2 METHODOLOGIE VAN DE STUDIE



Vergelijkbare documenten
Initiatief voor Kwaliteitsbevordering en Epidemiologie bij Diabetes IKED. Rapport resultaten

Initiatief voor Kwaliteitsbevordering en Epidemiologie bij Diabetes IKED. Rapport resultaten 2002

Initiatief voor Kwaliteitsbevordering en Epidemiologie bij Diabetes IKED. Rapport resultaten

Initiatief voor Kwaliteitsbevordering en Epidemiologie bij Diabetes IKED

Initiatief voor Kwaliteitsbevordering en Epidemiologie bij Diabetes IKED. Rapport 2001

Initiatief voor Kwaliteitsbevordering en Epidemiologie bij Diabetes IKED

Kwaliteitsindicatoren diabetes type 2 (fase 1)

InEen/NHG Indicatoren DM-COPD-CVRM

2011 Type 1 diabetes. Centrum :309

Kent u de cijfers van uw hart?

DIABETISCHE NEFROPATHIE

Benchmark Diabetes 2016 SEZ Zaanstreek-Waterland

ACHIL: evaluatie van de zorgtrajecten diabetes mellitus type 2 en chronische nierinsufficiëntie

Diabetes. D1 Diabetes prevalentie 249,0 233,9. D2 Diabetespopulatie indicatoren 78,7 85,8. D3 Hoofdbehandelaar diabetes 58,2 49,6

Feedback rapport per huisarts

De elektronische software voor het beheer van het medisch dossier is in staat om:

Indicatoren kwaliteit huisartsenzorg bij patiënten met DM type 2 Versie mei 2016

Rapportage zorgprogramma diabetes type 2 over 2012 Zorggroep Midden Brabant

regio uw praktijk % % jaar 6.9 jaar % % % % % % mmhg

CEL Indicatorenset DM

3. Diagnostiek en risico-inventarisatie

Indicatoren kwaliteit huisartsenzorg bij patiënten met DM type 2 Versie oktober 2016

Huisarts en nieren. Dr Stein Bergiers 23 mei 2017

Stappenplan voor het zorgtraject diabetes

Indicatoren CV-risicomanagement bij patiënten met Hypertensie of Hypercholesterolemie (VVR)

Toelichting op de jaarcontrole Voor mensen met diabetes mellitus

Indicatoren kwaliteit huisartsenzorg bij patiënten met DM type 2 Versie maart 2017


Indicatoren CV-risicomanagement bij patiënten met Hypertensie of Hypercholesterolemie (VVR) Versie mei 2016

Instructie indicatoren- en inzoomrapporten

Indicatoren CV-risicomanagement bij patiënten met een bekende Hart- of Vaatziekten Versie mei 2016

Checklists. Uitneembaar katern, handig om mee te nemen

LMN Maas en Kempen LOK

ZORG OP MAAT DOOR DE KINESITHERAPEUT

Lipidenbilan en cardiovasculair risico

LMN Maas en Kempen LOK Bree-Meeuwen Gruitrode

Tabel: Overzicht van de studieresultaten.

Bij de behandeling en begeleiding van CVRM neemt de diëtist als zorgaanbieder binnen de zorgketen de dieetadvisering 1 op zich.

INDICATORENTOETS SPECIFICATIES DIABETES

Consensus Screening op risicofactoren hart/vaatziekten

Samenvatting voor niet-ingewijden

LMN Maas en Kempen LOK

Vitale Vaten. Ineke Sterk projectleider Vitale Vaten 4 oktober 2011

Voor overleg met het Diabetesteam kunt u op werkdagen contact opnemen met: Tussen uur en uur en uur en uur

DIABETESCONVENTIE REVALIDATIECONCEPT VOOR DIABETICI. - Patiëntinformatie -

Voetproblemen bij Diabetespatiënten Situering en Screening. Dr. Greet Peeters Endocrinoloog ZNA Jan Palfijn

Voorlopige minimale dataset Diabetes

Richtlijnen met betrekking tot de forfaitaire honoraria voor verstrekkingen aan diabetespatiënten

Zorginhoudelijke indicatoren over de kwaliteit van de diabeteszorg voor patiënten met diabetes type 2.

