Videofeedback bij Techniektraining Trainer / instructeur 3 1
KNZB 2007 Opleiding Trainer / Instructeur 3 2
Colofon Deze reader is een uitgave van de Koninklijke Nederlandse Zwembond Wattbaan 31 49, 3439 ML EX Nieuwegein. Tekstbijdrage: André Cats Met medewerking van: Opmaak: Druk: Eindredactie: Annemieke Beute KNZB Huis van de Sport Annemieke Beute KNZB Niets uit deze uitgave mag vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de KNZB. KNZB 2007 Opleiding Trainer Wedstrijdzwemmen 3 3
Inhoudsopgave 1 Inleiding...5 2 Eigenschappen van de aan te leren beweging...6 3 Eigenschappen van de sporter...7 4 De wijze van aanbieden...8 5 Aanbevelingen voor de trainingspraktijk...9 KNZB 2007 Opleiding Trainer / Instructeur 3 4
1 Inleiding Ieder leerproces, dus ook het motorische, kan onmogelijk plaatsvinden zonder dat de sporter feedback tot zijn beschikking krijgt (o.a. Schmidt, 1982). Feedback is informatie over de uitvoering of het resultaat van een beweging ontvangen. Deze informatie kan gebruikt worden bij het plannen/uitvoeren van de volgende beweging. Feedback is voor een deel van nature aanwezig, bijvoorbeeld het lichaamsgevoel. Naast deze van nature aanwezige feedback is er ook de zogenaamde extrinsiek toegevoegde feedback. Een vorm daarvan is videofeedback. In dit artikel staan we stil bij: eigenschappen van de aan te leren beweging eigenschappen van de sporter de wijze van videofeedback aanbevelingen voor de trainingspraktijk KNZB 2007 Opleiding Trainer Wedstrijdzwemmen 3 5
2 Eigenschappen van de aan te leren beweging Bewegingen kunnen worden verdeeld in open bewegingen en gesloten bewegingen. Bij open bewegingen moeten we denken aan bewegingen die met name voorkomen in spelsporten. Bij deze sporten is de omgeving onvoorspelbaar. Bij gesloten bewegingen denken we aan sporten als schaatsen, zwemmen, schoonspringen. Bij deze sporten is de omgeving voorspelbaar en kan van tevoren een goede inschatting gemaakt worden hoe en waar de bewegingen uitgevoerd dienen te worden. Uit onderzoeken is gebleken dat videofeedback bij het aanleren van gesloten beweging het meeste effect heeft. KNZB 2007 Opleiding Trainer / Instructeur 3 6
3 Eigenschappen van de sporter Een sporter leert een beweging in drie fases: 3a. de cognitieve fase In de cognitieve fase vormt het kind zich op grond van instructie en voorbeelden van een trainer een globaal beeld van de beweging en onderneemt daarna met veel nadenken de eerste pogingen de beweging daadwerkelijk uit te voeren. In het zwemmen noemen we dit ook wel de aanleerfase. Videofeedback lijkt in deze fase nog niet zinvol. Het kind is waarschijnlijk nog niet in staat om de stortvloed aan video informatie op juiste manier te verwerken. Bovendien is in onderzoek aangetoond dat videofeedback bij kinderen tot 7 jaar zinloos is. In deze periode is het wel zeer zinvol om naar andere video of live beelden te kijken met het correcte voorbeeld. 3b. de associatieve fase In de associatieve fase krijgt de sporter een exacter beeld van de totale beweging en leert hij aandacht besteden aan alle afzonderlijke onderdelen in de zwemslag. Deze fase wordt ook wel de verbeter fase genoemd. In deze tweede fase blijkt feedback, en videofeedback in het bijzonder, van zeer groot belang. In onderzoek (Van Ingen Schenau 1986) is aangetoond dat informatie door middel van visuele beelden het effectiefst is. Belangrijk is wel dat vooral de positieve aspecten benadrukt worden en niet alleen de negatieve aspecten aan bod komen. 