SPREEKHANDELINGEN IN RELATIONEEL PERSPECTIEF

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "SPREEKHANDELINGEN IN RELATIONEEL PERSPECTIEF"

Transcriptie

1 HOOFDSTUK 2 SPREEKHANDELINGEN IN RELATIONEEL PERSPECTIEF 2.0 Inleiding In de studie van het taalgebruik zoals zich die sinds de jaren 70 van deze eeuw heeft ontwikkeld, is er voortdurend het probleem geweest of de geobserveerde verschijnselen zouden moeten worden herleid tot de systematiek van de taalbetekenis of tot de systematiek van het gebruiken. De eerste visie treft men aan in het werk van semantici als Heringer (1974), Sadock (1974), Katz (1977) en Wierzbicka (1986, 1991), waar pogingen worden ondernomen om communicatieve functies van uitingen, zoals die in het gebruik van de taal zijn te observeren, te herleiden tot onderliggende semantische structuren van zinnen of woordgroepen. De tweede visie is het meest uitgesproken aanwezig in het werk van Grice (1968/1975), en de daarbij aansluitende pragmatici als Brown & Levinson (1978, 1987), Sperber & Wilson (1982, 1986) en vele anderen die zich met context-afhankelijkheid in interpretaties hebben bezig gehouden, maar ook in het werk van etnomethodologische conversatie-analytici als Sacks (1972,1984,1992), Jefferson (1984), Heritage (1988) voor wie de indexicaliteit in de analyse van conversationele structuren en interpretaties, dat wil zeggen de afhankelijk van de sequentiële context, een van de belangrijkste uitgangspunten is. Deze controverse duurt tot op de huidige dag, zij het dat de standpunten soms ook genuanceerder zijn, en er binnen de pragmatisch-linguïstische traditie bijvoorbeeld naar gestreefd wordt om semantische systematiseringen te verbinden met communicatieve principes, en zo tot een verantwoording van gebruiksfuncties van bepaalde vormen van taalgebruik te komen (cf. Leech 1983, Bax 1985, Candlin 1986). In de pragmatische benaderingswijze is het denken over de aard van de communicatieve functies zoals die in het gebruik worden gerealiseerd, sterk beïnvloed door de speech act-theorie. Daarin wordt verantwoord hoe sprekers met uitingen communicatieve handelingen kunnen verrichten, en hoe die uitingen voor hun functionele interpretatie afhankelijk zijn van spreker-, hoorder- en situatie-gebonden omstandigheden. Hoezeer deze theorie door de geschetste tegenstelling (systematiek van betekenis <-> systematiek van gebruik) wordt beheerst, moge aanstonds blijken. In de volgende paragrafen zal ik na een korte introductie van de speech act-theorie (2.1), en een karakterisering van de wijze waarop relationele aspecten binnen het kader van spreekhandelingen worden verantwoord (2.2), enkele alternatieven voor dit oorspronkelijke raamwerk bespreken waarin systematischer aandacht wordt geschonken aan de relationele functie (2.3). In de laatste paragraaf (2.4) zal ik tenslotte een evaluatie van het gehele theoretische kader geven. Die evaluatie zal in het volgende hoofdstuk het uitgangspunt vormen voor een alternatieve beschrijvingswijze van handelingsrelevante componenten van het taalgebruik, waarin ook de interpersoonlijke relatie-aspecten zullen kunnen worden verantwoord. 31

2 2.1 Speech Act-theorie: een schets De speech act-theorie zoals Austin die in de loop van zijn William James lectures heeft ontwikkeld (Austin 1962), vormt in eerste instantie een vervolg op de discussies omtrent de wijze waarop zinnen van het type De koning van Frankrijk is kaal zouden moeten worden behandeld in een waarheidsfunctioneel kader. De oplossing die daarvoor was aangedragen door Russell, namelijk dat voor het toekennen van een waarheidsfunctie de existentie van entiteiten in de "definite descriptions" moest worden voorondersteld, bracht Austin ertoe andere zinstypen als problematisch in dit verband in te brengen, zoals I name this ship the Queen Elizabeth, waaromtrent hij vaststelde dat de waarheidsvraag niet opportuun is, omdat de analyse zich dient te richten op het spreken in plaats van op het spreekprodukt. Bovendien zijn er nog een aantal andere typen presupposities in het geding, wil men erkennen dat wat in de betreffende zin is uitgedrukt ook inderdaad heeft plaatsgevonden. Het criterium op grond waarvan de presupposities moeten worden gepostuleerd, is dan ook niet de waarheid van de zin, maar de happiness, de geslaagdheid van wat de spreker zegt te doen op het moment van het spreken. Voorbeelden van de presupposities die Austin onderscheidde, zijn te vinden in de Lectures II en III. Hij noemt daar als voorwaarden voor de geslaagdheid van een performatieve uiting (Austin 1962:15): " (A.1) There must exist an accepted conventional procedure having a certain conventional effect, that procedure to include the uttering of certain words by certain persons in certain circumstances, and further, (A.2) the particular persons and circumstances in a given case must be appropriate for the invocation of the particular procedure invoked. (B.1) The procedure must be executed by all participants both correctly and (B.2) completely." Austins bijdrage aan de analyse van het taalgebruik is niet in de eerste plaats dat hij de handelingswaarde van uitingen aangaf en de interpretatie van taal aan het gebruik ervan verbond. Dat was ook door Wittgenstein (1953 (1967), 1958) gedaan, en binnen de linguistiek zelfs nog vroeger door Gadamer (1932) en Bühler (1934), die over de speech act en de Sprechakt spreken. Austins bijdrage is echter in die zin van groot belang dat hij een specifieke categorie taaluitingen analyseerde waarin sprekers doen wat ze zeggen, en vooral dat hij aantoonde dat de vooronderstellingen bij een geslaagde uitvoering van die spreekhandelingen een betrekkelijk systematisch karakter hebben. Hiermee introduceerde hij de suggestie dat het mogelijk is om contextuele factoren -die altijd wel onderkend zijn als cruciaal in communicatie- systematisch te analyseren wat betreft hun belang voor en hun relatie met het taalgebruik. Behalve de hierboven genoemde controleerbare en externe presupposities, stelde hij dat met name in minder institutionele omgevingen een soort psychologische condities moeten worden gepostuleerd, die als sincerity conditions op de oprechtheid, en de betrokkenheid van de sprekers betrekking hebben. Het niet gerealiseerd zijn van deze condities heeft echter niet zonder meer tot gevolg dat de handeling niet is verricht, zoals dat wel het geval is bij een onjuiste procedure, of ongepaste omstandigheden. Ze maken de handeling tot een abuse, een onoprechte handeling, waarin een spreker de psychologische consequenties van wat hij doet niet voor zijn rekening neemt. Deze condities worden door Austin dan ook als implicaties aangeduid van de betreffende performatieven. Een tweede bijdrage die Austin leverde aan de analyse van het taalgebruik heeft betrekking op de gelaagdheid die hij in het spreken onderscheidde. Die gelaagdheid komt tot uitdrukking in de verschillende niveau s van handelen die Austin typeerde als het locutieve, het illocutieve en het perlocutieve handelen - concepten die sindsdien niet meer zijn weg te 32

3 denken uit de studie van het taalgebruik. In het illocutieve handelen wordt de (aantoonbare) sprekersintentie gekarakteriseerd, terwijl de perlocutieve handeling het hoordersperspectief aanduidt, en daarmee het effect dat de uiting in kwestie heeft gehad. In het locutieve handelen wordt zowel het realiseren van een klankenstroom verantwoord, als het tot stand brengen van een subject-predikaat relatie in een propositie. Omdat het locutieve handelen m.b.t. alle spreekhandelingen moet worden voorondersteld, en slechts voor wat betreft de rhetische deelhandeling (in de zin van type predikaat en type subject) van belang is voor de illocutieve handeling die geïnterpreteerd wordt in een konkrete uiting, wordt dat niveau veelal slechts in relatie tot het illocutieve (of perlocutieve) handelen nader geanalyseerd, zowel door Austin zelf, als door anderen 1. Ook het niveau van de perlocutieve handeling komt echter (volgens Austin) niet in aanmerking voor een zelfstandige bestudering van uitingen, omdat de gerealiseerde effecten te zeer samenhangen met persoonlijkheidskenmerken van hoorders dat er van een interessante beschrijvingsoptiek van uitingen sprake zou zijn. Of een uiting als (1) Mag ik uw kaartje even zien? de toegesprokene ertoe brengt in huilen uit te barsten, een mes te trekken, zich beledigd (dan wel gevleid) te voelen, is immers niet voorspelbaar op grond van de uiting. En het gaat dan ook niet aan om deze uiting te typeren als plagen, provoceren, beledigen, of vleien. Het enige dat Austin dientengevolge met dit handelingsniveau aan weet te vangen is het conventioneel beoogde deel van de mogelijke effecten van een uiting te isoleren, en als perlocutionary object van de uiting te karakteriseren. In voorbeeld (1) gaat het daarbij dan om het laten zien van het kaartje. Omdat dit echter tevens de inhoud is van de intentie die we op het illocutieve handelingsniveau onderscheiden (het illocutionary point, zoals Searle het benoemde) vervalt de zin om een afzonderlijk niveau van perloctief handelen in de analyse van uitingen te onderscheiden. Bij Searle (1969) wordt het perlocutieve handelingsniveau dan ook niet meer besproken. In hoeverre de theorie zonder dit perlocutieve analyse-niveau nog als een bruikbaar kader voor empirisch taalgebruiksonderzoek kan functioneren, lijkt echter de vraag. Is het voor degene die zich een beeld tracht te vormen van de wijze waarop mensen taal benutten in het communicatieproces niet van meer belang te analyseren welke effecten verbonden blijken te zijn met uitingen van een bepaalde inhoud (ook al zijn die effecten dan niet noodzakelijk of conventioneel), dan uitsluitend gericht te zijn op de conventioneel te verwachten effecten die met een bepaald type uiting (handeling) verbonden zijn? In de analyse van het taalgebruik stuit men regelmatig op het probleem de coherentie tussen uitingen te moeten reconstrueren, of de interpretatieve waarde van het taalgebruik voor de hoorder in een bepaalde situatie te moeten bepalen. In dergelijke situaties gaat het niet altijd om conventionele effecten van het taalgebruik, maar om effecten die het gevolg zijn van een combinatie van taaluiting en contextuele assumpties die worden benut. Mijns insziens is er dan ook alle reden om het perlocutieve niveau als een essentieel niveau te handhaven in het kader van het communicatieve en interactieve handelen - even wezenlijk als de gesprekspartner wezenlijk is voor de conversatie. Dat op dit niveau de verschijnselen een probabilistisch karakter dragen, net zoals het merendeel van gedragsverschijnselen, moge verklaren waarom linguïsten en filosofen zich wat ongemakkelijk voelen op dit niveau, maar het rechtvaardigt niet een eliminatie ervan, zeker niet voor (taal)gedrags-onderzoekers 2. In de bespreking van realisaties van illocutieve handelingen zal bovendien blijken, dat illocutionary points zich niet in absolute zin laten scheiden van perlocutieve effecten, (cf. Verschueren 1985, Sbisà 1992), en dat het daarom de voorkeur verdient om de effecten van spreekhandelingen te beschrijven als meer of minder duidelijk door de spreker beoogd, 3 en alleen over illocutieve handelingen te spreken op basis van de aanwezigheid van 33

4 performatieve uitdrukkingen, waarmee de genoemde handelingen kunnen worden gerealiseerd. De theorie over spreekhandelingen is al in een vroeg stadium benut voor de beschrijving van konkreet taalgebruik, maar daarbij deden zich voortdurend problemen voor ten aanzien van de benoeming van de uitingen in termen van illocuties. Men stuitte behalve op allerlei taalgebruiksverschijnselen als openings-formuleringen in gesprekken, die zich niet goed lieten inpassen in het kader van de spreekhandelings-theorie, ook op de vaagheid van formuleringen wat betreft het geïntendeerde illocutieve punt. Een belangrijke oorzaak van die problemen is dat de invloedrijkste auteurs (Austin, Searle, Bach & Harnish) bijna alleen analyses maakten van handelingsconcepten, en niet van echte uitingen in een conversationele context. Over de relatie tussen uiting en gerealiseerde spreekhandeling maakte men zich in eerste instantie niet druk: Austin beschreef met name institutionele handelingen die op basis van een bepaalde (bijna rituele) formulering in een welomschreven context als geslaagd konden worden beschouwd. En als uitvloeisel daarvan typeerde hij ook de niet-institutionele handelingen in termen van performatieve formuleringen die, mits ook aan de omschreven condities was voldaan, de uitgedrukte handelingen realiseerden. Uitingen waarin geen performatieve uitdrukkingen aanwezig zijn, kunnen in de visie van Austin, (min of meer met behoud van inhoud) herleid worden tot de expliciet performatieve uitingen, en ontvangen daarom geen speciale verantwoording (Austin 1962:73 ). In Searle (1969) wordt deze gedachte zelfs tot principe verheven, het Priciple of Expressibility, dat inhoudt dat "for any meaning X and any speaker S, whenever S means X then it is possible that there is some expression E such that E is an exact expression of or formulation of X". (p.20). Op grond van dit gepostuleerde principe 4 stelt Searle dan dat het mogelijk is om speech acts te bestuderen aan de hand van zinnen waarvan de letterlijke en korrekte uiting de betreffende speech acts constitueren. Dat wil dus zeggen, dat er geen reden is om andere dan conceptuele analyses van handelingen te maken, aan de hand van prototypische uitingen. Deze analyses worden gepresenteerd in de vorm van constituerende regels voor de betreffende handelingen, die gebaseerd zijn op de verschillende typen condities die geformuleerd kunnen worden voor illocutieve handelingen. In Searle & Vanderveken (1985) - een beschouwing over de logische structuur van illocuties, waarin de theorie echter ook wordt samengevat- wordt dit theoretische uitgangspunt nog eens heel expliciet verwoord: "Just as propositional logic studies the properties of all truth functions (e.g. conjunction, material implication, negation) without worrying about the various ways that these are realized in the syntax of English ("and", "but", and "moreover", to mention just a few for conjunction), so illocutionary logic studies the properties of illocutionary forces (e.g. assertion, conjecture, promise) without worrying about the various ways that these are realized in the syntax of English ("assert", "state", "claim", and the indicative mood, to mention just a few for assertion) and without worrying whether these features translate into other languages". (Searle & Vanderveken 1985:2). Dat wil dus zeggen dat de beschouwing over illocutieve handelingen zich niet primair richt op de uiting zoals gerealiseerd, maar op de illocutieve handeling zoals geïntendeerd en (idealiter) ook geïnterpreteerd. Waar Searle in uitingen een propositionele inhoud (p) en een illocutieve kracht (f) onderscheidt, die op de propositionele inhoud betrekking heeft, wordt de verhouding tussen uiting en illocutieve handeling als volgt geschetst: In the utterance of a sentence of the form f(p) the speaker performs an utterance act. If the utterance is in certain ways appropriate he will have expressed the proposition that P (which proposition is a function of the meaning of p), and he will thereby have performed a propositional act. If certain further conditions are satisfied he will have expressed that 34

5 proposition with the illocutionary force F (which force is a function of the meaning of f) and he will thereby have expressed an illocutionary act of the form F(P). Furthermore, if the conditions of success of that act obtain, he will thereby have succesfully performed that act. (Searle & Vanderveken 1985:10). In de condities (en de regels die daarop zijn gebaseerd) voor de volbrenging van een bepaalde illocutieve spreekhandeling komt die theoretische optiek ook duidelijk tot uitdrukking. Behalve contextuele preparatory conditions en sincerity conditions die de psychologische gesteldheid van de spreker specificeren zoals die verbonden is met de betreffende illocutieve handeling (iets willen, wensen, geloven, van plan zijn) formuleerde Searle ook propositional content conditions. Maar die hebben geen betrekking op de gerealiseerde propositie p in de "uitingshandeling", maar op de propositie P in de illocutieve handeling. Zo behoort tot de propositionele inhoudsvoorwaarde van adviseren bijvoorbeeld dat er een handeling van de hoorder (H) in de toekomst wordt genoemd en van de handeling beloven dat er een toekomstige handeling van de spreker (S) wordt genoemd. Dat betekent echter niet dat de uitingen (2) Ik zou morgen niet gaan. (3) Jij krijgt volgende week een overdrukje niet als resp. advies en belofte zouden kunnen worden geïnterpreteerd, maar slechts dat de interpretatieve parafrases zodanig zouden moeten zijn, dat de propositie P daarin aan de betreffende voorwaarden voldoet, op de volgende manier: (a) ik raad je aan ( jij gaat morgen niet) (b) ik beloof je ( ik geef je volgende week een overdrukje) Omtrent de relatie tussen f(p) en F(P) zijn door Austin slechts tentatieve opmerkingen gemaakt; bij Searle en andere theoretici vindt men echter wel pogingen om een systematische verantwoording te geven van alle uitingen waarin F(P) niet geëxpliciteerd is in de uitingshandeling f(p). Dergelijke spreekhandelingen worden dan als indirecte spreekhandelingen gekarakteriseerd. Getuige zijn analyse van het verschijnsel indirecte spreekhandeling blijkt Searle (1975) daarbij nog een tweede principe ter verklaring te hanteren, namelijk de literal meaning hypothesis zoals Gazdar (1981) dit principe heeft gedoopt. Het houdt in dat uitingen een elementaire, letterlijke handelings-interpretatie verwerven op grond van de syntactische modus van de uiting (of op grond van de performatieve formules), maar dat er met behulp van het inferentie-mechanisme van Grice (1975), en met gebruikmaking van de veronderstelde kennis omtrent de condities die gelden voor een (beoogde en/of geïnterpreteerde) handeling, afgeleide interpretaties m.b.t. de illocutieve kracht, en m.b.t. de propositionele inhoud van de spreekhandeling kunnen worden gemaakt. Die interpretaties (die de primaire illocuties door Searle worden genoemd, en voor een hoorder gebaseerd zijn op de secundaire letterlijke illocuties) zouden kunnen variëren op basis van de contextuele condities die voor de verschillende hoorders actueel zijn. Overigens brengt Searle dit idee om de interpretatie van taalhandelingen te beschouwen als conversationele implicaturen, ter sprake in een discussie met het voorstel van Gordon & Lakoff (1971) die ter verklaring van de interpretatie van o.a. de uitingen die een indicatieve of een interrogatieve vorm bezitten maar een directief-interpretatie ontvangen, (b.v. I want you to take out the garbage en Will you take out the garbage? ) conversatie-postulaten voorstelden van het type: SAY(a,b,WANT(a,Q)) --> REQUEST (a,b,q) ASK(a,b,WILL(b,Q)) --> REQUEST (a,b,q) Met dergelijke regels kan de betekenis-conversie worden verklaard van een beperkt aantal (bijna idiomatische) manieren om verzoeken te realiseren. Het grote bezwaar hiertegen is echter niet alleen dat ze een enorme uitbreiding van het regelmechanisme tot gevolg hebben, 35

6 maar ook dat ze alle niet-conventionele interpretaties alsnog onverklaarbaar laten. (Zie ook het commentaar van Van der Auwera 1981). Het probleem van de verklaring van de zogenaamde indirekte taalhandelingen (die het grootste deel van alle uitingen uitmaken) heeft sindsdien een belangrijk deel van de vooral linguïstische bijdragen aan de theorie van spreekhandelingen, beheerst. Kort samengevat gaat het daarbij om de discussie of uitingen voornamelijk op basis van inferentieprocessen aan hun illocutieve interpretatie geraken, of dat er in eerste instantie naar conventionele middelen (illocutieve indicatoren) in de uiting moet worden gezocht, die een voldoende voorwaarde vormen voor de realisatie van bepaalde illocutieve handelingen. Bij Labov & Fanshel (1977) zijn in dat opzicht interpretatie-regels te vinden, waarvoor de basis wordt gevonden in de preparotory en de sincerity conditions van de begrepen taalhandeling: uitingen waarin gerefereerd wordt aan de condities voor de betreffende handeling, kunnen onder de aanname dat ook de overige condities contextueel zijn gerealiseerd, worden begrepen als de taalhandeling zelve. Ook Searle (1975) had een dergelijke oplosssing gesuggereerd, maar bij Labov & Fanshel wordt dat idee met name uitgewerkt naar de interpretatie van de Requests for Action, waarbij zij overigens wel tot een sterke uitbreiding van het aantal condities (moeten) besluiten. Ondanks die uitbreiding, worden echter nog talrijke uitingsinhouden die een directieve interpretatie ontvangen, niet verantwoord. Zo zijn uitingen als: (4) Wat zeg je me van die prestatie? (5) Wat heb je daar een mooie tekening hangen. (6) Wanneer is het boek af? die de hoorder zou kunnen begrijpen als pogingen van de spreker om de hoorder resp. tot een gelijke prestatie uit te dagen, tot het afstaan van die tekening te bewegen, en tot een hoger tempo aan te sporen, niet zondermeer als thematiseringen van condities voor directieven te verklaren. De observatie dat er altijd sprake is van een fundering van de beoogde directief in de uitingshandeling, in het geval van indirecte realisaties, zoals Springorum (1981) stelt, biedt dan eigenlijk nog het meeste houvast. Daarmee wordt de uitingsbetekenis als een uitgangspunt genomen in een causale redenering die meer of minder lang kan zijn zodat de relatie tot de geïnterpreteerde spreekhandeling ook meer of minder indirect is. In dit verband is het van belang om het voorstel van Morgan (1981) te memoreren die een onderscheid maakte tussen uitingen van het type (7) Kunt u mij de appelmoes aanreiken? en die van het type (8) Er is nog niet afgewassen die beide als verzoeken kunnen worden geïnterpreteerd, maar waarvan de eerste conventioneel als zodanig wordt geïnterpreteerd, terwijl de tweede via een proces van inferentie als zodanig wordt begrepen. Morgan verklaart dat verschil door te verwijzen naar het proces van idiomatisering dat ook met betrekking tot andere analyse-niveaus valt waar te nemen, en waarin een oorspronkelijke gemotiveerdheid voor het figuratieve gebruik van bepaald taalgebruik op een bepaald moment niet meer herkenbaar is. Zoals men bijvoorbeeld de afscheidsgroet ajuus als een geïdiomatiseerde vorm moet beschouwen van wat oorspronkelijk de uitkomst van een doel-middel redenering was (als jij weggaat, heb je de bescherming van God nodig; die roep ik over je af met een bede en ik zeg daarom à Dieu), waarvan vervolgens het middendeel is weggevallen, zodat alleen de omstandigheid en het middel overblijft, (weggaan: à Dieu --> ajuus), zo zijn ook de conventioneel-indirecte taalhandelingen de uitkomst van kortgesloten inferentiële redeneringen. Weliswaar is het idiomatiseringsproces nog niet voltooid (de oorspronkelijke betekenis kan er nog aan gehecht worden), maar er zijn al wel duidelijke signalen dat het vergevorderd is. Zoals bij de idiomatisering van à Dieu tot ajuus een klankverandering is waar te nemen, is de idiomatisering van de indirecte 36