Info spot. Diabetes en depressie. Inleiding. Oktober - november - december 2011

vernieuwing in de DM2 zorg Ida Spelt, huisarts Wassenaar

Transmurale afspraken m.b.t. patiënten met Diabetes mellitus type 2

Persoonsgerichte preventie in de praktijk. S.A. Petra

Internationale diagnosecriteria en behandelingstargets bij personen met diabetes type 2. Prof.em.dr. Raoul Rottiers Endocrinoloog UZ Gent

GIANTT REGISTRATIE RICHTLIJNEN EN TIPS. Januari 2011

BELGISCHE CARDIOLOGISCHE LIGA DIABETES. DUIDELIJKE ANTWOORDEN

Diabetes mellitus 2. Clara Peters, huisarts Mea de Vent, praktijkondersteuner

GEEN TIJD TE VERSPELEN VOOR MIJN HART CARDIOVASCULAIRE PREVENTIE : IK BEGIN ERAAN ÉN IK HOU VOL!

Workshop dialyse en diabetes

Kwaliteitsindicatoren diabetes type 2 (fase 1)

Chronische nierinsufficiëntie bij de oudere patiënt

Indicatoren CV-risicomanagement bij patiënten met een bekende Hart- of Vaatziekten

Opportunistic targeted screening for for type type 2 2 diabetes in in primary care care

De nieuwe NHG diabetes-standaard: de patiënt centraal. EADV-regiobijscholing najaar 2013: Diabetes Mellitus & Vrouwen

SAMENVATTING VAN DE RESULTATEN VAN DE FRKVA-INDICATOREN ONDERVOEDING

Factsheet Indicatoren Bariatrische Chirurgie (DATO) Start registratie: 2014

Inleiding. MYCOSE,, de stille killer van de diabetesvoet? Casestudie met SanoSkin Oxy bij de behandeling van mycosen t.h.v. de diabetesvoet.

Vaatrisico-polikliniek. screening/behandeling en begeleiding vaatziekten

Nederlandse Samenvatting

Dialysepatient van vandaag. Dr. Carmen Verhelst AZ Sint Blasius Dendermonde

Voorstellen. Winnie van El Verpleegkundig Specialist Diabeteszorg Universitair Medisch Centrum Groningen

Nederlandse samenvatting

GIANTT REGISTRATIE RICHTLIJNEN EN TIPS

.192. Etnische ongelijkheid in hart- en vaatziekterisico:

DOELGROEPENONDERZOEK CHRONISCHE NIERSCHADE

Chapter 10. Samenvatting

Nieuwe standaard DM Wat is Nieuw??? Alle veranderingen in de nieuwe standaard zijn in het rood aangegeven.

Hypo-unawareness. Liliane Kempeneer Diabetesteam UZBrussel Gent 12 november 2012

Chronische nierschade A. van Tellingen. Smeerolie voor de poli 2015

RICHTLIJNEN VOOR DIABETESBELEID IN RUSTHUIZEN. Door diabetescentrum AZ Sint-Blasius en de coördinerende en raadgevende artsen Vehamed

Regionale Transmurale Afspraken - DM

Transcriptie:

2 METHODOLOGIE VAN DE STUDIE Noëmi Debacker 1, Dr. Hans Vandenberghe 1, Dr. Jos Tits 2 2.1 M ATERIAAL EN METHODEN 2.1.1 Studiepopulatie 1 Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, Brussel 2 Ziekenhuis Oost-Limburg, Genk De studiepopulatie bestond uit patiënten met type 1, type 2 of met een andere vorm van diabetes die behandeld werden met minimum 2 dagelijkse insuline-injecties (criteria van de diabetesconventie zie bijlage I, pagina 117). 2.1.2 Steekproef In de periode van 1 maart 2004 tot 30 april 2004 diende elk diabetescentrum de gegevens van 10% van het aantal patiënten opgenomen onder de criteria van de conventie, met een minimum van 50, door te geven aan het WIV. De selectie gebeurde uitgaande van de alfabetische patiëntenlijst van februari 2004, startend vanaf de letter W. De maximale termijn van 2 maanden voor de uitvoering van de datacollectie had als doel een zo realistisch mogelijk beeld te verkrijgen van de diabeteszorg. Een langere periode houdt immers het risico in dat de patiënten die dienden ingesloten te worden in de steekproef een voorkeursbehandeling zouden genieten. 2.1.3 Datacollectie 2.1.3.1 Software De datacollectie gebeurde aan de hand van het programma DiabData V 1.5. van DiabCare. Dit is een internationaal software protocol waarin de belangrijkste indicatoren bepalend voor de diabeteszorg zijn opgenomen (Tabel 1, pagina 6). Per patiënt werd een Basic Information Sheet (BIS, zie bijlage II, pagina 133) ingevuld. Centra die geen gebruik konden maken van de software (bijv. door gebrek aan een compatibel systeem of geen informatica-uitrusting) konden hun gegevens op papier doorgeven aan het WIV, dat voor die centra instond voor de codering in de DiabCare - software. Voor de datacollectie van 2003-2004 maakten 4 centra gebruik van de papieren BIS-formulieren. 5

Tabel 1: De variabelen opgenomen in het DiabCare -protocol a Indicatoren opgenomen in BIS-formulier Algemene patiëntgegevens Naam b, geboortedatum, geslacht, type diabetes, jaar diagnose diabetes, startjaar orale antidiabetica, startjaar insulinebehandeling. Zwangerschappen Uitkomst van de zwangerschappen voldragen tijdens afgelopen 12 maanden Risicofactoren Rookgedrag, frequentie van het roken Alcoholconsumptie, hoeveelheid geconsumeerde alcohol Zelfcontrole Aantal bloedglucosemetingen per week Educatie Educatie met betrekking tot gezonde voeding en voetzorg Metingen Gewicht, lichaamslengte, bloeddruk, HbA 1c, creatinine, microalbuminurie, proteïnurie, cholesterol, HDL-cholesterol, triglyceriden c - meest recente waarde van de laatste 15 maanden Sint-Vincentdoelen Blindheid, myocardinfarct en angioplastiek, cerebrovasculair accident, terminale nierinsufficiëntie, amputatie boven de enkel, amputatie onder de enkel Symptomen Angor pectoris, perifere neuropathie, claudicatio Onderzoeken Ogen: Retinaonderzoek uitgevoerd tijdens afgelopen 15 maanden Fotocoagulatie tijdens de afgelopen 12 maanden Resultaten retina-onderzoek Aanwezigheid maculopathie en/of retinopathie Stadium gevorderde diabetische oogziekte Gezichtsscherpte Voeten Onderzocht tijdens afgelopen 15 maanden Vibratiegevoeligheid Filamenttest (prikgevoeligheid) Aanwezigheid voetpulsaties Acute of genezen voetulcus Angioplastiek Levenskwaliteit Aantal ernstige hypoglycemiëen per jaar Aantal ernstige hyperglycemiëen per jaar Bloedsuikerverlagende behandeling Gebruik van metformine, sulfonylurea en/of glinides, thiazolidines; toediening van insuline via pomp; aantal insuline-injecties per dag Aanvullende behandeling voor Hypertensie, hartdecompensatie, ischemisch hartlijden, dyslipidemie, nefropathie, neuropathie, anti-aggregantia a gedeeltelijk aangepast voor de huidige studie b bij data-export gereduceerd tot de initialen c specificatie nuchter, niet-nuchter vereist 2.1.3.2 Gegevens Het gaat om de gegevens afkomstig van de laatste consultatie tijdens de 12 tot 15 maanden voorafgaand aan de datacollectie. Niet over alle parameters vervat in het originele BIS-formulier dienden gegevens verzameld te worden. De uiteindelijke beperkte parameterset werd weergegeven in een soort geplastificeerde handleiding die daarnaast ook de nodige uitleg en definities bevatte (zie Bijlage III: Handleiding datacollectie, pagina 135). Voor de gegevens met betrekking tot bloedglucosemetingen, alcoholconsumptie en rookgewoonten werd het gemiddelde van de afgelopen 3 maanden genomen. 6

