Op weg naar effectiviteit in het cluster 4 onderwijs

Vergelijkbare documenten
Op weg naar effectiviteit in het cluster 4 onderwijs

Op weg naar effectiviteit in het cluster 4 onderwijs

Op weg naar effectiviteit in het cluster 4 onderwijs

Op weg naar effectiviteitonderzoek in het cluster 4 onderwijs

Onderzoek naar het cluster 4 onderwijs: kinderen en hulpverlening. Drs. R. Stoutjesdijk & Prof. Dr. E.M. Scholte M.m.v. drs. H.

Cluster 4 speciaal onderwijs: een vergelijking tussen leerlingen op cluster 4 scholen en cluster 4 rugzakleerlingen

Analyse van de cursus De Kunst van het Zorgen en Loslaten. G.E. Wessels

Eindrapportage Project preventie schooluitval leerlingen bij SWV Gorinchem & SWV-ND. Folkert van Oorschot, Bsc

2.10 Resultaten van het ITS onderzoek naar leerlingen met autisme in het primair en voortgezet onderwijs in het schooljaar

BEPERKING ONDERWIJSPARTICIPATIE

Aanvulling op. Resultaten STOP4-7 Tabellenboek trainingen

Samenvatting. (Dutch Summary)

6 Psychische problemen

Children with Emotional and Behavioral Disorders in Special Education: Placement, Progress, and Family Functioning. Introductie

Onderzoek Passend Onderwijs

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals

Genetische invloeden op gedragsproblemen tijdens de kindertijd

Kinderen met gedragsproblemen in het speciaal onderwijs. Regina Stoutjesdijk

Cliëntenonderzoek Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Zutphen 2015

Samenvatting Resultaten PMA leerlingcoaching SWV VO Gorinchem & SWV-ND. Folkert van Oorschot, Bsc

ANALYSE PATIËNTERVARINGEN ELZ HAAKSBERGEN

Rapportage Deelnemerservaringsonderzoek

Cliënttevredenheid verslavingskliniek SolutionS Center in Voorthuizen 2012

Clienttevredenheid verslavingskliniek Solutions Voorthuizen, een tussenrapportage

Oost, West, Pleegzorg Best? Welke criteria voorspellen wat de eerst aangewezen zorgvorm bij uithuisplaatsing is

Sociaal-emotionele kinderen ontwikkeling bij jonge ESM-

IMPACTMETING VAN BRIGHT ABOUT MONEY

PAINT-T (Psychosociale ADHD Interventies-Teacher training): Een onderzoek naar een korte leerkrachttraining voor leerkrachten van kinderen met ADHD.

Rapportage Deelnemerservaringsonderzoek

Onderzoek naar een sluitend schoolaanbod voor jongeren met ASS die uitvallen binnen het speciaal onderwijs.

Handleiding Gezinsvragenlijst (GVL)

Factsheet Pilotonderzoek Gezin Centraal

Samenvatting. Samenvatting

TSCYC Ouderversie. Vragenlijst over traumasymptomen bij jonge kinderen. Jeroen de Groot. ID Datum Informant:

Rapportage Deelnemerservaringsonderzoek

Cliënttevredenheid verslavingskliniek SolutionS Center in Voorthuizen 2012

Doelgroepanalyse Centrum voor Trauma en Gezin

EEN NIEUW BEGIN OP EEN SPECIALE SCHOOL

Rapportage Deelnemerservaringsonderzoek

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation.

Risk factors for the development and outcome of childhood psychopathology NEDERLANDSE SAMENVATTING

Rapportage Deelnemerservaringsonderzoek

Rapportage Deelnemerservaringsonderzoek

Cliëntenthermometer cliënten vanaf 12 jaar at.groep Zorg

TRIPLE T. Rapportage Passend onderwijs (uitwerking onderdeel Triple T)

Naar een nieuw perspectief. M.A.Gelsing GZ-psycholoog behandelcoördinator

Richtlijnen Commissie Leerling Ondersteuning (CLO) Samenwerkingsverband De Liemers po

Onderzoeksrapport. EvaluatieVragenlijst Onderwijs. Gelinckschool Spijkenisse

Praktijkgestuurd veranderingsonderzoek Orthopedagogisch Centrum Brabant

Preventieve Ambulante Begeleiding

1.1 Resultaten oudertevredenheidsonderzoek

Kenniskring Entree van zorg

Algemene voorschriften voor het vaststellen van stoornis en beperking. onderzoek is uitgevoerd door een daartoe bevoegde deskundige

MASTER ORTHOPEDAGOGIEK SCRIPTIE

Rapportage Deelnemerservaringsonderzoek

Werkbelevingsonderzoek 2013

Samenvatting, conclusies en discussie

Cliëntenthermometer jongeren vanaf 12 jaar

JGZ-richtlijn Autismespectrumstoornissen Januari 2015

Rapportage sociaal-emotionele ontwikkeling Playing for Success

De ambulant begeleider heeft als eerste zorg het welbevinden van de leerling binnen het regulier onderwijs

K I N D E R E N O N D E R Z O E K : J A A R

Kinderdagverblijf ChouChou Klanttevredenheidsonderzoek 2012

Kinderdagverblijf ChouChou Klanttevredenheidsonderzoek 2013

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar

Rapportage cliënttevredenheidsonderzoek

Passend onderwijs Bergen,Gennep en Mook Informatie voor alle ouders

EFFECTIVITEIT VAN DE GEEF ME DE 5 BASISCURSUS

Sportdeelname van jongeren met gedragsproblemen

2010/2011 BAGAGE KWIJT? ADD ASPERG. De J.H. Donnerschool zoekt met u mee k

Rapportage Ervaringsonderzoek WOT's

STOP4-7. NEJA symposium 23 mei De interventie

Inhoud Inleiding Gedragsproblemen Psychosociale vaardigheden Emotionele vaardigheden Leervaardigheden De rol van het gezin Literatuur

Summery. Effectiviteit van een interventieprogramma op arm-, schouder- en nekklachten bij beeldschermwerkers

Gemeente Moerdijk. Cliëntervaringsonderzoek Wmo over Onderzoeksrapportage. 20 juni 2017

Taalresultaten Giessenlanden. Toetsresultaten basisscholen en

S a m e n v a t t i n g 149. Samenvatting

Rapportage Cliënttevredenheidsonderzoek

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar

Onderzoek naar onderwijsondersteunende behandelingen in het cluster 4 onderwijs 1

EFFECTIVITEIT IN DE RESIDENTIELE JEUGDZORG Doelgroepen en werkwijze van Horizon

GEEF ME DE 5- METHODIEK IN DE ZORG

Introductie Registratieformulieren SMW-MBO

Samenvatting. BS De Fontein/ Helden. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) BS De Fontein. Ouders vinden 'Begeleiding' op school het belangrijkst

3. Een psychodiagnostisch onderzoek gericht op de onderwijsbelemmeringen als gevolg van de

Vergelijking resultaten

FORMELE GESPREKKEN, REGELDRUK EN REGELRUIMTE. Analyse op basis van het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek mei 2016

Onderwijskundig Rapport Deel D

HET LAGERE SCHOOLKIND DEEL 2: SCREENING VAN GEDRAGS- EN EMOTIONELE PROBLEMEN

De Groeifabriek. Denken met een groeimindset!