7 directieven af te zien aan een bijzondere distributionele eigenschap van de zin waarin de directief wordt gerealiseerd: conventioneel-indirecte directieven kunnen met alstublieft worden verbonden, en uitingen waarin dat is gebeurd, kunnen dan ook nog uitsluitend als directief worden geïnterpreteerd, en niet meer als vraag of als assertief. Zie de volgende uitingen: (9) Wilt u mij de appelmoes aanreiken alstublief? (10)* Wilt u dat boek hebben alstublieft? (11) Ik zou graag een gesneden bruin hebben alstublieft. (12)* Ik zou het niet weten alstublieft. Op dezelfde manier zijn er tekenen dat retorische vragen geconventionaliseerde vormen van negatieve beweringen zijn, wat met name duidelijk wordt in de afwezigheid van een negatieelement in zinnen met negatief-polaire uitdrukkingen als hoeven, een vinger uitsteken, een haar krenken, etc. waarvan de uiting functioneert als retorische vraag (cf. Grésillon (1980): (13) Hoefde jij ooit op mij te wachten? (14)* Jij hoefde ooit op mij te wachten. Met oplossingen als van Labov & Fanshel en Morgan lijkt het probleem van de relatie tussen uitingsvorm en illocutieve interpretatie wel enigszins verhelderd te zijn, maar een systematische verantwoording van de relatie f(p) - F(P) is daarmee niet gegeven. Zo is met name nog onopgehelderd welke force-indicatoren (f) tot welke illocutie-interpretaties (F) kunnen leiden, en welke propositionele inhouden (p) van de uitingshandeling tot welke propositionele inhouden (P) van de geïnterpreteerde illocutieve handeling kunnen leiden. Wat het eerste punt betreft, heeft Robin Lakoff eens gesuggereerd dat de syntactische modi zich zeer geordend zouden gedragen m.b.t. de illocutieve handelingscategorieën Assertieven, Vragen, Directieven. Zo zouden uitingen met een indicatief-modus zowel Assertieven als Vragen als Directieven kunnen realiseren, uitingen met een interrogatief-modus alleen Vragen en Directieven, en uitingen met een imperetatief-modus alleen Directieven (Lakoff 1974). Maar een dergelijke eenvoudige karakterisering is descriptief niet adequaat: het zou betekenen dat (13) niet als bewering zou functioneren, en dat dat de volgende uitingen niet als vraag om informatie, resp. bewering zouden kunnen worden benut: (15) Leg eens uit hoe je dat doet. (16) Kom er eens om! Dat ze die functie wel degelijk kunnen vervullen blijkt uit de mogelijke responsen in 15a en 16a, waarin presupposities ten aanzien van resp. vragen en beweren worden gethematiseerd: (15a) Weet je dat dan niet? (16a) Daar heb je gelijk in. Een andere route is om niet de uitingsgrondslag voor f te zoeken, maar om de verhouding tussen verschillende illocutieve handelingstypen te analyseren, waarna vervolgens, gegeven de interpretatie f, en gegeven de literal meaning hypothesis een verantwoording kan worden gegeven van de relatie f - F. Het is deze route die in feite wordt gevolgd door uiteenlopende auteurs als Heringer (1974), Leech (1983) en door Searle & Vanderveken (1985) die -meer of minder expliciet- implicatie-relaties formuleren tussen verschillende (illocutieve) handelingstypen. Een voorbeeld van dergelijke implicatie-reeksen is: aanmanen -> verzoeken -> zeggen -> uiten (Heringer 1974). De meest linkse handelingstypering heeft ook het meest abstracte karakter; er is dus sprake van een door-middel-van- 37

8 relatie tussen de handelingen H n en H n+1. Daarmee zou tevens verklaard zijn dat uitingen op een meer of minder abstrakt niveau kunnen worden getypeerd als handeling. In hoeverre met een dergelijke illocutieve logica het probleem van de verhouding tussen uiting en illocutie-interpretatie is opgelost, is echter zeer de vraag. Tussen sommige handelingsconcepten bestaan namelijk wederkerigheidsrelaties, waardoor de eenvoud toch aanzienlijk kleiner is dan eerst lijkt. Zo is in de (niet verbale) handelingsreeks: doden -> doodschieten -> de trekker overhalen -> de vinger krommen de relatie tussen de laatste drie concepten niet wederkerig, maar die tussen de eerste twee wel. En op dezelfde manier is die wederkerigheid tussen de eerste twee verbale handelingsconcepten in de reeksen bekend maken -> getuigen -> zeggen of gebieden -> verwijten -> vragen aanwezig, waar die niet ten opzichte van het derde concept bestaat. Dat zou erop kunnen wijzen dat we behalve ten aanzien van de handelingstypering die direkt aan de syntactische modus (of aan andere expliciete indicatoren) van de uiting is verbonden, slechts op basis van definities, maar niet op empirische basis, tot de "Erzeugungs"-relaties (Heringer 1974) zullen kunnen geraken. Bovendien berust deze route behalve op de literal meaning hypothesis ook nog op de veronderstellingen dat de verzameling van illocutieve middelen in uitingen gespecificeerd kan worden en dat er een procedure van ondubbelzinnige toewijzing van dergelijke middelen aan een set van "elementaire illocutietypen" mogelijk is. Al deze vooronderstellingen leveren - naar in 2.3 zal blijken- echter de nodige problemen op. Een laatste punt dat in het kader van deze inleidende paragraaf moet worden opgehelderd en dat ik tot nu toe heb laten rusten, betreft de verhouding tussen illocutieve handelingen en andere typen communicatieve handelingen. Austin en Searle hebben dat probleem in een beperkte zin opgelost: in zoverre er elementaire activiteiten moeten worden verricht om de illocutieve handeling tot stand te brengen, zoals spreken (inclusief articuleren, woorden voortbrengen en een zinsstructuur realiseren) en het leggen van een predicerende verbinding tussen woorden, zijn die als locutieve resp. propositionele deelhandeling(en) aangemerkt. Bovendien zijn de "onvoorspelbare" effecten op een hoorder, die vanuit dat hoordersperspectief kunnen worden beschreven als activiteiten van de spreker, getypeerd als perlocutieve handelingen. Maar er is nergens plaats ingeruimd voor b.v. de functie in een tekstverband, of voor de functie in een beurtorganisatie-kader, of in een groter sociaal kader. Nu kan men voor dergelijke functies pogen een ander analyse-niveau te postuleren (b.v. zoals Franck 1979 doet, die naast het illocutieve niveau een niveau van de "communicatieve handeling" noemt, waarop de locale functie-aspecten van een uiting worden verantwoord) maar het is niet zo eenvoudig om een systematisch verschil tussen dergelijke niveaus te specificeren, omdat sommige illocuties (zoals vragen, zich verontschuldigen, bedanken etc.) ook door lokale condities worden getypeerd. Alleen voor zover de activiteit louter op de organisatie van de tekst betrekking heeft, zou men van andere dan illocutieve handelingen kunnen spreken: beginnen, voortzetten, beëindigen, afronden etc. Het kenmerk van dergelijke spreekactiviteiten is, dat ze wel met (zelfs door middel van) de uiting in kwestie worden gerealiseerd, maar dat ze niet de strekking typeren van de uiting, ook al zou men kunnen spreken van een conventionele wijze van handelen in dat opzicht. Het verschil komt tot uitdrukking in de wijze waarop de propositionele inhoud van de uiting waaraan de handeling wordt toegeschreven, functioneert in een parafraserende uiting waarin de aard van de handeling is geëxpliciteerd. In de karakterisering van een uiting als illocutieve handeling vormt die propositionele inhoud het direct object, terwijl in de karakterisering van de uiting als tekstuele handeling (of als handeling van een ander type) die inhoud alleen in een nietinherente bepaling van wijze kan zijn opgenomen. 5 De aard van dit analyseverschil moge duidelijk worden aan de hand van het fragment (17): 38

9 (17) [Pol.deb.] (...) Regelmatig hebben we gepleit in de kamer, uitbreiding van de inspectie en verbetering. maar ik denk niet dat dat iets te maken heeft (met) al of niet dienstverband hebben van artsen en dus kwaliteitsverbetering. u haalt denk ik twee dingen door elkaar. Als ik van deze spreekbeurt uit een debat de laatste uiting karakteriseer als bewering of beschuldiging dan hebben die handelings-interpretaties betrekking op de propositionele inhoud van de uiting (ik beweer hierbij / beschuldig u er hierbij van dat u twee dingen door elkaar haalt). Als de uiting echter wordt gekarakteriseerd als afronding of als provocatie van de spreker, dan kan de parafrase alleen luiden: ik rond af/ (tracht u te) provoceren met te zeggen dat u twee dingen door elkaar haalt. Deze procedure (met enkele kanttekeningen, zie noot 5) kan de handelingen van sprekers die als illocutief moeten worden aangeduid, onderscheiden van de andere typen handelingen, die aan de spreker van een uiting (kunnen) worden toegeschreven. Op basis van deze procedure worden nu ook enkele handelingen als illocutieve handelingen aangemerkt, die veelal niet als zodanig worden genoemd, en wel enkele handelingen die betrekking hebben op het spreken zelf (aangeduid met de verba dicendi) als zeggen en uitdrukken. Hiertegen lijkt weinig bezwaar te zijn, niet alleen omdat deze handelingen als de meest neutrale vorm van de categorie assertieven zouden kunnen worden beschouwd (zoals eigenlijk ook gebeurt in de beschrijving van degenen die het aantal illocutie-categorieën reduceren tot drie, overeenkomstig de drie syntactische modi (Van den Auwera 1980, Sperber & Wilson 1986), maar ook omdat het verschil met handelingen die ook met verba dicendi worden aangeduid, zoals toeschreeuwen, toefluisteren, toesnauwen, etc. daarmee verantwoord wordt: Deze laatste serie werkwoorden zijn beschrijvingen die vooral betrekking hebben op het resultaat van handelingen, en die kunnen daarom niet in performatieve zin worden gebruikt. Dat laatste wordt met name duidelijk als men zou proberen om een parafrase met hierbij te realiseren. De vraag die nu op ons afkomt, is in hoeverre de theorie omtrent spreekhandelingen een verantwoording kan bieden voor de relationele functie van taalgebruik. Daartoe zal ik eerst nagaan in welke mate de conceptuele analyses van illocutieve handelingen aandacht schenken aan de relationele aspekten die met het handelen zijn verbonden. In dat verband zal ik niet slechts het werk van Austin en Searle, maar ook dat van Wunderlich en Bach & Harnish en tenslotte Ballmer & Brennenstuhl bespreken, die allen een taxonomie van elementaire taalhandelingscategorieën hebben gepresenteerd. Dat er over de omvang van die elementaire categorieën ook geen eenstemmigheid is, komt het meest duidelijk naar voren bij vergelijking van de taxonomie van Ballmer & Brennenstuhl met die van de anderen: Ballmer & Brennenstuhl noemen een aantal van ongeveer 600 basiscategorieën, terwijl er bij Searle c.s. veelal maar 5 à 7 categorieën worden genoemd, en Sperber & Wilson (1986) en Van der Auwera (1980) een reductie tot 3 basishandelingen hebben voorgesteld, terwijl Van der Geest & Fehlenberg (1982) op statistische gronden zelfs tot 2 basishandelingen besluiten. Verschueren (1985) typeert de verschillende auteurs in dit opzicht als resp. de splitters en de lumpers, en wijst erop dat de verschillende visies samenhangen met de vraag hoe indirektheid moet worden gezien en verantwoord: Zijn de basishandelingen syntactisch gedefinieerd, zijn ze conceptueel gedefinieerd, of zijn ze lexicaal gedefinieerd? In het volgende overzicht worden met name de auteurs besproken die een conceptueel-lexicale uitgangspositie hebben gekozen. Van degenen die een syntactisch vertrekpunt hebben gekozen, kan nauwelijks verwacht worden dat er van aandacht voor relationele componenten in de spreekhandeling sprake zal zijn. 39

10 2.2 Relationele aspekten van illocutieve handelingen De vraag die ik me in deze paragraaf stel is in hoeverre de analyses van illocutieve handelingsconcepten (en van performatieve uitdrukkingen waarmee die concepten kunnen worden gerepresenteerd), een verantwoording geven van relationele functie-aspecten in het communicatieve handelen. Daartoe worden in kort bestek de taxonomieën van achtereenvolgens Austin, Searle, Wunderlich, Bach & Harms en Ballmer & Brennenstuhl aan de orde gesteld, omdat op die manier inzicht kan worden verkregen in de plaats die er aan dat relationele aspect wordt toegekend Austin In de typering van de condities voor de gelukkige uitvoering van verschillende spreekhandelingen, spreekt Austin (1962) over de noodzaak van geëigende omstandigheden bij de uitvoering van een conventionele procedure. Tot die omstandigheden behoren geschikte personen, en veronderstelde psychologische instellingen bij de uitvoerder. Hoewel Austin hierbij niet rept over relationele betrekkingen en daarbij behorende instellingen in expliciete zin, valt uit de taxonomie die hij voorstelt af te leiden dat dergelijke aspekten wel degelijk tot de componenten behoren die hij in de beschrijvingen van de illocutieve handelingen betrekt: met name de categorie behabitives is een verzameling handelingen waarin de spreker zijn relaties met de toegesprokene(n) reguleert. Hij geeft als ruwe karakterisering: "Behabitives include the notion of reaction to other people s behaviour and fortunes and of attitudes and expressions of attitudes to someone else s past conduct or immanent conduct" (a.w.159). De voorbeelden die er aan toegevoegd zijn, maken echter duidelijk dat hij in de eerste plaats denkt aan handelingen die als conversationele routines (Coulmas 1979) zouden kunnen worden gekarakteriseerd, omdat ze betrekkelijk nauw omschreven situaties vooronderstellen, en met conventionele formules kunnen worden uitgevoerd: bedanken, verontschuldigen, feliciteren, condoleren, complimenteren, groeten, zegenen, verwelkomen, etc. Alleen waar het om minder aangename relationele handelingen gaat, b.v. beklagen, kritiseren, afkeuren, depreciëren, is het niet zo gebruikelijk om expliciete formuleringen te hanteren In de laatste lezing uit het boek (Lecture XII) waar Austin zijn categorisering als buitengewoon voorlopig presenteert, geeft hij te kennen met name over deze categorie zelf niet tevreden te zijn. Hij wijst op de samenhang die er is met de andere categorieën die hij heeft onderscheiden (b.v. met de excertives, omdat waarderen zowel een uiting van autoriteit kan zijn, als een reactie op gedrag van de ander) en op het beschrijvende en expressieve element dat met al deze handelingen is verbonden, en hij houdt het voor mogelijk dat "all aspects are present in all my classes" (a.w.151). Hoewel ik geen kritische bespreking zal geven van deze taxonomie, omdat dit in voldoende mate is gedaan (cf. Searle 1975, Ballmer 1980), moet wel gesteld worden dat het belangrijkste probleem met deze taxonomie door Austin zelf wordt verwoord: het ontbreken van een eenduidige basis voor de classificatie, waardoor de verschillende categorieën elkaar overlappen, en het niet duidelijk meer is, waar een bepaalde handeling moet worden ondergebracht. Voor wat de relationele componenten betreft, is het bijvoorbeeld niet helder in hoeverre daarin de positionele verhoudingen tussen de participanten een rol moeten spelen. 40

11 2.2.2 Searle De overbekende taxonomie van Searle (1976/1979) - bestaande uit de categorieën assertieven, directieven, commissieven, expressieven en declaratieven - is niet georiënteerd op de relatie-aspecten in de spreekhandeling. Wel kunnen in de karakterisering van afzonderlijke spreekhandelingen relationele aspecten doorslaggevend zijn als onderscheidingscriterium. De handelingen bevelen en gelasten hebben als presuppositie bijvoorbeeld dat de Spreker (S) zich in een positie moet bevinden waarin hij autoriteit heeft over de Hoorder (H). En de essentiële voorwaarde voor directieven in het algemeen (de uiting geldt als een poging H zover te krijgen dat hij de handeling (A) doet) moet voor deze illocutieve handelingen in zoverre worden gewijzigd, dat er aan toegevoegd wordt op grond van de autoriteit van S over H (cf. Searle 1969:62). Hieruit blijkt dat Searle van mening is dat de onderscheidingen die op grond van de verhouding tussen spreker en hoorder gemaakt kunnen worden, binnen klassen van spreekhandelingen vallen, die op grond van andere criteria zijn gevormd. Zowel in Searle (1969) als in Searle (1976) maakt hij melding van het feit dat de illocutieve strekking verschillende dimensies kan hebben, op grond waarvan men "several different continua of illocutionary forces (Searle 1969:70) kan onderscheiden. In de eerste publicatie ging het nog om een 7-tal dimensies. In het artikel waarin hij zijn taxonomie voorstelt (Searle 1976), is het aantal dimensies al opgelopen tot een 12-tal 6. Op drie ervan baseert Searle zijn taxonomie: correspondentie-richting tussen taal en stand van zaken in de wereld ( direction of fit ), illocutionair doel, en psychische toestand van de spreker die met de handeling is verbonden. Het eerste criterium dat pas in Searle (1976) is te vinden, is voor de taxonomie tevens het belangrijkst naar het schijnt, hoewel het voor de expressieven, waarvoor volgens Searle geen direction of fit is vast te stellen, geen bruikbaar onderscheidend criterium is, naar Bax (1985) betoogd heeft, terwijl Wunderlich (1979) al heeft gesteld dat ook voor andere typen taalhandelingen dit criterium vaak geen betekenis heeft. Onder de dimensies die niet zijn uitverkoren om de classificatie te dragen (zonder argumenten overigens), bevindt zich ook de positie die S en H ten opzichte van elkaar innemen, of zoals het in (1976) genoemd wordt, de status van S en H. Daarbij moet dus gedacht worden aan handelingen waarin de autoriteit van de spreker of van de hoorder een rol speelt. Aan andere typen relaties lijkt Searle in het verband van illocutionaire handelingen geen belang te hechten. In Searle (1979:ix) geeft hij overigens aan dat veel performatieve werkwoorden (die hij overigens wel "illocutionary verbs" noemt), zoals suggereren, aankondigen, insinueren) geen illocutieve strekking aanduiden, en dus geen illocutieve handelingen representeren, omdat ze met een hele reeks van illocutieve doelen kunnen worden verbonden. Dergelijke werkwoorden benoemen volgens Searle veeleer de stijl waarin, of de manier waarop illocutieve handelingen worden gerealiseerd. Hoewel een dergelijke stellingname nog eens duidelijk toont dat Searle zich niet op de lexicalisaties in een taal verlaat, zou men hieruit ook kunnen concluderen dat Searle s criteria voor de onderscheiding van illocutieve handelingscategorieën tot artefacten leidt, doordat handelingsrelevante dimensies op voorhand geëlimineerd worden (zie 3.3) Wunderlich De beschrijving van Wunderlich (1972, 1976, 1979) van de structuur van spreekhandelingen, wijkt in enkele opzichten af van de Austin- en Searle-beschrijvingen. Niet alleen is zijn oriëntatie veel sterker empirisch en linguïstisch van aard, hij is ook veel meer 41

