Module 1 Zelfkennis en zelfontwikkeling Hoofdstuk 3 Je kent je stijl en vaardigheden Inhoud 3.1 Ontdek jouw stijl en vaardigheden Opdracht 1 Welke beroepsvaardigheden overheersen? Opdracht 2 Hoe uniek ben jij? Opdracht 3 Wat zijn jouw talenten? 3.2 Jouw leerstijl Opdracht 4 Inventarisatie leerstijlen. Welke voorkeur heb jij? 3.3 Jouw werkstijl Opdracht 5 Welke uitspraken horen bij welke werkstijl? Opdracht 6 Test je werkstijl 3.4 Jouw communicatiestijl Opdracht 7 Ben je zelfverzekerd? Opdracht 8 Hoe sterk ben jij in communicatie? Opdracht 9 Beoordeel je eigen luistervaardigheid 3.5 Eerste SWOT-analyse Opdracht 10 SWOT- analyse. Wat betekent dit voor jouw leren & Loopbaan? Bijlagen 1 Leerstijlen 2 Werkstijlen 1
Opdracht 1 Vaardigheden Welke (beroeps)vaardigheden heb jij? Werk je het liefst met mensen? Of bewerkt je liever gegevens? Of werk je liever met technische toepassingen (apparaten)? Beroepsvaardigheden. Wat kun je? Wat beheers je? Kruis aan. Kruis aan in het overzicht de vaardigheden die bij jou passen. Noteer je hoogste scores in het volgende overzicht 1=onvoldoende; 2=kan beter; 3=voldoende; 4=goed A Werken met mensen= De mens-mens B Gegevens bewerken= De informatiemens C Werken met technische toepassingen= De dingenmens Contact leggen Verzamelen Bedienen Informeren Registreren Besturen Inschatten Coderen Bewerken Begeleiden Vergelijken Maken Helpen Samenvatten Monteren Verzorgen Berekenen Repareren Instrueren Onderzoeken Tekenen Overtuigen Analyseren Ontwerpen Motiveren Beoordelen Construeren Onderhandelen Interpreteren Vormgeven Leiden Rapporteren Onderhouden Totaal score A Totaal score B Totaal score C b. Overzicht beroepsvaardigheden Geef concrete voorbeelden van (beroeps) vaardigheden die jou goed afgaan. Beroepsvaardigheden A Werken met mensen De mens-mens Voorbeelden van wat ik goed kan, zijn: B Gegevens bewerken De informatiemens 2
C Werken met technische toepassingen De dingenmens Opdracht 2 Unique selling points Wat maakt jou uniek? Om daar achter te komen hoef je alleen maar antwoord te geven op de volgende vragen: a. In welke opzichten vind ik mezelf uniek? b. Welke (combinatie van) talenten maken mij uniek? c. Welke kennis en vaardigheden maken mij uniek? d. Waaruit blijkt mijn uniekheid in het werk? Tijdens mijn studie? Thuis? In mijn vrije tijd? Opdracht 3 Wat zijn jouw talenten? 1 = Talenten waar jij je helemaal niet in herkent 2 = Talenten waar jij je een beetje in herkent 3 = Talenten waar jij je helemaal in herkent I Kruis aan wat voor jou van toepassing is Ik ben/kan/heb: 1 2 3 Ik ben/kan/heb: 1 2 3 Besluitvaardig (O) Flexibel (P) Goed communiceren (R) Durf (V) Ambitieus (P) Abstract denken (A) Nieuwsgierig (V) Inlevingsvermogen (R ) Oplossingsgericht (O) Beschouwend (A) Genuanceerd ((A) Ondernemend (V) Zelfverzekerd (P) Innemend (R ) Fantasievol (V) Praktisch (O) Goed leren (A) Optimistisch (P) Zorgzaam (R) Visionair (V) Overtuigend (R) Analytisch (A) Competitief (O) Veel ideëën (V) Samenwerken (R) Een doorzetter (P) Bedachtzaam (A) Daadkrachtig (O) Humoristisch (P) Origineel (V) Organiseren ( (O) Kritisch (A) Leergierig (P) Sensitief (R ) Veelzijdig (V) Prestatiegericht (O) Zorgvuldig (A) Tactvol (R ) Vasthoudend (O) Stressbestendig (P).. 3
II Maak uit C (eventueel ook uit B) een top-10 van jouw grootste talenten en vul ze in de eerste kolom onder. NB: Vergeet de letters niet achter de talenten op te schrijven! III Kies de 10 vaardigheden waarmee je op dit moment het meeste doet ( ook als ze niet in jouw persoonlijke top-10 staan) en vul deze in de middelste kolom. IV Kies ook een top-10 van de talenten waarvan je het meest enthousiast wordt of die je de meeste energie geven als je ze kunt inzetten en vul deze in de derde kolom Mijn grootste Talenten (1) Mijn meest gebruikte talenten (2) Talenten die me blij Maken (3) V Vergelijk nu de drie rijtjes. Zit er overlap tussen de kwaliteiten die je veel gebruikt en kwaliteiten waar je blij van wordt? Of maak je veel gebruik van talenten waar je helemaal niet zo enthousiast van wordt? VI Kijk nu naar de Letters gekoppeld aan de talenten. Welke letter komt het meest voor in jouw top-10 van talenten waar je blij van wordt en die je energie geven, jouw Kerntalenten? Kijk op de volgende pagina wat de vijf Letters betekenen en op welk gebied jouw kerntalenten liggen. 4
