Taalhandelingen (speech acts) Discourse-analyse Rick Nouwen 1 De oorsprong van taalhandelingen Logisch-positivisme: nadruk op zinnen die een waarheidswaarde hebben. Vanaf Wittgenstein II: nadruk op alle talige uitingen, ook die zonder duidelijke waarheidswaarde. Mijlpaal: John Austin s studie van wat uitingen kunnen doen. (How to do things with words). In de semantiek staan van oudsher typisch asserties centraal: uitingen die een bepaalde stelling verkondigen, waarvan de spreker hoopt dat de hoorder m accepteert. (1) Jan is ziek. Dit soort uitingen zijn waar of onwaar (we negeren even de rol van presupposities daarin). Van andere uitingen heeft het geen zin om te zeggen dat ze een waarheidswaarde hebben: (2) a. Goeiemorgen! b. Wow! c. Is Jan ziek? d. Ik doop dit schip QE2. Austin begint met het aannemen dat het verschil tussen (1) en (2) een verschil tussen twee typen uitingen weerspiegelt: (3) a. Constatieven (contatives, bijvoorbeeld (1)): (i): uitingen die iets meedelen (ii): uitingen die waar of onwaar zijn b. Performatieven (performatives, bijvoorbeeld (2)): (i): uitingen die iets doen (ii): uitingen die felicitous ( deugdelijk ) of infelicitous zijn (4) Jan is ziek is waar dan en slechts dan als Jan ziek is. (5) Ik doop dit schip QE2 is felicitous dan en slechts dan als... 1
Voorbeeld: (6) de spreker is een toevallige voorbijganger die een fles tegen een schip gooit a. Ik doop dit schip QE2 is infelicitous b. De voorbijganger doopte het schip is onwaar Performatieven hebben dus als eigenschap dat ze infelicitous kunnen zijn, maar niet onwaar. 1.1. Wat kan er mis gaan met performatieven? Austin klassificeert de manieren waarop een uiting infelicitous kan worden (7) Misinvocation: de daad die met de performatief gedaan wordt is niet toegestaan a. een niet-bevoegd persoon verklaart twee mensen man en vrouw b. een niet-bevoegd persoon doopt een schip (8) Misexecution: de daad die met de performatief gedaan wordt gaat niet door doordat er een fout is opgetreden a. een bevoegd persoon verklaart twee mensen man en vrouw, maar leest de verkeerde namen op (vgl met een toverspreuk) b. een bevoegd persoon doopt een schip maar gooit de fles champagne per ongeluk tegen het verkeerde schip (9) Abuse: de daad die met de performatief gedaan wordt wordt niet op de juiste manier ondersteund met gedachtes/gevoelens a. iemand belooft iets zonder oprecht te zijn b. iemand biedt zijn excuses aan zonder oprecht te zijn 1.2. Expliciete en impliciete performatieven Expliciete performatieven zijn uitingen die vanwege een heel specifieke vorm, met name de aanwezigheid van een performatief werkwoord, als een bepaalde taalhandeling worden opgevat. Je herkent ze doordat je er hierbij in kunt zetten: (10) a. Ik beloof je (hierbij) dat ik nooit meer zal vloeken. belofte b. Ik beveel je (hierbij) te gaan staan. bevel c. Ik veroordeel je (hierbij) tot 3 maanden gevangenisstraf vonnis Vergelijk met de impliciete vormen: (11) a. Ik zal nooit meer vloeken. belofte b. Je gaat nu staan! bevel Vergelijk ook met andere werkwoorden: (12) *Ik heb je hierbij lief. 2
De vorm van expliciete taalhandelingen is erg specifiek: 1e persoon, tegenwoordige tijd. (13) a. Ik beloofde je (*hierbij) dat ik nooit meer zou vloeken. *belofte b. Hij belooft je (*hierbij) dat hij nooit meer zou vloeken. *belofte 2 Poging to reductie: performatieven als asserties Wat als perfomatieven nu gewoon waarheids-conditioneel zijn? (14) Veelgeopperde theorie: expliciete performatieven zijn asserties die zichzelf waar maken. (bijvoorbeeld: Bach & Harnish, 1979, Linguistic communication and speech acts, MIT Press) Dit soort theorieën proberen het probleem op te lossen dat als volgt kan worden samengevat: (15) Saying so, makes it so (16) Met Ik beloof X doet de spreker automatisch een belofte Bach/Harnish: (17) Ik beveel je te gaan staan. a. De spreker zegt Ik beveel je te gaan staan b. Hij verklaart dat