12 georiënteerd op sociale handelingstheorieën dan zijn filosofische voorgangers. Dat heeft o.a. als consequentie dat Wunderlich spreekhandelingen beschrijft als activiteiten waarmee sprekers bepaalde veranderingen teweeg brengen in de sociale omgeving en/of in de cognitieve en attitudinele structuur van de hoorder - daarbij aansluitend op de karakteriseringen van Von Wright (1968) m.b.t. de aard van het sociale handelen. Deze nadrukkelijke heroriëntaties hebben als gevolg dat we bij Wunderlich behalve aandacht voor de realisatie-mogelijkheden van spreekhandelingen, ook een herziening aantreffen van het belang van de uptake van een illocutieve handeling. Wunderlich wijst het idee af dat men van een geslaagde illocutieve handeling zou kunnen spreken in geval louter de interpretatie overeenkomstig de intentie van de spreker heeft plaatsgevonden, zoals b.v. Searle betoogt. Hij is van mening dat er ook een realisatie van het conventioneel verbonden perlocutieve doel door de hoorder moet hebben plaatsgevonden, wil er van een gelukkige spreekhandeling sprake kunnen zijn. Hoewel in principe dit probleem in een ruimer kader van vormen van defectief handelen zou moeten worden besproken -wat gelet op de aard van ons onderwerp niet opportuun is op deze plaats- is het naar ik meen wel direkt inzichtelijk dat de onderscheiding met perlocutief handelen weliswaar nog niet van de baan is, maar dat het interactieve aspect dat aan taalhandelen inherent is, meer recht gedaan wordt dan in de (feitelijk) strikt sprekers-gebonden analyse van illocutief handelen die men m.n. bij Searle aantreft. In de verschillende taxonomieën die Wunderlich heeft voorgesteld, (1976) en in de commentaren die hij heeft gegeven op de onderscheidingen van Searle (Wunderlich 1979, 1980) ziet men dan ook dat behalve het nagestreefde doel van de spreker, ook de realisatiewijze in de prototypische vorm en de contextuele positie van de spreekhandeling bepalend zijn voor de categoriseringen. Deze basis verklaart bijvoorbeeld waarom hij vragen als een afzonderlijke categorie heeft getypeerd, ten opzichte van de directieven, en waarom hij ook een categorie conditionele spreekhandelingen onderscheidt (Wunderlich 1976). Zowel de categorie vragen als de categorie conditionele spreekhandelingen verschilt namelijk van de directieven-klasse op grond van de bijzondere wijze waarop de hoorder dient te voldoen aan de intentie van de spreker: In het geval van vragen is dat middels een verbale aanvulling van een propositie die onvolledig was of onbestemd wat betreft de waarheidswaarde, in het geval van conditionele spreekhandelingen is dat met een erkenning van de conditie die verbonden is met de handeling die voor de toekomst is beoogd. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij waarschuwen, adviseren, dreigen etc. Tevens is de prototypische realisatiewijze van deze twee categorieën spreekhandelingen afwijkend: een interrogatief-modus voor vragen, resp. een counterfactual voor de conditionele spreekhandelingen. Voor de aard van ons onderwerp is de beschrijving zoals door Wunderlich is voorgesteld, overigens slechts in beperkte mate van belang: de linguïstische oriëntatie, en de grotere aandacht voor conventioneel beoogde effecten, die een relatie met empirische taalanalyse in principe mogelijk maken, is door Wunderlich in het geheel niet verbonden met betrekkingen die sprekers in de loop van hun interactie creëren of waarover ze onderhandelen. Zoals in het merendeel van alle handelings-analyses, is ook hier de aandacht voor sociale en cognitieve aspekten overheersend, en zijn sociaal-psychologische elementen bijna totaal buiten beschouwing gebleven. Sommige auteurs, die sterk beïnvloed zijn door Wunderlich, (b.v. Rehbein, Ehlich, Martens) hebben echter meer aandacht geschonken aan dergelijke aspekten, zij het dat dit (veiligheidshalve?) in het kader van institutionele omgevingen gebeurt, waar de sociale rolverdelingen de relationele verhoudingen sterk bepalen, zo niet overheersen. Tot een fundamentele herziening van het theoretisch kader omtrent spreekhandelingen heeft dit bovendien niet geleid. Ook hier behoren relationele 42

13 aspecten tot de toegevoegde waarde die aan spreekhandelingen die anderszins zijn gedefinieerd, kan worden toegevoegd Bach & Harnish Bij Bach en Harnish (1979) vindt men van het relationele aspect in het taalgebruik evenmin een fundamentele verantwoording binnen de categorisering van spreekhandelingen. De classificatie die zij voorstellen sluit nauw aan bij die van Searle (1975), met dit verschil dat zij voorafgaande aan de classificatie een principieel onderscheid maken tussen enerzijds handelingen die op basis van conventies worden herkend, en ook institutionele veranderingen teweeg brengen, en anderzijds handelingen die op basis van een inferentie-procedure moeten worden herkend. Die laatste categorie, waarvoor ze de benaming communicatieve illocutieve spreekhandelingen gebruiken, in onderscheid van de conventionele illocutieve spreekhandelingen, bestaat in de taxonomie van Bach & Harnish uit de klassen constatieven, directieven, commissieven en acknowledgements. Die laatste categorie bestaat merkwaardigerwijze uit de "central cases of Austin s motley class of behabitives ". De auteurs omschrijven de verzameling handelingen in deze categorie als volgt: " They express feelings regarding the hearer, or in case where the utterance is clearly perfunctory or formal, the speaker s intention that his utterance satisfy a social expectation to express certain feelings and his belief that it does." (p.41). De handelingen die op deze wijze bijeengegaard zijn, zijn o.a. verontschuldigen, groeten, bedanken, feliciteren, condoleren, wensen, accepteren en afwijzen. Omdat het ook vaak gaat om gedragingen die sociaal verwacht worden, is het niet noodzakelijk dat er ook werkelijke gevoelens verbonden zijn met deze handelingen. Overigens komen de handelingen die hier benoemd worden, met uitzondering van de laatste twee, bij Searle voor onder de benaming expressieven. De basis van de taxonomie van Bach & Harnish blijft betrekkelijk onduidelijk: " the distinguishing features of each illocutionary act type specify the very thing H must identify"- en dat zijn dan de attitudes die de spreker uitdrukte (p.40). Bovendien is de benadering van Bach & Harnish in zeer sterke mate, net als die van Austin en Searle, conceptueel-theoretisch van aard, en in geen enkele zin empirisch georiënteerd. Het lijkt er zelfs op of zij in het geheel niets meer verwachten van een taal-analyse voor de verklaring van geïnterpreteerde spreekhandelingen: de enige bijdrage die uitingen in hun zienswijze leveren aan de identificatie van de illocutieve kracht betreft de propositionele inhoud in globale zin. Die inhoud vormt het uitgangspunt voor de inferenties die een hoorder met behulp van een aantal principes en gedeelde kennis, geacht wordt te maken. In de volgende paragrafen zal ik op de problemen die dit minimalistische standpunt met zich meebrengt (o.a. voor de verantwoording van relationele aspecten in de uiting), nader ingaan Ballmer & Brennenstuhl Een analyse van spreekhandelingen met als uitgangspunt de semantische structuur van lexicale elementen waarmee die handelingen kunnen worden aangeduid, is te vinden bij Ballmer & Brennenstuhl (1981). Hun classificatie-systeem lijkt een uitwerking te vormen (overigens niet de meest vruchtbare zoals ik naderhand zal betogen), van de gedachte die Searle ontvouwde omtrent de verschillende dimensies die er aan een illocutionaire strekking zijn te onderscheiden. Elk van die dimensies zou men als een continuum dienen te beschouwen, meende Searle. In Ballmer & Brennenstuhl s voorstel worden enkele dimensies 43

14 gerelateerd aan elementaire functies van taalgebruik (cf. hfdst.1), en aangeduid als Model. Zo n model wordt gekarakteriseerd als "a semantical area structured by a set of categories connected by appropriate (partial) orderings" (p.26). De ordening van die modellen is weergegeven in het onderstaande schema (uit Ballmer & Brennenstuhl 1981): SPEECH ACTIVITIES Expression--> Appeal--> Interaction--> Discourse (dialogical) (basically dialogical) Emotion Enaction Struggle Model Discourse Models Model Model Institutional Text Models Models Valuation Models Theme Models De twee linkse functie-categorieën zijn unilateraal, d.w.z. spreker-, resp. hoorder-gericht, terwijl de twee laatste betrekking hebben op gezamenlijke activiteiten van spreker en hoorder. Deze dialogische functies impliceren dan voor een deel ook de eerst genoemde. Relationele componenten liggen besloten in een deel van de handelingen die het Enaction Model constitueren, voor zover die geïmpliceerd worden door het Struggle Model en één van de Valuation Models. In het Enaction Model worden de handelingen geordend die als inhoud hebben "speaker s more or less coercive attempts to get somebody to do something by expressing an idea, wish, intention, plan, goal, etc. including some standard reactions". In het Struggle Model, dat ook wel als het Competitie- en coöperatie-model wordt aangeduid, worden alle handelingen ondergebracht die liggen in de sfeer van verbale strijd. Dus zowel handelingen die argumentatieve activiteiten aanduiden, als die ruzie-achtige activiteiten of onderhandelingsactiviteiten aanduiden, zijn hierin geordend. In de Valuation Models is een van de onderscheiden sub-categorieën Valuation of a Person, waarin handelingen zijn ondergebracht die de degradatie, of de verheffing van anderen beogen (niet noodzakelijk de gesprekspartner). Het voordeel van een dergelijke meer omvattende benadering van spreekhandelingen, die als uitgangspunt een semantische analyse van lexicale elementen neemt waarmee de activiteiten worden benoemd, is dat er vanuit de taalschat suggesties kunnen worden aangedragen voor de aanwezigheid van subtiliteiten in het taalgebruik, die mogelijk anders over het hoofd zouden worden gezien. Het gevaar is anderzijds niet denkbeeldig dat onderscheidingen op het niveau van de rapportage over spreekhandelingen, gereïficeerd worden tot onderscheidingen op het niveau van het taalgebruik. Tegen dit gevaar is vaker gewaarschuwd, o.a. door Searle (1976) in zijn kritische bespreking van Austin s classificering. Searle heeft overigens op grond daarvan de conclusie getrokken dat men louter een aantal concepten behoeft te bespreken, en zich over de talige realisaties niet al te druk moet maken. Met het oog op ons onderwerp van bespreking, de relationele componenten in de speech act-theorie, is het evenwel tenminste verrassend te zien hoeveel typeringen er kunnen worden gegeven van relationele verhoudingen in termen van activiteiten die sprekers of sprekers en hoorders samen verrichten. Weliswaar zijn de benamingen die Ballmer en Brennenstuhl in hun boek hebben geordend, nooit louter georiënteerd op relationele aspecten, maar in de hierboven genoemde modellen (Enaction model, Struggle model, Person valuation model) maken die aspecten tenminste deel uit van de aanduidingen 44

15 van de spreekactiviteiten. Ik zal hieronder ten aanzien van enkele voorbeelden nagaan of die in voldoende mate verantwoorden wat er relationeel in de verbale interactie plaats vindt. In het Enaction model worden alle formuleringen genoemd die aanduiden dat op de een of andere wijze de hoorder tot iets gebracht wordt. De handelingen die daarbij genoemd worden zijn voor een deel gesubcategoriseerd naar de mate van intensiteit waarmee de spreker zoiets beoogd; daarmee wordt ook de mate van voorzichtigheid met de toegesprokene als parameter (pre-conditie) ingebracht, zij het niet in expliciete zin. Voor zover de handelingen echter als samenhangend semantisch kenmerk beïnvloeding hebben (een van de Enacting-subcategorieën) is dat aspect niet meer herkenbaar. Wel worden er binnen die subcategorie een reeks van werkwoorden genoemd die een aanwijzing geven t.a.v. de aard van de betrekking tussen spreker en hoorder - bijvoorbeeld in de termen waarmee men aangeeft dat er sprake is van aanbidden, vleien, flirten, complimenteren, het hof maken, etc. Opmerkelijk is echter dat ook hier niet wordt aangegeven op welke wijze we ons de variatie tussen al die semantische structuren moeten voorstellen, noch dat in expliciete zin wordt meegedeeld op welke basis die werkwoorden bijeen zijn gebracht. Hier wreekt zich de beperktheid van de Wortfeld-theorie (die Ballmer & Brennenstuhl als achtergrond noemen) voor de beschrijving van afzonderlijke woorden en semantische concepten. Daarin is de parameter-notie veel te sterk verbijzonderd (zie voor nadere kritiek op de Wortfeld-theorie ook Lyons 1977). In het Struggle model is het ontbreken van expliciete parameters minder in het oog lopend. Dat is een gevolg van het feit dat de nadere indeling gebaseerd is op het tijdsverloop dat met vormen van (verbale) strijd is gemoeid. In de beginfase gebeuren andere dingen dan in de eindfase, en voor zover die fasering benut is voor de subcategorisering, moet men stellen dat dit een relevante parameter is voor het benoemen van het handelen. Verbazing mag het echter wekken dat relationele parameters hier in het geheel niet zijn benut, terwijl dat (in het geval van strijd- of coöperatiehandelingen) toch voor de hand zou hebben gelegen. De conclusie kan dan ook geen andere zijn, dan dat de taxonomie als van Ballmer & Brennenstuhl zeker geen uitputtende verkenning is van de wijze waarop sprekers van een taal rapporteren over spreekhandelingen die er kunnen worden gerealiseerd. Voor wat betreft de relationele component die er in die handelingen aan de orde is, biedt deze opzet nauwelijks tot geen nadere aanknopingspunten. Het belang van dit boek is voornamelijk gelegen in het feit dat de aandacht ermee gevestigd is op de rijkdom in het lexicon wat betreft de aanduidingen voor vormen van communicatief handelen; de opsommingen van labels waarmee handelingen gerapporteerd worden, zijn indrukwekkend en vormen een bron voor nader onderzoek bijvoorbeeld naar taalverschillen (zie b.v. Verschueren 1985). Daarbij zal men er zich natuurlijk voor moeten hoeden taalverschillen tot handelingsverschillen te verheffen- iets waarvoor Searle niet nalaat te waarschuwen. Maar nog meer dienen we ervoor te waken al te arrogant onze conceptuele analyses tot basis te verheffen, en nuanceringen zoals die in de rapportages van gepercipieerd taalgedrag tot uitdrukking komen, als irrelevant terzijde te schuiven. Met name waar het om aspecten gaat die de betrekking tussen de sprekers betreffen, heeft bijvoorbeeld Searle de neiging deze als onbelangrijke stilistische variaties terzijde te laten. Daarmee wordt evenwel een functionele component uit de communicatie die soms als essentieel wordt ervaren door de taalgebruikers, buiten de scope van een theorie gehouden die beoogt een verantwoording te geven van het sprekend handelen. In dit opzicht is de conceptueel-empirische methodiek zoals die door Verschueren (1985) is bepleit voor de bestudering van het verbale handelen, dan ook als een duidelijke verbetering van het heuristische apparaat voor de beschrijving van taalgebruik te waarderen, omdat daarin gebruik gemaakt wordt van rapportages. Het werk van Ballmer & Brennenstuhl 45

16 kan in dat verband als een aanzet worden beschouwd, vanwege de poging werkwoordelijke begrippen ten aanzien van het verbale handelen te systematiseren. Dit boek laat echter tevens zien dat een dergelijke onderneming een analyse van relevante functionele parameters veronderstelt, en dat behalve werkwoorden ook andere rapporterende formuleringen in de analyse zouden moeten worden betrokken om tot een inventarisatie van alle handelingsaspecten te komen zoals die door de taalgebruikers worden gepercipieerd Tot slot Deze korte bespreking van een aantal licht verschillende conceptuele benaderingswijzen van illocutieve handelingen, wat betreft de verantwoording die erin wordt gegeven van relationele aspekten in het taalgebruik, heeft laten zien dat er in de geleverde typeringen van de spreekhandelingen weinig aanknopingspunten zijn te vinden. Tevens werd duidelijk dat het handelingsconcept wel mogelijkheden biedt voor een verantwoording van de relationele functie van taalgebruik, mits het in meer sociaal-psychologische zin zou worden ingevuld, en met een empirische basis zou worden verbonden. Dit idee heeft ongetwijfeld ook Holly (1979), Sager (1981) en Adamzik (1984) ertoe gebracht om hun beschrijving van wat met name de eerste twee het betrekkingsaspekt noemen, te oriënteren op de spreekhandelingstheorie. Maar nog eerder hadden Labov & Fanshel (1977) al betoogd dat de speech act-theorie in principe een goed uitgangspunt biedt voor de beschrijving van wat er in een conversatie gebeurt, waarbij zij eveneens menen dat de interpretatie op het niveau van de interpersoonlijke verhouding een modificatie van het oorspronkelijke model noodzakelijk maakt. In de volgende pragraaf zal ik deze pogingen tot aanvulling en dus verandering, aan een nader onderzoek onderwerpen. 2.3 Relationele handelingen De theorie van de spreekhandelingen in de conceptueel-theoretische versies zoals hiervoor besproken, draagt niet of nauwelijks bij aan een systematische verantwoording van relationele aspecten van taalgebruik. Dat betekent echter niet dat het als principieel onmogelijk zou moeten worden beschouwd. Pogingen om het kader van de spreekhandelingstheorie te benutten voor zo n verantwoording van de relationele component in het taalgebruik, vinden we in een aantal publicaties waarvan ik de belangrijkste hieronder kort bespreek. Het gaat om de beschrijvingen van Labov & Fanshel (1977), en van Holly (1979), van Sager (1981) en van Adamzik (1984). Ik zal daarbij natuurlijk nagaan in hoeverre in die beschrijvingen een adequate verantwoording is gegeven van relationele aspecten in het talig handelen. Maar tevens zal ik de consequenties van de wijzigingen in het theoretisch raamwerk van de speech act-theorie aan een nader onderzoek onderwerpen, en in de evaluatie van de betreffende beschrijvingen betrekken Labov & Fanshel Labov & Fanshel (1977:58) stellen dat de filosofische benaderingswijze van speech acts mank gaat aan de behandeling van "more abstract type of social interaction, which go beyond the linguistic structure", waardoor er voornamelijk aandacht is geschonken aan verzoeken en beweringen. Zij zijn van mening dat 46

17 "the crucial actions in establishing coherence of sequencing in conversation are not such speech acts as requests and assertions, but rather challenges, defenses, and retreats, which have to do with the status of the participants, their rights and obligations, and their changing relationships in terms of social organization". (Labov & Fanshel 1977:59) Hun belangstelling voor speech acts is dan ook niet in de eerste plaats gelegen in de verklaring van het handelen van een individuele spreker, maar in de verklaring van de samenhang in de bijdragen van verschillende sprekers aan een gesprek. Zij streven dus naar het construeren van sequentieregels tussen opeenvolgende uitingen in termen van de handelingen die ermee zijn gerealiseerd. Met het oog hierop onderscheiden ze in de analyse een interactie-niveau, dat ze omschrijven als "action which affects (alters or maintains) the relations of the self and others in face-to-face communication. These relations move along several dimensions, which have been identified most usefully as power and solidarity". (id:59) In hoeverre die laatste opmerking juist is, zal nader aan de orde worden gesteld in hoofdstuk 5; van meer belang op dit moment is dat Labov & Fanshel menen dat een dergelijk interpretatie-niveau een abstracter karakter heeft dan het niveau waarop vragen, beweringen, verzoeken etc., worden geïnterpreteerd, en dat er dus afleidingen moeten worden gemaakt om tot de lezingen op dit niveau te komen. Het opmerkelijke is nu dat zij stellen dat er niet van een primaire en secundaire illocutie sprake is (Searle 1975b), of dat er conversatie-postulaten moeten worden verondersteld, die de eigenlijke functie van een uiting preciseren (Gordon & Lakoff 1971), maar dat er van een hiërarchie van illocutieve functies sprake is, waarbij die interpersonele functies op een dieper niveau liggen. Labov & Fanshel karakteriseren deze functies waarin positieve of negatieve houdingen ten opzichte van de gesprekspartner worden uitgedrukt, met een drietal overkoepelende termen als support, challenge, en question. Die laatste categorie duidt op het ter discussie stellen van de status van de gesprekspartner, en vormt dus een verzwakte challenge. Hoewel het in principe zo is dat er simultaan meerdere handelingen worden verricht in één uiting, die verbonden zijn met elkaar in een inferentie-schema ("a chain of several therebys " (a.w. 65)), kan het ook zijn dat de spreker slechts één intentie had, zodat de uiting als ambigu moet worden aangemerkt gelet op de reactie van de hoorder. Overigens formuleren Labov & Fanshel wel interpretatie-regels, die de mogelijke lezingen van een uiting beschrijven, ook wat betreft de interpersonele functies. 7 Zij beperken zich daarbij echter (in verband met het kleine corpus waarop ze zich baseren) tot challenges, die in het verlengde liggen van directieve uitingen (inclusief vragen om informatie), en van beweringen. De regels die ze formuleren in dit verband, zijn: a. Rule of delayed requests: If A makes a request for B to perform an action X in role R, based on needs, abilities, obligations, and rights which have been valid for some time, then A is heard as challenging B s competence in role R. b. Rule of repeated requests: If A makes a request for action X in role R, and A repeats the request before B has responded, then A is heard as emphatically challenging B s performance in role R. c. Rule of overdue obligations: If A asserts that B has not performed obligations in role R, then A is heard as challenging B s competence in R. d. Rule for challenging propositions: If A asserts a proposition that is supported by A s status, and B questions the proposition, then B is heard as challenging the competence of A in that status. Van belang is het om op te merken dat Labov & Fanshel in deze interpretatie-regels geen verschil maken tussen meer of minder zware challenges. Zij beschouwen deze parameter als 47

