Regionale Agenda Wonen deel A Poho Ruimte en Wonen SRE/ RRO Zuidoost-Brabant, 28 november 2012 (Sub)-regionale werkgroepen wonen SRE/ Zuidoost-Brabant Eindhoven-Helmond De Kempen De Peel Best Bergeijk Asten Eindhoven Bladel Cranendonck Geldrop-Mierlo Eersel Deurne Helmond Oirschot Gemert-Bakel Nuenen Reusel-De Mierden Heeze-Leende Son en Breugel Laarbeek Valkenswaard Someren Veldhoven Waalre Concept 29 oktober 2012 Concept 1 november rondsturen AO, schriftelijk reageren uiterlijk 9 november -> Simon + Ingrid 12-15 november definitief maken + versturen voor AO + aanleveren poho/rro
Inhoudsopgave 0. Inleiding 3 1. Actuele ontwikkelingen op de woningmarkt van Zuidoost Brabant 4 Ontwikkeling van de woningvoorraad Ontwikkeling van de plancapaciteit Realisatie 2012-2013 Kwaliteit van het programma 2. Kwalitatieve opgaven regio Zuidoost Brabant Wonen, welzijn en zorg Sterke steden en vitaal landelijk gebied Arbeidsmigranten en Bestaande voorraad 13 kenniswerkers 3. Lopende zaken BAG Samenwerking regio Goedkope koop en 18 CPO 4. Opgaven 2013 Wonen, welzijn en zorg Sterke steden en vitaal landelijk gebied Bestaande voorraad Arbeidsmigranten en kenniswerkers Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 2/25
0. Inleiding Voor u ligt deel A van de Regionale Agenda Wonen van de regio Zuidoost Brabant. Dit deel bevat onderwerpen die specifiek in de regio spelen. Deel B van de Agenda is algemeen van aard, op heel Brabant gericht met onderwerpen die overal actueel zijn. Deel B dient voornamelijk als achtergrondinformatie en voor het schetsen van de context. De Regionale Agenda (deel A en B) benoemt thema s die van belang zijn op het terrein van wonen. Niet al deze thema s zijn in elke regio even actueel en/of van even groot belang. Daarom leggen we in deel A de focus op die thema s die in de regio bestuurlijke prioriteit hebben. De overige thema s komen wellicht later aan de orde. De Regionale Agenda Wonen is een dynamisch document dat elk jaar wordt geactualiseerd. In deel A van de Regionale Agenda komen de volgende thema s aan de orde: 1. Regionale ontwikkelingen woningmarkt 2. Kwalitatieve regionale opgaven wonen 3. Opgaven 2013 Terugblik op poho/rro juni 2012 In het poho/rro van juni zijn, op basis van de geactualiseerde provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose en de eerder vastgestelde uitgangspunten, de jaarlijkse regionale woningbouwafspraken gemaakt voor de periode 2012 t/m 2021. Het geactualiseerde Regionaal woningbouwprogramma waarin de jaarlijkse woningbouwafspraken zijn opgenomen- wordt aan de Regioraad d.d. 13 december ter vaststelling voorgelegd. Daarnaast bent u geïnformeerd over (1) de stand van zaken op de woningmarkt en (2) de kwalitatieve agenda. Er is een doorkijk gegeven in de opgaven van de tweede helft 2012. Het betreft de onderwerpen arbeidsmigranten, wonen, welzijn en zorg, kwalitatieve woningbouwafspraken (in relatie tot de bestaande voorraad), consequenties BAG en de sturingsmogelijkheden in relatie tot overcapaciteiten. De voorliggende Regionale Agenda Wonen geeft de voortgang op deze opgaven weer. Beslispunten Deze Regionale Agenda Wonen heeft met name een informerend en signalerend karakter. Er zijn twee beslispunten opgenomen. Beslispunt 1 Kennis nemen van de provinciale lijn, zoals opgenomen in de notitie 100% harde plancapaciteit bij stagnerende woningbouwrealisatie (zie p. 9) en op de hoogte zijn dat provincie daarnaar handelt. Beslispunt 2 Instemmen met de opgaven voor 2013, zoals benoemd in hoofdstuk 4. Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 3/25
1. Actuele ontwikkelingen op de woningmarkt van Zuidoost Brabant 1.1. Ontwikkeling van de woningvoorraad De verwachting is dat in 2013 in de regio Zuidoost een flinke terugval is te verwachten in de ontwikkeling van de woningvoorraad. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door een sterke afname in het aantal in aanbouw genomen woningen. In 2012 is de terugval in de groei van de woningvoorraad al ingezet en deze zal in 2013 nog verder afnemen. In 2008 werd in Zuidoost Brabant een naoorlogs dieptepunt bereikt met ca 1.500 woningen. Dit had vooral te maken met het grote aantal woningen dat in dat jaar in Eindhoven gesloopt is (1.000 woningen). Naar verwachting wordt het niveau uit 2008 in 2013 wederom bereikt en wellicht doorbroken (ca. 1.200 woningen), afhankelijk van de feitelijke ontwikkeling. Per subregio zijn daarbij verschillen zichtbaar. In de regio Eindhoven-Helmond blijft de groei van de woningvoorraad boven het naoorlogse dieptepunt van 2008. Niettemin vindt in 2013 naar verwachting ruim een halvering plaats van het aantal woningen, dat toegevoegd wordt aan de woningvoorraad: van ca 1.700 woningen in 2012 naar ca. 700 woningen in 2013. In de regio De Kempen ligt de groei van de woningvoorraad voor 2012 ver beneden het niveau van 2011. 2013 komt daarna redelijk overeen met het niveau van 2012 (ca 250 woningen). In de regio De Peel vindt in 2013 naar verwachting een halvering plaats van het aantal woningen dat teogevoegd wordt aan de woningvoorraad: van ca. 450 woningen in 2012 naar ca. 250 woningen in 2013. De terugval die in alle subregio s wordt verwacht voor 2013 laat ook zien, dat het gat tussen de werkelijke groei van de woningvoorraad en de benodigde groei op basis van de provinciale bevolkings- en woningbehoeftenprognose groter wordt. Dit is eveneens terug te zien in de ontwikkeling van de stagnatie-indicator 2014. De stagnatieindicator 2014 geeft in een percentage aan wat naar verwachting de gerealiseerde groei van de woningvoorraad zal zijn in de periode 2011 tot en met 2013 in relatie tot de vooruitberekende groei. Voor Brabant staat deze op 65 %: naar verwachting zal 65% van de vooruitberekende groei gerealiseerd worden. Naar verwachting zal een aantal gemeenten in Zuidoost onder dit Brabants gemiddelde groeien. Met name in Asten, Best, Cranendonck, Eersel en Oirschot, met een stagnatieindicator van minder dan 40%, blijft de groei achter. Een aantal gemeenten heeft overigens een stagnatie-indicator hoger dan 100%: Waalre en Son en Breugel. Opgemerkt wordt hierbij dat deze indicator gerelateerd is aan de woningbouwprognose. Regionale woningbouwafspraken die gemaakt zijn, kunnen hier het beeld vertekenen. Onderstaand de figuren met daarin de groei van de woningvoorraad in de verschillende subregio s. De figuur van de hele regio Zuidoost staat in de bijlage van deel B van de Regionale Agenda Wonen (Brabantbreed beeld). Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 4/25
