Zorgpad OSC Inleiding De obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) of dwangstoornis is een psychische aandoening die een negatieve impact heeft op het dagelijkse leven van een persoon. Kenmerkend voor OCS zijn terugkerende angstopwekkende dwanggedachten (obsessies) en/of dwanghandelingen (compulsies). Meestal worden de dwanggedachten opgevolgd door dwanghandelingen die de angst en spanning op korte termijn reduceren. Mensen die lijden aan OCS komen door hun dwanggedrag vaak in conflict met hun omgeving. OCS heeft in het algemeen een continu en chronisch beloop. OCS ontstaat meestal vo o r het 25e levensjaar (jong-volwassenheid). De lifetime prevalentie wordt geschat op ongeveer 1% tot 2,5%. Verder blijkt dat mannen OCS vooral in hun kindertijd ontwikkelen en vrouwen OCS op wat latere leeftijd ontwikkelen. De kenmerken van OCS zijn in verschillende groepen onder te verdelen: 1. De gedachte dat alles onhygiënisch is en dat je overal ziek van kunt worden. Deze gedachte gaat samen met de angst dat je over ziek van kunt worden en dit resulteert in handelingen als veelvuldig wassen en bepaalde zaken niet aanraken. 2. Angst voor agressieve gedachten ( ik doe mijn familie of vrienden iets aan, ik doe een onbekende persoon iets aan, ik doe mijzelf iets ergs aan ), waardoor iemand allerlei controlehandelingen uitvoert of dwangmatige voorzorgsmaatregelen neemt. 3. Allerlei dingen recht hangen (zoals een schilderij) of kleding op een bepaalde manier vouwen en dit blijven doen omdat je denkt dat het niet goed is. 4. De angstige gedachten dat alles gevaarlijk is gaat gepaard met handelingen als onnodig vaak controleren of het gas is uitgedraaid, de deur op slot is of apparaten zijn uitgeschakeld. 5. De controle proberen te zoeken door bijvoorbeeld spullen te verzamelen (verzamelstoornis), haren uit te trekken (trichotillomanie), huid te pulken (excoriatiestoornis) of overmatig bezig te zijn met het uiterlijk. 1. Herkennen van klachten en risicofactoren Iemand met OCS heeft last van obsessies (dwanggedachten zoals ik heb het gas niet uitgedraaid en ik raak besmet ) en compulsies (dwanghandelingen zoals controleren en wassen ). De obsessies en compulsies zijn tijdrovend en nemen minimaal één uur per dag in beslag en veroorzaken duidelijke lijdensdruk. Iemand met OCS kan ook alleen obsessies hebben zonder compulsies, maar compulsies komen nooit voor zonder obsessies. Verschillende factoren kunnen bijdragen aan het ontstaan en ontwikkelen van OCS. Ten eerste zijn er genetische factoren die bijdragen aan het ontstaan en ontwikkelen van OCS. Uit onderzoek blijkt dat OCS vaker voorkomt bij eerste graad familieleden van OCS-patiënten (30-50%). Hiernaast zijn er neurobiologische factoren die bij kunnen dragen aan het ontwikkelen van OCS. Er wordt een verhoogde activiteit in de orbitofrontale cortex, de anterieure cingulate cortex en de nucleus caudatus, mogelijk in combinatie met een verstoorde amygdala functie. Ook worden er afwijkingen gezien in het dopaminerge en het serotonerge systeem.
