Thema 1 vriendschap lesmenu taal
|
|
|
- Veerle de Meyer
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Thema 1 vriendschap lesmenu taal Over het thema Elk thema van Taal actief begint in week 1, 2 en 3 met een ankerverhaal. Het ankerverhaal is het vertrekpunt voor de lessen van die week. De lesdoelen worden vervolgens in betekenisvolle contexten aangeboden. Drie verhalen vormen de rode draad in het thema Vriendschap. domein doel materialen dag les lesdoel week 1 woordenschat taal verkennen spreken en luisteren schrijven herhaling taalboek werkboek taal oefenbladen plusboek dag- of weektaak dag 1 1a De kinderen leren de betekenis van 12 themawoorden. 1b De kinderen consolideren de betekenis van 12 themawoorden. dag 2 2 De kinderen leren wat een zelfstandig naamwoord is. dag 3 3 De kinderen herkennen inleiding, kern en slot in een gesproken tekst. dag 4 4 De kinderen herkennen lidwoord en zelfstandig naamwoord in een zin. dag 5 5 De kinderen passen de leerstof van week 1 toe. woordspel De kinderen consolideren de betekenis van 12 themawoorden. week 2 dag 1 6a De kinderen leren de betekenis van 12 themawoorden. 6b De kinderen consolideren de betekenis van 12 themawoorden. dag 2 7 De kinderen kunnen een samenstelling maken van twee zelfstandige naamwoorden. dag 3 8 De kinderen kunnen een gedicht zonder rijm schrijven. dag 4 9 De kinderen leren het alfabet. dag 5 10 De kinderen passen de leerstof van week 2 toe. woordspel De kinderen consolideren de betekenis van 12 themawoorden. week 3 dag 1 11a De kinderen leren de betekenis van 12 themawoorden. 11b De kinderen consolideren de betekenis van 12 themawoorden. dag 2 12 De kinderen leren wat een woordspin is. dag 3 13 De kinderen kunnen een persoonlijk verhaal schrijven. dag 4 14 De kinderen oefenen samen voor de toets. woordspel De kinderen consolideren de betekenis van 12 themawoorden. dag 5 toets De kinderen maken de toets. week 4 (na de toets) dag 1 15 De kinderen herhalen de toetswoorden. dag 2 16 De kinderen leren wat een zelfstandig naamwoord is. dag 2 17 De kinderen herkennen lidwoord en zelfstandig naamwoord in een zin. dag 3 18 De kinderen kunnen een verhaal navertellen. dag 4 19 De kinderen kunnen een samenstelling maken van twee zelfstandige naamwoorden. dag 4 20 De kinderen leren het alfabet. dag 5 21 De kinderen oefenen de doelen in spelvorm. Optioneel De oefenbladen en het plusboek zijn geen verplichte onderdelen. De oefenbladen bieden extra oefenstof bij elke les taal verkennen in week 1-3. Het plusboek bevat uitdagende lesstof voor taalbegaafde kinderen. Het vervangt gedeeltelijk de lessen taal verkennen in het taalboek. 2
2 Dag- of weektaak Week 1-3 De volgende activiteiten kunt u opnemen in de dag- of weektaak: week 1 les 1b woordspel les 5 week 2 les 6b woordspel les 10 week 3 les 11b woordspel In week 1, 2 en 3 zijn twee woordenschatactiviteiten opgenomen. De kinderen kunnen deze activiteiten na het ankerverhaal (les 1a, 6a, 11a) zelfstandig uitvoeren. In les 5 en 10 passen de kinderen toe wat ze in respectievelijk week 1 en 2 hebben geleerd. Deze lessen kunnen de kinderen zelfstandig maken nadat de woordenschatles en de lessen taal verkennen van de betreffende week zijn gegeven. Week 4 De toetsresultaten bepalen deze week de activiteiten van de kinderen. U kunt deze week de taakbrief taal gebruiken. In dit document kruisen de kinderen zelf aan waar ze in week 4 aan gaan werken. Kinderen die een voldoende tot goed hebben gescoord, starten zelfstandig met de - of -opdracht van les 15, 16, 17, 19 en 20. Kinderen die met het plusboek werken en een goede tot zeer goede score op de taaltoets hebben behaald, werken zelfstandig verder in het plusboek. In deze week hebt u uw handen vrij om de kinderen die dat nodig hebben instructie te geven. Themawoorden week 1 week 2 week 3 ankerverhaal woorden van de dag: taal woorden van de dag: spelling de onbekende, de bekende, de boezemvriend, de redder, het gevaar, de veiligheid, de stakker, de ramp, de handtekening, de kameraad, vluchten, de stam de held, de lafaard, dapper, laf, een oogje hebben op, een kleur krijgen, hevig, alsmaar, met opzet, boffen, het talent, het bewijs haten, de vijand, optrekken met (iemand), de , het beeldscherm, de laptop, de toets, de kans, driemaal is scheepsrecht, het praatje, de tekstballon, de denkwolk de woning, de inleiding, de kern, het slot, de kruin de hooikoorts, het gedicht, het alfabet de korf, persoonlijk, de titel, de hulp de medeklinkers, het brons de sprint, een dienst bewijzen de welp, het merk Spellingcategorieën week 1 categorie strategie voorbeeldwoord 1a woorden met twee medeklinkers aan het begin of aan het eind luisterwoord k l a p t e n t week 2 week 3 1a woorden met twee medeklinkers aan het begin of aan het eind 1b woorden met drie medeklinkers aan het begin 1b woorden met drie medeklinkers aan het eind 2a woorden met twee medeklinkers aan het eind met tussenklank na l 2b woorden met twee medeklinkers aan het eind met tussenklank na r luisterwoord luisterwoord luisterwoord luisterwoord luisterwoord p l a n t s t r i k w o r s t w o l k b e r g 3
3 Thema 1 vriendschap week 1 instapspel Lesdoelen Materiaal De kinderen maken kennis met het taalboek van Taal actief. De kinderen krijgen een voorproefje van wat ze dit jaar gaan doen. Lesduur Taalboek, blz. 6-7 Antwoordenboek taal Per groepje van vier kinderen: 3 pionnen 1 dobbelsteen pen en papier 40 minuten STAP 1 Introductie 1 Vertel de kinderen dat ze kennis- maken met het taalboek waarmee ze dit jaar gaan werken. Ze gaan een spel spelen met daarin verschillende opdrachten. De speler die de meeste punten behaalt, wint het spel. TAALBOEK Instapspel STAP 2 Werkafspraken 1 Verdeel de kinderen in groepjes van vier en deel de materialen uit. 2 Neem samen met de kinderen de spelregels door. Leg uit dat er in ieder groepje een spelleider is: iemand die de antwoorden controleert en de score bijhoudt. De spelleider kan de antwoorden opzoeken in het antwoordenboek taal. Er wordt doorgespeeld tot iedereen de finish heeft gehaald. De speler die als eerste de finish haalt, krijgt twee bonuspunten. 3 Laat samen met een groepje zien hoe het spel gespeeld wordt. Neem zelf de rol van spelleider op u. Zorg ervoor dat een opdracht taal verkennen en een opdracht woordenschat aan bod komen. schat woorden C C! C. eren Eerst prob den in het kaartje or Lees de wo goed? nog niet n de or Ken je wo Begin bij Dit heb je nodig 1 dobbelsteen leren en. Dit ga je mawoord fent de the VoorJe oeelke speler een pion ing en Antwoordenboek taal mvriend de handtek de boeze raad de kame Pen en papier de vriend de ramp e de bekend bekende de stakker de stam de on Vooraf vluchten id den? or de veilighe wo e Kies eendeleider. redder Ken je all Begin bij d. rd vaar De leider speelt niet mee. ede woor het gezelf er het go eelt. elk numm meeste sp haal. 1 Zoek bij end met wie je het bij het ver de n Hij controleert iekenantwoorden ieennd vr m ze : je mag sp 1 De vri oe Tip b : de en houdt de score bij. Doe het zo ng bent. dat je baan is. d die zielig at om 2 Ieman el weg ga n vast. 3 Als je sn t ongeluk. n boom aa oo ken van ee 4 Een gr ten de tak 5 Daar zit keent. j je die d 6 Iemaan Het spel Gooi met de dobbelsteen. Ga zoveel rondjes vooruit. Zoek de opdracht: e de stakker de bekend de ramp 10 G Ga naar bladzijde 10 iin je taalboek. vriend de stam 10 vluchten de boezem Kijk bij. Kies uit de opdracht één vraag. Let op: het mag geen vraag zijn die al geweest is. Zeg het antwoord. De leider kijkt of het antwoord goed is. De volgende speler is aan de beurt. De score Voor elk goed antwoord krijg je 1 punt. Ben jij als eerste bij het einde? Dan krijgt je 2 punten extra. De leider houdt de score bij. De winnaar Speel door tot iedereen bij het einde is. Tel je punten op. De speler met de meeste punten is de winnaar. = Gooi nog een keer. = Sla één beurt over. 6 4
4 Aanwijzingen bij de les De kinderen leren het taalboek kennen dat ze het komende half jaar gaan gebruiken. In de vorm van een spel komt de leerstof in de lessen taal verkennen en woordenschat voorbij. Leg voor aanvang van de les de materialen klaar. Heeft u niet genoeg antwoordenboeken? Download dan een antwoordblad vanaf MijnMalmberg.nl. STAP 3 Zelfstandig werken 1 De kinderen spelen het spel zelfstandig. Als ze klaar zijn, en er is nog tijd over, kunnen ze het spel nogmaals spelen met een nieuwe spelleider
5 STAP 1 Introductie 1 Vertel de kinderen dat ze vandaag beginnen met een nieuw boek: het taalboek. Het eerste thema van het nieuwe boek is vriendschap. Eerst leren we een aantal nieuwe woorden en daarna lezen we een verhaal over Jubelientje en haar vriendje Dirk-Jan. STAP 2 Instructie 1 Voorbewerken cluster 1 Laat de krant met de foto van de onbekende persoon zien. Vraag wie het is. 2 Lees het script op bladzijde 58 voor. Script We weten niet wie dit is. Dit is een onbekende. Een onbekende is iemand van wie je de naam niet weet, iemand die je niet kent. Laat de foto van uzelf/uw collega zien. Wie is dit? Dit is [juf/meester ]. Dit is een bekende. Zie voor het volledige script bladzijde Schrijf de naam op van je allerbeste vriend(in). Geef de kinderen even de tijd om de naam op te schrijven. Wie heeft iemand gekozen die niet in deze groep zit? Laat alle kinderen gaan staan. Voor wie is [naam van de vriend(in)] een onbekende? Deze kinderen gaan zitten. Voor wie is het een bekende? Deze kinderen gaan zitten. Voor wie is het een vriend? Deze kinderen gaan zitten. Voor wie is het een boezemvriend? Het laatste kind gaat zitten. Maak tot slot samen met de kinderen de woordtrap op het bord. Thema 1 vriendschap week 1 Les 1a ankerverhaal Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen leren de betekenis 30 minuten van twaalf themawoorden. cluster 1 de boezemvriend de vriend de bekende de onbekende cluster 2 TAALBOEK thema 1 week 1 Dag groep 4 de veiligheid vriendschap Ik schrijf boeken en verhalen. Veel boeken gaan over. heeft een eigen handtekening: is haar boezemvriend. lijkt op mijn dochter. Mijn dochter heeft een lief wit hondje. Dat hondje is haar kameraad. Het speelt soms mee in een boek. Kijk maar in krijgt jonkies. Groeten van, Hans Hagen de redder het gevaar Taalboek, blz. 8-9 Een krant van de dag Een foto van uzelf of een collega Help! Kijk, zegt. Een slak op het glas. Hij wijst naar het raam. O, o, zegt. De slak glijdt uit. Die stakker valt! Ik ga hem redden. pakt de slak. Ze zet hem in het gras. Daar kruipt nog een en slak. Dag slijmbal, zegt. Geen ruzie maken, hè! Kijk, zegt. Een duif op de straat. Hij eet een korst brood O, o, roept. Er komt een auto aan. We moeten hem redden. Ksst, dikke duif. Vlucht vlug! De duif vliegt weg. Net op tijd. Met het brood in zijn snavel. 8 6
6 Aanwijzingen bij de les Hier bent u aan het woord. U semantiseert de woorden en stelt hierbij geen vragen aan de kinderen. Het uitleggen van de woorden vindt plaats in drie stappen. U start met de voorbewerking, legt de woorden uit en eindigt met een interactief moment (het gouden uitje). Essentieel is dat u de oranje woorden en hun betekenis een aantal keren expliciet noemt. Er worden steeds twee clusters van woorden aangeboden. De semantisering is vastgelegd in een script. In dit thema zijn steeds de eerste zinnen van dit script opgenomen. Het volledige script vindt u op bladzijde 58. ziet een man. Hij draagt een zak en een tas. Het staat op rood. O, o, zegt. Hij kan niet op het knopje drukken. We moeten hem redden. Ik druk de knop wel in. Het springt op groen. Dank je wel, zegt de man. Wij zijn de redders, zegt. Wij zijn stoer en sterk en nóóit bang. Waf waf-waf! Stóp Bor, roept een vrouw. Hó Fik, híér en áf! Twee wilde honden. Ze rennen over de stoep. Vlug naar die boom! gilt. Klim naar de top! De honden staan rechtop tegen de stam. Grrr grrr waf-waf! af! Wat een ramp, zegt. O, o... ze moeten ons redden! Jubelientje Dirk-Jan Stoplicht Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-2 stap 3 stap 3 stap 1-2 Noteer de vragen over het ankerverhaal (stap 3.2) voor groep A en B op het bord. themawoorden de onbekende Iemand die je niet kent. de bekende Iemand die je kent. de boezemvriend De vriend met wie je het meeste speelt. de redder Iemand die een ander helpt als er iets ergs gebeurt. het gevaar Als er iets ergs kan gebeuren. de veiligheid Als er niets ergs kan gebeuren. de stakker Iemand die zielig is. vluchten Als je vlucht, ga je snel weg omdat je bang bent. de stam Deel van de boom waar de takken aan vast zitten. de ramp Een groot ongeluk. de handtekening Je naam op je eigen manier geschreven. de kameraad Een goede vriend. 9 4 Voorbewerken cluster 2 Ga op een tafel staan en doe of u er bijna afvalt. Vraag aan een kind of hij u wil helpen om van de tafel af te komen (spreek dit eventueel van tevoren af). 5 Lees het script op bladzijde 58 voor. Script Ik was net in gevaar, omdat ik bijna van de tafel viel. Het gevaar betekent dat er iets ergs kan gebeuren. Gelukkig kwam [naam kind] me helpen. Hij was mijn redder. Een redder is iemand die iemand anders helpt als er iets ergs gebeurt. Zie voor het volledige script, bladzijde Ben je zelf wel eens in gevaar geweest? Of heb je wel eens iemand gezien die in gevaar was? Kwam er toen een redder? Lukte het om die persoon in veiligheid te brengen? Laat de kinderen dit eerst in tweetallen bespreken. Let er bij de nabespreking op dat de clusterwoorden genoemd worden. Maak tot slot samen met de kinderen de woordspin op het bord. STAP 3 Tekst lezen 1 Lees het verhaal en de kadertekst voor of laat de kinderen het verhaal en de kadertekst zelfstandig lezen. Wijs de kinderen erop dat ze, als ze een woord moeilijk vinden, de betekenis kunnen opzoeken naast de tekst. Besteed aandacht aan de overige woorden. Zijn alle betekenissen duidelijk? 2 Bespreek het verhaal kort na door het stellen van enkele vragen. Wie zijn de redders in het verhaal? Wie brachten de redders in veiligheid? Wat gebeurde er aan het einde van het verhaal met de redders? Zorg ervoor dat de themawoorden bij het bespreken van de vragen zo vaak mogelijk aan bod komen. 7
7 Thema 1 vriendschap week 1 Les 1b woordenschat Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen consolideren de betekenis van twaalf themawoorden. Taalboek, blz Antwoordenboek taal, blz minuten STAP 4 Werkafspraken 1 Laat de kinderen de woorden bij Dit ga je leren bekijken. Zijn er woorden bij die ze nog niet kennen, dan beginnen ze bij. Kennen ze de woorden al, dan beginnen ze bij. Overleg met kinderen die twijfelen en de kinderen voor wie u een andere keuze hebt gemaakt. 2 Wijs de kinderen op de woorden naast het verhaal. Je mag spieken. STAP 5 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Extra In de handleiding treft u het symbool aan. Dit betekent dat er meerdere antwoorden mogelijk zijn. Wijs de kinderen hier eventueel op. thema 1 les 1 TAALBOEK week 1 Eerst proberen Lees de woorden in het instap-kaartje. Ken je de woorden nog niet goed? Begin bij Ken je alle woorden? Begin bij 1 Zoek bij elk nummer het goede woord. 1 De vriend met wie je het meeste speelt. Doe het zo: de boezemvriend 2 Iemand die zielig is. 3 Als je snel weg gaat omdat je bang bent. 4 Een groot ongeluk. 5 Daar zitten de takken van een boom aan vast. 6 Iemand die je kent. Dit ga je leren Je oefent de themawoorden. de handtekening de kameraad de ramp de stakker de stam vluchten de redder het gevaar de bekende de veiligheid Tip: je mag spieken bij het verhaal. de stam woordenschat de boezemvriend de vriend de bekende de onbekende de stakker de ramp 10 vluchten de boezemvriend Antwoorden 1 1 de boezemvriend 2 de stakker 3 vluchten 4 de ramp 5 de stam 6 de bekende 2 1 fout 2 goed 3 goed 4 fout 5 goed 6 fout 7 goed 8 goed 8
8 Aanwijzingen bij de les Tijdens het maken van de opdrachten mogen de kinderen spieken bij de themawoorden naast het ankerverhaal. De themawoorden van deze week worden ook aangeboden in het woordspel in het werkboek. U kunt deze spellen op een zelfgekozen tijdstip laten maken door de kinderen. Combinatiegroepen groep A groep B stap 4-5 les 2 stap 1-4 dag- of weektaak: groep A: woordspel groep B: les 1, woordspel Stap 6: bespreek de uitstapkaart met groep A op een moment naar keuze. 2 Is de zin goed of fout? 1 Als je in veiligheid bent, loop je gevaar. Doe het zo: fout 2 Als je iemand redt, ben je een redder. 3 Een stakker is iemand die zielig is. 4 Een kameraad is een onbekende. 5 Een handtekening zet je onder een brief. 6 Een klein ongelukje heet een ramp. 7 De takken zitten vast aan de stam. 8 Vluchten is wegrennen bij gevaar. STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Wie heeft gespiekt en waarom? Benadruk dat spieken de kinderen helpt om de woorden te leren. Vraag de kinderen naar de woorden die nieuw voor hen waren. EXTRA OEFENEN Bespreek met de kinderen wanneer ze het woordspel gaan maken. 3 Vandaag komt er een nieuw kind in de klas. Juf vertelt dat hij Hamza heet. Maak het verhaal af. Gebruik deze woorden: de boezemvriend de bekende de onbekende Doe het zo: Hamza is nu nog een onbekende. Naast het verhaal staan de woorden. Bij elk woord staat een uitleg. Heb je gekeken bij die uitleg? Kies uit: ja een beetje nee 11 3 Bijvoorbeeld Hamza is nu nog een onbekende. Maar na een paar dagen wordt hij een bekende. Misschien wordt hij later wel mijn boezemvriend. 9