Groei woningvoorraad, SUBREGIO EINDHOVEN-HELMOND, 1998-2018 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014 2016 2018 Bron: 'Monitor bevolking en wonen' (okt. 2012), Provincie Noord-Brabant feitelijke groei prognose 2011 verwachte groei o.b.v. in aanbouw genomen woningen Groei woningvoorraad, SUBREGIO DE KEMPEN, 1998-2018 800 700 600 500 400 300 200 100 0 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014 2016 2018 Bron: 'Monitor bevolking en wonen' (okt. 2012), Provincie Noord-Brabant feitelijke groei prognose 2011 verwachte groei o.b.v. in aanbouw genomen woningen Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 5/25
Groei woningvoorraad, SUBREGIO DE PEEL E.O., 1998-2018 1.200 1.100 1.000 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014 2016 2018 Bron: 'Monitor bevolking en wonen' (okt. 2012), Provincie Noord-Brabant feitelijke groei prognose 2011 verwachte groei o.b.v. in aanbouw genomen woningen Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 6/25
De 'stagnatie-indicator 2014', RRO - ZUIDOOST-BRABANT Asten Best Cranendonck Eersel Veldhoven Oirschot Helmond Reusel- De Mierden Eindhoven Geldrop-M ierlo SUBREGIO DE KEM PEN SUBREGIO EINDHOVEN-HELM OND RRO - ZUIDOOST-BRABANT NOORD-BRABANT SUBREGIO DE PEEL E.O. Deurne Valkenswaard Bladel Laarbeek Heeze-Leende Gemert-Bakel Someren Bergeijk Nuenen c.a. Waalre Son en Breugel 16 20 22 29 38 42 52 57 58 59 59 60 62 65 69 70 75 76 78 80 88 98 10 0 107 200 203 0 25 50 75 100 125 150 175 200 225 De 'stagnatie-indicator 2014' geeft aan in welke mate (uitgedrukt in %) de tot 2014 vooruit berekende groei van dewoningvoorraad - vanaf het startjaar, 2011, van de meest recente provinciale prognose - naar verwachting ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt. Een waarde >100 geeft aan dat de (feitelijk) verwachte groei van de woningvoorraad boven de vooruit berekende groei ligt. Een waarde <100 geeft aan dat de verwachte groei juist onder de vooruit berekende groei ligt. De verwachte groei is bepaald door bij de feitelijke groei van de woningvooraad in 2011, het in 2012 en 2013 verwachte aantal op te leveren nieuwbouwwoningen op te tellen. Een (trendmatige) inschatting van de sloop van woningen is in de gegevens verwerkt, evenals een inschatting van het aantal 'toevoegingen anderszins'. Het verwachte aantal op te leveren nieuwbouwwoningen is bepaald aan de hand van het aantal woningen, dat 1¼ - 1¾ jaar (15-21 maanden) eerder in aanbouw is genomen. De nieuwbouw in 2013 is een inschatting, geëxtrapoleerd op- basis van gegevens over het aantal recent in aanbouw genomen woningen en afgegeven bouwvergunningen. Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 7/25
1.2. Ontwikkeling van de plancapaciteit In onderstaande tabel is voor de eerst komende tienjaarsperiode een overzicht gegeven in hoeverre de plancapaciteit kan voorzien in de geprognosticeerde woningbouwopgave/ woningbouwafspraken. WONINGBOUWCAPACITEIT EN -OPGAVEN AANTAL WONINGEN IN PLANNEN TEN OPZICHTE VAN DE BENODIGDE PLANCAPACITEIT 2012 t/m 2021 de in de tabel opgenomen gegevens zijn afgerond op 5-tallen SUBREGIO EINDHOVEN-HELMOND CAPACITEITSINDICATIE opgave plus = indicator indicator MIDDELLANGE TERMIJN totale waarvan totale harde 2012 t/m 2021 prognose verwachte benodigde capaciteit harde plancapaciteit plancapaciteit 2011 1) sloop 2) capaciteit in plannen 3) capaciteit 3) 100% <<100% 5) EINDHOVEN-HELMOND 21.421 4.950 26.371 26.260 17.920 100% 68% GEMEENTEN BEST 2.780 50 2.830 2.190 1.180 77% 42% EINDHOVEN 4.035 2.810 6.845 9.500 4.750 139% 69% GELDROP-MIERLO 1.505 160 1.665 1.080 570 65% 34% HELMOND 4.740 1.610 6.350 6.335 6.310 100% 99% NUENEN C.A. 1.400 50 1.450 1.520 1.285 105% 89% SON C.A. 1.840 50 1.890 900 895 48% 47% VALKENSWAARD 1.130 90 1.220 1.200 655 98% 54% VELDHOVEN 3.155 90 3.245 2.735 2.135 84% 66% WAALRE 836 40 876 800 140 91% 16% SUBREGIO DE KEMPEN CAPACITEITSINDICATIE opgave plus = indicator indicator MIDDELLANGE TERMIJN totale waarvan totale harde 2012 t/m 2021 prognose verwachte benodigde capaciteit harde plancapaciteit plancapaciteit 2011 1) sloop 2) capaciteit in plannen 3) capaciteit 3) 100% <<100% 5) DE KEMPEN 3.455 450 3.905 3.215 1.950 82% 50% GEMEENTEN BERGEIJK 660 90 750 610 530 81% 71% BLADEL 695 140 835 700 395 84% 47% EERSEL 825 60 885 580 430 66% 49% OIRSCHOT 690 80 770 715 295 93% 38% REUSEL-DE MIERDEN 585 80 665 610 300 92% 45% SUBREGIO DE PEEL E.O. CAPACITEITSINDICATIE opgave plus = indicator indicator MIDDELLANGE TERMIJN totale waarvan totale harde 2012 t/m 2021 prognose verwachte benodigde capaciteit harde plancapaciteit plancapaciteit 2011 1) sloop 2) capaciteit in plannen 3) capaciteit 3) 100% <<100% 5) DE PEEL E.O. 5.553 890 6.443 5.595 2.795 87% 43% GEMEENTEN ASTEN 695 20 715 780 65 109% 9% CRANENDONCK 715 30 745 830 240 111% 32% DEURNE 1.080 290 1.370 1.050 540 77% 39% GEMERT-BAKEL 1.020 160 1.180 810 505 69% 43% HEEZE-LEENDE 420 90 510 830 485 163% 95% LAARBEEK 843 180 1.023 680 600 66% 59% SOMEREN 780 120 900 615 360 68% 40% Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 8/25
1) De bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, actualisering 2011; Kwantitatieve regionale woningbouwafspraken, 2012-2022, RRO Zuidoost-Brabant, juni 2012. 2) De te verwachten sloop is, tenzij anders is vermeld, berekend o.b.v. de gemiddelde sloop over de periode 2002 t/m 2011. 3) Bron: opgaven gemeenten in de matrix 'Overzicht woningbouwcapaciteit per gemeente', stand anno 2012; bewerking: Provincie Noord-Brabant.. Tot de harde plancapaciteit behoren de onherroepelijke of door gemeenteraden vastgestelde woningbouwplannen. 4) Omdat de ervaring leert dat van de (vele) plannen die een gemeente heeft er altijd wel een aantal niet of met vertraging wordt uitgevoerd, is het - met name voor de kortere termijn - van belang rekening te houden met (enige) overcapaciteit. Daarom wordt uitgegaan van een streefwaarde tussen de 100% en 130% (steeds voor de eerstkomende vijf jaar). 