Beweging. Achtergrondinformatie

Vergelijkbare documenten
> Lees Beweging. > Lees Bescherming.

AVONTURENPAKKET DE UITVINDERS

Naam: BOTTEN EN SPIEREN Het menselijk lichaam

Spreekbeurten.info Spreekbeurten en Werkstukken

Hoe zit je skelet in elkaar? In je lichaam zitten 206 botten. Samen vormen ze je skelet.

Kracht en Beweging. Intro. Newton. Theorie even denken. Lesbrief 4

Spreekbeurtpakket - het skelet

De beenderen in het hoofd vormen samen de schedel. De schedel word gedragen door de wervelkolom die in de romp naar beneden loopt.

Het bewegingsstelsel. 1 Inleiding

K 1 Symmetrische figuren

inhoud blz. 1. Drijven of zinken? 2. Lucht is licht 3. De duikboot 4. De zwemles 5. Zout en zoet water 6. Olie en water 7.

Archeologen logboek Namen:....

Hoe werkt het antwoordblad?

AVONTURENPAKKET DE UITVINDERS

2D/E. T5: Stevigheid en beweging.

Samenvattingen. Samenvatting Thema 8: Stevigheid en beweging. Basisstof 1. Stevigheid bij dieren door:

Weet wat een wiel is en waar die voor wordt gebruikt PILOT. Leert het verschil tussen schuiven, dragen/tillen en rollen

Brug van papier. Lesblad voor de leerling. Materiaal dat nodig is 200 velletjes papier (A4, 80 grams) Plakband Meetlat of meetlint

Werkbladen Webquest Pret met een ballonraket

Begin en eindig de les klassikaal. Tijdens de kern van de les vouwen de leerlingen individueel hun dieren aan de hand van het werkblad.

1. Zwaartekracht. Hoe groot is die zwaartekracht nu eigenlijk?

Papier recyclen. Inlage

LEVENDE BOTTEN, STERKE BOTTEN

Tijd. 10 min. 55 minuten

Samenvatting Biologie Boek 2: Je lichaam

Samenvatting Natuurkunde Kracht

lesbrieven water verzamelen avonturenpakket de uitvinders en de verdronken rivier leerlingen werkblad Lesbrief 1:

LESBRIEF DAN LIEVER DE LUCHT IN

S C I E N C E C E N T E R

Samenvatting Mensen ABC

Energie in je lichaam

AVONTURENPAKKET DE UITVINDERS

2 Ik en autisme VOORBEELDPAGINA S

Instructies voor gipsverband. Gipskamer IJsselland Ziekenhuis (routenummer 73)

Krachtpatsers. Primair Onderwijs. Oosterdok VX Amsterdam tel ( 0,10 p/min.) info info@e-nemo.

Noach. moest een ark gaan bouwen Ans Heij - de Boer /

Elektriciteit en stroom, wat is het? Proefjes met stroom en electriciteit

hart longen Werkboekje van...

Prezi les 1: Website:

Welke supermens vliegt het verst?

Vlinder maken met een koffiefilter

LESSENSERIE VLIEGTUIGEN GROEP 3/4

* Raketten lanceren *

Huppel de pup. Zaag 40 cm rondhout af. Gebruik een verstekbak en een toffelzaag.

S C I E N C E C E N T E R

lesbrieven avonturenpakket de uitvinders en het zonnewiel leerlingenbestand Lesbrief 1: Opdracht 1: Maak een energieweb

WATER EN VUUR, EEN POP-POP-BOOTJE

AVONTURENPAKKET DE UITVINDERS EN HET ZONNEWIEL

Spreekbeurt menselijk lichaam. Door Lara Sieperda.

Waardoor vliegt een vliegtuig?

Samenvatting Biologie Thema 1: stevigheid

1. Ons lichaam, wat een wonder!

Werkblad. LES 9: Ouders. GROEP 1-2. Bijlage 1. Rood actief inspannen/ sporten. Oranje middelmatig inspannen.

Theorie: Snelheid (Herhaling klas 2)

Cursus Rust. Het Slotervaart, een ziekenhuis met ambitie KINDERGENEESKUNDE TELEFOONNUMMER

en zelfbeeld Lichamelijke ontwikkeling Lesdoelen: Werkvormen: Benodigdheden: Kinderboeken: Les 1: Wie ben ik Lesoverzicht

Over de arm en hand wrijven

Laat de kinderen ook opzoeken in een woordenboek en/of spreekwoorden boek

Working with parents. Models for activities in science centres and museums

Lesmateriaal Geluid. Tijdsduur: 50 minuten

Geraamte vmbo-b12. banner. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

bij vraag 2 Hoeveel munten er in het glas passen ligt aan de grootte van de munten en aan het glas.

LESBRIEF. Samenvatting: Bij dit boek horen diverse bijlagen: thema s: Ben jij ooit naar een neuzenfeest geweest?

Sheets inleiding ontwerpen

BOUW JE EIGEN WEERSTATION

S C I E N C E C E N T E R

Lumbaalpunctie (ruggenprik)

Uw arm of been in het gips

De Melkweg groep 3-4. Lesbeschrijving De Melkweg. Inleiding 15 minuten. 1 Bron:

Bekers vastzuigen met koffiefilter

HAVO. Inhoud. Momenten... 2 Stappenplan... 6 Opgaven... 8 Opgave: Balanceren... 8 Opgave: Bowlen Momenten R.H.M.

G 1 Tangram: figuren leggen

Skelet en bewegen vmbo-kgt34

Aanvulling: Om de oefeningen wat uitdagender te maken kun je je handen op je borst leggen ipv naast je lichaam op de grond.


PECTUS REVALIDATIE. De pectoralisspieren. De rugspieren

MENU. Tekenevenement Tussen de lijnen = GROEI! 1. Help de boom - groep 1 t/m 4 (hoofdopdracht)

Opdrachtenfiche mijn orkest

eenvoudig rekenen met een krachtenschaal.

De leerling: weet wat luchtdruk is weet dat je met een barometer de luchtdruk kunt meten

Geen tijd om elke dag te sporten? Kom thuis in actie met 1-minuut oefeningen!

Opdrachten behorende bij les 2. Anatomie van de honingbij

De lamp. Copyright Vakcollege Groep B.V Alle rechten voorbehouden.

lesbrieven avonturenpakket de uitvinders en de verdronken rivier leerlingen werkblad Lesbrief 2:

3,7. Antwoorden door een scholier 706 woorden 15 april keer beoordeeld

STERREN DANSEN OP DE MUUR WAT HEB JE NODIG? BOUWTEKENING

Vormen van een raket Raketten

werken met water - waterbladen

MIND & MOVEMENT COACH. Bewegen

luchtdruk opdrachtkaart Onderdeel A - Rond de aanwezigheid van de lucht les 6.6 Opdracht 1 - Slaan op de liniaal Opdracht 2 - Stromend water?

