Opgave: Deeltjesversnellers



Vergelijkbare documenten
NATUURKUNDE 8 29/04/2011 KLAS 5 INHAALPROEFWERK HOOFDSTUK

Hoofdstuk 6: Elektromagnetisme

Hoofdstuk 12 Elektrische velden. Gemaakt als toevoeging op methode Natuurkunde Overal

1 Overzicht theorievragen

Fysica. Een lichtstraal gaat van middenstof A via middenstof B naar middenstof C. De stralengang van de lichtstraal is aangegeven in de figuur.

Begripsvragen: Elektrisch veld

oefen vt vwo5 h6 Elektromagnetisme Opgaven en uitwerkingen vind je op Oefen vt vwo5 h6 Elektromagnetisme Opgave 1.

NATUURKUNDE KLAS 5. PROEFWERK H8 JUNI 2010 Gebruik eigen rekenmachine en BINAS toegestaan. Totaal 29 p

Elektro-magnetisme Q B Q A

TENTAMEN NATUURKUNDE

Mkv Magnetisme. Vraag 1 Twee lange, rechte stroomvoerende geleiders zijn opgehangen in hetzelfde verticale vlak, op een afstand d van elkaar.

Deze toets bestaat uit 3 opgaven (34 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes!

Extra College; Technieken, Instrumenten en Concepten

Tentamen Fysica: Elektriciteit en Magnetisme (MNW)

Opgave 1 Waterstofkernen

7 College 01/12: Electrische velden, Wet van Gauss

OOFDSTUK 8 9/1/2009. Deze toets bestaat uit 3 opgaven (31 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes!

Hoofdstuk 12 Elektrische velden. Gemaakt als toevoeging op methode Natuurkunde Overal

Herhalingsopgaven 6e jaar

H3: Deeltjesversneller: LHC in CERN

Q l = 23ste Vlaamse Fysica Olympiade. R s. ρ water = 1, kg/m 3 ( ϑ = 4 C ) Eerste ronde - 23ste Vlaamse Fysica Olympiade 1

Condensator. Het hellingsgetal a is constant. Dit hellingsgetal noemen we de capaciteit van de condensator C. Er geldt dus: C = Q U

J. Uitwerking E = V/d = 2 / ( ) = V/m

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Elektrostatica. 25 juli dr. Brenda Casteleyn

Als de trapper in de stand van figuur 1 staat, oefent de voet de in figuur 2 aangegeven verticale kracht uit op het rechter pedaal.

Hoe merkt een geladen deeltje dat er een tweede geladen deeltje in de buurt is als de twee deeltjes elkaar niet aanraken?

. Vermeld je naam op elke pagina.

TENTAMEN NATUURKUNDE

Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5

Eindexamen natuurkunde vwo II

m C Trillingen Harmonische trilling Wiskundig intermezzo

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Vrijdag 27 mei totale examentijd 3 uur

Deze Informatie is gratis en mag op geen enkele wijze tegen betaling aangeboden worden. Vraag 1

1. Langere vraag over de theorie

J De centrale draait (met de gegevens) gedurende één jaar. Het gemiddelde vermogen van de centrale kan dan berekend worden:

Trillingen. Welke gegevens heb je nodig om dit diagram exact te kunnen tekenen?

Naam: Klas: Repetitie Golven VWO (versie A) Opgave 2 Leg uit wat het verschil is tussen een transversale golf en een longitudinale golf.

1. Een karretje op een rail

Uitwerking examen Natuurkunde1,2 HAVO 2007 (1 e tijdvak)


Large Hadron Collider. Werkbladen. HiSPARC. 1 Inleiding. 2 Voorkennis. 3 Opgaven atoombouw. C.G.N. van Veen

VLAKKE PLAATCONDENSATOR

Condensator. Het hellingsgetal a is constant. Dit hellingsgetal noemen we de capaciteit van de condensator C. Er geldt dus: C = Q U

jaar: 1989 nummer: 25

UITWERKINGEN OEFENVRAAGSTUKKEN 5 HAVO. natuurkunde

Eindronde Natuurkunde Olympiade 2014 theorietoets deel 1

toelatingsexamen-geneeskunde.be

Tentamen Fysica: Elektriciteit en Magnetisme (MNW en SBI)

Eindexamen natuurkunde 1-2 havo 2005-II

o a. onveranderd blijven o b. verdubbelen tot -360 kv. o c. stijgen tot een waarde van OV. o d. positief worden tot een waarde van 720 kv.

Opgave 1 Nieuw element Vwo Natuurkunde 1, I. Opgave 3

Eindexamen vwo natuurkunde 2013-I

Op basis van de tweede wet van Newton kan onderstaand verband worden afgeleid. F = m a = m Δv Δt

Naam: Klas: Toets Eenvoudige interferentie- en diffractiepatronen VWO (versie A)

Vak: Elektromagnetisme ELK Docent: ir. P.den Ouden nov 2005

Eindexamen natuurkunde pilot vwo I

Oplossing examenoefening 2 :

Juli blauw Vraag 1. Fysica

Opgave 1 Onder de uitwijking verstaan we de verschuiving ten opzichte van de evenwichtsstand.