A = Analytische talenten Deze komen goed tot hun recht in situaties waarin een oordeel moet worden gevormd of als er problemen moeten worden geanalyseerd. Mensen met veel van deze talenten zijn vaak goed in schrijven. R = Relationele talenten Heb je veel van deze talenten, dan ben je op je best in menselijke contacten. Je kunt goed luisteren, coachen en netwerken en je kunt anderen goed overtuigen. O = Organisatietalenten Mensen die veel van deze letters verzamelen, zijn goed in managemen, knopen doorhakken en zaken afmaken. V= Vernieuwingstalenten Als je veel vernieuwingstalent hebt, ben je een creatieve denker die zijn ideeën ook durft vorm te geve, bijvoorbeeld door een eigen bedrijf te beginnen. P = Persoonlijke talenten Mensen die meerdere van deze persoonlijke kwaliteiten hebben, kunnen het op veel fronten ver schoppen. Deze talenten helpen je eigen lijk bij alles wat je aanpakt. VII Vergelijk nu ook de letters van de talenten die je het meest gebruikt met die van de talenten waar je energie van krijgt. Wat valt je op? Hoe kun je zorgen dat je meer gaat doen met de talenten die je blij maken? VIII Kies een talent waar je meer mee wilt doen. bedenk hoe je in de komende tijd dit talent meer ruimte kunt geven. Bron: Psychologie, 2009 5
3.2 Jouw leerstijl Opdracht 4 Inventarisatie van leerstijlen Doel is een beschrijving te geven van hoe je bij voorkeur leert. Bij het invullen van deze lijst moet je een hoog cijfer toekennen aan die omschrijving die het best jouw manier aangeeft. Wellicht is het moeilijk om te kiezen, omdat er geen goede of slechte antwoorden zijn. Je kunt bij het invullen denken aan recente situaties waarin je iets nieuws leerde, bijvoorbeeld het leren van een computerprogramma, het in elkaar zetten van een Ikea kast of het leren van een nieuw hoofdstuk over Economie. De inventarisatielijst bestaat uit twaalf zinnen die elk op vier verschillende manieren worden afgemaakt. Breng bij elke zin, de volgende rangorde aan± 4 punten: die het meest van toepassing is, het beste bij jou past; 3 punten: die daarna het meest van toepassing is, daarna het beste bij jou past 2 punten: die daarna het meest van toepassing is, daarna het beste bij jou past 1 punt: die het minst van toepassing is, het minste bij jou past 1. Als ik leer wil ik het liefste a. mijn gevoel daarin betrekken b. Ideeën vormen en daarover nadenken c. iets doen d. kijken en luisteren 2. Ik leer het beste wanneer ik. nauwkeurig observeer (waarneem) b. vertrouw op logisch nadenken c. vertrouw op mijn gevoelens en ingevingen d. hard werk om dingen voor elkaar te krijgen 3. Als ik aan het leren ben a. neig ik tot doorredeneren (doordenken) van dingen b. ga ik op een verantwoordelijke manier te werk c. ben ik rustig en gereserveerd d. heb ik sterke gevoelens en grote betrokkenheid 4. Ik leer door a. te voelen b. te doen c. te observeren (waarnemen) d. te denken 6