hij me beveelt te gaan staan c. Als die verklaring waar is, dan zal het zo zijn dat hij me beveelt te gaan staan d. Als hij daadwerkelijk me beveelt te gaan staan, dan zal het deze uiting zijn die dat bevel vormt, want wat zou anders het bevel vormen? e. De spreker spreekt waarschijnlijk de waarheid f. Het volgt dat door te verklaren dat hij me beveelt te gaan staan, hij me beveelt te gaan staan. Wat doe je dan met impliciete performatives? Je hebt dan wel de performative hypothesis nodig: 2.1. Performative hypothesis (18) The performative hypothesis: every sentence contains as its highest clause a performative verb in the simple present tense with a 1st person singular subject. (19) Ik zal nooit meer vloeken. [ Ik beloof dat [ ik nooit meer zal vloeken ] ] (20) Ik beloof dat ik nooit meer zal vloeken [ Ik beloof dat [ ik nooit meer zal vloeken ] ] (21) Ik beloofde dat ik nooit meer zou vloeken [ Ik beweer dat [ ik beloofde dat ik nooit meer zou vloeken ] ] 3
Suggestieve data (22) a. John said that the house was built by Peter and himself. b. *The house was built by Peter and himself. (23) The house was built by Peter and myself. (24) [ I assert that [ the house was built by Peter and myself ] ] 2.2. Problemen voor de performative hypothesis De performatieve hypothese is onmogelijk vol te houden. Er zijn vele complicaties. Bespreek de performatieve hypothese m.b.t. wat je weet over woordvolgorde in het Nederlands De relatie tussen de performatieve formule en zinstypen is onduidelijk: (25) Is Rome de hoofdstad van Italie? (26) Ga staan! [ Ik vraag je of [ Rome de hoofdstad van Italie is ] ] [ Ik beveel je [ te gaan staan ] ] Ontbrekende performatieve werkwoorden: (27) a. Je bent een trut belediging b. *Ik beledig je (hierbij) dat je een trut bent. (28) a. Ik ga je vermoorden bedreiging b. *Ik bedreig je dat ik je ga vermoorden. (29) *Ik ontsla je. 2.3. Meer problemen voor saying so makes it so Grootste probleem heeft te maken met waarheidscondities. De voorspelling is dat (30-a) en (30-b) dezelfde waarheidscondities hebben (want ze hebben dezelfde onderliggende vorm). Maar dit is duidelijk niet het geval. (30) a. Ik verklaar dat de wereld plat is. b. De wereld is plat. Saying so, makes it so gaat niet altijd op: (31) [de spreker spreekt zo zachtjes dat niemand hem hoort:] Ik wed je voor 100 euro dat ik de race win *weddenschap 4
2.4. Constatieven Austin zelf verlaat het performatief/constatief-onderscheid al vrij snel in zijn lezingen. Hij komt tot de conclusie dat constatieven ook performatief moeten zijn. Hier wat redenen: 1. Constatieven kunnen ook infelicitous zijn. Een uiting van (32) is alleen een assertie als de spreker ook echt gelooft dat de aarde plat is. (32) De aarde is plat. Als de spreker dit niet gelooft krijg je een vorm van abuse. 2. Volgens Austin zou je presupposition failure als misinvocation kunnen classificeren. (de daad die met de performatief gedaan wordt is niet toegestaan). (33) De koning van Frankrijk is kaal. 3. Misexecution: De spreker verpreekt zich en zegt rat in plaats van kat. (34) De rat zit op de mat. 3 Locutionary, illocutionary en perlocutionary force Austin concludeerde dat het niet behulpzaam is om constatieven van performatieven te onderscheiden en dat we een algemene theorie willen over wat we met woorden doen. Hij stelt een theorie voor die ervan uitgaat dat elke uiting met drie soorten daden geassocieerd is. Deze driedeling geeft aan welke dingen gebeuren als we zinnen uiten, het maakt geen onderscheid tussen soorten uitingen. (35) a. Locutionary act: the act of saying something b. Illocutionary act: the act done in saying something c. Perlocutionary act: the act done by saying something 3.1. Locutionary act De locutionary act die bij een uiting hoort is de combinatie van alle talige processen fonetisch, fonologisch, morfologisch, syntactisch, semantisch en pragmatisch die gezamelijk leiden tot de productie van een betekenisvolle expressie. 3.2. Illocutionary acts De illocutionary act is de daad die met het uiten gedaan wordt. (36) a. Jan is ziek illocutionary act: assertie b. Doe je het raam dicht? illocutionary act: verzoek Acties als assertie, verzoek, bevel, etc. worden ook vaak de illocutionary force van een uiting genoemd. Ook gebruiken we simpelweg de term taalhandelingen voor deze acties. 5