Autisme in het gezin. Geerte Slappendel, psycholoog en promovenda Jorieke Duvekot, psycholoog en promovenda

Gemeente Roosendaal. Cliëntervaringsonderzoek Wmo over Onderzoeksrapportage. 26 juni 2017

Monitor passend onderwijs. Monitor passend onderwijs Leerkrachten basisonderwijs

Samenwerking MOC t Kabouterhuis en basisscholen

6 Onderzoek naar Probleemgedrag, Competentie en Opvoedingsbelasting bij kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid

ALCOHOLKENNIS OVERGEDRAGEN

Onderzoek Passend Onderwijs

Resultaten tevredenheidsonderzoeken cliënten en medewerkers

Cliëntervaringsonderzoek PREM Chronische Zorg - COPD

Impulsklasonderzoek. Koen de Jonge Lectoraat Passend Onderwijs Hogeschool Leiden

Transcriptie:

Op weg naar effectiviteit in het cluster 4 onderwijs Deel II: de resultaten van de eerste effectmeting Drs. Regina Stoutjesdijk & Prof. Dr. Evert M. Scholte M.m.v. Drs. Harmke Leloux-Opmeer & Solange Williams

Op weg naar effectiviteit in het cluster 4 onderwijs Deel II: de resultaten van de eerste effectmeting Drs. R. Stoutjesdijk & Prof. Dr. E.M. Scholte m.m.v. Drs. H. Leloux-Opmeer & S. Williams Leiden, november 2009 Dit onderzoek is tot stand gekomen door samenwerking tussen Stichting Horizon, Dienst Amber en de Universiteit Leiden, afdeling Orthopedagogiek

Betrokken instellingen Stichting Horizon Horizon behandelt, begeleidt en geeft onderwijs aan jeugdigen van 0 tot 18 jaar met ernstige problemen op meerdere terreinen. Dit kunnen problemen ten gevolge van een complexe opvoedings- en leefsituatie zijn of ontwikkelingsproblemen van de jeugdige zelf. Kenmerkend hierbij is dat de balans tussen draagkracht en draaglast bij de ouders zoek is. Daarom blijft de hulp die geboden wordt niet beperkt tot de jeugdige zelf, maar wordt ook de directe omgeving betrokken bij de behandeling en begeleiding die Horizon biedt. De kracht van Horizon ligt in het aanbieden van een geïntegreerd behandelaanbod variërend van residentiële hulpverlening, dagbehandeling, pleegzorg, adoptiehulpverlening, omgangsbegeleiding, cluster 4 onderwijs tot ambulante begeleiding voor leerlingen met een leerlinggebonden financiering. Horizon is een bovenregionale voorziening wat inhoud dat het werkgebied heel Zuid-Holland omvat (www.horizon-jeugdzorg.nl). Dienst Amber AMBER is een dienst voor ambulante begeleiding cluster 4, welke verbonden is aan de scholen De Archipel en De Piloot en onderdeel uitmaakt van Regionaal Expertise Centrum (REC) Rijndrecht. Voor De Archipel en De Piloot verzorgt dienst AMBER de ambulante begeleiding voor leerlingen met een leerling gebonden financiering (LGF) in het reguliere primair- en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Tevens wordt er ambulante begeleiding verzorgd voor leerlingen die door De Archipel of De Piloot, zonder indicatie voor cluster 4 onderwijs, teruggeplaatst worden in het reguliere onderwijs. Dienst AMBER biedt naast deze vormen van ambulante begeleiding andere diensten, zoals preventieve ambulante begeleiding, scholing en voorlichting t.a.v. Cluster 4 problematiek en school video interactie begeleiding (www.dienstamber.nl). Universiteit Leiden Het huidige onderzoek wordt uitgevoerd binnen de sectie Ontwikkelingsstoornissen van de afdeling Orthopedagogiek van de Universiteit Leiden. Orthopedagogisch onderzoek wil bijdragen aan het verbeteren van de hulpverlening voor kinderen en adolescenten in problematische situaties. Het onderzoek van de sectie Ontwikkelingsstoornissen naar de aard, ernst, oorzaken en aanpak van ontwikkelingsstoornissen bij kinderen, richt zich vooral op de veranderbare factoren in de leer- en leefomgeving van het kind. Deze bieden de beste handvatten voor orthopedagogische behandeling en begeleiding. Volgens deze visie en met dit uitgangspunt wordt ook het onderzoek binnen de Stichting Horizon en Dienst Amber vorm gegeven (www.fsw.leidenuniv.nl/pedagogiek/orthopedagogiek/sectieontwikkelingsstoornissen.jsp).

Voorwoord Voor u ligt de tweede onderzoeksrapportage in het kader van het onderzoek naar de effectiviteit van de begeleiding in het cluster 4 onderwijs. In deze rapportage worden de eerste resultaten met betrekking tot de ontwikkeling van de cluster 4 leerlingen gepresenteerd. De eerste onderzoeksrapportage betrof een uitgebreide verkenning van de doelgroep, welke hiervoor de basis heeft gevormd. Ook bij deze onderzoeksrapportage geldt weer dat zonder informatie en onderzoeksgegevens van deze leerlingen, dit onderzoek niet mogelijk zou zijn geweest. Daarom willen wij hier allereerst de ouders van de deelnemende leerlingen hartelijk bedanken voor de betrokkenheid bij het onderzoek, waardoor zij ook dit jaar weer de tijd en moeite hebben opgebracht om de vragenlijsten over hun kinderen in te vullen. Minstens zo belangrijk is de informatie en medewerking die wij gekregen hebben van de leerkrachten, ambulant begeleiders, gedragsdeskundigen, de secretariaten en de overige medewerkers van Horizon en Dienst Amber. Ondanks de drukke werkzaamheden heeft bijna iedereen het voor elkaar gekregen om tussen de bedrijven door de vragenlijsten in te vullen of andere werkzaamheden te verrichten in het kader van het onderzoek. Wij zijn jullie dan ook zeer erkentelijk voor de inzet en zorgvuldigheid waarmee jullie hebben bijgedragen aan het onderzoek! Hans du Prie (bestuurslid van Horizon) en Tineke Kaptein (directrice van Dienst Amber) hebben tijdens dit vervolgonderzoek weer enthousiast tijd vrijgemaakt om de praktische uitvoering van het onderzoek te faciliteren en een inhoudelijke bijdrage te leveren aan de onderzoeksrapportage. Hierbij willen wij hen wederom hartelijk danken voor de prettige samenwerking. Tot slot willen wij nog even stilstaan bij de door ons gewaarde medewerking van Harmke Leloux en Solange Williams. Harmke heeft weer een heel belangrijke rol gespeeld in het slagen van het tweede deel van het onderzoek door haar inzet, haar organisatietalent en haar inhoudelijke bijdragen. Solange heeft ons dit jaar praktisch bijgestaan om de dataverzameling tot een goed einde te brengen. Dankzij haar enthousiasme, doorzettingsvermogen en doortastendheid is zij hierin ruimschoots geslaagd. Regina Stoutjesdijk Evert Scholte Leiden, november 2009

Inhoudsopgave 1. Introductie. 11 2. Onderzoeksopzet 13 2.1 Onderzoeksgroep.. 13 2.2 Procedure.. 13 2.3 Respons eerste follow-up meting. 14 2.4 Meetinstrumenten. 16 2.5 Data-analyse. 18 3. Ontwikkeling van de leerlingen in het cluster 4 onderwijs... 19 3.1. Inleiding. 19 3.2. Algemene kenmerken van de onderzoeksgroep. 20 3.3. Sociaal-emotionele problematiek: ontwikkeling volgens de leerkrachten. 22 3.3.1. Gedragsontwikkeling.. 22 3.3.2. Sociaal-emotionele ontwikkeling 25 3.4. Sociaal-emotionele problematiek: ontwikkeling volgens de ouders.. 28 3.4.1. Gedragsontwikkeling.. 28 3.4.2. Sociaal-emotionele ontwikkeling 30 3.5. Cognitieve ontwikkeling. 32 3.6. Samenvatting.. 35 4. Pedagogische aanpak 37 4.1. Inleiding.. 37 4.2. Pedagogische doelstellingen... 37 4.3. Pedagogisch klimaat... 39 4.4. Aanvullende interventies 40 4.5. Samenvatting.. 41 5. Gezinnen van de leerlingen in het cluster 4 onderwijs. 43 5.1 Inleiding... 43 5.2 Betrokkenheid ouders.. 43 5.3 Het gezinsfunctioneren ten tijde van de eerste follow-up meting 44