5. Als ik leer a. sta ik open voor nieuwe ervaringen b. kijk ik naar kwesties vanuit verschillende invalshoeken c. analyseer ik dingen, om ze uiteen te rafelen d. probeer ik vooral dingen uit 6. Als ik aan het leren ben, ben ik a. een observerende persoon b. een actieve persoon c. een intuïtieve persoon d. een logisch (denkend) persoon 7. Ik leer het meest van a. observatie (waarneming) b. persoonlijke relaties c. rationele theorieën ( theorieboek en begrippen) d. het uitproberen en oefenen 8. Als ik leer a. wil ik graag resultaten zien van mijn werk b. stel ik ideeën en theorieën op prijs c. neem ik de tijd voordat ik iets doe d. voel ik me persoonlijk betrokken 9. Ik leer het beste wanneer ik a. op mijn waarnemingen vertrouw b. op mijn gevoelens vertrouw c. dingen zelf uit kan proberen d. op mijn ideeën vertrouw 10. Als ik leer ben ik vooral a. gereserveerd b. ontvangend ( open voor nieuwe informatie) c. verantwoordelijk d. rationeel ( logisch denkend) 11. Als ik leer a. raak ik betrokken b. observeer ik graag c. evalueer ik dingen d. ben ik graag actief 12. Ik leer het beste wanneer ik a. ideeën analyseer b. ontvankelijk (open sta) en onbevangen ben c. voorzichtig ben d. praktisch ben 7
Neem de gevonden antwoorden over in de volgende lijsten en tel ze op. 1a. 1d. 1b. 1c. 2c. 2a. 2b. 2d. 3d. 3c. 3a. 3b. 4a. 4c. 4d. 4b. 5a. 5b. 5c. 5d. 6c. 6a. 6d. 6b. 7b. 7a. 7c. 7d. 8d. 8c. 8b. 8a. 9b. 9a. 9d. 9c. 10b. 10a. 10d. 10c. 11a. 11b. 11c. 11d. 12b. 12c. 12a. 12d. Totaal Totaal Totaal Totaal C.E. B.O. A.C. A.E. 1 Neem de eindgetallen (Totalen) van de vier lijstjes over op het cirkeldiagram hieronder. Kruis het betreffende getal op de bijbehorende as. 2 Verbind nu de gevonden punten rechtlijnig met elkaar. 3 Arceer het vierzijdige vlak dat zo ontstaat. De vorm en de plaatsing van het gearceerde vlak vertoont je in een oogopslag welke leerstijlen je het meest respectievelijk het minst gebruikt, volgens jezelf. De afkortingen staan voor de vier assen bij Kolb s leerstijlen. C.E. = concrete ervaring ( concreet leren, voelen) B.O. = beschouwende observatie ( reflectief leren, waarnemen) A.C. = abstract conceptualiseren (abstract leren, ontwikkelen van kennis, theorieën) A.E. = actief experimenteren ( cctief leren, doen, uitproberen) 8
DOENER BEZINNER BESLISSER DENKER Je kunt nu ook nagaan wat jouw voorkeursstijl is. Je kunt de volgende getallen becijferen: - weten versus kennen : AC CE =.. - naar buiten versus naar binnen gericht : AE BO = Vul deze twee getallen in op de assen van de volgende figuur en bepaal een punt in het assenkruis, opgespannen door de twee punten op de assen. Het kwadrant waarin dit punt zich bevindt is je voorkeursleerstijl. Naarmate je verder van het midden zit zal je voorkeursleerstijl meer uitgesproken zijn. Als je juist dichter bij het centrum van het assenkruis scoort, zou het kunnen dat je flexibel bent en alle vier de verschillende leerstijlen gemakkelijk kunt inzetten. 9
Doener Bezinner Beslisser Denker Reflectieopdracht Beschrijf wat je van je eigen leerstijl vindt. Herken jij je in deze stijlen? Lees eerst beschrijving van je eigen leerstijl in bijlage 1. 10
3.3 Jouw werkstijl Opdracht 5 Een discussie in een projectgroep over de voortgang van het project. Er is enige onenigheid. Welke uitspraken horen bij welke werkstijl? 1 Laten we ophouden met het gekissebis. Let s go to work. 2 Ik wil dat zeker voor je doen, maar ik wil eerst weten wat het precies inhoudt en hoeveel tijd het gaat kosten, want dan kan ik het goed plannen. 3 We hebben nu uren gepraat en wat is er uitgekomen: niets! 4 Ik heb toch iets leuks meegemaakt, kom, ga even zitten dan vertel ik het je meteen. 5 Oké, dan gaan we spijkers met koppen slaan: ik verdeel de taken. 6 Volgens de huidige procedure is de gekozen werkwijze niet toelaatbaar. 7 Rustig aan, we komen er wel uit, als we maar even de tijd nemen. Werkstijl Doe-stijl Bewaak-stijl Praat-stijl Denk-stijl Bijbehorende uitspraken 11