5) Voor de voortgang van de woningbouw, maar om tegelijkertijd ook voldoende flexibiliteit in de planontwikkeling te houden; gelet bovendien op de reguliere planningsmethodiek en de juridisch gehanteerde (voortschrijdende bestemmings)planperiode van 10 jaar, wordt voor de 'indicator harde plancapaciteit' voor de vijfjaars-, resp. de tienjaarsperiode uitgegaan van een waarde van maximaal 100%. Door de nodige flexibiliteit in te bouwen in (harde) woningbouwplannen kan beter worden ingespeeld op de marges en onzekerheden, die inherent zijn aan (toekomstige) demografische, economische en woningbehoefteontwikkelingen. Juist vanwege de sterke dynamiek op de woningmarkt is het van belang niet alles direct vast te leggen in (harde) plannen en ook binnen de plancapaciteit de nodige ruimte te houden voor nadere invulling. Wat opvalt is dat het aandeel harde plancapacaciteit voor de tienjaarsperiode in het merendeel van de gemeenten in Zuidoost redelijk is: gemiddeld 62%. Daarmee lijkt er, in ieder geval kwantitatief, ruimte te bestaan om niet nog alleen harde plancapaciteit toe te voegen, maar dit tevens op een wijze te kunnen doen die tegemoet komt aan de wensen van flexibiliteit in de planning. Wat in deze tabel niet te zien is, is dat bijvoorbeeld de gemeente Nuenen voor de periode na 2021 nog meer harde planacapaciteit heeft. Dit komt door de afspraak die gemaakt is over de fasering van Nuenen-West. De harde plancapaciteit zegt echter niet alles over de hardheid van de plannen. Wanneer bijvoorbeeld een gemeente een intentieovereenkomst aangaat met een ontwikkelaar, is er al sprake van een vorm van hardheid van het plan. Vooralsnog vindt provinciale sturing alleen plaats op de harde plancapaciteit zijnde het vastgestelde en onherroepelijke bestemmingsplan. Mede naar aanleiding van vragen uit de regio over dit onderwerp heeft de provincie een notitie 100% harde plancapaciteit bij stagnerende realisatie woningbouw (zie bijlage 1) opgesteld. In de notitie staat de provinciale beleidslijn aangegeven. Deze komt er in het kort op neer, dat de provincie graag ziet dat gemeenten op zo kort mogelijke termijn streven naar balans tussen opgave en plancapaciteit en niet het probleem voor zich uit (blijven) schuiven. Beslispunt 1 Bekend zijn met de provinciale lijn, zoals opgenomen in de notitie 100% harde plancapaciteit bij stagnerende woningbouwrealisatie en op de hoogte zijn dat provincie daarnaar handelt. Bestuurlijk gesprekken met de gemeenten Bladel, Heeze-Leende en Nuenen Met de gemeenten Bladel, Heeze-Leende en Nuenen hebben eind 2011 bestuurlijke gesprekken plaatsgevonden, omdat zij op dat moment meer dan 130% aan harde plancapaciteit voor de vijfjaarsperiode in de plannen hadden opgenomen of hier tegenaan zaten. De gemeenten Bladel en Heeze-Leende hebben de pilot BBSC inmiddels afgerond en draaien vanaf nu mee in het reguliere woningbouwprogramma. Met de gemeente Nuenen zijn afspraken gemaakt over de fasering van met name het plan Nuenen-West. Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 9/25
80.000 Ontwikkeling totale plancapaciteit woningbouw, ZUIDOOST-BRABANT, 2006-2012 (absolute aantallen; stand per 1 jan. van het betreffende jaar) totale plancapaciteit woningbouw capaciteit te realiseren binnen 5 jaar capaciteit te realiseren binnen 5-10 jaar capaciteit te realiseren na 10 jaar 70.000 60.000 50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 66.500 34.000 18.500 67.500 37.000 15.500 67.500 42.000 16.500 64.000 37.500 16.000 59.500 29.500 21.000 51.000 23.500 13.500 14.000 46.500 21.000 14.000 11.500 49.500 20.500 16.000 13.000 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2012-2026 (incl. sloop) prov. prognose, actual. 2011 In de Regionale Agenda Wonen van 2011 werd geconstateerd, dat gemeenten aan de slag zijn gegaan met het (kwantitatief) terugbrengen van de plancapaciteit in de matrices. Deze ontwikkeling zet zich in 2012 door. De totale plancapaciteit is in de regio Zuidoost afgenomen van 51.000 woningen (in 2011) naar 46.500 woningen nu: een reductie van bijna 10% van de plancapaciteit. De afname in de plancapaciteit is met name te zien in het schrappen van zachte plancapaciteit en deels in het in de tijd naar achteren schuiven van de plancapaciteit (faseren). De harde plancapaciteit is veelal een gegeven waar (nog) weinig in geschoven wordt: hard is hard. De totale harde plancapaciteit is licht toegenomen van ca 23.000 woningen in 2011 naar 23.500 woningen in 2012. De indicator harde plancapaciteit staat daarmee voor de regio in 2012 op ca 62%. Om in de woningbehoefte voor de eerst komende tien jaar te kunnen voorzien, is een plancapaciteit van ca. 36.700 woningen benodigd. De totale plancapaciteit en de benodigde capaciteit liggen met respectievelijk 35.200 en 36.700 woningen dicht bij elkaar. Dit betekent dat er kwantitatief sprake lijkt te zijn van een meer realistische woningbouwplanning en programmering in de regio. Dit betekent echter niet dat dit voor alle gemeenten het geval is. In sommige gemeenten speelt bijvoorbeeld een vraagstuk van overprogrammering. Ook is daarmee niet gezegd dat woningbouwplanning en programmering kwalitatief op orde is. 1.3. Stand van zaken regionaal woningbouwprogramma (realisatie 2012-2013) In 2011 hebben de gemeenten de volgende aantallen woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. NB aan deze tabel wordt nu door SRE gewerkt in het kader van de monitor wonen 2012. Wordt nog toegevoegd. Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 10/25
1.4. Kwaliteit van het programma Een goede afstemming van vraag en aanbod is, zeker in de huidige tijd, van groot belang. De kwalitatieve aspecten wijzen op een kwalitatieve mismatch tussen de vraag en de woningbouwprogramma s, zoals de regiogemeenten die de komende vijf jaar voor ogen hebben. Dit zijn risicofactoren voor een verdere stagnatie in de woningbouw. De consument is kritisch en wil bediend worden. Naar verwachting zal de vraag zich de komende jaren voornamelijk richten op betaalbare goedkope koop- en huurwoningen. Dit betekent niet dat uitsluitend dergelijke woningen gebouwd zouden moeten worden; een gevarieerd bouwprogramma in lijn met de behoefte op lange termijn blijft het uitgangspunt. Appartementen In de afgelopen jaren is het aandeel appartementen in de plannen onderwerp van gesprek geweest op de regionale agenda. Wanneer we nu naar de appartementen in de planning kijken, is te zien dat het aandeel appartementen is afgenomen tot ca. 35% voor de eerstkomende vijfjaarsperiode. Van de harde plancapaciteit is 38% een appartement, waarbij met name de subregio Eindhoven-Helmond met 43% van de harde plancapaciteit zijnde een appartement, een hoog aandeel heeft. Per gemeente kan het beeld verschillen. Een aantal gemeenten heeft nog een fors aandeel appartementen in de plannen voor de eerst komende vijfjaarsperiode opgenomen. Het betreft de gemeenten Veldhoven (41%), Waalre (43%) en