De gegevens met betrekking tot oog- en voetcomplicaties hadden weerslag op de resultaten van het oog- en voetonderzoek uitgevoerd tijdens de afgelopen 12 tot 15 maanden. Bij de triglyceriden was de specificatie nuchtere, niet-nuchtere toestand noodzakelijk. Bij de Sint-Vincent doelen diende aangeduid te worden of deze situaties zich hadden gemanifesteerd tijdens de afgelopen 12 maanden. De behandelingstoestand (bloedsuikerverlagende en aanvullende behandeling) van vóór en na de consultatie diende aangegeven te worden. De eenheden waarin de verschillende meetresultaten werden uitgedrukt, dienden te worden ingesteld vóór de start van de gegevensinbreng. Bij de export werden de resultaten voor wat de lichaamslengte, bloedglucose, creatinine en de bloedlipiden betreft automatisch omgezet naar standaardeenheden. 2.2 ANONIMITEIT Alle centra kregen een specifieke gebruikerscode toegewezen voor het gebruik van de DiabCare -software. Deze code zorgde voor de anonimiteit van het centrum. Deze centrumcodes zijn slechts door 1 persoon bekend, die contractueel gebonden is aan zwijgplicht. Daarenboven werden de naam en de geboortedatum, die op centrumniveau volledig werden ingevuld, gereduceerd tot respectievelijk de initialen en de maand plus het jaar van de geboortedatum, zodanig dat de anonimiteit van de patiënten voldoende werd gewaarborgd. De totale databank is dus anoniem zowel naar de patiënt als naar het centrum toe. Deze databank is bovendien uitsluitend toegankelijk door de verantwoordelijke persoon van het WIV. Het RIZIV heeft dus geen rechtstreekse toegang tot deze databank. Bij het eventueel gebruik van de databank door externe gebruikers voor specifiek wetenschappelijk onderzoek (enkel na goedkeuring door de Wetenschappelijke Stuurgroep), worden zowel de gebruikerscode als de patiënt initialen uit de databank verwijderd. 2.3 DEELNAME AAN DE STUDIE In 2003 waren er 125 conventiecentra (zie Bijlage IV: Lijst deelnemende diabetescentra, pagina 137). Drie conventiecentra echter vormden telkens één administratief geheel met een ander centrum. Dit heeft tot gevolg dat er 122 entiteiten bestonden die in het kader van de IKED-studie patiëntgegevens dienden te verzamelen. Hiervan stuurden 119 centra hun patiëntgegevens door naar het WIV. De gegevens van 3 centra werden niet tijdig opgestuurd en konden vervolgens niet verwerkt worden in de huidige resultaten. Het gaat om één centrum dat weigerde deel te nemen en twee centra die om organisatorische redenen er niet in slaagden de gegevens tijdig te verzamelen. Tabel 2 toont per gewest het aantal conventiecentra in 2003, het totaal aantal conventiepatiënten en het aantal patiënten in de steekproef. 7