3c. de autonome fase In de autonome fase verloopt de beweging min of meer automatisch. De beweging is 'ingeslepen'. Bij het uitvoeren van de beweging wordt vaak niet meer bewust nagedacht. In deze fase kan videofeedback, op korte termijn, een verstorend karakter hebben. De sporter wordt weer gedwongen na te denken bij het uitvoeren van de beweging. Houterig en inefficiënt bewegen kan hiervan het gevolg zijn. Toch kan, op lange termijn, ook in deze fase door middel van videofeedback, techniekverbetering bewerkstelligd worden. In feite wordt de sporter door middel van de feedback gedwongen (tijdelijk) terug te gaan naar fase 2. Samenvattend is dus met name de associatieve fase bij uitstek geschikt voor videofeedback. Bij het toepassen in de autonome fase moet men rekening met een instabiele periode met soms een tijdelijke verslechtering van de techniek. In de eerste fase van het aanleren is videofeedback af te raden, maar is het tonen van andere videobeelden met het goede voorbeeld van grote waarde. 3d. de leerstijl Er zijn sporters met sterke en zwakke structureringstendentie. Structurereringstendentie is vermogen van iemand om structuur aan te brengen in een complexe beweging. Sporters die vanuit zichzelf al structuur aanbrengen in hun bewegingen zijn vanuit zichzelf al druk bezig met het analyseren van de diverse aspecten van de beweging. Sporters met een zwakke structureringstendentie zijn vaak alleen maar gefocused op het resultaat van de beweging. Deze laatste groep sporters kan geholpen door altijd eerst te vragen hoe de beweging aanvoelde, en dan aan de hand van videobeelden te controleren of dit gevoel juist is. Bij sporters met een sterke structureringstendentie is de effectiviteit van videofeedback het grootst. 3e. fysieke mogelijkheden Een trainer dient zich uiteraard altijd af te vragen of de sporter fysiek al in staat is de complexe beweging naar behoren uit te voeren. Het is bijvoorbeeld bekend dat jonge kinderen nog niet in staat met een armdoorhaal te maken met ideaal S patroon. Dit kost nog teveel kracht. KNZB 2007 Opleiding Trainer Wedstrijdzwemmen 3 7
4 De wijze van aanbieden 4a. het moment van aanbieden Videofeedback is het zinvolst als de feedback direct na de beweging gegeven wordt als het 'gevoel' van de beweging nog aanwezig is. Na het tonen en bespreken van de videobeelden is er enige tijd nodig om tot een nieuwe bewegingsplan te komen. Met andere woorden de sporter moet in zijn hoofd de opgedane indrukken verwerken alvorens weer een nieuwe poging te ondernemen. Alle andere vormen van videogebruik en videofeedback zijn minder effectief. Aandachtspunten: 1. Videofeedback is het meest zinvol als de beelden direct na de beweging getoond worden. Dit maakt werken met een individuele sporter of eventueel een klein groepje noodzakelijk. 2. Videobeelden van een hele groep na een training in het clubhuis tonen vinden sporters vaak zeer onplezierig. (ze kunnen geen verbetering aanbrengen. 3. Videobeelden van een vorige training tonen voorafgaand aan de volgende training lijkt zinvoller. Bij deze vorm van video gebruik kun je beter spreken van video forward in plaats van videofeedback. 4b. globaal of gedetailleerd In onderzoek is aangetoond dat videofeedback zonder commentaar van een trainer in minder dan 30% van de gevallen positief effect heeft. Als de videobeelden ondersteund worden met commentaar is in meer dan 60% van de gevallen videofeedback succesvol. Het commentaar van een trainer lijkt erg belangrijk om hij kan aangeven op welke aspecten van de beweging de aandacht gefocused dient te zijn. Een sporter alleen 'verzuipt' in de indrukken. Daarnaast is het van groot belang dat slechts een of hooguit twee aspecten van de beweging per keer worden behandeld. Als er op meerdere onderdelen in de beweging wordt geconcentreerd zal de verwarring bij de sporter alleen maar toenemen. 