Module 4 Efficiënt en effectief leren Hoofdstuk 4 Je leert efficiënt en snel lezen Inhoud 4.1 Goede leesvaardigheid Opdracht 1 Tabel leessnelheden Opdracht 2 Oefeningen leessnelheid Opdracht 3 Kleine test Opdracht 4 Oefening leestest 4.2 Waarom lezen we langzaam? Opdracht 5 Ontbrekende, onvolledige woorden in een zin/tekst Opdracht 6 Gewoontepatronen bij het lezen Opdracht 7 Oorzaken langzaam lezen 4.3 Basistechnieken snellezen Opdracht 8 Alfa hersengolven Opdracht 9 Gebruik van leeswijzer Opdracht 10 Markeren van sleutelwoorden 4.4 Strategieën voor efficiënt lezen 1
4.1 Goede leesvaardigheid Openingsquiz over snel lezen. Waar (W) of Onwaar (O)? Vul in. Uitspraken W O 01 Een snelle spreker leest in het algemeen ook snel. 02 Een trage lezer is in het algemeen snel van begrip. 03 Leessnelheden van meer dan 1000 woorden per minuut zijn mogelijk. 04 Met je vinger bijwijzen vertraagt je leessnelheid. 05 Een juiste strategie voor het lezen van boeken of hoofdstukken is direct te beginnen met het lezen van de eerst bladzijden. 06 Gemiddeld leest de Nederlander 250 woorden per minuut. 07 Je leest sneller en beter als je rechtop zit. 08 Voor een beter begrip dien je langzaam en nauwlettend te lezen. 09 Woord voor woord lezen bevordert het begrijpen. 10 Je moet proberen 100% te onthouden van wat je leest. 11 Goede lezers lezen hardop 12 Woorden overslaan is gemakzucht waaraan je niet mag toegeven Totaal goed: 2
Opdracht 1 Welke conclusies kun je trekken uit de tabel (figuur 1: Leessnelheden) van tekstboek, blz. 253? Opdracht 2 Twee oefeningen om je leessnelheid te testen. Bereken na de test je score. Vul de score in de voortgangstabel (achter in dit hoofdstuk). Test 1 Hoe is jouw leesindex? Hoeveel woorden per minuut (wpm) lees jij? 1. Neem een boek dat je toch moet of wilt lezen. Zet een eierwekker of stopwatch op vijf minuten en lees. Markeer begin - en eindpunt en reken het aantal woorden uit. Tel hoeveel woorden er per regel in de drie bovenste zinnen staan, neem hier het gemiddelde van en vermenigvuldig dit met het aantal regels dat je gelezen hebt. Deel het totaal aantal woorden door vijf en je hebt het aantal woorden per minuut. Noteer dit in het schema achter in dit hoofdstuk. Je hebt nu je leessnelheid gemeten ( wpm), nu testen we je begrip van de tekst. Om het begrip te testen vertel je het verhaal na aan iemand anders of aan jezelf. Controleer voor jezelf de volgende punten: a. Heb je het gevoel dat je hebt begrepen wat er staat? b. Heb je de belangrijkste feiten eruit gehaald? Lees nu dezelfde tekst nog een keer en beantwoord de volgende vragen: c. Heb je het inderdaad zo goed begrepen als je eerst dacht? d. Heb je de eerste keer voldoende goed gelezen? c. Ben je tevreden met hoeveel je nu weet? d. Wat wil je verbeteren: snelheid, begrip of beide? NB Je kunt nog eenvoudiger je wpm berekenen. Probeer het uit op dit boek. Per volle regel tel je gemiddeld 12 woorden. Ga een minuut lezen; tel daarna het aantal regels dat je hebt gelezen (laat daarbij twee halve regels bijvoorbeeld voor een regel gelden). Vermenigvuldig tot slot de gelezen regels met 12. De uitkomst is je leersnelheid per minuut (wpm). 3