9 STAP 1 Introductie 1 Ik loop naar het dinges [bord], daar pak ik de dinges [stift]. Ik vraag aan dinges [wijs een kind aan]: Waarom is het handig als dingen een naam hebben? (Omdat je dan snapt waar het over gaat.) De woorden voor mensen, dieren en dingen noem je zelfstandige naamwoorden. Vandaag ga je leren wat dat zijn. Thema 1 vriendschap week 1 Les 2 taal verkennen Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen weten wat een Taalboek, blz minuten zelfstandig naamwoord is. Antwoordenboek taal, blz. 5 Plusboek STAP 2 Instructie 1 Neem Dit moet je weten met de kinderen door. Laat de kinderen nog andere voorbeelden van woorden voor mensen, dieren en dingen noemen. (Bijvoorbeeld vrouw, kind, hond, hamster, bal, jas.) Hoe vind je een zelfstandig naamwoord in de zin? (Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier of ding.) 2 Schrijf op het bord: De juf haalt een pen uit haar tas. Welke zelfstandige naamwoorden zie je in deze zin? Doe hardop voor hoe u de zelfstandige naamwoorden in de zin vindt. De juf is een mens, dus dat is er een. Een pen en haar tas zijn dingen, dus dat zijn de andere. Zie je er nog meer? (Nee.) 3 Geef enkele voorbeeldzinnen (zonder eigennamen) en laat de kinderen op dezelfde wijze de zelfstandige naamwoorden benoemen. Vraag steeds: is het een woord voor een mens, dier of ding? TAALBOEK thema 1 week 1 les 2 Eerst proberen Schrijf de zelfstandige naamwoorden op. 1 Een slak zit op het glas. Doe het zo: slak, glas 2 De duif eet het brood. 3 De man draagt een tas. Heb je een fout? Begin bij Heb je alles goed? Begin bij 1 a Schrijf de zelfstandige naamwoorden op. Schrijf eerst de mensen op. Doe het zo: jongen b Schrijf de dieren op. Doe het zo: hond poes klimrek taal verkennen Dit ga je leren Je leert wat een zelfstandig naamwoord is. Dit moet je weten Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier of ding. man kat fiets boom juf STAP 3 Oefenen c Schrijf de dingen op. Doe het zo: voetbal bank 1 De kinderen maken item 2 en 3 van Eerst proberen. Bij het eerste item zien ze wat de bedoeling is. 2 Kijk de items samen na. Vraag een paar kinderen hoe ze die woorden hebben gevonden. Herhaal nogmaals: een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier of ding. Extra Het is niet fout als de kinderen ook de bijbehorende lidwoorden opschrijven. 12 meisje muis jongen voetbal hond Antwoorden Eerst proberen 1 slak, glas 2 duif, brood 3 man, tas 1 a jongen, juf, meisje b hond, poes, muis c voetbal, bank, klimrek, boom 10
10 Aanwijzingen bij de les De kinderen hoeven de term zelfstandig naamwoord alleen passief te kennen. Ze hoeven de term niet zelf te gebruiken. 2 Schrijf de zelfstandige naamwoorden op. 1 Dit is een foto van mijn nieuwe woning. Doe het zo: foto, woning 2 Er staat een boom voor mijn huis. 3 Ik schop de bal naar mijn broer. 4 Stuur je me snel een brief? 5 Je bent mijn beste vriend! Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-4 stap 5 stap 5 les 3 stap 1-2 Stap 6: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. de woning Een huis of een flat. STAP 4 Werkafspraken 1 Kinderen die alles goed hebben, beginnen bij. Kinderen die niet alles goed hebben, beginnen bij. Overleg met kinderen die twijfelen en de kinderen voor wie u een andere keuze hebt gemaakt. STAP 5 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Verlengde instructie Schrijf een voorbeeldzin op: Het kind geeft de hond een bal. Van welke woorden voor een mens, dier of ding kun je een plaatje tekenen? Teken plaatjes van het kind, een hond en een bal. Geef zo nog enkele voorbeeldzinnen. De woorden voor een mens, dier of ding waar je een plaatje van kunt tekenen, zijn zelfstandige naamwoorden. Laat de kinderen zoveel mogelijk dingen uit de klas benoemen. Vraag steeds: is het een woord voor een mens, dier of ding? Zo ja, dan is het een zelfstandig naamwoord. Maak de eerste twee items van opdracht 1 samen. Daarna gaan de kinderen zelfstandig aan de slag. 3 Ken jij een woord dat rijmt? Het moet een zelfstandig naamwoord zijn. 1 slak Doe het zo: slak - dak 2 kat 3 zak 4 tas 5 huis 6 beer 2 1 foto, woning 2 boom, huis 3 bal, broer 4 brief 5 vriend 3 Bijvoorbeeld 1 slak dak 2 kat lat 3 zak gebak 4 tas das 5 huis luis 6 beer speer Heb je het instap-kaartje gebruikt? Kies uit: ja een beetje nee 13 STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Wie heeft de instapkaart gebruikt, waar en op welke manier? Hoe heeft dat geholpen? 2 Wie weet wat een zelfstandig naamwoord is? Wie vindt het nog lastig om het zelfstandig naamwoord te vinden? Vraag enkele kinderen om een zelfstandig naamwoord te noemen. Benoem waarom het zelfstandige naamwoorden zijn. Extra Kopieer een stukje tekst en deel het uit aan alle kinderen. Hoeveel zelfstandige naamwoorden kunnen ze vinden? 3 In les 5 komt het zelfstandig naamwoord nog een keer terug. EXTRA OEFENEN Print/kopieer het oefenblad. 11
11 Thema 1 vriendschap week 1 Les 3 spreken en luisteren Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen kunnen de Werkboek taal, blz minuten structuur van de praatsoort Audiofragment/filmpje of herkennen in inleiding, kern luistertekst blz. 59 en slot. De kinderen kunnen een persoonlijk verhaal (anekdote, belevenis, ervaring) vertellen. STAP 1 Verkennen 1 Neem de instapkaart met de kinderen door. 2 Zeg dat de kinderen zo meteen naar een verhaal gaan luisteren. Lees samen de tekst bij opdracht 1. 3 Laat de luistertekst horen of lees de tekst op bladzijde 60 voor. De kinderen kruisen aan als ze het onderdeel in het verhaal herkennen. 4 Bespreek het verhaal na. Welke stappen heb je herkend in het verhaal? Wat gebeurde er in de inleiding, de kern en het slot? WERKBOEK thema 1 week 1 les 3 1 Verkennen Luister naar het verhaal. Let goed op de inleiding, de kern en het slot. Hoor je het? Zet dan een kruisje. De inleiding a Ik hoor over wie het gaat. a Ik hoor waar het is. a Ik hoor wanneer het is. Dit ga je leren spreken en luisteren en het slot van een verhaal herkent. Je leert hoe je een verhaal vertelt. Dit moet je weten Een verhaal heeft drie delen: de inleiding de kern het slot STAP 2 Voorbereiden 1 De kinderen bedenken zelf een onderwerp voor een verhaal. Extra Help kinderen die moeite hebben met het bedenken van een onderwerp. Bekijk samen de ideeen op de rechterpagina van het werkboek. 2 Neem de praathulp stap voor stap door. Vul op het bord een voorbeeld van de praathulp in. Gebruik daarvoor een eigen, persoonlijk verhaal. Door hardop te denken, horen en zien de kinderen hoe de praathulp tot stand komt. Extra De kinderen werken voor het eerst met een praathulp. Ze hoeven alleen losse woorden in te vullen. Benadruk dat het een hulpje is bij het vertellen straks. Als ze fouten maken in de spelling van de woorden, is dat niet erg. 3 De kinderen vullen hun eigen praathulp in. Benadruk dat ze dit kort moeten doen, het mag in steekwoorden. Extra Kinderen die moeite hebben met het invullen van de praathulp helpt u aan de instructietafel. 4 De kern a Ik hoor wat er gebeurt. Het slot a Ik hoor hoe het afloopt. 2 Voorbereiden a Straks ga je een verhaal vertellen. Over iets wat jij gedaan hebt. Mijn verhaal gaat over: Tip: kijk rechts bij idee. b Vul de praathulp in. Tip: schrijf alleen losse woorden op. 3 Spreken en luisteren Vertel om de beurt je verhaal. Gebruik de praathulp. 4 Napraten Denk terug aan het verhaal van je buur. Vul de luisterhulp in. de inleiding Het begin. de kern Het midden. het slot Het einde. 12
12 Aanwijzingen bij de les Hardop denken is het verwoorden van de denkstappen. De volgende stappen kunt u zelf hanteren tijdens het hardop denken: Inhoud bedenken: waar zal ik eens over vertellen? Voorspellingen doen: ik denk dat jullie dit een grappig verhaal vinden. Zelfcontrole: o, dat heb ik niet duidelijk uitgelegd. Becommentariëren: dat vond ik wel een mooie zin! idee! bij de tandarts Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-2 stap 3-4 stap 3-4 les 4 stap 1-4 Stap 5: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. je verjaardag STAP 3 Spreken en luisteren 1 Maak tweetallen. De kinderen vertellen om de beurt hun verhaal aan elkaar. Geef aan wanneer er gewisseld moet worden. Extra Wijs op het icoon voor de opdracht. Je ziet twee poppetjes. Dat betekent dat je de opdracht samen met iemand anders uitvoert. op vakantie praathulp De inleiding Over wie gaat het? Waar is het? Wanneer is het? toen je aan het spelen was met... STAP 4 Napraten 1 Neem de luisterhulp samen door. De kinderen denken terug aan het verhaal en vullen de luisterhulp in. 2 Laat de kinderen vertellen wat ze bij de luisterhulp hebben ingevuld. Vraag ook om een korte toelichting. Extra In latere lessen gaan de kinderen werken met het geven van een top (wat ging goed?) en een tip (wat kan nog beter?). Eventueel kunt u dat deze les al een keer voordoen. De kern Wat gebeurt er? Het slot Hoe loopt het af? luisterhulp Wat vond je leuker? a luisteren naar een verhaal a zelf een verhaal vertellen ja nee Praatte de verteller duidelijk? a a Had het verhaal een inleiding? a a Had het verhaal een slot? a a 5 STAP 5 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Wie vertelt er het liefst? En wie luistert er liever? 2 Vertel dat dit de eerste les spreken en luisteren was. In elk thema zitten twee lessen spreken en luisteren. De lessen zijn te herkennen aan de groene kleur van de instapkaart. Extra Blader eventueel door het werkboek en laat de kinderen de lessen spreken en luisteren snel bekijken. Wat vinden de kinderen van de lessen? Als u tijdens deze les speciale regels wilt hanteren, kunt u deze met de kinderen bespreken. 13
13 STAP 1 Introductie 1 Lees samen het tweede stukje van het ankerverhaal. Welke zelfstandige naamwoorden staan in dit stukje? Schrijf de zelfstandige naamwoorden die de kinderen noemen op het bord. Welke woorden staan er vóór de zelfstandige naamwoorden? Schrijf die erbij. Onderstreep de, het en een en vertel dat dit lidwoorden zijn. Je gaat leren wat een lidwoord is en waar het bij hoort. Thema 1 vriendschap week 1 Les 4 taal verkennen Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen herkennen een lidwoord en een zelfstandig naamwoord in een zin. De kinderen kunnen een lidwoord en een zelfstandig naamwoord combineren in een zin. Taalboek, blz Antwoordenboek taal, blz. 6 Plusboek Verlengde instructie: voor ieder kind drie gekleurde kaartjes met de, het en een. 40 minuten STAP 2 Instructie 1 Neem Dit moet je weten met de kinderen door. Een lidwoord hoort bij een zelfstandig naamwoord. Herinner de kinderen aan les 2. Toen hebben ze geleerd wat een zelfstandig naamwoord is (een woord voor een mens, dier of ding). 2 Lees samen met de kinderen het tweede stukje van het ankerverhaal nog eens. Welk woord staat er voor duif? Waarom staat er eerst een duif en dan de duif? Kan het ook andersom? Lees het stukje nog eens en verwissel de en een. In welke volgorde passen de lidwoorden het best? Hoe zou dat komen? 3 Neem nog een paar zinnen uit het ankerverhaal en laat de kinderen daar zelf de lidwoorden en de zelfstandige naamwoorden in benoemen. STAP 3 Oefenen 1 De kinderen maken item 2 en 3 van Eerst proberen. Bij het eerste item kunnen ze zien wat de bedoeling is. 2 Kijk de items samen na. Bij welke woorden past de? Bij welke het? Bij welke een? Had iedereen hetzelfde? Bij welke woorden kun je kiezen tussen twee lidwoorden? TAALBOEK thema 1 week 1 les 4 14 Eerst proberen Schrijf het lidwoord en het zelfstandig naamwoord op Doe het zo: de slak Heb je een fout? Begin bij Heb je alles goed? Begin bij 1 Schrijf het lidwoord en het zelfstandig naamwoord op. 1 In de sloot wonen de dieren. Doe het zo: de sloot, de dieren 2 De vissen zijn in het water. 3 De kikkers zijn op de kant. 4 Er zwemt een zwaan. 5 In de sloot ligt een bootje. taal verkennen Dit ga je leren Je leert wat een lidwoord is. Je leert waar een lidwoord bij hoort. Dit moet je weten de het een jongen meisje jongen, meisje aap schaap aap, schaap tafel huis tafel, huis Antwoorden Eerst proberen 1 de slak 2 de duif, de vogel 3 het raam 1 1 de sloot, de dieren 2 de vissen, het water 3 de kikkers, de kant 4 een zwaan 5 de sloot, een bootje 2 1 de boom 2 een jongen 3 het meisje 4 de jongen 5 het nest 6 de duif, de vogel, het nest 14
14 Aanwijzingen bij de les De kinderen leren in deze les het begrip lidwoord. Lidwoorden behoren tot de zogenaamde functiewoorden. Functiewoorden kunnen nooit op zichzelf voorkomen, maar moeten altijd verbonden zijn met een ander woord. Zo zijn lidwoorden gekoppeld aan zelfstandige naamwoorden. Een zelfstandig naamwoord is een inhoudelijk woord. 2 Kijk naar het plaatje. Schrijf een lidwoord en een zelfstandig naamwoord op. 1 De kat zit hoog in de kruin van Doe het zo: de boom 2 Daar zijn en een meisje. 3 De boom is te hoog voor 4 helpt haar. 5 De kat sluipt naar 6 Pas op! Red Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-4 stap 5 stap 5 dag- of weektaak Stap 6: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. de kruin De top van een boom. STAP 4 Werkafspraken 1 Kinderen di e alles goed hebben, beginnen bij. Kinderen die niet alles goed hebben, beginnen bij. Overleg met kinderen die twijfelen en de kinderen voor wie u een andere keuze hebt gemaakt. STAP 5 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Verlengde instructie Benoem dingen in de klas (de tafels, de stoelen, het bord, een schrift) en maak er samen met de kinderen een zin mee. Zorg ervoor dat u alleen tastbare zelfstandige naamwoorden neemt. Zien de kinderen dat er voor elk zelfstandig naamwoord een lidwoord past? Geef de kinderen drie gekleurde kaartjes met daarop de woorden de, het en een. Lees de eerste zin van het verhaaltje bij opdracht 1 voor en laat de kinderen het goede kaartje omhoog steken zodra ze een lidwoord horen. Doe dit ook met zin 2 en zin 3. Maak de eerste twee items van opdracht 1 samen. Daarna gaan de kinderen zelfstandig aan de slag. 3 a De, het of een? Schrijf de woorden in het goede rijtje. Tip: veel woorden passen in twee rijtjes. berg sloot water kippen maantje maan bed Doe het zo: de het een de berg het water een berg b Zoek twee woorden met de. Maak er woorden van met het. Doe het zo: de berg - het bergje 3 a de het een de berg het water een berg de sloot het maantje een sloot de kippen het bed een bed de maan Welke lidwoorden ken je nu? Schrijf ze op. b de berg, het bergje de sloot, het slootje de maan, het maantje 15 STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Wie vindt het nog lastig om lidwoorden te vinden in de zin? Laat een aantal kinderen een zelfstandig naamwoord plus lidwoord noemen. Benoem steeds de woorden. Extra Schrijf een aantal meervouden en verkleinwoorden door elkaar op het bord. Vraag welk lidwoord erbij hoort. Ga met elkaar na of dit altijd zo is. Vraag voor welke woorden een niet past (woorden die in het meervoud staan). En voor welk soort woorden staat altijd het? (verkleinwoorden). 2 In les 5 gaan we nog een keer oefenen met het lidwoord. EXTRA OEFENEN Print/kopieer het oefenblad. 15
15 Thema 1 vriendschap week 1 Les 5 woordenschat/taal verkennen Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen passen toe wat ze deze week geleerd hebben: de themawoorden (les 1) het zelfstandig naamwoord (les 2) het lidwoord (les 4) De kinderen gebruiken de uitdrukking de redder in nood Werkboek taal, blz. 6-7 Antwoordenboek taal, blz minuten STAP 1 Introductie 1 Blik kort terug op de lessen van deze week in het taalboek: we hebben het verhaal over Jubelientje en Dirk-Jan gelezen en nieuwe woorden geleerd. En we hebben gewerkt met het zelfstandig naamwoord en het lidwoord. Vertel dat de kinderen nog een keer gaan oefenen met wat ze deze week geleerd hebben. Wijs de kinderen op de woordenlijst van les 1a en de instapkaarten van les 2 en 4 in het taalboek. Als je het niet meer weet, kun je daar terugkijken hoe het moet. les 5 WERKBOEK thema 1 week 1 1 De brandweer-man redt de kat uit de boom. Hij is de redder in nood. woordenschat taal verkennen Dit ga je doen Je oefent wat je deze week geleerd hebt: de themawoorden het lidwoord het zelfstandig naamwoord De redder in nood. Iemand die helpt als hulp hard nodig is. STAP 2 Werkafspraken 1 Neem de opdrachten kort door. Opdracht 1: de eerste opdracht van de toepassingsles gaat altijd over een spreekwoord of een uitdrukking. Een uitdrukking dat zijn woorden die samen een bijzondere betekenis hebben. Deze les is de uitdrukking: de redder in nood. Lees samen de uitleg en bekijk de illustratie. Opdracht 2: deze opdracht gaat over de themawoorden. Leg uit dat de kinderen de laatste zin van het krantenbericht zelf mogen verzinnen. Opdracht 3: de kinderen schrijven op welke dieren wel of niet vrienden zijn. Leg uit: als je een dier lief of leuk vindt, dan is het je vriend. Als je een dier eng of vervelend vindt, dan is het niet je vriend. Wijs op het voorbeeld en leg uit dat de kinderen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord moeten opschrijven. Opdracht 4: bij deze raadsels moeten de kinderen het goede zelfstandig naamwoord opschrijven. Nu ben jij de redder in nood. Welk dier ga je redden? Waar zit het dier? Wat doe jij? 2 a Maak het kranten-bericht af. Kies het goede woord. Trek een lijn. b Verzin zelf een einde. Brandweer redt kat uit hoge boom WEERT - Woensdag 24 juli In het bos was een kat in een boom De kat was in De brandweer was op tijd bij de Een brandweer-man heeft de kat Hij bracht de kat in gered gevlucht ramp veiligheid gevaar 6 16
16 Aanwijzingen bij de les Deze les werken de kinderen zelfstandig. Maak hierover afspraken met de kinderen, bijvoorbeeld: probeer problemen eerst zelf op te lossen. Heb je hulp nodig, overleg dan zachtjes met je buur. Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-2 stap 3* stap 3 * Groep B kan zelfstandig aan het werk. Wanneer u stap 1 en 2 in groep A hebt afgerond, maakt u een taakronde in groep B. Stap 4: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. STAP 3 Zelfstandig werken 1 De kinderen gaan zelfstandig aan het werk. 3 Welke dieren zijn jouw vrienden? En welke dieren zijn niet jouw vrienden? Gebruik een lidwoord en een zelfstandig naamwoord. Mijn dieren-boek Deze dieren zijn mijn vrienden. de hond de poes het konijn 4 Rara, wie of wat ben ik? Schrijf het lidwoord en het zelfstandig naamwoord op. Teken de mens, het dier of het ding erbij. Ik heb grijs haar. Ik ben al wat ouder. Ik ben de moeder van je vader. Ik ben je oma Deze dieren zijn niet mijn vrienden. de leeuw de mug het schaap de muis Ik sta langs de weg. Soms ben ik rood. Soms ben ik groen. Ik ben een stoplicht STAP 4 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Inventariseer de antwoorden. Laat de kinderen hun antwoord toelichten. Kinderen die voor minder dan tien lidwoorden kozen, kunt u enkele voorbeelden geven. Meteen als je wakker bent, begin je al met lidwoorden gebruiken. Ik wil een boterham met pindakaas. Waar is de tandpasta? Ik wil een appel mee naar school. Gaan we met de fiets of de auto? Concludeer dat je op een dag dus heel veel lidwoorden gebruikt. 2 Kies een opdracht uit om samen te bespreken. Bijvoorbeeld opdracht 1. Inventariseer welke dieren de kinderen zouden redden. Is er iemand die wel eens echt redder in nood is geweest? Ik ben klein. Op mijn rug heb ik een huisje. Ik kruip niet zo snel. Ik ben een slak Hoeveel lidwoorden gebruik jij op een dag? a minder dan 5 a 5 tot 10 a meer dan