Tabel 2: Het aantal conventiecentra in 2003, het totaal aantal conventiepatiënten en het aantal patiënten in de steekproef per gewest Vlaanderen Wallonië Brussel Totaal Aantal centra 64 46 15 125 Aantal entiteiten 64 44 14 122 Aantal deelnemende entiteiten 62 43 14 119 Aantal conventiepatiënten a 37415 24742 8221 70378 Aantal patiënten in de steekproef a 4397 2737 964 8098 a Enkel van de deelnemende entiteiten In totaal werden de gegevens van 11,5% het totaal aantal conventiepatiënten verzameld. Dit wijst erop dat de meeste centra opnieuw aan de voorwaarde voldeden om de gegevens van minstens 10% van de patiënten te verzamelen met een minimum van 50 patiënten. Dit kan ook worden afgelezen uit Figuur 2. In vergelijking met vorige jaren blijkt een iets groter aantal centra toch niet het vereiste aantal patiënten in de steekproef op te nemen. Figuur 2: De verhouding van het aantal patiënten in de steekproef tot het aantal conventiepatiënten N patiënten in de steekproef 0 100 200 300 0 500 1000 1500 2000 2500 N conventiepatiënten 2.4 SCHRAPPEN VAN PATIËNTEN De patiënten bij wie het diabetestype niet gekend was (N=168; 2%) worden niet verder besproken in dit rapport. Drie patiënten werden geschrapt bij wie de leeftijd vermoedelijk fout werd ingegeven. De aldus bekomen steekproef bevatte 33 patiënten die werden behandeld door middel van een insulinepomp. Daar deze patiënten in feite niet tot de conventie behoren die het onderwerp is van deze studie, werden zij ook niet opgenomen in de analyse. 8

Op die manier werden in totaal 204 patiënten geschrapt. De uiteindelijke steekproef voor analyse bevatte 7.894 patiënten, waarvan er 4264 (54%) afkomstig waren uit Vlaanderen, 2682 (34%) uit Wallonië en 948 (12%) uit Brussel. 2.5 F OUTE CLASSIFICATIE VAN HET DIABETESTYPE Om te vermijden dat type 2 diabetici foutief als type 1 diabetici werden geclassificeerd onderging het BIS-formulier een kleine aanpassing: de verouderde termen IDDM en NIDDM werden vervangen door type 1 en type 2 diabetes. Deze aanpassing kon enkel doorgevoerd worden op centrumniveau dus de mogelijkheid bestaat dat niet alle centra deze verandering hebben aangebracht. Toch werd ook via een beknopte handleiding (zie bijlage III, pagina 135) benadrukt dat het om type 1 en type 2 diabetes ging. Opnieuw bleek een foute classificatie te bestaan: bij 174 type 1 diabetici werd de insulinebehandeling niet onmiddellijk bij diagnose gestart. Mogelijks gaat het hier inderdaad om type 1 diabetici bij wie een insulinebehandeling niet onmiddellijk diende ingesteld te worden (bijv. LADA, latent autoimmune diabetes in adults). In enkele gevallen kan er ook sprake zijn van een fout in codering (bijv. typfout in startdatum insuline). De foute classificatie gebeurde echter in mindere mate en op minder systematische wijze dan in vorige datacollecties (2002: 241 patiënten). Zes centra werden hierover aangeschreven. Drie centra reageerden en hun gegevens werden aangepast volgens de correcties die ze doorgaven. De andere centra hebben niet gereageerd op de vraag en de gegevens werden bijgevolg ook niet gewijzigd. Tabel 3 toont het aantal type 1 diabetici bij wie de insulinebehandeling pas werd gestart één of meerdere jaren na diagnose. Het betreft de gegevens na het doorvoeren van de wijzigingen voor de 3 eerder vermelde centra. Tabel 3: Het aantal type 1 diabetici bij wie de insulinetherapie niet onmiddellijk werd gestart a Termijn (in jaren) tussen de diagnose en de start van de insulinebehandeling N 1 42 2 31 3-5 41 6-9 17 10 30 Totaal 161 a Resultaten na correctie voor de 3 centra In totaal werd bij 161 type 1 diabetici (7%) de insulinebehandeling niet onmiddellijk na diagnose gestart. Eén vijfde van deze patiënten werd bovendien ook behandeld met orale antidiabetica, wat het vermoeden van een foute classificatie versterkt. Van de type 1 diabetici bij wie onmiddellijk na diagnose werd gestart met insuline werd 6,3% ook behandeld met orale antidiabetica, wat laat vermoeden dat nog een deel van de type 2 diabetici foutief werd geclassificeerd als type 1. 9

