INLEIDING STERRENKUNDE 1A 2005

Vergelijkbare documenten
Hoe meten we STERAFSTANDEN?

Hoe meten we STERAFSTANDEN?

Inleiding Astrofysica Tentamen 2009/2010: antwoorden

Sterren en sterevolutie Edwin Mathlener

Tentamen Inleiding Astrofysica

Uitwerking Opgave Zonnestelsel 2005/2006: 1. 1 Het Zonnestelsel en de Zon. 1.1 Het Barycentrum van het Zonnestelsel

Inleiding Astrofysica College 2 15 september Ignas Snellen

Sterren en sterevolutie Edwin Mathlener

STERREN EN MELKWEGSTELSELS

Hertentamen Inleiding Astrofysica 19 December 2015,

STERREN EN MELKWEGSTELSELS

naarmate de afstand groter wordt zijn objecten met of grotere afmeting of grotere helderheid nodig als standard rod of standard candle

Tentamen Planetenstelsels met oplossingen 19 april 2012 Docent: Dr. Michiel Hogerheijde

Inleiding Astrofysica in 90 vragen en 18 formules Ignas Snellen, Universiteit Leiden, 2014

Inleiding Astrofysica College 3 10 oktober Ignas Snellen

Lichtkracht = flux (4π D 2 ) Massa = (snelheid) 2 (baanstraal) / G. Diameter = hoekdiameter D. (Temperatuur) 4 = lichtkracht / oppervlakte / σ

Sterstructuur. Wordt samengehouden door zwaartekracht

Inleiding Astrofysica

Stervorming. Scenario: Jonge sterren komen voor in groepen (vormen dus samen, tegelijkertijd) Jeans massa. Voorbeelden:

Inleiding Astrofysica college 6

Inleiding Astrofysica

Onze Zon is een doodgewone gele ster. Inleiding sterren. Energiebron: hydrostatisch evenwicht. De atmosfeer van de Zon

Astrofysica. Ontstaan En Levensloop Van Sterren

Opgave Zonnestelsel 2005/2006: 7. 7 Het viriaal theorema en de Jeans Massa: Stervorming. 7.1 Het viriaal theorema

TENTAMEN INLEIDING ASTROFYSICA WOENSDAG 14 DECEMBER,

Evolutie van sterren

8,3. Antwoorden door Dimitris 2178 woorden 15 december keer beoordeeld. Meten aan melkwegstelsels. Jim Blom en Dimitris Kariotis

Afstanden in de astrofysica

HERTENTAMEN PLANETENSTELSELS 13 JULI 2015,

STERREN EN MELKWEGSTELSELS

De Melkweg. - Sterverdeling - Structuur - Gas verdeling - Kinematica

De kosmische afstandsladder

Sterrenstof. OnzeWereld, Ons Heelal

Astronomische hulpmiddelen

sterren en sterevolutie

sterrenbeeld orion Het Sterrenbeeld orion

4. Maak een tekening:

Inleiding Astrofysica College 2 19 september

( ) ( r) Stralingstransport in een HI wolk. kunnen we dit herschrijven als: en voor een stralende HI wolk gezien tegen een achtergrondstralingsveld

Inleiding Astrofysica

STERREN EN MELKWEGSTELSELS

Inleiding Astrofysica college 5

Tentamen Inleiding Astrofysica 19 December 2016,

HC-7i&ii Exo-planeten. Wat houdt ons tegen om te geloven dat, net als onze zon, elke ster omringd is door planeten? Chr.

Het Heelal. N.G. Schultheiss

Prof.dr. A. Achterberg, IMAPP

Afstanden in de sterrenkunde

RIETVELD-LYCEUM. les 3. dd. 20 NOVEMBER 2012 HET ZONNESTELSEL NU. de compononenten. V.s.w. Corona Borealis, Zevenaar

Hoofdstuk 8. Samenvatting. 8.1 Sterren en sterrenhopen

De Melkweg. Schijfvormig stelsel van sterren en gas. Wij zitten in die schijf en zien daardoor een band aan de hemel

Opgave Zonnestelsel 2005/2006: 3

Formules voor Natuurkunde Alle formules die je moet kennen voor de toets. Eventuele naam of uitleg

13 Zonnestelsel en heelal

Inleiding Astrofysica

Gravitatie en Kosmologie

Overzicht. Vandaag: Frank Verbunt Het heelal Nijmegen 2014

Neutrinos sneller dan het licht?

Keuzeopdracht natuurkunde voor 5/6vwo

Hertzsprung-Russell diagram van open sterrenhopen. Hendrik Vandenbruaene Volkssterrenwacht Beisbroek Feb 2011

Eindpunt van een ster Project voor: middelbare scholieren (profielwerkstuk) Moeilijkheidsgraad: Categorie: Het verre heelal Tijdsinvestering: 80 uur

Newtoniaanse kosmologie 4

Ik doe mijn spreekbeurt over de ruimte omdat ik het een interessant onderwerp vind en ik er graag meer over wilde weten.