5.4 Ontwikkeling van de gezinnen aan de hand van het gezinsfunctioneren. 45 5.5 Samenvatting 46 6. Oudertevredenheid 48 6.1 Inleiding... 48 6.2 Uitslagen.. 48 6.3 Samenvatting... 50 7. Samenvatting en conclusies. 51 7.1 Sociaal-emotionele ontwikkeling 51 7.2 Cognitieve ontwikkeling. 52 7.3 Pedagogische begeleiding.. 53 7.4 Gezinsfunctioneren. 54 7.5 Oudertevredenheid.. 55 7.6 Enkele voorlopige aanbevelingen 56 Referenties... 58 Bijlagen. 60 Bijlage 1 Overzicht leerkrachtoordelen TRF voor de afzonderlijke onderwijsvormen Bijlage 2 Overzicht leerkrachtoordelen SEV voor de afzonderlijke onderwijsvormen Bijlage 3 Overzicht ouderoordelen CBCL voor de afzonderlijke onderwijsvormen Bijlage 4 Overzicht ouderoordelen SEV voor de afzonderlijke onderwijsvormen Bijlage 5 Overzicht leerprestaties voor de afzonderlijke onderwijsvormen Bijlage 6 Overzicht gezinsfunctioneren voor de afzonderlijke onderwijsvormen Bijlage 7 Oudertevredenheid per instelling ten tijde van de eerste follow-up meting

1. Introductie Kinderen met sociaal-emotionele problematiek, zoals een autisme spectrum stoornis, ADHD of ODD kunnen als gevolg van de beperkingen die zij hierdoor ervaren niet altijd optimaal van het reguliere onderwijsaanbod profiteren. Zij hebben vaak begeleiding nodig die specifiek op hun problematiek afgestemd is. Deze begeleiding kan doorgaans niet geboden worden binnen het reguliere onderwijs, omdat daar de expertise en de mankracht voor ontbreken. Als gevolg hiervan maken kinderen met dergelijke problematiek vaak gebruik van de diensten van het speciaal onderwijs; ofwel door naar een school voor speciaal onderwijs te gaan ofwel door op een reguliere school extra op ambulante wijze begeleiding te ontvangen vanuit het speciaal onderwijs (het zogenaamde rugzakje ). In Nederland is het speciaal onderwijs onderverdeeld in clusters. Cluster 4 biedt onderwijs aan kinderen met sociaal-emotionele problematiek. Sinds de invoering van de Leerlinggebonden financiering in 2003 (Besluit Leerlinggebonden financiering, 2006), waarmee de keuze tussen een speciale school of het rugzakje mogelijk werd gemaakt, is het aantal kinderen binnen het cluster 4 onderwijs explosief gestegen (De Greef & Van Rijswijk, 2006). Door de toenemende groei en de diversiteit aan problemen die binnen deze groep voorkomt, staan zowel de reguliere als de speciale scholen voor de opgave om de kinderen met sociaal-emotionele problematiek een passende en effectieve begeleiding te bieden zodat ook zij de beste ontwikkelingskansen binnen het onderwijs kunnen krijgen. Als instelling die hulpverlening biedt aan kinderen met uiteenlopende sociaal-emotionele problematiek, erkent Stichting Horizon het belang van een deskundige en doelmatige begeleiding van deze doelgroep. Daartoe heeft Horizon het mogelijk gemaakt hier onderzoek naar te doen. In dit verband is bij de Universiteit Leiden een bijzondere leerstoel Orthopedagogiek ingesteld van waaruit in samenwerking met Horizon wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd wordt naar de cluster 4 speciale onderwijsscholen en de ambulante begeleidingsdienst van Horizon. Onderwerpen die hierbij aan bod komen zijn: het in kaart brengen van de problematiek en achtergronden van de kinderen in het cluster 4 onderwijs en de begeleiding die hen geboden wordt, evenals het bepalen van de effectiviteit van deze professionele hulp en ondersteuning. Daarbij wordt tevens gekeken naar verschillen die eventueel bestaan tussen kinderen op scholen voor speciaal onderwijs en kinderen die op reguliere scholen ondersteuning krijgen vanuit het speciaal onderwijs (rugzakleerlingen). Het betreft een longitudinaal onderzoek, wat inhoudt dat de kinderen gedurende een aantal jaar 11

gevolgd zullen worden in hun ontwikkeling (follow-up). Om de onderzoeksgroep te kunnen vullen met voldoende rugzakleerlingen is tevens samenwerking gezocht met Dienst Amber die binnen de regio Rotterdam eveneens een groot deel van de ambulante begeleiding aan kinderen binnen het cluster 4 onderwijs verzorgt. De resultaten van dit wetenschappelijk onderzoek zullen bouwstenen kunnen geven voor praktische richtlijnen om de doelmatigheid en effectiviteit van de geboden hulpverlening aan kinderen met sociaal-emotionele problematiek te bevorderen. In 2008 is in dit kader de doelgroepenrapportage Op weg naar effectiviteitonderzoek in het cluster 4 onderwijs: een verkenning van de doelgroep en de werkwijze opgesteld (Stoutjesdijk & Scholte, 2008). Hierin wordt een uitgebreide inventarisatie gegeven van de specifieke kenmerken van de cluster 4 populatie en de begeleiding die geboden wordt. Nu het onderzoek een jaar gevorderd is, kunnen de eerste follow-up resultaten met betrekking tot de ontwikkeling van de kinderen in het cluster 4 onderwijs gepresenteerd worden. In deze rapportage zal daarom aandacht worden besteed aan de ontwikkelingen die de kinderen uit de onderzoeksgroep na een jaar begeleiding vanuit het cluster 4 onderwijs, in de ogen van leerkrachten en ouders/verzorgers, hebben doorgemaakt op het gebied van de gedragsproblematiek en het sociaal-emotionele en cognitieve functioneren. Wanneer in de tekst over ouders gesproken wordt, worden hiermee ook mogelijke andere verzorgers van de kinderen bedoeld. De samenstelling van deze rapportage is als volgt: In hoofdstuk 2 wordt een overzicht gegeven van de onderzoeksopzet waarbij de respons van ouders en leerkrachten uitgebreid aan bod komt. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de ontwikkeling van de leerlingen op het gebied van gedragsproblematiek, sociaal-emotionele problematiek en leerprestaties door de ogen van leerkrachten en ouders. In hoofdstuk 4 wordt de pedagogische aanpak van de problematiek op de scholen en door de ambulante dienst behandeld. Hoofdstuk 5 zal ingaan worden op de betrokkenheid van de ouders bij de begeleiding en het gezinsfunctioneren van de gezinnen van de cluster 4 leerlingen. In hoofdstuk 6 komt de oudertevredenheid aan bod, waarna de rapportage in hoofdstuk 7 zal worden afgesloten met een samenvatting en conclusie van de bevindingen en aanbevelingen voor de praktijk. 12

2. Onderzoeksopzet 2.1 Onderzoeksgroep De onderzoeksgroep bestaat uit leerlingen die cluster 4 speciaal onderwijs volgen in de regio Rotterdam en omstreken. In de groep zitten zowel leerlingen die naar een school voor cluster 4 onderwijs gaan als leerlingen die regulier onderwijs volgen met ambulante begeleiding vanuit cluster 4 (rugzakleerlingen). Het betreffen uitsluitend leerlingen die naar het primair onderwijs gaan. De leerlingen die ambulant begeleid worden, ontvangen deze begeleiding vanuit Stichting Horizon of Dienst Amber. De leerlingen die naar een cluster 4 school gaan, zijn afkomstig van scholen voor speciaal onderwijs van Stichting Horizon. Deze laatste groep bevat ook leerlingen die gebruik maken van de residentiële voorzieningen van Stichting Horizon en onderwijs krijgen in de daaraan gekoppelde cluster 4 scholen (Bergse Veld en Gelinckschool Oostvoorne). 2.2 Procedure De nulmeting heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2008. In het voorjaar van 2009 zijn ouders/verzorgers van leerlingen die naar een cluster 4 school gaan of ambulant begeleid worden vanuit Stichting Horizon of Dienst Amber, wederom benaderd met het verzoek om deel te nemen aan het follow-up onderzoek. Dit betroffen alleen de ouders van leerlingen waarvoor zowel door de ouders als door de leerkrachten óf alleen door de ouders óf alleen door de leerkrachten vragenlijsten zijn ingevuld voor de nulmeting. Vervolgens hebben de ouders én leerkrachten van de deelnemende leerlingen een begeleidende brief met vragenlijsten ontvangen, die zij retour konden zenden met een bijgesloten antwoordenvelop. Een aantal vragen werd door de leerkrachten in samenspraak met gedragsdeskundigen, ambulant begeleiders en eventueel gezinsbegeleiders ingevuld. Voor de leerlingen die ambulante begeleiding krijgen, is aan de leerkrachten van de reguliere scholen gevraagd de vragenlijsten in te vullen, omdat zij het meest zicht hebben op het functioneren van de leerling. Bij geen reactie van ouders of leerkrachten is een aantal keer nagebeld. 13