18 secundair, maar maken er in hun werk wel uitvoerig melding van dat er van mitigation of van aggrevation sprake kan zijn - niet slechts in het geval van challenges, maar ook in het geval van directieven. In hoeverre is deze variant op het speech act-kader een verbetering? Om die vraag te beantwoorden, moeten we niet slechts op de observationele en descriptieve adequaatheid van het alternatief letten, maar ook op de reikwijdte ervan in relatie met wat we als theoretisch kader hebben leren kennnen. Wat het eerste aspect betreft, moeten we vaststellen, dat het alternatief recht doet aan het verschijnsel dat er veelvuldig een ambivalentie bestaat bij zowel sprekers als hoorders, ten aanzien van de te uiten of te interpreteren intentie. Men kan eenvoudig niet volhouden dat er met iedere uiting slechts één illocutieve kracht is verbonden. En zeker waar het om interpersoonlijke aspecten gaat (maar hetzelfde geldt waarschijnlijk voor expressieve aspecten) interpreteert men ze vaak in het verlengde van andere interpretaties, die daarmee niet opgeheven worden, maar die ten grondslag liggen aan de verdergaande interpretatie. Kortom het idee van simultaneïteit van illocutieve functies doet meer recht aan wat we waarnemen dan de orthodoxe idee dat er slechts één illocutieve kracht voor een spreker of hoorder actueel is. Deze gedachte van simultaniteit van meerdere illocutieve krachten, treffen we ook aan bij Levinson (1981, 1983). Die komt echter o.a. op grond van deze observatie tot de conclusie dat het speech act concept niet adequaat is als men poogt een procedure voor een dialoog-syntaxis te ontwerpen, omdat die een unieke toekenning van de illocutieve functie aan een bepaalde uiting zou veronderstellen. Hoewel ik dit aspect op dit moment niet verder zal uitwerken, (zie daarvoor 3.4), maakt het feit dat er consequenties verbonden kunnen zijn aan het voorstel van Labov & Fanshel die haaks staan op de doelstellingen die ze zelf formuleren, duidelijk dat behalve de observationele adequaatheid, ook de implicaties voor het theoretisch kader een rol moeten spelen in de wijze waarop we oordelen over dit aanvullend alternatief. Er zijn echter ook enkele problemen met dit voorstel van een minder zwaar kaliber: in de eerste plaats miskent dit beschrijvingskader de mogelijkheid om op direkte wijze een challenge-achtige spreekhandeling te verrichten. Met name als het om vormen van schelden gaat, is het niet opportuun om deze handelingen als secundair aan te merken. In een kort dialoogje als: (18) A: Weet je waar die brief van de gemeente is gebleven? B: Oh die heb ik weggegooid. A: Je bent me toch ook een stomme zak! die brief hadden we nodig voor de notaris! is de tweede uiting van A in de 3e beurt terecht te beschouwen als een bewering die tevens als een challenge m.b.t. de competentie van A kan worden gehoord (conform regel c van Labov & Fanshel). Maar voor de eerste uiting in die 3e beurt is het niet werkelijk relevant om hier over een bewering te spreken. Zelfs als men van mening zou zijn dat de indicatiefmodus die interpretatie in principe mogelijk maakt, zou men daaruit niet de conclusie mogen trekken dat er dus een inferentie-procedure nodig is. Ook voor conventioneel indirekte directieven (Morgan 1978) behoeft er immers geen inferentie-procedure te starten bij de grammatische modus-interpretatie, maar is er alle aanleiding om van een min of meer direkte interpretatie te spreken, op basis van een geconventionaliseerde vorm. 8 Maar belangrijker is wellicht nog de gedachte dat de illocutionaire interpretatie niet louter gebaseerd hoeft te zijn op een van de drie grammatische modi of op een perlocutief werkwoord, maar dat ook andere aspecten in de zinsstructuur en andere lexicale elementen indicatoren kunnen bevatten ten aanzien van de geïntendeerde illocutie. De inhoud van de uiting Je bent me toch een stomme zak is bijvoorbeeld zodanig dat waarschijnlijk slechts de interpretatie van het (goedmoedig) schelden onder de aandacht is van de betrokkenen: dat 48

19 wordt veroorzaakt door de exclamatieve constructie (X zijn me toch Y) waarin het subject (X) op de toegesprokene betrekking heeft en het predikaat een term (Y) bezit die een diskwalificerende connotatie heeft, i.c. het woord zak als pejoratieve metafoor voor personen, aangevuld met een diskwalificerend adjectief. We hebben hier dus te maken met een direkt herkenbare handeling, op basis van bijzondere uitingskenmerken. Er lijkt me dan ook geen reden om te veronderstellen dat hoorders pas tot de schelden-interpretatie kunnen komen nadat ze de uiting als een bewering hebben begrepen. Kortom, het hiërarchische model van Labov & Fanshel moet worden beschouwd als een beschrijving van een mogelijke procedure voor de interpretatie van interpersonele handelingen; in dat kader is het een aanvulling op het werk van Searle en anderen. De claim in het model dat de interpretatie van interpersonele handelingen noodzakelijk een secundair karakter heeft, is echter onjuist. Een tweede punt van commentaar is, dat de regels zoals beschreven, volstrekt onvoldoende zijn om alle mogelijkheden die er zijn om een challenge te realiseren of te interpreteren, te verantwoorden, en waarschijnlijk zelfs als behorend tot een open klasse moeten worden beschouwd. (Zie ook noot 2). Een paar voorbeelden van uitingen die (ook) een challenge-interpretatie zouden kunnen ontvangen, zijn voldoende om dit duidelijk te maken: (19) Heb ik iets van jou aan? (20) U staat op mijn teen. (21) Waarom doe je dat nou? (22) Je bent zeker weer ziek. Het is in dit verband dan ook de vraag welke status er moet worden toegekend aan de 4 genoemde regels (a t/m c). En zelfs kan men zich op grond van de beperktheid van het regel-bereik afvragen òf regels wel het meest geschikte instrument vormen om geobserveerde regelmatigheden in deze zin te beschrijven (Berenst 1986). In hoofdstuk 4 zal deze vraag verder worden besproken. Zoals boven reeds gemeld, zal ik op het tweede aspect van de evaluatie van dit voorstel, te weten de reikwijdte ervan voor het gehele theoretische raamwerk, in hoofdstuk 3 terugkomen Holly Een tweede voorstel voor behandeling van relationele aspecten in het kader van de speech act theorie is afkomstig van Holly(1979). Hij is (zonder overigens aan hen te refereren) net als Labov & Fanshel (1977) van mening dat met name om het betrekkingsaspekt 9 in de communicatie te verantwoorden, moet worden afgezien van de gedachte dat een uiting slechts één illocutieve handeling zou representeren. Ook hij stelt voor een hiërarchische relatie tussen verschillende niveaus van interpretetatie aan te nemen, waarbij die niveaus zijn verbonden door een middel-doel verband. 10 Overigens heeft Holly een open oog voor het fenomeen dat niet slechts in de illocutieve handeling (op het eerste niveau) de betrekking naar voren komt, maar dat ook de propositionele handeling een element in zich kan dragen waaruit de relationele verhouding kan worden afgeleid - iets wat in zijn optiek dan vaak consequenties heeft voor wat er aan overige illocutieve krachten wordt geïnterpreteerd. In hoeverre komt het betrekkingsaspekt nu tot uitdrukking in de illocutieve handeling volgens Holly? Dat is het geval voorzover de condities voor een geïnterpreteerde illocutieve handeling betrekking hebben op de instelling van de spreker t.a.v. de instelling van de hoorder m.b.t. de propositie, of op de instelling van de spreker t.a.v. de instelling van de hoorder m.b.t de instelling van de spreker m.b.t. de propositie, of m.b.t. de instelling van de hoorder m.b.t de propositie. Maar aangezien het in illocuties altijd 49

20 gaat om instellingen van de spreker en veronderstelde instellingen van de hoorder m.b.t. de propostie in de uiting, wordt er in iedere illocutieve handeling een betrekking gerealiseerd. Het verschil tussen de elementaire en de meebegrepen illocuties is dat die laatste niet noodzakelijk (en meestal zelfs niet) constitutief in de uiting aanwezig zijn, maar afgeleid worden op basis van situationele kennis.(a.w. 19). In dit opzicht sluit Holly aan bij de visie van Searle (1975) op de relatie tussen primaire en secundaire illocuties. Het tweede interessante aspekt dat Holly inbrengt, heeft betrekking op het verschil in het bereik van een betrekking: hij onderscheidt daarbij een micro-sociaal niveau (waarop de elementaire illocutie en het beurtwisselings-aspekt worden gerealiseerd), een macro-sociaal niveau, waarop de sociale rollen van S en H aan de orde zijn, en een niveau dat zich daar tussen in bevindt, en door Holly als het rituele kontakt -niveau wordt aangemerkt. Wat dat laatste niveau betreft, oriënteert Holly zich vooral op Goffman(1972), die duidelijk heeft gemaakt dat interactie-partners ten opzichte van elkaar als objecten van ritueel gedrag kunnen gelden. Hij typeert het betreffende niveau (dat nogal centraal is in de rest van zijn analyses, en ook de kern vormt van wat gewoonlijk onder relationele komponenten in de communicatie wordt verstaan) als volgt: " In diesem bereich geht es nicht nur um die Strukturierung der Einstellungen zu einzelnen Propositionen, nicht um die technischen Abwicklung des Gesprächsverlaufs und auch nicht um die Übernahme und Ausgestaltung situationsübergreifenden Rollenbeziehungen. Es geht dagegen um die Sicherung der wechselseitigen Anerkennung der Interaktanten als Individuen, die ein gewisses Mass an Beachtung und Rücksichtnahme durch den Interaktionspartner, aber auch durch die eigene Handlungsweise beanspruchen." (p.23) In een uiting van een quiz-master ten opzichte van een kandidaat: (23) Sagen Sie, wie machen Sie das? zijn die verschillende betrekkingsgebieden en bijbehorende illocutieve handelingen (eigenlijk: Muster) door Holly dan als volgt geanalyseerd: a. S vraagt H hoe H x doet, b. S geeft H het woord, (dit zijn de twee aspekten op het micro-sociale niveau), c. S bevestigt zijn rol als interviewer van H (het macro-sociale niveau), en d. S drukt zijn belangstelling voor H uit (het rituele kontakt-niveau). De middel-doel relaties tussen de verschillende niveaus liggen niet altijd vast; hier zouden ze kunnen worden gespecificeerd als: (d) middels (a) en middels (b), (c) middels (d). Met name de relatie tussen de twee laatstgenoemde betrekkingsniveaus kan ook vaak in omgekeerde richting worden geïnterpreteerd. Het moge echter duidelijk zijn dat de genoemde functies in dit voorbeeld binnen de oorspronkelijke spreekhandelingentheorie niet allemaal als illocuties zouden worden aangeduid. Behalve (a) en eventueel (b), behoren de genoemde functies (c) en (d) zeker niet tot de illocutieve handelingen in de zin zoals gedefinieerd door Austin en door Searle: er is voor die functies geen conventionele procedure die de illocutieve intentie van de spreker onder welomschreven omstandigheden, herkenbaar zou maken. En bovendien kunnen ze niet geparafraseerd worden op de manier zoals beschreven in 2.1, met een performatieve formulering en een bijbehorende complementzin. Wat betreft (b) ligt de zaak enigszins gecompliceerd: beurttoewijzingen kunnen als illocutieve handelingen worden beschouwd, als ze gerealiseerd worden door iemand in een bepaalde functie waarin hij/zij de institutionele rol vervult van beurtenverdeler. Een voorzitter tijdens een vergadering of een gespreksleider in een praatprogramma, kent nadrukkelijk beurtrechten toe aan een deelnemer. En dergelijke handelingen moeten als definitorische (declaratieve) handelingen worden beschouwd, parafraseerbaar met een performatieve formulering van het type: Hierbij ken ik u de volgende beurt toe. In gesprekken zonder dergelijke 50

21 institutionele rolverdelingen is de beurtorganisatie echter een kwestie die niet expliciet wordt geregeld, maar deel uitmaakt van de illocutieve handelingen die centraal in de aandacht staan, zoals vragen, suggereren, meedelen, verwijten etc. Dat wil echter niet zeggen dat niet tegelijkertijd de handeling van de beurttoewijzing in de betreffende uiting kan zijn voltrokken. Daartoe zal een uiting dan echter ook een aantal specifieke kenmerken moeten vertonen, zoals b.v. door Duncan (1973) en door Kendon (1990) zijn beschreven. De gedachte dat er tegelijkertijd een aantal verschillende illocutieve handelingen in een uiting kunnen worden voltrokken, die van elkaar verschillen in de functionele oriëntatie, en al of niet centraal staan in de perceptie van de spreker of van de hoorder, en al of niet met behulp van meta-communicatieve formuleringen worden geëxpliciteerd in de uiting, komt op deze wijze dus nog sterker terug dan al bij Labov & Fanshel het geval was. Een dergelijke verbreding van de toepasbaarheid van het illocutie-begrip, vereist echter wel een zorgvuldig omgaan met die notie, zodat niet plotseling allerlei handelingen die nadrukkelijk geen illocutief karakter hebben (maar uitsluitend kwalificaties zijn vanuit het resultaat-perspectief, bijvoorbeeld) toch als illocutief worden aangemerkt. Dat laatste is het geval in het hierboven besproken voorbeeld van Holly, die de handelingen (c) en (d) ten onrechte als illocutieve handelingen aanmerkt. Geen van de criteria die we voor deze handelingen hebben geformuleerd (cf. ook 2.1.), zijn op (c) en (d) van toepassing - althans niet in dit voorbeeld. Dat betekent natuurlijk niet dat er geen intenties kunnen hebben bestaan bij de spreker in de zin als in (c) en (d) geformuleerd, en er zijn dan ook wel degelijk indicaties voor deze (mogelijke) intenties in de uitingen in kwestie te vinden. Men zou daarbij echter mogen verwachten dat die indicaties veel indirekter van aard zijn dan de indicaties voor illocutieve intenties, gezien de karakterisering van illocutieve handelingen door Austin en Searle. Ook Holly karakteriseert natuurlijk niet voor niets de klassieke illocutieve handelingen op niveau (a)! In hoeverre die explicietheid in indicaties werkelijk verschillend is, is overigens een punt van nadere bespreking (zie hoofdstuk 3). Wat me in ieder geval een problematisch punt lijkt, is dat de mogelijkheid om de intenties als onder (c) en (d) genoemd te parafraseren met behulp van een performatieve uitdrukking, veelal ontbreekt. Alleen in uitzonderingsgevallen kunnen dit type intenties echter ook op het niveau van (a) herkend worden, en dan worden het illocutieve handelingen in de eigenlijke zin van het woord, waarvoor ook de parafrase-mogelijkheid geldt. Bijvoorbeeld als iemand zichzelf expliciet positioneert met een uiting als ik stel hier de vragen of zijn verbondenheid met de hoorder uitdrukt met een uiting als ik betuig je mijn hartelijke deelneming. De observaties van Holly m.b.t. de andere handelingscomponenten zijn echter heel intrigerend, en dienen binnen een handelingstheoretisch kader verantwoord te kunnen worden. In hoofdstuk 4 zal blijken dat dit mogelijk is in een benaderingswijze waarbij de illoctie-notie is gemarginaliseerd. Adamzik (1984), die het losse gebruik van het illocutie-begrip ook heeft opgemerkt, meent dat Holly daarmee de kaders van de s.a.-theorie zover heeft overschreden "dass die äusserlichen Ubereinstimmungen, die herzustellen Holly sich bemüht, irreführend sind" (Adamzik 1984:107). Dat komt in de analyses die Holly geeft van de rituele aspecten in enkele gespreksfragmenten echter niet steeds even sterk tot uitdrukking. Dat vindt zijn oorzaak in het feit dat voor Holly o.a. de sequentiële structuur die Goffman heeft geformuleerd voor corrigerende vormen van "face-work" (Goffman 1972) uitgangspunt vormt voor zijn analyses. En hoewel die structuur niet opgebouwd is uit zetten die als illocutieve handelingen zijn geformuleerd, (Zwischenfall - Veranlassung - Korrektiv - Entgegenkommen - Dank - Bagatellisierung), zijn de realiseringen van veel van die zetten of fasen wel beschrijfbaar in termen van illocutieve handelingen. Bijvoorbeeld de Veranlassungsfase bestaat uit verwijten, berispingen, afkeuringen etc., met name als het slachtoffer van een face-bedreiging het incident kenbaar maakt. Dat betekent dat Holly de betrekkingen toch voornamelijk in termen van 51

22 klassieke illocutieve handelingen beschrijft, waarbij de hiërarchisering van illocutie-niveaus geen indrukwekkende rol meer speelt. Daarbij heeft hij zich bovendien niet afgevraagd of de betreffende illoctieve categorieën wel overeenkomen met de interpretatie-werkelijkheid van de taalgebruikers (cf.schegloff 1988). Op dat laatste punt kom ik in hoofdstuk 3 terug. Kortom, of al Holly s bijdragen aan de beschrijving van relationeel taalgebruik nog wel als een uitwerking van de spreekhandelingstheorie kunnen gelden, is twijfelachtig. Het boeiende van Holly s benadering is echter, dat hij een aantal impliciete aspecten in de klassieke s.a.-theorie met het oog op de analyse van de verhouding tussen S en H heeft verduidelijkt (het punt van betrekkings-vooronderstellingen in alle illocutieve handelingen, en de consequenties van thematisering van betrekkingen in de proposities), en dat hij zich voor wat betreft het probleem van de indirektheid of meerduidigheid van de illocutieve kracht van uitingen ook op het standpunt van de simultaniteit stelt, maar dat in een wat bredere zin heeft uitgwerkt dan Labov & Fanshel (1977) door de karakterisering van de onderscheiden betrekkings-niveaus en hun onderlinge relaties. Het mag echter enigszins opmerkelijk heten, dat Holly het wel nodig achtte met het oog op de beschrijving van betrekkingen, het begrip illocutie ver op te rekken, maar daarbij niet ter discussie heeft gesteld in hoeverre hij zich daarmee buiten het domein van de spreekhandelingstheorie stelde, en welke theoretische consequenties dat zou hebben Sager Ook Sager (1981) heeft de basis van de s.a.-theorie niet aan de orde gesteld, maar heeft een indrukwekkend conceptueel bouwwerk opgetrokken dat de uitgangspunten en de onderscheidingen van Searle voor de spreekhandelingen deelt, maar als bereik slechts de betrekkingen tussen de gesprekspartners kent. Evenals Keller en Wiegand (zie noot 10) meent Sager dat het betrekkingsaspekt niet in de illocutieve en propositionele handelingen kan worden verantwoord, maar dat hiervoor nieuwe deel-handelingen moeten worden gepostuleerd. Het bijzondere van Sagers theorie is daarbij dat hij die deelhandelingen beschouwt als componenten van wat hij noemt Kontakt, het talig handelen dat op betrekkings-communicatie is gericht, in onderscheid van Spreekhandelingen die op zakelijke gebruiks-communicatie zijn aangelegd. Met dit onderscheid is een klassieke en populaire dichotomie tussen zakelijke en expressieve communicatie of tussen inhouds- en betrekkingscommunicatie of tussen "formal" en "ritual" communication (Goffman) opnieuw tot elementair onderscheid gemaakt. Alleen gebeurt het nu met het oog op de verantwoording van het handelingskarakter van taalgebruik, en in het besef dat beide aspecten voor een groot deel parallel lopen. In schema ziet het analytisch model van Sager er dan als volgt uit: Spreekhandelingen Spreekhandelingen Kontakt -propositionele h. -propositionele h. -interlocutieve h. -interlocutieve h. -illocutieve h. -collokutieve h. -perlocutieve h. -connexieve h. Onder resp. Spreekhandelingen en Kontakt zijn de verschillende deelhandelingen genoemd; deze zijn voor wat betreft de eerste twee identiek, maar verschillen ten aanzien van de laatste twee. Voor een goed begrip van de zienswijze van Sager dient men zich ervan bewust te zijn 52