Opdracht 6 Wat is jouw werkstijl? Deze opdracht gaat over werkstijlen. De vraag is hoe jij je gedraagt in werksituaties bij het aanpakken en uitvoeren van taken. Met andere woorden: Wat is jouw stijl van werken? Denk bij deze opdracht aan activiteiten waarin je met anderen samenwerkt. Denk na over hoe jij je in situaties meestal opstelt. Zet een kruisje voor die bewering die het meest typerend is voor jouw werkgedrag (A of B). Het kan voorkomen dat zowel de A- uitspraak als de B- uitspraak niet zo kenmerkend is voor je gedrag. Kies dan toch de bewering die het dichtst bij je eigen werkgedrag ligt. Wat zijn mijn werkstijlen? 1A 1B 2A 2B 3A 3B 4A 4B 5A 5B 6A 6B 7A 7B 8A 8B 9A 10B 11A 11B Ik werk accuraat en precies Ik heb overtuigingskracht Ik ben doortastend in acties en besluiten Ik kan goed met en via anderen werken Ik oefen graag controle uit Ik kan goed luisteren Ik ben competitief en wedijverend Ik houd van een heldere structuur Ik neem spontaan acties en besluiten Ik ben perfectionistisch en diplomatiek ( tactvol) Ik ben pragmatisch (praktisch) ingesteld Ik wil het resultaat bewaken Ik houd van duidelijke en heldere communicatie Ik werk bedachtzaam en consequent Ik hou rekening met anderen Ik houd ervan problemen zelfstandig op te lossen Ik spoor anderen aan om resultaten te behalen IK kan gelijktijdig aan verschillende opdrachten werken Ik inspireer mensen Ik speel flexibel in op veranderingen 12
12A 12B 13A 13B 14A 14B 15A 15B 16A 16B 17A 17B 18A 18B 19A 19B 20A 20B 21A 21B 22A 22B 23A 23B 24A 24B Ik neem weloverwogen beslissingen IK werk bij voorkeur zonder direct toezicht Ik probeer het probleem van de ander te begrijpen Ik leg gemakkelijk contacten met derden Ik heb discipline. Ik ben tegen tijdsdruk bestand Ik ben weloverwogen in acties en besluiten Ik werk snel en enthousiast Ik houd van uitdagingen Ik heb behoefte aan ondersteuning Ik neem beslissingen als ik over alle gegevens beschik Ik neem goed doordachte beslissingen Ik neem weloverwogen beslissingen Ik neem beslissingen na overleg met anderen Ik houd ervan om met mensen te communiceren Ik houd ervan om duidelijke afspraken te maken Ik werk consequent volgens kwaliteitseisen Ik houd van efficiënt en gemotiveerd werken Ik neem resoluut beslissingen Ik motiveer anderen tot het nemen van beslissingen Ik voer mijn activiteiten volgens plan uit Ik neem snel initiatieven voor nieuwe acties Ik vraag advies om effectief te handelen Ik volg beproefde methoden om iets aan te pakken Ik bespreek nieuwe activiteiten met anderen Ik controleer de voortgang van het werk Bron: Succesvol werken aan je competenties, Ton Rijkers, blz.66 Bepaal je werkstijl. Zet hieronder een kruisje bij de A of B die je op het item hebt gescoord. Of markee de letter. Tel daarna het aantal kruisjes (of gemarkeerde letters) per kolom op. 13
1 B A 2 A B 3 A B 4 A B 5 A B 6 B A 7 B A 8 B A 9 A B 10 A B 11 A B 12 B A 13 B A 14 B A 15 B A 16 A B 17 B A 18 A B 19 A B 20 B A 21 A B 22 B A 23 A B 24 B A Totaal Werkstijl D I S C Dominantie Invloed Stabiliteit Conformiteit Welke werkstijl overheerst? -------------------------------------------- 14
Teken het profiel van je werkstijl (verbind de punten met rechte lijnen tot een grafiek) 12 11 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 D I S C Uitleg werkstijlen Er zijn vier werkstijlen: D = dominant: Je bent direct, krachtig en besluitvaardig. Je handelt snel. Je hebt een uitgesproken mening. Je houdt van actie. Je houdt ervan leiding te nemen, problemen aanpakken. I = Invloed: Je bent iemand die graag invloed uitoefent. Je hebt gevoel voor mensen. Je brengt mensen op een lijn. Je kunt op een goede manier met en via anderen werken. S = Stabiliteit Je bent overwegend een stabiel persoon. Je houdt ervan met anderen samen te werken. Je wilt bij de groep horen. Je bent geduldig, loyaal en bereid te luisteren. C= Conformiteit Je werkt zorgvuldig en je eist kwaliteit. Je houdt van (je eigen) normen. Je kunt nauwkeurig, accuraat en precies werken. Je kunt goed werken in duidelijke structuur. Reflectie Beschrijf wat je van je eigen werkstijl vindt. Herken jij je in deze stijlen? Voor verdere informatie over werkstijlen: zie bijlage 2 15