2.3 Respons eerste follow-up meting In tabel 2.1 wordt een overzicht gegeven van de respons van de ouders voor deelname aan het onderzoek. Hierbij zijn de aantallen onderverdeeld per school/ ambulante dienst. Tabel 2.1 Responsoverzicht deelname ouders Instelling Aantal verzonden Aantal toestemming % toestemming Amber 36 30 86 % Ambulante Dienst Horizon 66 43 77 % Bergse Veld 16 9 63 % Mr. Schats Noord 24 16 70 % Mr. Schats Zuid 31 12 45 % Gelinckschool Spijkenisse 30 20 67 % Gelinckschool Schiedam 46 33 72 % Gelinckschool Oostvoorne 51 28 57 % Totaal 300 191 68 % Van de 381 ouders die tijdens de nulmeting toestemming hadden gegeven om deel te nemen aan het onderzoek zijn er, na aftrek van de leerlingen waarvoor zowel door de ouders als door de leerkrachten uiteindelijk géén vragenlijsten zijn ingevuld, 300 ouders aangeschreven voor de eerste follow-up meting. Van deze 300 ouders heeft 68 % toestemming gegeven om nogmaals vragenlijsten in te (laten) vullen voor de follow-up meting. Dit is een hoger percentage dan het percentage ouders dat toestemming gaf voor deelname aan de nulmeting (45 %). Hieruit blijkt dat het merendeel van de ouders die mee hebben gedaan aan de nulmeting betrokkenheid toont bij het onderzoek en het belangrijk vindt om ook aan het vervolgonderzoek mee te doen. Tabel 2.2 en 2.3 laten het aantal retour gezonden ingevulde vragenlijsten door resp. ouders en leerkrachten zien onderverdeeld per school/ ambulante dienst. 14

Tabel 2.2 Overzicht retourzending ingevulde vragenlijsten ouders Instelling Aantal verzonden Aantal retour % retour Amber 29 21 72% Ambulante Dienst Horizon 42 31 74% Bergse Veld 7 5 71% Mr. Schats Noord 15 11 73% Mr. Schats Zuid 12 10 83% Gelinckschool Spijkenisse 19 14 74% Gelinckschool Schiedam 31 24 77% Gelinckschool Oostvoorne 25 20 80% Totaal 180 136 76% Uit bovenstaande tabel komt naar voren dat 76 % van de ouders die hebben aangegeven deel te willen nemen aan het onderzoek ook daadwerkelijk de vragenlijsten heeft ingevuld en teruggestuurd. Wanneer gekeken wordt naar de instellingen onderling, is het percentage retour gezonden vragenlijsten behoorlijk gelijkmatig verdeeld. Uit tabel 2.3 is op te maken dat het totale percentage ingevulde vragenlijsten door de leerkrachten iets hoger ligt dan bij de ouders (86 % i.p.v. 76 %). De leerkrachten op de Horizonscholen hebben allen voor elke deelnemende leerling een vragenlijst ingevuld (100 %). Dit percentage is in vergelijking met de nulmeting substantieel omhoog gegaan aangezien er toen om verschillende redenen, zoals uitval van leerkrachten vanwege ziekte, een behoorlijk aantal vragenlijsten niet ingevuld konden worden door de leerkrachten. Het percentage leerkrachten dat voor de reguliere leerlingen die worden begeleid door Dienst Amber of door de Ambulante Dienst Horizon een vragenlijst heeft ingevuld, blijft net als bij de nulmeting wat achter bij de Horizonscholen. De reden hiervoor zou kunnen zijn dat de leerkrachten van de reguliere scholen geen directe binding hebben met Stichting Horizon en Dienst Amber en zich daardoor minder verantwoordelijk voelen voor het onderzoek. 15

Tabel 2.3 Overzicht retourzending ingevulde vragenlijsten leerkrachten Instelling Aantal verzonden Aantal retour % retour Amber 29 16 55% Ambulante Dienst Horizon 41 28 68% Bergse Veld 9 9 100% Mr. Schats Noord 16 16 100% Mr. Schats Zuid 12 12 100% Gelinckschool Spijkenisse 20 20 100% Gelinckschool Schiedam 33 33 100% Gelinckschool Oostvoorne 26 26 100% Totaal 186 160 86% De verschillen in het aantal verzonden vragenlijsten aan ouders en leerkrachten kunnen worden verklaard doordat een aantal ouders op het toestemmingsformulier heeft aangegeven dat ze zelf geen vragenlijsten in wilden vullen, maar dat de leerkracht dit wel voor hun kind mocht doen. 2.4 Meetinstrumenten In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de vragenlijsten die voor het onderzoek zijn gebruikt. In principe zijn voor de eerste follow-up meting dezelfde vragenlijsten gebruikt als voor de nulmeting met uitzondering van de Populatie Vragenlijst (PPV) die alleen is gebruikt bij het dossieronderzoek voor de nulmeting om de demografische kenmerken van de cliënten te kunnen beschrijven. SEV Met behulp van de Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV) kan worden bepaald of leerlingen kernsymptomen vertonen van de belangrijkste kinderpsychiatrische stoornissen zoals ze beschreven staan in de DSM-IV of ICD-10 (Scholte & Van der Ploeg, 2005). Het betreft de stoornissen aandachtstekort met hyperactiviteit (ADHD), oppositioneel gedrag (ODD), antisociale gedragsstoornis (CD), gegeneraliseerd angstig en sociaal angstig gedrag, depressief gedrag en indicaties van autistisch gedrag. De validiteit en betrouwbaarheid van het instrument werden in een representatieve steekproef van ruim 2500 jeugdigen vastgesteld en zijn in alle psychometrische opzichten goed bevonden (Evers, Van Vliet-Mulder & Groot, 2000). Daarnaast is het een erkend instrument dat gebruikt kan worden ter onderbouwing van een 16

indicatie voor het cluster 4 onderwijs (Resing, Evers, Koomen, Pameijer & Bleichrodt, 2006). De vragenlijst is ingevuld door de ouders en de leerkrachten van de leerlingen uit de onderzoeksgroep. CBCL/TRF 6-18 jr De Child Behavior Checklist (CBCL) en de Teacher s Report Form (TRF) zijn resp. door de ouders en de leerkrachten van de deelnemende leerlingen ingevuld. De vragenlijsten hebben als doel het waargenomen probleemgedrag van het kind in kaart te brengen (Verhulst, Van der Ende & Koot, 1997). Het probleemgedrag wordt weergegeven door 112 vragen die op een driepuntsschaal beantwoord worden (0 = helemaal niet van toepassing, 1 = een beetje of soms van toepassing en 2 = duidelijk of vaak van toepassing). De vragen hebben betrekking op acht specifieke syndroomschalen (smalle band syndromen) en twee hoofdonderdelen (brede band syndromen): internaliserende en externaliserende problematiek. Hiernaast wordt een totaal indruk van de aanwezige gedrags- en emotionele problematiek verkregen. De Cotan beoordeelt de CBCL en de TRF als goed (Kieviet, Tak & Bosch, 2002). GVL De Gezinsvragenlijst (GVL) is recent ontworpen om de kwaliteit van de gezins- en opvoedingsomstandigheden van kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 18 jaar te bepalen. Het instrument bestaat uit vijf basisschalen met in totaal 45 stellingen die samen het totale gezinsfunctioneren weergegeven (Van der Ploeg & Scholte, 2008). De aspecten die aan bod komen zijn responsiviteit, communicatie, organisatie, partnerrelatie en sociaal netwerk. Het betreft hier gezinsaspecten die sterk samenhangen met gedrags- en ontwikkelingsproblematiek bij jeugdigen. De betrouwbaarheid van de vijf basisschalen en de hoofdschaal is goed, evenals de validiteit (Scholte & Van der Ploeg, 2008). De vragenlijst is ingevuld door de ouders. DMV Met de Doelstellingen en Methodiekenvragenlijst (DMV) kan in kaart gebracht worden welke pedagogische doelen en welke pedagogische basisbehandeling bij de individuele leerlingen worden nagestreefd en toegepast. De vragenlijst is voorgelegd aan de gedragswetenschappers/ ambulant begeleiders en leerkrachten van de leerlingen. Voor de verschillende items kan aangegeven worden in welke mate de verschillende pedagogische doelen en benaderingswijzen meer dan wel minder geaccentueerd worden in de behandeling en begeleiding van de leerling. Dit gebeurt aan de hand van een vierpuntsschaal (1 = geen accent tot 4 = sterk accent) waarbij een hoge score betekent dat er veel nadruk op het desbetreffende pedagogische doel- of behandelingsaccent wordt gelegd (Scholte, Van Berckelaer-Onnes & Van Oud- 17

