instapkaarten taal verkennen



Vergelijkbare documenten
zelfstandig naamwoord

instapkaarten taal verkennen

instapkaarten taal verkennen

Klankgroep en lettergreep

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands

Benodigde voorkennis taal verkennen groep 5

instapkaarten taal verkennen

Basis. letter a b c hoofdletter A B C woord appel banaan citroen zin Ik eet een appel. cijfer getal

Wij willen u vragen niet vooruit te gaan werken/oefenen. Er kan dan verwarring ontstaan bij het kind. Wij willen dit graag voorkomen!

2b nr. 1 Zinnen met verschillende volgorde

a. Een zin lees je van links naar rechts. Waarom eigenlijk? Wat denk jij?

Woordsoorten. De woorden in een zin kunnen in een bepaalde groep worden ingedeeld. De woordsoort geeft aan tot welke groep een woord behoort.

Lesdoelen De kinderen leren dat er woorden zijn die de (soort)naam voor mensen en dieren aanduiden en maken kennis met de term zelfstandig naamwoord.

LEESHUIS. Voor meer informatie of het downloaden van deze of vele andere handige documenten

slee Ik hoor aan het eind van het woord ee. Ik schrijf ee. Categorie 42 Woorden met een ee aan het eind Thema 7 groep 4

Het verwoorden van de spellingsregel is belangrijk (bewustwording waarom je iets op een bepaalde manier schrijft).

ALFA A ANTWOORDEN STER IN LEZEN

Dyslexiebehandeling. Informatiepakket leerkracht:

1. poes Luisterweg Ik luister goed naar het woord, Dan schrijf ik het zoals het hoort.

Veilig leren lezen Kern 1: ik - maan - roos vis

Luister naar het alfabet en de voorbeelden. Kijk ook naar de afbeeldingen. voorbeeld letter. b bee [b] bus [ə] een. hemd

- je kan me wat - module 4. docere delectare movere

apen 1 Schrijf het woord op. 2 Schrijf het woord op. Een woord met een lange klank aan het eind van een klankgroep. Net als jager.

Lesdoelen De kinderen herkennen het werkwoord in een zin. Materiaal Oefenblad instaples 1 taal Antwoordblad instaples 1 taal. Lesduur 25 minuten

Wat is een zelfstandig naamwoord?

instapkaarten taal verkennen

Moshi gaat met het vliegtuig naar Malawi

Meer dan grammatica!

Lesdoelen De kinderen herkennen voorzetsels in een zin. Materiaal Oefenblad instaples 1 taal Antwoordblad instaples 1 taal. Lesduur 25 minuten

Leerlijn Spreken & luisteren groep 5

Woordenschat blok 04 gr4 Les 1 Enzovoort: en ga zo maar verder. Hierboven: boven iets, bijvoorbeeld een lijn. Hieronder: onder iets, bijvoorbeeld een

Ontleden. Er zijn twee manieren van ontleden: taalkundig ontleden en redekundig ontleden.

Uitgeverij Schoolsupport

LES 3 Ik leer Nederlands. TESTEN TEST 1

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets.

Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen

Handleiding basiswoordenschat.

instapkaarten spelling

Leerstofaanbod groep 4

instapkaarten spelling

71 S. instapkaarten taal verkennen 5KM. MALtABERG. QVRre. v;rw>r t. -t.

Groep 3 : Na een lekkere lange zomervakantie zijn we alweer een poos hard aan het werk. Hieronder vindt u de doelen waar wij in groep 3 aan werken.

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46

Praat-plaat. post. aad/thema/post werkblad 1

Kern 3: doos-poes-koek-ijs

Nieuwsbrief groep 3 oktober 2015

Extra oefeningen voor werkwoordspelling

Waarom ga je schrijven? Om de directeur te overtuigen

GESPREKKEN VOEREN NEDERLANDS AAN HET EINDE VAN DEZE UITLEG:

handelingswijzer redekundig ontleden zinsdelen

taalkaart 1 Ik ga op reis en Ik ga op reis en Wat ga je doen? Je leert wat een reisverhaal is. Je schrijft er zelf een.

Taal We kunnen nu al echte verhalen schrijven. Daar zien we dan ook echte leuke verhalen van de kinderen.