3.4 Jouw communicatiestijl Hoe is jouw communicatiestijl? Bij communicatie gaat het om allerlei zaken die met je houding en met je sociale vaardigheden te maken hebben, o.a. - zelfvertrouwen hebben/zelfverzekerd zijn - respect hebben voor anderen - eerlijk zijn - open staan voor anderen - goed kunnen luisteren Een aantal oefeningen Opdracht 7 Hoe zelfverzekerd ben jij? Laat jij je snel uit het veld slaan of ben je de nuchterheid zelf? Kies bij elke vraag het antwoord dat het best bij je past. Probeer je bij iedere vraag in de geschetste situatie te verplaatsen. Maak altijd een keuze. 1. Heb je wel eens gewenst dat je iemand anders was? a. Regelmatig b. Soms c. Nooit 2. Je moet op je werk een presentatie geven voor het voltallige personeel. Wat doe je? a. Ik meld me ziek; dit kan ik niet aan. b. Ik dek mij op voorhand in door te zeggen dat ik slecht voorbereid ben. c. Ik kijk ernaar uit; men zal onder de indruk zijn van mijn visie en voorkomen. 3. Er is een vliegtuigramp gebeurd. Je gaat volgende week met vliegvakantie. Wat doet je? a. Ik annuleer mijn vakantie. Ook al moet ik alles betalen. b. Ik annuleer alleen mijn vakantie als ik mijn geld kan terugkrijgen. c. Statistisch is vliegen de veiligste reismethode. Ik ga lekker met vakantie. 4. Iemand heeft het over jouw collega; hoe slim, mooi en aardig deze wel niet is. Bent je jaloers? a. Vreselijk! Ik kan die ander niet uitstaan. b. Een beetje. Ik zou wel iets meer op hem/haar mogen lijken. c. Nee hoor; ik ben ook heel leuk, slim en knap. 5. Je hebt je vakantiefoto s opgehaald. Haal jij de foto s waar je slecht op staat eruit voordat je ze aan anderen laat zien? a. Ja, en bij de andere foto s retoucheer ik een en ander weg. b. Alleen de allerergste gooi ik weg. c. Nee. Ik ben heel fotogeniek en sta overal leuk op. 16
6. Pas jij je gedrag en je uiterlijk aan mensen in jouw omgeving aan? a. Heel vaak. b. Soms, maar vooral bij zakelijke ontmoetingen of een speciaal feestje. c. Nooit. Ik ben zoals ik ben en dat is goed. 7. Hoe gedraag jij je op een feestje waar je bijna niemand kent? a. Ik ben het bekende muurbloempje. b. Ik kijk even de kat uit de boom en meng me dan in het gezelschap. c. Ik voer het hoogste woord. 8. Wat voor cijfer zou jij jezelf geven? a. Een vier of een vijf. b. Een zeven of een acht. c. Een negen; ik ben net niet perfect. 9. Je hebt je jaarlijkse beoordelingsgesprek op je werk. Wat verwacht je van dat gesprek? a. Kommer en kwel. Ik ben bang dat ik het niet goed heb gedaan. b. Wat opbouwende kritiek, maar niets ernstigs. c. Ik denk dat ik overladen word met complimenten; mijn werk is erg goed. 10. Een vriend wijst jou op je slechte eigenschappen. Hoe reageer je? a. Ik sluit me drie dagen op in mijn huis en balanceer op het randje van depressie. b. Met sommige dingen heeft hij gelijk; ik ben nu eenmaal niet perfect. Wie wel? c. Die jongen praat echt onzin. 11. Welke van de drie volgende eigenschappen is het meest op jou van toepassing? a. Zorgelijk b. Bewogen c. Nuchter 12. Je hebt een heftige discussie met een vriend. Wat denkt je? a. Hij is wel erg overtuigd van zijn gelijk. Ik zal er wel naast zitten. b. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen... c. Hij zal uiteindelijk inzien dat ik gelijk heb. Omdat ik altijd gelijk heb. 17