Eindhoven (65%). Opvallend in de stedelijke regio is het minimale aandeel appartementen in de gemeente Nuenen: slechts 1%. De mate waarin appartementen door de markt kunnen worden opgenomen, hangt samen met verschillende factoren. De omvang, het tempo van realisatie, de locatie en de kwaliteit van het appartement (huur/koop prijsklassen) zijn (mede) van belang in het kunnen afzetten van de appartementen. De inschatting is dat met een gemiddeld aandeel van ca 30-35% appartementen de markt dit kan opnemen. Risico-analyse plancapaciteiten woningbouw, ZUIDOOST-BRABANT, 2012 t/m 2016 Bron: opgaven gemeenten in de matrix 'Overzicht wo ningbo uwcapaciteit per gemeente', stand per 1 jan. 2012 (2012-2016); bewerking Provincie Noord-Brabant koop - duur (> 275.000,-) koop - grondgebonden - koop - middelduur huur - appartementen - goedkoop; 14,9% goedkoop; 6,3% huur - appartementen - duur; 2,4% koop - goedkoop (< 185.000,-) huur - duur (> 665,-) huur - middelduur huur - goedkoop (< 524,-) huur - grondgebonden - middelduur; 1,3% koop - grondgebonden - duur; 31,0% huur - grondgebonden - goedkoop; 8,9% koop - appartementen - middelduur; 6,4% Risicovol koop - appartementen - goedkoop; 2,7% koop - appartementen - duur; Beperkt risico 6,8% koop - grondgebonden - Kansrijk middelduur; 15,8% huur - appartementen - huur - grondgebonden - duur; middelduur; 2,4% 1,1% Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 11/25
Dure koopwoningen De dure koopwoningen laten (nog) een ander beeld zien. In de planning is een hoog aandeel van dure en middeldure woningen opgenomen en dit neemt vooralsnog niet af. In de eerste vijfjaarsperiode bestaat de plancapaciteit voor ca. 60% uit koopwoningen in de dure (38%) en middeldure (22%) prijsklasse. De risico-analyse plancapaciteiten woningbouw laat zien welke segmenten mogelijk een temperend effect hebben op de bouwproductie. Het aandeel risicovol is bijna de helft (circa 47%) van de geplande productie voor de komende vijf jaar. Dit komt met name door de vele plannen in de grondgebonden dure koop. Naar verwachting is dit aandeel te hoog in de huidige marktomstandigheden. Slechts een derde (circa 31%) van de geplande productie is echt kansrijk. Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 12/25
2. De kwalitatieve opgaven 2.1. Wonen, welzijn en zorg Uit de actuele provinciale woningbehoeftenprognose (2011) blijkt dat er een opgave ligt voor beschermd, verzorgd en geschikt wonen. Om de regionale opgave te kunnen bepalen, is in 2012 in beeld gebracht wat alle gemeenten al doen op het gebied van wonen met zorg en welzijn. Daartoe is op basis van de matrices van de gemeenten geïnventariseerd welke plannen voor beschermd, verzorgd en geschikt wonen de gemeenten hebben voor de komende 10 jaar en wat er gerealiseerd is in 2010 en 2011. Deze cijfers geven een eerste indicatie en schatting van de opgave (na realisatie van de plannen). Beschermd, verzorgd en geschikt wonen: opgave (incl. tekorten), realisatie en plannen RRO Zuid-Oost Brabant 2010-2021 Opgave 2010-2021 Totaal Plannen 2012-2021 incl. inloop tekorten (incl. extramuralisering en sloop) Beschermd Verzorgd Geschikt Totaal Beschermd Verzorgd Geschikt Totaal wonen wonen wonen wonen wonen wonen RRO Zuid-Oost Brabant 1.550 3.900 19.800 25.250 550 1.275 11.775 13.600 Subregio's Eindhoven-Helmond 825 1.700 16.750 19.275 175 850 9.700 10.725 De Kempen 300 900 1.175 2.375 25 250 550 825 De Peel e.o. 425 1.300 1.875 3.600 375 175 1.525 2.075 2010-2021 Gerealiseerd 2010-2011 Restopgave 2010-2021 (incl. extramuralisering en sloop) incl. inloop tekorten Beschermd Verzorgd Geschikt Totaal Beschermd Verzorgd Geschikt Totaal wonen wonen wonen wonen wonen wonen RRO Zuid-Oost Brabant 25 200 1.975 2.200 975 2.425 6.050 9.450 Subregio's Eindhoven-Helmond 25 150 1.375 1.550 625 700 5.675 7.000 De Kempen 25 50 300 375 250 600 325 1.175 De Peel e.o. -25 0 325 300 75 1.125 25 1.225 Cijfers in de tabel zijn afgerond op 25-tallen, hierdoor kunnen afrondingsverschillen voorkomen Uit de inventarisatie is op te maken dat er zowel bij beschermd, het verzorgd als het geschikt wonen nog een restopgave is. Hierbij dient opgemerkt te worden dat er nog een verbeterslag nodig is, omdat niet in alle matrices het beschermd, verzorgd en geschikt wonen volledig is ingevuld. Om de opgave beter in beeld te kunnen brengen is in door de regio West-Brabant een definitiematrix opgesteld, waardoor gemeenten de aantallen in plannen en realisatie beter kunnen aangeven. Deze kan ook in Zuidoost-Brabant gebruikt worden. Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 13/25
Bekend is dat er veranderingen in wet- en regelgeving aan zit te komen dat (grote) consequenties kan hebben voor dit vraagstuk. Wat deze veranderingen zijn, is nog niet geheel duidelijk. Over het algemeen wordt erkend dat we met een enorme opgave te maken hebben, waarbij vooral de opgave voor beschermd wonen bovenlokaal is en op regionaal niveau ingevuld moet worden. Naast nieuwbouw zal het beschermd, verzorgd en geschikt wonen nadrukkelijk ook op andere manieren gerealiseerd moeten worden. Zo kunnen bestaande woningen geschikt gemaakt worden en kan de opgave voor beschermd en verzorgd wonen gerealiseerd worden door het regelen van zorg bij woningen die al geschikt zijn, bijvoorbeeld door het inrichten van woon-servicezones of zorgsteunpunten. Duidelijk is dat er een grote link is met het gestelde in de paragrafen 2.3. en 2.4. over de bestaande voorraad en het evenwicht tussen steden en landelijk gebied. Gemeenten zijn al op allerlei manieren bezig om aan de opgave te voldoen. Om zicht te krijgen op wat gemeenten, behalve nieuwbouw, nog meer doen op het gebied van wonen met zorg en welzijn, is het goed een inventarisatie te houden. Daarbij zouden de volgende vragen gesteld kunnen worden: 1. Woon-zorg-welzijn visie a. Beschikt de gemeente over een visie op wonen-zorg-welzijn en hoe actueel is deze? b. Is er intern overleg tussen wonen en zorg collega s? 2. Woonzorgservicepunten / woonzorgservicezones a. Kent de gemeente woonzorgservicepunten/-zones? b. Zijn er ontwikkelingen op dit gebied voorzien? c. Wat betekent dit voor de opgave aan zorgwoningen? 3. Zorgpartijen a. Welke zorgpartijen zijn actief in de gemeente? b. Heeft de gemeente overleg met zorgpartijen binnen de gemeente? c. Wat geven die aan voor ontwikkelingen? 4. Wetgeving a. Welk beeld heeft de gemeente van verandering in wet- en regelgeving rond de zorg en het wonen? b. Hoe gaat de gemeente hier nu mee om? 5. Bestaande woningvoorraad a. Maakt de gemeente afspraken met corporaties over het geschikt maken van bestaande woningen? b. Stimuleert de gemeente particulieren om woningen geschikt te maken? c. Op welke wijze? (advies woningverbetering, DPW-lening bij SVB, ruimte in bestemmingsplan voor uitbouw, enz.) Eerste conclusies : - Er resteert nog een restopgave voor de komende tien jaar in alle categorieën wonen met zorg. - Naar verhouding is de restopgave het grootst bij het beschermd en verzorgd wonen. - Nog niet alle plannen zijn goed in beeld, vooral de instellingsplaatsen ontbreken nog (nieuwbouw en sloop). Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 14/25