Test 2 Hoe groot is jouw leessnelheid? Doe de leestest. Het verhaal Zien is geloven (hieronder) telt 400 woorden. Lees en noteer hoeveel seconden je precies nodig hebt om het te lezen. Deel het aantal woorden door het aantal seconden en vermenigvuldig dat getal met 60: 400 / sec x 60 = woorden per minuut (wpm) Als je bijvoorbeeld 100 seconden nodig had, is jouw leessnelheid 240 woorden per minuut: 400 / 100 x 60 = 240 wpm Werk je niet te snel door de tekst, want er volgen vragen om na te gaan hoeveel je van de tekst hebt onthouden. De potentiële leessnelheid van het menselijke oog (theoretisch dan) bedraagt 90.000 woorden per minuut. Fantastisch? Ongelooflijk? Onmogelijk? Blijkbaar niet voor het Russische wonderkind Eugenia Alexeyenko. Het verhaal doet de ronde dat de 18- jarige Eugenia zo snel leest dat ze in zo n tien minuten 1200 pagina s tellende romans zoals Oorlog en vrede van Leo Tolstoj uitleest. 4
Hier volgt nu de leestekst. Lees deze tekst en noteer de tijd die je ervoor nodig had. Beantwoord daarna de vragen op de volgende pagina. Bereken daarna je leessnelheid op de pagina daarna. Zien is geloven Dit bijzondere meisje kan veel sneller lezen dan ze pagina s kan omslaan. Zonder die handicap zou ze een snelheid van 416.250 woorden per minuut halen, aldus het hoofd van een onderzoeksteam van de Academie voor Wetenschappen. Een panel wetenschappers onderwierp het wonderkind aan een speciale test in het Hersenontwikkelingscentrum van Kiev. Ze zorgden ervoor dat Eugenia het testmateriaal niet eerder gelezen kon hebben. Ze kozen artikelen uit politieke en wetenschappelijke tijdschriften die pas op de testdag zelf verschenen. Een dag daarvoor hadden ze haar afgezonderd in haar kamer in het centrum. De onderzoekers gebruikten ook onbekende, oude teksten. Verder recente Duitse artikelen die waren vertaald in het Russisch, haar moedertaal en de enige taal die zij spreekt. Terwijl hun proefpersoon in afzondering zat, lazen de examinatoren het testmateriaal verscheidene malen en maakten daarbij notities. Ze legden het meisje twee bladzijden voor om haar leessnelheid te bepalen. Het resultaat was verbluffend. Blijkbaar leest Eugenia 1390 woorden in één vijfde van een seconde, net genoeg tijd om even met de ogen te knipperen. De onderzoekers gaven haar ook stukken te lezen uit verschillende tijdschriften, romans en andere teksten. Ze las alles moeiteloos. Wat mij het meest verbaasde was dat ze ook bleek te snappen wat ze las. We stelden heel nauwkeurige vragen, waarbij het vaak ging om technische informatie die andere tieners helemaal niet begrepen zouden hebben. Toch bleek uit haar antwoorden dat ze alles perfect begreep, zei een van de onderzoekers. Het gekke was dat de unieke capaciteiten van Eugenia pas aan het licht kwamen toen ze al vijftien was. Haar vader, Nicolai Alexeyenko, gaf haar een lang krantenartikel dat ze hem twee seconden later weer toeschoof met de opmerking dat ze het wel interessant vond. Hij dacht dat ze een grapje maakte, maar toen hij haar over de inhoud ondervroeg, gaf ze correcte antwoorden. Als dit verhaal waar is, moeten we er dan van uitgaan dat ze over een fenomenaal fotografisch geheugen beschikt? Niet per se, als we Eugenia s eigen verhaal over haar buitengewone talent mogen geloven: Ik ken mijn geheim niet. Ik neem de bladzijden in me op en herinner me vooral de inhoud en niet de letterlijke tekst. Er vindt een bepaalde analyse plaats in mijn hersenen die ik echt niet kan verklaren. Maar ik heb het idee dat ik een hele bibliotheek in mijn hoofd heb! Wat denk jij? Geloof jij in Eugenia s onverklaarbare capaciteiten of is dit gewoon een groot verzinsel? Bron: Dominic O Brien, Slagen voor je examens, 2003 5