Puntentelling: Elk antwoord met een c is twee punten waard, een b is 1 punt waard en een a 0 punten. De uitslag: Hoe groot is jouw zelfvertrouwen? 8 punten of minder: Je bent vrij onzeker. Je hebt een laag zelfbeeld en wordt geplaagd door twijfels en onzekerheden. Misschien komt dat door een bepaald aspect, bijvoorbeeld je voorkomen of intelligentie, maar het kan ook zijn dat je over de hele linie het gevoel hebt dat je een beetje minderwaardig bent. Dat is jammer, want misschien voel je je vaak jaloers of ga je zelfs liegen om jezelf beter voor te doen. Realiseer je dat niemand perfect is. Bovendien belemmert die onzekerheid je in een heleboel dingen. Kop op: ook je hebt een heleboel goede eigenschappen. Als je dat wat meer uitstraalt en probeert wat positiever te denken over jezelf, zul je zien dat je je beter gaat voelen! 9 tot en met 15 punten: Je zit over het algemeen lekker in je vel. Natuurlijk, soms twijfel je wel eens aan jezelf. Logisch, iedereen heeft wel eens een slechte dag en als je kritiek krijgt, is het normaal daar even bij stil te staan. Probeer daar niet onzeker van te worden en bedenk dat niemand perfect is. Het kan bijvoorbeeld helpen om dingen te doen waarvan je denkt dat je ze niet kan: opslag vragen aan de baas, een presentatie houden of je op een feest met onbekenden in het gezelschap mengen. Je zult ontdekken dat je veel meer kunt dan u denkt. 16 of meer punten: Iedereen aan de kant, want je komt eraan! Aan zelfvertrouwen ontbreekt het je niet. Integendeel, je houdt van jezelf. Je bent geweldig en niemand kan je van het tegendeel overtuigen. Je bezit innerlijke kracht en gelooft dat je elke situatie aan kunt. Je bent uit het juiste hout gesneden. Natuurlijk heb je ook wel eens een mindere dag maar dat tast je zelfvertrouwen niet aan. Of je nu echt zo geweldig bent of niet, dankzij jouw zelfvertrouwen sla jij je overal goed doorheen en straal jij dat ook uit. Prima. Het enige waar je voor uit moet kijken, is dat je niet te arrogant overkomt. Probeer een beetje bescheiden te blijven zo nu en dan; als mensen ergens een hekel aan hebben is het arrogantie! Bron: J/M maart 2007 18
Opdracht 8 Praten en luisteren. Hoe sterk ben jij in je communicatieve vaardigheden? Geef jezelf de volgende punten: 1 = meestal het geval 2 = tamelijk vaak 3 = soms 4 = zelden 5 = vrijwel nooit Uitspraken 1 Als ik nieuwe mensen ontmoet, ben ik vooral bezig met het plannen van mijn antwoord in plaats van te luisteren naar wat ze zeggen. 2 De meeste mensen die ik spreek, vind ik nogal saai. 3 Ik vind het nogal moeilijk om te netwerken met andere mensen. 4 In een groep heb ik niet het gevoel dat mijn bijdragen veel invloed hebben. 5 Ik ga vaak ruziën met mensen die mijn standpunt niet delen. 6 Ik klink wel eens afwerend als mensen mij negatieve feedback Geven. 7 Ik let meer op iemands woorden dan op zijn non-verbale signalen. 8 Ik zeg het meteen tegen mensen als ze ergens slecht in zijn. 9 Mensen lijken niet te horen wat ik zeg. 10 Ik voel me niet op mijn gemak in sociale situaties of als ik in een Groep moet werken. 11 Ik vind het moeilijk om een goede indruk te maken tijdens een sollicitatiegesprek. 12 Ik vind het bijna onmogelijk om iemand niet te onderbreken als hij of zij iets zegt dat waardoor ik een fantastisch idee krijg. Score Totaal: 40 punten zou een goede score zijn. 19
Opdracht 9 Je eigen luistervaardigheid beoordelen Geef voor elk onderdeel aan hoeveel aandacht je eraan besteedt. Het doel van deze oefening is dat je je bewust wordt van je eigen luistervaardigheden Geef jezelf de volgende punten: 1 = gewoonlijk het geval 2 = tamelijk vaak 3 = soms 4 = zelden 5 = vrijwel nooit Onderdelen luisteroefening 1 Je schort je oordeel op ( dus niet direct oordelen) 2 Je concentreert je op de spreker 3 Je let op lichaamstaal 4 Je onderbreekt zo min mogelijk 5 Je vraagt verduidelijking 6 Je merkt gevoelens op 7 Je laat stiltes toe 8 Je stimuleert en draagt dingen aan 9 Je geeft zo min mogelijk je mening 10 Je draagt geen oplossingen aan Totaal Score 20
3.5 Een eerste SWOT-analyse Opdracht 10 De SWOT-analyse Werk dit persoonlijke SWOT-analysemodel uit en koppel deze aan Leren & Loopbaan (opleiding/werk). Sterke punten Zwakke punten Kansen Bedreigingen 21