Frequentie = aantal golven per seconde op gegeven plek = v/λ = ν. Golflengte x frequentie = golfsnelheid

Eindexamen natuurkunde vwo I

Eindexamen natuurkunde 1-2 vwo I

natuurkunde havo 2018-I

Sterrenstelsels. prof.dr. Paul Groot Afdeling Sterrenkunde, IMAPP Radboud Universiteit Nijmegen

WELKOM! Inleiding Astrofysica College 1 7 september Ignas Snellen

Je weet dat hoe verder je van een lamp verwijderd bent hoe minder licht je ontvangt. Een

Ruud Visser Postdoc, Sterrewacht Leiden

Sterrenkundig Practicum 2 3 maart Proef 3, deel1: De massa van het zwarte gat in M87

HOVO cursus Kosmologie

Uitwerking Tentamen Klassieke Mechanica I Dinsdag 10 juni 2003

7 College 01/12: Electrische velden, Wet van Gauss

Tentamen Mechanica ( )

Uitwerkingen van het Tentamen Moleculaire Simulaties - 8C Januari uur

tentamen stromingsleer (wb1225), Faculteit 3mE, TU Delft, 28 juni 2011, u

Wetenschappelijke Nascholing Deel 3: En wat met de overige 96%?

De levensloop van sterren.

Werkstuk Natuurkunde Negen planeten

4900 snelheid = = 50 m/s Grootheden en eenheden. Havo 4 Hoofdstuk 1 Uitwerkingen

Transcriptie:

INLEIDING STERRENKUNDE 1A 2005 WERKCOLLEGE 1 1. Een beetje historie... a. Omtrek aarde = 360/7 800km, dus straal is factor 2π kleiner, ofwel 6550 km b. Straal maan is 6550/3 = 2180 km c. Hoekdiam(zon) = hoekdiam(maan), maar zon factor tan 87 = 20 verder, dus straal zon ongeveer 7 keer straal aarde d. Goed, behalve diam. zon, doordat meting maan aarde zon onjuist/ondoenlijk was 2. Schijngestalten van Venus a. Wassend, want oostwaarts na inferior conjunction b. 1AE sin 47 = 0.73AE 3. Afstand tot Mars Uit schets volgt meteen dat 1.14 Marsjaar gelijk is aan 2.14 aardjaren, dus een Marsjaar is 1.88 aardjaren. Van de zon aarde Mars die de situatie tijdens twee opeenvolgende opposities beschrijft zijn twee hoeken te meten, en is een zijde (1 AE) bekend. De afstand zon Mars is dan te berekenen. 4. Tijdsrekening a. t = 25m09s later, plus 1 uur tijdsverschil b. 90 53.128333 14.300333 = 22 34 17 c. positie NL in tijdzone, en tijdsvereffening (equation of time) d. 60 18 40 5. Parallax van de maan Pas de cosinusregel toe in Berlijn Kaapstad aardcentrum, en bezie Berlijn Kaapstadmaan. Dan volgt een afstand van bijna 500 duizend km (hetgeen ongeveer 25% meer dan de echte waarde is). 6. Massamiddelpunt aarde-zon systeem a. volgt uit F 1 = F 2 b. 4.5 10 5 m c. volgt, met gebruik van P = 2πr/v 7. Wetten van Kepler a. v(apohelium) = 3.87 10 4 m/sec; v(perihelium) = 5.90 10 4 m/sec b. product v r bijna identiek 2.8 10 15 c. P = 7.6 10 6 sec; bepaal k door gebruik te maken van gegevens aarde d. massa(zon) massa(planeten), dus laatste verwaarloosbaar

WERKCOLLEGE 2 1. Getijdenwerking a. a(zon) = 5.93 10 3 m sec 2 ; a(maan) = 3.21 10 5 m sec 2 b. bij nieuwe en volle maan 2. Planeetatmosferen a. volgt meteen uit gelijkstellen van snelheden b. de rms snelheden van He en H 2 O zijn zodanig dat alleen die van H 2 O onder de ontsnappingssnelheid van de aarde ligt b. massa s en temperaturen! 3. Jupiter a. voor de combinaties Jupiter met Io, Europa, Ganymedes en Callisto volgen resp. 1.90 10 18 kg, 1.90 10 18 kg, 1.90 10 18 kg en 1.753 10 18 kg b. onnauwkeurigheden in de tabel: drie significante cijfers impliceren precisie van 10 15 kg; maanmassa s spelen dus geen rol c. Callisto: vier significante cijfers 4. Roche-limiet a. herschrijven van het criterium en d oplossen b. 1.84 r Jup c. binnen Roche-limiet! 5. Hoekmoment zonnestelsel a. v = 2πr/P, en er volgt dat het baan-hoekmoment van de aarde en Jupiter resp. 2.66 10 40 kg m 2 /sec en 1.93 10 43 kg m 2 /sec bedragen b. het intrinsieke hoekmoment van Jupiter bedraagt 6.82 10 38 kg m 2 /sec c. L(zon) = 1.11 10 38 kg m 2 /sec d. Zon en gasplaneten samen geven 3 10 43 kg m 2 /sec e. 3 10 50 g cm 2 /sec is slechts een orde van grootte kleiner dan de PPD 6. Interplanetair stof en PPDs a. per jaar 3 10 9 kg stofmateriaal b. dus 50% in 10 15 jaar c. per jaar 5 10 17 kg, dus 50% in zes miljoen jaar! d. diam(schijf) = 1240 AE