Naast de genetische factoren en neurobiologische factoren zijn er ook psychologische factoren die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van OCS. De cognitieve-gedragsbenadering laat zien dat mensen die lijden aan OCS hun eigen competenties onderschatten en risico s overschatten. Ze hechten grote waarde aan hun gedachten en doen er alles aan om ze onder controle te krijgen. Obsessies (dwanggedachten) ontstaan door het interpreteren van ongewenste, intrusieve gedachten ( ik ben waarschijnlijk vergeten het gas uit te draaien ), waardoor ze zich angstig gaan voelen en deze gevoelens proberen te neutraliseren door het uitvoeren van compulsies (dwanghandelingen), vermijdingsgedrag of veiligheidsgedrag. Het repetitieve gedrag vermindert op korte termijn de angst en spanning, maar op lange termijn bekrachtigt het de obsessies en compulsies. Als laatste kunnen psychosociale factoren, zoals een negatief opvoedingsklimaat (verwerping en gebrek aan warmte) een rol spelen bij OCS. Ernstige stressvolle situaties in de kindertijd, zoals lichamelijk mishandeling en seksueel misbruik komen met name voor bij OCS. Actuele stressvolle gebeurtenissen, zoals het overlijden van een familielid kunnen dwangklachten versterken. Het gedrag van mensen die lijden aan OCS kunnen een impact hebben op de directe omgeving. Vaak voelen zij zich gedwongen om met het dwanggedrag mee te doen om de cliënt gerust te stellen of ze ergeren zich aan het gedrag en maken negatieve opmerkingen of worden boos op de cliënt. Deze reacties leiden tot meer spanning en beperkingen in het functioneren van cliënten. Sommige raken in een sociaal isolement omdat zij zich schamen voor hun gedrag of contacten vermijden uit angst voor besmetting bijvoorbeeld. 2. Screenen en diagnose stellen 2.1. Screening en diagnostiek Voor het screenen en diagnostiek van de OCS zijn verschillenden instrumenten beschikbaar. - Yale-Brown Obsessive Compulsive Scale (Y-BOCS): De Y-BOCS is een semi-gestructureerd interview waarmee de ernst van OCS bepaald kan worden. - Maudsley Obsessive-Compulsive Inventory (MOCI): MOCI is een zelfrapportagevragenlijst die symptomen van OCS meet. - Padua Inventory-revised (PI-r): PI-R is een zelfrapportagevragenlijst die symptomen van OCS meet en waarmee de ernst van de stoornis bepaald kan worden. - Inventarisatie Dagelijkse Bezigheden (IDB): De IDB is een korte zelfrapportagevragenlijsten wordt gebruikt voor het meten van OCS bij volwassenen. De vragenlijst maakt een onderscheid tussen verschillende categorieën: herhalen en controleren, rigide handelingen, vuil en besmetting, netheid en nauwgezetheid, irreële gedachten, besluiteloosheid. Naast het gebruik van meetinstrumenten zijn er ook een aantal relevante vragen die uitgevraagd kunnen worden om een goede diagnose te stellen. Omdat OCS een angststoornis is kan er gebruik gemaakt worden van dezelfde vragen die gesteld worden aan cliënten met andere angststoornissen. 1. De manifestatie van de angst: hoe ziet de angst eruit (gevoel, gedrag, gedachten)? 2. De omstandigheden of situaties waarin de angsten zich voordoen: waar en wanneer heeft u hiervan last? 3. Waarop de angst gericht is: waar bent u bang voor? 4. Welke maatregelen de cliënt neemt om te kunnen omgaan met de angsten: wat doet u als u last heeft; wat doet u om ervoor te zorgen dat u het niet krijgt? 5. De ernst: in hoeverre heeft u er last van en in hoeverre beïnvloedt het uw leven? 6. Het ontstaan en beloop: hoe en wanneer is het begonnen en hoe heeft het zich ontwikkeld?
7. Zijn er nog andere klachten die de huidige (angst)klachten mogelijk versterken of de behandeling ervan in de weg kunnen staan: heeft u nog andere klachten? Op basis van de bovenstaande vragen kan de hulpverlener een voorlopige classificatie geven. 8. Wat heeft men geprobeerd aan behandelingen/maatregelen om te herstellen? (eerdere hulpverlening). 9. Wat is de hulpvraag precies: wat wilt u dat er gebeurt? Waar wilt u aan werken en wat wilt u verbeteren? De diagnostiek wordt uitgevoerd volgens de DSM-5 criteria. De hoofdbehandelaar is uiteindelijk verantwoordelijk voor het stellen van de diagnose. Meer informatie over de DSM-5 criteria is te vinden in tabel 1 (bijlage). 