3.3. Perlocutionary acts De perlocutionary act geeft weer wat het effect is van de uiting op de omgeving (in het bijzonder op de hoorder). Perlocution gaat over de zij-effecten van uitingen. Voorbeelden: (37) a. mensen refereren voortaan naar het schip als QE2 b. mensen beschouwen twee personen voortaan als echtpaar c. de hoorder verwacht dat de spreker nooit meer vloekt d. de hoorder voelt zich verplicht te gaan staan 3.4. Austin s voorbeelden (38) Shoot her! a. locution: de spreker zegt shoot her waar shoot verwijst naar schieten en her verwijst naar X. b. illocution: de spreker beveelt X neer te schieten c. perlocution: de hoorder voelt zich verplicht X neer te schieten en dientengevolge schiet de hoorder X neer (39) You can t do that. a. locution: de spreker zegt you can t do that waar you verwijst naar de hoorder en that verwijst naar X b. illocution: de spreker protesteert tegen mijn actie X c. perlocution: de spreker overtuigt de hoorder ervan X voortaan niet meer te doen 4 De filosofie van John Searle Searle zoekt naar een nauwe band tussen specifieke taalhandelingen en de omstandigheden waaronder deze felicitous zijn. Een bepaalde taalhandeling verrichten is onlosmakelijk verbonden aan het je houden aan conventionele regels. (Zie boek voor details.) Searle neemt aan dat het doen van een taalhandeling het volgen van conventionele regels inhoudt. 4.1. Voorbeeld: belofte dat p (40) a. propositional content rule: de propositie p gaat over een toekomstige daad/actie A van de spreker b. prepatory rule: de hoorder heeft liever dat de spreker A doet dan dat de spreker niet A doet c. sincerity rule: de spreker heeft de intentie A te doen d. essential rule: de uiting telt als een wijze om te zorgen dat de spreker nu vastlegt dat hij de intentie heeft om A te doen (41) Ik zal nooit meer vloeken a. p = de spreker vloekt nooit meer b. A = de spreker zorgt ervoor dat hij nooit vloekt 6
4.2. Voorbeeld: assertie dat p (42) a. propositional rule: p is een propositie b. prepatory rule: de spreker heeft bewijs voor p c. sincerity rule: de spreker gelooft p d. essential rule: de uiting telt als een wijze om te zorgen dat de spreker waarborgt dat p waar is 5 Indirect speech acts (43) a. Je bent lief. declaratief b. Ben je lief? vraagzin c. Wees lief! imperatief Het ligt voor de hand dat deze zinstypen geassocieerd zijn met typische illocutionary acts (44) a. declaratieve zinnen assertie / verklaring b. vraagzinnen vraag c. imperatief bevel / verzoek Directe taalhandelingen zijn handelingen waar zinstype en illocutionary act in balans zijn. Hierbij worden expliciete performatieven ook als directe taalhandelingen gezien. Andere gevallen noemen we indirecte taalhandelingen (45) a. Ik verzoek je het raam dicht te doen. direct b. Doe het raam dicht alsjeblieft. direct c. Doe je het raam dicht? indirect De indirecte taalhandelingen zijn het interessantst 5.1. Discussie: vragen Hoe herken je een Nederlandse vraagzin? Indirecte taalhandelingen? (46) A: Ben je geslaagd? B: Is de paus katholiek? (47) A: Ga je de pragmatiek-cursus volgen? B: Ja, want hoe moeilijk kan dat nu zijn? (48) A: Ik heb net 1 miljoen euro gewonnen. B: Hoeveel? 5.2. Discussie: exclamatieven Het Nederlands kent nog eens zinstype: de exclamatief. Deze lijkt wat betreft vorm op de vraagzin, met enkele formele verschillen. 7
(49) a. Wat een mooi huis heb je! b. Wie ik net gezien heb! Kun je de illocutionary act beschrijven die hierbij hoort? En wat zijn geschikte felicity condities? 8