Werkbladen Leerlingen Kun je zelf je zeilboot vooruit blazen?

TAFEL 1: BROODDEEGFIGUREN

Zwaartekracht. Dat komt door de zwaartekracht. De aarde trekt alles naar beneden.

Transcriptie:

Beweging 5 Achtergrondinformatie Sterke botten Een belangrijk kenmerk van de mens en alle grote dieren is dat ze een inwendig skelet hebben dat bestaat uit een aantal botten. Vanwege de aanwezigheid van een wervelkolom, worden deze dieren gewervelde dieren genoemd. Het is niet voor niets dat juist deze grote dieren (zoogdieren, vogels, vissen, amfibieën en reptielen) botten bezitten. Botten geven steun aan een groot lichaam. Zonder die ondersteuning zouden dieren en mensen als een pudding in elkaar zakken. Botten bieden weerstand aan de zwaartekracht. Dat is de reden waarom in dit hoofdstuk zowel botten en spieren als krachten worden behandeld. Dieren die in het water leven, ontlenen hun steun aan het water. Bij deze dieren is het skelet daardoor minder stevig of minder ontwikkeld. Een walvis zou op het land geen adem meer kunnen halen, omdat zijn borstkas door zijn eigen gewicht in elkaar gedrukt zou worden. Ook het skelet van vissen is veel minder stevig dan dat van landdieren. Botten bestaan voor een groot deel uit kalk. Veel botten zijn hol en gevuld met beenmerg. Dit is een sponsachtige massa. Het speelt een belangrijke rol bij de vorming van het bot. Daarnaast maakt het rode en witte bloedlichaampjes aan en bloedplaatjes. Deze worden aangemaakt in het rode beenmerg. In het gele beenmerg zitten vetcellen. Zonder botten Alle ongewervelde dieren bezitten geen inwendig skelet. De grootste groep ongewervelde dieren zijn de geleedpotigen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de insecten, spinnen, schorpioenen, kreeften en duizendpoten. Bij deze dieren is de huid relatief stevig; daarom spreken we van een uitwendig skelet. Dit skelet bestaat uit chitine, een hoornachtige stof die ook in onze nagels en haren voorkomt. Een uitwendig skelet laat zich nog het best vergelijken met het harnas van een ridder. Dat bestaat uit allerlei losse harde delen die onderling flexibel met elkaar zijn verbonden. Wie weleens een garnaal heeft gepeld, houdt het harnas over. Het probleem van een uitwendig skelet is dat het niet meegroeit. Vandaar dat een groeiend dier letterlijk uit zijn vel scheurt. Vlak voor deze vervelling vormt zich onder de oude huid een nieuwe. Deze is eerst nog rekbaar en zacht. De meeste insecten vervellen zo n vijf keer voordat ze uiteindelijk volwassen zijn. Ook spinnen vervellen. Soms zie je de oude velletjes van spinnen tussen takken en grassen hangen. Weekdieren als slakken hebben geen uitwendig skelet, de naam zegt het al. Toch hebben huisjesslakken en schelpdieren een beschermend omhulsel van kalk. Deze schelp dient echter als bescherming en niet om het lichaam te steunen. De zeekat of sepia, een in de Noordzee voorkomende inktvissoort, heeft in haar lichaam een kalkplaat die dienstdoet als een skelet. Deze kalkplaten worden sepia of meerschuim genoemd en spoelen regelmatig op onze stranden aan. Sterke spieren Spieren vormen de helft van je gewicht. Elke spier is opgebouwd uit spiercellen, langgerekte cellen die zich enorm kunnen samentrekken. Maar eenmaal samengetrokken, kunnen ze zich niet meer zelf strekken. Dat kan alleen door een antagonist, een spier die tegengesteld werkt. Zo zijn bijna alle spieren gepaard: de een kan de ander weer uitrekken. Naar de mate waarin we controle hebben over de spieren, spreken we van willekeurige en onwillekeurige spieren. De hartspier is een onwillekeurige spier. Onze wil kan de hartspier niet beïnvloeden. Hetzelfde geldt voor vrijwel alle inwendige spieren van darmen, maag, bloedvaten en voortplantingsorganen. Over skeletspieren hebben we wel controle. Ze zijn bevestigd aan onze botten. Spieren maken het mogelijk om in combinatie met onze botten de zwaartekracht te weerstaan, althans gedeeltelijk. Ook al springen we nog zo hoog, de zwaartekracht wint uiteindelijk. Krachten Overal om ons heen hebben we te maken met krachten. Spierkracht helpt om een kopje op te tillen. Maar de zwaartekracht doet datzelfde kopje Noordhoff Uitgevers bv Noordhoff Uitgevers bv 43