23 dat hij de illocutieve handeling interpreteert in termen van de abstracte categorieën zoals onderscheiden door Searle en Wunderlich. Daarin komt in zijn visie dan met name "der sachorientierten auf zweckrationale Weltbewältigung abzielenden Funktion der Sprache" (p.275) tot uitdrukking. De daaraan ten grondslag liggende deelhandeling is die welke in performatieve uitdrukkingen kan worden weergegeven: waarschuwing, suggestie, bevel, mededeling etc. Deze meer konkrete interlokutieve handelingen liggen ook ten grondslag aan de collokutieve handelingen, waarin tot uitdrukking wordt gebracht hoe een spreker zijn relatie ten opzichte van zijn gesprekspartner reguleert in het spreken. Parallel aan het abstractie-niveau waarop Sager de illocutieve handelingen heeft geplaatst, is er bij de collocutieve handelingen dus ook slechts sprake van een aantal categorieën, waarin in globale zin die relatie is gepreciseerd. Opmerkelijk is dat Sager vergelijkbaar met de perloctieve handeling (in de sfeer van de gebruikscommunicatie) ook nog een nadere verkenning heeft gemaakt van de gevolgen van de kontakthandeling voor de ontwikkeling van de betrekking tussen de participanten, in de z.g.n. connexieve handelingen (of connexen). Hoewel het voor de evaluatie van zijn voorstel niet buitengewoon relevant is, zal ik vooral met het oog op de bespreking van de verschillende relationele dimensies in het volgende hoofdstuk, korte karakteriseringen geven van de typen collocutieve handelingen die Sager heeft onderscheiden. Dat zijn achtereenvolgens: a. Presentatieven, waarin een presentatie van het eigen zelfbeeld of van dat van H wordt gegeven, b. Valuatieven, waarin een waardering m.b.t. H of m.b.t. de spreker zelf wordt uitgedrukt, en c. Relatieve collocutieven, waarin S zich zelf vergelijkt met H. Het moge uit deze omschrijvingen van de 3 hoofdcategorieën al duidelijk zijn, dat er verschillende sub-categoriseringen gemaakt kunnen worden, samenhangend met twee parameters: Participant (heeft de handeling op S betrekking of op H of op beide) en Waardering (positief, negatief of gelijkwaardig). De Presentatieven zijn alleen onderscheiden op het punt Participant: in de Offeratieven wordt een beeld van de spreker gegeven, in de Definitieven een beeld van de hoorder. De Valuatieven zijn onderscheiden in handelingen die een positieve resp. negatieve houding tot uitdrukking brengen (Protectieven, resp. Degradatieven), en worden verder verbijzonderd naar spreker en hoorder: Reflexieve Protectieven, resp. Degradatieven, en Directionale Protectieven, resp. Degradatieven. 11 Tenslotte zijn de Relatieve Collocutieven onderverdeeld in de volgende 6 sub-categorieën: Concentrische Correlatieven (S en H zijn gelijk), Dissentrische Correlatieven (S en H zijn verschillend), Euforische Comparatieven (S en H zijn beiden geweldig), Destructieve Comparatieven (S en H zijn beiden niets waard), Superieure Comparatieven (S is geweldig, H is niets waard), en Inferieure Comparatieven (H is geweldig, S is niets waard). Sager maakt er zelf melding van dat het heel goed mogelijk is dat een uiting van een spreker als een realisatie van meer dan één collocutieve handeling kan worden geïnterpreteerd. Het merkwaardige is echter dat hij in een discussie met het werk van Holly daaromtrent opmerkt dat daar een reeks van afgeleide illocutie-typen in voorbeelden worden aangedragen, die "aufgrund der fehlenden präzisen Unterscheidungskriterien noch sehr stark den Character willkürlicher, aus dem intuitiven ad hoc-verständnis abgeleiter Deutungen aufweisen." (p.277), terwijl hij zelf volstaat met dit omvangrijke klassificatie-systeem, en geen poging onderneemt om de matching van uitingen en functies te beschrijven. Hierdoor slaat het verwijt dat hij Holly maakt, op hem zelf terug. Hij heeft evenmin duidelijk gemaakt wat de relatie is tussen de Interlocutieve handelingen en de Collocutieve (iets wat hij Holly verwijt m.b.t. de relatie tussen elementaire en afgeleide illocuties!). Daarom is er voor het aanbrengen van een vierde analyse-niveau eigenlijk geen andere motivatie dan dat er volgens Sager, onvoldoende performatieve uitdrukkingen zijn om het communicatieve handelen in de sfeer van de relatie tussen S en H te karakteriseren, zodat slechts abstracte benoemingen als categorieaanduidingen over blijven. Omdat de parallellie met de notie illocutieve handeling voorondersteld 53

24 is in deze theorie, dient dat begrip òòk met het niveau van de categorieën, en niet met dat van de gesubsumeerde handelingen te worden verbonden. Die konkrete handelingen moeten dientengevolge op een afzonderlijk analyse-niveau worden beschreven, dat dan aangeduid wordt als dat van de interlocutieve handelingen. Die interlocutieve handelingen fungeren dus gelijktijdig als zakelijke spreekhandeling en als kontakt-handeling. Wat maakt een voorstel als dat van Sager nu zo anders dan dat van Holly en Labov & Fanshel? Het maakt in de eerste plaats een aantal onderscheidingen helderder, wat betreft de aard van de relaties die in het communicatieve handelen kunnen worden gerealiseerd of versterkt. Maar verder breidt het de hele theoretische constructie van speech acts slechts uit door een tweetal parallelle domeinen in de communicatie aan te nemen. Daarvoor is echter niet echt aanleiding, gelet op het feit dat talrijke illocuties, zoals die beschreven kunnen worden met performatieve formuleringen een relationele component in zich dragen die nauw verbonden is met de zakelijke strekking van de betreffende illoctieve handeling. Denk bijvoorbeeld aan de handelingen die worden benoemd met de uitdrukkingen gelasten en smeken. In de analyse van Sager zou men dergelijke interlocutieve handelingen moeten analyseren als enerzijds behorende tot de categorie der directieven, en anderzijds als behorend tot de categorieën der superieure, resp. der inferieure collocutieven. Het behoeft echter nauwelijks betoog dat de kracht van de directief afhankelijk is van de relationele component die daarin wordt gerealiseerd. Ook al kan men dus instemmen met de onderscheiding in een zakelijke en een relationele component in de communicatie, een structurele scheiding van deze componenten in termen van een tweetal communicatieve handelingen, miskent de verbondenheid die beide componenten in de praktijk van de communicatie bezitten. Anderzijds suggereert dit model dat alle handelingsaanduidingen - die hier gekarakteriseerd worden op het niveau van de interlocutieve handeling- zowel een zakelijke als een kontaktgerichte component zouden hebben, hetgeen ook onjuist is. Een tweede overweging om modelmatig de samenhang tussen zakelijke en relationele interpretatie anders te karakteriseren dan Sager, is dat er regelmatig op basis van een zakelijke eerste interpretatie van een uiting tot een relationele geïnfereerde interpretatie wordt gekomen, al dan niet geïntendeerd door de spreker. Zo wordt op een feestje een verzoek om een vuurtje niet zelden geïnterpreteerd als een poging tot toenadering; het systematisch scheiden van deze beide componenten van de spreekhandeling maakt het onmogelijk om dat inferentie-proces (en de mogelijke misverstanden die daarmee zijn verbonden) te verklaren. Deze kritische noten betekenen niet dat Sager niet terecht heeft geconstateerd dat de categorisering van de illocutieve handelingen (in de zin van Searle en Wunderlich) weinig tot geen recht doet aan de interpersonele verhouding die in sommige spreekhandelingen wordt gereguleeerd. Maar dat zou er eerder toe moeten leiden de basis voor dergelijke categoriseringen te problematiseren dan illocutie en relatie op een abstract niveau geheel te scheiden, en op een konkreet niveau onlosmakelijk te maken Adamzik Het werk van Adamzik (1984) is in een aantal opzichten te beschouwen als de synthese van dat van Holly en van Sager, waar het de behandeling van relationele aspecten betreft. Zij onderscheidt evenals Sager de betrekkingscommunicatie van de communicatie die een zakelijk karakter heeft. Het taalgebruik kan in haar optiek wel of niet gefocust zijn op betrekkingscommunicatie, maar ze gaat niet zover dat ze daarvoor een nieuw type handeling postuleert. Haar oogmerk is om een karakterisering te geven van de typische betrekkingscommunicatie binnen de bestaande kaders van de spreekhandelingentheorie en de 54

25 theorie omtrent sequenties van spreekhandelingen. In dat opzicht kritiseert ze dan ook Holly, die dat kader ruimschoots heeft overschreden. De werkwijze die ze volgt is echter vergelijkbaar met die van Holly: ook zij typeert een aantal ideaaltypische situaties ten aanzien van betrekkingscommunicatie, en poogt vervolgens realisatievormen te vinden die daarbij een rol spelen. Het kenmerkende verschil is echter dat ze a. nadrukkelijk uitgaat van een interactionele optiek, waarin behalve de initiator ook de respondent is betrokken, b. dat ze met name veranderingen in betrekkingen tot uitgangspunt maakt, waarbij er dus van een vorm van gemarkeerdheid sprake is, ten opzichte van (contextueel) te verwachten patronen, die als nomaal interactiegedrag niet op betrekkingen zijn gefocust. Met name dit laatste aspect verdient aandacht: een dergelijke gedachte lijkt namelijk een sterke relativering in te houden van de mogelijkheden om betrekkingscommunicatie als een bijzondere (en herkenbare) vorm van taalgebruik te beschrijven. Wat in de ene situatie normaal is (en dus -volgens Adamzik- niet relevant met het oog op de betrekkingen) is immers in een andere situatie gemarkeerd, en object van interpretatie in de betrekkingssfeer. Deze gedachte miskent echter de noodzaak om ook normaliteit in de betrekkingen te verantwoorden. Weliswaar is er dan vaak geen aandacht voor het relationele aspect van de communicatie, maar dat betekent nog geen afwezigheid. Juist de mogelijkheid om een gemarkeerde variant te kiezen, wijst erop dat de ongemarkeerde variant met andere contextuele vooronderstellingen (in relationele zin) is verbonden. Adamzik lijkt overigens in haar betoog regelmatig ook die openheid naar beschrijving van het betrekkingsaspekt in "Normalverhalten" open te willen houden, door te spreken over "Fokussierung des Beziehungsaspekt" of over "Beziehungszentrierten Interaktion", in het geval het betrekkingsaspekt aan de orde is. Het kan bovendien niet ontkend worden dat een fixatie op veranderingsgedrag, als heuristisch principe goede diensten kan bewijzen voor het begrip van normaliteit. Daarom is het ook alleszins de moeite waard de beschrijving die Adamzik levert van realisatievormen van relationeel taalgebruik, nader te bezien. Een ander aspekt van haar beschrijvingswijze dat ook als heuristische strategie wel acceptabel is, maar in principiële zin niet kan worden onderschreven, betreft het nadrukkelijk isoleren van de betrekkingscomponent van de zakelijke component van taalgebruik. Met dit residu van de dichotomie van Watzlawick et al.(1968) tussen inhoudsaspekt en betrekkingsaspekt van de communicatie 12 gaat ze er aan voorbij dat bepaalde taalactiviteiten die in eerste instantie een zakelijk karakter hebben, vooronderstellingen in zich kunnen dragen met betrekking tot de relatie tot de toegesprokene, of bepaalde consequenties hebben ten aanzien van de beoogde betrekking. Eenvoudige voorbeelden van taalactiviteiten in de sfeer van de institutionele communicatie als ondervragen en voorschrijven maken dit al duidelijk. En hetzelfde geldt voor de keus van sommige propositionele inhouden die in zichzelf niet op relaties betrekking hebben, maar niet dan onder specifieke relationele voorwaarden aan de orde kunnen worden gesteld. Men hoeft daarbij slechts te denken aan financiële, amoureuze of op de gezondheid betrekking hebbende affaires. Goffman heeft in dat verband gesproken over "free goods" die wel of niet (in een bepaalde cultuur) zonder relationele beperkingen, bespreekbaar zijn. Daarmee zijn topics die niet zonder meer als "free goods" kunnen worden aangemerkt, in zichzelf nog geen relationele topics, maar zijn ze wel geschikt om relaties te bevestigen of te veranderen. Het grote voordeel van haar benadering boven die van Holly en Sager is echter dat ze de betrekkingscommunicatie weer als een component in het taalgebruik en dus van de spreekhandeling karakteriseert: "Die Muster der Beziehunggestaltung fallen ( ) also nicht zusammen mit bestimmten Spechakttypen, sprachliche Äusserungsformen u.ä. die zur Realisation von Beziehungsintentionen geeignet erscheinen, sondern es handelt sich dabei um elementaren Ausprägungen des Handlungstyps "die soziale Beziehung zum Partner gestalten". (a.w. 142). 55

26 Daarmee werd het haar mogelijk de absolute handelingscategorieën waarin betrekkingen tot dan toe werden getypeerd (bij Holly dus alle illocutieve handelingen, maar met name de handelingen in het remediërende opeenvolgingspatroon van Goffman, en bij Sager de collocutieve handelingen), los te laten, en de betrekkingsfunctie in termen van variaties op een continuum te beschrijven. Dat idee (dat ook door anderen wat betreft de spreekhandelingen in het algemeen is geopperd, zie 2.4) is naar mijn oordeel een belangrijke bijdrage aan het nadenken over de wijze waarop betrekkingen met spreekhandelingen zijn verbonden. De vraag of we daarbij met één continuum kunnen volstaan, zoals zij suggereert (verkleining - vergroting van de distantie), is in dit verband secundair, en zal in de volgende hoofdstukken nader worden besproken. Op enkele uitwerkingen die ze vervolgens geeft, in het kader van de taalhandelingskategorieën Assertieven en Bewertungen, zal ik in deel II van deze studie nog terugkomen. De conclusie die we uit de bespreking van deze 4 voorstellen mogen trekken is, dat het in principe zeker mogelijk lijkt om een aantal betrekkings-aspekten in het taalgebruik te beschrijven in termen van (of in het kader van) spreekhandelingen - zeker als daarbij het illocutieconcept wordt opgerekt, ten opzichte van de Searliaanse versie. Daarbij moeten we ons er echter van bewust zijn dat het dan vaak niet om een interpretatie van de illocutieve strekking gaat op basis van performatieve werkwoorden of de elementaire grammatische modi. De vraag naar de samenhang tussen uitingsinhoud en interpersonele handeling (dus naar de fundering van de handelingsinterpretatie) dient dan ook nader aan de orde gesteld te worden. In de volgende paragraaf zal de vraag besproken worden of het mogelijk is om èn een direkter verband te leggen tussen uitingsinhoud en illocutieve handeling, èn een verantwoording te geven van alle relationele componenten binnen het concept illocutieve handeling zoals dat tot nu toe is benut. Dat daarbij de doelstellingen van de speech act theorie overstegen worden 13 behoeft ons niet te weerhouden. Het is een goed gebruik in empirische wetenschappen om van veelbelovende theorieën de verklarende mogelijkheden af te schatten op basis van toepassingsmogelijkheden buiten het domein waarvoor ze oorspronkelijk zijn ontwikkeld. 2.4 Spreekhandelingen en conversationeel taalgebruik: een evaluatie Hoewel met name Searle (1992) zich desgevraagd heel sceptisch heeft uitgelaten omtrent de mogelijkheid om regels voor conversaties te formuleren, en zeker om die te baseren op de speech act theorie, zijn er diverse pogingen ondernomen om deze theorie daarvoor te gebruiken, zoals ook uit het voorgaande bleek. De sceptische houding van Searle (1992) komt met name voort uit zijn vooronderstelling dat conversaties alleen als regelgeleid kunnen worden beschouwd, als ze met een zelfde type geslaagdheidsvoorwaarden zouden kunnen worden gekarakteriseerd als enkelvoudige illocutieve handelingen. Aangezien die vooronderstelling nogal merkwaardig is, omdat een gestructureerd geheel eigenlijk nooit een interne structuur bezit die gelijk is aan die van de delen waaruit het samengesteld, - zoals Dascal (1992) duidelijk maakt met verwijzingen naar de structuur van moleculen in verhouding tot de structuur van de atomen, en de structuur van zinnen in relatie tot de structuur van woorden - zal ik op Searle s commentaar hier niet verder ingaan. In deze paragraaf zal ik wel de onderneming om conversationeel taalgebruik in sequenties en in formuleringen te verantwoorden in termen van illocutieve handelingen, vanuit een algemener perspectief evalueren. Na een korte inleiding (2.4.1) bespreek ik enkele vooronderstellingen die daarbij de orde zijn en onhoudbaar zullen blijken te zijn (2.4.2 en 2.4.3). De paragraaf wordt afgesloten met een perspectief op een alternatief (2.4.4). 56

27 2.4.1 Illocutie en interpretatie De relatie tussen uitingsinhoud en illocutieve handeling is vanaf het begin in linguïstisch georienteerd gespreksonderzoek, waarin opeenvolgingen werden beschreven in termen van spreekhandelingen, een probleem geweest. Uitingen blijken namelijk slechts zelden een handelingsinterpretatie te ontvangen op basis van een performatieve uitdrukking in de uiting, omdat dergelijke uitdrukkingen meer voorkomen in rapporterende dan in performatieve zin. Evenmin kan de illocutieve interpretatie altijd op de syntactische modus van de uiting gebaseerd worden. Met name de declaratief-modus geeft zelden een volledige specificatie van de geïntendeerde en geïnterpreteerde spreekhandeling. Bovendien blijken uitingen vaak meerdere functies tegelijkertijd te kunnen bezitten. Zoals we in 2.2. zagen hebben Labov & Fanshel dit interpretatieprobleem opgelost door een set van interpretatie-regels te formuleren m.b.t. de relatie tussen uitingen en handelings-interpretaties. Al eerder was een dergelijke oplossing gekozen door Sinclair & Coulthard (1966) voor de beschrijving van klasse-interactie. Bij Searle (1975) en anderen vinden we echter het Griceaanse idee met betrekking tot conversationele implicaturen uitgewerkt voor spreekhandelingen. Dat wil zeggen dat er een inferentiemechanisme verondersteld wordt, dat uitgaat van de letterlijke interpretatie op grond van de syntactische modus, waarbij op basis van een schending van een der conversationele maximes door de letterlijke lezing, een andere interpretatie wordt gezocht; die geïmpliceerde lezing is veelal afleidbaar doordat de propositionele inhoud van de uiting in kwestie een thematisering van een der condities van de geïntendeerde illocutieve handeling is (cf. Searle 1975). Naar Levinson (1981, 1983) in een kritische bespreking van de mogelijkheden om een dialoog-syntaxis te formuleren, gebaseerd op de speech act-theorie, echter aantekent, gaan beide oplossingen om concreet taalgebruik toch in het kader van de spreekhandelingstheorie te beschrijven, uit van een aantal vooronderstellingen die als problematisch kunnen worden aangemerkt. 14 De belangrijkste vooronderstellingen zijn wel a. dat er uitingseenheden zouden kunnen worden gedefinieerd die corresponderen met handelingseenheden, en b. dat er een functie of procedure zou zijn te formuleren die uitingseenheden verbindt met handelingseenheden Uitingseenheden en handelingseenheden De mogelijkheid om een beschrijving van de opeenvolgingsstructuren in conversationeel taalgebruik te geven in termen van de illocutieve handelingen die worden gerealiseerd, berust op de de vooronderstelling dat er uitingseenheden zouden kunnen worden gedefinieerd die met de betreffende handelingseenheden corresponderen. Daarbij kan nog afgezien worden van de aard van de handelingsinterpretatie van de uitingen. Om een vergelijking met de zinssyntaxis te trekken: de constituenten waarop de syntactische regels betrekking hebben, moeten kunnen worden geïdentificeerd, alvorens de aard van die constituenten kan worden gekarakteriseerd. In een handelingsgrammatica geldt mutatis mutandis hetzelfde. Alleen is die identificatie in deze onderneming een betrekkelijk moeilijke kwestie. Men moet immers met Levinson (1981) vaststellen dat er een groot aantal uiteenlopende typen uitingselementen zijn, variërend van zinnen, combinaties van zinnen, zinselementen, enkelvoudige lexemen, partikels, tot minimale geluiden als hmm en stiltes toe, die als de uitdrukking van een intentie, dus als spreekhandeling kunnen worden geïnterpreteerd, afhankelijk van de contextuele positie van die elementen. Op grond van dat feit is het niet mogelijk om op voorhand vast te stellen wat de relevante uitingseenheden zijn, die voor een handelingsinterpretatie in aanmerking komen. De oorzaak van dit probleem is dus dat de relevante uitingseenheden op functionele gronden worden 57

28 onderscheiden. Een onafhankelijke identificatie van uitingselementen die in aanmerking komen voor een handelingsinterpretatie is dan ook een principiële onmogelijkheid. Aan de hand van een enkel voorbeeld kan dit punt worden toegelicht: Een minimale uiting als hmm kan een realisatie van een complete spreekhandeling zijn, zoals in (24), een fragment tussen een oudere mevrouw (O) en een verzorgster (V): (24) [Ouderen] V: Wat had u gehad VANNACHT --> O: Hmm? V: Was u vannacht ziek O: Ja ik heb een slechte nacht gehad Maar de vraag of het zelfstandig dan wel als deel van een grotere uiting moet worden beschouwd, kan ook veel minder duidelijk zijn zoals in het volgende fragment, [V=verkoopster en K=klant]: (25) [Winkelgesprekken] K: O d r zitten krenten in? V: Ja rozijnen --> K: Hmm. rozijnen dat hoort toch niet in brood man. Men zou kunnen betogen dat het Hmm van A hier zelfstandig een soort van ontvangstbevestiging ten opzichte van de uiting van B vervult. Maar het functioneert tevens als verbindingselement en indicatie van de negatieve houding van de klant die verbijzonderd wordt in het expliciet evaluerende vervolg, en maakt daarmee deel uit van van die evaluerende handeling, vergelijkbaar met elementen als nou, ja etc. in uitingen als (26) Nou dat geloof ik niet (27) Ja hoe kun je dat nou weten Als een dergelijke "minimaal interaktieve taalvorm" als hmm (Mönnink 1988) voorkomt in een positie die niet als conditioneel relevant ten aanzien van de bijdrage van de gesprekspartner kan worden aangemerkt, is het voor sommige pragmatici zelfs de vraag óf er wel een handelingsinterpretatie aan kan worden gegeven. In (28) treffen we zo n gebruik van hmm aan [L=lokettist, K=klant]: (28) [Loketgespr.] L: Maar hij heeft hem gewoon geweigerd. waarom hij hem geweigerd heeft, dat staat er dus niet bij, [ --> K: Hmm Mönnink (1988:92 e.v.) stelt bijvoorbeeld dat er in een dergelijk geval ten hoogste sprake is van het kenbaar maken van aanwezigheid door K, of van een "bewijs van hoorderschap", en dat er geen verder liggende intentie kan worden verondersteld. Hoewel ik meen dat de intentie om zich als hoorder te manifesteren op zichzelf voldoende is om het gebruik van hmm in deze positie ook als handeling te karakteriseren, raken we hier wel aan de kern van het probleem, namelijk welk geluid in de conversatie kan nog als intentioneel worden aangemerkt en welk niet meer. Zou een hoorbare inademing van K bijvoorbeeld, ook als intentioneel moeten worden aangemerkt? Op zo n vraag kan echter slechts een contextueel antwoord worden gegeven. Als die inademing ten tijde van de beëindiging van de eerste zin van L plaatsvindt, zou het antwoord anders kunnen luiden dan wanneer dat op een willekeurige plaats vindt. Kortom, er zijn kleine uitingselementen (die niet in het lexicon van een taal voorkomen) die soms zelfstandig, en soms in combinatie met andere uitingselementen de basis voor een 58