Tentamen Natuurkunde I Herkansing uur uur donderdag 7 juli 2005 Docent Drs.J.B. Vrijdaghs

Examen VWO. natuurkunde. tijdvak 2 woensdag 20 juni uur. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

T HEORIE a FYSICA c i s Fy

Eindronde Natuurkunde Olympiade 2015 theorietoets deel 1

Grootste examentrainer en huiswerkbegeleider van Nederland. Natuurkunde. Trainingsmateriaal. De slimste bijbaan van Nederland! lyceo.

Tentamen Natuurkunde 1A uur uur vrijdag 14 januari 2011 docent drs.j.b. Vrijdaghs

Oplossing oefeningen. Deel 1: Elektriciteit

-Zoek de eventuele benodigde gegevens op in het tabellenboek. -De moeilijkere opgaven hebben een rood opgavenummer.

Eindronde Natuurkunde Olympiade 2018 theorietoets deel 1

Schriftelijk examen 2e Ba Biologie Fysica: elektromagnetisme

Woensdag 21 mei, uur

Hoofdstuk 8 Elektrostatica

Statistiek voor Natuurkunde Opgavenserie 4: Lineaire regressie

Augustus blauw Fysica Vraag 1

Augustus geel Fysica Vraag 1

Een model voor een lift

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME (8N010)

Eindexamen natuurkunde 1-2 vwo 2005-I

Opgave 1. Voor de grootte van de magnetische veldsterkte in de spoel geldt: = l

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME (8N010)

Hoofdstuk 8 Elektrostatica

NATUURKUNDE. Figuur 1

Opgave 5 Een verwarmingselement heeft een weerstand van 14,0 Ω en is opgenomen in de schakeling van figuur 3.

Hoofdstuk 27 Magnetisme. Copyright 2009 Pearson Education, Inc.

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Elektrostatica. 4 november Brenda Casteleyn, PhD

H2: Het standaardmodel

Eindexamen natuurkunde pilot vwo I

Trillingen... 2 Harmonische trilling... 3 Opgave: Bol aan veer II... 5

Woensdag 24 mei, uur

formules havo natuurkunde

Juli geel Fysica Vraag 1

Eindexamen natuurkunde 1-2 havo 2003-II

Eindexamen natuurkunde compex vwo I

Eindexamen vwo natuurkunde pilot II

Eindexamen natuurkunde 1 vwo 2004-I

Transcriptie:

Opgave: Deeltjesversnellers a) Een proton is een positief geladen en wordt dus versneld in de richting van afnemende potentiaal. Op het tijdstip t1 is VA - VB negatief, dat betekent dat de potentiaal van buis 2 kleiner is dan de potentiaal van buis 1. Het proton wordt dus tijdens de oversteek van buis 1 naar buis 2 versneld. b) Zie c). c) Een lineaire versneller is zodanig gemaakt dat het proton zich gedurende de tijd dat de opvolgende buis een lagere potentaal heeft in de opening tussen de buizen bevindt en gedurende de tijd dat de opvolgende buis een hogere potentiaal heeft in de buis bevindt. Dat betekent dat het proton zich gedurende een halve trillingstijd van de wisselspanning in de buis en gedurende een halve trillingstijd van de wisselspanning tussen de buizen bevindt. Op deze wijze wordt het proton enkele en alleen versneld en nooit vertraagd. Dit betekent dat het proton zich om de halve trillingstijd van de wisselspanning precies tussen twee opeenvolgende buizen bevindt, hetgeen tot onderstaand resultaat leidt. d) Het proton dient zich gedurende de halve periode van de wisselspanning in de buis te bevinden om te voorkomen dat het vertraagd wordt in plaats van versneld. Daar het proton van de ene naar de andere buis versneld wordt gaat het steeds sneller door de opeenvolgende buizen. Bij gelijke tijd een grotere snelheid betekent dat het proton een grotere afstand aflegt gedurende zo n halve periode en dus moeten de opeenvolgende buizen steeds langer zijn. e) Als het proton in een buis is bevindt het zich in een geleider. In een geleider is het elektrische veld 0 N/C (de potentiaal is overal op de buis gelijk, dus geen elektrisch veld). Daarmee werkt er geen resulterende kracht op het proton en beweegt het met een constante snelheid. f) Als het proton het vijfde buisje doorloopt is het vier keer versneld. ΔE ୩ = 4 q U ½ m v ଶ = 4 q U m = 1,66 10 ଶ kg q = 1,602 10 ଵଽ C U = 1,5 10 ଷ V v = 1,1 10 m/s 1/6