2.2. Differentiele diagnostiek Als OCS het gevolg is van een somatische aandoening of van bepaalde medicatie en middelen spreekt men van obsessieve-compulsieve stoornis door een somatische aandoening, medicatie of een middel. Cliënten die lijden aan OCS met weinig realiteitsbesef of zelfs waanovertuigingen onderscheiden zich van cliënten met een psychotische stoornis zoals schizofrenie, door aanwezigheid van compulsies en het ontbreken van andere kenmerken van een psychose. Een belangrijk punt is dat OCS bij schizofrenie of schizoaffectieve stoornissen comorbide kunnen optreden. OCS onderscheid zich van ander dwangmatig lijkend gedrag (zoals parafiele stoornissen, middelengerelateerde stoornissen en gokstoornis) doordat deze cliënten meestal voldoening ontlenen aan de activiteit en er vaak alleen mee willen stoppen vanwege de schadelijke gevolgen van het gedrag. OCS treedt vaak comorbide op met eetstoornissen, middelengerelateerde stoornissen en vermijdende-, of afhankelijke-persoonlijkheidsstoornissen. Hiernaast gaat OCS ook vaak gepaard met angststoornissen of een stemmingsstoornis. Bij ongeveer een kwart van vooral mannelijke cliënten die lijden aan OCS komt een ticstoornis voor. Veel cliënten schamen zich voor hun klachten of hebben geen vertrouwen in de hulpverlening waardoor ze pas na jaren hulp krijgen. Verschillen tussen OCS en een aantal andere psychische stoornissen zijn vermeld in tabel 2 (bijlage) en meer informatie over comorbiditeit is te vinden in tabellen 3 en 4 (bijlage). 2.3. Bepalen van de ernst Om een geschikte behandeling te vinden is het van belang om de ernst van de stoornis te bepalen. Hiervoor kunnen onder andere de eerder genoemde vragenlijsten gebruikt worden. Hiernaast is de mate van lijdensdruk dus ook de mate van beperking in het dagelijks functioneren belangrijk. Door middel van DSM-5 kan nagegaan worden in hoeverre iemand realiteitsbesef (wel/niet de stoornis erkennen) heeft. Ernstbepaling kan zowel voor, tijdens als na de behandeling plaatsvinden door middel van routine outcome measurement (ROM). Hiervoor wordt de vragenlijst OQ-45 gebruikt. 2.4. Suicidaliteit OCS is een psychische stoornis die geassocieerd wordt met een significante beperking in het dagelijks functioneren. Mensen die lijden aan OCS melden vaak ernstige problemen in relaties en problemen op het werk. Factoren die kunnen voorspellen of iemand met OCS suicide zal plegen, zijn de ernst van hun OCS-symptomen, het gelijktijdig voorkomen van een depressie, gevoelens van hopeloosheid, de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis en een voorgeschiedenis van zelfmoordneigingen. Het risico op suïcide neemt ook toe als een persoon met OCS drugs of alcohol gebruikt, werkloos is of sociaal geïsoleerd is. Het is voor de therapeut belangrijk om regelmatig navraag te doen naar suïcidegedachten bij cliënten die in het verleden suïcidaal gedrag hebben vertoond.
3. Behandelinterventies Er zijn verschillende interventies mogelijk voor het aanpakken van OCS klachten, zoals cognitieve gedragstherapie, oplossingsgerichte therapie en acceptance commitment therapie. De volgende interventies kunnen toegepast worden bij cliënten met OCS. 3.1. Basisinterventies De volgende basisinterventies worden aanbevolen: 3.1.1. Psycho-educatie Psycho-educatie is het geven van voorlichting en advies met betrekking tot de klachten van de cliënt. De informatie is afgestemd op de kennis en belevingswereld van de cliënt. De cliënt krijgt onder andere informatie over de verschijnselen die horen bij OCS, de complexiteit van de klachten, de behandelmogelijkheden, therapietrouw en risico s op terugval. Het is belangrijk om de cliënt een goede uitleg te geven van de behandelingsmogelijkheden. Hierdoor wordt de cliënt in staat gesteld om een weloverwogen keuze te maken. Hiernaast bevordert een goede voorlichting aan de cliënt de therapietrouw. Psycho-educatie kan ook gegeven worden aan andere familieleden van de cliënt. 3.1.2. Advisering Psychische klachten kunenn verminderd worden door het aannemen van een gezonde leefstijl. Het kan hierom belangrijk zijn om cliënten te motiveren om een gezonde leefstijl aan te nemen. Adviezen voor een gezonde leefstijl zijn te vinden op onder andere de volgende websites: www.thuisarts.nl en www.mentaalvitaal.nl. Naast psycho-educatie kan aan de cliënt praktische adviezen voor dagbesteding en activiteiten, slaap, ontspanning en beweging, voeding en middelengebruik, gegeven worden. 