29 handeling vormen, maar soms ook slechts een intentieloze vorm van menselijk gedrag zijn. Voor taaluitingen geldt dat laatste natuurlijk nooit, maar wel geldt ook voor zinnen en zinselementen dat het afhankelijk is van de context of ze al dan niet zelfstandig een handelingsintentie uitdrukken Interpretatieprocedure De tweede vooronderstelling die ten grondslag ligt aan de poging om een beschrijving van de structuur van conversationeel taalgebruik te baseren op spreekhandelingen, betreft het idee dat er een interpretatieprocedure zou kunnen worden geformuleerd in de vorm van een (mogelijk complexe) functie waardoor verantwoordt zou kunnen worden hoe uitingen X als handeling Y wordt geïnterpreteerd. Vanwege de problemen om het definitiegebied van de functie te bepalen, zoals we hiervoor zagen, is het echter niet mogelijk om zonder kunstgrepen een dergelijke procedure te formuleren. Maar zelfs als we zo n kunstgreep toe zouden passen, en het definitie-gebied bijvoorbeeld zouden beperken tot uitingen van een welomschreven type -zeg subject-predikaat verbindingen - dan nog is het volgens Levinson (1983) onmogelijk om een algoritme te formuleren dat dergelijke uitingen met de juiste spreekhandelingen verbindt. De oorzaak daarvan ligt in het feit dat indirektheid inhoudt dat uitingen vaak interpretaties ontvangen die niet zonder meer zijn geïndiceerd door uitingselementen. Nu zou men kunnen betogen dat Gordon & Lakoff (1971) dit probleem hebben trachten op te lossen door het introduceren van conversatie-postulaten in het beschrijvingsmechanisme (zie 2.1), terwijl ook de interpretatie-regels van Labov & Fanshel (1977), van Sadock (1974) en van Wierzbicka (1991) min of meer van dezelfde orde zijn. Maar men moet dan ook vaststellen dat dergelijke postulaten en regels slechts een beperkt deel van alle indirektheids-interpretaties kunnen verantwoorden, en daarmee in feite voorbijgaan aan het kernprobleem, namelijk dat veel indirekte interpretaties afhankelijk zijn van contextuele assumpties. Alleen interpretaties van uitingen waarvan de formuleringen als verbijzondering van de elementen uit het postulaat of de regel kunnen gelden, zijn met dergelijke postulaten of interpretatieregels verantwoord. Dat zijn dus uitingen die conventioneel-indirekt zijn, en bij voorkeur de indirekte interpretatie ontvangen, onafhankelijk van contextuele assumpties. Maar het feit dat uitingen als (29) Ik zou die hele taart wel op kunnen eten 15 (30) Daar ben ik weer (31) Blijf zitten als resp. Compliment, Geruststelling en Jovialiteits expressief kunnen functioneren, laat zich niet in een generaliserend conversatiepostulaat samenvatten, wil men althans geen foute voorspellingen maken, en uitingen als 29a - 31a dezelfde strekking toewijzen. (29a) Ik kan dat hele brood wel op (30a) Dat zit er weer aan (31a) Blijf lopen Dit probleem zagen we overigens al bij de bespreking van de interpretatieregels van Labov & Fanshel in verband met de interpretatie van challenges ( 2.3.1). Biedt het idee van inferentie op basis van een letterlijke interpretatie van de spreekhandeling (zoals voorgesteld door Searle (1975) en gemodificeerd door Morgan (1978)) dan geen soelaas voor het probleem? Levinson is van mening dat dit niet het geval is: Dit idee 59

30 vooronderstelt behalve een duidelijk inzicht in de wijze waarop dergelijke inferenties verlopen, dat we zouden weten wat de letterlijke spreekhandeling is, en bovendien dat een dergelijke letterlijke spreekhandeling als uitgangspunt van het inferentieproces, actueel is voor de hoorder. Al die veronderstellingen lijken echter problemen op te roepen. Op de problemen ten aanzien van de eerste vooronderstelling ga ik niet verder in. Ik verwijs slechts naar de discussies rondom de wijze waarop mutual knowledge van de gesprekspartners in inferentieprocessen wel of niet een rol moet of kan worden toegedacht (zie Smith (1982), Sperber & Wilson (1986), Gibbs (1988)). Overigens ben ik van mening dat het feit dat er nog geen compleet inzicht bestaat in het cognitief-psychologische proces waarin inferenties tot stand komen, niet zou hoeven te verhinderen dat er in het kader van een pragmatische theorie ten aanzien van interpretatie van taaluitingen, hypotheses worden gepostuleerd omtrent de relatie tussen uitingsbetekenis en letterlijke betekenissen. Er zijn immers nog andersoortige argumenten dan die ten aanzien van het verwerkingsproces, die dergelijke hypotheses kunnen ondersteunen of problematiseren! Dat blijkt bijvoorbeeld uit de discussie rondom de tweede vooronderstelling in de hypothese dat een letterlijke interpretatie ten grondslag ligt aan een indirekte interpretatie. Die tweede vooronderstelling heeft zoals gezegd, betrekking op de mogelijkheid tot identificatie van de letterlijke spreekhandeling. Volgens o.a. Searle (1975) en Labov & Fanshel (1977) is die vooronderstelling probleemloos, op grond van de relatie die zij leggen tussen de syntactische modus en de direkte spreekhandeling. Levinson (1981) wijst er echter terecht op dat uitingen van het type (32) Mag ik u eraan herinneren dat het gebouw gesloten is? (33) Mag ik u verzoeken niet meer te roken? voorbeelden zijn waaruit blijkt dat de syntactische modus de handeling niet bepaald heeft, ook niet in een letterlijke interpretatie omdat het herinneren c.q. verzoeken al gerealiseerd wordt in de uiting zelf en niet op grond van een inferentieprocedure behoeft te worden afgeleid. In principe vindt men datzelfde verschijnsel in uitingen als in de indicatiefmodus (34) waarin een verwijzing naar toekomstig handelen van de spreker in de propositionele inhoud ligt besloten. (34) Ik zal u morgen dat boek teruggeven Alleen als men ervan uit zou gaan dat de verwerking van de syntactische modus vooraf zou gaan aan die van de propositionele inhoud zou men kunnen volhouden dat een hoorder zo n uiting pas na een letterlijke interpretatie als assertieve handeling, als een toezegging (commissief) zou interpreteren. Voor een dergelijke volgorde bestaat echter geen enkele evidentie. (Zie ook de bespreking van voorbeeld (18) in ) Kortom, wat een direkte spreekhandeling precies is en hoe die kan worden bepaald, is niet zondermeer duidelijk (cf. ook Van Rees 1981). Op zijn minst moet men met Sökeland (1980) vaststellen dat behalve de syntactische modus en performatieve formuleringen, ook typerende zinsvormen een elementaire categorie van indicatoren vormen voor de interpretatie van de basisillocutie (zie ook 1.2.2). Maar daarnaast zijn er nog aanzienlijk meer taalmiddelen die een bijdrage aan de herkenning van de spreekhandeling kunnen leveren. Austin (1962) noemde reeds (modale) adverbia, partikels, tags, propositionele inhouden, aanspreekvormen etc. als illocutieve indicatoren. Moeten dergelijke middelen nu als indicerend element van de basisillocutie worden aangemerkt? Of hebben ze betrekking op de indirekte handelingsinterpretatie? Of misschien op beide? Als we letten op een uiting als (35) (35) Kom je eigenlijk nog? 60

31 waarvan de direkte en de indirekte interpretatie zouden kunnen worden gekarakteriseerd als resp. vraag en aansporing, dan blijkt dat de contextuele assumpties die door het partikel eigenlijk worden opgeroepen, zowel op de direkte als op de indirekte interpretatie betrekking hebben. De spreker lijkt er in de vraaginterpretatie mee te duiden op het terloopse karakter van de handeling; in de directiefinterpretatie versterkt het partikel de indruk van ongeduld die al met nog wordt geïndiceerd, doordat het de assumptie oproept "het lijkt er niet op". Een karakterisering van dit partikel dat beide functies omvat, zou dan kunnen zijn het komt niet overeen met de verwachtingen, wat dan in de ene handeling uitwerkt als ik onderbreek hier even de normale loop van het gesprek, en in de andere als ik heb niet de indruk dat je de handeling die van je verwacht wordt, verricht. Hier blijkt dus dat uitingselementen niet in het bijzonder dienen voor direkte of indirekte interpretaties, maar een bepaalde functionaliteit bezitten, die in samenhang met andere uitingselementen èn met contextuele assumpties die niet worden geïndiceerd in de uiting, tot een verbijzonderde interpretatie kan leiden. Daarbij moeten we dan aannemen dat het ook mogelijk dat dergelijke uitingselementen een zo specifieke functionaliteit bezitten, dat ze potentiële interpretaties op basis van andere uitingselementen onderdrukken. Dat verklaart bijvoorbeeld de dwingende interpretaties van (32) - (34), waar een potentiële functionaliteit van de syntactische modus wordt onderdrukt door resp. performatieve werkwoorden in een afhankelijke zin, en een bijzondere propositionele inhoud. Ook in de gespreksuitingen (36) en (37), afkomstig van de arts, zouden de partikels best wel en gewoon verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor een interpretatie van de uitingen als toegeving en verklaring / verontschuldiging, doordat ze een (direkte) interpretatie van deze uitingen als beweringen, die op basis van de indicatiefmodus aan de orde zou kunnen zijn, voorkomen. [A/P-gesprekken] (36) Er zijn inderdaad best wel shampoos voor ook (37) Ik zie er gewoon vrij goede resultaten mee Maar het is tegelijkertijd duidelijk dat de karakteriseringen van (36) en (37) als toegeven resp. verklaren /verontschuldigen verder gaan dan wat in de uitingen zelf is aangegeven. In plaats van te zeggen dat die bewering-interpretaties zijn voorkómen door de partikels in kwestie, zou men dan ook beter kunnen zeggen dat de partikels slechts aspecten van de handelingen toegeven en verklaren of verontschuldigen indiceren, zoals er ook aspecten van wat we een bewering noemen, in de interpretatie van de uitingen besloten liggen, waaronder de assumptie dat de spreker gelooft wat hij zegt. Dit betekent kortom, dat al die uitingselementen in feite net als de elementen die Searle nog als grondslag aanzag voor direkte interpetaties, namelijk de performatieve werkwoorden en de syntactische modi, een kader scheppen (en daarmee soms ook restricties aanbrengen) voor mogelijke illocutieve interpretaties. Deze bevindingen en overwegingen maken het niet eenvoudig om het onderscheid direkt - indirekt te handhaven, maar zetten bovendien het hele idee van categorisch te karakteriseren illocutieve handelingen die uniek zouden worden geïndiceerd door specifieke taalmiddelen (in samenhang met welomschreven contextuele condities) op losse schroeven, naar in hoofdstuk 3 verder zal worden uitgewerkt. De derde vooronderstelling bij de procedure voor de interpretatie van indirekte spreekhandelingen zoals voorgesteld door Searle e.a., is dat de direkte interpretatie voortdurend aanwezig zou zijn. Daarmee zou die direkte interpretatie ook deel uitmaken van wat de hoorder begrijpt. 16 Deze consequentie is echter onhoudbaar, naar bijvoorbeeld Gazdar (1981) betoogt, die ondermeer op grond hiervan de letterlijke betekenis hypothese afwijst. Hij verwijst daarbij naar empirisch onderzoek van Clark & Lucy (1975) waaruit blijkt dat voor hoorders uitsluitend de indirekte interpretatie zou existeren. Ook ander psycholinguïstisch onderzoek met betrekking tot de interpretatie van diverse vormen van indirectheid (Gibbs 1984) heeft uitgewezen dat de 61

32 letterlijke betekenis van uitingen geen rol (meer) speelt als een indirekte betekenis is gekozen, en dat dus niet zondermeer van een letterlijke betekenis kan worden uitgegaan in het interpretatieproces. 17 De conclusie die uit deze kritische kanttekeningen bij een aantal centrale aspecten van de theorie m.b.t. spreekhandelingen volgt, is dat hierin het probleem van de relatie tussen uiting en functie niet is opgelost: spreekhandelingen kunnen worden beschreven in termen van essentie en vooronderstellingen, maar welke uitingen welke functies realiseren, kan niet worden voorspeld. Hierover moet men echter minder verbaasd zijn dan Levinson (1983) lijkt te zijn. Immers, als het juist is om spreekhandelingen als functies te karakteriseren, moet men met Gazdar (1981) vaststellen dat het daarbij in formele zin gaat om functies van uitingsbetekenissen in contexten. 18 Zo is er ook door Austin reeds over speech acts gesproken. En daarbij kan het niet anders of minimale betekenis-verschuivingen en/of minimale contextverschuivingen impliceren dat de functies die op basis van lexicologische taaldata zijn gespecificeerd, niet meer aan de orde zijn, zonder dat we precies in staat zijn aan te geven wat er wel voor functies in het geding zijn. Maar een andere (ernstiger) consequentie is, dat het principieel niet mogelijk is om interpretatie-regels (m.b.t. spreekhandelingen) te formuleren voor uitingen, zonder daarbij een specificatie van de contextuele omstandigheden te geven. En waar die mogelijke contexten oneindig zijn, (en tevens onbepaalbaar voor wat betreft de interpretatie door de hoorder), zijn interpretatie-regels zelfs m.b.t. de zogenaamde direkte spreekhandelingen, niet mogelijk. Om met Sperber & Wilson (1986) te spreken, er is niet sprake van een code-communicatie maar van ostensief-inferentiële communicatie als er taalactiviteiten in het spel zijn. Iedere uiting moet voor z n interpretatie contextueel worden aangevuld. De gepresenteerde uiting levert een propositionele inhoud, aangevuld met aanwijzingen omtrent de functie van de uiting. Dergelijke aanwijzingen zijn te beschrijven als indicaties voor (contextuele) assumpties die een bijdrage leveren aan de bepaling van de functie. Ze worden geleverd door allerlei elementen in de uiting, waaronder syntactische modus, propositionele inhoud en partikels. Het categorische onderscheid tussen direkte en indirekte interpretaties is daarmee vervallen, evenals waarschijnlijk de categorische afgrenzingen van illocutionaire handelingen. In plaats daarvan moeten we spreken over interpretaties die meer of minder aanvullende contextuele assumpties vereisen, die bovendien meer of minder in de uiting geïndiceerd kunnen zijn Waarde van het illocutie-concept De verkenningen in dit hoofdstuk van de mogelijkheden om relationeel taalgebruik binnen de spreekhandelingen theorie te verantwoorden, hebben talrijke problemen laten zien. Als er al mogelijkheden leken te zijn, vergden die een ingrijpende aanpassing van het gehele raamwerk. In de voorgaande paragrafen bleek het bovendien problematisch om een systematische beschrijving van de conversationele structuur te baseren op illocutieve handelingen, omdat noch de identificatie van de uitingseenheden die eraan ten grondslag liggen, noch de interpretatie-procedure, losgedacht kan worden van contextuele aspecten. Wat voor consequenties moeten hieruit getrokken worden? Een radicale consequentie die men zou kunnen verbinden aan deze problemen rondom spreekhandelingen, is het concept illocutieve spreekhandeling in de beschrijving van het taalgebruik geheel te elimineren 19. Als het immers onmogelijk blijkt te zijn om systematisch uitingen met illocutieve functies te verbinden, en we bovendien m.b.t. allerlei spreekhandelingen (in de zin van uitingsbetekenissen in contexten) niet eens over lexicale aanduidingsmiddelen beschikken - dan is het toch niet te verantwoorden aan dit concept een centrale rol te blijven 62

33 toekennen? Anderzijds valt niet te ontkennen dat het handelingskarakter van het taalgebruik in de communicatie ervaren wordt, wat bijvoorbeeld blijkt uit rapportages ten aanzien van communicatieve bijdragen van anderen. Tevens blijkt dat er in de interactie vaak allerlei elementen van spreekhandelingsbetekenissen onderkend worden, getuige responsuitingen, en dat er op momenten van metacommunicatie (of van formele communicatie) gerefereerd wordt aan performatieve begrippen, om duidelijk te maken wat er geïntendeerd is, of wat er geïnterpreteerd is. We zullen dus moeten zoeken naar een beschrijvingswijze die dergelijke aspecten van het handelingsbegrip incorporeert, waarbij vanuit empirische taalgebruiksverschijnselen wordt gestart, maar waarin wel een systematische verantwoording van de verschijnselen kan worden gerealiseerd. In het volgende hoofdstuk zal ik daarom in aansluiting op de hier beschreven situatie een schets geven van een alternatieve wijze van beschrijving van spreekhandelingen. Daarbij zal ik de spreekhandeling karakteriseren als een in principe gefragmentariseerde activiteit die op verschillende functionele dimensies betrekking kan hebben, waarvan de componenten geïndiceerd worden door een veelheid aan taalgebruiksverschijnselen, op allerlei niveaus. Als de spreekhandeling benoemd wordt (of op basis van conventies benoembaar is), betekent dit dat die spreekhandeling als een (meer of minder) geïntergreerd geheel geïntendeerd en/of begrepen wordt. Dit zal echter een marginaal verschijnsel blijken te zijn in conversaties. Voor die gevallen reserveer ik dan de term illocutieve handeling. Voor het overige spreek ik over de functionele dimensies van de spreekhandeling, en in het kader van deze studie, met name van de relationele dimensie ervan. Het probleem van de interpretatie van de illocutieve handelingen in konkreet taalgebruik, is daarmee teruggebracht tot een probleem van de interpretatie van de indicaties t.a.v. deze of gene functionele dimensie in het taalgebruik. En er is binnen dit gefragmenteerde kader tevens alle ruimte om intenties als uitgangspunt te nemen voor de beschrijving van strategieën waarmee het taalgebruik kan worden verantwoord. 63