17 Thema 1 vriendschap week 2 Les 6a ankerverhaal STAP 1 Introductie 1 Vertel de kinderen dat ze verder gaan met het thema vriendschap. Eerst gaan we een aantal woorden leren, daarna lezen we een gedicht en een paar briefjes over vriendschap. STAP 2 Instructie Lesdoelen De kinderen leren de betekenis van twaalf themawoorden. Script [naam hoofdpersoon] is een held. Een held is iemand die dapper is. Hij doet gevaarlijke dingen om anderen te helpen of te redden. In dit boek is [naam hoofdpersoon] de held. Hij doet [dit gevaarlijke ding] om anderen te helpen of te redden. Zie voor het volledige script van de semantisering bladzijde 58. Lesduur Taalboek blz Leesboek Kladblaadje 30 minuten cluster 1 de held de lafaard dapper laf cluster 2 1 Voorbewerken cluster 1 Neem het boek dat de groep ze gelezen heeft en houdt het omhoog. Herinner de kinderen kort aan de inhoud. Weten jullie nog wat [naam hoofdpersoon] doet in het verhaal? 2 Lees het script op bladzijde 58 voor. Materiaal verliefd een kleur krijgen een oogje hebben op TAALBOEK we ek 2 th e m a 1 vriendscha p 1 3 Laat de kinderen in tweetallen praten over een tv-serie, een kinderboek of een stripboek dat ze kennen. Ze beantwoorden de vragen: wie is de held? Wie is de lafaard? Wie doet iets dappers? Wie is laf? Let er bij de nabespreking op dat de clusterwoorden genoemd worden. Maak tot slot samen met de kinderen de woordkast op het bord. 2 fd Verlie Ik niet. Kim: eg ik ie? op z Op w je : g o im r van. T een o n kleu Ik heb aar ee m ls a Kim: bent? gt er p hem Je krij at je o d Tim: l a. hij woon Weet you. aar ge l het m met I. e fj Verte ie em op br n n e e e g h hrijf pzet te o Of sc t e m ik bots t wel. Nee, hij he Kim: t p a n Dan s liefd! er evig v ben h!! an jou BOEM ook v Au! Ik Tim: 3
18 Aanwijzingen bij de les Combinatiegroepen Hier bent u aan het woord. U semantiseert de woorden en stelt hierbij geen vragen aan de kinderen. Het uitleggen van de woorden vindt plaats in drie stappen. U start met de voorbewerking, legt de woorden uit en eindigt met een interactief moment (het gouden uitje). Essentieel is dat u de oranje woorden en hun betekenis een aantal keren expliciet noemt. Er worden steeds twee clusters van woorden aangeboden. De semantisering is vastgelegd in een script. In dit thema zijn steeds de eerste zinnen van dit script opgenomen. Het volledige script vindt u op bladzijde 58. groep A stap 1-2 groep B stap 3 stap 3 stap Voorbewerken cluster 2 Noteer de vragen over het ankerverhaal (stap 3.2) voor groep A en B op het bord. Zeg een beetje schutterig: ik vind [naam] heel erg leuk. 5 Lees het script op bladzijde 58 voor. Script Ik heb een oogje op hem/haar. Als je een oogje op iemand hebt, dan ben je verliefd op hem of haar. Als ik [naam] zie op wie ik een oogje heb, dan krijg ik een kleur. Een kleur krijgen betekent dat je gaat blozen. Zie voor het volledige script van de semantisering bladzijde Laat de kinderen in tweetallen 4 5 Ha Jim, te? Wie vind jij de liefs? Papa of mama Je broer of je zus? knuffel? Je hond, je poes of je ze? Hoe maak je een keu e liefste vindt? d e j Weet je zeker wie Heb je een bewijs? Hoe bewijs je dat? e oma e liefst j n a v Zoen 6 themawoorden de held Iemand die gevaarlijke dingen doet om anderen te helpen. de lafaard Anderen noemen je een lafaard als ze vinden dat je je laf gedraagt. dapper Als je bij gevaar veel durft en niet bang bent. laf Als je niet dapper bent en niet veel durft. een oogje hebben op Verliefd zijn op. n een kleur krijgen Blozen. praten over de uitdrukking een oogje op iemand hebben. Ze beantwoorden de vragen: waar zou die uitdrukking vandaan komen? En waar komt de uitdrukking een kleur krijgen vandaan? Welke kleur kun je krijgen als je een oogje op iemand hebt? En krijg je alleen maar een kleur als je verliefd bent? Let er bij de nabespreking op dat de clusterwoorden genoemd worden. Maak tot slot samen met de kinderen de woordspin op het bord. STAP 3 Tekst lezen 1 Lees het verhaal en de kadertekst hevig Erg of zeer. alsmaar De hele tijd. met opzet Expres. boffen Geluk hebben. het talent Zonder veel moeite iets goed kunnen. het bewijs Hiermee laat je zien dat iets echt waar is. 17 voor of laat de kinderen het verhaal en de kadertekst zelfstandig lezen. Wijs de kinderen erop dat ze, als ze een woord moeilijk vinden, de betekenis kunnen opzoeken naast de tekst. Besteed aandacht aan de overige woorden. Zijn alle betekenissen duidelijk? 2 Bespreek het verhaal kort na door het stellen van enkele vragen. Wie is in dit verhaal de held? Doen ze dappere dingen? Wat dan? Zijn het ook lafaards? Waarom dan? Zorg ervoor dat de themawoorden bij het bespreken van de vragen zo vaak mogelijk aan bod komen. 19
19 Thema 1 vriendschap week 2 Les 6b woordenschat Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen consolideren de Taalboek, blz minuten betekenis van de themawoorden. Antwoordenboek taal, blz. 7 STAP 4 Werkafspraken 1 Laat de kinderen de woorden bij Dit ga je leren bekijken. Zijn er woorden bij die ze nog niet kennen, dan beginnen ze bij. Kennen ze de woorden al, dan beginnen ze bij. Overleg met kinderen die twijfelen en de kinderen voor wie u een andere keuze hebt gemaakt. 2 Wijs de kinderen op de woorden naast het verhaal. Je mag spieken. thema 1 les 6 TAALBOEK week 2 Eerst proberen Lees de woorden in het instap-kaartje. Ken je de woorden nog niet goed? Begin bij Ken je alle woorden? Begin bij 1 Kijk naar het blauwe woord in de zin. Welk woord betekent hetzelfde? Kies uit: hevige kameraad met opzet kreeg een kleur laf dapper Dit ga je leren Je oefent de themawoorden. alsmaar het bewijs boffen hevig met opzet het talent een kleur krijgen de held dapper verliefd woordenschat een oogje hebben op Tip: je mag spieken bij het verhaal. de lafaard laf 1 Tom botste expres tegen mij aan. Doe het zo: met opzet 2 Ik voelde heel erge pijn. 3 De meester vond Tom niet dapper. 4 Tom bloosde. 5 Hij zei sorry. Dat vond ik heel moedig. 6 Nu is hij weer mijn vriend. 18 Antwoorden 1 1 met opzet 2 hevige 3 laf 4 kreeg een kleur 5 dapper 6 kameraad 2 1 b 2 o 3 f 4 k 5 o 6 n 7 t 20
20 Aanwijzingen bij de les Tijdens het maken van de opdrachten mogen de kinderen spieken bij de themawoorden naast het ankerverhaal. De themawoorden van deze week worden ook aangeboden in het woordspel in het werkboek. U kunt ze op een zelfgekozen tijdstip laten maken door de kinderen. Combinatiegroepen groep A groep B stap 4-5 les 7 stap 1-4 dag- of weektaak: groep A: woordspel groep B: les 6, woordspel Stap 6: bespreek de uitstapkaart met groep A op een moment naar keuze. STAP 5 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. 1 2 Wat betekent het woord? Als je alle letters goed hebt, lees je een woord. Doe het zo: b 4 2w boffen k geluk hebben l pech hebben m bang zijn 5 2w 2 2w talent a met veel moeite iets goed kunnen b zonder veel moeite iets goed kunnen c een ding dat je meeneemt bij het kamperen 6 2w de held m het talent n de lafaard 0 iemand die gevaarlijke dingen doet om anderen te helpen. een lafaard o iemand die zich laf gedraagt p een held q een makker een oogje hebben op n verliefd zijn op o een zeer oog hebben p iemand stom vinden 7 2w 3 2w alsmaar d af en toe e soms f de hele tijd het bewijs s iets wat nep is t hiermee laat je zien dat iets echt waar is u een leugen STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Bespreek vervolgens de antwoorden met de kinderen. Zijn er kinderen die hetzelfde woord moeilijk vinden? Waarom is het een moeilijk woord voor de een en voor de ander niet? EXTRA OEFENEN Bespreek met de kinderen wanneer ze het woordspel gaan maken. 3 Lees de zinnen. Is het dapper of laf? 1 Een donker bos in lopen. Doe het zo: dapper 2 Een spin weghalen voor je moeder. 3 Een klein kind pesten. 4 Klikken over iemand. 5 Een vriend helpen die gepest wordt. 4 Maak met elk woord een zin. Welk woord vond je het moeilijkst? hevig een kleur krijgen met opzet dapper 2 dapper 3 laf 4 laf 5 dapper 4 21
21 STAP 1 Introductie 1 Houd een rugzak omhoog en vraag de kinderen wat ze zien. Schrijf het woord op als het genoemd wordt. Doe hetzelfde met een zakdoek en een stripboek. Zien de kinderen dat deze woorden uit twee andere woorden zijn samengesteld? Benoem deze woorden en zet onder elk woord een streep. Vandaag gaan we het hebben over samenstellingen. STAP 2 Instructie 1 Neem Dit moet je weten met de kinderen door. Bespreek het voorbeeld en benoem de twee zelfstandige naamwoorden: fiets en bel. Een samenstelling maak je door twee zelfstandige naamwoorden aan elkaar te plakken. Wie weet nog wat een zelfstandig naamwoord is? (Verwijs eventueel naar les 2.) Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier of ding. 2 Schrijf op het bord: fietstas, fietsband, fietsstuur. Benoem steeds de zelfstandige naamwoorden en zet onder elk zelfstandig naamwoord een streep. 3 Laat de kinderen een aantal zelfstandige naamwoorden noemen. Bedenk vervolgens samen met de kinderen een paar samenstellingen. STAP 3 Oefenen 1 De kinderen maken de tweede en derde samenstelling van Eerst proberen. Bij de eerste samenstelling kunnen ze zien wat de bedoeling is. 2 Kijk de samenstellingen samen na. Schrijf alle goede samenstellingen (naast badkamer ook badtas) op het bord. 20 TAALBOEK thema 1 week 2 les 7 Thema 1 vriendschap week 2 Les 7 taal verkennen Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen kunnen van twee Taalboek, blz minuten zelfstandige naamwoorden een Antwoordenboek taal, samenstelling maken. blz. 8 Plusboek Rugzak, zakdoek en stripboek Verlengde instructie: kaartjes met daarop: tafel, poot, kast, deur, stoel Verlengde instructie: (eventueel) kaartjes met plaatjes van een stoel, kast, deur, tas Eerst proberen Maak drie samenstellingen. appel tas school kamer bad boom Doe het zo: appelboom Heb je een fout? Begin bij Heb je alles goed? Begin bij 1 Maak van de twee woorden een nieuw woord. 1 Mijn vriend Tjerk heeft last van hooi + koorts. Doe het zo: hooikoorts 2 Zijn neus snuit hij in een zak + doek. 3 Hij wil niet naar buiten met de voet + bal. 4 En ook niet spelen met het kaart + spel. 5 Daarom lezen we samen een strip + boek. Dit ga je leren Je leert hoe je een samenstelling maakt. taal verkennen Dit moet je weten Je maakt een samenstelling door twee woorden aan elkaar te plakken. fiets + bel fietsbel STAP 4 Werkafspraken 1 Kinderen die alles goed hebben, beginnen bij. Kinderen die niet alles goed hebben, beginnen bij. Overleg met kinderen die twijfelen en de kinderen voor wie u een andere keuze hebt gemaakt. 2 Vertel de kinderen dat ze bij oefening 3 mogen kiezen of ze beginnen of eindigen met het losgemaakte zelfstandig naamwoord. Antwoorden Eerst proberen appelboom schooltas badkamer 1 1 hooikoorts 2 zakdoek 3 voetbal 4 kaartspel 5 stripboek 2 1 hooikoorts 2 voetbal 3 dambord 4 hoofdluis 5 schoolplein 6 armband 7 knikkerzak 8 schoolbord 22
22 Aanwijzingen bij de les In deze les maken de kinderen voor het eerst kennis met samenstellingen. Ze beginnen met het maken van eenvoudige samenstellingen met twee zelfstandige naamwoorden. 2 Maak zes samenstellingen. plein Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-4 stap 5 stap 5 les 8 stap 1-2 Stap 6: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. band de hooikoorts Als je in het voorjaar steeds moet niezen. STAP 5 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Verlengde instructie Geef de kinderen de kaartjes met de woorden tafel, poot, kast, deur, stoel. Laat ze net zo lang schuiven tot ze een samenstelling hebben. Extra Geef de kinderen plaatjes van een stoel, kast, deur en tas en laat ze met de plaatjes schuiven tot ze een samenstelling hebben. Noem een aantal samenstellingen (keukenstoel, zakdoek, melkfles) en laat de kinderen deze opschrijven. Laat ze een streep zetten onder de afzonderlijke zelfstandige naamwoorden. Maak de eerste twee items van opdracht 1 samen. Daarna gaan de kinderen zelfstandig aan de slag. hooi koorts STAP 6 Reflectie voet knikker arm bord 3 Hak het woord in twee. Maak met elk woord een nieuwe samenstelling. 1 tuindeur Doe het zo: tuin - tuinslang deur - deurknop 2 fietsband 3 soepkom 4 tentstok 5 deurbel 6 handschoen 4 Bedenk samenstellingen. Kijk om je heen in de klas. Doe het zo: het schoolbord dam bal hoofd school zak luis Hoe vond je de les? Kies uit: keileuk poepsimpel oersaai 21 1 Bespreek de uitstapkaart. Zien de kinderen dat het samenstellingen zijn? Vraag ook door naar de betekenis. Waarom heb je voor dit woord gekozen? 2 Wat is een samenstelling? Wie heeft de meeste samenstellingen gemaakt? Uit wat voor soort woorden bestaan de samenstellingen? Extra Maak met de kinderen op papier een woordketting en hang hem op in het lokaal. Elke dag van de komende week bedenken de kinderen een nieuw woord voor de woordketting. U hangt dat woord er steeds bij. 3 In les 10 gaan we nog een keer met samenstellingen aan de slag. EXTRA OEFENEN Print/kopieer het oefenblad. 3 1 tuin tuinslang deur deurknop 2 fiets fietstas band autoband 3 soep soeplepel kom kompas 4 tent tentzeil stok wandelstok 5 deur autodeur bel schoolbel 6 hand handtas schoen schoenveter 4 het schoolbord, het raamkozijn, de schooltafel, de inktpot, de schooltas, de schoolagenda, het schoolschrift. 23
23 STAP 1 Verkennen 1 Neem de instapkaart met de kinderen door. Laat de kinderen enkele voorbeelden van onzinwoorden geven. 2 Lees de teksten van het ankerverhaal van week 2 in het taalboek. Wat is een gedicht? En wat niet? Waarom denk je dat? (Alle antwoorden zijn goed, als je het mooi vindt klinken, is het een gedicht.) 3 De kinderen maken opdracht 1a, 1b en 1c. Bespreek deze meteen na. STAP 2 Voorbereiden 1 Leg uit dat de kinderen zelf een gedicht gaan schrijven, een gedicht zónder rijm. De gedichten in het taalboek gaan over vriendschap of liefde. Wij gaan daar ook over schrijven. Laat de kinderen bedenken wie ze erg lief of leuk vinden. Wijs op de ideeën op de rechterpagina. 2 Neem de schrijfhulp stap voor stap door. Vul op het bord een voorbeeld van de schrijfhulp in. Door hardop te denken, horen en zien de kinderen hoe de schrijfhulp tot stand komt. Extra De kinderen werken voor het eerst met een schrijfhulp. Deze schrijfhulp komt elke schrijfles terug. Leg uit dat de schrijfhulp een hulpje is bij het schrijven. Daarom hoeven de kinderen alleen losse woorden in te vullen. Het schrijven zelf doen de kinderen op een apart schrijfblad. 3 De kinderen vullen de schrijfhulp in. Benadruk dat ze dit kort moeten doen, het mag in steekwoorden. Extra Kinderen die moeite hebben met het invullen van de schrijfhulp helpt u aan de instructietafel. Thema 1 vriendschap week 2 Les 8 schrijven Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen kunnen een gedicht Werkboek taal, blz minuten zonder rijm schrijven. Taalboek, blz De kinderen leren met weinig (ankerverhaal week 2) woorden veel te zeggen. Schrijfpapier WERKBOEK thema 1 week 2 les 8 1 Verkennen Kijk op bladzijde 16 en 17 in je taalboek. Lees de teksten nog een keer. a Wat vind jij een mooi gedicht? a tekst 1 a tekst 3 a tekst 5 a tekst 2 a tekst 4 a tekst 6 b In welke teksten staan onzin-woorden? a tekst 1 a tekst 3 a tekst 5 a tekst 2 a tekst 4 a tekst 6 c Welke teksten rijmen? a tekst 1 a tekst 3 a tekst 5 a tekst 2 a tekst 4 a tekst 6 2 Voorbereiden a Wie vind jij heel lief of leuk? Tip: kijk rechts bij idee. b Vul de schrijfhulp in. Tip: schrijf alleen losse woorden op. 3 Schrijven Pak je schrijfblad. Schrijf je naam en de datum op. Schrijf nu het gedicht. Gebruik de schrijfhulp. Maak mooie zinnen bij de woorden. 4 Nakijken Lees je gedicht na. Vul de nakijkhulp in. Klaar? Over wie gaat jouw gedicht? Schrijf die naam in mooie letters boven je gedicht. schrijven Dit ga je leren Je leert hoe je een gedicht zonder rijm schrijft. Dit moet je weten Er zijn gedichten die rijmen: ik zit me te vervelen wil jij niet met me spelen? Er zijn gedichten die niet rijmen: als je een vriendje hebt ben je er vanzelf ook een Je kunt in een gedicht woorden verzinnen. Onzin-woorden, zoals sproef het gedicht Een tekst met korte zinnen die samen mooi klinken. 5 Presenteren Laat je gedicht zien. Vertel over wie jouw gedicht gaat. Lees je gedicht rustig en duidelijk voor
24 Aanwijzingen bij de les Voor het schrijven van gedichten zijn vijf specifieke vaardigheden nodig: verdichten: met zo weinig mogelijk woorden jezelf krachtig uitdrukken; verfraaien: met treffende woorden beelden en gevoelens oproepen; welklinken: een versregel mooi laten klinken; rijmen; gevoelens verwoorden. In deze les gaat het om verdichten en zijdelings over rijmen. Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-2 stap 3-4 stap 3-4 les 9 stap 1-4 Stap 5 en 6: presenteer het werk en bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. STAP 3 Schrijven 1 Geef elk kind een vel schrijfpapier. De kinderen schrijven eerst hun naam en de datum op. 2 De kinderen schrijven een kort gedicht van vijf of zes zinnen. Leg uit dat ze met de woorden uit de schrijfhulp mooie zinnen moeten maken. Probeer kort en zo mooi mogelijk op te schrijven wat je bedoelt, net als dichters dat doen. Extra Neem met de kinderen die moeite hebben met het schrijven het voorbeeld door. idee! e! STAP 4 Nakijken Een mens? schrijfhulp Een knuffel? Een dier? 1 De kinderen lezen hun gedicht goed door aan de hand van de nakijkhulp. Hebben ze een onzinwoord gebruikt? Als ze fouten ontdekken, kunnen ze die in de tekst verbeteren, maar ze hoeven niet een geheel nieuwe versie te schrijven. 1 Voor wie is het gedicht? 2 Hoe ziet hij of zij er uit? 3 Wat doe je graag samen? 4 Hoe voel je je bij hem of haar? 5 Wat vind je het leukste aan hem of haar? 6 Bedenk een bijzondere naam voor hem of haar. Je mag ook een onzin-woord verzinnen. voorbeeld! Voor papa Je bent heel groot We voetballen samen Ik voel me fijn Jij maakt grapjes Ik noem je pipa-papa STAP 5 Presenteren 1 De kinderen lezen in hun tafelgroepje hun gedicht om de beurt aan elkaar voor. 2 Laat enkele kinderen hun gedicht voor de hele groep voorlezen. Bespreek het gedicht. Over wie gaat het? Komt er een onzinwoord in voor? STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. 2 Publiceer de gedichten door ze op te hangen of in een map te verzamelen. nakijkhulp Staat er een onzin-woord in je gedicht? a nee a ja, dit is een onzin-woord: a Ik schrijf liever een gedicht met rijm. a Ik schrijf liever een gedicht zonder rijm