Strategie/acties De regio gaat aan de slag met het verder in beeld brengen van de (sub)regionale opgave rondom beschermd, verzorgd en geschikt wonen. Gemeenten vullen daartoe in de matrices gegevens daarover aan en verbeteren die: - Plannen voor (sloop en nieuwbouw) van instellingsplaatsen (beschermd en verzorgd wonen) beter in beeld brengen/aanvullen; - De realisatie vanaf 2010 beter in beeld brengen/aanvullen. In de matrix extra kolommen opnemen om de realisatie te kunnen invullen, zodat vanaf komend jaar deze gegevens meteen in beeld zijn. - Inventariseren wat gemeenten nog meer doen dan nieuwbouw om de opgave voor wonen met zorg en welzijn in te vullen. - Kijken hoe de restopgave voor beschermd, verzorgd en geschikt wonen kan worden ingevuld. - Blijven volgen van de plannen en realisatie van beschermd, verzorgd en geschikt wonen de komende jaren. De voorgestelde inventarisatie vanuit de matrices is nodig om een beter beeld te krijgen van de opgave in de regio en zodoende een goede planning en sturing te kunnen bewerkstelligen. De regio komt in 2013 met een advies voor de (sub)regionale aanpak voor het realiseren van beschermd en verzorgd wonen. Regionale Woonvisie De Regionale Woonvisie benoemt drie thema s, die regionaal zullen worden uitgewerkt. Momenteel wordt gewerkt aan het actieprogramma, een overzicht van de acties die gestart zullen worden, met daarbij de partijen die er aan zullen meewerken. De thema s vanuit de Regionale Woonvisie, die ook door de provincie als inhoudelijk thema worden onderkend, zijn de volgende: 2.2. Kenniswerkers en arbeidsmigranten Zuidoost-Brabant is een sterke, internationale economie. Dit merken we niet alleen door het stempel Brainport dat onze kenniseconomie heeft, maar ook door de aantrekkingskracht van de regio op bedrijven, kenniswerkers en lage-lonen-arbeidsmigranten. Kenniswerkers In de Regionale Woonvisie staat het volgende: Kenniswerkers zijn van groot belang voor de regio Eindhoven gezien de directe bijdrage die zij leveren aan het economisch profiel van de regio. Zij zijn hoog opgeleid en komen alleen of met partner via internationale ondernemingen (bijvoorbeeld Philips, ASML) of kennisinstellingen (bijvoorbeeld TU/e, TNO) in de regio Eindhoven terecht. Daarnaast is er ook een grote groep internationale studenten en (tijdelijke) onderzoekers van onderwijsinstellingen, die in de regio verblijven. Dé kenniswerker bestaat niet. Kenniswerkers hebben in de basis dan ook geen andere woonwensen dan de reguliere woonconsument. De vraag is echter of de kenniswerker (makkelijk) kan vinden wat hij zoekt. Het is van groot belang om de kenniswerker goed te faciliteren en te informeren over Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 15/25
huisvesting in de regio. Het optimaliseren van de informatievoorziening is hierbij een belangrijk startpunt. Arbeidsmigranten De Regionale Woonvisie zegt het volgende: Naast de kenniswerkers, komen de laatste jaren ook steeds meer lage-lonen-arbeidsmigranten naar deze regio, met name in de productiesfeer. Veel van deze buitenlandse werknemers komen uit Midden- en Oost-Europa (volgens inventarisatie van het SRE gaat het in de regio om 15.000-20.000 personen) en zijn werkzaam in de agrarische sector, bouw of (metaal)industrie. De groep is jong (gemiddeld rond de 30 jaar), relatief goed opgeleid, maar komt in Nederland (onder andere door de taalbarrière en schaarste) veelal te werken in laag betaalde sectoren. Was er in eerste instantie slechts sprake van seizoensarbeid, de laatste jaren zien we dat er steeds meer sprake is van structurele werkzaamheden. Een steeds groter wordend deel van deze arbeidsmigranten vestigt zich hier dan ook permanent. In 2012 is een Stuurgroep Arbeidsmigranten ingesteld die de regionale verklaring arbeidsmigranten heeft opgesteld. Deze regionale verklaring is op 28 juni door een groot aantal partijen ondertekend. In de uitwerking van de Nationale Verklaring huisvesting arbeidsmigranten is de SRE-regio benoemd als pilotregio. Momenteel is een inventarisatie uitgezet naar het aantal arbeidsmigranten dat in de regio verblijft en naar voorbeelden van goede huisvestingssituaties. Op basis daarvan kunnen concrete afspraken gemaakt over de huisvestingsopgave voor de regio en per gemeente. In het actieprogramma wordt concreet aangeven welke acties ingezet worden om goede huisvesting voor kenniswerkers en arbeidsmigranten te bereiken. Dit actieprogramma zal, zodra het gereed en vastgesteld is, in deze regionale agenda wonen worden opgenomen 2.3. Naar een nieuw evenwicht van sterke steden en een vitaal landelijk gebied In de Regionale Woonvisie staat het volgende aangegeven: De regio staat voor een transitie: door demografische ontwikkelingen (groeiende regio met enkele krimpende gemeenten, vergrijzing, toename een- en tweepersoonshuishoudens) en door de gevolgen van de economische crisis verandert de toekomstige vraag op de woningmarkt structureel. Dit zou het bestaande evenwicht tussen stad en platteland kunnen verstoren. Het streven naar een nieuw evenwicht van sterke steden en een vitaal landelijk gebied is een complexe en veelomvattende uitdaging, die door deze ontwikkelingen toch écht noodzakelijk is. Om tot concrete resultaten te komen, zal deze uitdaging veel meer veel meer gezamenlijk en vanuit een breder perspectief aangepakt moeten worden. Lokaal worden de gevolgen gevoeld, maar het is onvoldoende om te proberen om uitsluitend op lokaal niveau het probleem op te lossen. Dit zou hooguit leiden tot het onderling elkaar de tent uit concurreren. Een mogelijke efficiënte aanpak begint daarom met een regionaal woonbeleid, waaraan iedereen zich houdt. Dat betekent een andere manier van denken en handelen, waarbij initiatieven van onderop veel meer gestimuleerd moeten worden. Het denken over deze uitdaging is nog niet afgerond. Uiteindelijk willen we waar mogelijk kwalitatieve afspraken maken passend bij de identiteit en kwaliteit van de steden, de omliggende gemeenten én de landelijke gemeenten. In de inspiratiesessie Wonen d.d. 31 augustus 2012 zijn al elementen benoemd die van belang zijn bij dit thema. De toekomst is een overheid die minder bepaalt en minder zelf uitvoert, maar wel haar visie Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 16/25