3.2. Begeleide zelfhulp Het is ook mogelijk om clienten begeleide zelfhulp te geven. Hierbij werkt de client zelfstandig met een zelfhulpboek aan huiswerkopdrachten. Client kan beperkte begheleiding krijgen van de therapeut. Bij dit soort hulp is het belangrijk om het effect van de interventie te evalueren. 3.2.1. Ontspanningsinterventie Cliënten met OCS kunnen angst, spanning en stress ervaren vanwege hun terugkerende obsessies. Verschillende ontspanningsoefeningen en/of ademhalingsoefeningen kunnen helpen bij het leren ontspannen. Met deze technieken wordt er aandacht besteed aan eigen controle, lichaamsbewustwording, ademhaling en het onder controle krijgen van spanning en angstgevoelens. 3.2.2. Psychosociale interventies Cliënten kunnen naast hun psychische klachten ook psychosociale problemen ervaren. Praktische (laagdrempelige) hulp kan dan gegeven worden aan cliënten. Het gaat hierbij om het ondersteunen bij het dagelijks leven, adviseren over instanties en het aanleren van praktische vaardigheden aan clienten. Cliënten kunnen voor deze zaken doorverwezen worden naar algemeen maatschappelijk werk (AMW). OCS kan ook impact hebben op de sociale omgeving van een persoon. Gezinstherapie of (partner)relatietherapie kan gezinsleden van de cliënt leren hoe zij met de klachten kunnen omgaan. Hiermee kan voorkomen worden dat gezinsleden meegaan met de dwanghandelingen om de cliënt gerust te stellen. communicatie training leert gezinsleden op een adequate manier te communiceren met een cliënt over zijn of haar dwanggedrag. 3.3. Kortdurende psychologische behandeling
Er zijn verschillende soorten van kortdurende psychologische behandeling (KPB). De kortdurende behandeling is gebaseerd op principes uit de cognitieve gedragstherapie en de oplossingsgerichte therapie. Hiernaast worden ook technieken uit de Acceptance Commitment therapie (ACT) aanbevolen. 3.3.1. Cognitieve gedragstherapeutische (CGT) interventies Hieronder staan CGT interventies beschreven die toegepast kunnen worden bij cliënten met OCS. De cognitieve-gedragstherapeutische aanpak is empirisch goed onderbouwd en is hiernaast effectiever op de lange termijn vergeleken met farmacotherapie met minder drop-out en terugval. - Exposure in vivo: Een techniek die hierop gebaseerd is heet exposure met responspreventie (ERP). Hierbij wordt een cliënt geleidelijk blootgesteld aan de obsessies en angstopwekkende stimuli, terwijl de cliënt geen dwanghandelingen mag uitvoeren. - Cognitieve herinterpretatie: Bij de techniek gaat het om identificeren, onderzoeken en corrigeren van allerlei irreële angstwekkende opvattingen. De irrationele gedachten worden uitgedaagd en vervangen door meer reële gedachten, die leiden tot minder angst en spanning. 3.3.2. Oplossingsgerichte therapie In de eerste plaats brengt oplossingsgerichte therapie in kaart wat er veranderd zal zijn wanneer het probleem opgelost is en werkt vanuit deze situatie weer terug om dat doel te bereiken. Het is een op de toekomst- en doelgerichte therapie. De therapeut verdiept zich samen met de cliënt in de oplossingen in plaats van de problematiek. Hierbij wordt er uitgegaan dat de cliënt het begin van de oplossingen heeft, in de vorm van uitzonderingen op het probleem. Het doorvragen van uitzonderingen kan aanknopingspunten geven over er precies vaker moet gebeuren of wat meer moet gebeuren. 3.3.3. Acceptance and Commitment Therapie Door middel van Acceptance commitment therapie (ACT) kan de cliënt geleerd worden om zich te richten op zaken die op directe wijze beïnvloedt kunnen worden, zoals het eigen gedrag. Door ACT leren cliënten om het gevecht met vervelende gedachten, emoties en lichamelijke reacties te stoppen. Hierdoor kunnen zijn ze beter in staat om hun aandacht te richten op de dingen die ze werkelijk belangrijk vinden in het leven. ACT kan bijdragen aan het verminderen angstklachten en spanningsklachten. 