34 NOTEN bij Hoofdstuk 2 1. Opmerkelijk genoeg vinden we bij Searle (1969/1975) het idee dat de illocutieve handeling ook voor de semantische beschrijving van uitingen de centrale categorie vormt. Zoals Chomsky (1975) in een scherpe kritiek op Searle echter terecht stelt, is dit de omkering van de dingen. Het concept illocutieve handeling levert niet een semantische beschrijving, maar veronderstelt er een (vgl ). Bij auteurs als Wunderlich (1972/1976/1979) die zich betrekkelijk zelfstandig op Austin oriënteren, vinden we dergelijke misvattingen echter nooit, maar wordt een (contextvrije) semantische interpretatie van een uiting vooraf gedacht aan een contextgebonden interpretatie van de illoctieve indicatoren van een uiting. Overigens lijkt deze misvatting van Searle van dezelfde orde als die van Bühler (1934) t.a.v. de wijze waarop de verhouding tussen de verschillende taalfuncties moest worden gedacht. (Zie ook Reichling 1939/1967: 32 e.v.). 2. Het is natuurlijk niet waar dat er in het geheel geen aandacht zou zijn besteed aan perlocuties: In Cohen (1981) en Davis (1980) bijvoorbeeld wordt het concept zorgvuldig geanalyseerd, en bij de pragmatische argumentatie-theoretici vormt het de concept de basis voor de beschrijving van overtuigen; dat vormt de perlocutieve handeling die in het verlengde kan worden gedacht van het illocutieve handelingscomplex argumenteren (Van Eemeren & Grotendorst 1982). In empirisch onderzoek is het voor zover mij bekend, echter zelden of nooit benut. Verschueren(1985) spreekt in dit verband over een nog ontbrekend gedeelte van de gehele speech act-theorie. 3. In Searle & Vanderveken (1985) worden de noties perlocutionary effect en perlocutionary act wel weer genoemd; maar vanwege de onmogelijkheid een linguïstische conventie te formuleren die bepaalt dat een uiting zo en zo geldt als de realisatie van een dergelijke perlocutieve handeling, zijn dergelijke handelingen volgens de auteurs niet linguïstisch van aard, en moeten ze daarom strikt worden onderscheiden van de illocutieve handelingen. Dat komt m.a.w. geheel overeen met het standpunt van Austin hieromtrent. 4. Dit principe heeft overigens een twijfelachtige status zoals bijvoorbeeld Verhagen (1977) al betoogde. Niet alleen is het niet-falsifieerbaar, het brengt ook een ongewenste verwarring teweeg tussen de taken van de semantiek en de pragmatiek, door de principiële gelijkstelling tussen betekenissen van zinnen en contextuele interpretaties van uitingen. 5. In uitzonderingsgevallen kan deze inhoud ook bestaan uit een nominale of prepositionele constituent, of zelfs niets, met name bij de declaratieven en de expressieven; meestal is de perforatieve uitdrukking dan ook in de uiting aanwezig (Ik doop dit schip Neeltje; Gefeliciteerd met je verjaardag), maar noodzakelijk is dat niet, zoals blijkt uit groeten (Hallo = Ik groet je) (Searle 1969). 6. Opmerkelijk is dat in Searle & Vanderveken (1985) niet meer over dimensies wordt gesproken, maar dat er nu 7 componenten van de illocutieve kracht worden genoemd, waarvan slechts één nog als criterium blijkt te fungeren voor de (vertrouwde) taxonomie, namelijk "directness of fit" (p.51 e.v.). 7. Het is niet geheel duidelijk in hoeverre Labov & Fanshel (1977) van mening zijn dat (indirekte) interpretaties uitputtend kunnen worden beschreven in interpretatie-regels. De aanzet is op die volledigheid gericht, maar m.n. waar het de directief-interpretatie betreft van een uiting, stellen ze (na een groot aantal typen uitingen genoemd te hebben in termen van propositionele inhouden waarin gerefereerd wordt aan condities voor een directief) dat het waarschijnlijk onmogelijk is om die volledigheid te bereiken: "It is clear that there are an unlimited number of ways in which we can refer to the preconditions, and this poses a serious problem if we want to make firm connections between these discourse rules and actual sentence production(...) ; the end result is a very large, open set of possible indirect requests." (a.w. 84). Om vergelijkbare redenen is het onmogelijk om alle challenge-interpretaties in regels te voorspellen. De interpretatie-regels die hier gegeven worden, moeten dan ook beschouwd worden als een subset van een onbepaalde verzameling. 64

35 8. Ook door Searle (1975) wordt niet gesteld dat uitingen van het type Kunt u mij het zout aangeven? eerst geïnterpreteerd worden als vraag om informatie, hoewel hij niet een bevredigende verklaring heeft voor de rechtstreekse directief-interpretatie ("short circuited inference"). In Morgan(1978) wordt echter een betere verklaring gegeven, in termen van processen van ideomatisering. 9. De notie betrekkingsaspekt zoals gebruikt bij Holly en ook bij Sager, is ontleend aan het werk van Watzlawick e.a. (1968), die daarmee een verschil t.o.v. de eigenlijke referentiële inhoud van een uiting aanduiden. Onder het betrekkingsaspekt werden alle expressieve en sociale betekeniscomponenten verstaan die veelal impliciet in de uiting gerepresenteerd zijn, en die het inhoudsaspekt op een bepaalde manier kleuren. Hoewel bij Holly en Sager de nadruk ligt op de relationele informatie die een spreker uitdrukt, is bij beide auteurs toch ook nog het expressieve element (waarin de spreker iets omtrent zichzelf meedeelt!) in hun gebruik van het begrip betrekkingsaspekt begrepen. In de weergave van de zienswijzen van beide auteurs zal ik dit expressieve aspekt volledigheidshalve opnemen; ik zal er echter geen verdere besprekingen aan wijden (zie daarvoor Bax 1985), en het begrip betrekkingsaspekt zelf benutten als aanduiding van de intermenselijke verhoudingen die een spreker in zijn taalgebruik creëert, verandert, of bevestigt. 10. Holly postuleert die simultane realisatie van verschillende illocutieve handelingen in discussie met voorstellen van Keller (1979) en Wiegand (1979), waarin ter verantwoording van de relationele betekenisaspekten van uitingen een nieuw type deelhandeling, de kollokutionäre Handlung was voorgesteld, naast de propositionele en de illocutieve handeling. 11. Deze 4 sub-categorieën treffen we bij Holly aan als de 4 evaluatieve aspecten die aan de zetten in de rituele patronen (dus ook aan de illocutieve handelingen) vallen te onderkennen (Holly 1979:118). 12. Opmerkelijk is dat zowel Holly, als Sager als Adamzik deze strikte dichotomie in de een of de andere zin handhaven, terwijl ze zich ook alle drie in kritische zin hebben uitgelaten over het simplificerende karakter ervan. Adamzik b.v. verwijt Holly dat hij door de gelijkstelling van de categorieën "illocutie" en "betrekkingsaspekt", dezelfde fout maakt als Watzalawick et al die het betrekkingsaspekt gelijk stelden met "analoge" communicatie, omdat niettalige aspecten zo n duidelijk beeld geven van de emotionele instellingen van de taalgebruikers, terwijl deze aspecten op grond daarvan slechts als een van de middelen voor de vormgeving van betrekkingen zouden mogen worden beschouwd. (Adamzik 1984:109) 13. Voor sommige vakgenoten is externe kritiek niet interessant. Verschueren (1985) bijvoorbeeld stelde naar aanleiding van o.a. het kritische commentaar van Levinson (1983) over de mogelijkhden van de s.a.-theorie om conversationeel taalgebruik te beschrijven, dat daarmee een vorm van oneigenlijke kritiek zou worden gegeven, omdat een dergelijke eis de doelen van de s.a.-theorie zou overstijgen. 14. Levinson (1981) stelt dat een eerste vooronderstelling is dat er een één-op-één correspondentie bestaat tussen handelingseenheden en uitingseenheden; hij kritiseert die vooronderstelling, omdat we reeds op basis van het eenvoudigste voorbeeld moeten vaststellen dat er tegelijkertijd meerdere intenties aan een uiting kunnen worden toegeschreven, die onderling (mogelijk) hiërarchisch kunnen zijn geordend. Hoewel men misschien nog van het inferentiemechanisme dat Searle voorstelde kan stellen dat deze veronderstelling aanwezig is (maar ook dat is twijfelachtig, gelet op de wijze waarop Searle spreekt over alternatieve interpretaties), kan dit zeker niet gesteld worden van de procedure bij Labov & Fanshel, die een simultane functionaliteit toeschrijven aan uitingen. Waarschijnlijk geldt deze vooronderstelling dan ook alleen voor de conversatie-postulaten van Gordon & Lakoff (1971). 15. Dit voorbeeld is ontleend aan Levinson (1981). Het boeiende van dit voorbeeld is bovendien dat het duidelijk maakt, dat er tegelijkertijd meerdere handelings-interpretaties geactualiseerd kunnen zijn: behalve een compliment, is een interpretatie als verzoek ook denkbaar, zonder dat dit die eerste interpretatie opheft. Dat wijst er dus op dat de propositionele inhoud van de uiting een uitgangspunt vormt voor inferentie-processen, die steeds meer contextuele assumpties vereisen, en op meerdere momenten tot een voltooiïng kunnen komen. 16. In feite gaat het bij dit idee om een verbijzondering van het non-detachability -kenmerk dat Grice (1975) heeft geformuleerd als een van de definiërende eigenschappen van conversationele implicaturen inhoudend dat de implicaturen gebaseerd zijn op de betekenis van de uiting, en niet op de vorm ervan. Sadock (1978) heeft echter reeds duidelijk gemaakt dat dit criterium in zijn algemeenheid niet kan worden gehandhaafd, omdat het impliceert dat 65

36 uitingen die synoniem zijn (in de zin dat ze dezelfde waarheidscondities bezitten) ook dezelfde (standaard-)implicaturen zouden kennen, wat niet het geval is. Als voorbeeld noemt Sadock de synonieme zinnen Bill ate some of the cake en Bill ate some and perhaps all off the cake. In de tweede zin is de betekenis van some omschreven, en daarom zijn beide zinnen synoniem. Maar het is duidelijk dat de uit eerste zin wel, maar uit de tweede niet de conversationele implicatuur volgt Bill did not eat all of the cake. 17. Daarbij doet zich echter wel een probleem voor dat soms voor verwarring zorgt in de literatuur hieromtrent: wat moet precies als "letterlijke betekenis" worden aangemerkt? Zo stellen Sperber & Wilson bijvoorbeeld zich enerzijds nadrukkelijk op tegenover Grice voor wie de letterlijke betekenis als een resultaat van decodeer-processen het uitgangspunt is voor nadere inferenties in geval van "implicatures". Zij stellen daartegenover dat de propositionele inhoud van de uiting ook al het resultaat is van een inferentie-proces die de logische vorm en de modus van de uiting (het geheel aangeduid als de semantische representatie) tot uitgangspunt neemt, maar postuleren voor het overige (zoals Gibbs (1987) in een bespreking van Sperber & Wilson (1986) ook stelt), dat de assumptie die op de propositionele inhoud aansluit (de "explicatuur") het uitgangspunt vormt voor inferenties die tot "implicaturen" leiden. Daarmee representeren zij ook een versie van de "literal meaning"-hypothese, alleen in een wat subtielere vorm. Gibbs (1987) die deze opvatting kritiseert op grond van dezelfde overwegingen als Gazdar, gaat aan deze nuancering voorbij, en maakt evenmin duidelijk op welke wijze de stimulus-uiting dan wel verbonden moet worden gedacht met de geïnfereerde interpretaties. In dat verband is het model van Sperber & Wilson echter een zinvol uitgangspunt, omdat het (in navolging van Fodor (1983)) de verwerking van uitingen opsplitst in een geautomatiseerd input-proces, waarin de decodering plaatsvindt tot een logische vorm, en een verwerking in een centraal systeem die leidt tot een propositionele vorm en tot assumpties op basis van inferenties, zowel explicaturen als implicaturen. Zonder dit idee in dit kader verder uit te werken en van nadere empirische evidentie te voorzien, zou men het model in die zin echter kunnen verfijnen, dat in het geval er sterke contextuele verwachtingen zijn omtrent de aard van wat er gecommuniceerd moet worden, of als er conventies bestaan omtrent de interpretatie van bepaalde logische vormen, de fase van de verwerking tot een explicatuur niet plaats vindt, doch dat dan contextuele assumptie-schema s en encyclopedische (of perceptuele assumpties) geactiveerd worden waarin aspecten van de logische vorm worden benut om te komen tot relevante interpretaties die de status van implicaturen bezitten. 18. Gazdar karakteriseert die functie in termen van contextuele veranderingen die worden aangebracht, en wijkt in dat opzicht af van de klassieke benadering van spreekhandelingen (1981: 68)); zijn karakterisering van de formele status van spreekhandelingen als functies van uitingen in contexten, is niettemin ook van toepassing op de benaderingswijze van Searle. 19. Een variant op die eliminatie van het concept illocutie is de losmaking van alle vormen van indirektheid van het concept, zoals bijvoorbeeld Hartveldt (1987) doet, die als definiëring geeft: "illocution is fully conventionalized and associated with form, whereas intended perlocution stands for (partly) conventionalized effects and for nonconventionalized effects."(a.w.73). Afgedacht van het voordeel dat op deze wijze de perlocutie-notie weer geïntegreerd zou kunnen worden in de beschrijving, biedt deze gedachte die op het eerste gezicht slechts tot een verschuiving van de problemen aanleiding lijkt te geven (en voor Hartveldt ook vooral als een rechtvaardiging van de eliminering van de problemen ten aanzien van de relatie vorm-functie problematiek m.b.t. spreekhandelingen fungeert) toch wel enige aanknopingspunten in de functionele fragmentatie-theorie zoals die in het hoofdstuk 3 wordt ontwikkeld. 66

Taalhandelingen (speech acts)

Taalhandelingen (speech acts) Taalhandelingen (speech acts) Discourse-analyse Rick Nouwen 1 De oorsprong van taalhandelingen Logisch-positivisme: nadruk op zinnen die een waarheidswaarde hebben. Vanaf Wittgenstein II: nadruk op alle

Nadere informatie

Luisteren: Elke taaluiting is relevant

Luisteren: Elke taaluiting is relevant Emma van Bijnen ADR Instituut 1 Luisteren: Elke taaluiting is relevant Niet de directe betekening van de bijdrage, maar de intentie van de spreker Er zijn ontelbaar veel verschillende dingen die partijen

Nadere informatie

Pragmatiek. 6 juni 2009

Pragmatiek. 6 juni 2009 Pragmatiek 6 juni 2009 Semantiek - Betekenis gedefinieerd in termen van verwijzing naar de werkelijkheid buiten de taal (denotatie) [[Jantje]] = het individu Jantje [[slaapt]] = de verzameling van slapende

Nadere informatie

Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding. G.J.E. Rutten

Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding. G.J.E. Rutten 1 Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding G.J.E. Rutten Introductie In dit artikel wil ik het argument van de Amerikaanse filosoof Alvin Plantinga voor

Nadere informatie

Logica 1. Joost J. Joosten

Logica 1. Joost J. Joosten Logica 1 Joost J. Joosten Universiteit Utrecht (sub)faculteit der Wijsbegeerte Heidelberglaan 8 3584 CS Utrecht Kamer 158, 030-2535579 [email protected] www.phil.uu.nl/ jjoosten (hier moet een tilde

Nadere informatie

Semantiek 1 college 8. Jan Koster

Semantiek 1 college 8. Jan Koster Semantiek 1 college 8 Jan Koster 1 Vandaag Vorige keer: constructie van betekenis in relatie tot situatie en context Vandaag: taalhandelingstheorie Speech acts, taalhandelingen, taaldaden Idee: taaluitingen

Nadere informatie

Woord en wereld Een inleiding tot de taalfilosofie

Woord en wereld Een inleiding tot de taalfilosofie Woord en wereld Een inleiding tot de taalfilosofie Filip Buekens Acco Leuven / Den Haag Hoofdstuk I. Freges uitgangspunten 11 I.1 De semantische dimensie van taal 11 I.2 Proposities: Freges kernstellingen

Nadere informatie

The expression of modifiers and arguments in the noun phrase and beyond van Rijn, M.A.

The expression of modifiers and arguments in the noun phrase and beyond van Rijn, M.A. UvA-DARE (Digital Academic Repository) The expression of modifiers and arguments in the noun phrase and beyond van Rijn, M.A. Link to publication Citation for published version (APA): van Rijn, M. A. (2017).

Nadere informatie

Discourse. 4. Discourse. Opdracht 4.1

Discourse. 4. Discourse. Opdracht 4.1 4. Discourse Opdracht 4.1 Vraag: In voorbeeld (25) in dit hoofdstuk wordt een tekstfragment gepresenteerd waarin de samenhang ontbreekt. Teksten zonder samenhang zijn kenmerkend voor mensen met schizofrenie.

Nadere informatie

Laag Vaardigheden Leerdoelen Formulering van vragen /opdrachten

Laag Vaardigheden Leerdoelen Formulering van vragen /opdrachten Blooms taxonomie Laag Vaardigheden Leerdoelen Formulering van vragen /opdrachten Evalueren Evalueren = de vaardigheid om de waarde van iets (literatuur, onderzoeksrapport, presentatie etc) te kunnen beoordelen

Nadere informatie

Essay. Norbert Vogel* Morele feiten bestaan niet

Essay. Norbert Vogel* Morele feiten bestaan niet Essay Norbert Vogel* Morele feiten bestaan niet Ethici onderscheiden zich van gewone mensen doordat zij niet schijnen te weten wat morele oordelen zijn. Met behulp van elkaar vaak uitsluitende ismen trachten

Nadere informatie

De Taxonomie van Bloom Toelichting

De Taxonomie van Bloom Toelichting De Taxonomie van Bloom Toelichting Een van de meest gebruikte manier om verschillende kennisniveaus in te delen, is op basis van de taxonomie van Bloom. Deze is tussen 1948 en 1956 ontwikkeld door de onderwijspsycholoog

Nadere informatie

TAALFILOSOFIE. Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS?

TAALFILOSOFIE. Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS? TAALFILOSOFIE Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS? GOTTLOB FREGE (1848 1925) Uitvinder moderne logica Vader van de taalfilosofie BEGRIFFSCHRIFT (1879) Bevat moderne propositie en predicaten-logica Syllogistiek

Nadere informatie

Luister alsjeblieft naar een opname als je de vragen beantwoordt of speel de stukken zelf!

Luister alsjeblieft naar een opname als je de vragen beantwoordt of speel de stukken zelf! Martijn Hooning COLLEGE ANALYSE OPDRACHT 1 9 september 2009 Hierbij een paar vragen over twee stukken die we deze week en vorige week hebben besproken: Mondnacht van Schumann, en het eerste deel van het

Nadere informatie

S e v e n P h o t o s f o r O A S E. K r i j n d e K o n i n g

S e v e n P h o t o s f o r O A S E. K r i j n d e K o n i n g S e v e n P h o t o s f o r O A S E K r i j n d e K o n i n g Even with the most fundamental of truths, we can have big questions. And especially truths that at first sight are concrete, tangible and proven

Nadere informatie

Samenvatting. Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld

Samenvatting. Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld Samenvatting Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld om hen heen. Zo hebben vele mensen een natuurlijke neiging om zichzelf als bijzonder positief te beschouwen (bijv,

Nadere informatie

STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING. Inleiding

STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING. Inleiding STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING Inleiding De door leidinggevenden gehanteerde stijlen van beïnvloeding kunnen grofweg in twee categorieën worden ingedeeld, te weten profileren en respecteren. Er zijn twee profilerende

Nadere informatie

Taxanomie van Bloom en de kunst van het vragen stellen. Anouk Mulder verschil in talent

Taxanomie van Bloom en de kunst van het vragen stellen. Anouk Mulder verschil in talent Onthouden Kunnen ophalen van specifieke informatie, variërend van feiten tot complete theorieën Opslaan en ophalen van informatie (herkennen) Kennis van data, gebeurtenissen, plaatsen Kennis van belangrijkste

Nadere informatie

Dit artikel uit Netherlands Journal of Legal Philosophy is gepubliceerd door Boom juridisch en is bestemd voor anonieme bezoeker

Dit artikel uit Netherlands Journal of Legal Philosophy is gepubliceerd door Boom juridisch en is bestemd voor anonieme bezoeker Sanne Taekema (Tilburg) Sanne Taekema, The concept of ideals in legal theory (diss. Tilburg), Tilburg: Schoordijk Instituut 2000, vii + 226 p.; Den Haag: Kluwer Law International 2002, ix + 249 p. Idealen

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) Introductie In dit proefschrift evalueer ik de effectiviteit van de academische discussie over de ethiek van documentaire maken. In hoeverre stellen wetenschappers de juiste

Nadere informatie

Je eigen persoon zijn

Je eigen persoon zijn Je eigen persoon zijn Artikel Een reactie op Lynne Rudder Bakers On Being One s Own Person Christiane E. Seidel In On Being One s Own Person (2004) presenteert Lynne Rudder Baker haar zienswijze op de

Nadere informatie

Reactie op SEO-studie naar welvaartseffecten van splitsing energiebedrijven

Reactie op SEO-studie naar welvaartseffecten van splitsing energiebedrijven CPB Notitie Datum : 6 juli 2006 Aan : Ministerie van Economische Zaken Reactie op SEO-studie naar welvaartseffecten van splitsing energiebedrijven 1 Inleiding Op 5 juli 2006 heeft SEO, in opdracht van

Nadere informatie

Paper beschrijft het probleem (de wens) en motiveert de keuze hiervoor, zij het enigszins schetsmatig.

Paper beschrijft het probleem (de wens) en motiveert de keuze hiervoor, zij het enigszins schetsmatig. Paper 1 Ontwerpplan Criterium Onvoldoende Voldoende Ruim voldoende Excellent Probleembeschrijving Paper maakt niet duidelijk welk probleem (welke wens) centraal staat en om welke reden. Paper beschrijft

Nadere informatie

Samenvatting. Vermijd de naamwoordstijl! Een onderzoek naar de houdbaarheid van een schrijfadvies.

