Veranderingen Antwoorden

Vergelijkbare documenten
Veranderingen Antwoorden

Formules en grafieken Hst. 15

Noordhoff Uitgevers bv

wiskunde A havo 2017-II

Bij een tonnage van ton (over mijl) kost het 0,75 $/ton totale kosten ,75 = ($).

(g 0 en n een heel getal) Voor het rekenen met machten geldt ook - (p q) a = p a q a

Noordhoff Uitgevers bv

Noordhoff Uitgevers bv

Blok 1 - Vaardigheden

hoogteverandering hellingspercentage 1,8 2,4 2,7 4,4 5,6 4,2 5, =44 klopt

Paragraaf 13.1 : Berekeningen met de afgeleide

Eindexamen wiskunde B1-2 havo 2002-I

Verbanden en functies

Antwoorden Veranderingen van functies vwo5a

Paragraaf 2.1 Toenamediagram

Vraag Antwoord Scores. Het antwoord: 2 (euro) 1. a =

Noordhoff Uitgevers bv

13.0 Voorkennis. Links is de grafiek van de functie f(x) = 5x 4 + 2x 3 6x 2 5 getekend op het interval [-2, 2]; Deze grafiek heeft drie toppen.

Examen HAVO. Wiskunde B1,2 (nieuwe stijl)

Noordhoff Uitgevers bv

Hoofdstuk 8 - De afgeleide

wiskunde CSE GL en TL

6 a 22,5 gram b v = 1,5m. 7 a 1,95 kg b g = 0,78 v c 13 / 0,78 16,7 dm 3. 8 a. b p = 200d

Examen HAVO. wiskunde B1,2

Hoofdstuk 8 - Ruimtefiguren

Eindexamen wiskunde B havo II

Examen HAVO. wiskunde B1,2. tijdvak 1 dinsdag 20 mei uur

Eindexamen wiskunde vmbo gl/tl II OVERZICHT FORMULES: omtrek cirkel = π diameter. oppervlakte cirkel = π straal 2

wiskunde A vwo 2018-I

Eindexamen wiskunde B1-2 havo 2008-I

1. rechthoek. 2. vierkant. 3. driehoek.

Examen VMBO-GL en TL. wiskunde CSE GL en TL. tijdvak 2 maandag 17 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Wiskunde Basis Onderbouw

Kern 1 Lineaire functies

Paragraaf 11.0 : Voorkennis

In het internationale eenhedenstelsel, ook wel SI, staan er negen basisgrootheden met bijbehorende grondeenheden. Dit is BINAS tabel 3A.

Lineaire verbanden. 4 HAVO wiskunde A getal en ruimte deel 1

4900 snelheid = = 50 m/s Grootheden en eenheden. Havo 4 Hoofdstuk 1 Uitwerkingen

wiskunde CSE GL en TL

Examen HAVO. wiskunde B. tijdvak 2 woensdag 22 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Samenvatting Wiskunde Aantal onderwerpen

Hoofdstuk 1 boek 1 Formules en grafieken havo b klas 4

Eindexamen wiskunde B1-2 havo 2003-II

Examen VMBO-KB. wiskunde CSE KB. tijdvak 1 dinsdag 15 mei uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

De antwoorden op de Toets Verhoudingen zijn separaat op deze website opgenomen.

Rekenboek 3 havo/vwo. Antwoorden NOORDHOFF UITGEVERS 2014 REKENBOEK 3 HAVO/VWO ANTWOORDEN 1

wiskunde CSE GL en TL

1.1 Lineaire vergelijkingen [1]

Keuzemenu - Wiskunde en economie

Examen HAVO. wiskunde B1,2. tijdvak 2 woensdag 20 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

wiskunde A vwo 2017-II

De onderstaande waarden in de tabel zet je dan netjes uit in een xy-assenstelsel: naar boven, een negatief getal schuift de parabool naar beneden.