heusden, 2007). De test-hertest betrouwbaarheid kan met een waarde van rond de.80 als voldoende worden beschouwd (Evers, et al., 2000). Evaluatie Vragenlijst Hulpverlening De Evaluatie Vragenlijst Hulpverlening (EVH) is een vragenlijst waarbij ouders door middel van het invullen van 12 afzonderlijke vragen hun tevredenheid over de geboden hulpverlening kunnen uitdrukken (Erlings, Stoutjesdijk & Scholte, in press). Dit gebeurt door op een vijfpuntsschaal (1 = helemaal niet mee eens tot 5 = helemaal mee eens) aan te kruisen in welke mate men het met de betreffende stelling eens is. Daarnaast wordt een rapportcijfer gegeven voor de totale hulpverlening. 2.5 Data-analyse Om de verschillende vragen te onderzoeken en te toetsen is gebruik gemaakt van een aantal analysetechnieken met behulp van het statistiekprogramma SPSS 17. Wanneer de vraagstellingen worden uitgewerkt, zal in de tekst aangegeven worden welke toets toegepast is om de resultaten te bepalen. Voor elke toets wordt een significantieniveau (p) kleiner of gelijk aan.05 gehanteerd. Dit betekent dat we met 95 % zekerheid kunnen zeggen dat de gevonden verschillen echt in de onderzochte populatie aanwezig zijn. Bij alle toetsen wordt voldaan aan de assumpties die voor deze toetsen gelden. 18

3. Ontwikkeling van leerlingen in het cluster 4 onderwijs 3.1 Inleiding Uit de resultaten van de doelgroepenrapportage uit 2008 is gebleken dat leerlingen, die aangewezen zijn op begeleiding vanuit het cluster 4 onderwijs, uiteenlopende sociaalemotionele problematiek ervaren. Hierdoor zijn zij niet in staat zijn om optimaal van het onderwijs te profiteren zoals dit op reguliere scholen wordt aangeboden. Op scholen voor cluster 4 speciaal onderwijs en door ambulante begeleiding op reguliere scholen beoogt men hiervoor te compenseren. Deze leerlingen krijgen daartoe een speciale vorm van onderwijs in combinatie met een op de problematiek gerichte begeleiding. Om te zien hoe de leerlingen zich na een jaar speciale begeleiding vanuit het cluster 4 in sociaal-emotioneel opzicht ontwikkeld hebben, worden de gegevens uit de vragenlijsten die leerkrachten en ouders ten tijde van de nulmeting hebben ingevuld, vergeleken met de gegevens van de eerste follow-up meting die een jaar later heeft plaats gevonden. Allereerst zal naar de ontwikkeling van de leerlingen gekeken worden aan de hand van de oordelen van de leerkrachten, omdat het primaire doel van het onderzoek is een beeld te vormen van de effectiviteit van de begeleiding binnen de onderwijssituatie. Aangezien het functioneren van de leerlingen in de thuissituatie ook een indicator is voor de effectiviteit van de begeleiding aan deze leerlingen, zullen daarnaast ook de ouderoordelen over de ontwikkeling van de kinderen aan bod komen. Het gegeven dat de problematiek van de leerlingen in het cluster 4 onderwijs op uiteenlopende gebieden ligt, zoals autisme, ADHD, oppositioneel-opstandige gedragsproblemen en angst- en stemmingsproblemen, maakt dat voor het vaststellen van de mate van ontwikkeling van de cluster 4 leerlingen rekening dient te worden gehouden met deze verschillen in aanvangsproblematiek. Dit vindt plaats door de vergelijking tussen de follow-up meting en de nulmeting per probleemgebied telkens alleen uit te voeren voor de groepen kinderen die bij de aanvang een klinische of subklinische score behaalden op het desbetreffende probleemgebied. Door deze benadering ontstaat een genuanceerder beeld, aangezien er rekening mee wordt gehouden dat niet alle leerlingen gelijk zijn: de ene leerling heeft bijvoorbeeld ernstige problemen op het gebied van agressief gedrag, terwijl de andere leerling juist extra aandacht nodig heeft voor aandachtsproblemen. Waar mogelijk wordt een vergelijking gemaakt tussen de leerlingen op de cluster 4 scholen en de rugzakleerlingen. Een vergelijking tussen de groep rugzakleerlingen en de groep leerlingen 19

op de speciale scholen leert dat, voor wat betreft de scores op de verschillende schalen van de vragenlijsten SEV-ouders en SEV-leerkrachten, CBCL en TRF ten tijde van de nulmeting, de gevormde (sub)klinische groepen op het overgrote deel van de schalen niet significant van elkaar verschillen. Dit betekent dat beide groepen op de meeste aspecten valide met elkaar vergeleken kunnen worden. De groepen verschillen voor wat betreft de nulmeting wel op de schalen sociaal probleemgedrag en ODD van zowel de vragenlijst SEV-leerkrachten als de SEV-ouders, de schaal angst totaal van de SEV-leerkrachten en aandachtsproblemen van de CBCL. Eventuele gevonden verschillen tussen de onderwijsvormen voor wat betreft de significante vooruitgang op voorgenoemde schalen, moeten daarom met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Voordat we aan de resultaten over de mate van ontwikkeling toekomen, zal in de volgende paragraaf eerst ingegaan worden op de algemene kenmerken van de onderzoeksgroep. 3.2 Algemene kenmerken van de onderzoeksgroep In de rapportage Op weg naar effectiviteitonderzoek in het cluster 4 onderwijs wordt een omschrijving van de algemene kenmerken van de onderzoeksgroep tijdens de nulmeting gegeven. Aangezien er een aantal leerlingen, dat wel mee deed aan de nulmeting, tijdens de follow-up periode is afgevallen, kan het zijn dat de samenstelling van de onderzoeksgroep voor de eerste follow-up meting afwijkt van die van de nulmeting. Dat wordt in deze paragraaf eerst nader onderzocht door een korte omschrijving te geven van de onderzoeksgroep zoals die in het vervolgonderzoek wordt meegenomen. De gemiddelde leeftijd van de leerlingen in de onderzoeksgroep bedraagt 9,9 jaar (SD = 1.75), waarbij de jongste leerling 6 jaar en de oudste leerling 14 jaar is. Voor beide groepen onderwijsvormen geldt ongeveer dezelfde leeftijdsrange. De verdeling jongens-meisjes is resp. 85 % en 15 %. Deze verhouding geldt zowel voor de groep met rugzakleerlingen als voor de groep leerlingen die een cluster 4 school bezoeken. In vergelijking met de onderzoeksgroep ten tijde van de nulmeting zijn er geen significante verschillen gevonden op de gebieden leeftijd en sekse. De leerlingen in de onderzoekgroep maken op het moment van de eerste follow-up meting gemiddeld 2,5 jaar (SD = 1.35) gebruik van de diensten van het cluster 4 speciaal onderwijs (speciale school of ambulante begeleiding). In tabel 3.1 wordt een overzicht gegeven van de aanwezige geclassificeerde stoornissen die zijn gevonden in de dossiers van de leerlingen in de onderzoeksgroep ten tijde van de 20