3.4. Psychotherapeutische technieken Psychotherapie is een groep behandelmethodes waarin door middel van een aantal gesprekken tussen therapeut en cliënt en/of cognitieve en gedragsoefeningen geprobeerd wordt om de cliënt tot nieuwe functionele inzichten en/of gedragingen te stimuleren. Psychotherapie blijkt effectief te zijn voor verschillende psychische stoornissen en problemen. De cliënt kan een individu, een echtpaar, een gezin of een groep zijn; kind, volwassen of een oudere. Het doel van deze therapie is het verminderen of het hanteerbaar maken van de klachten van de cliënt. Naast de deskundigheid van de therapeut is de inzet van de cliënt belangrijk. De behandelingen kunnen kort zijn of langdurige als indien dit nodig is. Voor intensieve psychotherapie (>750 minuten) heeft de cliënt een verwijzing naar de specialistische GGZ (SGGZ) nodig. 3.4.1. Cognitieve gedragstherapie (CGT) Cognitieve gedragstherapie is een psychotherapie die bestaat uit cognitieve therapie en gedragstherapie. Bij cognitieve therapie heeft als doel om de manier van denken van cliënten te veranderen. Bij gedragstherapie heeft als doel om gedragspatronen te veranderen die emotionele problemen in stand houden. Door middel van CGT krijgt een cliënt meer zicht op zijn of haar denkpatronen. De cliënt leert
hoe (negatieve) gedachten samenhangen met gevoelens en gedrag. CGT is probleemgericht en kan kortdurend van opzet zijn. De therapeut maakt veel gebruik van verschillende oefeningen en huiswerk. CGT is effectief gebleken voor angststoornissen, zoals OCS. 3.4.2. Gedragstherapie (GT) Gedragstherapie is een vorm van psychotherapie die als doel heeft om ongewenste gedragingen en emoties te veranderen of te doen verdwijnen. Nieuwe meer constructieve gedrag wordt bekrachtigd. Gedragstherapie probeert op een opbouwende wijze gedrag te veranderen. Deze vorm van therapie wordt vaak toegepast bij fobieën, zoals niet meer naar buiten durven of bij dwangstoornissen, zoals smetvrees en impulsstoornissen, zoals het dwangmatig uittrekken van de haren. 3.5. Medicatie Naast psychologische behandeling kan bij de behandeling van OCS ook medicatie voorgeschreven worden (door de psychiater of huisarts). Bij ongeveer de helft van de cliënten blijkt Serotonineheropnameremmers (SSRI s) of het tricyclisch antidepressivum clomipramine effectief te zijn. Mocht blijken dat deze medicatie onvoldoende resultaat behaald dan kan het gecombineerd worden met antipsychoticum (risperidon of haloperidol) in lage dosering. Welke medicatie er wordt voorgeschreven hangt af van de bijwerkingen, gevaar voor overdosering, bijkomende psychische en lichamelijk stoornissen en op kosten. 4. Monitoren en terugvalpreventie Voor angststoornissen wordt er geadviseerd de voortgang van de behandeling te monitoren met behulp van een meetinstrument. Dit kan het beste eens in de zes tot acht weken gebeuren. Voor het monitoren kan bijvoorbeeld de Core-34 gebruikt worden. Hiernaast kan ook de OQ-45 periodiek afgenomen worden bij cliënten. Na ongeveer 4 maanden vindt er een behandelevaluatie samen met de cliënt plaats. Als uit de vragenlijsten en behandelevaluatie blijkt dat de klachten van de cliënt niet zijn verbeterd wordt er opnieuw gekeken naar de ernst van de stoornis. Wanneer blijkt dat de klachten voldoende verminderd zijn of verdwenen wordt er samen met de client gewerkt aan terugvalpreventie. 5. Bijlage. Tabel 1: DSM-5 obsessieve-compulsieve stoornis en verwante stoornissen OCS is beschreven onder de categorie obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen in de DSM- 5. Deze categorie bestaat uit vijf aandoeningen. Drie stoornissen die getypeerd worden als cognitieve aandoeningen: de obsessieve-compulsieve stoornis, de morfodysfore stoornis en hoarding. Trichotillomanie en excoriatiestoornis zijn meer motorische aandoeningen. Voor de stoornissen met een cognitieve component is een (uitgebreidere) specificatie van de mate van realiteitsbesef toegevoegd. Er zijn nu in de DSM-5 drie typeringen mogelijk: Met goed tot redelijk realiteitsbesef, Met matig realiteitsbesef en Met ontbrekend realiteitsbesef of waan overtuigingen. De onderverdeling is bedoeld om de stoornissen af te kunnen grenzen van de psychotische stoornissen waarvoor andere behandelingen geïndiceerd zijn. Naast de vijf kernstoornissen kent de categorie Obsessievecompulsieve en verwante stoornissen ook een Stoornis op basis van middel of medicatie, een Stoornis op basis van een somatische aandoening, een Ongespecificeerde stoornis en een Andere gespecificeerde obsessieve-compulsieve of verwante stoornis.
