven bij hoofdstuk 16 16.6 Stel dat in bovenstaand netwerk de waarden van alle componenten (bronnen en weerstanden) bekend.zijn. De aangegeven stroom I x moet berekend worden. Wat is daarvoor de handigste methode, met het kleinste aantal vergelijkingen of anderszins het minste rekenwerk? a: toepassing van de maasstroom methode b: toepassing van de knooppuntpotentiaal methode c: toepassing van de basiswetten (Kirchhoff) en superpositie d: toepassing van de theorema's van Norton en/of Thévenin 16.7 De waarden van all componenten in bovenstaand netwerk zijn bekend. De aangegeven stroom I x moet berekend worden. Wat is daarvoor de handigste methode (met het minste rekenwerk)? a: toepassing van de maasstroom methode b: toepassing van de knooppuntpotentiaal methode c: toepassing van de basiswetten (Kirchhoff) en superpositie d: toepassing van de theorema s van Thévenin en/of Norton

Elektrische Netwerken 57 De volgende twee vragen hebben beide betrekking op onderstaand netwerk. 16.8 We laten de belastingweerstand R b = 300 S bij deze vraag weg. De stroom I o moet berekend worden (zonder de last R b ). Wat is daarvoor de handigste methode (met het minste rekenwerk)? a: toepassing van de maasstroom methode b: toepassing van de knooppuntpotentiaal methode c: toepassing van de basiswetten (Kirchhoff) en superpositie d: toepassing van de theorema's van Norton en/of Thévenin 16.9 We sluiten R b = 300 S aan, tussen de klemmen, zoals hierboven getekend. De stroom I o moet berekend worden (met R b als last). Wat is daarvoor de handigste methode (met het minste rekenwerk)? a: toepassing van de maasstroom methode b: toepassing van de knooppuntpotentiaal methode c: toepassing van de basiswetten (Kirchhoff) en superpositie d: toepassing van de theorema's van Norton en/of Thévenin

58 Meerkeuze-opgaven 16.E.1 Welke methode is het meest geschikt om de spanning over de weerstand R = 300 S in bovenstaand netwerk te berekenen? a: toepassing van de maasstroom methode b: toepassing van de knooppuntpotentiaal methode c: toepassing van de basiswetten (Kirchhoff) en superpositie d: toepassing van de theorema's van Norton en/of Thévenin 16.E.2 In het bovenstaand netwerk moet de (open) spanning U x worden bepaald. Wat is daarvoor de handigste methode, met het kleinste aantal vergelijkingen of anderszins het minste rekenwerk? a: toepassing van de maasstroom methode b: toepassing van de knooppuntpotentiaal methode c: toepassing van de basiswetten (Kirchhoff) en superpositie d: toepassing van de theorema's van Norton en/of Thévenin