25 STAP 1 Introductie 1 Schrijf op het bord: abcdfghi. Vraag de kinderen waar dit een stukje van is. Vraag dan of ze weten welke letter eraan ontbreekt. Schrijf de e eronder. Kun je de e overal neerzetten? Zet een pijltje naar de goede plek. 2 Lees de letters samen met de kinderen. Wie kent het hele alfabet? Laat een van deze kinderen het opzeggen. Vandaag gaan we het alfabet leren. Thema 1 vriendschap week 2 Les 9 taal verkennen Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen weten wat het T aalboek, blz minuten alfabet is. Antwoordenboek taal, De kinderen ontdekken waarom blz. 9 er een alfabet is. Plusboek De kinderen kunnen het alfabet Stroken met daarop het opzeggen. alfabet Verlengde instructie: voor ieder kind een strook papier STAP 2 Instructie 1 Neem Dit moet je weten door met de kinderen. In het alfabet staan alle letters in een vaste volgorde. Het alfabet begint altijd met een a en eindigt met een z. Noem steeds een letter op en vraag welke letter ervoor staat en welke erna komt. 2 Vertel dat je het alfabet op allerlei manieren in stukjes kunt hakken. Knip steeds een alfabetstrook in de stukjes van de oefenopdrachten en laat deze stukjes in de tafelgroepjes in de goede volgorde leggen. STAP 3 Oefenen 1 De kinderen maken item 2 en 3 van Eerst proberen. Bij het eerste item kunnen ze zien wat de bedoeling is. 2 Kijk de items samen na. Vraag ook hoe de kinderen aan hun oplossingen gekomen zijn. Hebben ze gekeken naar het alfabet in de instapkaart? TAALBOEK thema 1 week 2 les 9 Eerst proberen Zet de vier stukjes in de volgorde van het alfabet. Begin met de gekleurde letters. 1 nop klm tuv qrs Doe het zo: klm nop qrs tuv 2 fgh ab ijk cde 3 qrst mnop xyz uvw Heb je een fout? Begin bij Heb je alles goed? Begin bij 1 Welke letter staat er op de lege plek? 1 a d... f Doe het zo: ab cd ef 2 g j k... 3 m p q... 4 s v y... taal verkennen Dit ga je leren Je leert wat het alfabet is. Je kunt het alfabet opzeggen van a tot z. Dit moet je weten Het alfabet heeft 26 letters. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z De letters staan altijd in deze volgorde. 22 Antwoorden Eerst proberen 1 klm nop qrs tuv 2 ab cde fgh ijk 3 mnop qrst uvw xyz 1 1 ab cd ef 2 gh ij kl 3 mn op qr 4 st uvw xyz 2 1 fgh ijk lmn opq rst uvw xyz 2 uvw xyz 3 cde fgh ijk lmn opq rst uvw xyz 4 ijk lmn opq rst uvw xyz 5 lmn opq rst uvw xyz 3 26
26 Aanwijzingen bij de les Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-4 stap 5 stap 5 dag- of weektaak Stap 6: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. STAP 4 Werkafspraken 1 Kinderen die alles goed hebben, beginnen bij. Kinderen die niet alles goed hebben, beginnen bij. Overleg met kinderen die twijfelen en de kinderen voor wie u een andere keuze hebt gemaakt. 2 Wijs -kinderen erop dat het alfabet in de instapkaart staat. Laat de goede kinderen de instapkaart afdekken met een blaadje. 3 Vertel dat als er kinderen zijn van wie de naam met dezelfde letter begint, ze deze namen gewoon onder elkaar op mogen schrijven. 2 Maak het alfabet af. Je maakt steeds groepjes van drie letters. 1 fgh Doe het zo: fgh ijk lmn opq rst uvw xyz 2 uvw 3 cde 4 ijk 5 lmn 3 a Schrijf alle namen uit jouw groep op. het alfabet Alle letters op een rij. STAP 5 Zelfstandig werken 1 De kinderen gaan zelfstandig aan het werk. Verlengde instructie Geef elk kind een strook papier en laat ze al zingend de letters van het alfabet opschrijven. Noem daarna steeds twee opeenvolgende letters (bijvoorbeeld gh, op, st, bc) en laat deze snel onderstrepen. Maak de eerste twee items van opdracht 1 samen. Daarna gaan de kinderen zelfstandig aan de slag. b Zet de namen in de volgorde van het alfabet: de a boven, de z onder. Doe het zo: anneke boris 4 a Schrijf het alfabet op in geheimtaal. a = 1, b = 2 en zo verder. Doe het zo: a b c 2 3 b Op het briefje staat geheimtaal. Schrijf op wat er staat. c Schrijf zelf een zin in geheimtaal. Niemand mag het weten. Test: zeg het alfabet uit je hoofd op. Je buur luistert. Tot welke letter kom je? Wissel van beurt. STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Wie is er tot z gekomen? 2 In les 10 gaan we nog een keer met het alfabet aan de slag. EXTRA OEFENEN Print/kopieer het oefenblad a 1 a 2 b 3 c 4 d 5 e 6 f 7 g 8 h 9 i 10 j 11 k 12 l 13 m 14 n 15 o 16 p 17 q 18 r 19 s 20 t 21 u 22 v 23 w 24 x 25 y 26 z b bij de hut c 27
27 STAP 1 Introductie 1 Blik kort terug op de lessen van deze week in het taalboek: we hebben gedichtjes over vriendschap gelezen en nieuwe woorden geleerd. En we hebben gewerkt met samenstellingen en het alfabet. Vertel dat de kinderen nog een keer gaan oefenen met wat ze deze week geleerd hebben. Wijs op de woordenlijst van les 6a en de instapkaarten van les 2 en 4 in het taalboek. Als je het niet meer weet, kun je daar terugkijken hoe het moet. STAP 2 Werkafspraken 1 Neem de opdrachten kort door. Opdracht 1: in les 6 hebben de kinderen al geleerd wat de uitdrukking een oogje hebben op betekent. Neem de opdracht door. Misschien weet je het antwoord, en anders mag je het zelf verzinnen. Opdracht 2: leg uit dat de kinderen de laatste zin van het vriendenboekje zelf mogen bedenken. Bedenk zelf iets wat jij durft en wat dapper is. Opdracht 3: maak van de woorden zelf samenstellingen. Het hoeven geen echte woorden te zijn. Opdracht 4: de kinderen tekenen het alfabet op een vel tekenpapier. Specificeer de opdracht eventueel: maak mooie letters met krullen, maak dikke letters, maak vrolijke gekleurde letters, etc. Of laat de kinderen gezichtjes in hun letters tekenen. Thema 1 vriendschap week 2 Les 10 woordenschat/taal verkennen Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen passen toe wat ze Werkboek taal, blz minuten deze week geleerd hebben: Antwoordenboek taal, de themawoorden (les 6) blz. 66 en 67 samenstellingen (les 7) Tekenpapier het alfabet (les 9) De kinderen gebruiken de uitdrukking een oogje hebben op. les 10 WERKBOEK thema 1 week 2 1 Wie heeft een oogje op...? Vul in. De juf heeft een oogje op. Mijn mama heeft een oogje op. Ik heb een oogje op. Mijn buur heeft een oogje op. 2 Vul het vrienden-boekje in. Mijn naam: Mijn held is: Ik bof, want: Mijn talent t is: Mijn boezemvriend is: Ben jij dapper? Zet een kruisje bij wat jij durft. a Een spin oppakken en buiten neerzetten. a Alleen een boodschap doen. a Iemand helpen die gepest wordt. woordenschat Een oogje hebben op. Verliefd zijn op. taal verkennen Dit ga je doen Je oefent wat je deze week geleerd hebt: de themawoorden samenstellingen het alfabet heeft een oogje op. heeft een oogje op. a Zet hier je handtekening: 12 28
28 Aanwijzingen bij de les Deze les werken de kinderen zelfstandig. Maak hierover afspraken met de kinderen, bijvoorbeeld: probeer problemen eerst zelf op te lossen. Heb je hulp nodig, overleg dan zachtjes met je buur. Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-2 stap 3* stap 3 * Groep B kan zelfstandig aan het werk. Wanneer u stap 1 en 2 in groep A hebt afgerond, maakt u een taakronde in groep B. Stap 4: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. STAP 3 Zelfstandig werken 1 De kinderen gaan zelfstandig aan het werk. 3 a Bedenk drie nieuwe lieve woorden. Elk woord moet een samenstelling zijn. Kies uit: zoen knuffel kameraad broer zus wonder snoet beer mama papa knuffelbeer wonderpapa zoensnoet knuffelbroer STAP 4 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Inventariseer de antwoorden. Laat de kinderen niet alleen hun samenstelling noemen, maar ook de zin waarin die gebruikt werd. Bijvoorbeeld: ik vind spruitjes supervies! 2 Kies een opdracht uit om te bespreken, bijvoorbeeld opdracht 3b. Laat de kinderen die dat willen hun briefje voorlezen. Kunnen de andere kinderen aangeven welk woord een samenstelling is? b Wie vind jij de liefste? Schrijf hem of haar een kort briefje. Gebruik één woord uit opdracht 3a. Lieve, Jij bent mijn. Liefs van ik zoek een woord een heel nieuw woord een woord dat niemand kent ik zoek een woord dat zeggen wil dat jij de liefste bent. 4 Pak een tekenblad. Teken het alfabet zo mooi mogelijk. Welke samenstellingen gebruik jij wel eens? 13 29
29 Thema 1 vriendschap week 3 Les 11a ankerverhaal STAP 1 Introductie 1 Vertel de kinderen dat ze deze week verder gaan met het thema vriendschap. Eerst gaan we weer een aantal woorden leren en daarna lezen we een leuke strip. Lesdoelen Materiaal De kinderen leren de betekenis van twaalf themawoorden. Lesduur Taalboek, blz Stripboeken 30 minuten cluster 1 de vijand de vriend haten optrekken met STAP 2 Instructie 1 Voorbewerken cluster 1 Wijs enkele kinderen aan en vraag wie zijn/haar beste vriend(in) is. 2 Lees het script op bladzijde 59 voor. Script Een vriend is iemand die je aardig vindt. Vrienden spelen en praten graag met elkaar. Het tegengestelde van een vriend is een vijand. Vijanden zijn mensen die elkaar haten. Als je iemand haat, dan wil je niets met de ander te maken hebben. Zie voor het volledige script bladzijde 59. cluster 2 de laptop de het beeldscherm TAALBOEK th e m a 1 we ek 3 Ik stuur een ie-meel. vriendscha p Van: Roos Aan: Ron Dag vriend, je boft. Ik weet een raadsel. Het heeft twee ogen. En géén staart. Drie keer raden. - Raadsel Roos 3 Geef de kinderen per tweetal een stripboek. Laat ze zoeken naar vrienden en vijanden en ook bedenken waarom dit zo is. Let er bij de nabespreking op dat de clusterwoorden genoemd worden. Maak tot slot samen met de kinderen de woordkast op het bord. Wijs ook de tekstballon en de denkwolk aan. Ik bedoel een . Ik hoop dat ik het raad. Van: Ron Aan: Roos Ha Roos, Moeilijk hoor. Elk dier heeft toch een staart? Of is het een kikker? Groeten van Ron at? Wie zegt w gelijk. Dat snap je allon. ar de tekstb na r aa Kijk m? os Ro t nk Wat de t Ron? En wat denk kje. in een wol Dat zie je k. ol Een denkw verhaal?, een strip Handig hè Ik weet het al. Ik raak de toetsen aan. Tik, Tik, toets en klaar! Hans en agen Monique H Ik wil winnen! Van: Roos Aan: Ron Jammer Ron: mis! Hij woont niet in het water. - Ra Ro
30 Aanwijzingen bij de les Combinatiegroepen Hier bent u aan het woord. U semantiseert de woorden en stelt hierbij geen vragen aan de kinderen. Het uitleggen van de woorden vindt plaats in drie stappen. U start met de voorbewerking, legt de woorden uit en eindigt met een interactief moment (het gouden uitje). Essentieel is dat u de oranje woorden en hun betekenis een aantal keren expliciet noemt. Er worden steeds twee clusters van woorden aangeboden. De semantisering is vastgelegd in een script. In dit thema zijn steeds de eerste zinnen van dit script opgenomen. Het volledige script vindt u op bladzijde 59. groep A stap 1-2 groep B stap 3 stap 3 stap Voorbewerken cluster 2 Noteer de vragen over het ankerverhaal (stap 3.2) voor groep A en B op het bord. Script Ik heb zojuist een verstuurd. Een is een soort brief die je op de computer schrijft en verstuurt. en doe je op de computer of de laptop. Een laptop is een kleine, draagbare computer die op je schoot past en die je dicht kunt doen. Zie voor het volledige script bladzijde Geef elk tweetal de volgende themawoorden Een is een soort praatje net als een brief. Van: Ron Aan: Roos Ik raad nog een keer. Het is een slang! Groetjes van Raad Ron Driem is scheeaal p recht! s- Haha. Nu weet ik het. Van: Roos Aan: Ron Een slang hééft geen staart. Hij lijkt op een staart. Nog één kans Ron. Ik heb er een knuffel van. - R R Ron heeft het goed. De staart van de koe is kwijt. Van: Ron Aan: Roos Roos, Ik win, ik win! Geef maar toe: Het is je knuffel-koe. Win Ron Ga achter een computer of laptop zitten. Voordat we verder gaan met de les, moet ik eerst nog iets versturen (even wachten) Zo, dat is verstuurd. 5 Lees het script op bladzijde 59 voor. haten Als je met iemand niets te maken wilt hebben. de vijand Iemand die je haat. optrekken met (iemand) Samen met iemand leuke dingen doen. de Een brief die je op de computer schrijft en verstuurt. het beeldscherm Het scherm van een computer of een tv. de laptop Een kleine, draagbare computer die op je schoot past. de toets Een knop op een apparaat of instrument. het praatje Een kort gesprek over iets gewoons. de kans Als je de kans krijgt, dan mag je iets zeggen off proberen. de tekstballon In een strip staat hierin wat iemand zegt. de denkwolk In een strip staat hierin wat iemand denkt. driemaal is scheepsrecht Als iets twee keer niet gelukt is, lukt het de derde keer vast wel. 25 opdracht: bedenk samen een zin waarin alle drie de woorden (de , het beeldscherm en de laptop) staan. Schrijf een aantal zinnen op het bord. Maak tot slot samen met de kinderen de woordspin op het bord. STAP 3 Tekst lezen 1 Lees het verhaal en de kadertekst voor of laat de kinderen het verhaal en de kadertekst zelfstandig lezen. Wijs de kinderen erop dat ze, als ze een woord moeilijk vinden, de betekenis kunnen opzoeken naast de tekst. Besteed aandacht aan de overige woorden. Zijn alle betekenissen duidelijk? 2 Bespreek het verhaal kort na door het stellen van enkele vragen. Hoe praatten Roos en Ron met elkaar? (Via de computer en de laptop.) Hoe noem je de briefjes die ze elkaar stuurden? ( s.) Zorg ervoor dat de themawoorden bij het bespreken van de vragen zo vaak mogelijk aan bod komen. 31
31 Thema 1 vriendschap week 3 Les 11b woordenschat Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen consolideren de Taalboek, blz minuten betekenis van twaalf Antwoordenboek taal, themawoorden. blz. 10 STAP 4 Werkafspraken 1 Laat de kinderen de woorden bij Dit ga je leren bekijken. Zijn er woorden bij die ze nog niet kennen, dan beginnen ze bij. Kennen ze de woorden al, dan beginnen ze bij. Overleg met kinderen die twijfelen en de kinderen voor wie u een andere keuze hebt gemaakt. 2 Wijs de kinderen op de woorden naast het verhaal. Je mag spieken. thema 1 les 11 TAALBOEK week 3 Eerst proberen Lees de woorden in het instap-kaartje. Ken je de woorden nog niet goed? Begin bij Ken je alle woorden? Begin bij 1 Schrijf het antwoord op het raadsel op. Doe het zo: b 1 Je mag iets zeggen of iets proberen. Rara, wat is het? a driemaal is scheepsrecht b de kans Dit ga je leren Je oefent de themawoorden. woordenschat de denkwolk driemaal is scheepsrecht de kans het praatje de tekstballon de het beeldscherm de toets de laptop de vriend optrekken met de vijand haten Tip: je mag spieken bij het verhaal. 2 2w Het is een kort gesprek. Het gaat over iets gewoons. Rara, wat is het? a een praatje b een handtekening 3 2w Het is een brief. Je verstuurt hem op de laptop. Rara, wat is het? a een b een praatje w Het wordt gebruikt in strips. Je schrijft erin wat iemand zegt. Rara, wat is het? a een tekstballon b een denkwolk 5 2w Het is een knop. Het zit op een apparaat. Rara, wat is het? a een kans b een toets 6 2w Het is een scherm waarop je kijkt. Rara, wat is het? a het beeldscherm b de laptop Antwoorden 1 1 b 2 a 3 a 4 a 5 b 6 a 2 de vriend: optrekken met, houden van, samen spelen de vijand: niet omgaan met, tegen elkaar vechten, haten 32
32 Aanwijzingen bij de les Tijdens het maken van de opdrachten mogen de kinderen spieken bij de themawoorden naast het ankerverhaal. De themawoorden van deze week worden ook aangeboden in het woordspel in het werkboek. U kunt ze op een zelfgekozen tijdstip laten maken door de kinderen. Combinatiegroepen groep A groep B stap 4-5 les 12 stap 1-4 dag- of weektaak: groep A: woordspel groep B: les 11, woordspel Stap 6: bespreek de uitstapkaart met groep A op een moment naar keuze. STAP 5 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. 2 Maak twee rijen: de vriend, de vijand. Schrijf de woorden op de goede plaats. niet omgaan met optrekken met houden van tegen elkaar vechten samen spelen haten Doe het zo: de vriend houden van de vijand niet omgaan met 3 Kijk naar de gekleurde woorden in de zin. Welk woord betekent hetzelfde? Tip: je houdt twee woorden over. STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Hoe komt het dat de kinderen het woord nu wel kennen? (Door de uitleg, de woordspin, de woordkast, de illustraties, de tekst, de woorden naast de tekst?) EXTRA OEFENEN Bespreek met de kinderen wanneer ze het woordspel gaan maken. de toetsen het beeldscherm een op te trekken laptop een praatje de kans driemaal is scheepsrecht 1 Ik zit buiten met mijn draagbare computer. Doe het zo: laptop 2 Ik heb zin in een kort gesprek over iets gewoons. 3 Ik druk op de knoppen van het apparaat. 4 Ik schrijf mijn vriendin een brief op de computer. 5 Ik vind het leuk om met haar leuke dingen te doen. 6 Straks leest zij mijn brief op het scherm waarop ze kijkt. 4 Teken jezelf en een vriend. Teken een tekstballon en een denkwolk. Schrijf er iets in. Welk woord kende je eerst niet, maar nu wel? laptop 2 een praatje 3 de toetsen 4 een 5 op te trekken 6 het beeldscherm 4 33
