Interpretatie van de data De volgende paragraaf geeft verdere uitleg over de interpretatie van de grafieken en tabellen met fictieve data die gebruikt worden in dit document. PROM pre score In Tabel 1 zijn voor een zestal fictieve instellingen de PROM-scores vóór de ingreep ( pre ) met betrekking tot een willekeurige aandoening weergegeven. Het aantal waarnemingen waarop deze score is berekend wordt getoond in kolom N. Naast de gemiddelde en mediane PROM pre score wordt ook het eerste kwartiel (Q1) en derde kwartiel (Q3) getoond. De PROM pre score geeft een indruk van de ernst van de aandoening vooraf aan de operatie; Hoe hoger de score, hoe ernstiger de ervaren gezondheid. Instelling N PROM pre score Mediaan Q1 Q3 Instelling 1 150 29,87 30,00 24,80 35,50 Instelling 2 167 26,11 26,30 23,25 30,25 Instelling 3 131 25,98 26,30 20,80 31,50 Instelling 4 162 30,45 31,10 27,85 35,20 Instelling 5 136 23,13 24,20 18,25 27,40 Instelling 6 185 24,23 24,70 19,75 28,15 Tabel 1. Voorbeeldtabel met fictieve data van de PROM pre score per instelling voor een willekeurige aandoening. De mediaan representeert het midden van alle gemeten PROM-scores per instelling. In het geval van een normale verdeling zullen de gemiddelde PROM pre score en de mediaan vergelijkbaar zijn. Naarmate de scores schever verdeeld zijn (veel hoge of lage waarden), zullen deze twee maten meer uit elkaar gaan lopen. Het eerste kwartiel (Q1) definieert de grens waarbij 25% van de waarnemingen kleiner dan of gelijk zijn aan dit getal. Het derde kwartiel (Q3) stelt deze grens voor 75% van de waarnemingen.
Instelling 1 (N=120) Instelling 2 (N=95) Instelling 3 (N=153) Instelling 4 (N=75) Instelling 5 (N=103) Instelling 6 (N=98) Gecorrigeerd verschil in PROM-score Definitieve versie, november 2012 PROM-verschilscore In Figuur 1 zijn de vergelijkingsintervallen van fictieve instellingen voor de verandering in PROM-score met betrekking tot een willekeurige aandoening, weergegeven ten opzichte van het overall gemiddelde van alle gemeten instellingen. De verticale balkjes geven de grootte van het vergelijkingsinterval aan, de horizontale lijn in het midden van elk balkje representeert het instellingsgemiddelde. De horizontale lijn die door de gehele grafiek loopt laat het overall gemiddelde van alle gemeten instellingen zien. -21-20 -19-18 -17-16 -15-14 -13-12 Overall gemiddelde Instellingsgemiddelde 1 Ster 2 Sterren 3 Sterren Figuur 1. Voorbeeldgrafiek met fictieve data van de verandering in PROM-score per instelling voor een willekeurige aandoening, gecorrigeerd voor relevante patiëntkenmerken. De verandering in PROM-score wordt berekend als het verschil tussen de PROM-score na de ingreep ( post ) en de PROM-score vóór de ingreep ( pre ). Een negatief resultaat impliceert een verbetering in de gezondheidstoestand van de patiënt met betrekking tot de aandoeninggerelateerde klachten. De grafiek dient als volgt geïnterpreteerd te worden. Wanneer het gehele vergelijkingsinterval van een instelling onder het overall gemiddelde valt, dan scoort deze instelling 1 ster (paars). Dit impliceert dat deze instelling slechter scoort dan het overall gemiddelde van alle instellingen gemeten in de studie. Wanneer een instelling 3 sterren (groen) toegekend krijgt, dan scoort deze instelling beter dan het overall gemiddelde van alle instellingen en valt het gehele vergelijkingsinterval hierboven. Wanneer echter het vergelijkingsinterval van een instelling met 1 ster overlapt met het vergelijkingsinterval van een instelling met 2 sterren, kan niet geconcludeerd worden dat de instelling met 2 sterren beter is. Dit kan alleen geconcludeerd worden wanneer de volledige vergelijkingsintervallen niet met elkaar overlappen. Een instelling met een score van 3 sterren is dus wel altijd beter dan een instelling met een score van 1 ster.