g) In de buis beweegt het proton eenparig rechtlijnig dus er geldt: l = s = v t v = 1,1 10 m/s t = ½ T = ½ 1 f = ½ 1 2,0 10 = 2,5 10 s l = 0,27 m h) Zowel het proton als de effectieve lading kunnen worden beschouwd als een puntlading, dus kan de wet van Coulomb worden toegepast. Er geldt: 1) F = m a = 1,66 10 ଶ a 2) F = F = f q ଵ q ଶ r ଶ (F F ) f = 8,98755 10 ଽ Nm ଶ /C ଶ q ଵ = 1,602 10 ଵଽ C q ଶ = 99 1,602 10 ଵଽ = 1,586 10 ଵଽ C r = 0,5 10 ଷ m F = 9,136 10 ଶ N a = 5,5 10 m/s ଶ i) Deze beweging bestaat uit twee delen. Horizontaal voert het proton een eenparige beweging uit en verticaal een eenparig versnelde beweging. Er geldt: Horizontaal 1) s = v t 2) v = constant 3) a = 0 m/s ଶ Verticaal 1) s = ½ a t ଶ 2) v = a t 3) a = constant 1) 5,0 = 1,08 10 t t = 4,65 10 s 2) v = 1,08 10 m/s 3) a = 0 m/s ଶ 1) s = ½ 5,50 10 (4,65 10 ) ଶ s = 5,9 10 ସ m = 0,59 mm De afstand tot de middenlijn van de protonenpuls bedraagt dan 0,50 +0,59 = 1,09 mm. Daarmee zou de bundel dus na 5,0 m afgelegde weg ongeveer twee keer zo breed zijn. j) In werkelijkheid neemt de afstand tot de overige protonen toe waardoor de afstotende kracht afneemt gedurende de vlucht. Bovenstaand antwoord is daarmee dus een overschatting. 2/6

k) De richting van de lorentzkracht volgt uit de linkerhandregel. In het middelste punt werkt geen lorentzkracht omdat daar op basis van symmetrie de magnetische inductie gelijk is aan 0 T. Zie nevenstaande afbeelding. l) De eerste lens drukt de bundel samen in de ene richting en verbreedt de bundel in de loodrecht daarop staande richting. Omdat de magnetische inductie rechtevenredig is met de afstand tot de middenlijn van de puls zal de tweede lens het verbrede stuk met grotere kracht weer samendrukken en het smalle stuk slechts met kleine kracht weer verbreden. Deze beide effecten samen resulteren in een netto smallere bundel. In het filmpje onder onderstaande link is een simulatie te zien van de werking van twee achter elkaar geplaatste quadrupolen. https://www.youtube.com/watch?v=eltekxjxsky m) De werking van de lens is gebaseerd op de lorentzkracht. Deze is rechtevenredig met de snelheid van de deeltjes. De werking van de lens wordt krachtiger naarmate de snelheid van de bundel groter is. 3/6

Opgave: Cyclotron a) De lorentzkracht, de magnetische inductie en de relevante snelheidscomponent staan altijd loodrecht op elkaar. De resulterende kracht in de x-richting is dus gekoppeld aan de y-component van de snelheid en vice versa. Daarnaast moet je goed opletten wat betreft het teken. Een en ander resulteert in onderstaande twee redelijk eenvoudige rekenregels. b) In het model wordt de lorentzkracht als resulterende kracht gebruikt als abs(x)>spleet. Dat betekent voor x-waarden van spleet tot +spleet oftewel van -0,05 m tot +0,05 m. Daarmee is de spleet dus 10 cm breed. 4/6

VWO c) Voor de resulterende kracht in de versnelspleet geldt: U F = F ή ή൬ ൰ 2 spleet Let ook hier weer op het teken van de resulterende kracht. Een en ander resulteert in onderstaand model. d) Bij een vaste frequentie voor de blokspanning zou niet alleen de tijd die het proton over de cirkelbaan doet constant moeten zijn maar ook de tijd die het proton erover doet om de versnelspleet te overbruggen. Dit laatste is niet het geval. De tijd die het proton nodig heeft om de verspleet te overbruggen is niet constant. De versnelspleet is in de praktijk dan ook veel smaller zodat de tijd die het proton nodig heeft om de versnelspleet te overbruggen verwaarloosbaar klein is ten opzichte van de trillingstijd van de blokspanning. e) Je kunt de spleet niet willekeurig klein maken omdat er altijd een zekere doorslagspanning is waarbij er ontlading van de beide trommelhelften optreedt. In ultrahoogvacuümopstelling is deze ongeveer 1,5 kv/mm. f) Bij hoge snelheden neemt de relativistische massa toe waardoor de tijd die het proton nodig heeft voor een halve cirkelbaan groter wordt. De frequentie voor de blokspanning zou dan dus bij toenemende snelheid kleiner moeten worden om dit effect te compenseren. 5/6

g) Voor de relativistische kinetische energie geldt: E ୩ = (γ 1) m c ଶ E ୩ = 40,0 MeV = 6,41 10 ଵଶ J m = 1,67 10 ଶ kg c = 2,9979 10 m/s γ = 1,04 6/6