aanmelding voor het cluster 4 speciaal onderwijs. Er is een onderverdeling gemaakt tussen rugzakleerlingen en leerlingen die naar cluster 4 scholen gaan. De samenstelling van de groep leerlingen die meedoen aan de eerste follow-up meting komt qua voorkomen van verschillende gediagnosticeerde stoornissen grotendeels overeen met die van de groep van de nulmeting. Ook hier staan autisme spectrum stoornissen, ADHD en ODD in de top drie van meest voorkomende stoornissen onder de cluster 4 leerlingen in de gehele onderzoeksgroep. Bijna alle kinderen in de groep (op drie na) hebben comorbide problematiek met één of meerdere stoornissen/psychiatrische klachten. Tabel 3.1 aanwezige geclassificeerde stoornissen volgens de DSM-IV (eerste follow-up) Rugzak n = 51 Cluster 4 school n = 83 Totaal cluster 4 N = 134 n % n % N % Autisme spectrum stoornis 37 74 % 55 66 % 92 69 % Aandachtstekort/ hyperactiviteit (ADHD) 16 32 % 26 32 % 42 32 % Oppositioneel gedrag (ODD) 1 2 % 14 17 % 15 11 % Overige psychiatrische klachten * 10 20 % 44 53 % 54 40 % * o.a. leerstoornis (dyslexie), angststoornis/fobie, dwanghandelingen, verstandelijke handicap, stemmingsstoornis, antisociale gedragsstoornis (CD) Wat opleidingsniveau van de ouders betreft, is naar voren gekomen dat in 19 % van de gezinnen de lagere school/lts de hoogst genoten opleiding is, in 40 % mavo/mbo, in 8 % havo/atheneum en in 33 % hbo/universiteit. Wanneer vervolgens gekeken wordt naar het opleidingsniveau binnen de gezinnen van de onderwijsvormen onderling, is te zien dat ouders van rugzakleerlingen vaker een opleiding op hbo/universitair niveau hebben genoten dan ouders van kinderen op een school voor speciaal onderwijs (resp. 43 % en 26 %) en minder vaak lagere school/lts (resp. 9 % en 25 %). Dit zijn overigens geen significante verschillen. Mavo/MBO komt bij beide groepen nagenoeg gelijk voor (resp. 42 % en 39 %). Deze samenstelling van opleidingsniveau van ouders komt bijna geheel overeen met die van de onderzoeksgroep van de nulmeting. Tabel 3.2 geeft tot slot nog een overzicht van de verdeling van de leerlingen in de onderzoeksgroep over de verschillende woonsituaties. Ook hier is te zien dat de meeste leerlingen thuis bij hun biologische ouders wonen, gevolgd door leerlingen in één-ouder gezinnen. In vergelijking met de onderzoeksgroep van de nulmeting wonen in de onderzoeksgroep van de eerste follow-up meting iets meer leerlingen bij hun biologische ouders. Dit is echter geen significant verschil. 21

Tabel 3.2 woonsituatie cluster 4 leerlingen onderverdeeld naar onderwijsvorm Rugzak Cluster 4 school Totaal cluster 4 N % N % N % Beide biologische ouders 48 90 % 53 63 % 101 74 % Eén-ouder gezin 3 6 % 16 19 % 19 14 % Biologische ouder + partner 2 4 % 9 11 % 11 8 % Pleeggezin 0 0 % 6 7 % 6 4 % Totaal 53 100 % 84 100 % 137 100 % Samenvattend duiden deze uitslagen erop dat de kenmerken van de groep leerlingen van de eerste follow-up meting grotendeels overeenkomen met de oorspronkelijke groep leerlingen die aan de nulmeting hebben deelgenomen. 3.3 Sociaal-emotionele problematiek: ontwikkeling volgens de leerkrachten Om een indruk te krijgen van de gedrags- en sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen in de onderwijssituatie zal in deze paragraaf bekeken worden of en op welke gebieden de cluster 4 leerlingen tijdens de begeleiding vanuit het cluster 4 onderwijs vooruit zijn gegaan volgens het oordeel van de leerkrachten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de scores op de Teacher s Report Form (TRF) en de Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV). Er zal een vergelijking gemaakt worden tussen de twee meetmomenten aan de hand van de gemiddelde scores op de verschillende probleemschalen van deze vragenlijsten met behulp van zogenaamde gepaarde t-toetsen. 3.3.1 Gedragsontwikkeling Tabel 3.3 geeft een overzicht van de gemiddelde scores die door de totale (sub)klinische groep behaald zijn op de probleemschalen van de TRF ten tijde van de nulmeting en de eerste follow-up meting. In de tabel wordt daarnaast aangegeven in welke mate er significante verandering te zien is per probleemgebied na 1 jaar begeleiding vanuit het cluster 4 onderwijs. De kolom geeft het verschil tussen de beide meetmomenten, waarbij het negatieve teken duidt op een vooruitgang (met andere woorden een afname van het probleemgedrag). Om een indruk te krijgen van het veranderingseffect is tevens de effectgrootte D uitgerekend voor de probleemschalen waar een significante verandering ten opzichte van de nulmeting gevonden is. Een D rond de 0.20 duidt op een klein effect, een D rond de 0.50 op een gemiddeld effect en een D rond de 0.80 op een groot effect (Cohen, 1992). 22

Wanneer naar de resultaten in tabel 3.3 gekeken wordt, valt op dat de leerlingen in een jaar tijd op alle probleemgebieden van de TRF een significante vooruitgang hebben geboekt. De omvang van de verschillen tussen de eerste follow-up meting en de nulmeting loopt uiteen van gemiddeld tot bijzonder groot. De grootste verschillen zijn bereikt op de gebieden lichamelijke klachten, sociale problemen, aandachtsproblemen, teruggetrokken/depressief gedrag en angstig/depressief gedrag. Op de brede band syndroomschalen internaliserend en externaliserend gedrag en de totaalschaal van de TRF is een minder grote vooruitgang waargenomen. Een mogelijke rede hiervoor is dat deze brede band syndroomschalen slechts een zeer globale maat van gedragsproblematiek bieden, waardoor specifieke verschillen gemaskeerd worden. Tabel 3.3 ontwikkeling van (sub)klinische leerlingen volgens de TRF (totale groep) nulmeting eerste follow-up effect-grootte N M SD M SD Cohen s D Teruggetrokken/ depressief 46 8.70 2.22 6.41 3.18-2.29 0.83* Lichamelijke klachten 13 3.38 1.04 0.69 1.25-2.69 2.33* Angstig/ depressief 46 13.76 3.96 9.33 6.00-4.43 0.87* Sociale problemen 28 10.96 2.56 6.57 4.43-4.39 1.21* Denkproblemen 51 4.76 2.10 3.31 2.66-1.45 0.60* Aandachtsproblemen 52 23.12 4.34 17.56 7.98-5.56 0.86* Delinquent gedrag 24 5.33 1.90 4.17 2.54-1.16 0.52* Agressief gedrag 43 26.00 8.95 20.56 11.63-5.44 0.52* Internaliserende problemen 71 18.54 6.15 14.39 7.98-4.15 0.58* Externaliserende problemen 59 26.24 10.82 21.53 13.67-4.71 0.38* Totale problemen 84 63.35 19.98 53.80 25.20-9.55 0.42* *significant met een p-waarde < 0.01 Toetsen naar verschillen tussen de nulmeting en de eerste follow-up meting voor de beide onderwijsvormen wijzen uit dat de rugzakleerlingen alleen significant vooruit zijn gegaan op de probleemschalen teruggetrokken/depressief (D = 0.80) en aandachtsproblemen (D = 1.17). Binnen de groep leerlingen op de cluster 4 scholen wordt echter op alle probleemgebieden een significante vooruitgang waargenomen met effectgroottes die variëren van redelijk (0.37) tot bijzonder groot (2.15). Hierbij moet wel opgemerkt worden dat van een aantal probleemgebieden (o.a. delinquent gedrag en lichamelijke klachten) voor de rugzakleerlingen geen betrouwbare resultaten gegenereerd konden worden, omdat het aantal (sub)klinische leerlingen binnen die probleemgebieden te klein was om tot een uitspraak daarover te kunnen komen. De beide onderwijsvormen verschillen echter niet significant van elkaar wanneer gekeken wordt naar de absolute verschillen tussen de nulmeting en de eerste follow-up meting 23