Percentage verbetering in PROM-score In Figuur 2 wordt per fictieve instelling weergegeven bij welk percentage van de respondenten sprake is van respectievelijk geen verbetering, <=5% verbetering, 5-10% verbetering, 10-20% verbetering of >20% verbetering van de PROM-score na de ingreep. Instelling 1 (N=125) 37,60% Instelling 2 (N=160) 81,25% Instelling 3 (N=110) 59,09% Instelling 4 (N=180) 25,00% Instelling 5 (N=135) 37,04% Instelling 6 (N=130) 34,62% 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Geen verbetering <=5% Verbetering 5-10% Verbetering 10-20% Verbetering >20% Verbetering Figuur 2. Voorbeeldgrafiek met fictieve data van de percentages respondenten voor de ervaren verbetering in PROM-score per instelling verdeeld over 5 categorieën (geen verbetering, <=5% verbetering, 5-10% verbetering, 10-20% verbetering of >20% verbetering) voor een willekeurige aandoening. Het percentage verbetering wordt berekend als het verschil tussen de PROM-score na de ingreep ( post ) en de PROM-score vóór de ingreep ( pre ), gedeeld door de maximaal haalbare PROM-verschilscore voor de betreffende aandoening.
Instelling 1 (N=150) Instelling 2 (N=167) Instelling 3 (N=131) Instelling 4 (N=162) Instelling 5 (N=136) Instelling 6 (N=185) Percentage respondenten met een complicatie Definitieve versie, november 2012 Percentage ervaren complicaties Figuur 3 toont per fictieve instelling hoe vaak respondenten een complicatie 1 hebben ervaren na de ingreep. 10,0% 9,0% 8,0% 7,0% 6,0% 5,0% 4,0% 3,0% 2,0% 1,0% 0,0% Allergie/reactie medicatie Plasproblemen Bloedingen Wondproblemen Figuur 3. Voorbeeldgrafiek met fictieve data van de percentages respondenten per instelling met een ervaren allergie/reactie op medicatie, plasproblemen, bloedingen en wondproblemen na de ingreep voor een willekeurige aandoening. Het percentage wordt berekend als het aantal respondenten dat heeft aangegeven één van de betreffende complicaties te hebben ervaren gedeeld door het totaal aantal respondenten op deze vraag. 1 Allergie voor of reactie op medicatie, problemen bij het plassen, bloedingen en/of wondproblemen.
Aanbevelingsintentie (NPS) In Figuur 4 is per instelling weergegeven welk percentage van de respondenten behoort tot respectievelijk de klantcategorieën Criticaster en Promotor. Achter de naam van elke instelling wordt de Net Promotor Score (NPS) vermeld. Instelling 1 (N=150; NPS=31,9%) -14,2% 46,0% Instelling 2 (N=167; NPS=29,1%) -18,2% 47,3% Instelling 3 (N=131; NPS=16,2%) -27,0% 43,2% Instelling 4 (N=162; NPS=51,7%) -13,6% 65,3% Instelling 5 (N=136; NPS=5,3%) -26,3% 31,6% Instelling 6 (N=185; NPS=50,7%) -12,0% 62,7% -60% -40% -20% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Criticasters (cijfer 0-6) Promotors (cijfer 9-10) Figuur 4. Voorbeeldgrafiek met fictieve data van de percentages respondenten per instelling, dat behoort tot de klantcategorieën Criticaster en Promotor voor een willekeurige aandoening. De NPS wordt berekend door het percentage Criticasters af te trekken van het percentage Promotors. De N vertegenwoordigt het aantal respondenten dat de vraag heeft beantwoord op basis waarvan de NPS wordt berekend.