44 vallen, wanneer we het loslaten. Op een zachte ondergrond veert het kopje omhoog door de veerkracht. Magnetische kracht houdt een notitieblaadje tegen de koelkast geklemd. Diezelfde kracht houdt de koelkastdeur stevig dicht. En als de bel gaat, zorgt elektromagnetische kracht ervoor dat een hamertje voortdurend op een bel slaat. Wanneer we in de auto een scherpe bocht maken, worden we naar buiten gedrukt door de middelpuntvliedende of centrifugale kracht. Diezelfde kracht slingert het water uit het wasgoed in de trommel van een centrifuge. Duiken we in het water, dan krijgen we te maken met een opwaartse kracht. Deze wordt veroorzaakt door het gewicht van het verplaatste water. Het kenmerk van al deze krachten is dat ze de bewegingstoestand van een lichaam of voorwerp kunnen veranderen. Natuurkundigen onderzoeken krachten, dat behoort tot hun vakgebied. Al decennialang proberen ze alle krachten te herleiden tot één grote centrale kracht, maar tot nu toe is dat niet gelukt. Men onderscheidt vier hoofdkrachten: zwaartekracht elektromagnetische kracht zwakke kernkracht sterke kernkracht. Alle andere krachten waar we in het dagelijks leven mee te maken hebben, zijn afgeleiden van deze krachten, zoals wrijving, hardheid en veerkracht. Newton De grote man op het gebied van krachten is ongetwijfeld Isaac Newton (1642 1727) geweest, een Engelse natuurkundige. Naar hem is ook de eenheid van kracht vernoemd, de newton. Volgens veel wetenschappers is hij de grootste geleerde geweest die tot nu toe heeft geleefd. Newton ontdekte drie fundamentele eigenschappen van krachten, die hij in 1687 in drie wetten beschreef. Deze staan nu bekend als de wetten van Newton. De eerste wet van Newton gaat over traagheid. Als er geen kracht op een voorwerp inwerkt, verandert er niets aan de toestand. Een appel die stilligt, blijft liggen. En een rollende appel zal in principe door blijven rollen. Deze wet verklaart waarom je tegen de voorruit schiet, wanneer de auto waarin je zit plotseling remt. Populair gezegd: wat in beweging is, wil in beweging blijven. Wat in rust is, wil in rust blijven. De tweede wet gaat over versnelling. Als er een kracht op een voorwerp in rust inwerkt, zal het voorwerp in beweging komen. En als het voorwerp al in beweging is, zal het versnellen of van richting veranderen. De derde wet gaat over actie en reactie. Als je kracht uitoefent op een voorwerp, gaat dit gepaard met een even grote, maar tegengestelde kracht. Dit is eenvoudig waar te nemen wanneer je op een skateboard staat met een baksteen in je hand. Op het moment dat je de baksteen naar voren gooit, rol jij met het skateboard naar achteren. Zwaartekracht De duidelijkst waarneembare kracht is de zwaartekracht. Niet alleen blijven we daardoor met beide benen op de grond, ook de structuur van het hele heelal wordt door zwaartekracht bepaald. De beweging van de planeten rond de zon, de vorm van diezelfde planeten, de beweging van de maan en haar invloed op de getijden, overal doet de zwaartekracht zich gelden. Newton kwam als eerste op het idee dat alle lichamen (of voorwerpen) elkaar aantrokken. Het is dus niet zo dat de aarde alleen aan ons trekt, wij trekken ook een beetje aan de aarde. Een kenmerk van de zwaartekracht is dat ze op afstand werkt. Kijk maar eens naar de invloed die de maan heeft op eb en vloed, en dat op een afstand van zo n 300.000 kilometer! Zelfs de zon heeft invloed op de getijden. Springtij is een extra hoge vloed die ontstaat wanneer maan en zon in een rechte lijn ten opzichte van de aarde staan. Ze versterken dan elkaars aantrekkingskracht. Vliegen Vogels hebben wel een heel bijzondere manier om de zwaartekracht te weerstaan: vliegen. Uiteindelijk is het ons mensen ook gelukt om los te komen van de aarde. Dit danken we aan onderzoekers die nauwgezet het vlieggedrag van vogels hebben bestudeerd. De eerste vliegtuigen waren dan ook in feite nagebouwde vogels, zoals dat van de Duitser Otto Lilienthal, die in 1896 bij een zweefvlucht dodelijk gewond raakte. Hij schreef een boek met de titel Der Vogelflug als Grundlage der Fliegerkunst (De vogelvlucht als grondslag voor de vliegkunst). Onderzoekers ontdekten dat alle vogelvleugels gewelfd zijn. Door die bijzondere vorm is de luchtstroom boven langs de vleugel anders dan de luchtstroom onder de vleugel. De bovenste luchtstroom legt een langere weg af, maar gaat wel sneller om weer gelijk met de onderstroom bij de achterrand aan te komen. Anders zou er een vacuüm ontstaan. Er ontstaat wel een luchtverdunning, waardoor de druk boven de vleugel iets afneemt. De lucht onder de vleugel drukt dan de vleugel omhoog. Dit verschijnsel heet lift. Je kunt het eenvoudig demonstreren met een blaadje papier tegen je kin gedrukt: blaas er maar overheen (deze proef staat ook in het leerlingenboek). Een vliegtuig wacht niet totdat het heel hard waait. Door vooruit te gaan veroorzaakt het zelf een luchtstroom over de vleugels. Om een optimale lift te krijgen, starten vliegtuigen zo veel mogelijk tegen de wind in. Bij het landen vermindert de snelheid, en daarmee het draagvermogen van de vleugels. De piloot vergroot het draagvlak dan door de flaps uit te schuiven.

1 Dat is bot! Informatieblok Leskern Alle botten samen vormen je skelet. Dat zorgt voor stevigheid en het beschermt je organen en zenuwen. Waar botten aan elkaar vastzitten met gewrichten, kun je ze bewegen. Botten bestaan uit kalk en lijm. Gebroken botten kunnen weer aan elkaar groeien. Alle gewervelde dieren hebben net als mensen een skelet. Ze hebben meestal dezelfde botten, maar die zien er bij iedere diersoort weer anders uit. Lesdoelen De kinderen kunnen de verschillende functies van het skelet benoemen. Ze kunnen de belangrijkste botten en gewrichten aanwijzen. Ze kunnen vertellen uit welke stoffen de botten bestaan. Ze kunnen het verschil tussen kraakbeen en hard bot aangeven. Ze kunnen vertellen wat gewervelde dieren zijn. Ze kunnen vertellen waarom de botten bij vogels hol zijn. Activiteiten 1 introductie 5 minuten 2 lezen en bespreken 15 minuten 3 opdrachten maken en bespreken 25 minuten Materiaal 1 leerlingenboek bladzijde 68-70 2 werkboek bladzijde 34-35 3 kopieerblad Lastige woorden 5, blad 1 4 voor de introductie: wat schone (uitgekookte) kippenbotten, in ieder geval een wervelkolom met ribben, en botten met een gewricht, bijvoorbeeld de poten Lesbeschrijving 1 Introductie Laat de kinderen wat schone kippenbotten bekijken. Weten ze wat de wervelkolom is? Kunnen ze aanwijzen waar deze bij henzelf zit? En weten ze waar hij voor dient? Zien ze waar en hoe de botten van de poot kunnen bewegen? Hoe heet die plek bij henzelf? (Knie.) Laat de kinderen even kort vertellen over hun botten en zeg dat de les vandaag over het skelet van mensen en dieren gaat. 2 Lezen en bespreken De kinderen lezen zelfstandig de teksten op bladzijde 68 tot en met 70 en bekijken de afbeeldingen. Controleer eventueel na afloop of ze de teksten en afbeeldingen begrepen hebben. Laat ze het verschil tussen hun kogelgewrichten en scharniergewrichten voelen. Ga ook in op het belang van de wervelkolom en wat er kan gebeuren als je die beschadigt, bijvoorbeeld door een ongeluk. Er is vast wel een kind dat ooit een bot heeft gebroken en kan vertellen hoe lang de genezing duurde. Besteed extra aandacht aan de skeletten van de verschillende diersoorten. Zien de kinderen dat de vleugel van de vleermuis in afbeelding 8 hetzelfde bouwplan heeft als onze hand? 3 Opdrachten maken en bespreken De kinderen maken de opdrachten op bladzijde 34 en 35 van het werkboek zelfstandig. Ze kunnen de antwoorden zelf nakijken met het antwoordenboek. Bespreek de antwoorden eventueel samen. Opdracht 2: je botten kun je niet goed voelen door de spier- en vetlaag op die plaatsen. Opdracht 8: in plaats van gips wordt heel vaak kunststof gebruikt. Opdracht 9: bejaarde mensen breken hun botten sneller omdat die brozer worden. Extra activiteiten Aandachtspunten Neem met de taalzwakke kinderen van tevoren de lastige woorden door. Maak duidelijk of de kinderen zelf opdracht 13 van het werkboek mogen doen of dat u deze gezamenlijk als afsluiting van de les doet. Eventueel kunt u de opdrachten uitbreiden naar het aantal gewrichten in andere lichaamsdelen. Sleutelbegrippen stevigheid, beschermen, gewricht, scharniergewricht, kogelgewricht, groeien, gewervelde dieren 1 Filmpjes bekijken Op de Schooltv-beeldbank zijn een aantal filmpjes over botten te bekijken. Bijvoorbeeld Botbreuk (1:28 minuten), Geraamte been (0:32 minuten), Geraamte bovenlichaam (0:32 minuten) en De rug (0:41 minuten). 2 Filmpje bekijken Bekijk op de Schooltv-beeldbank het filmpje Samenstelling bot (1:15 minuten). De kinderen zien daarin duidelijk dat bot bestaat uit kalk en lijm. De proef is niet geschikt om zelf te doen, vanwege de gevaarlijke oplosstoffen. Noordhoff Noordhoff Uitgevers Uitgevers bv bv 45