( ) per probleemschaal. Dit geeft aan dat de leerlingen in beide onderwijsvormen qua absolute vooruitgang een gelijke ontwikkeling hebben doorgemaakt. Zie verder Bijlage 1 voor het volledige resultatenoverzicht. Vervolgens kan de ontwikkeling van de leerlingen ook op een andere wijze in beeld gebracht worden door niet de verschillen in gemiddelde scores tussen beide meetmomenten te bekijken, maar na te gaan hoeveel leerlingen er op individueel niveau wel of niet op vooruit zijn gegaan ten opzichte van de gehele onderzoeksgroep. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde Reliable Change Index om te bepalen of de ontwikkeling van de individuele leerlingen een statistisch aantoonbare verandering heeft doorgemaakt (Oosterlaan & Veerman, 2002). Daarnaast kan bepaald worden hoeveel procent van de leerlingen in de onderzoeksgroep een dermate grote vooruitgang in hun ontwikkeling heeft doorgemaakt dat gesproken kan worden van een normalisatie van dat aspect van de gedragsproblemen. Met andere woorden: dat de scores op de verschillende probleemschalen zijn gedaald van het (sub)klinisch gebied naar het normale gebied. De resultaten hiervan zijn te vinden in tabel 3.4. Tabel 3.4 Ontwikkeling (sub)klinische leerlingen op individueel niveau volgens de TRF (totale groep, N = 136) % vooruit % genormaliseerd Teruggetrokken 28 % 28 % Lichamelijke klachten 12 % 12 % Angstig-depressief 29 % 26 % Sociale problemen 30 % 28 % Denkproblemen 23 % 20 % Aandachtsproblemen 36 % 32 % Delinquent gedrag 13 % 11 % Agressief gedrag 35 % 27 % Internaliserende problemen 35 % 27 % Externaliserende problemen 31 % 21 % Totale problemen 45 % 26 % Gekeken naar de totale problemen, zijn de leerkrachten van oordeel dat bijna de helft (45 %) van de leerlingen in de totale onderzoeksgroep een klinisch significante vooruitgang heeft geboekt en dat bijna eenderde (26 %) van de leerlingen zelfs zodanig vooruit is gegaan dat gesproken kan worden van een normalisatie van het probleemgedrag in het algemeen. Wanneer vervolgens naar de specifieke probleemschalen wordt gekeken, is te zien dat voor de meeste problematiek geldt dat een vijfde tot eenderde van de leerlingen vooruitgang heeft geboekt op dit gebied. Alleen de schalen lichamelijke klachten en delinquent gedrag lopen 24

hierbij achter met resp. 12 % en 13 %. Redenen hiervoor zouden kunnen zijn dat de school zich niet primair richt op lichamelijke klachten, en dat psychosomatische problematiek en delinquent gedrag bekend staan als probleemgebieden die niet gemakkelijk aan te pakken zijn (Bloomquist & Schnell, 2002). Daarnaast komt naar voren dat aandachtsproblemen en agressief gedrag de probleemgebieden zijn waarop de meeste vooruitgang wordt geboekt. Voor de percentages leerlingen waarvan het gedrag op de afzonderlijke probleemschalen genormaliseerd is, geldt ongeveer eenzelfde beeld: een vijfde tot eenderde van de leerlingen is dermate vooruitgegaan dat het gedrag in de normale range wordt gescoord. Ook hier is de grootste vooruitgang te zien op het gebied van de aandachtsproblemen en de minste vooruitgang op het gebied van lichamelijke klachten en delinquent gedrag. Wanneer naar de ontwikkeling van de leerlingen wordt gekeken aan de hand van de acht probleemschalen van de TRF (zonder de brede band syndroomschalen en de totaalschaal), dan kan geconcludeerd worden dat over het geheel genomen 52 % van de leerlingen volgens de leerkrachten er op één of meerdere van deze schalen in klinisch significante mate op vooruit gegaan is en dat dit bij 48 % van de leerlingen niet het geval was. 3.3.2 Sociaal-emotionele ontwikkeling Naast de meer algemene probleemgedragingen van de TRF, hebben de leerkrachten ook hun oordeel kunnen geven over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen, gemeten met behulp van de syndroomschalen van de SEV. Deze syndroomschalen zijn gebaseerd op psychiatrische stoornissen zoals ze in de DSM-IV worden omschreven. In tabel 3.5 wordt een overzicht gegeven van de gemiddelde scores die door de totale (sub)klinische groep behaald zijn ten tijde van de nulmeting en de eerste follow-up meting. Met gepaarde t-toetsen zijn vervolgens weer eventuele significante verschillen tussen de gemiddelde scores op de nulmeting en die van de eerste follow-up meting met getoetst. 25

Tabel 3.5 ontwikkeling van (sub)klinische leerlingen volgens de SEV-leerkrachten (totale groep) nulmeting eerste follow-up effect-grootte N M SD M SD Cohens D Aandachtstekort 85 14.15 3.95 7.47 5.39-6.68 1.41* Hyperactiviteit 80 15.76 3.61 8.95 6.03-6.81 1.36* Impulsiviteit 68 12.88 3.14 6.49 5.31-6.39 1.46* ADHD - totaal 80 40.54 9.49 22.33 14.66-18.21 1.47* Oppositioneel/opstandig 74 16.76 5.33 9.04 7.70-7.72 1.16* Agressief gedrag 65 6.00 3.86 2.94 4.07-3.06 0.77* Antisociaal gedrag 96 12.04 5.17 8.01 7.06-4.03 0.65* Sociale gedragsproblemen 81 33.56 12.67 19.85 17.70-13.70 0.89* Angst algemeen 84 10.58 4.87 5.29 4.10-5.29 1.17* Sociale angst 104 10.64 4.50 6.30 5.05-4.35 0.91* Angstig/depressief 91 8.53 4.66 3.97 3.73-4.56 1.08* Angstproblemen - totaal 102 27.36 11.79 14.89 9.82-12.47 1.15* Autistisch gedrag 88 16.55 5.53 9.67 6.81-6.86 1.11* *significant met een p-waarde < 0.01 Uit de tabel blijkt dat de leerlingen er volgens de leerkrachten op alle gebieden van de sociaalemotionele ontwikkeling flink op vooruit zijn gegaan met grote tot bijzonder grote ontwikkelingseffecten ten opzichte van de nulmeting. Vooral de syndroomschaal ADHD en de daaraan gerelateerde afzonderlijke gedragskenmerken zijn qua effectgrootte de probleemgedragingen waarbij de grootste positieve resultaten zijn geboekt. Dit komt overeen met de resultaten in tabel 3.4 waar op de probleemschaal aandachtsproblemen ook de meeste vooruitgang te zien is. Wanneer gekeken wordt naar de resultaten binnen de afzonderlijke onderwijsvormen is te zien dat zowel de leerlingen op de speciale scholen als de rugzakleerlingen op alle gebieden vooruitgang boekten. Alleen bij de laatste groep is net geen significante vooruitgang gemeten op het gebied van antisociaal gedrag. Hoewel de absolute verschillen ( ) bij de groep leerlingen op de speciale scholen over het geheel genomen hoger zijn, zijn er op dit gebied geen significante verschillen gevonden tussen de onderwijsvormen onderling. Dit geeft wederom aan dat de leerlingen in beide groepen qua absolute vooruitgang vergelijkbare ontwikkelingen hebben doorgemaakt. Wel is een significant verschil gevonden tussen de onderwijsvormen voor wat betreft de vooruitgang op het gebied van aandachtstekort, maar dit 26

