Samenvatting en resultaten DO-IT project DO-IT is het onderzoeksprogramma van het KNGF en staat voor Designing Optimal Interventions for physical Therapy. De doelstelling van dit onderzoeksprogramma was het ontwikkelen van optimale fysiotherapeutische interventies voor patiënten met een chronische aandoening, die passen bij de dagelijkse praktijk. Er zijn vier onderzoeksprojecten uitgevoerd, die betrekking hebben op interventies voor kwetsbare ouderen (UMC St Radboud Nijmegen), kinderen en jongeren met Cystic Fibrosis (UMC Utrecht), COPD patiënten (UMC Maastricht) en patiënten met artrose van de heup en/of knie (VUmc Amsterdam). Dwarsverbanden tussen de projecten zijn uitgewerkt aan de hand van drie gezamenlijke thema s: (1) het evalueren van de rol van comorbiditeit, (2) het gebruik van generieke meetinstrumenten en (3) het systematisch vastleggen van de fysiotherapeutische interventie. De coördinatie van het DO-IT project bestond enerzijds uit het uitwerken van de drie gemeenschappelijke thema s; en anderzijds uit het stimuleren van de samenhang en samenwerking tussen de vier onderzoeksprojecten. Gemeenschappelijke thema s/dwarsverbanden 1. Het thema Comorbiditeit had als doel de invloed van comorbiditeit op de behandeling te evalueren. In alle deelprojecten is gekozen voor de Cumulative Illness Rating Scale (CIRS) om comorbiditeit vast te leggen. Omdat in een proefperiode bleek dat er veel variatie was in het scoren van deze vragenlijst heeft de coördinator, in samenwerking met de DO-IT groep, een handleiding voor de CIRS ontwikkeld om het afnemen en scoren van de CIRS te standaardiseren. Over het gebruik van de CIRS is een artikel verschenen in Fysiopraxis (november 2011). Naar aanleiding van dit artikel is de handleiding van de CIRS veelvuldig opgevraagd door fysiotherapeuten. Tevens is er een overkoepelend artikel over het thema Comorbiditeit gepubliceerd in 2013 in Journal of Allergy & Therapy (eerste auteur E. Beekman). Dit artikel beschrijft de rol van comorbiditeit in de fysiotherapeutische behandeling, toegespitst op COPD-patiënten. Als onderdeel van de projecten in Amsterdam en Nijmegen zijn meerdere publicaties verschenen over comorbiditeit/multimorbiditeit bij respectievelijk patiënten met knieartrose en kwetsbare ouderen. 2. Met het thema Meetinstrumenten wordt beoogd de responsiviteit van generieke meetinstrumenten te vergelijken met specifieke meetinstrumenten. De data die nodig zijn om dit thema uit te werken worden momenteel nog verzameld omdat de projecten in Amsterdam, Maastricht en Nijmegen (kostenneutraal) verlengd zijn, als gevolg van zwangerschapverlof en aanvullende financiering. Er is een analyseplan gemaakt om de responsiviteit van de generieke vragenlijsten (SF-36 en EQ-5D) te vergelijken met de specifieke meetinstrumenten in de verschillende deelprojecten (o.a. WOMAC, Cystic fibrosis questionnaire en Frailty Index). Als alle data verkregen zijn, worden de analyses uitgevoerd en wordt er een overkoepelend artikel geschreven en aangeboden aan een peer reviewed journal (eerste auteur M. de Rooij, planning najaar 2014). Een samenvatting zal aan Fysiopraxis aangeboden worden. Het generieke meetinstrument Timed Up and Go Test, dat in alle deelprojecten is afgenomen, is in een artikel voor Fysiopraxis (mei 1