33 Thema 1 vriendschap week 3 Les 12 woordleer- en onthoudstrategieën STAP 1 Introductie 1 Teken een lege woordspin op het bord: eerst het rondje in het midden en dan acht pootjes. Op welk dier lijkt dit? (Een spin.) Je gaat leren wat een woordspin is en hoe je een woordspin moet maken. Lesdoelen Materiaal De kinderen leren wat een woordspin is. De kinderen kunnen een woordspin maken en gebruiken. De kinderen leren dat je door een woordspin woorden beter kunt onthouden. Lesduur Taalboek, blz Antwoordenboek taal, blz. 11 Plusboek 40 minuten STAP 2 Instructie 1 Lees Dit moet je weten door met de kinderen. Bespreek het voorbeeld. In het midden staat het beeldscherm. Daaromheen staan woorden die met het beeldscherm te maken hebben. Kennen jullie nog meer woorden die met het beeldscherm te maken hebben? Het mogen alle woorden zijn waar jij aan moet denken als je aan een beeldscherm denkt. Vul de woordspin aan met woorden die de kinderen noemen. U kunt hulpvragen stellen als: waarvoor gebruik je een beeldscherm (kijken), wat heeft nog meer een beeldscherm (tv). Vertel daarna: al deze woorden kun je in de woordspin erbij zetten. Je tekent dan meer pootjes. Zo wordt de woordspin groter. 2 Een woordspin helpt je om het woord in het midden beter te onthouden. Als je dan het woord hoort, denk je ook weer aan de woorden die je er in de woordspin bij hebt geschreven en dan weet je weer wat het woord betekent. 3 Verberg de woordspin op het bord. Welke woorden heb ik allemaal opgeschreven? Laat de kinderen de woorden noemen. Helpt het door aan de woordspin terug te denken om de woorden beter te onthouden? 4 Hoe maak je een woordspin? (Een rondje tekenen, een woord erin schrijven, pootjes tekenen en woorden erbij schrijven.) Neem een voorbeeldwoord (bijvoorbeeld buiten spelen ) en maak samen met de kinderen een woordspin op het bord. TAALBOEK th em a 1 les 12 w ee k 3 woordenschat Eerst proberen Kijk naar de woorden van de woordspin. Welk woord hoort niet bij de woordspin? een oogje hebben op 1 de vijand verliefd een kleur krijgen het hartje de redder het gevaar Dit ga je leren Je leert wat een woordspin is. Je leert hoe je een woordspin kunt maken. Dit moet je weten In het midden van de woordspin staat een woord. Alle woorden er omheen hebben te maken met dat woord. de tv de het beeldscherm 2 de computer de toets redden de veiligheid helpen Heb je een fout? Begin bij Heb je alles goed? Begin bij 1 Maak een woordspin van de boom. Er horen nog vier woorden bij. Doe het zo: de stam d t de laptop de denkwolk klimmen het hout de bast de boom 28 de kruin Antwoorden Eerst proberen 1 de vijand 2 de toets 34 1 de boom: de kruin, de stam, klimmen, het hout, de bast
34 Aanwijzingen bij de les De woordspin is een visueel hulpmiddel om betekenisrelaties tussen woorden weer te geven. Het kernwoord staat in het midden van de woordspin, de overige woorden staan verbonden met lijnen ( pootjes ) eromheen. Het gebruiken van de woordspin is een strategie om betekenissen van woorden aan elkaar te verbinden en zo de betekenis van het kernwoord beter te onthouden. Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-4 stap 5 stap 5 les 13 stap 1-2 Stap 6: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. STAP 3 Oefenen 1 De kinderen maken opdracht 1 en 2 van Eerst proberen. 2 Kijk de opdrachten samen na. Vraag de kinderen hoe ze te werk zijn gegaan. Hoe ontdekten ze welk woord er niet in de woordspin past? STAP 4 Werkafspraken 1 Kinderen die alles goed hebben, mogen beginnen bij. Kinderen die een fout hebben, beginnen bij. Overleg met kinderen die twijfelen en de kinderen voor wie u een andere keuze hebt gemaakt. 2 Maak een woordspin. Schrijf het gele woord in het midden. Schrijf de andere woorden eromheen. Tip: je houdt steeds één woord over. 1 de korf het beeldscherm het korfbal de sport de paal Doe het zo: de korf het korfbal 2 de ramp het gevaar de brand de klas vluchten 3 de boezemvriend de kameraad vechten hutten bouwen logeren de korf Een mand zonder bodem waar je een bal doorheen kunt gooien. STAP 5 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Verlengde instructie Laat een kind een woord kiezen van een voorwerp uit de klas voor in het midden van een woordspin (bijvoorbeeld schoolbord, computer, bureau). Brainstorm samen met de kinderen over woorden die in de woordspin komen te staan. Vraag telkens: wat heeft jouw woord te maken met het woord in het midden van de woordspin? Maak opdracht 1 samen. 3 Maak zelf een woordspin. Schrijf in het midden: de held. Schrijf er vier woorden omheen. 2 1 de korf: korfbal, de sport, de paal 2 de ramp: het gevaar, de brand, vluchten 3 de boezemvriend: de kameraad, hutten bouwen, logeren Maak een woordspin. Schrijf in het midden: deze les. Kies uit: leuk grappig handig stom moeilijk Je mag er ook woorden bij verzinnen STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Vraag een aantal kinderen naar de woorden in hun woordspin. Inventariseer welke woorden door meer kinderen zijn gekozen en welke door slechts een paar kinderen of misschien maar één kind. Vraag door naar hun associaties met het woord vriendschap. Bij een woordspin is het niet fout als je andere woorden hebt. Het ligt er aan waar je aan denkt bij dat woord en dat kan bij elk kind anders zijn. Je moet wel kunnen vertellen wat jouw woord met dat middelste woord te maken heeft. Als je dat niet kunt, hoort jouw woord niet in de woordspin. 35
35 Thema 1 vriendschap week 3 Les 13 schrijven Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen kunnen een verhaal Werkboek taal, blz minuten schrijven met een inleiding, een Schrijfblad kern en een slot. De kinderen kunnen een persoonlijk verhaal schrijven. STAP 1 Verkennen 1 Neem de instapkaart met de kinderen door. Bij een persoonlijk verhaal gebruik je steeds het woordje ik of wij (als je met iemand anders bent). Geef een voorbeeld: ik ging naar het zwembad. Ik dacht dat mijn vriend zou komen. We kwamen te laat. 2 Lees samen het verhaal. Bespreek of dit verhaal een goede inleiding, kern en slot heeft. 3 Lees het verhaal nog een keer en maak samen opdracht 1. De kinderen onderstrepen de woorden ik en wij. WERKBOEK thema 1 week 3 les 13 1 Verkennen Lees het verhaal De rups. Het is een persoonlijk verhaal. Aan welke woorden hoor je dat? Zet een streep onder die woorden. 2 Voorbereiden Straks ga je zelf een verhaal schrijven. Tip: kijk rechts bij idee. a Mijn verhaal gaat over: schrijven Dit ga je leren Je leert hoe je een persoonlijk verhaal schrijft. Dit moet je weten Een persoonlijk verhaal gaat over jezelf. Je gebruikt hierbij vaak het woord ik. persoonlijk Van je zelf. STAP 2 Voorbereiden 1 Leg uit dat de kinderen een persoonlijk verhaal gaan schrijven. Wijs op de ideeën op de rechterpagina. 2 Neem de schrijfhulp stap voor stap door. Vul op het bord een voorbeeld van de schrijfhulp in. Gebruik daarvoor een eigen, persoonlijk verhaal. Door hardop te denken, horen en zien de kinderen hoe de schrijfhulp tot stand komt. Sla de titel in eerste instantie over; bedenk die pas op het eind, dan past hij beter bij de inhoud. 3 De kinderen vullen de schrijfhulp in. Benadruk dat ze dit kort, in steekwoorden, moeten doen. Extra Kinderen die moeite hebben met het invullen van de schrijfhulp helpt u aan de instructietafel. Je mag ook het verhaal kiezen dat je in les 3 verteld hebt. b Vul de schrijfhulp in. Tip: schrijf alleen losse woorden op. 3 Schrijven Pak je schrijfblad. Schrijf je naam en de datum op. Schrijf nu het verhaal. Gebruik de schrijfhulp. Na de inleiding sla je een regel over. Na de kern sla je ook weer een regel over. 4 Nakijken Lees je verhaal na. Vul de nakijkhulp in. Klaar? Pak je kleurpotloden. Zet met geel een kring om de inleiding. Zet met groen een kring om de kern. Zet met blauw een kring om het slot. 5 Presenteren Wil jij je verhaal voorlezen aan de groep? a ja a nee De rups de titel De naam van een boek, een film of een verhaal. Op vakantie in Spanje had ik een vriend. Hij heette Stan. Stan en ik gingen zwemmen Er was ook een glijbaan. Je mocht er van de glijbaan met een grote band. Stan en ik gingen met een opblaasrups van de glijbaan af. We gingen heel hard. Op het einde vielen we in het water. Ik kwam onder de rups. Ik kreeg geen lucht. Dat was eng. Toen kwam ik weer boven. Ik was heel blij. Ik ging nog heel vaak van de glijbaan. Maar niet meer op de rups
36 Aanwijzingen bij de les In les 3 (spreken en luisteren) hebben de kinderen geleerd een persoonlijk verhaal te vertellen. Deze les leren de kinderen een persoonlijk verhaal te schrijven. Ze kunnen hetzelfde verhaal gebruiken als ze in les 3 verteld hebben, maar u kunt ze ook een nieuw verhaal laten kiezen. Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-2 stap 3-4 stap 3-4 dag- of weektaak Stap 5 en 6: presenteer het werk en bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. schrijfhulp Tip: bedenk de titel pas op het eind. Dan weet je waar je verhaal over gaat. Titel: idee! te laat komen STAP 3 Schrijven 1 Geef elk kind een vel schrijfpapier. De kinderen schrijven eerst hun naam en de datum op. 2 De kinderen schrijven hun verhaal op. Wijs op de schijfhulp: je hebt je verhaal al bedacht door losse woorden op te schrijven. Nu ga je met die woorden mooie zinnen maken. Extra Neem met de kinderen die moeite hebben met het schrijven het verhaal De rups nog een keer door. De inleiding Over wie gaat het? Waar is het? De kern Wat gebeurt er? Het slot Hoe loopt het af? ruzie hebben iemand helpen een feest STAP 4 Nakijken 1 De kinderen lezen hun verhaal goed door aan de hand van de nakijkhulp. Als ze fouten ontdekken, kunnen ze die in de tekst verbeteren, maar ze hoeven niet een geheel nieuwe versie te schrijven. STAP 5 Presenteren 1 De kinderen geven aan of ze hun verhaal voor willen (laten) lezen. 2 Kies een paar verhalen van kinderen die een goede scheiding gemaakt hebben tussen de inleiding, de kern en het slot. Lees dit verhaal voor of laat de kinderen hun verhaal zelf voorlezen. nakijkhulp ja nee Heeft je verhaal een titel? a a Heeft je verhaal een inleiding? a a Heeft je verhaal een kern? a a Heeft je verhaal een slot? a a Hoe vond je het om een verhaal te schrijven? a makkelijk a een beetje lastig a moeilijk Ik ben trots op mijn verhaal. a ja a nee STAP 6 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. 2 Publiceer de verhalen door ze op te hangen of in een map te verzamelen
37 Thema 1 vriendschap week 3 Les 14 taal verkennen samen leren Lesdoelen Materiaal Lesduur Samenwerken: de kinderen leren Taalboek, blz minuten dat je bij samenwerken rustig Antwoordenboek, blz. 12 moet praten en werken. Per tweetal: De kinderen herhalen de doelen een schrijfblad die getoetst worden: een groen en blauw Opdracht 1: zelfstandig potlood naamwoord (les 2) en lidwoord (les 4) Opdracht 2: samenstellingen (les 7) Opdracht 3: het alfabet (les 9) STAP 1 Introductie 1 Vertel de kinderen dat ze deze les gaan oefenen met onderwerpen die ze in eerdere lessen geleerd hebben. Dat doen ze in tweetallen. Lees samen Dit ga je doen. Bij samenwerken is het belangrijk dat je rustig praat en werkt. We maken daarom de afspraak dat we zachtjes praten, en niet roepen of schreeuwen. Als we ons aan die afspraak houden, kan iedereen elkaar goed verstaan. Extra Oefen met luid en met zachtjes praten. Spreek daar eventueel een teken voor af: uw handen 30 cm van elkaar betekent luide stemmen, uw handen 15 cm van elkaar betekent zachte stemmen. In deze les praten we met zachte stemmen. Spreek een signaal af als de stemmen te luid worden. 2 De werkvorm deze les is: Om de beurt. Leg aan de hand van de strip in de instapkaart de werkvorm uit. les 14 TAALBOEK thema 1 week Om de beurt Kijk naar de plaat. Schrijf een zelfstandig naamwoord op. Zet er een lidwoord voor. Kies uit: de het een Doe hetzelfde met een ander woord. Doe het zo: Schrijf samen acht woorden op. de boom het huis taal verkennen Dit ga je doen Je oefent voor de toets. Je leert dat je bij samenwerken rustig moet praten. Dit moet je weten Dit heb je nodig 1 schrijfblad 1 groen potlood 1 blauw potlood STAP 2 Werkafspraken 1 Verdeel de kinderen in tweetallen. Laat de kinderen afspreken wie blauw en wie groen is. Blauw pakt het blauwe potlood, groen het groene potlood. Let op jouw kleur. Hieraan kun je zien wanneer je aan de beurt bent en wat je moet doen. 2 Leg uit dat de kinderen bij alle opdrachten met dezelfde partner werken
38 Aanwijzingen bij de les In les 14 staan herhalen en samenwerken centraal. De kinderen herhalen de doelen die getoetst worden. Dit doen ze in tweetallen. In groep 4 wordt gewerkt met de werkvormen Om de beurt en Samen delen. Deze les wordt de werkvorm Om de beurt geïntroduceerd. Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-2* stap 1-2* stap 3 stap 3 * Start de les gezamenlijk. Bekijk en bespreek de instapkaarten. Stap 4: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. 2 Om de beurt bad beer blad bloem strand klink taart tent deur eend feest ijs schep keuken tas water Kies twee woorden uit. Maak daarmee een nieuw woord. Doe hetzelfde met twee andere woorden. Doe het zo: 3 Om de beurt Schrijf samen zes samenstellingen op. badeend keukendeur Kies een letter. Schrijf achter de letter een zelfstandig naamwoord. Kies een letter. Schrijf achter de letter een zelfstandig naamwoord. Doe het zo: Maak samen tien woorden. d deur k kamer Hoe waren de stemmen van jou en je buur? meestal rustig soms rustig meestal luid 31 STAP 3 Zelfstandig werken 1 De kinderen gaan zelfstandig aan het werk. Extra Omdat dit de eerste les samenwerkend leren is, kunt u ervoor kiezen om een of meerdere opdrachten stap voor stap klassikaal uit te leggen. De kinderen raken zo vertrouwd met de werkvorm. 2 Geef na ongeveer zeven minuten een signaal, zodat de kinderen met de volgende opdracht beginnen. Dit om te voorkomen dat ze bij één opdracht blijven hangen. STAP 4 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. Vertel hoe vaak u het signaal heeft gegeven om zachter te praten. Waarom was dat nodig? Concludeer: het werkt fijner als iedereen met een rustige stem praat. Geef de kinderen een compliment als ze rustig gepraat hebben. Vraag de kinderen hoe het samenwerken ging. Geven de kinderen van een tweetal hetzelfde antwoord? Bespreek eventuele verschillen. 2 Kies vervolgens een opdracht uit om te bespreken, bijvoorbeeld opdracht 2. Laat van elk tweetal een kind een samenstelling noemen. Laat het andere kind uitleggen wat het woord betekent. 39
39 STAP 1 Introductie 1 Jullie gaan zo de taaltoets van het thema maken. Het eerste deel gaat over woordenschat en het tweede deel over taal verkennen. We kijken eerst samen naar de opdrachten. 2 Laat de kinderen de toets voor zich nemen. OEFENBLADEN woordenschat Thema 1 vriendschap week 3 toets Lesdoelen Woordenschat Taal verkennen De kinderen laten zien in hoeverre zij de themawoorden en de doelen taal verkennen beheersen. De kinderen weten of ze in week 4 starten met de -, -opdrachten in het taalboek of verder mogen werken in het plusboek. het alfabet alsmaar driemaal is scheepsrecht een het gevaar hevig de redder de stam de tekstballon de titel de veiligheid vluchten Les 2: Het zelfstandig naamwoord Les 4: Het lidwoord Les 7: De samenstelling Les 9: Het alfabet STAP 2 Werkafspraken woordenschat 1 Bij de opdrachten over de themawoorden geef je aan wat het woord betekent door het juiste rondje aan te kruisen. Opdracht 5-8: Deze opdrachten horen bij het plaatje. Bekijk eerst het plaatje en beantwoordt daarna de vragen. STAP 3 Werkafspraken taal verkennen 1 Opdracht 1-3: Kruis de zelfstandige naamwoorden in de zin aan. Let op: dit kunnen er meer zijn. Opdracht 4-6: Kruis de woorden aan waarvoor een lidwoord past. Opdracht 7-9: Trek een lijn tussen de woorden die een samenstelling kunnen vormen. Let op: er blijft steeds een woord over. Opdracht 10-12: Zet de stukjes alfabet in de juiste volgorde. Zet het cijfer 1 bij de letters die eerst komen. U kunt de toets printen vanaf
40 Materiaal Lesduur Aanwijzingen bij de les Toetsboek 40 minuten De toets bestaat uit drie onderdelen. De Taaltoets plustoets is bedoeld voor de kinderen die al Taakbrief taal werken in het plusboek en voor de kinderen bij wie u wilt bepalen of ze in aanmerking komen voor het plusboek. Combinatiegroepen groep A groep B stap 1* toets maken toets maken * Stap 1: Licht per groep kort de opdrachten toe. STAP 4 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Plustoets Bespreek met de betreffende kinderen de opdrachten kort door. Opdracht 4: Let op: er kunnen meer antwoorden goed zijn. 3 41
41 Thema 1 vriendschap week 3 toets Beoordeling De resultaten van de kinderen noteert u op het (digitale) registratieblad. U noteert voor ieder kind het aantal goede antwoorden op de onderdelen woordenschat, taal verkennen en, indien van toepassing, de plustoets. Vervolg U beoordeelt het vervolg voor week 4 op basis van de score voor de onderdelen woordenschat, taal verkennen en, indien van toepassing, de plustoets. Op het registratieblad ziet u vervolgens wat de kinderen in week 4 gaan doen. OEFENBLADEN woordenschat U kunt de toets printen vanaf
42 score beoordeling vervolg les 15*, 16, 17, 19 en 20 basistoets 9 onvoldoende instructie en basistoets 10 voldoende zelfstandig en basistoets goed-zeer goed zelfstandig en plustoets 7-8 goed-zeer goed in combinatie met een goede tot zeer goede score voor woordenschat en taal verkennen komen deze kinderen in aanmerking voor het plusboek * Voor les 15 geldt dat de kinderen die een onvoldoende of voldoende score hebben behaald op de woordenschattoets, instructie krijgen van de leerkracht. Het kan bij taal verkennen voorkomen dat kinderen verschillende resultaten tussen de diverse toetsonderdelen laten zien. Kinderen die maar 1 vraag goed hebben bij een bepaald onderdeel komen in week 4 voor instructie in aanmerking. 3 43
43 Thema 1 vriendschap week 4 Les 15 woordenschat Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen herhalen de betekenis van de toetswoorden uit thema 1. Taalboek, blz Antwoordenboek taal, blz. 13 Plusboek Instructie: lege woordkaarten 20 minuten STAP 1 Werkafspraken 1 Benoem kort het doel van de les. Wijs de kinderen op Weet je nog?. 2 Kinderen die met de -opdracht beginnen of in het plusboek werken gaan zelfstandig aan het werk. Geef de andere kinderen instructie. TAALBOEK thema 1 week x4 les 15 Dit ga je leren Je oefent nog een keer met de woorden uit de toets. woordenschat 1 a Kijk naar je toets. Zoek de woorden die je fout had. Zet er een kruisje voor. b Maak van elk woord een woordkaart. Schrijf het woord op de voorkant. Schrijf de betekenis op de achterkant. Of maak een tekening van het woord. Je mag de woorden opzoeken. Weet je nog? het alfabet alsmaar driemaal is scheepsrecht de held hevig de kern de stam de tekstballon de titel vluchten de redder de veiligheid het gevaar het beeldscherm de laptop de Doe het zo: de stam 32 Antwoorden waar 2 waar 3 niet waar 4 niet waar 5 niet waar 6 waar 44