Waarom ga je schrijven? Om de directeur te overtuigen

WELKOM IN GROEP 4 SCHOOLJAAR Informatieboekje voor ouders OBS DE HAARSCHOOL

Een lijn in (begrijpend) luisteren en lezen voor de ganse basisschool

Let op! Alles graag getypt in lettergrootte 12, lettertype mag je zelf kiezen.

Les 3. Familie, vrienden en buurtgenoten

Doelen taalbeschouwing die verworven moeten zijn in het vierde leerjaar

Woordsoorten. Lidwoord Bijvoeglijk naamwoord Zelfstandig naamwoord Voorzetsels Werkwoorden

VEILIG LEREN LEZEN. Elke keer wanneer er met een nieuwe kern wordt begonnen kunt u hieronder lezen waar we die periode aan werken in de groep.

instapkaarten spelling

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30

Kernwoord Uitleg Voorbeeld

Fonemendictee deel 1 en deel 2

U leert in deze les "toestemming vragen". Toestemming vragen is vragen of u iets mag doen.

De meeste jonge kinderen zijn dol op dieren en willen heel graag een eigen huisdier

instapkaarten taal verkennen

We gaan binnenkort starten met blok 2 van taal, spelling en begrijpend lezen. Hieronder een overzicht van wat uw kind gaat leren.

Visuele Leerlijn Spelling

Wielewoelewool, ik ga naar school! Toelichting

π (spreek uit uiltje ): hulpwerkwoorden of modale hulpwerkwoorden 46

Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig de slaaf de meester het gevecht het land het beest enkelvoud nominativus genitivus accusativus

instapkaarten taal verkennen

Inhoud. 1 Welkom In de kantine 20

Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8

Uitprobeerpakket. Toetsboek 4 groep 4 blok 6

Gevarieerde Spelling is een programma voor het leren van de belangrijkste spellingregels van het Nederlands.

Maandbrief groep 3/4 - maart 2015

2 Ik en autisme VOORBEELDPAGINA S

Auteur: Mirjam Wind, docent en coördinator NT2, Educatie Video s: Gabe Dijkstra en Rick Biemolt, studenten Alfa-college, MultiMedia en Design

Les 1 jas en das. Op pad. van links naar rechts

Spreekopdrachten thema 3 Kinderen

WOORDEN VERANDEREN. grap. glas. kras. grijs NIEUWE WOORDEN MAKEN. sterk - kers. ster. Kies een woord uit het woordpakket. gras -

Afspraak 31 weetwoord. Afspraak 30 regelwoord. liniaal, actueel. thermometer. Afspraak 32a weetwoord. Afspraak 32b weetwoord. team.

Wat is een zelfstandig naamwoord?

Online leren lezen - Overzicht van de oefeningen

Kwartetten met klinkers

1 De lange klinkers en klinkerreductie

workshop bij Rodica en Dodica

Lezen We hebben de laatste weken weer heel veel woorden en letters geleerd.

woorden met eer (heer) De /r/ is een plaagletter bij /eer/. volgwoord woorden met oor (oor) De /r/ is een plaagletter bij /oor/.

Les 5 Werkwoorden 22 Les 6 De persoonsvorm van het werkwoord 24 Les 7 De, het, een 26 Les 8 Het meervoud (op -en, -s of - s) 28 Herhalingstoets 2 30

Overzicht categorieën Taal actief groep 7

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen

p: deze letter is een plofletter, zonder stem. l: Kijk in de spiegel en wijs met je vinger naar het

Ik schrijf op wat ik hoor.

- je kan me wat - module 5. docere delectare movere. je kan me wat nt2taalmenu.nl module 5. tekeningen -

Deze weken leren wij:

Transcriptie:

instapkaarten

inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3 les 4 10 thema 3 les 7 11 thema 3 les 9 12 thema 4 les 2 13 thema 4 les 4 14 thema 4 les 7 15 thema 4 les 9 16 thema 5 les 2 17 thema 5 les 4 18 thema 5 les 7 19 thema 5 les 9 20 thema 6 les 2 21 thema 6 les 4 22 thema 6 les 7 23 thema 6 les 9 24 thema 7 les 2 25 thema 7 les 4 26 thema 7 les 7 27 thema 7 les 9 28 thema 8 les 2 29 thema 8 les 4 30 thema 8 les 7 31 thema 8 les 9 32 Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch

thema 1 les 2 Je leert wat een zelfstandig naamwoord is. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier of ding. man kat fiets s boom Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 1

thema 1 les 4 Je leert wat een lidwoord is. Je leert waar een lidwoord bij hoort. de het een jongen meisje jongen, meisje aap schaap aap, schaap tafel huis tafel, huis Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 2

thema 1 les 7 Je leert hoe je een samenstelling maakt. Je maakt een samenstelling door twee woorden aan elkaar te plakken. fiets + bel fietsbel. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 3

thema 1 les 9 Je leert wat het alfabet is. Je kunt het alfabet opzeggen van a tot z. Het alfabet heeft 26 letters. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z De letters staan altijd in deze volgorde. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 4

thema 2 les 2 Je leert wat een werkwoord is. Je leert hoe je een werkwoord in een zin kunt vinden. Een werkwoord zegt wat een mens, dier of ding doet. Jan valt op straat. De bal rolt over het plein. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 5

thema 2 les 4 Je leert hoe je groepjes van drie woorden maakt: een lidwoord, een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord. Het bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets eruitziet of wat je er van vindt. de witte broek een lieve mama Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 6

thema 2 les 7 Je leert dat een punt bij de zin hoort. Aan het eind van de zin staat altijd een punt. Aan de punt kun je zien waar de zin ophoudt. eel De jongen is blij. Hij gaat op reis met zijn vriend. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 7

thema 2 les 9 Je leert wat een verkleinwoord is. Je leert hoe je een verkleinwoord maakt. Een verkleinwoord is een woord met iets erachter: vis + je = visje boom + pje = boompje deur + tje = deurtje Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 8

thema 3 les 2 Je leert wat klinkers zijn. Je leert wat medeklinkers zijn. Er zijn klinkers en medeklinkers. klinkers a, e, i, o, u, aa, ee, oo, uu, ie, oe, eu, ui, ei, ij, au, ou medeklinkers b, c, d, f, g, h, j, k, l, m, n, p, q, r, s, t, v, w, x, z Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 9

thema 3 les 4 Je leert waar het bijvoeglijk naamwoord staat in een zin. Je leert wat je met een bijvoeglijk naamwoord kunt doen. Weet je nog? Het bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets eruitziet of wat je er van vindt. de gekke, rode stoel Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 10

thema 3 les 7 Je leert dat in een zin minstens twee soorten woorden staan: een werkwoord en een zelfstandig naamwoord. In een zin staat één werkwoord. In een zin staan vaak meer zelfstandige naamwoorden. Juf loopt met twee paarse krukken. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 11

thema 3 les 9 Je leert dat er in een samenstelling soms een werkwoord verstopt zit. eet + lepel eetlepel Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 12

thema 4 les 2 Je leert wat een zin is. Een zin is een rij woorden die samen iets betekenen. Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. Dit is een zin: De agent heeft een pen. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 13

thema 4 les 4 Je leert hoe je een zin maakt. Dat doe je door vragen te stellen over het werkwoord. Je maakt een zin door te vragen wie of wat doet. aait Wie aait? Mijn zusje aait. Wat aait mijn zusje? Mijn zusje aait een hondje. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 14

thema 4 les 7 Je leert hoe je woorden verdeelt in klankgroepen. In een klankgroep staat altijd een klinker. vis heeft één klankgroep: vis meester heeft twee klankgroepen: mees + ter Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 15

thema 4 les 9 Je leert wat pictogrammen zijn. Een pictogram is een plaatje dat iets vertelt. Een pictogram moet heel duidelijk zijn. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 16

thema 5 les 2 Je leert hoe je een zin langer maakt met een waar-deel. Het waar-deel in de zin vertelt waar iets gebeurt. Je vindt het waar-deel door te vragen: waar? De leeuw is in de kooi. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 17

thema 5 les 4 Je leert hoe je een lange zin korter maakt. Je haalt woorden weg. Toch houd je een goede zin over. In een goede zin staat altijd een wie-deel en een werkwoord. De vis in de kom heeft oranje kieuwen. De vis heeft oranje kieuwen. De vis heeft kieuwen. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 18