2 Sterke spieren Informatieblok Leskern Botten kun je bewegen met behulp van spieren. Die zitten met pezen aan je skelet vast. In je lichaam zitten ongeveer zeshonderd spieren die eigenlijk maar één ding kunnen: samentrekken. Je hebt spieren die je bewust gebruikt en spieren die vanzelf werken, zoals de hartspier. Spieren kun je trainen, maar ze kunnen ook vermoeid of geblesseerd raken of verzuren. Lesdoelen De kinderen kunnen op een afbeelding spieren en pezen aangeven. Ze kunnen de werking van spieren uitleggen. Ze kunnen uitleggen waarom een spier altijd een helper heeft. Ze kunnen vertellen welke spieren uit zichzelf bewegen. Ze kunnen uitleggen waardoor je spierpijn en kramp krijgt en hoe je blessures kunt voorkomen. Activiteiten 1 introductie 5 minuten 2 lezen en bespreken 15 minuten 3 opdrachten maken en bespreken 25 minuten Materiaal 1 leerlingenboek bladzijde 71-73 2 werkboek bladzijde 36 3 kopieerblad Lastige woorden 5, blad 1 Aandachtspunten Neem met de taalzwakke kinderen van tevoren de lastige woorden door. Sleutelbegrippen vlees, spier, samentrekken, ontspannen, werkt vanzelf, spierpijn, kramp, afvalstof, verzuren, trainen, blessure, overbelasting 2 Lezen en bespreken Bekijk met de kinderen de afbeeldingen op bladzijde 71. Laat de kinderen reageren op de onderschriften. Hebben ze zelf weleens kramp gehad? Hoe kwam dat? Wisten ze dat vlees spierweefsel is? Beantwoord ook de vragen onder aan de bladzijde. Op welke plekken in je lichaam zie je je spieren heel duidelijk? Laat de kinderen een spierbal maken. Lees daarna samen met hen de teksten op bladzijde 72 en 73 en bekijk de overige afbeeldingen. Realiseren de kinderen zich na het lezen van de tekst waarom het gezond is veel te bewegen? Doen ze zelf ook een warming-up voor ze gaan sporten? 3 Opdrachten maken en bespreken De kinderen maken de opdrachten op bladzijde 36 van het werkboek zelfstandig. Ze kunnen de antwoorden zelf nakijken met het antwoordenboek. Bespreek de antwoorden eventueel samen. Opdracht 2: zien ze de helper-spier die de samengetrokken spier weer rechttrekt? Opdracht 6: er zijn fysiotherapeuten die zich hebben gespecialiseerd in het behandelen van (top)sporters. Opdracht 7: zien de kinderen ook verschillen tussen hun ene en andere arm? Hoe zou dat komen? (Bijvoorbeeld doordat ze links- of rechtshandig zijn.) Extra activiteiten 1 Filmpjes bekijken Op de Schooltv-beeldbank staan enkele filmpjes over spieren en spierkracht, zoals Armspieren (0:25 minuten). In Turnen (2:00 minuten) is duidelijk te zien wat je allemaal met je spieren kunt doen. Fitness (2:01 minuten) gaat over spieren trainen met apparaten. Bekijk de filmpjes samen of individueel. 2 Discussie voeren Je ziet ze wel in tijdschriften: mannen en soms vrouwen met sterk ontwikkelde spieren door intensieve training en speciale voeding. Ze vinden zelf dat ze er perfect uitzien. Wat vinden de kinderen ervan? Wat hebben ze er zelf voor over om er sportief of stoer uit te zien? Hoe ver gaan ze met trainen en sporten? Wie vindt een sportief uiterlijk belangrijk? Wie niet? 46 Lesbeschrijving 1 Introductie Laat de kinderen met elkaar armpje drukken. Eerst in tweetallen, dan steeds de winnaars tegen elkaar. Wie heeft de sterkste armspieren van de klas? Hoe komt dat? Doet die jongen of dat meisje aan een sport waar je sterke spieren van krijgt, zoals tennissen, een vechtsport of zwemmen? Praat even met de kinderen over de functies van je spieren. Weten ze dat je ook spieren hebt die uit zichzelf werken? Aandachtspunten volgende les Zorg voor een bal en een van papier gevouwen vliegtuigje voor de introductie. Voor de werkboekopdrachten zijn papieren stroken, klei of plasticine, piepschuim en kleine balletjes nodig. Laat u extra activiteit 2 doen? Zorg dan voor twee skateboards en een stok (bezemsteel).