Uitwerkingen Functies en grafieken

Hoofdstuk 4 Vergelijkingen. Kern 1 Numeriek oplossen. Netwerk 4 HAVO B uitwerkingen, Hoofdstuk 4, Vergelijkingen 1

Examen VMBO-KB. wiskunde CSE KB. tijdvak 1 woensdag 22 mei uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Nog een eindexamen met veel vaardigheden Eindexamen Wiskunde A havo 2009-I 2 tabel 1 -getal Draagvermogen (kg)

Noordhoff Uitgevers bv

Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 1

Samenvatting Wiskunde Samenvatting en stappenplan van hfst. 7 en 8

wiskunde CSE GL en TL

Hoofdstuk 2 - De kettingregel

STOF VOOR SCHOOLEXAMEN 1

Met behulp van deze gegevens kan worden berekend welke maximale totale behoefte aan elektrische energie in Nederland er voor 2050 wordt voorspeld.

Antwoorden Wiskunde B Hoofdstuk 1 boek 2

Opdracht 2.1 a t/m c. Er zijn veel mogelijkheden. De vorm hoeft dus niet gelijk te zijn om toch een vierkant van dezelfde grootte te krijgen.

Eindexamen wiskunde b 1-2 havo II

Hoofdstuk 4 - Machtsfuncties

Examen VMBO-KB. wiskunde CSE KB. tijdvak 2 dinsdag 17 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Extra oefening en Oefentoets Helpdesk

wiskunde CSE GL en TL

Eindexamen wiskunde B1-2 havo 2002-II

Hoofdstuk 3: De stelling van Pythagoras

Noordhoff Uitgevers bv

8.1 Inhoud prisma en cilinder [1]

Antwoorden bij 4 - De normale verdeling vwo A/C (aug 2012)

Antwoorden Vorm en Ruimte herhaling. Verhoudingen

Eindexamen wiskunde A pilot havo II

Examen VMBO-GL en TL. wiskunde CSE GL en TL. tijdvak 2 dinsdag 18 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen HAVO. wiskunde B1,2. tijdvak 1 woensdag 30 mei uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Eindexamen havo wiskunde B pilot II

5.7. Boekverslag door P woorden 11 januari keer beoordeeld. Wiskunde B

Tafelkaart: tafel 1, 2, 3, 4, 5

Hoofdstuk 1: Formules en grafieken. 1.1 Lineaire verbanden

13.1 De tweede afgeleide [1]

Examen HAVO. wiskunde B (pilot) tijdvak 2 woensdag 20 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift opgenomen.

Examen VMBO-KB. wiskunde CSE KB. tijdvak 2 dinsdag 17 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

sin( α + π) = sin( α) O (sin( x ) cos( x )) = sin ( x ) 2sin( x )cos( x ) + cos ( x ) = sin ( x ) + cos ( x ) 2sin( x )cos( x ) = 1 2sin( x )cos( x )

Examen HAVO. Wiskunde B1,2 (nieuwe stijl)

voltooid. Hoeveel jaar is dat geleden? Schrijf je berekening op.

Transcriptie:

Veranderingen Antwoorden Paragraaf 4 Opg. 1 5 Opg. Relax 400 van 100 naar 400 is 6 maal 50 min. erbij. Dus ook 6 maal 5,- optellen bij 14,50 en dat wordt 44,50 Relax 1500 van 100 naar 1500 is 8 maal 50 min. erbij. Dus ook 8 maal 5,- optellen bij 14,50 en dat wordt 154,50 Opg. Invullen 18,5 en,- Opg. 4 Zie figuur hiernaast Opg. 5 Relax 150: Y1= 19,50 (x 150) Y= 19,50 + 0,1(x 150) (x 150) Relax 00: Y1= 4,50 (x 00) Y= 4,50 + 0,1(x 00) (x 00) Opg. 6 Opg. 7 40,50 : 0,10 = 405 extra minuten. Totaal dus 905 minuten. Opg. 8 6 uur = 60 minuten Een hoger abonnement is steeds goedkoper dan de extra minuten bijbetalen. Relax 00 met 60 minuten extra kost 4,50 + 60 x 0,1 = 41,70 Dat is goedkoper dan Relax 400. Het advies is neem Relax 00. Opg. 9 Flex 15 Flex 0 Flex 5 Flex 0 Flex 45 Flex 70 Flex 100 75 117,6.. 118 166,6.. 167 0,7.. 1 75 66,.. 66 1000 Opg. 10 Geen vaste toename, -0,0; -0,0; -0,0; -0,01.. Opg. 11 0,11 0,0 = 0,08 per minuut en 5 : 0,08 = 47,50 48 minuten. Opg. 1 lineair verband dus y = ax + b in dit geval MK = am + b a = 5 : -0,0 = 166 dus MK = 166 m + b 1 1 15 = 166 0,0 + b dus b = 48 dus MK = 166 m + 48 Opg. 1 76 0,17 = 1,9 en 76 0,0 = 15,0 verschil is dus,8 euro Opg. 14 Zie figuur rechts Opg. 15 Flex 45, omdat dit overgaat op 0,11 euro minuut. Dat kost dus maar 80 0,11 = 41,80 euro. Opg. 16 Relax 400 kost 4,50 Relax 00 kost 4,50 + 80 0,1 = 44,10 Dus is Flex 45 het goedkoopst. Opg. 17 0 0,0 + 0 0,10 = 9 euro