thema 5 les 7 Je leert dat er twee soorten zinnen zijn: de vertelzin en de vraagzin. Een vertelzin is een zin waarin je iets vertelt. Een vraagzin is een zin waarin je iets vraagt. Aan het eind van een vertelzin staat een punt. Aan het eind van een vraagzin staat een vraagteken. Uil heeft een vis in een vissenkom. Heeft Uil een vis in een vissenkom? Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 19

thema 5 les 9 Je leert het verschil tussen beleefd en onbeleefd praten.? Als je beleefd praat, praat je netjes. Als je onbeleefd praat, praat je niet netjes. Beleefd: Mag ik nog een koekje? Onbeleefd: Ik wil een koekje! Nu meteen! Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 20

thema 6 les 2 Je leert hoe je een zin langer maakt met een wanneer-deel. Het wanneer-deel vertelt wanneer iets gebeurt. Je vindt het wanneer-deel door te vragen: wanneer? Morgen gaat Lotje naar de fotograaf. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 21

thema 6 les 4 Je leert dat bij een werkwoord een wie-deel hoort. In elke zin staat een werkwoord met een wie-deel. Het wie-deel vertelt wie iets doet. Je vindt het wie-deel door te vragen: wie? Lotje schudt haar hoofd. de schuilhut Een hut waarin je kunt zitten om dieren te bekijken zonder dat de dieren jou zien. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 22

thema 6 les 7 Je leert wat enkelvoud en meervoud is. Je leert zelfstandige naamwoorden in het meervoud zetten. Enkelvoud is één. Meervoud is meer dan één. boek + en = boeken appel + s = appels Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 23

thema 6 les 9 Je leert wat een tegenstelling is. Bij een tegenstelling betekenen twee woorden precies het omgekeerde. klein groot Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 24

thema 7 les 2 Je leert dat je de volgorde van groepjes woorden in een zin kunt veranderen. m. p? In een zin horen groepjes woorden bij elkaar. Die groepjes heten zinsdelen. De volgorde van zinsdelen kun je veranderen. Mama geeft aan Sil een dik boek. Mama geeft een dik boek aan Sil. Aan Sil geeft mama een dik boek. Geeft mama een dik boek aan Sil? Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 25

thema 7 les 4 Je leert hoe je een zin langer maakt. Dat doe je door vragen te stellen over het werkwoord. Bij een werkwoord kun je vragen stellen: wie, wat, waar, wanneer. Zo wordt de zin steeds langer. lezen Sil leest voor het eten een strip op zijn bed. t? t ze? Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 26

thema 7 les 7 Je leert hoe je een groepje van drie woorden maakt die in een zin bij elkaar horen. Het groepje bestaat uit een lidwoord, een bijvoeglijk naamwoord en een zelfstandig naamwoord. Mama geeft Sil een dik boek. woord blauw Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 27

thema 7 les 9 Je leert wat een voorzetsel is. Het voorzetsel is het eerste woordje van het waar-deel. Het voorzetsel zegt precies waar iets is. Er draait een film in de bioscoop. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 28

thema 8 les 2 Je leert hoe je zinnen maakt met woordsoorten. In bijna alle zinnen staan een werkwoord en een zelfstandig naamwoord of een groepje woorden. lidwoord zelfstandig naamwoord De vrolijke meisjes snoepen. bijvoeglijk naamwoord Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 29

thema 8 les 4 Je leert hoe je woorden in alfabetische volgorde zet. Je kijkt naar de eerste letter. Zijn de beginletters hetzelfde? Kijk dan naar de tweede letter. mand mens mist munt a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 30 2 ijklmn

thema 8 les 7 Je leert wat een eigennaam is. Je leert hoe je een eigennaam schrijft. De naam van een mens zegt hoe hij of zij heet. Een dier of een ding geef je soms ook een eigen naam. Een eigennaam schrijf je met een hoofdletter. De bezem is voor Griet. 4 kasteel karelhof rel 5 ridder Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 31

thema 8 les 9 Je leert nog meer zelfstandige naamwoorden herkennen. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier of een ding. Een ding kun je niet altijd zien, horen, voelen, ruiken of proeven. Ik koop een bezem. Hij vertelt een verhaal. 3 2w Een man klopt op de deur. Taal actief instapkaarten groep 4 Malmberg s-hertogenbosch 32