Bijlage I - Leerstijlen Leerstijl: bezinner/observator Als je leert volgens deze leerstijl ben je gericht op concrete informatie. Een bezinner/waarnemer heeft veel verbeeldingskracht. Je leert veel door te kijken naar en na te denken over gebeurtenissen in de praktijk en te luisteren naar ervaringen van anderen. Je wilt je graag betrokken voelen bij het onderwerp waarover je leert en dat gaat makkelijker als je ziet wat dit onderwerp in de praktijk betekent. In brainstormsessies ben je op je best. Ideeën heb je zat. Je favoriete vraag is: Wat gebeurt er dan, en waarom? Advies: Ga op zoek naar concrete voorbeelden zodat je je beter kunt voorstellen wat een onderwerp waarover je leert in de praktijk betekent. Maar besef wel dat een voorbeeld ook maar een stukje van de werkelijkheid laat zien. Je hebt ook algemene theorieën en regels nodig om iets van de complexe realiteit te begrijpen. Samenwerken met een denker of een beslisser kan je helpen om je ook de theorie wat eigen te maken. Optimale leeromgeving - ruimte om ervaringen en gevoelens te uiten - tijd om ervaringen te verwerken - mogelijkheden om de groep te leren kennen en gedachten uit te wisselen - veilige benadering - visuele presentatie van de leerstof Leerstijl: Denker Als je leert volgens deze leerstijl houd je ervan je te verdiepen in informatie en theorieën. Logica, nauwkeurigheid en denken in heldere abstracte begrippen staan voorop. Je wilt graag weten wat de deskundigen erover denken. Bij een nieuw onderwerp wil je het liefst eerst zelf de gelegenheid krijgen je op het onderwerp te oriënteren door erover te lezen, dingen te bekijken en erover na te denken. Je bent minder geïnteresseerd in mensen, meer in abstracte concepten. Je werkt het Je favoriete vraag is: Wat is erover bekend? Advies: Blijf niet steken in de theorie en verzoen je met de gedachte dat van lang niet alle verschijnselen een eenduidige oorzaak is aan te geven. Ook als je de theorie nog niet helemaal door hebt, is het goed te onderzoeken wat je er mee doen kunt. Ga oefenen en laat je daarbij leiden door een dosis gezond verstand. Het gaat niet alleen om weten en begrijpen, maar ook om het kunnen gebruiken. Misschien helpt het je om eens samen te werken met een beslisser of met een beschouwer. Optimale leeromgeving - duidelijke doelen en helder programma - gelegenheid om naar achtergronden te vragen - confrontatie met complexe vraagstukken 22
- orde en rust - tijd om zelf met de stof bezig te zijn en deze in eigen kaders te plaatsen Leerstijl: Beslisser Als je leert volgens deze stijl wil je graag dat iemand jou de theorie en de regels leert en aangeeft hoe je die toe moet passen. Je hebt er plezier in binnen een duidelijke structuur concreet aan het werk te zijn. Je vindt het prettig om theoretische begrippen en modellen als uitgangspunt te hebben en daarmee te werken. Je zoekt direct naar praktische toepassingen van ideeën. Je focust je het liefst op een specifiek probleem en je belangstelling gaat meer uit naar dingen dan naar mensen. Je wordt graag geconfronteerd met problemen waar een juiste oplossing voor gezocht kan worden. Je werkwijze bij voorkeur is doelgericht en planmatig. Je favoriete vraag is: Hoe zit het in elkaar en wat kun je ermee doen? Advies: Met deze stijl loop je het risico alleen volgens het boekje te werk te gaan. De praktijk is vaak net iets anders en je hebt dan je eigen creativiteit en flexibiliteit nodig om problemen in de praktijk op te lossen. Ga op zoek naar concrete praktijksituaties en kijk eens hoever je daar komt met de theorie en regels die je geleerd hebt en onderzoek wat je nog méér nodig hebt. Werk eens samen met een doener of een beschouwer. Optimale leeromgeving - duidelijke rode draad in de stof - gelegenheid om zelf praktische conclusies te trekken - duidelijke relatie