Opg. 18 0,0 euro aantal munten = 0,X 0,10 euro aantal munten = 0,1Y dit moet samen 10 euro zijn, dus 0,X + 0,1Y = 10 links en rechts maal 10 geeft X + Y = 100 Opg. 19 X 0 1 4 stapgrootte bij Y is steeds min als bij X de Y 100 98 96 94 9 stapgrootte 1 is, dus lineair verband. Of Y = - X + 100 dus lineair verband. Opg. 0 X + Y = 100 dus X + X + Y = 100 en X + Y = 60 dus X = 40 en Y = 0 40 munten van 0 cent en 0 munten van 10 cent. Opg. 1 Iemand wordt 65 en ik wil een zonnebloem met 1 euro geven. X + Y = 10 dus X + X + Y = 10 en X + Y = 65 dus X = 55 en Y = 10 55 munten van 0 cent en 10 munten van 10 cent. Opg. Ik wil iemand die 65 jaar wordt 65 munten geven (van 10 en 0 eurocent) ter waarde van 1 euro Opg. - - - - Paragraaf 5 Opg. 1 18,75 = 58,904.. 58,9 mm 5,75 = 80,896.. 80,9 mm Opg. 80,9 : 58,9 = 1,75 1,7 5,75 : 18,75 = 1,7 1,7 de omtrek en de diameter zijn met dezelfde factor vermenigvuldigd. Opg. De omtrek van het touw is (x + r) = x + r = 40.000 km + r. Opg. 4 Opg. 5 Dus r moet 1 meter worden en r = 1/( ) 0,159 m = 15,9 cm. Of je in de vorige opgave x gelijk laat zijn aan de omtrek van de aarde of de kleinste euromunt, dat maakt niet uit. Dus ook hier 1,8 cm. en O 1 d O r Opg. 6 V = 1,67 (0,5 16,5) = 46,48 46,5 m V = 1,67 (0,5 18,75) = 461,114 461,11 m V = 1,67 (0,5 1,5) = 59,76 59,8 m Opg. 7 G = a V,0 = a 185,9 dus a =,0 : 185,9 = 0,0016601,06 = a 1844,46 dus a =,06 : 1844,46 = 0,0016590,9 = a 69,10 dus a =,9 : 69,10 = 0,0016546 Er is een evenredigheid met evenredigheidsfactor 0,00166 Opg. 8 In de korte brede koker (?) Opg. 9 Het vel is 0 bij 0 cm. De breedte van de korte koker is 0 : 4 = 7,5 de hoogte is 0 De inhoud wordt 0 7,5 = 115 cm De breedte van de hoge koker is 0 : 4 = 5 de hoogte is 0 De inhoud wordt 0 5 = 750 cm Opg. 10 Het verschil is 115-750 = 75 cm De korte koker heeft dus een anderhalf maal zo grote inhoud. Dat lijkt niet zo. Opg. 11,7,7 8 = 8, 400 cm Opg. 1 Dan wordt het grondvlak G groter. Dan wordt hoogte h groter. Opg. 1 4 6 8 10 00 100 66,7 50 40 Opg. 14 De oppervlakte wordt tweemaal zo groot. Opg. 15 - - - - Opg. 16,7,7 +,7 8 4 = 441,78 cm