44 Aanwijzingen bij de les De kinderen die de toets onvoldoende en voldoende gemaakt hebben, gaan woordkaarten maken van de woorden die ze nog onvoldoende kennen. Op woordkaarten staat het woord, de betekenis van het woord, een voorbeeldzin en/of een illustratie. Het maken van de kaart helpt kinderen bij het begrijpen en onthouden van dat woord. Dit is de eerste keer dat de kinderen woordkaarten gaan maken. Daarom hoeven niet alle elementen van de woordkaart opgenomen te worden en kunt u de woordkaart beperken tot het woord plus een omschrijving of tekening. 2 Waar of niet waar? 1 a, b, c, d, e Dit is het begin van het alfabet. Doe het zo: waar 2 Dit is de stam van een boom. 3 De kern is het einde van een verhaal. 4 Driemaal is scheeprecht. Als iets twee keer niet gelukt is, lukt het de derde keer ook niet. 5 Alsmaar betekent eventjes. 6 Help! Dit is de titel van het verhaal van les 1. 3 a Kijk naar de woordspinnen. Vul de woorden in. Kies uit: de het gevaar de veiligheid de laptop de redder het beeldscherm Doe het zo: de b Bedenk bij elke woordspin nog twee woorden. Schrijf ze erbij. 3 a de de laptop, het beeldscherm het gevaar: de veiligheid, de redder b... Combinatiegroepen groep A groep B stap 1 stap 2 stap 2 Plan voor de kinderen die dat nodig hebben het extra instructiemoment....lees de woorden in het instap-kaartje nog eens. Ken je ze nu allemaal goed? ja een beetje nee 33 STAP 2 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Instructie Geef de kinderen hun toets terug en vraag hun om te kijken bij welke woorden ze fouten gemaakt hebben. Laat ze een kruisje zetten voor deze woorden. Jullie gaan van deze woorden een woordkaart maken. Wijs op het voorbeeld in het taalboek. Je schrijft het woord op de voorkant van je woordkaart en de omschrijving van de betekenis van dat woord op de achterkant. Je mag in plaats van de omschrijving ook een tekeningetje van jouw woord maken. Op dat tekeningetje moet je goed kunnen zien wat het woord betekent. Wijs erop dat het soms het beste is om een omschrijving te maken (bijvoorbeeld bij woorden als soms of almaar) en soms een tekening (bijvoorbeeld bij de stam). Deel de kaarten uit en laat de kinderen aan het werk gaan. Omdat dit de eerste keer is dat ze zelf een woordkaart maken, is het belangrijk dat u ze hierbij helpt. Laat kinderen die meer dan vijf fouten hebben samenwerken of de vijf moeilijkste woorden kiezen om een woordkaart van te maken. Als de woordkaarten klaar zijn, speelt u een consolideringsspelletje. U geeft de betekenis van een woord en alle kinderen die een kaart met dat woord hebben houden de kaart omhoog. Laat de kinderen die klaar zijn de -opdracht zelfstandig maken. 45
45 Thema 1 vriendschap week 4 Les 16 taal verkennen doel les 2 Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen weten wat een zelfstandig naamwoord is. Taalboek, blz Antwoordenboek taal, blz. 14 Plusboek 20 minuten STAP 1 Werkafspraken 1 Benoem kort het doel van de les. Wijs de kinderen op Weet je nog?. 2 Kinderen die deze les zelfstandig werken gaan aan het werk. Geef de andere kinderen instructie. TAALBOEK thema 1 week x4 les 16 1 Schrijf het zelfstandig naamwoord op. 1 Gisteren zag ik onze nieuwe woning. gisteren woning nieuwe Doe het zo: woning 2 Ik mocht bij een vriendin slapen. vriendin een slapen 3 Wat is het bos mooi! het bos mooi 4 Ik lag heerlijk in het groene gras. gras groene heerlijk Dit heb je geleerd Je hebt geleerd wat een zelfstandig naamwoord is. taal verkennen Weet je nog? Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier of ding. man kat fiets 34 Antwoorden 1 1 woning 2 vriendin 3 bos 4 gras 2 het boek de broek het doel de stoel de krant de plant de muur het vuur de doos de roos 46
46 Combinatiegroepen groep A groep B stap 1 stap 2 stap 2 Plan voor de kinderen die dat nodig hebben het extra instructiemoment. 2 Kijk naar het plaatje. Schrijf het woord met het lidwoord op. Zoek het rijmwoord erbij. Doe het zo: de plant - de krant het boek het doel de krant de muur de doos 3 a Schrijf het woord met het lidwoord op. Bedenk zelf een ander zelfstandig naamwoord dat erbij past. Doe het zo: de hamer - de zaag b Maak drie rijen. Schrijf de woorden van opdracht 3a in de goede rij. Doe het zo: mens dier ding de hamer de zaag Weet je wat een zelfstandig naamwoord is? Kies uit: ja een beetje nee 35 STAP 2 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Wijs de kinderen erop dat ze bij opdracht 3a de zelfstandige naamwoorden niet in de illustratie hoeven te zoeken. Instructie Neem de instapkaart nog een keer door met de kinderen. Wat vinden ze lastig? Herkennen ze een woord voor een mens, dier of ding in een zin? Geef van alle drie nog meer voorbeelden. Voor elk zelfstandig naamwoord kun je een lidwoord zetten. Bekijk samen het ankerverhaal. Benoem met de kinderen in elke zin de mensen, dieren en dingen. Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier of ding. Als je het niet zeker weet kun je kijken of je er een lidwoord voor kunt zetten. Maak de eerste twee items van opdracht 1 samen. Vraag steeds: is het een woord voor een mens, dier of ding? Laat de kinderen de opdracht daarna zelfstandig afmaken. 3 a 1 de hamer de zaag 2 de vogel de poes 3 de vader de jongen 4 de wip de schommel b mens: de vader, de jongen dier: de vogel, de poes ding: de hamer, de zaag 47
47 Thema 1 vriendschap week 4 Les 17 taal verkennen doel les 4 Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen herkennen een Taalboek, blz minuten lidwoord en een zelfstandig Antwoordenboek taal, naamwoord in een zin. blz. 15 De kinderen kunnen een Plusboek lidwoord en een zelfstandig naamwoord combineren in een zin. STAP 1 Werkafspraken 1 Benoem kort het doel van de les. Wijs de kinderen op Weet je nog?. 2 Kinderen die deze les zelfstandig werken gaan aan het werk. Geef de andere kinderen instructie. TAALBOEK thema 1 week x4 les 17 1 Schrijf het lidwoord en het zelfstandig naamwoord op. Kies uit: het water de glijbaan het bed een paard de top de sloot 1 Ik klim naar Doe het zo: de top taal verkennen Dit heb je geleerd Je hebt geleerd wat een lidwoord is. Je hebt geleerd waar een lidwoord bij hoort. Weet je nog? de het een jongen meisje jongen, meisje aap schaap aap, schaap tafel huis tafel, huis 2 Ik glij van 3 Ik rij op 4 Ik zwem in 5 Ik spring over 6 Nu lig ik moe in Antwoorden 1 1 de top 2 de glijbaan 3 een paard 4 het water 5 de sloot 6 het bed 2 1 Ik geef een feest. 2 Het feest is in het park. 3 Dit is de tijd: van 3 tot 6 uur. 4 Neem een fiets mee! 5 We gaan een spel doen. 48
48 Combinatiegroepen groep A groep B stap 1 stap 2 stap 2 les 18 stap 1-2 Plan voor de kinderen die dat nodig hebben het extra instructiemoment. 2 Schrijf het lidwoord en het zelfstandig naamwoord op. Kies uit: een fiets het park een feest een spel de tijd Schrijf de hele zin op. 1 Ik geef Doe het zo: Ik geef een feest. 2 Het feest is in 3 Dit is : van 3 tot 6 uur. 4 Neem mee! 5 We gaan doen. 3 a Maak drie rijtjes. een dier een ding een plaats Schrijf in elk rijtje vier woorden met een lidwoord. Doe het zo: een dier een ding een plaats een beer de schoen het bos b Kies uit elk rijtje een woord. Maak met dat woord een zin. Doe het zo: In het bos woont een beer. 3 a een dier: een beer, een vos, een duif, een hond, een poes een ding: de schoen, de wip, de kast, het boek een plaats: het bos, het park, het dorp, de duinen Heb je genoeg geoefend met lidwoorden? Kies uit: genoeg bijna genoeg niet genoeg 37 b In het bos woont een vos. De schoen ligt onder het bed. Ik geef een feest in het park. STAP 2 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Instructie Neem de instapkaart nog een keer door met de kinderen en vraag hun wat er bijzonder is aan de woorden de, het en een. (Ze staan altijd voor een zelfstandig naamwoord.) Leg nog een keer uit wat een zelfstandig naamwoord is. (Een woord voor een dier, mens of ding.) Schrijf op het bord: de, het, een = lidwoord. Lidwoord wil zeggen: ze zijn lid van het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. Neem de voorbeelden van de instapkaart nog een keer samen door. Waar zit je op? Waar schrijf je in? Waar schrijf je mee? Laat de kinderen steeds het zelfstandig naamwoord met het lidwoord noemen en benoem zelf steeds expliciet het lidwoord. Wijs de deur aan. Laat de kinderen mondeling een zinnetje maken met het woord deur. Bijvoorbeeld: De deur is rood. Herhaal de zin en vervolgens het lidwoord en het naamwoord. Als iemand het deur zegt, verbeter het dan als u het zinnetje nazegt. Maak de eerste twee items van opdracht 1 samen. Laat de kinderen de opdracht daarna zelfstandig afmaken. 49
49 Thema 1 vriendschap week 4 Les 18 spreken en luisteren Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen kunnen naar Werkboek taal, blz minuten een verhaal luisteren. Luistertekst digibord of De kinderen kunnen kernelementen luistertekst blz. 61 uit het verhaal letterlijk onthouden (reproductief luisteren). De kinderen kunnen een verhaal navertellen. STAP 1 Verkennen 1 In les 3 hebben de kinderen een eigen verhaal verteld. Deze les gaan de kinderen een verhaal navertellen. Neem de instapkaart samen door. 2 Zeg dat de kinderen naar een verhaal gaan luisteren. Let goed op de inleiding, de kern en het slot van het verhaal. Lees samen de tekst bij opdracht 1. 3 Laat de kinderen luisteren via het digibord of lees de tekst voor. De kinderen kruisen aan als ze het onderdeel in het verhaal herkennen. STAP 2 Voorbereiden 1 Vertel dat de kinderen het verhaal dat ze zojuist gehoord hebben, straks gaan navertellen. Neem de praathulp stap voor stap door. Wie kan antwoord geven op alle vijf vragen? Wie op vier van de vijf? Wie drie? Laat indien nodig het fragment nog een keer horen. 2 Bespreek de antwoorden klassikaal en vul samen de praathulp in. Benadruk dat de kinderen alleen losse woorden op hoeven te schrijven. 3 Laat nog een keer het fragment horen. Controleer samen of de antwoorden kloppen. WERKBOEK thema 1 week 4 les 18 1 Verkennen Luister naar het verhaal. Let goed op de inleiding, de kern en het slot. Hoor je het? Zet dan een kruisje. De inleiding a Ik hoor over wie het gaat. a Ik hoor waar het is. a Ik hoor wanneer het is. De kern a Ik hoor wat er gebeurt. Het slot a Ik hoor hoe het afloopt. 2 Voorbereiden Straks ga je het verhaal navertellen. Denk terug aan het verhaal. Vul de praathulp in. Tip: schrijf alleen losse woorden op. 3 Spreken en luisteren Vertel om de beurt het verhaal. Gebruik de praathulp. 4 Napraten Denk terug aan het verhaal van je buur. Vul de luisterhulp in. spreken en luisteren Dit ga je leren Je leert hoe je een verhaal onthoudt. Je leert hoe je een verhaal navertelt. Dit moet je weten Als je luistert, hoef je niet alles te onthouden. Je onthoudt de belangrijkste dingen. En die vertel je na. de hulp Iets dat je helpt. De praathulp en de luisterhulp helpen je met vertellen en luisteren
50 Combinatiegroepen groep A groep B stap 1-2 les 17 stap 2 afmaken stap 3-4 les 18 stap 3-4 Stap 5: bespreek de uitstapkaart met groep A en B op een moment naar keuze. STAP 3 Spreken en luisteren 1 Maak tweetallen. De kinderen vertellen om de beurt het verhaal aan elkaar. Geef aan wanneer er gewisseld moet worden. praathulp De inleiding Over wie ging het? Waar was het? Wanneer was het? STAP 4 Napraten 1 Neem de luisterhulp samen door. De kinderen denken terug aan het verhaal en vullen de luisterhulp in. 2 Laat de kinderen vertellen wat ze bij de luisterhulp hebben ingevuld. Vraag ook om een korte toelichting. Extra In latere lessen gaan de kinderen werken met het geven van een top (wat ging goed?) en een tip (wat kan nog beter?). Eventueel kunt u dat deze les al een keer voordoen. Laat horen hoe je een top op een aardige manier kunt formuleren. De kern Wat gebeurde er? STAP 5 Reflectie 1 Bespreek de uitstapkaart. 2 Dit was de tweede les spreken en luisteren. Vertel wat u zelf van de lessen vond. Wat ging goed? Wat kan nog beter? Het slot Hoe liep het af? luisterhulp ja nee Praatte de verteller duidelijk? a a Had het verhaal een inleiding? a a Had het verhaal een slot? a a Ben je een goede verteller? a ja a een beetje a nee 21 51
51 Thema 1 vriendschap week 4 Les 19 taal verkennen doel les 7 Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen weten wat een Taalboek, blz minuten samenstelling is. Antwoordenboek taal, blz. 6 Plusboek Instructie: voor ieder kind kaartjes (A6-formaat) met de woorden: dak, pan, huis, deur, fiets, kar, bel STAP 1 Werkafspraken 1 Benoem kort het doel van de les. Wijs de kinderen op Weet je nog?. 2 Kinderen die deze les zelfstandig werken gaan aan het werk. Geef de andere kinderen instructie. TAALBOEK thema 1 week x4 les 19 1 Schrijf de samenstelling op. 1 Max is mijn buur + jongen. Doe het zo: buurjongen 2 Hij heeft een sport + fiets. 3 Soms doet hij mee aan een fiets + tocht. 4 Hij wint dan altijd de hoofd + prijs. 5 Hij is niet zo goed in slag + bal. 6 Dat speel ik graag na school + tijd. taal verkennen Dit heb je geleerd Je hebt geleerd hoe je een samenstelling maakt. Weet je nog? Je maakt een samenstelling door twee woorden aan elkaar te plakken. fiets + bel fietsbel 38 Antwoorden 1 1 buurjongen 2 sportfiets 3 fietstocht 4 hoofdprijs 5 slagbal 6 schooltijd 2 feestneus, suikerfeest, feestmuziek, feesttent, feestavond, feestdag, schoolfeest, feestjurk, slaapfeest, knalfeest 52
52 Combinatiegroepen groep A groep B stap 1 stap 2 stap 2 Plan voor de kinderen die dat nodig hebben het extra instructiemoment. 2 Maak samenstellingen met feest. Zet een woord vóór feest. Of zet een woord achter feest. Doe het zo: feestneus, suikerfeest muziek avond suiker school slaap tent neus dag jurk knal 3 Maak van de samenstelling twee woorden. Maak met deze woorden een zin. 1 lapjeskat Doe het zo: lapjes - kat De kat heeft een jurk van lapjes aan. 2 ijsberg 3 toverbal 4 piratenschip 5 groentesoep 6 doelpunt Kun je samenstellingen maken? Kies uit: goed nog niet goed slecht STAP 2 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Instructie Neem de instapkaart nog een keer door met de kinderen. Geef een ander voorbeeld. Wijs op uw bureau. Dit is een bureau. Dit is de stoel bij het bureau. Dus dit is de bureaustoel. Geef meer voorbeelden en laat de kinderen de voorbeelden aanvullen. Leg de kaartjes neer en laat de kinderen in tweetallen proberen om er samenstellingen van te maken. Stimuleer ze om van één woord meerdere samenstellingen te maken zoals huisdeur en deurbel. Maak de eerste twee items van opdracht 1 samen. Laat de kinderen de opdracht daarna zelfstandig afmaken lapjes kat De kat heeft een jurk van lapjes aan. 2 ijs berg Er ligt ijs op de top van de berg. 3 tover bal Tover jij voor mij een gouden bal? 4 piraten schip Ik zie drie piraten op het schip. 5 groente soep Ik hou niet van groente in mijn soep. 6 doel punt Mijn doel is een punt te scoren. 53
53 Thema 1 vriendschap week 4 Les 20 taal verkennen doel les 9 Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen weten wat het Taalboek, blz minuten alfabet is. Antwoordenboek taal, De kinderen ontdekken waarom blz. 20 er een alfabet is. Plusboek De kinderen kunnen het alfabet Instructie: voor ieder kind opzeggen. een strook papier en een schaar. STAP 1 Werkafspraken 1 Benoem kort het doel van de les. Wijs de kinderen op Weet je nog?. 2 Kinderen die deze les zelfstandig werken gaan aan het werk. Geef de andere kinderen instructie. TAALBOEK thema 1 week x4 les 20 1 De letters liggen door elkaar. Schrijf ze op in de volgorde van het alfabet. Doe het zo: a, b taal verkennen Dit heb je geleerd Je hebt geleerd wat het alfabet is. Je kunt het alfabet opzeggen van a tot z. Weet je nog? Het alfabet heeft 26 letters. a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z De letters staan altijd in deze volgorde. 40 Antwoorden 1 a, b, c, d, e, f, g, h, i, j,k, l, m, n, o, p, q, r, s, t, u, v, w, x, y, z 2 1 Haas staat in deel 2. 2 Beer staat in deel 1. 3 Uil staat in deel 4. 4 Olifant staat in deel 3. 5 Tijger staat in deel 4. 6 Egel staat in deel 1. 7 Wolf staat in deel 4. 54
54 Combinatiegroepen groep A groep B stap 1 stap 2 stap 2 Plan voor de kinderen die dat nodig hebben het extra instructiemoment. 2 Je zoekt een dier. In welk deel moet je zoeken? 1 Haas staat in deel Doe het zo: Haas staat in deel 2. 2 Beer staat in deel 3 Uil staat in deel 4 Olifant staat in deel 5 Tijger staat in deel 6 Egel staat in deel 7 Wolf staat in deel 3 a Schrijf het alfabet op. Probeer bij elke letter een woord op te schrijven. Doe het zo: a = aap b = b Hoeveel woorden heb je bedacht? Schrijf je naam op. Zet de letters in de volgorde van het alfabet. Doe het zo: Loes - Elos Hoe heet jij nu? 41 STAP 2 Zelfstandig werken 1 De kinderen werken zelfstandig aan de opdrachten. Instructie Neem de instapkaart nog een keer door met de kinderen. Lees samen het alfabet. Geef elk kind een strook papier. Laat ze proberen om het alfabet uit hun hoofd op te schrijven. Laat elk kind de strook op zijn eigen manier doorknippen. Dan zijn er verschillende alfabetpuzzels om mee te oefenen. Leg de stukken op hun kop. Pak steeds een stuk en leg de stukken in de goede volgorde. Wijs de kinderen erop dat ze op de instapkaart kunnen spieken. Maak de eerste twee items van opdracht 1 samen. Laat de kinderen de opdracht daarna zelfstandig afmaken. 3 a b 55