Voor deze 2 groepen (de 161 uit Tabel 3 en de 6,3% uit bovenstaande paragraaf) werden echter geen wijzigingen doorgevoerd in de originele gegevens en zij werden aldus verder beschouwd als type 1 diabetici. Het niet mee in rekening brengen van deze patiënten bij de verwerking van de gegevens van type 1 diabetes gaf immers geen significant verschil in de resultaten. 2.6 F EEDBACK De feedback wordt uitgebreid besproken in hoofdstuk 6, pagina 77. 2.7 INDICATOREN: MEETMETHODES EN DEFINITIES 2.7.1 Bloedglucosemetingen Het BIS-formulier biedt informatie van het aantal wekelijks uitgevoerde bloedglucosemetingen. Deze gegevens werden op volgende wijze omgerekend naar gegevens per maand: Metingen per week * 52 /12 Deze resultaten worden opgesplitst in volgende categorieën: 30, 31-60, 61-90, 91-120, > 120 metingen/maand. 2.7.2 Alcoholconsumptie Door een fout in de software gebeurde geen omrekening voor de hoeveelheid geconsumeerde alcohol. Om die reden werd de eenheid waarin de alcoholconsumptie werd weergegeven opgevraagd aan de centra. Nadien gebeurde een omrekening naar eenheden alcohol per week (eenheid=10 gram alcohol). De gegevens tonen echter aan dat enkele centra bij de datacollectie vermoedelijk toch verschillende eenheden dooreen gebruikten bij het ingeven van de gegevens. Men kan voor diabetici analoge aanbevelingen formuleren als voor de algemene populatie, namelijk maximaal 3 eenheden/dag (30 g alcohol) bij mannen en 1,5 eenheid/dag bij vrouwen (1). 2.7.3 Body mass index De body mass index (BMI) werd als volgt berekend: gewicht in kg/(lengte in m) 2. Het streefgewicht stemt overeen met een BMI tussen 20 en 25 kg/m 2. Bij een BMI < 20 kg/m 2 spreekt men over ondergewicht, bij een BMI > 25 kg/m 2 over overgewicht. Eens de BMI hoger is dan 30 kg/m 2 spreekt men over obesitas en bij een BMI > 40 kg/m 2 over morbide obesitas. Deze parameter biedt aldus belangrijke informatie over de prevalentie van overgewicht. 2.7.4 Bloeddruk Het gaat om de meest recente in het dossier vermelde bloeddrukmetingen, zonder specificatie van de manier waarop deze werden gemeten. Ze kunnen zowel gemeten zijn tijdens de consultatie bij de arts, als in rustiger omstandigheden na equilibratie, of thuis met een automatische bloeddrukmeter. Er werd dus geen gebruik gemaakt van het 10