verschil dient onder voorbehoud te worden geïnterpreteerd aangezien de beide onderwijsvormen op de nulmeting al verschilden op dit probleemgebied. In Bijlage 2 is het volledige resultatenoverzicht voor beide onderwijsvormen terug te vinden. Ook voor de sociaal-emotionele ontwikkeling kan vervolgens nagegaan worden hoeveel leerlingen uit de onderzoeksgroep er op individueel niveau wel of niet op vooruit zijn gegaan en bij hoeveel leerlingen een normalisatie van de sociaal-emotionele ontwikkeling heeft plaatsgevonden. Hiervoor zijn de vier hoofdschalen van de SEV gebruikt, namelijk ADHD, sociale gedragsproblemen, angstproblemen en autistisch gedrag. De resultaten hiervan zijn te vinden in tabel 3.6. Tabel 3.6 Ontwikkeling (sub)klinische leerlingen op individueel niveau volgens de SEVleerkrachten (totale groep, N = 136) % vooruit % genormaliseerd ADHD 62 % 62 % Sociale gedragsproblemen 57 % 50 % Angstproblemen 52 % 43 % Autistisch gedrag 46 % 40 % Uit de resultaten komt naar voren dat leerlingen met ADHD-problematiek de grootste vooruitgang boeken volgens de leerkrachten: 62 % van de leerlingen vertoont in een jaar tijd minder problematisch gedrag op dit gebied. Leerlingen met autistisch gedrag vormen met 46 % de groep met de minste vooruitgang. Ook wanneer gekeken wordt naar het percentage leerlingen waarvan het gedrag met betrekking tot de sociaal-emotionele ontwikkeling normaliseert, is een zelfde rangorde waar te nemen. Twee vijfde tot de helft van de leerlingen met autistisch gedrag, angstproblemen en sociale gedragsproblemen is na een jaar begeleiding vanuit het cluster 4 onderwijs volgens de leerkrachten in zulke mate vooruitgegaan dat gesproken kan worden van een normalisatie van het gedrag. Voor leerlingen met ADHDproblematiek geldt dit zelfs voor tweederde van de leerlingen. Net als voor de TRF, kan ook voor de SEV naar de algehele vooruitgang van de leerlingen worden gekeken aan de hand van de tien sub-probleemschalen van de SEV. Dan kan geconcludeerd worden dat over het geheel genomen 70 % van de leerlingen er volgens de leerkrachten in klinisch significante mate op vooruit is gegaan en dat dit bij 30 % van de leerlingen niet het geval was. 27

3.4 Sociaal-emotionele problematiek: ontwikkeling volgens de ouders In deze paragraaf wordt gekeken naar de ontwikkeling die de cluster 4 leerlingen tijdens de begeleiding vanuit het cluster 4 onderwijs hebben doorgemaakt op het gebied van de gedragsontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling volgens het oordeel van de ouders. Hierbij zal gebruikt worden gemaakt van de scores op de Child Behavior Checklist (CBCL) en de Sociaal Emotionele Vragenlijst (SEV). Voor het vergelijken van de gegevens uit beide vragenlijsten tussen de nulmeting en de eerste follow-up meting zal gebruik worden gemaakt van dezelfde systematiek als bij de leerkrachten. 3.4.1 Gedragsontwikkeling Tabel 3.7 geeft een overzicht van de gemiddelde scores die door de totale (sub)klinische groep behaald zijn op de probleemschalen van de CBCL ten tijde van de nulmeting en de eerste follow-up meting. De resultaten uit tabel 3.7 laten zien dat de ouders op de gebieden lichamelijke klachten, denkproblemen, delinquent gedrag, agressief gedrag en externaliserende problemen significante verbeteringen waarnemen bij de kinderen, en op de overige gebieden niet. De effectgroottes geven aan dat het gaat om kleine tot gemiddelde positieve ontwikkelingseffecten. Opvallend is dat de significante vooruitgang merendeels betrekking heeft op de probleemgebieden waarbij sprake is van externaliserend probleemgedrag. Tabel 3.7 ontwikkeling van (sub)klinische kinderen volgens de CBCL (totale groep) nulmeting eerste follow-up Effect-grootte N M SD M SD Teruggetrokken/ depressief 50 7.44 2.07 7.30 2.98-0.14 - Cohen s D Lichamelijke klachten 23 4.87 1.84 3.57 2.74-1.30 0.58* Angstig/ depressief 45 12.13 4.68 12.27 4.98 0.14 - Sociale problemen 63 7.14 2.15 6.63 3.00-0.51 - Denkproblemen 67 4.43 2.49 3.84 2.60-0.59 0.23* Aandachtsproblemen 76 11.16 2.59 10.99 3.98-0.17 - Delinquent gedrag 27 5.85 1.94 4.81 2.39-1.04 0.46* Agressief gedrag 37 21.30 5.33 18.95 7.35-2.35 0.37* Internaliserende problemen 65 18.58 7.49 19.12 8.80 0.54 - Externaliserende problemen 47 23.89 7.44 21.19 9.66-2.70 0.31* Totale problemen 71 57.61 17.94 56.63 22.88-0.98 - * significant met een p-waarde < 0.05 28

Wanneer gekeken wordt naar de ontwikkelingen van de kinderen op het niveau van de twee onderwijsvormen, komt naar voren dat de scores van de rugzakleerlingen op de nulmeting en de follow-up meting significant van elkaar verschillen op de gebieden lichamelijke klachten en angstig/depressief gedrag. De lichamelijke klachten zijn volgens de ouders afgenomen (D= 1.06), maar het angstig/depressief gedrag is daarentegen toegenomen (D = 0.75). Voor de cluster 4 leerlingen op de speciale scholen geldt dat met name de externaliserende gedragsproblemen zijn verminderd (D = 0.32). De beide onderwijsvormen verschillen echter niet significant wanneer gekeken wordt naar de absolute vooruitgang tussen de nulmeting en de eerste follow-up meting ( ) per probleemschaal. Het verschil in scores op de probleemschalen is voor beide onderwijsvormen gelijk, wat aangeeft dat deze kinderen qua absolute vooruitgang in hun ontwikkeling niet van elkaar verschillen. Voor een uitgebreid overzicht van de resultaten per onderwijsvorm per probleemgebied wordt verwezen naar Bijlage 3. Evenals voor de leerkrachtoordelen kunnen ook voor de ouderoordelen met behulp van de Reliable Change Index de percentages kinderen berekend worden die er wel of niet op vooruitgang gegaan zijn tijdens een jaar begeleiding vanuit het cluster 4 onderwijs. Daarnaast is tevens berekend hoeveel procent van de kinderen in de onderzoeksgroep zodanig vooruit is gegaan dat gesproken kan worden van een normalisatie van het probleemgedrag. In tabel 3.8 worden de resultaten weergegeven. Tabel 3.8 Ontwikkeling (sub)klinische kinderen op individueel niveau volgens de CBCL (totale groep, N = 115) % vooruit % genormaliseerd Teruggetrokken 18 % 13 % Lichamelijke klachten 7 % 6 % Angstig-depressief 27 % 18 % Sociale problemen 24 % 14 % Denkproblemen 18 % 7 % Aandachtsproblemen 26 % 17 % Delinquent gedrag 11 % 8 % Agressief gedrag 26 % 20 % Internaliseren 16 % 8 % Externaliseren 24 % 16 % Totale problemen 19 % 10 % 29

In vergelijking met de leerkrachten oordelen de ouders minder positief over de ontwikkeling van de kinderen. Gekeken naar het percentage kinderen dat volgens de totaal-schaal van de CBCL vooruit is gegaan, blijkt dat dit om een vijfde van de kinderen gaat. Van de afzonderlijke probleemschalen kan gezegd worden dat de meeste kinderen (ongeveer eenderde) vooruit zijn gegaan op het gebied van angstig-depressief gedrag, sociale problemen, aandachtsproblemen en agressief gedrag. Evenals bij de leerkrachten zijn ook de ouders van mening dat de kinderen de minste vooruitgang laten zien op het gebied van lichamelijke klachten en delinquent gedrag. Een blik op de probleemschalen waarop de kinderen een zo grote vooruitgang hebben geboekt dat de scores op deze schalen zich in het normale gebied bevinden, leert dat de eerdergenoemde vier probleemgebieden waarop de kinderen het meest vooruit zijn gegaan, ook volgens de ouders de gebieden zijn waarbij sprake is van het hoogste percentage kinderen dat in gedrag genormaliseerd is (bijna een vijfde). Wanneer naar de algehele vooruitgang van de kinderen wordt gekeken aan de hand van de acht probleemschalen van de CBCL (zonder de brede band syndroomschalen en de totaalschaal), kan geconcludeerd worden dat over het geheel genomen 42 % van de kinderen er volgens de ouders op één of meerdere van deze schalen in klinisch significante mate op vooruit is gegaan en dat dit voor 58 % van de kinderen niet het geval was. 3.4.2 Sociaal-emotionele ontwikkeling Naast de meer algemene probleemgedragingen die gemeten wordt met behulp van de CBCL, wordt ook naar het oordeel van de ouders over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen meegenomen aan de hand van de syndroomschalen van de SEV. In tabel 3.9 wordt een overzicht gegeven van de gemiddelde scores die door de totale (sub)klinische groep behaald zijn ten tijde van de nulmeting en de eerste follow-up meting. 30