2010) uitvoerig beschreven, inclusief de verschillende variaties van de test die voorhanden zijn. De 6-minuten wandeltest, een generiek meetinstrument voor het meten van fysieke capaciteit en loopvermogen, is in het project van Maastricht onderzocht. Er is een artikel gepubliceerd in 2013 in Journal of Physiotherapy, dat een significant en praktisch relevant verschil in resultaten bij COPD patiënten laat zien tussen de aanbevolen versus de veelgebruikte testafstand in de fysiotherapiepraktijk (eerste auteur E. Beekman). Vervolgens zijn er in Maastricht nieuwe normwaarden ontwikkeld voor de 6-minuten wandeltest op het door fysiotherapeuten veelgebruikte 10m parcours (eerste auteur E. Beekman, onder revisie bij Thorax in 2014). 3. Het derde thema was het systematisch beschrijven van de fysiotherapeutische interventie (specifiek oefentherapie). De onderzoeksgroep heeft een framework ontwikkeld dat gebruikt kan worden om op een uniforme en transparante manier de fysiotherapeutische interventie te beschrijven, voor gebruik in een wetenschappelijke publicatie. De interventie wordt dusdanig beschreven dat deze voldoende details bevat om de interventie te kunnen repliceren. Doelen van de interventie worden in dit framework geselecteerd aan de hand van een lijst van ICF categorieën op het niveau van functies en activiteiten/participatie. De interventie wordt beschreven met behulp van een lijst van interventiedetails, die gedestilleerd is uit de Classificatie voor Paramedische Beroepen (CVPB), versie Fysiotherapie. Het artikel dat geschreven is over de ontwikkeling van het framework bevat (1) een systematische literatuur search naar bestaande methoden en classificaties om fysiotherapeutische interventies te beschrijven, (2) het voorstel van de DO-IT groep over relevante elementen in het framework, en (3) de resultaten van het uittesten van het framework door de vier DO-IT onderzoeksprojecten. Het artikel is in februari 2014 gepubliceerd in Physical Therapy Reviews. Een Nederlandse versie van het artikel zal in de zomer van 2014 aangeboden worden aan Fysiopraxis. Samenhang en samenwerking tussen de deelprojecten. Van begin af aan is er een nauwe samenwerking tussen de deelprojecten geweest. Elk jaar vonden drie of vier plenaire vergaderingen van de DO-IT groep plaats. In deze vergaderingen kwamen aan de orde: de opzet en voortgang van de onderzoeksprojecten, de opzet en voortgang van de drie thema s/dwarsverbanden, presentaties en publiciteit, en andere zaken. Ten eerste is er samengewerkt bij de opzet van elk deelproject. Hoewel uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de betreffende projectleider, hebben de andere deelnemers aan DO-IT bij elk deelproject nadrukkelijk meegedacht over de opzet, uitvoering en interpretatie van de resultaten. Bij elke vergadering van de DO-IT groep zijn steeds twee deelprojecten uitgebreid geagendeerd en besproken. De DO-IT groep is van mening dat deze besprekingen veel bijgedragen hebben aan de kwaliteit van de deelprojecten. De DO-IT groep zal in de komende periode blijven functioneren, ook als in de komende tijd deelprojecten afgerond worden. Ook in de komende periode zal de meerwaarde van samenwerking blijven bestaan. Ten tweede is er samengewerkt rond de dwarsverbanden. Vanuit alle deelprojecten is bijgedragen aan de opzet en uitvoering van deze dwarsverbanden, leidend tot de 2
gemeenschappelijke producten. De dwarsverbanden hebben ook invloed gehad op de deelprojecten: comorbiditeit is geregistreerd met de CIRS, generieke instrumenten zijn zoveel mogelijk gestandaardiseerd, en de interventies worden gerapporteerd volgens het ontwikkelde framework. Ten derde is er op de website van DO-IT is uitleg gegeven over de DO-IT projecten, en zijn publicaties vermeld. Ook in de komende periode zal de website bijgewerkt blijven worden door de coördinator en de onderzoekers van de deelprojecten. Gepubliceerde artikelen met betrekking tot de drie DO- IT thema s Publicaties nationaal - Van der Leeden M, Esch van der M. The Timed Up and Go test (TUG) en de Get Up and Go test (GUG). Fysiopraxis, Mei 2010. - Van der Leeden M, namens DO-IT groep. Het vastleggen van comorbiditeit met de Cumulative Illness Rating Scale (CIRS), Fysiopraxis, Nov 2011. - Werkman M, Takken T, van Brussel M, Hulzebos E. De maximale inspanningstest: Het Steep Ramp