3 Krachten om je heen Informatieblok Leskern Deze les is een techniekles over de verschillende krachten die beweging veroorzaken of beïnvloeden: de zwaartekracht van de aarde, de opwaartse kracht van lucht en van water, en de voorwaartse kracht door spierkracht of een motor. Newton werd beroemd omdat hij ontdekte wat kracht en beweging met elkaar te maken hebben. Lesdoelen De kinderen kunnen beschrijven wat het effect van zwaartekracht is. Ze kunnen laten zien en vertellen hoe in lucht de opwaartse kracht of lift werkt. Ze kunnen vertellen wat het effect is van waterkracht of de opwaartse kracht van water. Ze kunnen uitleggen dat mensen niet zonder bescherming diep kunnen duiken door de waterdruk. Ze kunnen aangeven wat kracht en beweging met elkaar te maken hebben. Activiteiten 1 introductie 5 minuten 2 lezen en bespreken 15 minuten 3 opdrachten maken en bespreken 25 minuten Materiaal 1 leerlingenboek bladzijde 74-76 2 werkboek bladzijde 37-38 3 kopieerblad Lastige woorden 5, blad 2 4 voor de introductie: een bal en een simpel gevouwen papieren vliegtuigje 5 voor de werkboekopdrachten: papieren stroken, klei of plasticine, piepschuim en kleine balletjes 6 voor extra activiteit 2: twee skateboards en een stok (bezemsteel) Lesbeschrijving 1 Introductie Gooi een bal omhoog. Wat gebeurt er? Laat de kinderen reageren. Hij komt meteen omlaag, stuitert nog even en ligt dan stil. Weten de kinderen hoe dat komt? Wellicht wordt al de zwaartekracht genoemd. Anders zegt u dat de kinderen er in de les achter komen. Laat een papieren vliegtuigje door de klas zweven. Komt dat net zo snel op de grond als de bal? Nee. Waarom niet? Laat de kinderen reageren, maar geef het antwoord niet weg. Vertel ze dat ze in deze les iets leren over krachten waar we iedere dag of vaak mee te maken hebben. 2 Lezen en bespreken De kinderen lezen zelfstandig de teksten op bladzijde 74 tot en met 76. Controleer eventueel tussendoor of na afloop of ze de teksten en afbeeldingen begrepen hebben. Snappen ze hoe de opwaartse kracht in afbeelding 1 werkt? Zien ze welke rol de windkracht (afbeelding 2) kan spelen? Bespreek met de kinderen waarom een zware vrachtauto meer moeite heeft om snel te stoppen dan een personenauto. Laat ze na de les, indien mogelijk, zelf enkele dingen uit de les ervaren, zoals fietsen en remmen met en zonder een vriendje achterop (op het schoolplein). Of een bal aan een touwtje ronddraaien en loslaten. 3 Opdrachten maken en bespreken De kinderen maken de opdrachten op bladzijde 37 en 38 van het werkboek zelfstandig. Ze kunnen de antwoorden zelf nakijken met het antwoordenboek. Bespreek de antwoorden eventueel samen. Opdracht 2 en 5 zijn eenvoudig door de kinderen uit te voeren. Zijn ze verrast over de resultaten of waren die zoals ze verwachtten? Opdracht 7: komen de kinderen nog op andere ideeën om de klei te laten drijven? Bijvoorbeeld met hout? Opdracht 9: de ronde vorm van de bathyscaaf kan de grote druk het best doorstaan (beter dan bijvoorbeeld een rechthoekige vorm). Extra activiteiten Aandachtspunten Neem met de taalzwakke kinderen van tevoren de lastige woorden door. In het werkboek staan enkele eenvoudig uit te voeren proefjes. Geef aan of en wanneer de kinderen opdracht 2, 5, 7 en 13 kunnen doen. U kunt deze opdrachten ook gezamenlijk doen. Sleutelbegrippen zwaartekracht, lift, opwaartse kracht, waterdruk, zwemblaas, kracht, beweging 1 Filmpjes bekijken Bekijk een of meer filmpjes van de Schooltv-beeldbank. Bijvoorbeeld Lucht drukt (1:11 minuten), Lucht en vliegen (2:07 minuten), Gevaar bij het duiken (1:19 minuten), De onderzeeboot (vmbo, 5:47 minuten). Aandachtspunten volgende les Voor de opdrachten in het werkboek hebben de kinderen smalle en brede elastiekjes nodig. Laat u extra activiteit 1 doen? Zorg dan voor voorwerpen die kunnen veren of een veer hebben. Noordhoff Noordhoff Uitgevers Uitgevers bv bv 47

4 Veren en vering Informatieblok Leskern De laatste les gaat over elasticiteit en veerkracht. Met deze krachten hebben de kinderen bijna dagelijks te maken. Bij veerkracht wordt onderscheid gemaakt tussen duw- en trekveren. Aan het einde van de les komt de veerkracht van een wasknijper en de opwindveer in een wekker aan de orde. Lesdoelen De kinderen kunnen onder andere aan de hand van een afbeelding beschrijven wat elasticiteit is. Ze kunnen toepassingen en nadelen van elastiekjes noemen. Ze kunnen aan de hand van een afbeelding het verschil aangeven tussen een duw- en een trekveer. Ze kunnen uitleggen hoe duw- en trekveren werken. Ze kunnen enkele voorwerpen noemen waarin veren worden gebruikt en vertellen wat voor soort veren dat zijn. Activiteiten 1 introductie 5 minuten 2 lezen en bespreken 15 minuten 3 opdrachten maken en bespreken 25 minuten Materiaal 1 leerlingenboek bladzijde 77-79 2 werkboek bladzijde 39-40 3 kopieerblad Lastige woorden 5, blad 2 4 voor opdrachten in het werkboek: smalle en brede elastiekjes 5 voor extra activiteit 1: verschillende voorwerpen die kunnen veren of een veer hebben, zoals wasknijpers, balpennen, een opwindwekker en een zaklamp Aandachtspunten Neem met de taalzwakke kinderen van tevoren de lastige woorden door. Geef van tevoren aan of en wanneer de kinderen opdracht 3, 12 en 13 mogen doen of dat u deze gezamenlijk doet. Sleutelbegrippen energie, elasticiteit, veerkracht, duwveer, trekveer, opwindveer Lesbeschrijving 1 Introductie Laat de kinderen om zich heen kijken. Welke voorwerpen in de klas hebben veerkracht? Is dat de veerkracht van elasticiteit of van een veer? Kennen de kinderen nog andere voorwerpen met veerkracht, bijvoorbeeld thuis of in het gymlokaal? Vertel dat de les over veerkracht gaat. 2 Lezen en bespreken Lees samen met de kinderen de teksten op bladzijde 77 tot en met 79 en bekijk en bespreek de afbeeldingen. Bespreek het antwoord op de vraag bij afbeelding 1. Waardoor veren de voorwerpen zonder veer? Laat de kinderen ook zelf de energie voelen in een uitgerekt elastiek (afbeelding 2). Kennen de kinderen een weeghaak (unster)? Die wordt wel gebruikt om een dier of een baby te wegen (hangt dan in een doek). Laat de kinderen zo veel mogelijk zelf ervaren. Zie ook extra activiteit 1. 3 Opdrachten maken en bespreken De kinderen maken de opdrachten op bladzijde 39 en 40 van het werkboek zelfstandig. Bespreek de antwoorden samen. Uiteraard kunt u de opdrachten ook samen met de kinderen maken. Opdracht 3: deze opdracht kan het best in een grotere ruimte worden gedaan, bijvoorbeeld in de gang of in het gymlokaal. Opdracht 6: begrijpen de kinderen dat je eerst energie in een elastiek of veer moet stoppen, voor er een reactie volgt? Opdracht 11: kunnen de kinderen bij alle voorwerpen beredeneren om wat voor soort veer het gaat? Extra activiteiten 1 Zelf experimenteren In deze les staan verschillende praktische suggesties om elasticiteit en veerkracht te ervaren. Zorg ervoor dat er voldoende voorwerpen in de klas aanwezig zijn (wasknijpers, balpennen, opwindwekker, zaklamp etc.), zodat de kinderen zelf naar hartenlust kunnen experimenteren. 2 Filmpje bekijken Bekijk een van de filmpjes over veerkracht op de Schooltv-beeldbank: Veerkracht: Hoe worden veren gemaakt? (1:59 minuten), Veerkracht: Veerkracht wordt voor van alles gebruikt! (1:05 minuten) en Drukveer, over de balpen (1:05 minuten). 48