Samenvatting. Vermijd de naamwoordstijl! Een onderzoek naar de houdbaarheid van een schrijfadvies. Vermijd de naamwoordstijl! Een onderzoek naar de houdbaarheid van een schrijfadvies. In dit proefschrift stel ik de vraag hoe adequaat het advies vermijd de naamwoordstijl tegemoet komt aan de behoefte

Nadere informatie

Rapportgegevens Nederlandse persoonlijkheidstest

Rapportgegevens Nederlandse persoonlijkheidstest Rapportgegevens Nederlandse persoonlijkheidstest Respondent: Johan den Doppelaar Email: [email protected] Geslacht: man Leeftijd: 37 Opleidingsniveau: hbo Vergelijkingsgroep: Nederlandse beroepsbevolking

Nadere informatie

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl)

Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl) Nederlands (nieuwe stijl) en Nederlands, leesvaardigheid (oude stijl) Examen VWO Vragenboekje Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Maandag 19 mei 9.00 12.00 uur 20 03 Voor dit examen zijn

Nadere informatie

Samenvatting Zoeken naar en leren begrijpen van speciale woorden Herkenning en de interpretatie van metaforen door schoolkinderen

Samenvatting Zoeken naar en leren begrijpen van speciale woorden Herkenning en de interpretatie van metaforen door schoolkinderen Samenvatting Zoeken naar en leren begrijpen van speciale woorden Herkenning en de interpretatie van metaforen door schoolkinderen Onderzoek naar het gebruik van metaforen door kinderen werd populair in

Nadere informatie

Basisbegrippen van de taalwetenschap: Pragmatiek

Basisbegrippen van de taalwetenschap: Pragmatiek Basisbegrippen van de taalwetenschap: Pragmatiek Marc van Oostendorp [email protected] 15 november 2004 Pragmatiek Wat is pragmatiek? Voorbeelden Definitie en subdisciplines Taalhandelingentheorie

Nadere informatie

Four-card problem. Input

Four-card problem. Input Four-card problem The four-card problem (also known as the Wason selection task) is a logic puzzle devised by Peter Cathcart Wason in 1966. It is one of the most famous tasks in the study of deductive

Nadere informatie

COöPERATIVITEIT EN AGRESSIE

COöPERATIVITEIT EN AGRESSIE HOOFDSTUK 8 COöPERATIVITEIT EN AGRESSIE 8.0 Oriëntatie In de voorgaande hoofdstukken omtrent verbondenheid en dominantie is al enkele keren de samenhang met aspecten van coöperativiteit ter sprake gekomen.

Nadere informatie

Workshop voorbereiden Authentieke instructiemodel

Workshop voorbereiden Authentieke instructiemodel Workshop voorbereiden Authentieke instructiemodel Workshop voorbereiden Uitleg Start De workshop start met een echte, herkenbare en uitdagende situatie. (v.b. het is een probleem, een prestatie, het heeft

Nadere informatie

Niet-feitelijke waarheden (2)

Niet-feitelijke waarheden (2) Niet-feitelijke waarheden (2) Emanuel Rutten Wat is waarheid? Er zijn weinig wijsgerige vragen die vaker zijn gesteld dan deze. In wat volgt ga ik er niet rechtstreeks op in. In plaats daarvan wil ik een

Nadere informatie

Eindexamen Filosofie vwo II

Eindexamen Filosofie vwo II 3 Antwoordmodel Opgave 1 De empirische werkelijkheid 1 Een goed antwoord bevat de volgende elementen: een goede uitleg van wat het verificatie- en het confirmatieprincipe inhouden 2 een goede uitleg dat

Nadere informatie

Advies 28. 2.2 De door klager gewenste (en niet verkregen) aanpassingen betreffen:

Advies 28. 2.2 De door klager gewenste (en niet verkregen) aanpassingen betreffen: Advies 28 1. Feiten 1.1 Beklaagde is een Europese niet-openbare aanbesteding gestart voor een opdracht met betrekking tot IT-dienstverlening en draadloze netwerkinfrastructuur bestaande (ondermeer) uit

Nadere informatie

i(i + 1) = xy + y = x + 1, y(1) = 2.

i(i + 1) = xy + y = x + 1, y(1) = 2. Kenmerk : Leibniz/toetsen/Re-Exam-Math A + B-45 Course : Mathematics A + B (Leibniz) Date : November 7, 204 Time : 45 645 hrs Motivate all your answers The use of electronic devices is not allowed [4 pt]

Nadere informatie

Samenvatting. Fouten en identiteitsbedreiging: Een intergroepsperspectief op het omgaan met fouten in organisaties

Samenvatting. Fouten en identiteitsbedreiging: Een intergroepsperspectief op het omgaan met fouten in organisaties Samenvatting Fouten en identiteitsbedreiging: Een intergroepsperspectief op het omgaan met fouten in organisaties In dit proefschrift stel ik dat fouten een bedreiging van de sociale identiteit kunnen

Nadere informatie

De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid

De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid Kees van den Bos De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid In deze bijdrage wordt sociaal-psychologisch onderzoek naar sociale rechtvaardigheid besproken. Sociaal-psychologen

Nadere informatie

Samenvatting. (Summary in Dutch)

Samenvatting. (Summary in Dutch) (Summary in Dutch) 142 In dit proefschrift is de rol van de gezinscontext bij probleemgedrag in de adolescentie onderzocht. We hebben hierbij expliciet gefocust op het samenspel met andere factoren uit

Nadere informatie

Rijke Lessen. zetten je aan het denken. Handleiding(etje) Minka Dumont 26 november 2009 SLO - Landelijke Plusklasnetwerkdag

Rijke Lessen. zetten je aan het denken. Handleiding(etje) Minka Dumont 26 november 2009 SLO - Landelijke Plusklasnetwerkdag Rijke Lessen zetten je aan het denken Minka Dumont 2009 www.lesmateriaalvoorhoogbegaafden.com Handleiding(etje) Minka Dumont 26 november 2009 SLO - Landelijke Plusklasnetwerkdag Onthouden Kunnen ophalen

Nadere informatie

Weet u wanneer deze boerderij gebouwd is?

Weet u wanneer deze boerderij gebouwd is? Taalkundige onderbouwing voor docenten van het lespakket Pragmatiek In dit bestand zal ik de wetenschappelijke onderbouwing van de lessenreeks Pragmatiek bespreken. Over het algemeen is de reeks gebaseerd

Nadere informatie

Ronde 7. Pragmatiek in de taalbeschouwing. 1. Inleiding. 2. Taalhandelingen als institutionele handelingen

Ronde 7. Pragmatiek in de taalbeschouwing. 1. Inleiding. 2. Taalhandelingen als institutionele handelingen Ronde 7 William Van Belle KU Leuven Contact: [email protected] Pragmatiek in de taalbeschouwing 1. Inleiding In de (toekomstige) eindtermen van de 2 e en 3 e graad van het secundair onderwijs

Nadere informatie

Het nutteloze syllogisme

Het nutteloze syllogisme Het nutteloze syllogisme Victor Gijsbers 21 februari 2006 De volgende tekst is een sectie uit een langer document over het nut van rationele argumentatie dat al een jaar onaangeraakt op mijn harde schijf

Nadere informatie

FOR DUTCH STUDENTS! ENGLISH VERSION NEXT PAGE

FOR DUTCH STUDENTS! ENGLISH VERSION NEXT PAGE FOR DUTCH STUDENTS! ENGLISH VERSION NEXT PAGE Tentamen Analyse 6 januari 203, duur 3 uur. Voeg aan het antwoord van een opgave altijd het bewijs, de berekening of de argumentatie toe. Als je een onderdeel

Nadere informatie

Opgave 2 Doen wat je denkt

Opgave 2 Doen wat je denkt Opgave 2 Doen wat je denkt 7 maximumscore 2 een argumentatie waarom Swaab het bestaan van vrije wil verwerpt op grond van de experimenten van Libet: bewustzijn komt pas na de beslissingen van de hersenen

Nadere informatie

Linking the Customer Purchase Process to E-commerce

Linking the Customer Purchase Process to E-commerce Samenvatting Elektronische handel verandert fundamenteel de manier waarop consumenten goederen en diensten kopen. E-commerce is het kopen en verkopen van producten of diensten via elektronische systemen

Nadere informatie

Beoordelingscriteria scriptie Nemas HRM

Beoordelingscriteria scriptie Nemas HRM Beoordelingscriteria scriptie Nemas HRM Instructie Dit document hoort bij het beoordelingsformulier. Op het beoordelingsformulier kan de score per criterium worden ingevuld. Elk criterium kan op vijf niveaus

Nadere informatie

Niveaus van het Europees Referentiekader (ERK)

Niveaus van het Europees Referentiekader (ERK) A Beginnend taalgebruiker B Onafhankelijk taalgebruiker C Vaardig taalgebruiker A1 A2 B1 B2 C1 C2 LUISTEREN Ik kan vertrouwde woorden en basiszinnen begrijpen die mezelf, mijn familie en directe concrete

Nadere informatie

The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra

The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra Samenvatting Dit onderzoek heeft als onderwerp de invloed van het Europees Verdrag

Nadere informatie

TAALFILOSOFIE. Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS?

TAALFILOSOFIE. Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS? TAALFILOSOFIE Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS? GOTTLOB FREGE (1848 1925) Logische Untersuchungen Der Gedanke Die Verneinung Gedankengefüge DER GEDANKE Logica waarheid Logica kunst van het geldig

Nadere informatie

Beoordelingscriteria scriptie Nemas HRM

Beoordelingscriteria scriptie Nemas HRM Beoordelingscriteria scriptie Nemas HRM Instructie Dit document hoort bij het beoordelingsformulier. Op het beoordelingsformulier kan de score per criterium worden ingevuld. Elk criterium kan op vijf niveaus

Nadere informatie

Niveaus Europees Referentie Kader

Niveaus Europees Referentie Kader Niveaus Europees Referentie Kader Binnen de niveaus van het ERK wordt onderscheid gemaakt tussen begrijpen, spreken en schrijven. Onder begrijpen vallen de vaardigheden luisteren en lezen. Onder spreken

Nadere informatie

Welke factoren beïnvloeden het gezamenlijk leren door leraren? Een systematische literatuurreview Thurlings, M.C.G.; den Brok, P.J.

Welke factoren beïnvloeden het gezamenlijk leren door leraren? Een systematische literatuurreview Thurlings, M.C.G.; den Brok, P.J. Welke factoren beïnvloeden het gezamenlijk leren door leraren? Een systematische literatuurreview Thurlings, M.C.G.; den Brok, P.J. Published in: Onderwijs Research Dagen(ORD), 11-12 Juni 2014, Groningen,

Nadere informatie

SAMENVATTING (Summary in Dutch)

SAMENVATTING (Summary in Dutch) SAMENVATTING (Summary in Dutch) Taal speelt een belangrijke rol in ons dagelijks leven. Het is een van de meest centrale aspecten bij de interactie tussen mensen. Ons taalgebruik wordt beïnvloed door onze

Nadere informatie

Beslissing op bezwaar inzake lasten onder dwangsom Bosscheweg 67 in Drunen.

Beslissing op bezwaar inzake lasten onder dwangsom Bosscheweg 67 in Drunen. College Onderwerp: V200900577 Beslissing op bezwaar inzake lasten onder dwangsom Bosscheweg 67 in Drunen. Collegevoorstel Inleiding: Bij besluiten van 22 juli 2008 zijn aan Mandemakers Holding B.V. (hierna:

Nadere informatie

Introductie in flowcharts

Introductie in flowcharts Introductie in flowcharts Flow Charts Een flow chart kan gebruikt worden om: Processen definieren en analyseren. Een beeld vormen van een proces voor analyse, discussie of communicatie. Het definieren,

Nadere informatie

Samenvatting Dutch summary

Samenvatting Dutch summary Samenvatting Dutch summary SAMENVATTING INTRODUCTIE De afgelopen jaren zijn er in Nederland verschillende moordzaken geweest die vanaf de aanvang van het opsporingsonderzoek verkeerd werden geïnterpreteerd

Nadere informatie

TAALFILOSOFIE. Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS?

TAALFILOSOFIE. Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS? TAALFILOSOFIE Overkoepelende vraag: WAT IS BETEKENIS? GOTTLOB (1848 1925) Uitvinder moderne logica Vader van de taalfilosofie BEGRIFFSCHRIFT (1879) Bevat moderne proposioe en predicaten- logica SyllogisOek

Nadere informatie

6 IMPLICIETE PSYCHOSOCIALE VERKLARINGEN VAN PATI- ENTEN

6 IMPLICIETE PSYCHOSOCIALE VERKLARINGEN VAN PATI- ENTEN 6 IMPLICIETE PSYCHOSOCIALE VERKLARINGEN VAN PATI- ENTEN 6.1 Inleiding In hoofdstuk 4 heb ik een onderscheid aangebracht tussen expliciete en impliciete verklaringen van patiënten. In het vorige hoofdstuk

Nadere informatie

Semantiek 1 college 4. Jan Koster

Semantiek 1 college 4. Jan Koster Semantiek 1 college 4 Jan Koster 1 Uitgangspunt sinds vorige week Semantiek is representationeel (en niet referentieel), gebaseerd op interpretaties van sprekers en hoorders Geen scherpe scheiding tussen

Nadere informatie

BEGRIJPEN EPISTEMISCH SIGNIFICANT?

BEGRIJPEN EPISTEMISCH SIGNIFICANT? BEGRIJPEN EPISTEMISCH SIGNIFICANT? CASUS BEHAVIORISME Kai Eigner Faculteit Wijsbegeerte, Vrije Universiteit Amsterdam NVWF Najaarssymposium SPUI25, Amsterdam, 17 december 2012 Opzet Understanding Scientific

Nadere informatie

Geest, brein en cognitie

Geest, brein en cognitie Geest, brein en cognitie Filosofie van de geest en Grondslagen van de cognitiewetenschap Fred Keijzer 1 Overzicht: Wat is filosofie en waarom is dit relevant voor cognitiewetenschap en kunstmatige intelligentie?

Nadere informatie

L.Net s88sd16-n aansluitingen en programmering.

L.Net s88sd16-n aansluitingen en programmering. De L.Net s88sd16-n wordt via één van de L.Net aansluitingen aangesloten op de LocoNet aansluiting van de centrale, bij een Intellibox of Twin-Center is dat de LocoNet-T aansluiting. L.Net s88sd16-n aansluitingen

Nadere informatie

I Welke kosten kunnen worden betaald met geld van de Stichting Culemborg 700?

I Welke kosten kunnen worden betaald met geld van de Stichting Culemborg 700? Culemborg 700 Op naar een mooi feestjaar, met een beheerst financieel verloop! Versie van 14 juli 2017 Met dit document zet de Stichting Culemborg 700 (C700) de belangrijkste financieel-organisatorische

Nadere informatie

De Syntax-Semantiekredenering van Searle

De Syntax-Semantiekredenering van Searle De Syntax-Semantiekredenering van Searle Seminar AI Eline Spauwen 22 mei 2007 Searles kritiek op Harde KI Inleiding Ik Mijn afstudeeronderzoek: Student-assistentschappen Searles kritiek op KI Filosofie

Nadere informatie

Samenvatting. Metaforen in kranten

Samenvatting. Metaforen in kranten Samenvatting Metaforen in kranten Hoewel metaforen gewoonlijk geassocieerd worden met literatuur en retorica, zijn ze in werkelijkheid een essentieel onderdeel van alledaags taalgebruik. Metaforen reflecteren

Nadere informatie

Vergaderen in het Engels

Vergaderen in het Engels Vergaderen in het Engels In dit artikel beschrijven we verschillende situaties die zich kunnen voordoen tijdens een business meeting. Na het doorlopen van deze zinnen zal je genoeg kennis hebben om je

Nadere informatie

Extra impuls gemeenten voor afvalpreventie en afvalscheiding huishoudelijk afval

Extra impuls gemeenten voor afvalpreventie en afvalscheiding huishoudelijk afval Extra impuls gemeenten voor afvalpreventie en afvalscheiding huishoudelijk afval Inhoud 1. Inleiding 3 2. Opzet plannen voor ondersteuning 4 3. Plannen voor verminderen huishoudelijk restafval 5 3.1 Eisen

Nadere informatie

SAMENVATTING Het doel van dit proefschrift is drieledig. Ten eerste wordt inzicht verschaft in het gebruik van directe-rede-constructies (bijvoorbeeld Marie zei: Kom, we gaan! ) door sprekers met afasie.

Nadere informatie

Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland

Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland Bijlage 2: Informatie met betrekking tot goede praktijkvoorbeelden in Londen, het Verenigd Koninkrijk en Queensland 1. Londen In Londen kunnen gebruikers van een scootmobiel contact opnemen met een dienst

Nadere informatie

Kennisdeling in lerende netwerken

Kennisdeling in lerende netwerken Kennisdeling in lerende netwerken Managementsamenvatting Dit rapport presenteert een onderzoek naar kennisdeling. Kennis neemt in de samenleving een steeds belangrijker plaats in. Individuen en/of groepen

Nadere informatie

Overtuigend (om)praten VVJ Jan De Boeck

Overtuigend (om)praten VVJ Jan De Boeck Overtuigend (om)praten Jan De Boeck Jan De Boeck Overtuigend en constructief gesprekken voeren. De carrière van een doorsnee jeugddienstmedewerker is doorspekt met professionele gesprekken. Met je secretaris,

Nadere informatie

Drie domeinen van handelen: Waarnemen, oordelen en beleven

Drie domeinen van handelen: Waarnemen, oordelen en beleven Drie domeinen van handelen: Waarnemen, oordelen en beleven Situatie John volgt een opleiding coaching. Hij wil dat vak dolgraag leren. Beschikt ook over de nodige bagage in het begeleiden van mensen, maar

Nadere informatie

Eindexamen filosofie vwo II

Eindexamen filosofie vwo II Opgave 2 Over wetenschap en religie: zij die uit de hemel kwamen 7 maximumscore 2 een argumentatie waarom wetenschappelijke kennis niet als probleemloze bron van vooruitgang kan worden beschouwd: wetenschap

Nadere informatie

INTERNATIONAL STANDARD ON AUDITING 560 GEBEURTENISSEN NA DE EINDDATUM VAN DE PERIODE

INTERNATIONAL STANDARD ON AUDITING 560 GEBEURTENISSEN NA DE EINDDATUM VAN DE PERIODE INTERNATIONAL STANDARD ON AUDITING 560 GEBEURTENISSEN NA DE EINDDATUM VAN DE PERIODE INHOUDSOPGAVE Paragraaf Inleiding... 1-3 Definities... 4 Gebeurtenissen die zich vóór de datum van de controleverklaring

Nadere informatie

Samenvatting in het Nederlands

Samenvatting in het Nederlands Samenvatting in het Nederlands De vraag die in dit proefschrift centraal staat, betreft de aard van aspectuele verschillen in het Russisch. Het belangrijkste doel is het aanwijzen van een eigenschap of

Nadere informatie

Karen J. Rosier - Brattinga. Eerste begeleider: dr. Arjan Bos Tweede begeleider: dr. Ellin Simon

Karen J. Rosier - Brattinga. Eerste begeleider: dr. Arjan Bos Tweede begeleider: dr. Ellin Simon Zelfwaardering en Angst bij Kinderen: Zijn Globale en Contingente Zelfwaardering Aanvullende Voorspellers van Angst bovenop Extraversie, Neuroticisme en Gedragsinhibitie? Self-Esteem and Fear or Anxiety

Nadere informatie

Example. Dutch language lesson. Dutch & German Language Education Pieter Wielick

Example. Dutch language lesson. Dutch & German Language Education Pieter Wielick Example Dutch language lesson Demonstrative Adjectives Close: dit and deze `dit' agrees with `het' and is used to indicate objects that are close, like `this' in English. `deze' agrees with `de' and is

Nadere informatie

The first line of the input contains an integer $t \in \mathbb{n}$. This is followed by $t$ lines of text. This text consists of:

The first line of the input contains an integer $t \in \mathbb{n}$. This is followed by $t$ lines of text. This text consists of: Document properties Most word processors show some properties of the text in a document, such as the number of words or the number of letters in that document. Write a program that can determine some of

Nadere informatie

TAALFILOSOFIE WAT IS BETEKENIS?

TAALFILOSOFIE WAT IS BETEKENIS? TAALFILOSOFIE WAT IS BETEKENIS? MENTALISME John Locke (1632 1704) An Essay concerning Human Understanding (1689) MENTALISME Words in their primary or immediate Signification, stand for nothing, but the

Nadere informatie

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation.

Cover Page. The handle  holds various files of this Leiden University dissertation. Cover Page The handle http://hdl.handle.net/1887/29991 holds various files of this Leiden University dissertation. Author: Sun, Hongyuan Title: Temporal construals of bare predicates in Mandarin Chinese

Nadere informatie

A1 A2 B1 B2 C1. betrekking op concrete betrekking op abstracte, complexe, onbekende vertrouwde

A1 A2 B1 B2 C1. betrekking op concrete betrekking op abstracte, complexe, onbekende vertrouwde Luisteren - kwalitatieve niveaucriteria en zinsbouw tempo en articulatie Teksten hebben Teksten hebben Teksten hebben Teksten hebben Teksten hebben o.a. betrekking op zeer betrekking op betrekking op betrekking

Nadere informatie

Plan van Aanpak. Inleiding. Aanpak visie op leren

Plan van Aanpak. Inleiding. Aanpak visie op leren Plan van Aanpak Van Jos Kessels, Manon Ruijters, Dorine Wesel Datum 12 augustus 2015 Onderwerp Aanpak visie op leren Inleiding Natuurlijk zijn onze uitgangspunten op verschillende manieren om te zetten

Nadere informatie

Eindexamen filosofie vwo 2010 - II

Eindexamen filosofie vwo 2010 - II Opgave 2 Religie in een wetenschappelijk universum 6 maximumscore 4 twee redenen om gevoel niet te volgen met betrekking tot ethiek voor Kant: a) rationaliteit van de categorische imperatief en b) afzien

Nadere informatie

Running Head: INVLOED VAN ASE-DETERMINANTEN OP INTENTIE CONTACT 1

Running Head: INVLOED VAN ASE-DETERMINANTEN OP INTENTIE CONTACT 1 Running Head: INVLOED VAN ASE-DETERMINANTEN OP INTENTIE CONTACT 1 Relatie tussen Attitude, Sociale Invloed en Self-efficacy en Intentie tot Contact tussen Ouders en Leerkrachten bij Signalen van Pesten

Nadere informatie