gemiddelde van enkele metingen, wat men in de klinische praktijk wel dient te doen bij aanpassing van de behandeling. Tabel 4 toont de interpretatie van de resultaten. Tabel 4: Interpretatie van de bloeddrukresultaten Bloeddruk Interpretatie < 130/80 mm Hg Goed 130/80-139/89 mm Hg Borderline 140/90 mm Hg Te hoog 2.7.5 HbA 1c Door een fout in de software gebeurde geen omrekening voor HbA 1c. Om een vergelijking van het geglycosileerd hemoglobine tussen de verschillende centra mogelijk te maken werden op het WIV de resultaten onder afwijkende normaalwaarden omgerekend naar de normaalwaarden 4%-6%. Dit gebeurde door middel van onderstaande formule: Gecorrigeerde HbA 1c = (Mk+mk)/2+[(Mk-mk)/4]*[R- (Ma+ma)/2]/[(Ma-ma)/4], waarbij Mk en mk de normaalwaarden zijn van een klassieke labomethode en Ma en ma de normaalwaarden zijn van een afwijkende labomethode die als resultaat R oplevert. Aan de hand van deze formule dienden ook op centrumniveau de resultaten met een afwijkende normaalwaarde omgerekend te worden naar de gangbare normaalwaarden van het centrum (bijv. indien het resultaat afkomstig was van de huisarts die samenwerkt met een extern laboratorium dat andere normaalwaarden hanteert). De interpretatie van de HbA 1c -resultaten bij de normaalwaarden 4 tot 6% wordt weergegeven in Tabel 5. Tabel 5: Interpretatie van de resultaten met betrekking tot HbA 1c HbA 1c Interpretatie < 7% Uitstekend 7-7,9% Goed 8-8,9% Matig 9% Slecht 2.7.6 Lipiden Het DiabCare -protocol voorziet een registratie van de totale cholesterol, de HDLcholesterol en de triglyceriden (specificatie van nuchter of niet-nuchter is hierbij noodzakelijk), maar niet van de LDL-cholesterol. LDL-cholesterol werd bijgevolg berekend aan de hand van de Friedewald formule: bij nuchtere triglyceriden < 400 mg/dl LDL=Totaal chol-hdl-tg/5 11

Aldus werd een resultaat voor LDL berekend bij 48% van de patiënten. Voor de interpretatie van de resultaten van de verschillende bloedlipiden werden de categorieën gehanteerd zoals vermeld in Tabel 6. De niet-nuchtere triglyceridewaarden werden niet in de analyse opgenomen. Tabel 6: Interpretatie van de resultaten met betrekking tot de bloedlipiden Zeer goed Borderline Slecht Totaal cholesterol < 190 mg/dl 190-250 mg/dl 250 mg/dl LDL-cholesterol < 115 mg/dl 115-130 mg/dl 130 mg/dl HDL-cholesterol > 50 mg/dl 40-50 mg/dl 40 mg/dl Nuchtere triglyceriden < 180 mg/dl 180-250 mg/dl 250 mg/dl In de tekst wordt ook gesproken van een nefast lipidenprofiel of een risicoprofiel voor lipiden. Het gaat hierbij om de situatie waarbij aan minimum 2 van de volgende voorwaarden wordt voldaan: cholesterol 250 mg/dl, LDL-cholesterol 130 mg/dl, HDL-cholesterol 45 mg/dl, nuchtere triglyceriden 200 mg/dl. 2.7.7 Nieren 2.7.7.1 Screening nefropathie Het BIS-formulier biedt geen eenduidige informatie over het percentage gescreende patiënten. Een benadering van dit percentage werd bekomen op basis van de resultaten van de micro-albuminurie, de creatinine en de aanwezigheid van terminale nierinsufficiëntie. Om ook de resultaten met betrekking tot proteïnurie te gebruiken werd gevraagd deze uit te drukken in g/l. Een controle van de gegevens gaf echter aan dat dit niet op een consequente wijze gebeurde. Deze gegevens konden bijgevolg niet gebruikt worden. Voor een benadering van het screeningscijfer werd aldus als volgt te werk gegaan. Geen screening: Indien geen resultaat voor microalbuminurie aanwezig was én het creatininegehalte lager was dan 1,5 mg/dl of ontbrak én de patiënt geen terminale nierinsufficiëntie had. Screening: Indien een resultaat voor microalbuminurie aanwezig was of het creatininegehalte hoger was dan 1,5 mg/dl en de patiënt geen terminale nierinsufficiëntie had. Voor 25% van de niet-gescreende patiënten was een niet-interpreteerbaar resultaat voor proteïnurie beschikbaar. Het gemiddelde proteïnuriegehalte in de niet-gescreende groep was beduidend hoger dan in de gescreende groep. Dit suggereert dat een deel van deze patiënten niet gescreend hoefde te worden wegens de mogelijkheid van een reeds aanwezige proteïnurie. 12