5 Toets Informatieblok Doel De kinderen tonen hun kennis van en inzicht in de leerstof van hoofdstuk 5 over beweging en krachten. Activiteiten 1 samenvatting maken 20 minuten 2 toets maken 20 minuten 3 toets bespreken 10 minuten Materiaal 1 werkboek Samenvatting (blz. 41) 2 leerlingenboek les 1 t/m 4 (blz. 68-79) 3 leerlingenboek Kijk je mee terug? (blz. 80-81) 4 kopieerblad Samenvatting 5, blad 1 en 2 5 kopieerblad Toets 5, blad 1 en 2 6 kopieerblad Antwoorden toets 5, blad 1 en 2 Aandachtspunten Geef de kinderen als voorbereiding op de toets een of meer dagen van tevoren het kopieerblad met de samenvatting mee naar huis om die te leren of neem met hen de samenvatting op bladzijde 80 en 81 van het leerlingenboek door. Laat u na de toets de verdiepingsopdrachten van les 6 maken? Lees dan vast door welke materialen daarvoor nodig zijn. Laat de kinderen vast grote en kleine lege plastic flessen met schroefdop en wat knijpers meenemen. 2 Toets maken Deel de toets uit. De kinderen maken de toets zelfstandig. U vindt de antwoorden op kopieerblad Antwoorden toets 5, blad 1 en 2. Elke toets heeft tien opdrachten; de eerste zeven gaan uitsluitend over de stof van de samenvatting, de laatste drie vragen gaan ook over behandelde stof die niet in de samenvatting staat. Daardoor is het gemakkelijker om differentiatie aan te brengen. U bent in principe vrij om een normering bij de toets te kiezen. Daarbij kunt u de volgende normering als leidraad gebruiken. Antwoorden goed Beheersing 8-10 goed 6-7 voldoende minder dan 6 onvoldoende 3 Toets bespreken Bespreek de toets meteen of op een later tijdstip, wanneer u hem hebt nagekeken. Besteed aandacht aan zaken die u bij het nakijken zijn opgevallen. Geef ook aan hoe u de antwoorden hebt gewaardeerd. Ga in op zaken waar veel kinderen nog problemen mee hebben. Laat de kinderen ook aan het woord over de opdrachten. Welke opdrachten vonden ze gemakkelijk? Wisten ze alle botten van opdracht 2? Konden ze alle diergroepen van opdracht 8 opschrijven? Konden ze het antwoord op opdracht 10 beredeneren? Wat vonden ze lastig? Waar zijn ze het niet mee eens? Sleutelbegrippen alle sleutelbegrippen uit les 1, 2, 3 en 4 Lesbeschrijving 1 Samenvatting maken Laat de kinderen aan de hand van de opdrachten zelfstandig de samenvatting in het werkboek maken. Ze mogen daarbij les 1 tot en met 4 van het leerlingenboek gebruiken. Lees daarna samen met de kinderen de samenvatting in het leerlingenboek door, zodat ieder kind zijn antwoorden kan controleren. Geef de kinderen de gelegenheid om vragen te stellen. Eventueel vat u de lesstof nog even samen. De samenvatting van het leerlingenboek (bladzijde 80-81) kunt u samen met de leerlingen doorlezen. Ook kunt u het kopieerblad met de samenvatting als huiswerk meegeven. U kunt de samenvatting ook op een ander tijdstip door de kinderen laten leren als voorbereiding op de toets. Noordhoff Noordhoff Uitgevers Uitgevers bv bv 49

6 Themales en herhaling Informatieblok Leskern A Kinderen die de toets goed of voldoende hebben gemaakt, gaan aan de slag met een verdiepingsopdracht uit de themales (volg de aanwijzingen onder A). B Na de herhalingsles tonen de kinderen die de toets onvoldoende hebben gemaakt, alsnog hun kennis van en inzicht in de leerstof van hoofdstuk 5 (volg de aanwijzingen onder B). Activiteiten A verdiepingsopdrachten maken B herhalingsopdrachten maken en samenvatting doornemen verdiepingsopdrachten maken 50 minuten 20 minuten 30 minuten Materiaal A leerlingenboek Themales (blz. 82-83) kopieerbladen Verdiepingsopdrachten 5, opdracht 1 t/m 4 voor de verdiepingsopdrachten (zie ook de betreffende opdrachten): vellen karton houten wasknijpers horloges met secondewijzer of stopwatches stevig papier rietjes paperclips prikpennen of scharen met een scherpe punt grote en kleine plastic flessen met schroefdop eventueel gieters eventueel trechters Daarna hebt u de gelegenheid om met de kinderen die de toets onvoldoende hebben gemaakt, de herhalingsopdrachten door te nemen. U kunt er ook voor kiezen om dit op een ander tijdstip te doen. B Herhalingsopdrachten maken De kinderen die de toets onvoldoende hebben gemaakt, maken de herhalingsopdrachten van kopieerblad Herhalingsblad 5. Ze hebben hierbij bladzijde 68 tot en met 79 van het leerlingenboek nodig. Daarna nemen ze de samenvatting op bladzijde 80 en 81 van het leerlingenboek nog eens door. Vervolgens controleert u of de kinderen de stof nu wel voldoende beheersen. Stel mondeling nog enkele vragen, zoals: Waarvoor dienen de botten in je lichaam? Noem twee functies. Waarvoor dienen je gewrichten? Wat voor soort gewricht zit er in je knie? En in je heup? Uit welke stoffen bestaan je botten? Bij wie breken botten het vlugst? Bij jonge kinderen of oude mensen? Wat doen je spieren? Hoe zitten je spieren aan je botten vast? Noem twee spieren die vanzelf werken. Wat kun je doen om blessures tijdens het sporten te voorkomen? Door welke kracht valt alles naar beneden? Hoe komt het dat een vogel in de lucht kan blijven? Wat voel je als je dieper het water ingaat? Wat is elasticiteit? Noem drie voorwerpen met veerkracht door veren. In welk voorwerp zit een opwindveer? U kunt er ook voor kiezen om de toets nog een keer af te nemen. Hierna kunnen ook deze kinderen met een korte verdiepingsopdracht aan de gang gaan. B leerlingenboek les 1 t/m 4 (blz. 68-79) leerlingenboek Kijk je mee terug? (blz 80-81) kopieerblad Herhalingsblad 5 Lesbeschrijving 50 A Lezen en opdracht kiezen Lees samen met de kinderen bladzijde 82 en 83 van het leerlingenboek en laat ze kijken naar de afbeeldingen. Vertel de kinderen dat ze een van de verdiepingsopdrachten mogen maken. De kinderen kiezen een opdracht en gaan daar zelfstandig mee aan de slag. Aanwijzingen vinden ze op de bijbehorende kopieerbladen (kopieerbladen Verdiepingsopdrachten 5, opdracht 1 t/m 4).