4c. gebruik van ideaal/voorbeeld model Veel positieve ervaringen zijn opgedaan met het vergelijken van een uitgevoerde beweging met die van een topper. Dit geldt vooral voor de minder ervaren sporter die op deze wijze zijn eigen tekortkomingen in techniek gemakkelijker kan constateren. Toch is het belangrijk om met het vergelijken van beelden enige voorzichtigheid in te bouwen. Sommige kinderen zullen door middel van het vergelijken gemotiveerd raken. Ze willen ook zo goed worden. Andere kinderen zullen misschien gedemotiveerd raken en denken dat ze die kloof nooit zullen dichten en gooien het bijltje erbij neer. 4d. de feedback frequentie Aan de ene kant weten we dat het tonen van videobeelden het verbeteren van de beweging positief beïnvloed. Aan de andere kant is het niet de bedoeling dat de sporter afhankelijk wordt van videofeedback en zijn intrinsieke feedback verwaardeloost. In de literatuur wordt aangegeven dat het waarschijnlijk het beste is als gedurende een langere periode van trainen op een beweging de frequentie van videofeedback dient af te nemen. Bij aanvang dient de frequentie hoog te zijn, naarmate het proces vordert moet de sporter een steeds groter beroep doen op zijn eigen intrinsieke feedback. 4e. slowmotion en stilstaand beeld Het gebruik van slowmotion en stilstaand beeld is in de trainingspraktijk niet weg te denken. In theorie kleven hieraan zowel voor als nadelen. Details zijn beter waarneembaar, maar essentiële informatie als ritme en snelheid van bewegen gaan verloren. Het lijkt verstandig slowmotion beelden en beelden op normale snelheid veel af te wisselen. KNZB 2007 Opleiding Trainer / Instructeur 3 8
5 Aanbevelingen voor de trainingspraktijk 1. Beschouw videofeedback niet als het middel ter verbetering van techniek. In combinatie met andere vormen van feedback komt videofeedback waarschijnlijk het best tot haar recht. 2. Staar niet teveel blind op het ideaal beeld. Kijk goed of de huidige manier van bewegen effectief is en kijk dan of het zinvol is aspecten te veranderen. Vergelijk met ideaal beeld kan in veel gevallen frustrerend werken. 3. Bij jonge en beginnende sporters heeft het geven van videofeedback geen zin. 4. Bij sporters van hoog niveau kan videofeedback zinvol zijn bij het perfectioneren van de techniek. Houdt wel rekening met een tijdelijke terugval. 5. Laat de sporter altijd eerst vertellen hoe hij de beweging zelf ervaarde/aanvoelde en toon daarna de videobeelden. 6. Wees er als trainer altijd van overtuigd dat de sporter de fysieke mogelijkheden heeft de beweging uit te voeren. 7. Biedt videofeedback snel na een poging aan, het gevoel van de beweging is dan nog aanwezig. 8. Geef videofeedback altijd over de laatst uitgevoerde poging. Het tonen van eerder uitgevoerde pogingen leidt slechts tot verwarring. 9. Vestig de aandacht op de belangrijke onderdelen van de beweging. En beperk de aandacht tot een of hooguit twee onderdelen. Vestig eerst de aandacht op wat niet goed. Praat in tweede instantie pas over adviezen hoe dit verbeterd kan worden. 10. Geef bij gevorderde sporters niet na ieder poging videofeedback, maar bijvoorbeeld na iedere derde poging. Op deze wijze wordt hij niet afhankelijk van videofeedback en blijft hij zijn eigen intrinsieke feedback systeem stimuleren. 11. Wissel slowmotion beelden en normale beelden veelvuldig af om niet het totaalbeeld uit het oog te verliezen. KNZB 2007 Opleiding Trainer Wedstrijdzwemmen 3 9