geeft op wat nodig is. De focus moet komen te liggen op dat wat burgers wensen en op het faciliteren van initiatieven van onderop. Wellicht zal het nodig zijn om regionaal keuzes te maken: het is immers niet mogelijk om overal hetzelfde voorzieningenniveau in stand te houden. Een pondspondsgewijze verdeling over de kerkdorpen is hiervoor niet dé oplossing. Dit geldt ook voor bijvoorbeeld bovenlokale instellingen voor wonen-zorg-welzijn. Dit zijn typisch onderwerpen voor (sub)regionale afstemming! Regionale solidariteit moet daarbij een sleutelbegrip zijn. Om goed in te kunnen spelen op de gevolgen van de demografische ontwikkelingen is monitoring van de situatie essentieel. Door goed inzicht te houden in wat er op de regio afkomt, is het mogelijk om tijdig in te spelen op (de gevolgen van) deze ontwikkelingen. In het actieprogramma bij de Regionale Woonvisie wordt aangeven welke acties ingezet worden om het doel te bereiken. Dit programma zal, zodra gereed en vastgesteld, in deze regionale agenda wonen worden opgenomen. 2.4. Duurzaam vernieuwen en transformeren in de bestaande voorraad De Regionale Woonvisie zegt: De grootste opgave waar de regio de komende jaren voor staat, is het transformeren van de bestaande voorraad. Deze opgave bestaat uit drie componenten: inspelen op demografische ontwikkelingen, het energievraagstuk en het herbestemmen/transformeren van kantoor- en werklocaties. Dat de bestaande voorraad de grootste opgave is, wil niet zeggen dat er de komende jaren niks nieuws meer gebouwd wordt. De nieuwbouw zal zich primair richten op het kleinschalig toevoegen van kwaliteit aan de bestaande voorraad, passend bij de bestaande kwaliteiten en identiteiten van de steden en dorpen. Daarbij moeten we ons realiseren dat duurzaam vernieuwen meer is dan alleen een fysieke opgave: de bestaande gebruikers worden betrokken en organiseren steeds vaker hun eigen proces. Een belangrijk startpunt voor het duurzaam vernieuwen en transformeren van de bestaande voorraad is het in beeld brengen van die voorraad. Op basis daarvan kan een inschatting gemaakt worden van de grootte van de opgave. Daarnaast ligt er een belangrijke taak in het signaleren van problemen én mogelijke oplossingen. Het delen van kennis en informatie is essentieel om de transformatie te kunnen versnellen. Woningcorporaties hebben uiteraard een belangrijk aandeel in het duurzaam vernieuwen en transformeren van de bestaande voorraad. Er zijn echter nog veel meer woningen particulier bezit. De uitdaging is om ook deze groep te betrekken en enthousiast te maken voor het vernieuwen van de eigen woning. In het actieprogramma wordt aangeven welke acties worden ingezet om dit doel te bereiken. Dit programma zal, zodra gereed en vastgesteld, in deze regionale agenda wonen worden opgenomen. Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 17/25
3. Lopende zaken 3.1. BAG BAG staat voor Basisregistraties Adressen en Gebouwen en is een onderdeel van het landelijke stelsel van basisregistraties. In de BAG worden alle adressen in Nederland eenduidig, actueel en volledig vastgelegd. Samen met de gemeenten brengen we in beeld wat de BAG precies inhoudt en hoe we vanuit de huidige manier van monitoren van plannen en productie kunnen omschakelen: van cijfers over woningen naar cijfers over verblijfsobjecten met woonfunctie. Provincie en SRE zullen de gemeenten informeren en ondersteunen bij de omschakeling. Tot het moment dat de BAG goed functioneert, zal de provincie een inventarisatie doen van de feitelijke woningbouwontwikkelingen. 3.2. Provinciale regelingen Vanaf 2007 zijn Brabantbreed circa 6.000 woningen gerealiseerd in kader van de stimuleringsregeling Goedkope koop, tegenover een ambitie om ruim 10.000 woningen te bouwen. In Zuidoost-Brabant lag de oorspronkelijke ambitie op ruim 3.100 woningen. Uiteindelijk zijn er zo n 1.725 woningen gerealiseerd. Hieronder het beeld voor de regio Zuidoost-Brabant. Goedkope koop OVERZICHT VASTSTELLINGEN GOEDKOPE KOOPWONINGEN REGIO ZUIDOOST BRABANT realisatie realisatie ambitie ambitie gemeente datum vaststelling aantal basis aantal plus basis plus Asten 09-jul-12 45 5 45 30 Bladel 22-mrt-12 50 85 50 30 Deurne 04-jun-12 47 0 105 69 Eersel 09-jul-12 30 43 30 20 Eindhoven 12-jul-12 539 0 604 476 Geldrop-Mierlo 09-jul-12 46 0 95 64 Gemert-Bakel 13-jul-12 75 89 75 49 Heeze-Leende 6-jul-12 26 0 55 34 Helmond 6-jul-12 148 0 285 181 Laarbeek 04-jun-12 70 0 70 44 Nuenen c.a. 11-jul-12 65 12 65 39 Oirschot 5-jul-12 38 0 40 25 Reusel-De Mierden 2-jul-12 40 33 40 25 Someren 4-jul-12 40 31 40 25 Valkenswaard 5-jul-12 31 0 65 39 Veldhoven 23-mrt-12 57 0 140 89 Waalre 6-jul-12 40 40 40 25 Totaal 1387 338 1844 1264 Totale realisatie bedraagt 1.725 bij een ambitie van 3.108 goedkope koopwoningen (55%) Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 18/25
CPO De provincie wil bereiken dat er meer woningen in Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) gebouwd worden. Bij CPO gaat het om een groep huishoudens, die zich als collectief verenigt met als doel gezamenlijk een woningbouwproject te realiseren. CPO draagt bij aan een betere match tussen vraag en aanbod, de betaalbaarheid van het wonen en het vergroten van de sociale samenhang in straat, buurt of wijk. In de afgelopen periode zijn weer 20 CPO-projecten gestimuleerd met in totaal ruim 230 woningen. Hiervoor is bijna 950.000,- beschikbaar gesteld. De provincie wil nogmaals aandacht vragen voor het collectief particulier opdrachtgeverschap. Voor de nieuwe bestuursperiode tot begin 2015 heeft de provincie opnieuw 4 miljoen ter beschikking gesteld. 3.3. Samenwerking in Regio De Regionale Woonvisie behandelt de drie thema s zoals in dit deel A besproken. Vanuit de provincie wordt daarbij nadrukkelijk ook thema wonen, welzijn en zorg als regionaal onderwerp aangemerkt. In de subregio s vinden daarnaast ontwikkelingen plaats. Zo werkt het Stedelijk Gebied Eindhoven aan vernieuwing van het BSGE-convenant. In deze vernieuwing krijgt wonen een belangrijke plaats. Ook in De Kempen en De Peel wordt ambtelijk en bestuurlijk gesproken over het beleidsthema wonen. Het poho/rro is dé plaats om elkaar te informeren over deze ontwikkelingen en afstemming te zoeken. Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 19/25