Tabel 2: Verschillen OCS en andere psychische stoornissen Psychische stoornis Trichotillomanie (haaruittrekstoornis) en excoriatiestoornis (huidpulkstoornis) Waanstoornis Depressieve stoornis Specifieke fobie Gegeneraliseerde-angststoornis Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen Eetstoornissen Dwangmatige-persoonlijkheidsstoornis Onderscheid met OCS Het dwanggedrag is meer egosyntoon van karakter en heeft een meer beperkte focus Waan overtuigingen worden als egosyntoon ervaren en zijn hiernaast niet gekoppeld aan compulsies (dwanghandelingen) Gedachten zijn afhankelijk van de stemming en zijn niet gekoppeld aan compulsies De gevreesde objecten/situaties zijn specifieker en verder niet gekoppeld aan compulsies Gedachten en angsten hebben een reëler, meer egosyntoon karter en zijn ook minder sterk gekoppeld aan compulsies Preoccupaties zijn vooral gericht op ziekte en gezondheid Preoccupaties zijn gericht op voedsel en (vermeend) overgewicht. Er is geen sprake van obsessies en compulsies, maar een egosyntoon patroon van perfectionisme en rigide beheersing. Tabel 3: OCS en eetstoornissen OCS en eetstoornissen komen vaak samen voor in klinische populaties, echter is er weinig bekend over hoe deze gevallen moeten worden behandeld. Beoordeling van het eetgedrag en gewicht kan helpen bij differentiële diagnose en voor het vinden van een geschikte behandeling. Om een onderscheid te maken tussen de twee stoornissen en de juiste diagnose te stellen, is het dus van belang om het specifieke gedrag en de motivaties achter dat gedrag verder te onderzoeken. Cliënten met een eetstoornis worden in de eerste plaats gedreven door zorgen over het uiterlijk van het lichaam. Hiernaast veranderen ze hun eetpatroon om af te vallen. OCD-cliënten kunnen hun eten beperken om redenen die anders zijn dan voor het lichaamsbeeld. Voor gevallen waarin een persoon in aanmerking komt voor een diagnose voor OCD in combinatie met een eetstoornis, moet er sprake zijn van dwanghandelingen op een ander gebied dan eten (zoals controleren en contaminatie). De regels en dwanghandelingen zijn vaak extremer dan bij iemand die aan alleen een eetstoornis lijdt. Er is veel onderzoek gedaan over de diagnose en behandeling van OCS en eetstoornissen als twee afzonderlijke stoornissen, maar helaas is er weinig onderzoek gedaan naar de samenhang tussen de twee stoornissen, de gemeenschappelijke symptomen, en de mogelijke biochemische overeenkomsten onderliggend aan de stoornissen. Gelijktijdige behandeling van OCS een eetstoornissen met behulp van multimodale benadering die de nadruk legt op exposure- en responspreventie technieken voor zowel OCS als eetstoornissen, kan een effectieve behandeling zijn.
Tabel 4: OCS en posttraumatische-stressstoornis (PTSS) De posttraumatische stressstoornis (PTSS) en OCS zijn angststoornissen die kunnen voorkomen bij mensen die lijden aan een trauma. Ongeveer 30 procent van mensen die PTSS hebben ontwikkelen binnen een jaar OCS en tussen de 4 en 22 procent van de mensen met PTSS hebben ook een diagnose van OCS. Bij zowel PTSS als OCS heeft een persoon opdringerige gedachten en houdt hij of zij zich vervolgens bezig met neutraliserend gedrag om zijn of haar angst voor deze gedachten te verminderen. Bij PTSS probeert iemand vaak zijn of haar gedachten te neutraliseren door ze te onderdrukken of ander gedrag aan te gaan zoals vermijding. Bij OCS vertoont iemand compulsies (dwanghandelingen) om gedachten te neutraliseren. Het samen voorkomen van deze stoornissen wordt geassocieerd met ernstiger symptomen, minder kwaliteit van leven en minder responsiviteit ten opzichte van behandeling. Daarnaast kunnen mensen met OCS suïcidale gedachten hebben of meer angst- en depressieklachten ontwikkelen. Het is dus noodzakelijk om PTSS-symptomen te onderzoeken bij de beoordeling en behandeling van OCS. Vaak wordt er cognitieve-gedragstherapie toegepast bij deze groep en wordt er ook aandacht besteed aan traumatische gedachten.