05 Lastige woorden Blad 1 Les 1 Dat is bot! de zenuw Soort draad in je lichaam die signalen doorgeeft naar bijvoorbeeld je hersenen. de flipper Vin van een walvis. Eigenlijk is het zijn hand. Les 2 Sterke spieren verzuren Dit zeg je van spieren die erg moe worden. Ze gaan pijn doen en je kunt kramp krijgen. de blessure Soort verwonding die je krijgt door te sporten, bijvoorbeeld een tennisarm of een pijnlijke rug. masseren Over spieren wrijven. Daardoor verdwijnen afvalstoffen sneller en wordt spierpijn minder.

Lastige woorden 5 Blad 2 Les 3 Krachten om je heen de tank Ruimte in of bij een duikboot waar lucht of water in kan. Les 4 Veren en vering de bodybuilder Iemand die zo hard traint, dat hij grote spieren krijgt. Hij doet dit om er stoer uit te zien.

Samenvatting 5 Blad 1 Beweging Les 1 Dat is bot! Botten zijn hard, ze geven ons lichaam stevigheid. Ze beschermen kwetsbare delen binnen in ons. Sommige botten zijn aan elkaar gegroeid. Dankzij gewrichten kunnen we ons bewegen. Er zijn scharniergewrichten en kogelgewrichten. Bij kinderen groeien de botten. Daarvoor is kalk nodig. Botten kunnen breken, maar de stukken kunnen ook weer aan elkaar groeien. Gewervelde dieren hebben vaak dezelfde soort botten als wij. De botten van vogels zijn hol. Holle botten zijn lichter. schedel sleutelbeen borstbeen ruggengraat ellepijp dijbeen knieschijf schouderblad ribben spaakbeen bekken scheenbeen kuitbeen Les 2 Sterke spieren Wat wij vlees noemen, zijn eigenlijk spieren. Spieren zorgen ervoor dat we ons kunnen bewegen. Een spier kan alleen samentrekken en ontspannen, maar niet duwen. Een aantal spieren, zoals ons hart, werkt vanzelf. Als je spieren veel gebruikt, worden ze moe. Spierpijn en kramp krijg je wanneer er te veel afvalstoffen in de spieren ontstaan. Dat heet verzuren. Door te trainen duurt het langer voor dit gebeurt. Blessures ontstaan vaak door overbelasting van de spieren. Ze zijn te voorkomen door goed te trainen en een warming-up te doen. Maar door een ongelukje kun je toch nog een blessure oplopen.

Samenvatting 5 Blad 2 Les 3 Krachten om je heen De zwaartekracht trekt alles naar de aarde toe. Daardoor valt alles omlaag. Vogels en vliegtuigen blijven in de lucht door lift. Deze opwaartse kracht ontstaat door de vorm van de vleugels. Door de opwaartse kracht in water drijven of zinken voorwerpen. Is iets even zwaar als water, dan zweeft het. Hoe dieper je het water ingaat, hoe meer je de waterdruk voelt. Een vis regelt zijn hoogte met gas in zijn zwemblaas. Het kost kracht om iets in beweging te brengen, maar ook om een beweging te stoppen. Voorwerpen die in beweging zijn, gaan altijd rechtdoor. Er is kracht voor nodig om ze van richting te veranderen. Les 4 Veren en vering Als je een elastiekje uitrekt, stop je er energie in. Laat je het los, dan komt de energie vrij en schiet het elastiekje weg. Dat heet elasticiteit. Als je aan een veer trekt of erop duwt, stop je er ook energie in. Laat je de veer los, dan springt hij terug in zijn oorspronkelijke vorm. De kracht die daarvoor zorgt, heet veerkracht. Er zijn verschillende soorten veren. In een balpen zit een duwveer. Een bodybuilder gebruikt een trekveer. En een wekker zonder batterij wind je op met een opwindveer.

0 5 Herhalingsblad Naam: Beantwoord de vragen. Voor elke vraag staat aangegeven naar welke afbeelding(en) in het leerlingenboek je moet kijken. Zoek de afbeeldingen op in hoofdstuk 5. 1 > bladzijde 68 afbeelding 1 Wat hoort bij elkaar? Trek lijnen. schedel rug dijbeen hoofd ribben arm spaakbeen borst schouderblad been 2 > 3 > 4 > 5 > bladzijde 70 afbeelding 8 bladzijde 72 afbeelding 7 bladzijde 74 afbeelding 2 bladzijde 76 afbeelding 6 De vleugel van een vleermuis is net zo gebouwd als je: arm hand been Wat is het enige dat spieren niet kunnen doen? Verzuren. Ontspannen. Samentrekken. Terugduwen. Welke krachten zijn van toepassing op een vliegtuig in de lucht? 1 2 3 4 Waardoor vliegt de auto bijna uit de bocht? Iets wat in beweging is, wil in beweging blijven. Een voorwerp dat in beweging is, wil altijd rechtdoor. Hoe zwaarder iets is, hoe meer kracht het kost om de beweging te stoppen. 6 > bladzijde 79 afbeelding 4 en 5 Welke soorten veren ken je? Vul in. In een trampoline zitten veren. In een balpen zit een veer. In een wekker zit een veer.

05 Antwoorden herhaling Beantwoord de vragen. Voor elke vraag staat aangegeven naar welke afbeelding(en) in het leerlingenboek je moet kijken. Zoek de afbeeldingen op in hoofdstuk 5. 1 > bladzijde 68 afbeelding 1 Wat hoort bij elkaar? Trek lijnen. schedel rug dijbeen hoofd ribben arm spaakbeen borst schouderblad been 2 > 3 > 4 > 5 > bladzijde 70 afbeelding 8 bladzijde 72 afbeelding 7 bladzijde 74 afbeelding 2 bladzijde 76 afbeelding 6 De vleugel van een vleermuis is net zo gebouwd als je: arm hand been Wat is het enige dat spieren niet kunnen doen? Verzuren. Ontspannen. Samentrekken. Terugduwen. Welke krachten zijn van toepassing op een vliegtuig in de lucht? 1 Voorwaartse kracht. 2 Zwaartekracht. 3 Opwaartse kracht of lift. 4 Windkracht. Waardoor vliegt de auto bijna uit de bocht? Iets wat in beweging is, wil in beweging blijven. Een voorwerp dat in beweging is, wil altijd rechtdoor. Hoe zwaarder iets is, hoe meer kracht het kost om de beweging te stoppen. 6 > bladzijde 79 afbeelding 4 en 5 Welke soorten veren ken je? Vul in. In een trampoline zitten trek In een balpen zit een duw In een wekker zit een opwind veren. veer. veer.