WERKCOLLEGE 3 1. Ruimtehoeken Ω = A/D 2, ofwel 5 10 6 sr, voor maan zowel als zon, en dat wisten we natuurlijk al uit het feit dat er zonsverduisteringen zijn 2. Wet van Planck a. e-macht 1 enz... b. 1 + x 1 = x enz... c. λ max = 501 nanometer (oranje) d. I ν = 2.4 10 8 J sec 1 m 2 sr 1 Hz 1 e. met RJ-benadering volgt 1.6 10 9 f. bij 150 µm, in het ver-ir 3. Parallax a. d = (π ) 1 pc = 1.49 pc b. d = 1 kpc c. vol. = 4/3 π d 3, dus n = 4.2 10 8 sterren 4. Magnituden, helderheden a. d = 182 pc (gebruik definitie van absol.magn.) b. d = 242 pc, dus Rigel en Betelgeuze horen fysiek niet bij elkaar c. m tot = 1.4 (niet magnituden maar intensiteiten optellen!) d. 5.4 keer helderder in V, dus ook meer rood e. F(Betelgeuze) = 3.1 10 8 W m 2 (lichtkracht uit bol.magn.) f. L = 4πD 2.1370 = 3.85 10 26 watt g. 9.7 10 13 W m 2 h. 7.5 10 11 m = 1076 R i. Met Stefan-Boltzmann volgt 2350K voor de effectieve fotosferische temperatuur j. verschuivingswet van Wien geeft nabij-ir, bij 1.3 µm

WERKCOLLEGE 4 1. Optische diepte Uit definitie volgt: exp( τ) = 0.75, ofwel τ = 29% 2. Spectra a. Diepe H-lijnen. duidelijke He-lijnen, en weinig metaallijnen = O-ster b. Verschil in absol. magnituden is 15 hetgeen (Stefan-Boltzmann) een straal 113R impliceert 3. Dubbelsterren a. 1.1 en 10M b. m 2 = M 2 = 4.8, en m = 2.5, dus L 1 = 9 L c. Uit lichtkromme volgt: R 1 0.27 en R 2 0.81R d. M.b.v. Stefan-Boltmann volgen de effectieve temperaturen 3.46 en 1.15T e. Diepe minimum. 4. Sterevolutie a. Hoofdreeks wordt geleidelijk korter, door korte levensduur van de zware sterren b. Afbuigpunten bij ruwweg 2000 vs. 2 L, dus factor duizend verschil en dat impliceert factor 7.9 voor de massa en factor 125 voor de leeftijden: de tweede sterhoop is dus 3.8 miljard jaar oud. c. (Fotometrische parallax, m.b.v. hoofdreeksfitting) Uit de tabel volgt dat een hoofdreeksster met B V = 0.6 een absolute visuele magnitude van 4.4 heeft. In de Pleiaden hebben deze sterren een schijnbare magnitude van 10.5. Hun afstand is dus ongeveer 160 parsec.

WERKCOLLEGE 5 1. Sterevolutie (vervolg) a.... b. zwaartekracht op oppervlak van binnenbol c. massa/inhoud d. T oplossen uit ideale gaswet e. de onder d) afgeleide formule levert ruwweg vijf miljoen graden f. niet heet genoeg voor CNO, dus p-p cyclus domineert g. P R (dus reus) T (roder) (n.b. HRD heeft foute T-richting!) h. R en T uitdrukken in M levert de massa-lichtkracht relatie i. r loopt van het centrum naar buiten, dus T(r) is de centrale temperatuur; via de ruwe benadering volgt L = 5 10 25 J/sec, en dat verschilt niet eens zoveel van de gemeten waarde j. 2 10 44 J k. ruwweg tien miljard jaar

WERKCOLLEGE 6 1. Witte dwergen a. volgt vanzelf, met µ = 12/7 (7 deeltjes = 1 kern en 6 electronen) b. integreren van de formule levert een huidige temperatuur van ongeveer 750 K c. De verschuivingswet van Wien geeft 3.9µm 2. Planetaire nevels en supernovae a. 4.0 10 37 J b. 1.6 10 43 J c. t = E/L, waaruit 1.3 miljard jaar volgt d. 7.9 10 10 L da s ongeveer evenveel als een heel sterrenstelsel! 3. Pulsars a. door de lichtreistijd is de Krabnevel 7.3 keer ouder dan wij deze waarnemen b. 6.8 10 14 sec/sec c. ongeveer 5800 jaar