4. Opgaven 2013 Regionale woningbouwafspraken Maken van nieuwe regionale woningbouwafspraken op basis van de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. Hierbij dienen de bestaande afspraken, die in juni 2012 in het Poho / RRO gemaakt zijn voor de periode 2012 t/m 2021, een jaar opgeschoven te worden. Wonen, welzijn en zorg De regio gaat aan de slag met het verder in beeld brengen van de (sub)regionale opgave rondom beschermd, verzorgd en geschikt wonen. Gemeenten vullen daartoe in de matrices vanaf 2013 de gegevens daarover aan en verbeteren die. Daarnaast wordt de voorgestelde inventarisatie in de eerste helft van 2013 uitgevoerd. Op basis van de inventarisatie en bijgewerkte gegevens wordt een plan van aanpak door de regio opgesteld voor het realiseren van beschermd en verzorgd wonen. Arbeidsmigranten en kenniswerkers In 2012 is een inventarisatie uitgezet naar het aantal arbeidsmigranten dat in de regio verblijft en naar voorbeelden van goede huisvestingssituaties. In 2013 gaan we op basis daarvan concrete afspraken maken over de huisvestingsopgave voor de regio en per gemeente. Het is van groot belang om de kenniswerker goed te faciliteren en te informeren over huisvesting in de regio. Het optimaliseren van de informatievoorziening is hierbij een belangrijk startpunt. Speciale aandacht is nodig voor buitenlandse studenten en onderzoekers. Bestaande voorraad Belangrijk startpunt voor duurzaam vernieuwen en transformeren van bestaande voorraad is het in beeld brengen van die voorraad. Op basis daarvan kan een inschatting gemaakt worden van de grootte van de opgave. Sterkte steden en vitaal landelijk gebied Zoals de woonvisie zegt: Uiteindelijk willen we waar mogelijk kwalitatieve afspraken maken passend bij de identiteit en kwaliteit van de steden, de omliggende gemeenten én de landelijke gemeenten. Eind 2012 wordt door het SRE het actieprogramma van de Regionale woonvisie voorbereid en ingevuld. Hierin worden de nodige acties benoemd en de partijen die daarin een rol spelen. Het actieprogramma bevat de opgaven die in 2013 uitgevoerd dienen te worden en zal als zodanig onderdeel uitmaken van deze Regionale Agenda Wonen. Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 20/25
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) Provincie en SRE zullen de gemeenten informeren en ondersteunen bij de omschakeling naar de BAG. Tot het moment dat de BAG goed functioneert, zal de provincie een inventarisatie doen van de feitelijke woningbouwontwikkelingen. Beslispunt 2 Instemmen met genoemde opgaven voor 2013 Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 21/25
Bijlage 1: Notitie 100% harde plancapaciteit bij stagnerende realisatie woningbouw Provincie Noord-Brabant Memo Onderwerp 100% harde plancapaciteit bij stagnerende realisatie woningbouw Aanleiding 11 juni 2012 Begin 2012 is de nieuwe provinciale bevolkings- en woningbehoeftenprognose vastgesteld. Deze vormt de basis voor het maken van nieuwe regionale woningbouwafspraken, conform de Verordening Ruimte. In artikel 3.5. VR wordt aangegeven, dat gemeenten in hun bestemmingsplannen moeten verantwoorden hoe Telefoon de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de regionale afspraken en de bestaande harde plancapaciteit. Uitgangspunt hierbij is dat gemeenten maximaal 100% aan harde plancapaciteit (vastgestelde en onherroepelijke bestemmingsplannen) hebben voor de 10-jaarsperiode. Vanuit de praktijk blijkt het hierbij realistisch om zo n 130% aan zachte plancapaciteit te hebben om als gevolg van wijzigingen / aanpassingen tijdens bestemmingsplanprocedures uiteindelijk 100% plancapaciteit te kunnen realiseren (in de 10- jaarsperiode). Vanuit gemeenten ontvangt de provincie signalen om de sturing op de harde plancapaciteit los te laten. Een belangrijk argument dat hierbij wordt aangedragen, is dat dit een positief effect zou hebben op het oplossen van de huidige stagnatie op de woningmarkt. Deze memo gaat in op het vraagstuk van de sturing op de 100% harde plancapaciteit. En geeft aan welke standpunt de provincie heeft hierover en in relatie hiermee de woningbouwprogrammering en sturing op de woningbouwrealisatie door gemeenten. Omvang van het probleem is beperkt Uit inventarisatie blijkt, dat slechts een beperkt aantal Brabantse gemeenten te maken heeft met een harde plancapaciteit die hoger ligt dan 100%, gerelateerd aan de nieuwe provinciale prognose. Het betreft ca 20% van de gemeenten. Het grootste deel (ca. 80%) van de Brabantse gemeenten heeft géén probleem met betrekking tot hun (harde) plancapaciteit en is er nog voldoende planningsruimte (ook binnen bestaande woningbouwplannen) om flexibel in te kunnen spelen op de veranderde woningmarktomstandigheden. Op basis van onze (monitorings)gegevens en inzichten moet wel worden opgemerkt, dat de nodige gemeenten aangeven dat soms ook de zachte plancapaciteit is dichtgetimmerd in overeenkomsten met ontwikkelaars. Waarbij gemeenten het gevoel hebben hier aan vast te zitten en de betreffende plannen als hard bestempelen, terwijl er geen sprake is van planologisch-juridische hardheid. Ook dit Aan Beleidsmedewerkers wonen gemeenten Kopie aan - Datum Contactpersoon Ingrid van der Burgt Wanda Verstegen (073) 681 24 19 (073) 681 26 41 Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 22/25