Noteer hoeveel tijd je nodig had om deze tekst te lezen. Mijn leestijd is: Beantwoord nu de vragen door een van de beide mogelijkheden aan te duiden: 1. Hoe luidt de achternaam van Eugenia? O Zverevsky O Alexeyenko 2. Hoe oud is ze? O 16 O 18 3. Hoeveel woorden per minuut kan ze lezen volgens de hoofdonderzoeker? O 41.625 O 416.250 4. Waar werd ze getest? O Moskou O Kiev 5. Uit welke taal werd een deel van het testmateriaal vertaald? O Duits O Engels 6. Hoeveel talen spreekt Eugenia buiten Russisch? O Geen O Negen 7. Hoe heet haar vader? O Mikanov O Nikolai 8. Hoe oud was ze toen haar talent werd ontdekt? O 15 O 11 9. Waar kwam het artikel dat haar vader haar gaf vandaan? O uit een tijdschrift O uit een krant 10. Wat herinnert ze zich als ze de teksten in haar geheugen opslaat? O de betekenis O de letterlijk tekst 6
Bereken nu je leessnelheid en controleer je antwoorden om je bevattingsratio te meten. Vul in: Mijn leessnelheid = 400 / sec x 60 = Stel dat je de tekst gelezen hebt in 2 minuten, dus 120 seconden, dat is 400/120 x 60 = 200 woorden per minuut (wpm). Bij opdracht 4 is een tabel opgenomen waarin je bij leesttest nummer 1 het aantal wpm kunt aftekenen. Aantal juiste antwoorden = Begrip (%) = aantal correcte antwoorden x 10 = % (B) Leessnelheid: WPM ( A) Gehaalde leesindex= A x B = Noteer de uitslag in de tabel achterin dit hoofdstuk. Woorden/min (wpm) Correcte antwoorden Kwalificatie 0-150 1-4 Slecht 150-250 5-7 Gemiddeld 250 400 6-8 Bovengemiddeld 400-750 7-10 Goed 750-1000 8-10 Uitstekend 1000 of meer 8-10 Geniaal 7
Opdracht 3 Een kleine test. Gebruik jij je vinger, potlood of een pen of een ander hulpmiddel wel eens als je een nummer opzoekt in een telefoonboek? 1 een nummer opzoekt in een telefoonboek 2 een woord opzoekt in een woordenboek 3 een inlichting opzoekt in een encyclopedie of naslagwerk 4 een reeks getallen optelt 5 je concentreert op een gegeven dat je wilt gaan opschrijven 6 iemand anders wijst op een zin op een bladzijde die je onder zijn aandacht wilt brengen 7 gewoon zit te lezen Ja Nee 8
Opdracht 4 Neem een leesboek waarmee je kunt oefenen. Een mooi boek, niet al te moeilijk. Je kunt ook een boek nemen dat je al gelezen hebt; het gaat erom dat je went aan de technieken dat je ermee oefent. Als je kiest voor zakelijke teksten of vakliteratuur, neem dan niet gelijk examenstof. Deze remt alleen maar je snelheid. Neem bij voorkeur langere teksten, zonder grafieken en illustraties. Je kunt ook een studieboek nemen dat je al hebt bestudeerd. Herhaling kan geen kwaad. Het gaat om de technieken. Neem in de startfase vijf minuten per tekst. Probeer een aantal technieken uit. In paragraaf 4.3 worden een aantal basistechnieken genoemd die je kunt inzetten. Houd je leesscores bij als je gaat oefenen. Start met je gebruikelijke manier van lezen om te kunnen bepalen wat je huidige snelheid is. Zie opdracht 2. Hieronder is een tabel opgenomen waarin je het aantal woorden per minuut kunt opnemen per leestest. Snelleestabel (wpm) 600 575 550 525 500 475 450 425 400 375 350 325 300 275 250 xxxxxxx 225 200 175 150 125 100 75 50 25 0 1 2 3 4 5 6 Leestest nummers Leestekst 1: Zien is geloven; gebruikelijke manier van lezen. Leestekst 2: Eigen keuze tekst; lezen met een aanwijzer 9