Opg. 17 Opg. 18 Opg. 19 Opg. 0 Opg. 1 breedte G h Opp. Rechthoek Tot. Opp. 9 44,4 1, 551, 4 16 5 100 4 6 6 11,1 66,4 8,7 7 49 8, 57,1 6,6 8 64 6, 50 8 10 100 4 40 60 Zie figuur rechts. Nee. Het is een horizontale asymptoot. Nee. Het is een verticale asymptoot. Breedte bodem en oppervlakte opstaande rechthoek zijn omgekeerd evenredig. Opg. Probeer afmetingen tussen 7 en 8 7,6 geeft oppervlakte 5,705.. 7,7 geeft oppervlakte 5,701.. 7,8 geeft oppervlakte 5,709.. Dus breedte 7,7 cm is het best. De hoogte wordt dan 7,64 7,6 cm Dit is een kubus (bijna, dat komt door afrondingen) Opg. Bodem = G = x V = h G 400 = h G h = 400 : G = 400 : x Opg. 4 A = x h = x (400 : x ) = 400 : x en dit is dus omgekeerd evenredig. Opg. 5 0,446 1,06 = 0,469156 In 008 K met BTW = 0,469156 x 0,4495 1,06 = 0,47647 In 009 K met BTW = 0,47647x Opg. 6 In 008 K zonder BTW = 0,446 x + 66 x = 1 geeft K zonder BTW = 66,446 neem nu voor x het dubbele. x = geeft K zonder BTW = 66,885 en K is niet ook het dubbele geworden. Dus kosten en waterverbruik zijn niet evenredig. Opg. 7 9 maanden 0,446 en maanden 0,4495 Dan wordt gerekend met (9 0,446 + 0,4495) : 1 = 0,4445 0,444 Opg. 8 A omgekeerd evenredig. B C evenredig. Want van naar 7 is maal 7 : En 7,4 maal 7 : 59,90 Zo moet je ook de rest controleren. Opg. 9 68 : 1,7 =,98.. dat klopt dus. G 1 Opg. 0 Q G 0,80.. G 0, 4G evenr.constante is dus 0,4 1,7 1,7 Opg. 1 0 = 0,4G dus G = 0 : 0,4 = 58,8.. 59 te mager onder de 59 kilo. 5 = 0,4G dus G = 5 : 0,4 = 7,9.. 74 neiging tot overgewicht boven de 74 kg. Opg. AC = 6,8 cm en AB = 11 cm AB : AC = 11 : 6,8 1,618 Opg. De deling komt uit op 1,618 Opg. 4 Er komt steeds hetzelfde uit. Dus lengte been = 1,618 lengte basis Opg. 5 Nee, ik verwacht dat grotere pakken relatief goedkoper zijn. Opg. 6 Je zou verwachten dat beide recht evenredig zijn. Maar met narekenen is dat bij de hoeveelheid waspoeder en de inhoud van de doos niet zo. De verhouding inhoud : hoeveelheid waspoeder verschilt: 14,5 9,5 16,5 / 1,15 1871 19,5 9,5 /,7 1578 Bij de hoeveelheid wasbeurten en de hoeveelheid waspoeder klopt het wel: 18 / 1,15 = 40 /,7 14,815 Opg. 7 Totale opp = 6 opp grensvlak (kubus) Totale opp = 0 opp grensvlak (isocaëder)