heeft een groot effect op de mate van flexibiliteit van gemeenten en daarmee op de voortgang in de woningbouwproductie. Algemene lijn: niet méér maar kiezen We zitten momenteel in een shift van het oude denken over de woningbouw naar het nieuwe denken. De provincie is bezig met een Uitvoeringsagenda stedelijk gebied waarin hier nader op ingegaan wordt. Rond de zomer/najaar 2012 komt dit in de regio s aan de orde. Sommige gemeenten bewegen actief mee, in andere gemeenten ligt nog een taak om tot het besef te komen, dat de wereld van vandaag en morgen echt een andere is en om een heroriëntatie vraagt op de wijze van plannen en sturen op de woningbouw. Nog meer harde plancapaciteit betekent dat problemen worden doorgeschoven naar de toekomst en pijnlijke, maar noodzakelijke, keuzen worden uitgesteld. Het is belangrijk dat gemeenten durven deze keuzen te maken, terwijl nu met name de angst voor planschadeclaims en financieel verlies op het gemeentelijke grondbedrijf overheerst. Bij het onderzoek naar de jaarrekeningen 2010 van de 67 gemeenten in Noord-Brabant is speciaal aandacht besteed aan de grondexploitatie. Daarbij is gebleken dat veel gemeenten verlies leiden op de grondexploitatie. Gemeenten nemen hun verantwoordelijkheid door verliezen te nemen. De indruk bestaat echter, dat er in de (nabije) toekomst nog meer verliezen genomen zullen moeten worden. Daarnaast zijn er ook nog steeds gemeenten die een te optimistische kijk hebben op de toekomstige ontwikkelingen binnen de grondexploitatie. Voor de jaarrekeningen 2011 zal wederom onderzoek worden gedaan naar de grondexploitatie. Meer dan 100% harde plancapaciteit: de mitsen en maren De vraag van (sommige) gemeenten is om de sturing op de harde plancapaciteit los te laten. Ofwel, om meer dan 100% harde plancapaciteit toe te staan. Hierbij is een aantal kanttekeningen te maken: - Meer harde plancapaciteit betekent dat een gemeente voor de komende 10, 15 of 20 jaar alles vast heeft zitten in plannen; alle flexibiliteit die kwalitatief en ruimtelijk hard nodig is, is daarmee weg. - De ervaring leert dat meer harde plancapaciteit niet tot meer woningbouw leidt. Een veelheid aan plannen leidt eerder tot stagnatie, de zogenaamde woningmarktparadox. - Het niet bouwen heeft deels te maken met de kwaliteit van het programma. Als het programma op een bepaalde locatie nu niet de juiste kwaliteit biedt, geldt dit waarschijnlijk ook voor de (nabije) toekomst. De woningmarkt beweegt immers zo is de stellige indruk naar andere tijden. - Meer harde plancapaciteit toestaan in een gemeente zet druk op het regionale proces. De provincie kiest om regionale woningbouwafspraken te maken en geen bilaterale. - Meer harde plancapaciteit betekent dat een gemeente met overcapaciteit wordt beloond terwijl zij nog in het oude denken verkeert. - Het doorschuiven van het probleem maakt het probleem ook groter, aangezien er op termijn een minder grote woningbouwopgave ligt gelet op de demografische ontwikkeling. In de landelijke gebieden gaat de demografische omslag over het algemeen sneller dan in het stedelijk concentratiegebied. Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 23/25
Kortom, het nu loslaten van de sturing op de 100% harde plancapaciteit ziet de provincie niet als oplossing van de problematiek van de stagnerende woningbouw. We willen niet dat gemeenten elkaar 'kannibaliseren' door allemaal meer dan 100% harde plancapaciteit te hebben. Welke mogelijkheden ziet de provincie wel? - Herverdeling via regionale woningbouwafspraken (binnen het regionale programma): dit betekent herverdelen van de aantallen binnen de betreffende (sub)regio en hierover regionale woningbouwafspraken maken in het RRO. De bereidheid hiertoe van gemeenten is tot nu toe (zeer) gering. Zolang we meer ruimte blijven bieden, wordt deze bereidheid ook niet groter. - Intrekken van onherroepelijke plancapaciteit: een optie die voor gemeenten veelal (nog) niet haalbaar lijkt uit angst voor claims, maar wel ruimte biedt om nieuwe, kwalitatief betere plannen hard te maken. In feite worden hiermee in het programma keuzes en kwaliteitsslagen gemaakt. Bij claims van bouwers kan afgevraagd worden, hoe reëel deze claims zijn, zeker als er geen behoefte is aan de geplande woningen en als gevolg daarvan er ook niet gebouwd wordt. De ontwikkelaar heeft dan ook belang om te bezien of een andere invulling mogelijk is. - Omkatten van de kwalitatieve invulling van harde plancapaciteit: een herziening van een reeds vastgesteld bestemmingsplan is een relatief snellere procedure dan een geheel nieuw bestemmingsplan opstellen. - Raadsbesluit niet realiseren harde plancapaciteit eerste 10-jaarsperiode: de gemeente neemt hierbij een raadsbesluit waarin zij aangeeft welke concrete locaties die thans in harde plancapaciteit zijn opgenomen, de eerste tienjaarsperiode niet worden gerealiseerd. Dit kan uitsluitend locaties betreffen waar de gemeente zelf sturingsmogelijkheden heeft (gemeentelijke grondpositie e.d.). Het raadsbesluit vormt de basis voor regionale woningbouwafspraken in het RRO. De laatste mogelijkheid lijkt wat ruimte te bieden op korte termijn. Het is echter zeer de vraag of gemeenten, woningbouw en bovenal de woonconsument hierbij echt gebaat zijn en het niet tijd is voor het maken van keuzes en het nemen van het verlies nu, zoals in de eerste drie opties is geschetst. Wat de provincie wil doen I actief het gesprek aangaan met gemeenten die tegen of over de 100% harde plancapaciteit aanzitten. Met de meeste van deze gemeenten zijn al (bestuurlijk) gesprekken gevoerd. De inzet van de gesprekken is primair gericht op het stimuleren van de subregionale woningbouwafspraken, herprogrammering en het omkatten. De laatste optie, raadsbesluit langer dan tienjaarsperiode, komt pas daarna aan de orde. Per gemeente wordt gewerkt naar een maatwerkoplossing, die kan bestaan uit meerdere opties. II actief bestuurlijk uitdragen van voorgestelde lijn in deze notitie in RRO en B5-verband, en in samenhang met de uitvoeringsstrategie stedelijk gebied. We dragen als provincie bestuurlijk en ambtelijk één duidelijke lijn uit. Gemeenten worden daarmee gestimuleerd om aan de slag te gaan met de herprogrammering en het maken van regionale afspraken, indien nodig. Het gesprek over de herprogrammering kan met de regio verder worden opgepakt in de werkgroepen wonen: aangaan van gesprekken met ontwikkelaars, afboeken van grondexploitaties, overeenkomsten kritisch bekijken en zo nodig openbreken etc. De Regionale Agenda Wonen Deel A, januari 2013 24/25
herprogrammering en de keuzen die gemeenten daarin maken, is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Samengevat De omvang van het probleem is beperkt tot een aantal gemeenten. Algemene lijn: niet méér, maar kiezen. Dit betekent dat vooral ook om meer flexibiliteit in het programma te krijgen er niet moet worden opgeplust, maar dat gemeenten (in (sub)regionaal verband) worden aangezet om keuzen te maken: kwantitatief herprogrammeren (schrappen, faseren en/of prioriteren) en kwalitatief omkatten (inspelen op de veranderende vraag van de woonconsument). Alle afspraken verankeren in RRO. Wanneer bilaterale afspraken tussen gemeente en provincie nodig zijn (bestuurlijk maatwerk), dan dienen deze vervolgens verankerd te worden in het RRO. Regionale Agenda Wonen deel A, 28 november 2012 25/25