tussen leerstof en de eigen praktijk - technieken en aanwijzingen om problemen zelf op te lossen - gelegenheid om met zelf bedachte oplossingen te experimenteren Leerstijl: Doener Als je leert volgens deze stijl, leer je door vallen en opstaan en door zelf te ontdekken. Je past je gemakkelijk aan veranderingen. Je houdt van afwisseling en je bent goed in onverwachte situaties. Je neemt geregeld risico's. Intuïtief kom je vaak tot de juiste oplossing. Jouw kracht ligt in de uitvoering van plannen, experimenteren en jezelf in nieuwe ervaringen storten. Een doener raakt graag betrokken bij een proces en voert graag plannen uit. Je kunt je vrij snel aanpassen aan specifieke en concrete situaties.je voelt je op je gemak met mensen, soms ben je ongeduldig en doordouwerig. Je favoriete vraag is: Wat kunnen we hiervan maken? Advies: Hoewel je intuïtief dikwijls de goede antwoorden weet te geven, wordt er wel van je verwacht dat je ook kunt uitleggen op grond waarvan je antwoord juist is. Neem tijdens het leren de tijd om achter de betekenis van de begrippen te komen en wees daarbij kritisch. Let daarbij op de verbanden tussen de begrippen en houd de verschillen en overeenkomsten goed in de gaten. Prent algemene regels goed in je hoofd, ook door ze veelvuldig te gebruiken. Misschien helpt het je om eens samen te 23
werken met een denker of een beschouwer. Optimale leeromgeving - uitdagende en spanningsvolle situaties, die om keuzes vragen - veel afwisseling in werkvormen - plaats voor humor, plezier en ontspanning - feedback op eigen actie - sfeer en contact is belangrijk - vrijheid om snel te reageren 24
Bijlage 2- Werkstijlen Stijlkenmerk: Dominantie (D) Als dominante persoonlijkheid ben je gemakkelijk te herkennen. Je bent direct, krachtdadig en besluitvaardig. Je spreekt en handelt snel, je hebt uitgesproken meningen en houdt van actie. Je pakt uitdagingen aan en houdt niet van stilzitten. Je houdt ervan de leiding te nemen, problemen aan te pakken, voor actie te zorgen en zo snel mogelijk resultaten boeken. Stijlkenmerk: Invloed (I) Evenals de dominante persoonlijkheid wil je als beïnvloedende persoonlijkheid resultaten behalen, maar op een andere manier. Je hebt gevoel voor mensen. Je bent iemand die anderen graag op een lijn brengt om tot resultaten te komen. Je kunt op een goede manier met en via anderen werken. Je neemt spontaan acties en besluiten, werkt daarbij snel en enthousiast en kunt anderen overreden en overtuigen. Je houdt ervan om met mensen om te gaan en met ze te overleggen. Stijlkenmerk: Stabiliteit (S) Ben je overwegend een stabiele persoonlijkheid dan houd je ervan om met anderen samen te werken. Je ondersteunt anderen om hun taken tot een goed einde te brengen. Je bent een echte teamspeler. Je wilt bij de groep horen en pakt bij voorkeur een zaak tegelijk aan. Je bent geduldig, loyaal en bereid om altijd naar problemen van anderen te luisteren. Je bent heel goed in het omgaan met panieksituaties en je kunt opgewonden mensen tot rust brengen. Je houdt van traditionele waarden en wordt graag gewaardeerd voor je werk. Stijlkenmerk: Conformiteit (C) Ben je een persoon waar conformiteit centraal staat dan werk je zorgvuldig en voorzichtig en je eist kwaliteit. Je houdt van normen, in het bijzonder van je eigen normen. Je kunt nauwgezet, accuraat en precies werken en je gaat zorgvuldig om met acties en besluiten. Je kunt goed werken in een bekende omgeving waar een duidelijke structuur is en war bijvoorbeeld schriftelijk vastgelegde procedures zijn. Je bent een kritische denker, controleert alles graag op nauwkeurigheid en altijd zul je regels aanhouden. Je houdt niet van snelle veranderingen omdat je tijd nodig hebt om uit te zoeken wat de reden is voor verandering. Bron: Succesvol werken aan je competenties, blz. 64 e.v. 25