55 Thema 1 vriendschap week 4 Les 21 taalspel Lesdoelen Materiaal Lesduur De kinderen oefenen de doelen van spel 1: Nederlandstalige liedtekst (op 40 minuten thema 1. het digibord of per tweetal een kopie Spel 1: het lidwoord (les 2) en het op papier) zelfstandig naamwoord (les 4) spel 2: een zacht balletje of prop Spel 2: het alfabet (les 9) papier Spel 3: samenstellingen (les 7) spel 3: per kind een vel A4-papier SPEL 1 Het lidwoord en het zelfstandig naamwoord 1 Kies een Nederlandstalige liedtekst met daarin meerdere lidwoorden en zelfstandige naamwoorden. Laat de tekst zien op het digitaal schoolbord of zorg ervoor dat de kinderen allemaal een kopie hebben. 2 Geef met de kinderen alle lidwoorden dezelfde kleur. Geef alle zelfstandige naamwoorden een andere kleur. 3 Zing het lied samen of lees het hardop. Laat de kinderen bij elk lidwoord klappen. Laat ze bij elk zelfstandig naamwoord stampen. SPEL 2 Het alfabet 1 Laat de kinderen een kring vormen. 2 Leg het spel uit. We gaan gooien met de bal. Als je de bal hebt, noem je drie letters van het alfabet. De letters moeten na elkaar komen. Bijvoorbeeld d-e-f. Gooi dan de bal naar een ander. De ander vangt de bal en zegt de drie letters die erna komen: g-h-i. Dan noemt de ander drie letters, bijvoorbeeld u-w-v en gooit de bal. Zorg ervoor dat de bal steeds heen en weer gaat. Na de z begin je weer vooraan bij de a. 3 De kinderen spelen het spel. U kunt ze tussentijds een keer laten stoppen en het aantal letters verhogen of verlagen. SPEL 3 Samenstellingen 1 Geef ieder kind een lege kaart. Ieder kind bedenkt samen met zijn buur een samenstelling. Beiden schrijven ze een deel van de samenstelling op hun kaart: de een het eerste deel, de ander het laatste deel. Bijvoorbeeld: op de ene kaart huis, op de andere kaart deur. 2 Kies vier kinderen (twee paren) en haal hun kaarten uit het spel. Verzamel de rest van de kaarten en hussel ze door elkaar. Laat de overige kinderen een kring vormen en geef ieder kind in de kring een kaart. De kaarten worden voor de buik gehouden, zó dat alleen de achterkant zichtbaar is. 3 De vier kinderen staan in het midden van de kring en wijzen om de beurt twee kinderen in de kring aan, die de voorkant van hun kaart moeten laten zien. Vormen de twee woorden op de kaarten samen een samenstelling? Dan mag het kind de kaarten houden en wijst het nog een keer twee kaarten aan. Wie van de vier kinderen verzamelt de meeste samenstellingen? 56
56 Aanwijzingen bij de les In thema 1, 3, 5 en 7 gaan de kinderen in les 21 aan de slag met taalspelletjes: de doelen uit het thema worden op een speelse, samenwerkende manier nogmaals geoefend. Bij de taalspellen staat meervoudige intelligentie centraal. Elk taalspel ligt de nadruk op een bepaalde intelligentie: muzikaal-ritmisch, lichamelijkkinestetisch, visueel-ruimtelijk, inter-persoonlijk, verbaal-linguïstisch. Combinatiegroepen Kies een aantal spellen die u met beide groepen kunt spelen. 57
57 Thema 1 vriendschap semantiseringsscripts Week 1 les 1 ankerverhaal de boezemvriend de vriend de bekende de onbekende Script We weten niet wie dit is. Dit is een onbekende. Een onbekende is iemand van wie je de naam niet weet, iemand die je niet kent. [Laat de foto van uzelf/uw collega zien] Wie is dit? Dit is [juf/meester ]. Dit is een bekende. We weten de naam, we kennen hem/haar. Een onbekende is dus iemand die je niet kent, en een bekende is iemand die je wel kent. Van een onbekende weet je de naam niet, van een bekende weet je de naam wel. Iemand die je heel goed kent en die je aardig vindt, noem je een vriend. Als je een vriend hebt met wie je het meeste omgaat, noem je dat je boezemvriend. Een boezemvriend is je beste vriend. de redder het gevaar de veiligheid Script Ik was net in gevaar, omdat ik bijna van de tafel viel. Het gevaar betekent dat er iets ergs kan gebeuren. Gelukkig kwam [naam kind] me helpen. Hij was mijn redder. Een redder is iemand die iemand anders helpt als er iets ergs gebeurt. Als iemand in gevaar is, kan de redder hem helpen. Ik ben nu in veiligheid. De veiligheid betekent dat je niet meer in gevaar bent. Er kan niets ergs meer gebeuren. Eerst was ik in gevaar, er kon iets ergs gebeuren, ik kon van de tafel vallen. Toen kwam de redder, dat was [naam kind], en die bracht mij in veiligheid. Er kon toen niets ergs meer gebeuren. Ik kon niet meer van de tafel vallen. Week 2 les 6 ankerverhaal de held de lafaard dapper laf Script Een held is iemand die dapper is. Hij doet gevaarlijke dingen om anderen te helpen of te redden. In dit boek is [naam van de hoofdpersoon] de held. Hij doet [dit gevaarlijke ding] en daarmee helpt hij [deze personen]. Dat is heel dapper van hem. Dapper ben je als je veel durft, ook als het gevaarlijk is. De held, iemand die dapper is, durft bijvoorbeeld [noem voorbeeld uit het boek]. Als je niet veel durft, ben je geen held. Dan ben je een lafaard. Je bent een lafaard als je niet veel durft. Je bent snel bang. Een lafaard is laf, hij durft niets en is overal bang voor. Een held is dapper en een lafaard is laf. een kleur krijgen verliefd een oogje hebben op Script Ik heb een oogje op hem/haar. Als je een oogje op iemand hebt, dan ben je verliefd op hem of haar. Als ik [naam] zie, op wie ik een oogje heb, dan krijg ik een kleur. Een kleur krijgen betekent dat je gaat blozen. Dat vind ik vervelend, want dan ziet [naam] dat ik een oogje op hem/haar heb. Ik wil dus liever geen kleur krijgen, want dan verraad ik dat ik een oogje op hem/haar heb. 58
58 Script Een vriend is iemand die je aardig vindt. Vrienden spelen en praten graag met elkaar. Het tegengestelde van een vriend is een vijand. Vijanden zijn mensen die elkaar haten. Als je iemand haat, dan wil je niets met de ander te maken hebben. Het tegengestelde van haten is houden van. Vrienden houden van elkaar. Vrienden trekken met elkaar op. Optrekken met elkaar betekent omgaan met elkaar, je vindt het leuk om met de ander te spelen. Vijanden gaan niet met elkaar om, ze trekken niet met elkaar op. Vijanden houden niet van elkaar, vijanden haten elkaar. Week 3 les 11 ankerverhaal de vijand de vriend haten optrekken met Script De is een soort brief die je op de computer schrijft en verstuurt. en doe je op de computer of de laptop. Een laptop is een kleine, draagbare computer die op je schoot past en die je dicht kunt doen. [Laat indien mogelijk een laptop zien, zet hem op uw schoot en doe hem dicht.] De computer en de laptop hebben allebei een beeldscherm. Het beeldscherm is een glazen scherm waarop je kijkt. Als je naar de tv kijkt, dan kijk je ook naar het beeldscherm. de de laptop het beeldscherm 59
59 Thema 1 vriendschap luisterteksten Week 1 les 3 Vliegeren op het strand Waar zal ik eens over vertellen? Ik wil over iets vertellen dat spannend en grappig is. O ja, ik weet het al! Ik ga vertellen over die ene keer dat ik aan het strand aan het vliegeren was. Hoe zal ik beginnen? Ik ga eerst vertellen over wie het verhaal gaat en waar het zich afspeelt. Toen ik een jaar of zes was, was ik met mijn vader aan het strand. Het was in de herfstvakantie. We waren aan het vliegeren, want het was te koud om te zwemmen en het waaide lekker hard. Vond ik mijn inleiding zo duidelijk? Volgens mij wel. Dan ga ik nu over de kern, het middenstuk van het verhaal, vertellen. Mijn vader hield het vliegertouw vast. De vlieger ging heel hoog, boven de zee. Toen moest mijn vader ineens plassen. Wil jij de vlieger vasthouden? vroeg hij. Dat deed ik natuurlijk graag! Mijn vader ging snel de duinen in. Ik was helemaal alleen aan het vliegeren! Maar wat trok die vlieger hard! Ik werd steeds verder naar de zee getrokken! Ik durfde de dure vlieger niet los te laten, maar ik wilde ook niet helemaal de golven in getrokken worden! Maar ik stond al met mijn schoenen in het water! Is het duidelijk wat er aan de hand is? Ik denk het wel. Dan ga ik nu vertellen hoe het afliep. Hier komt het slot: Ik wilde Help! roepen, maar de wind maakte meer lawaai dan ik. Ik werd echt bang! Toen voelde ik ineens twee armen om mijn middel. Mijn vader was terug. Hij moest lachen om mijn natte voeten. Ik niet. Maar ik was wel blij dat hij er weer was! 60
60 Bal op het dak Week 3 les 18 Het is na schooltijd. Bijna iedereen is al naar huis. Alleen Harris, Max en Roy zijn nog op het schoolplein. Ze voetballen. Dat doen ze bijna elke dag. Vandaag zijn ze aan het lummelen. Roy is hem. Harris en Max spelen de bal naar elkaar toe. Roy kan er steeds net niet bij. Als Max de bal iets te lang bij zich houdt rent Roy op hem af. Max geeft de bal snel een harde trap. De bal gaat omhoog. En jawel, daar heb je het al. Hij komt op het platte dak van de school terecht. Dat is lastig. Van de meester mogen ze niet het dak op. Ook niet stiekem. Maar ze willen wel verder voetballen. Wat moeten ze nu doen? Hij is er aan de andere kant weer afgevallen! roept een stem. Verbaasd kijken de jongens in de richting van het stemgeluid. Aan de overkant van de straat hangt een vrouw uit het raam van de eerste verdieping. Ik kan van hieruit op het dak van de school kijken, roept ze. En ik zag jullie bal er zo overheen vliegen. Dank u wel, mevrouw! roepen de jongens. Snel lopen ze om de school heen. Daar ligt de bal. Wat een schot heb ik in de benen, hè? zegt Max trots. Maar hij is wel opgelucht. Nu kunnen ze tenminste verder. 61
61
62
63
werkboek taal A
werkboek taal A thema 1 week 1 spreken en luisteren les 3 1 Verkennen Luister naar het verhaal. Let goed op de inleiding, de kern en het slot. Hoor je het? Zet dan een kruisje. De inleiding a Ik hoor over
Lesdoelen De kinderen leren dat er woorden zijn die de (soort)naam voor mensen en dieren aanduiden en maken kennis met de term zelfstandig naamwoord.
groep 4 vakantie instaples 1 taal Lesdoelen De kinderen leren dat er woorden zijn die de (soort)naam voor mensen en dieren aanduiden en maken kennis met de term zelfstandig naamwoord. Materiaal Oefenblad
instapkaarten taal verkennen
instapkaarten inhoud instapkaarten Taal verkennen thema 1 les 2 1 thema 1 les 4 2 thema 1 les 7 3 thema 1 les 9 4 thema 2 les 2 5 thema 2 les 4 6 thema 2 les 7 7 thema 2 les 9 8 thema 3 les 2 9 thema 3
OPA EN OMA DE OMA VAN OMA
Hotel Hallo - Thema 4 Hallo opdrachten OPA EN OMA 1. Knip de strip. Strip Knip de strip los langs de stippellijntjes. Leg de stukken omgekeerd en door elkaar heen op tafel. Draai de stukken weer om en
Lesdoelen De kinderen herkennen het werkwoord in een zin. Materiaal Oefenblad instaples 1 taal Antwoordblad instaples 1 taal. Lesduur 25 minuten
groep 5 vakantie instaples 1 taal Lesdoelen De kinderen herkennen het werkwoord in een zin. Materiaal Oefenblad instaples 1 taal Antwoordblad instaples 1 taal Lesduur 25 minuten Aanwijzingen bij de les
Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen
Spreekopdrachten thema 1 Voorstellen Opdracht 1 bij 1.2 * Doe de opdracht met de groep. Uitleg voor de docent: De cursisten lopen door elkaar door het lokaal. Laat de cursisten elkaar in tweetallen begroeten,
Les 3. Familie, vrienden en buurtgenoten
www.edusom.nl Opstartlessen Les 3. Familie, vrienden en buurtgenoten Wat leert u in deze les? Een gesprek voeren over familie, vrienden en buurtgenoten. Antwoord geven op vragen. Veel succes! Deze les
Lesdoelen De kinderen herkennen voorzetsels in een zin. Materiaal Oefenblad instaples 1 taal Antwoordblad instaples 1 taal. Lesduur 25 minuten
groep 6 vakantie instaples 1 taal Lesdoelen De kinderen herkennen voorzetsels in een zin. Materiaal Oefenblad instaples 1 taal Antwoordblad instaples 1 taal Lesduur 25 minuten Aanwijzingen bij de les Algemene
MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1
MEMORY WOORDEN 1.1 TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1 ik jij hij zij wij jullie zij de baby het kind ja nee de naam TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 2 MEMORY WOORDEN 1.2 TaalCompleet A1 Memory Woorden
Nieuwsbrief groep 3 oktober 2015
Nieuwsbrief groep 3 oktober 2015 Hierbij ontvangt u van ons de nieuwsbrief van oktober. Door middel van de nieuwsbrief houden we u op de hoogte van alles wat er in de groep gebeurd. Ook vertellen we wat
Een overtuigende tekst schrijven
Een overtuigende tekst schrijven Taalhandeling: Betogen Betogen ervaarles Schrijftaak: Je mening geven over een andere manier van herdenken op school instructieles oefenlesles Lesdoel: Leerlingen kennen
Uitleg bij de spellingskaartjes.
Uitleg bij de spellingskaartjes. 1. De BLAUWE kaartjes zijn bedoeld om alleen te oefen met de spellingskaartjes 2. Met de Paarse kaartjes mag je met zijn tweeën oefenen met de spellingskaartjes 3. De Groene
Alles onder de knie? 1 Herhalen. Intro. Met de docent. 1 Werk samen. Lees het begin van de gesprekjes. Maak samen de gesprekjes af.
Intro Met de docent Wat ga je doen in dit hoofdstuk? 1 Herhalen: je gaat herhalen wat je hebt geleerd in hoofdstuk 7, 8 en 9. 2 Toepassen: je gaat wat je hebt geleerd gebruiken in een situatie over werk.
Thema Op het werk. Lesbrief 16. Herhaling thema.
http://www.edusom.nl Thema Op het werk Lesbrief 16. Herhaling thema. Wat leert u in deze les? De woorden van les 12, 13, 14 en 15. Veel succes! Deze les is ontwikkeld in opdracht van: Gemeente Den Haag
De Drakendokter: Gideon
De Drakendokter: Gideon Om hulp vragen Vervolgverhalen Groep 5 en 6 (SO en SBO) Overzicht De opdrachten zijn het leukst om te doen, als het hele boek in de klas is voorgelezen. Dit kan door elke dag in
WOORDEN VERANDEREN. grap. glas. kras. grijs NIEUWE WOORDEN MAKEN. sterk - kers. ster. Kies een woord uit het woordpakket. gras -
WOORDEN VERANDEREN Kies een woord uit het woordpakket. gras - grap Schrijf dit woord in je schrift. glas kras Maak een nieuw woord door één letter grijs te veranderen. Zoek zoveel mogelijk nieuwe woorden.
Eenzaam. De les. Inhoud. Doel. Materiaal. Belangrijk. les
8 Inhoud 1 Eenzaam De Soms ben je alleen en vind je dat fijn. Als alleen zijn niet prettig aanvoelt, als je niet in je eentje wilt zijn, dan voel je je eenzaam. In deze leren de leerlingen het verschil
Handleiding. UNICEF Handleiding lessuggestie Gedicht groep 7-8. Gedicht
UNICEF Handleiding lessuggestie Gedicht groep 7-8 Handleiding Gedicht In het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties zijn de rechten voor het kind opgenomen. U maakt deze rechten concreet en zichtbaar,
Thema Gezondheid. Lesbrief 2. Naar het ziekenhuis.
Thema Gezondheid Lesbrief 2. Naar het ziekenhuis. Wat leert u in deze les? De weg vragen. Om herhaling en verduidelijking vragen. Je naam spellen. Vragen stellen en beantwoorden. Veel succes! 1 HET GESPREK
Thema Op het werk. Lesbrief 14. Opdrachten
Thema Op het werk. Lesbrief 14. Opdrachten Kofi is op het werk. De chef geeft opdrachten: zij zegt wat Kofi moet doen. De eerste opdracht is de rommel opruimen. Kofi moet de vloer vegen. Het is weer netjes
LESBRIEF. Karel is jarig. Samenvatting: De begrippen zijn: Wij maken kinderdromen waar www.clavisbooks.com
Samenvatting: Bij dit boek zijn een aantal downloads beschikbaar. Liesbet Slegers heeft deze speciaal getekend als aanvullend educatief materiaal. Het doel van de download ballon is verhaalbegrip en woordenschat
LESBRIEF. Karel is jarig. Samenvatting: De begrippen zijn: Wij maken kinderdromen waar www.clavisbooks.com
Samenvatting: Bij dit boek zijn een aantal downloads beschikbaar. Liesbet Slegers heeft deze speciaal getekend als aanvullend educatief materiaal. Het doel van de download ballon is verhaalbegrip en woordenschat
Huiswerk Spreekbeurten Werkstukken
Huiswerk Spreekbeurten Werkstukken - 2 - Weer huiswerk? Nee, deze keer geen huiswerk, maar een boekje óver huiswerk! Wij (de meesters en juffrouws) horen jullie wel eens mopperen als je huiswerk opkrijgt.
Lesbrief bij Mijn broer is een boef van Netty van Kaathoven voor groep 7 en 8
Lesbrief bij Mijn broer is een boef van Netty van Kaathoven voor groep 7 en 8 Inhoud van deze lesbrief - Thema s in het boek - Lesopzet - Doel van de les - Uitwerking - Bijlage: opdrachtenblad Thema s
Kern 6: geit-pauw-duif-ei
Kern 6: geit-pauw-duif-ei In deze kern leert uw kind Letters: g - ui - au - f - ei Woorden: geit, pauw, duif, ei Alle letters compleet In kern 6 leert uw kind de laatste nieuwe letters. Op het eind van
Lesdoelen De kinderen kunnen aanhalingstekens gebruiken.
groep 8 vakantie instaples 1 taal Lesdoelen De kinderen kunnen aanhalingstekens gebruiken. Materiaal Oefenblad instaples 1 taal Antwoordblad instaples 1 taal Verlengde instructie: Per kind een blad met
Voordoen (modelen, hardop denken)
week 11-12 maart 2012 - hardop-denktekst schrijven B Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet.
Soms is er thuis ruzie Dan is mama boos en roept soms omdat ik mijn speelgoed niet opruim Maar ik heb daar helemaal niet mee gespeeld Dat was Bram,
Soms is er thuis ruzie Dan is mama boos en roept soms omdat ik mijn speelgoed niet opruim Maar ik heb daar helemaal niet mee gespeeld Dat was Bram, mijn kleine broer Dat is niet van mij mama Dan zegt ze
ADHD: je kunt t niet zien
➂ ADHD: je kunt t niet zien Je ziet het niet aan de buitenkant. Je kunt niet gelijk naar iemand kijken en zeggen: die heeft ADHD. Dat kan een voordeel zijn. Als iemand niet weet dat jij het hebt, dan kunnen
Voordoen (modelen, hardop denken)
Voordoen (modelen, hardop denken) Waarom voordoen? Net zoals bij lezen, leren leerlingen heel veel over schrijven als ze zien hoe een expert dit (voor)doet. Het voordoen (modelen) van het schrijven van
Hoe gaat het in groep 1/2 b
Hoe gaat het in groep 1/2 b Binnenkomst: - Als je op school komt hang je je jas op je eigen haakje onder je tent. Je tas zet je op de plank. - In de klas geef je de juf een hand en je pakt een spelletje
Niet eerlijk. Kyara Blaak
Kyara Blaak Niet eerlijk Kyara Blaak Kyara Blaak 248media uitgeverij, Steenwijk Grafische realisatie: MDS Grafische Vormgeving Illustraties binnenwerk: Kyara Blaak Alle rechten voorbehouden. Niets uit
Stel: je wordt op een ochtend wakker en je merkt dat je onzichtbaar bent geworden. Wat ga je doen? Hoe voel je je? Schrijf er een verhaaltje over.
Stel: je komt een fee tegen en je mag één wens doen. Wat zou je wensen? Wat zou er daarna gebeuren? Hoe zou je je voelen? Schrijf hier een kort verhaaltje over. Stel: je wordt op een ochtend wakker en
Les 1 Integratie Leestekst: Een bankrekening. Introductiefase
Les 1 Integratie Leestekst: Een bankrekening "Welkom:... " Introductiefase 1. "In de afgelopen weken hebben we veel teksten gelezen. Deze teksten hebben we samengevat, we hebben vragen erbij gesteld, gekeken
Knabbel en Babbeltijd.
Knabbel en Babbeltijd. (zorg ervoor dat je deze papieren goed leest, uitprint en meeneemt naar de VBW) Het thema van deze VBW-week is Zeesterren. Het thema is de titel van de week (dus geen kreet of korte
Het is de familieblues. Je kent dat gevoel vast wel. Je zit aan je familie vast. Voor altijd ben je verbonden met je ouders, je broers, je zussen.
De familieblues Tot mijn 15e noemde ik mijn ouders papa en mama. Daarna niet meer. Toen noemde ik mijn vader meester. Zo noemde hij zich ook als hij lesgaf. Hij was leraar Engels op een middelbare school.