4.2 Waarom lezen we zo langzaam? Opdracht 5 Begrijpen ondanks ontbrekende letters en woorden A. In elk van de vijf woorden in het rijtje hieronder ontbreken één of meer letters. Probeer de woorden te lezen. a. i du trie b. b nne hof c. p stz g l d. zon e ch n e. k th l ek B. Doorgrond de betekenis van de onvolledige woorden in de volgende zin. De ge rtepl ts van het recl bure vinden we in A eri a. C. Lees de volgende zin precies zoals die er staat en neem voor een maximaal inzicht en begrip langzaam en zorgvuldig stukje voor stukje in je op. Snel le zen is voor een goed be grip be ter ge ble ken dan lang zaam le zen Het is las-tig le-zen als al-le woor-den ge-splitst zijn in let-ter-gre-pen. Moeilijk? Ja, want je hersenen zijn er niet op gebouwd om lettergreep voor lettergreep in laag tempo te lezen. Je krijgt daardoor minder inzicht en begrip en dat leidt tot meer moeite en ergernis. D. Bekijk nu de volgende zin en lees de woorden gerangschikt in groepen: Er is ontdekt dat de hersenen dankzij de ogen veel gemakkelijker informatie opnemen als de informatie gerangschikt is in zinvolle groepen. E Dat we niet spellend hoeven te lezen om te begrijpen en dat we voldoende hebben aan het complete woordbeeld blijkt ook uit de hierna volgende zinnen: Vlgones een oznrdeeok op een Eglnese uviinresiet mkaat het niet uit in wlkee vloogdre de ltteers in een wrood saatn, het einge wat blegnaijrk is, is dat de eretse en de ltaatse ltteer op de jiutse patals saatn. De rset van de ltteers mgoen wllikueirg Gpletaast wdoren en je knut vrelvogens gwoeon lzeen wat er saatt. Dit kmot ddrooat we niet ekle ltteer op zcih lzeen maar het wrood als gtheeel. Schrijf of lees het verhaal in de goede zinnen. 10
Opdracht 6 Hardnekkige gewoontepatronen bij het lezen. Wanneer je leest, heb je waarschijnlijk een aantal patronen bij jezelf vastgesteld waardoor het lezen van een tekst niet optimaal verloopt. In hoeverre komen deze patronen bij jou voor? Beantwoord de zes vragen. Kruis het antwoord dat van toepassing is. 1 Terugslag Hierbij springt het oog een of twee woorden terug. Dit doen we uitgewoonte of omdat we de tekst niet helemaal begrepen hebben. Spring jij vaak terug? O Ja O Nee 2 Afdwalen Je leest een tekst en terwijl je met de ogen over de tekst glijdt, begint je brein te dwalen. Je constateert op het einde van de tekst dat je niets hebt opgenomen Dwaal jij vaak af? O Ja O Nee 3 Traag en zorgvuldig Kennelijk ga je uit van het idee dat traag lezen synoniem is met zorgvuldig lezen. Het brein kan echter vlugger associëren dan je leest. Lees jij relatief traag en zorgvuldig? O Ja O Nee 4 Van vooraf aan tot op het einde Men heeft ons geleerd alles te lezen van A tot Z. Lees jij alle bladzijden? O Ja O Nee 5 Markeren Leerlingen markeren veel, soms hele teksten en hele zinnen. Markeer jij ook zo? O Ja O Nee 6 Snelheid en tempo Je leest de tekst in een zelfde tempo. O Ja O Nee De meesten zullen minstens de helft van deze vragen met ja beantwoorden en velen zullen alle vragen beantwoorden met ja, behalve de laatste. Is het dan niet merkwaardig, dat wij in vrijwel elke situatie bij het lezen, behalve bij gewoon lezen, hulpmiddelen gebruiken? 11
Opdracht 7 De oorzaak voor te langzaam lezen is bekend. Hoe kun je dan sneller lezen? Links in de kolom staan de oorzaken van langzaam lezen. Vul nu de rechterkolom in hoe je sneller kunt lezen. Langzaam lezen Lezen met spreeksnelheid Regressie Kleine fixatie Snel lezen 12