Opg. 8 V =,1817 x =,1817 I Opg. 9, 1,, φ (gulden snede) (verhouding inhoud en ribbe kubus) Opg. 40 Paragraaf 6 1. B.. x is evenredig met y Als x (of 6) maal zo groot wordt, dan wordt y ook (of 6) maal zo groot. x is omgekeerd evenredig met y Als x (of 6) maal zo groot wordt, dan wordt y (of 6) maal zo klein. jaar 0 1650 1850 190 1975 199 aantal 10 8 5 10 8 1 10 9 10 9 4 10 9 5,506 10 9. In de periode 1975-199 (ruim 1,5 miljard in 18 jaar, tegen miljard in 45 jaar in de periode ervoor). 4. 0-1650: 0,18 miljoen (of 180.000) per jaar. 1850-190: 1,5 miljoen per jaar. 190-1975: 44,4 miljoen per jaar. 1975-199: 8,7 miljoen per jaar. 5. In een jaar groeit de wereldbevolking van 100% naar 101,7%, en 101,7 : 100 = 1,017. 6. N =,51 10 9 1,017 t. 7. Grafiek van N snijden met grafiek van N = 10.000.000.000 geeft t 81,7 (of via 1,017 log (10/,51)) en daarbij hoort 1950+81,7 = 01,7. Dus ergens in 01 overschreidt de bevolking volgens de formule de grens van 10 miljard (of in 0 als het aantal inwoners eind van 1950 gemeten is). 8. Er is in 009 sprake van een afnamepercentage van tussen 15 en 0%, dus sterk. De economische crisis is de vermoedelijke oorzaak. 9. Eerst in 006-007 afnemend stijgend, daarna in 008-009 toenemend dalend. 10. Gelijkmatige daling Toenemende daling Afnemende daling 11. (9, 1,9):5 = 8,1 dus een afname met gemiddeld 810 immigranten per jaar in 000-005. (147, 9,):4 = 1,75 dus een toename met gemiddeld 1750 immigrangen per jaar in 005-009. 1. Emigratie:toename tot 007, daarna afname. Geboortes: Geleidelijke afname tot 007, daarna lichte stijging. Huwelijken: Met enkele schommelingen per saldo een afname. Naar 001 toe een flinke toename, daarna lichte afname met wat schommelingen. Bevolkingsgroei: Flinke afname van de groei tot 006, daarna weer toename. 1. Dik doorgetrokken: Geboorten. Streepjeslijn: Sterfte. Streep-punt: Immigratie. Puntjes: Emigratie. Dun doorgegrokken: Bevolkingsgroei. 14. Sinds 006 neemt de bevolkingsgroei weer toe met gemiddeld (91,8-,8):4 1000 = 17000 inwoners per jaar. Dus de toenames in 010-01 worden dan 108,8; 15,8; 14,8; duizend. Opgeteld bij 16,5 miljoen (16500 duizend) geeft ongeveer 16,9 miljoen inwoners eind 01. 15. 400/T geeft het aantal meters per seconde. Dit moet vermenigvuldigd met 600 (60 60) om het aantal meters per uur te krijgen, en daarna gedeeld door 1000 om er km per uur van te maken. 600:1000 geeft dan de factor,6. 16. Je kunt de formule herschrijven als V = 1440/T. Of: V T = 1440.

17. Ronde 800-400 400-4600 4600-5000 Gehele afstand Rondetijd Kramer 0,0 0,5 0,61 74,60 Rondetijd Lee 9,51 9,54 9,6 76,95 Gemiddelde snelheid Kramer 47,95 47,17 47,04 48,05* Gemiddelde snelheid Lee 48,80 48,75 49,1 47,75* *V =,6 5000/T Lee reed de laatste drie ronden sneller dan zijn gemiddelde snelheid over de hele afstand, Kramer langzamer. 18a. Op interval [5,10]:. Op interval [0,5]:. b. De waarde kruipt dichter naar nul, dat zie je in de grafiek terug in een steeds horizontaler grafiek. 19a. Interval Gemiddelde verandering [0,1] 0,6598 [0,] 0,868 [0,6] 1,1785 [0,9] 1,91 [0,1] 1,899 b. Via verstandig proberen zie je dat het maximum is op het interval [0,10]. Dit is ongeveer gelijk aan 1.4. c. (Schets op papier maken - aflezen) Ongeveer 1,5. d. De antwoorden zijn ongeveer gelijk. Inderdaad moet de raaklijn het punt met de grootste helling dus de grootste gemiddelde verandering geven. 0. Ook hier ligt de overgang bij x = 9,6167. Dus [0;9,6167] toenemend stijgend en [9,6167, > afnemend stijgend. 1. De helling is daar nog maar 0,0 de grafiek loopt bijna horizontaal.., dus H en y zijn omgekeerd evenredig. H y = 0, dus is een horizontale grafiek.. Als x toeneemt neemt y af maar de waarde van H neemt juist toe. 4. De linkse grafiek beslaat meer dagen, geeft minder details per dag doordat maar 1 meting wordt weergegeven. De horizontale as geeft bij de linkse grafiek 0,1, enz., bij de rechtse grafiek staan data. Voordelen/nadelen: klassengesprek. 5a. Ongeveer 1 mrt-4 april. b. Avond 1 april tot middag april. c. (997-104)/ 15, cm per dag.