Verdiepingsopdrachten 5 Opdracht 1 Wat zijn de sterkste botten? Wat ga je doen? Zoek uit welke botten het sterkst zijn en het meeste gewicht kunnen dragen: ronde of platte botten. Dit heb je nodig twee vellen karton lijm of plakband twee kleine velletjes papier (half A-vier) Aan de slag 1 Kijk naar het filmpje Geraamte bovenlichaam op www.schooltv.nl/beeldbank. 2 Daarin zie je een aantal platte botten in je bovenlichaam. Ook zie je de ronde botten in je armen. 3 Maak van een vel karton twee kokers die ongeveer even groot zijn als een wc-rol. Zet de rollen op de tafel. Die stellen de ronde botten voor. 4 Leg daar een zwaar boek op. 5 Stapel er steeds meer boeken op. Hoeveel boeken kunnen de rollen dragen? 6 Vouw van het andere vel karton twee smalle rechthoekige kokertjes die even groot zijn als de ronde kokers. Dat zijn de platte botten. 7 Stapel ook daar boeken op. 8 Welke botten zijn het sterkst? De ronde of de platte? 9 Dezelfde proef kun je nog eens uitvoeren met twee kleine vellen papier. Rol het ene vel om een potlood tot een koker en maak die vast met wat plakband. Vouw het andere vel stijf op tot een platte reep. 10 Zet beide op tafel en duw er op met je hand. Duw steeds iets harder. 11 Welk bot knakt het eerst door? 12 Je weet nu welke functie de ronde botten in je benen hebben. Welke functie hebben de platte botten in je bovenlichaam? Wil je meer weten? Kijk dan naar het filmpje Geraamte been op www.schooltv.nl/ beeldbank. Of lees het Informatieboekje Botten ( 40).

Verdiepingsopdrachten 5 Opdracht 2, blad 1 Knijpkracht Wat ga je doen? Je gaat onderzoeken hoe je spieren in je arm en hand werken en hoe sterk je handspieren zijn. Doe dit samen met een klasgenoot. Dit heb je nodig kopieerblad Verdiepingsopdrachten 5, opdracht 2, blad 2: Knijpkracht een houten wasknijper een horloge met secondewijzer of een stopwatch een pen en papier Aan de slag 1 Bekijk afbeelding 1 van de onderarm en de hand op het kopieerblad. Vergelijk die met je eigen arm en hand. 2 Je ziet dat in je arm dikke spieren zitten en in je hand dunne pezen. 3 Voel waar je spieren en pezen zitten. Leg je hand om je pols en beweeg je vingers één voor één. 4 Doe dit ook bij je onderarm. Voel je spieren en kijk naar de pezen in je hand. 5 Test daarna de knijpkracht van je hand. Neem in één hand de wasknijper zoals op afbeelding 2. 6 Je klasgenoot houdt de tijd bij. 7 Knijp gedurende één minuut zo vlug als je kunt de wasknijper open en dicht. Tel hoe vaak je dat doet. 8 Laat de klasgenoot meetellen en het aantal keren dat je in één minuut knijpt opschrijven. Ga door met de tweede minuut. 9 Wat valt je op in de tweede minuut? 10 Doe de test nu met je andere hand. 11 Wat valt je op? Welke hand is sterker? De hand waarmee je schrijft of de andere? Hoe komt dat, denk je? 12 Nu doet je klasgenoot de knijpertest. Jij telt en schrijft op. 13 Wie van jullie tweeën heeft de meeste spierkracht in zijn of haar handen? Wil je meer weten? Zoek dan op internet. Gebruik een zoekprogramma als Google. Typ spieren of spieren in je arm en hand in. Kijk op Klokhuis naar de uitzending over spieren. Kijk ook naar het filmpje Armspieren op www.schooltv.nl/beeldbank.

Verdiepingsopdrachten 5 Opdracht 2, blad 2 Knijpkracht 1 2

Verdiepingsopdrachten 5 Opdracht 3 Vliegtuig in de lift Wat ga je doen? Maak zelf een superzweefvliegtuig en houd een wedstrijd met je klasgenoten. Dit heb je nodig stevig papier rietjes paperclips plakband een schaar Aan de slag 1 Knip uit het papier twee rechte stroken. 2 Maak er twee cirkels van die niet even groot zijn. 3 Plak aan elke kant van het rietje een cirkel. 4 Schuif een paperclip op de neus. 5 Laat je vliegtuig vliegen. 6 Maak een klein en een groot vliegtuig en test ze. 7 Welk model vliegt het verst? Hoeveel meter? En hoeveel seconden blijft het in de lucht? 8 Maak andere modellen vleugels: driehoeken of vierkanten, smalle en brede vleugels. Welke vliegen het best? 9 Vouw ook een aantal modellen zweefvliegtuigjes van papier. 10 Welk soort vliegtuig zweeft het best en het verst? 11 Houd een wedstrijd met je klasgenoten. Gebruik allemaal je beste model. 12 Wat was de verste afstand? Wat was de langste tijd in de lucht? Wil je meer weten? Zoek op www.hetklokhuis.nl naar informatie over zweefvliegen. Kijk ook naar het filmpje Lucht en vliegen op www.schooltv.nl/ beeldbank.

Verdiepingsopdrachten 5 Opdracht 4 Het langste straaltje Wat ga je doen? Wat is nu eigenlijk waterdruk en hoe kun je die zien? Je gaat samen met een klasgenoot proefjes doen en ontdekt het zelf. Dit heb je nodig: een grote en een kleine plastic fles met schroefdop een prikpen of een schaar met een scherpe punt water (een kraan of een gieter) eventueel trechters een liniaal plakband Aan de slag 1 Doe deze proef buiten of zet de flessen in een afwasbak. 2 Teken op elke fles drie stippen boven elkaar. Tussen de stippen moet steeds een afstand van 5 cm zitten. De onderste stip teken je op 1 cm vanaf de bodem. 3 Prik een gaatje in elke stip. 4 Plak de gaatjes af met stukjes plakband. 5 Vul de flessen met water. Doe er geen dop op. 6 Je klasgenoot houdt de flessen vast en jij haalt met één ruk beide onderste plakbandjes eraf. 7 Wat zie je? Welke straal komt het verst? Die van de kleine of van de grote fles? Of zijn ze hetzelfde? 8 Giet de grote fles leeg. Droog de fles af en plak het onderste gaatje weer dicht. 9 Vul de fles met water. Doe er geen dop op. 10 Je klasgenoot houdt de fles vast. Jij trekt met één ruk de drie plakbandjes er tegelijk af. 11 Wat zie je? Welke straal is het krachtigst en komt het verst? 12 Doe dezelfde proef nog eens met de dop op de fles. 13 Doe de proef ook met de kleine fles. 14 Wat weet je nu van waterdruk? Wil je meer weten? Kijk op www.docukit.nl en typ diepzee in. Of kijk naar het filmpje Gevaar bij het duiken op www.schooltv.nl/beeldbank.