4.3 Basistechnieken snel lezen Opdracht 8 Een van de basistechnieken voor snel lezen is de alfastaat. Sommige muziek bevordert ontspanning en alfahersengolven. Hersengolven hebben een bepaalde frequentie tussen 7 en 14 Herz. Als je leest is het van belang dat je zo veel mogelijk in de zogenaamde alfastaat bent. Alfahersengolven treden o.a op tijdens meditatie en grote concentratie. Muziek kan je daarbij helpen, speciaal barokmuziek. Niet alle muziek is geschikt: vocale muziek leidt af. Muziek moet harmonieus zijn. Als je wilt, kun je ook op het tempo letten. Een tempo van zestig tellen per minuut brengt hersengolven, hartslag en ademhaling met elkaar in balans. Disco en rap zitten meestal op 120 tellen of impulsen per minuut. a. Onderzoek voor jezelf of muziek ondersteunt. Test dit uit. b. Bij welke muziek voel je je het prettigst? c. Hoe merk je dat je de informatie (leerstof) beter tot je neemt? Opdracht 9 Neem een tekst en gebruik nu een de techniek van het horizontaal aanwijzen. Leg je aanwijzer (leeswijzer: pen, potlood, vinger, markeerpen) onder de regel en volg telkens de hele regel van links naar rechts. Houd de leeswijzer losjes in de hand. Probeer in eerst instantie uit wat een goede snelheid is: als je ogen vlugger gaan dan de leeswijzer is het goed wat te oefenen met vlugger aanwijzen. Zoek de juiste ooghandcoördinatie. Als dat enigszins gelukt is, ga je lezen met de keukenwekker, stopwatch of horloge erbij. Bereken na 5 minuten lezen het aantal woorden per minuut (wpm). Noteer dit aantal in de tabel, opdracht 4. 13
Opdracht 10 Neem onderstaande tekst als voorbeeld en gebruik de techniek van het markeren van sleutelwoorden. Sleutelwoorden zijn kernwoorden die voor jou belangrijk zijn. Gebruik een markeer pen. Let op dat je niet hele teksten markeert, want daarmee is het effect weg. a. Schrijf in de kantlijn alle belangrijke begrippen op b. Markeer de belangrijkste woorden en/of tekstgedeelten/zinnen. Een dergelijke integrale benadering van de arbeid maakt in het begin van de jaren zeventig vrijwel alle geïndustrialiseerde landen opgang. Onder aanduiding humanisering van de arbeid wordt gestreefd naar verbetering van de kwaliteit van de arbeid. Een belangrijke reden voor dit streven is dat werkgevers in toenemende mate worden geconfronteerd met problemen in de arbeidsvoorziening. Vacatures kunnen moeilijk worden vervuld, het ziekteverzuim stijgt en het verloop, het snel wisselen van werkgever, neemt toe. De Galan, Van Gils en Van Strien noemen een aantal oorzaken voor deze crisis in de arbeidsvoorziening. In de eerste plaats wijzen ze op de ver doorgevoerde arbeidsdeling die in veel fabrieken en kantoren bestaat. Het werk is daadoor in hoge mate routinematig geworden en leidt tot verlies van motivatie bij werknemers. In de tweede plaats is de afstand tussen leiding en uitvoerenden in de onderneming gegroeid. In de derde plaats hebben de ver doorgevoerde arbeidsdeling en de komst van steeds meer techniek ertoe geleid dat minder beroep wordt gedaan op inzet, capaciteiten en mogelijkheden van werknemers. Tegelijkertijd nemen echter hun opleidingsniveau en de eisen die zij aan hun werk stellen toe. Tenslotte kunnen de problemen in de arbeidsvoorziening van de jaren zestig en begin jaren zeventig ook in verband worden gebracht met het ontstaan en de uitbouw van het stelsel van sociale zekerheid, waardoor bijvoorbeeld het verwisselen van werkgever minder financiële risico s met zich meebrengt. Bron:Joke Oosterhuis-Geers, Ik studeer wel op mijn eigen manier, blz. 55 14