2.7.7.2 Resultaten nefropathie Voor de beschrijving van de resultaten werden de verschillende stadia van nefropathie onderverdeeld zoals vermeld in Tabel 7. Tabel 7: Interpretatie van de verschillende stadia van nierlijden Omschrijving Geen nefropathie Beginnende nefropathie (positieve microalbuminurie) Ingestelde nefropathie Macroalbuminurie Plasmacreatinine 1,5 mg/dl Terminale nierinsufficiëntie a Laatste meting die in het dossier vermeld stond Criteria Albuminurie a < 30 mg/g creatinine Albuminurie a 30 mg/g creatinine en 300 mg/g creatinine en plasmacreatinine < 1,5 mg/dl Albuminurie a > 300 mg/g creatinine en creatinine < 1,5mg/dl Creatinine 1,5mg/dl Nierfunctie onvoldoende zodanig dat dialyse wordt uitgevoerd of geïndiceerd is 2.7.8 Ogen In de bespreking van de resultaten met betrekking tot oogcomplicaties wordt melding gemaakt van de term klinisch significante retinopathie. De patiënt vertoont klinisch significante retinopathie indien er sprake is van (pre)proliferatieve retinopathie en/of maculopathie en/of indien in het dossier werd aangeduid dat er sprake was van gevorderde diabetische oogziekte. 2.7.9 Voeten De aanwezigheid van sensibele diabetische neuropathie in de onderste ledematen werd gemeten met een Semmes-Weinstein monofilament 5,07 of met een biothesiometer. De protectieve gevoeligheid is verloren (dus het risico voor voetwonden is sterk verhoogd) wanneer de patiënt een aanraking met een monofilament 5,07, dat een druk van 10 g veroorzaakt, niet voelt of wanneer hij/zij vibraties van = 25 volt van een biothesiometer niet voelt. Perifere neuropathie is aanwezig indien er sprake is van een gestoorde filamenttest en/of een gestoorde vibratiegevoeligheid. Perifeer vaatlijden is aanwezig indien er sprake is van een voorgeschiedenis van arteriële bypass en/of afwezige voetpulsaties. Het risico van voetwonden is verhoogd indien de patiënt aan minstens één van volgende voorwaarden voldoet: perifere neuropathie, perifeer vaatlijden, voorgeschiedenis van ulcus of amputatie, acuut ulcus. 2.7.10 Hypo- en hyperglycemieën Het gaat hierbij om een ernstige hypo- of hyperglycemie waarbij de volgende definities werden gehanteerd: Hypoglycemie: het aantal hypoglycemieën waarbij behandeling met i.v. glucose of i.m. glucagon nodig was Hyperglycemie: het aantal hyperglycemieën waarbij hulp van een arts nodig was 13

2.8 VERWERKING VAN DE GEGEVENS De gegevens werden geanalyseerd met Stata 8.2. De correctie van de resultaten voor de leeftijd en de diabetesduur gebeurde aan de hand van logistische regressie. Als significantieniveau werd p < 0,05 genomen. Dit levert een resultaat op onder de vorm van odds ratio (OR). Dit geeft in feite een vergelijking weer tussen 2 groepen, bijv. mannen en vrouwen. De OR Man myocardinfarct (MI) drukt bijvoorbeeld uit hoeveel maal de kans op MI hoger/lager is bij mannelijke patiënten dan bij vrouwelijke patiënten. 14