Beertje Bruin zegt dan: Ik heb van moeder Beer gehoord dat je erg verdrietig
Beertje Anders zit stil in een hoekje als Beertje Bruin langskomt. Beertje Bruin zegt dan: Ik heb van moeder Beer gehoord dat je erg verdrietig bent. Kan ik je helpen, want ik ben je vriend en vrienden
In dit thema staat het creëren van een goede groepssfeer centraal. Les 2 Samenwerken Deze les gaat over helpen, geholpen worden en samenwerken.
Thema 1 De groep? Dat zijn wij! overzicht van de lessen De groep? Dat zijn wij! In dit thema staat het creëren van een goede groepssfeer centraal. Les 1 Hier zijn we weer! In deze eerste les na de zomervakantie
LEREN LEREN LEREN. een overzicht met leerhulpjes voor de diverse vakgebieden. Hieronder kun je lezen over het leren/maken van:
LEREN LEREN LEREN een overzicht met leerhulpjes voor de diverse vakgebieden Hieronder kun je lezen over het leren/maken van: 1. DICTEE 2. TAFELS 3. VRAGEN EN OPDRACHTEN 4. STUKKEN TEKST (bijv. hoofdstuk
Hoe leer ik uit... Naam: Klas:
Hoe leer ik uit... Naam: Klas: 1 Inhoud Woorden... 3 Flashcards... 3 Opschrijven... 3 WRTS... 3 Tekenen... 4 Stones... 5 Flashcards Opschrijven - WRTS... 5 Het thema van de Stone... 5 Stukjes combineren...
De Stilte danst Alice
Lesbrief Alice Als in het boek begint de voorstelling met het boottochtje op de Theems van Lewis Carroll met de drie zusjes Liddell. Wat er daarna gebeurt? De schrijver verandert in een konijn en de achtervolging
Kern 3: doos-poes-koek-ijs
Kern 3: doos-poes-koek-ijs In deze kern leert uw kind: Letters: d - oe - k - ij z Woorden: doos, poes, koek, ijs, zeep Herhaling van de letters van kern 1 en 2 Deze nieuwe woorden en letters worden aangeboden
Deze folder legt uit hoe je SNAP kan gebruiken voor een blijvende verandering.
Bij SNAP leren we ouders en kinderen vaardigheden om problemen op te lossen en meer zelfcontrole te ontwikkelen. Deze folder legt uit hoe je SNAP kan gebruiken voor een blijvende verandering. SNAP (STOP
2 > Kerndoelen 11. 4 > Aan de slag 15. 5 > Introductie van de manier van werken 22. 6 > Mogelijke werkvormen en de plaats op het rooster 27
Inhoud 1 > Uitgangspunten 9 2 > Kerndoelen 11 3 > Materialen 12 4 > Aan de slag 15 5 > Introductie van de manier van werken 22 6 > Mogelijke werkvormen en de plaats op het rooster 27 7 > Waarom samenwerkend
Waarom ga je schrijven? Om de directeur te overtuigen
week 17 20 april 2015 - Schrijfopdrachten niveau A, les 1 Les 1: Een overtuigende tekst schrijven Beantwoord deze vragen: Een mooie manier om te herdenken 1. Waarom is het volgens jou belangrijk om de
Soms ben ik eens boos, en soms wel eens verdrietig, af en toe eens bang, en heel vaak ook wel blij.
Lied: Ik ben ik (bij thema 1: ik ben mezelf) (nr. 1 en 2 op de CD) : Weet ik wie ik ben? Ja, ik weet wie ik ben. Weet ik wie ik ben? Ja, ik weet wie ik ben. Ik heb een mooie naam, van achter en vooraan.
ALFA A ANTWOORDEN STER IN LEZEN
STER IN LEZEN ALFA A LES 1: NAAR SCHOOL 1 Ziek 1 b 2 3 b 4 a a B maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag zaterdag zondag C Dit is een vraag Hoe gaat het? Het gaat wel. En met jou? Waarom kom je niet?
Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts
Thema Gezondheid Lesbrief 5. De tandarts Inleiding Deze les gaat over praten bij de tandarts. Meneer Wong komt voor controle bij de tandarts. De tandarts kijkt of alle tanden en kiezen goed zijn. Wat leert
U leert in deze les "toestemming vragen". Toestemming vragen is vragen of u iets mag doen.
TOESTEMMING VRAGEN les 1 spreken inleiding en doel U leert in deze les "toestemming vragen". Toestemming vragen is vragen of u iets mag doen. Bij toestemming vragen is het belangrijk dat je het op een
HANDLEIDING BLOK 1, WEEK 1, LES 1 GROEP 4
HANDLEIDING BLOK, WEEK, LES GROEP achtergrondinformatie Leesstrategie Waarom lees ik de tekst? (Leesdoel bepalen) Lesdoelen De kinderen kunnen: vertellen wat een tekst is; opnoemen welke teksten ze voor
Auteur: Mirjam Wind, docent en coördinator NT2, Educatie Video s: Gabe Dijkstra en Rick Biemolt, studenten Alfa-college, MultiMedia en Design
Woord voor Woord is een programma mondelinge vaardigheden NT2 voor analfabete beginners. Het omvat 12 lessen. De ontwikkeling van het programma en de daarbij behorende video s is mogelijk gemaakt door
Hoe maak ik... Naam: Groep:
Hoe maak ik... Naam: Groep: Inleiding Een spreekbeurt houden is niet niets! Je moet daar heel wat voor kunnen. Wat dacht je van: Goed kunnen lezen Goed kunnen begrijpen wat je leest Goed dingen kunnen
Kern 2: teen - een - neus - buik - oog. Spellen bij kern 2. In deze kern leert uw kind: Letters: t n b oo ee Woorden: teen - een - neus - buik - oog
Kern 2: teen - een - neus - buik - oog In deze kern leert uw kind: Letters: t n b oo ee Woorden: teen - een - neus - buik - oog De letters i - m - r - v - s aa - p e zijn bekende letters geworden. De letters
HUISWERKGIDS SCHOOLJAAR 2011-2012
HUISWERKGIDS SCHOOLJAAR 2011-2012 1 INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk bladzijde 1. Inleiding De huiswerkgids 3 2. Hoe maak en leer je huiswerk? 4 3. Het leren van woorden (spelling/engels) 5 4. Het leren van topografie
Nieuwsbrief groep 3 oktober 2017
Nieuwsbrief groep 3 oktober 2017 Nieuws uit de groep: Woensdag 4 oktober deden we met maar liefst 4 teams mee met het korfbaltoernooi voor groep 3 en 4. De kinderen hebben het ontzettend goed gedaan! Wat
Nationaal Gevangenismuseum Gevangen in beeld
Nationaal Gevangenismuseum Gevangen in beeld Groep 8 Les 1. Boeven in beeld Les 1. Boeven in beeld Nationaal Gevangenismuseum Groep 8 120 minuten Samenvatting van de les De les begint met een klassikaal
LES 3 Ik leer Nederlands. TESTEN TEST 1
12/11/14 1 LES 3 Ik leer Nederlands. TESTEN TEST 1 1. (lezen) Ik.... een lange tekst. 2 Hij.... een moeilijk boek. 3. Zij.... een gemakkelijk tekstje. 4..... jullie veel? Ja, wij.... graag kinderboeken.
3 Hoogbegaafdheid op school
3 Hoogbegaafdheid op school Ik laat op school zien wat ik kan ja soms nee Ik vind de lessen op school interessant meestal soms nooit Veel hoogbegaafde kinderen laten niet altijd zien wat ze kunnen. Dit
Wat is verantwoordelijkheid en waarom is het belangrijk?
Wat is verantwoordelijkheid en waarom is het belangrijk? Verantwoordelijkheid. Ja, ook heel belangrijk voor school!!! Het lijkt veel op zelfstandigheid, maar toch is het net iets anders. Verantwoordelijkheid
Les 1 Vragen stellen Leestekst: De tandarts
Les 1 Vragen stellen Leestekst: De tandarts "Welkom:... " Introductiefase: 1. "Vandaag gaan we weer een tekst lezen. Daarbij gaan we een nieuwe strategie leren. Deze strategie heet vragen stellen. We gaan
Kwartetten met klinkers
Kwartetten met klinkers Onderwerp Woorden met een korte of lange klank die bestaan uit een of twee klankgroepen. Doel De kinderen leren het verschil tussen een korte en een lange klank. Ze leren dat ze
En, wat hebben we deze les geleerd?
Feedback Evaluatie Team 5 En, wat hebben we deze les geleerd? FEED BACK in de klas En, wat hebben we deze les geleerd? Leerkracht Marnix wijst naar het doel op het bord. De leerlingen antwoorden in koor:
Je hebt je huiswerk niet gemaakt, maar durft dat niet te zeggen. Je krijgt een beurt en zo merkt de meester het toch. Oeps
De juf vraagt wie er mee wil doen aan een voorleeswedstrijd. Je wilt wel graag maar zegt niks omdat je bang bent dat ze je uitlachen. En nu ben je te laat. Je hebt je huiswerk niet gemaakt, maar durft
Checklist Sollicitatiebrief schrijven 2F - handleiding
Checklist Sollicitatiebrief schrijven 2F - handleiding Inleiding De checklist Sollicitatiebrief schrijven 2F is ontwikkeld voor leerlingen die moeten leren schrijven op 2F. In deze handleiding wordt toegelicht
2 Ik en autisme VOORBEELDPAGINA S
2 Ik en autisme In het vorige hoofdstuk is verteld over sterke kanten die mensen met autisme vaak hebben. In dit hoofdstuk vertellen we over autisme in het algemeen. We beginnen met een stelling. In de
a. Een zin lees je van links naar rechts. Waarom eigenlijk? Wat denk jij?
5. Woordplaatjes Bijzondere woorden Woorden maken samen zinnen. Zinnen maken samen tekst. Een zin begint met een hoofdletter. Hij eindigt met een punt. Zo weet je hoe je moet lezen. De woorden staan netjes
Thema Gezondheid. Lesbrief 2. De wachtkamer
Thema Gezondheid. Lesbrief 2. De wachtkamer Deze les gaat over praten in de wachtkamer. Meneer Bashir gaat naar de huisarts. Hij moet even wachten. Hij zit in de wachtkamer. Er zitten veel mensen. Ze praten.
Opstartlessen. Les 1. Kennismaken
www.edusom.nl Opstartlessen Les 1. Kennismaken Wat leert u in deze les? Uzelf voorstellen Kennismaken Veel succes! Deze les is ontwikkeld in opdracht van: Gemeente Den Haag en DWI Amsterdam HET GESPREK
Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts
Thema Gezondheid Lesbrief 5. De tandarts Inleiding Deze les gaat over praten bij de tandarts. De man (meneer Onuso / Bashir) komt voor controle bij de tandarts. De tandarts kijkt of alle tanden en kiezen
Thema Kinderen en school. Demet TV. Lesbrief 9. De kinderopvang
Thema Kinderen en school. Demet TV Lesbrief 9. De kinderopvang zoekt opvang voor haar kind. belt naar een kinderdagverblijf. Is er plaats? Is de peuterspeelzaal misschien een oplossing? Gaat inschrijven
Thema Op zoek naar werk
Thema Op zoek naar werk Lesbrief 8. Praten en bellen over een baantje Inleiding Deze les gaat verder over het zoeken naar werk. De vrouw,, gaat weer naar de winkel om over werk te praten. Ze wil de manager
- je kan me wat - module 2. docere delectare movere. tekeningen -
- je kan me wat - module 2 docere delectare movere je O kan ROC p e me n van S wat Amsterdam c h o o l - A nt2taalmenu.nl educatie m s t e r - d ROC a m van module Z Amsterdam u i d - O 2 o s t tekeningen
Thema Gezondheid. Lesbrief 2. De huisarts
Thema Gezondheid Lesbrief 2. De huisarts Inleiding Deze les gaat over praten bij de huisarts. Een man, meneer Kaya, is aan de beurt. Hij praat met de huisarts over zijn probleem. Wat leert u in deze les?
Wij willen u vragen niet vooruit te gaan werken/oefenen. Er kan dan verwarring ontstaan bij het kind. Wij willen dit graag voorkomen!
In dit document kunt u lezen wat de kinderen leren in elke kern. In de eerste zes kernen zal dit voornamelijk ingaan op het aanleren van woorden en letters. In de laatste kernen komt het lezen al wat meer
Workshop Handleiding. Verhalen schrijven. wat is jouw talent?
Workshop Handleiding Verhalen schrijven wat is jouw talent? Inhoudsopgave Hoe gebruik je deze workshop? Hoe kun je deze workshop inzetten in je klas? Les 1: Even voorstellen stelt zich kort voor en vertelt
Bedenken: een tekening maken van de held
Les 1: De uitdaging Wat ga je schrijven? In deze les ga je een verhaal schrijven. Je bent zelf de held van het verhaal. De held van je verhaal gaat een uitdaging aan. Iets wat spannend of moeilijk is om
Thema Gezondheid. Lesbrief 3. De huisarts
Thema Gezondheid Lesbrief 3. De huisarts Inleiding Deze les gaat over praten bij de huisarts. Een man, meneer Wong, is aan de beurt. Hij praat met de huisarts over zijn probleem. Wat leert u in deze les?
In deze lesbrief vindt u lesideeën bij een selectie van onze Klavertjesboeken. - voor groep 3/4 en 5/6
In deze lesbrief vindt u lesideeën bij een selectie van onze Klavertjesboeken. - voor groep 3/4 en 5/6 Klavertje Een: De hut van Marion van de Coolwijk, AVI 2 Klavertje Twee: De draak van Harmen van Straaten,
Spreekopdrachten thema 4 Gezondheid
Spreekopdrachten thema 4 Gezondheid Opdracht 1 bij 4.1 * Doe de opdracht in groepjes. Uitleg voor de docent: Verdeel de klas in groepjes van vier à vijf cursisten. Op deze pagina staan kaartjes met lichaamsdelen
Vragenkaartjes voor kinderen van 4 t/m 6 jaar
4 t/m 6 jaar 4 t/m 6 jaar 4 t/m 6 jaar Hoe vraag je aan iemand om met je te spelen? Wat speel je graag op het schoolplein? Jij kan al goed helpen hè. Wie help jij graag? Wat doe je dan? van 4 t/m 6 jaar
LESBRIEF NR 2 OPDRACHT 1 ANDERS? VOOR GROEP 7 + 8 +
LESBRIEF NR 2 VOOR GROEP 7 + 8 + GROEP 7 + 8 DOWNLOAD DEZE LESBRIEF OOK OP SAMSAM.NET SAMSAM MIDDEN IN DE WERELD De wheelie van Robert uit Zambia ANDERS? NOU EN! Een slangenbeet veranderde Christabels
SOCIALE VAARDIGHEDEN MET AFLATOUN
SOCIALE VAARDIGHEDEN MET AFLATOUN Dit thema is opgesplitst in drie delen; gevoelens, ruilen en familie. De kinderen gaan eerst aan de slag met gevoelens. Ze leren omgaan met de gevoelens van anderen. Daarna
Les 17 Zo zeg je dat (niet)
Blok 3 We hebben oor voor elkaar les 17 Les 17 Zo zeg je dat (niet) Doel blok 3: Leskern: Woordenschat: Materialen: Leerlingen leren belangrijke communicatieve vaardigheden, zoals verplaatsen in het gezichtspunt
Thema Op het werk. Lesbrief 13. Hoe werkt de machine?
Thema Op het werk. Lesbrief 13. Hoe werkt de machine? is op het werk. moet aan de machine werken. De chef vertelt eerst hoe de machine werkt. Dan werkt met de machine. De machine doet het niet. roept een
Kern 4: huis-weg-bos-tak-hut
Kern 4: huis-weg-bos-tak-hut In deze kern leert uw kind: Letters: h - w - o - a - u Woorden: huis, weg, bos, tak, hut De letters i - m - r - v - s aa - p e - t ee - n b oo zijn bekende letters geworden.
HANDIG ALS EEN HOND DREIGT
l a n d e l i j k i n f o r m a t i e c e n t r u m g e z e l s c h a p s d i e r e n HANDIG ALS EEN HOND DREIGT OVER HOUDEN VAN HUISDIEREN HIER LEES JE HANDIGE INFORMATIE OVER HONDEN DIE DREIGEN. JE KUNT
veilig leren Veilig leren lezen Artikelen - Letterkennis, aanpak b/d-probleem lezen Auteur: Susan van der Linden Stap 1
veilig leren lezen Letterkennis Aanpak b/d-probleem Auteur: Susan van der Linden De letters b en d zijn voor veel kinderen een bron van verwarring. Dit komt door hun gelijke vorm. Toch kunt u dit probleem
Nieuwsbrief groep 3 oktober 2016
Nieuwsbrief groep 3 oktober 2016 Hierbij ontvangt u van ons de nieuwsbrief van oktober. Door middel van de nieuwsbrief houden we u op de hoogte van alles wat er in de groep gebeurd. Ook vertellen we wat
Welke voorkeur heb jij?
Pedagogische vaardigheden: Welke voorkeur heb jij? Als pedagogisch medewerker maak je in de omgang met de kinderen in jouw groep gebruik van verschillende pedagogische vaardigheden. Wat zijn jouw voorkeursvaardigheden
Thema Op het werk. Demet TV. Lesbrief 8. De eerste werkdag
Thema Op het werk. Demet TV Lesbrief 8. De eerste werkdag Deze les gaat over de eerste werkdag. gaat voor het eerst werken bij een snoepfabriek. Hij komt binnen en maakt kennis met de chef. De chef vertelt
Werkvormen: Basis 6.1 Kwaliteiten van een vriend Reflectie Subgroepen 30 min 6.2 Hyves-profiel Reflectie Subgroepen (digi) 20 min.
Les 6: Gezocht: een vriend Lesoverzicht Lesdoelen: Kinderen weten wat ze belangrijk vinden in een vriendschap; Kinderen kunnen een aantal kenmerken en voorwaarden benoemen waar een vriendschap aan moet
Wielewoelewool, ik ga naar school! Toelichting
Zwijsen Wielewoelewool, ik ga naar school! Toelichting Inhoud Inleiding 3 Materialen 3 Voor het eerst naar school 4 Doelstelling 4 Opbouw prentenboek en plakboek 4 Werkwijze 5 Ouders 5 2 Inleiding Voor
Fonemendictee deel 1 en deel 2
Toet s i n s t r u c t i e W i n ters i g n a ler i n g k e r n 6 Inhoud De Wintersignalering bestaat uit de volgende toetsen: Materialen Fonemendictee deel 1 en 2 op website www.toetssite.be onder Downloaden/Toetsmaterialen
Poekie is verdrietig. Want zijn papa en mama gaan scheiden. Geschreven door. Mariska van der Made. Illustraties van. Dick Rink
Poekie is verdrietig Want zijn papa en mama gaan scheiden Geschreven door Mariska van der Made Illustraties van Dick Rink Poekie is een lief klein monstertje van vijf jaar oud. Hij woont samen met zijn
Lesbrief 3. De fysiotherapeut.
MDS-65 speakerstand Thema Gezondheid. Lesbrief 3. De fysiotherapeut. Inleiding Deze les gaat over praten met de fysiotherapeut. Een man, meneer Kaya, belt de fysiotherapeut. Hij maakt een afspraak. Hij
Studielessen voor kinderen van 4-7 jaar
NAAM Studielessen voor kinderen van 4-7 jaar voorjaar 2005 Geschreven door Beryl Voorhoeve en opgemaakt door Judith Maarsen Geschreven voor kleine studiegroepen in de levend Evangelie Gemeente Gebruikte
DC thema 62 Taalbewustzijn stimuleren bij kleuters
DC thema 62 Taalbewustzijn stimuleren bij kleuters 1 Inleiding In dit thema besteden we aandacht aan een onderdeel van het taalonderwijs, namelijk het stimuleren van het taalbewustzijn. We leggen uit wat
LEERKRACHTGEDEELTE ACTIVITEIT HOE-FILE: HOE MAAK IK HET UIT? VAN LIEF NAAR EX.
LEERKRACHTGEDEELTE ACTIVITEIT HOE-FILE: HOE MAAK IK HET UIT? VAN LIEF NAAR EX. Omschrijving van de activiteit De leerlingen lezen tips over correct handelen als je het uitmaakt met je lief. Ze bespreken
Lesbrief 14. Naar personeelszaken.
http://www.edusom.nl Thema Op het werk Lesbrief 14. Naar personeelszaken. Wat leert u in deze les? Wanneer u zeggen en wanneer jij zeggen. Je mening geven en naar een mening vragen. De voltooide tijd gebruiken.