Protocol. FysioPraxis, Maart 2011. - Nienke de Vries. Comorbiditeit bij kwetsbare ouderen. Fysiopraxis, Nov 2013. - Van der Leeden M, de Rooij M, Dekker J. WOMAC Het meten van ervaren pijn, stijfheid en beperkingen in activiteiten bij artrose van de knie en heup. Fysiopraxis, Dec 2013. Publicaties internationaal - Van der Leeden M, Staal B, Beekman E, Hendriks E, Mesters I, Rooij M de, Vries N de, Werkman M, Graaf-Peters V de, Bie R de, Hulzebos E, Sanden Nijhuis R van der, Dekker J. Development of a framework to describe goals and content of exercise interventions in physical therapy: a mixed method approach including a systematic review. Phys Ther Rev. 2014 Feb; 19(1):1-14 - Beekman E, Mesters I, de Rooij M, de Vries N, Werkman M, Hulzebos E, van der Leeden M, Staal BJ, Dekker J, Nijhuis-van der Sanden R and de Bie RA. Therapeutic Consequences for Physical Therapy of Comorbidity highly prevalent in COPD: A Multicase Study. J Aller Ther 2013; S2: 004. - Beekman E, Mesters I, Hendriks EJM, Klaasen MPM, Gosselink R, van Schayck CP, de Bie RA. Course length of 30 metre versus 10 metre has a significant influence on sixminute walk distance in patients with COPD: an experimental crossover study. Journal of Physiotherapy 2013; 59: 169-176. Deze publicatielijst zal in 2014 en 2015 verder uitgebreid en aangevuld worden. Implicaties voor de praktijk 3
De implicaties worden hieronder per thema beschreven. 1. Thema Comorbiditeit Dit thema is van groot belang voor de fysiotherapeutische praktijk. Ondanks dat comorbiditeit veel voorkomt bij chronische aandoeningen is er vaak onvoldoende aandacht voor en wordt de behandeling niet altijd adequaat aangepast aan comorbiditeit. Door het vastleggen van comorbiditeit in de vier deelprojecten is inzicht ontstaan in welke comorbiditeiten veel voorkomen bij de verschillende chronische aandoeningen en zijn er gerichte aanbevelingen voor fysiotherapeuten gedaan hoe de behandeling aan deze comorbiditeiten aangepast kan worden. Een specifiek voorbeeld zijn de protocollen die ontwikkeld zijn in het project in Amsterdam (Comorbidity in Osteoarthritis; COOA) om oefentherapie voor knieartrose aan te passen aan veel voorkomende comorbiditeiten. Deze protocollen sturen het klinisch redeneren van de fysiotherapeut in de diagnostische en de interventie fase. Ook in het project in Nijmegen wordt expliciet aandacht besteed aan comorbiditeit. Door middel van een, gedurende het project ontwikkeld, meetinstrument op het gebied van kwetsbaarheid (Evaluative Frailty Index for Physical activity- EFIP) wordt onder andere comorbiditeit uitgevraagd. Verder is het klinisch redeneermodel Hypothesis Oriented Algorithme for Clinicians II (HOAC-II) specifiek voor de doelgroep kwetsbare ouderen uitgewerkt zodat fysiotherapeuten op basis van een systematische analyse prioriteiten kunnen stellen in een (individueel) behandelplan voor kwetsbare ouderen die te maken hebben met comorbiditeit (Coach2Move strategie).tot slot bestaan er plannen om een Coach2Move scholing te ontwikkelen en als nascholing aan te bieden aan fysiotherapeuten. 2. Thema Meetinstrumenten Het gebruik van een responsief meetinstrument is essentieel voor het meten van effect van een behandeling, zowel in de klinische praktijk als in onderzoek. De responsiviteit van de specifieke en generieke vragenlijsten zullen onderzocht worden. Dit leidt tot aanbevelingen met betrekking tot het gebruik van meetinstrumenten bij chronische patiënten in de fysiotherapeutische praktijk. Voor de toepasbaarheid in de dagelijkse fysiotherapeutische praktijk moet een meetinstrument eenvoudig en snel te gebruiken zijn. Daarom zal ook dit aspect in de aanbevelingen meegenomen worden. Voor een juiste interpretatie van generieke meetinstrumenten is het van belang om passende normwaarden te gebruiken bij het evalueren van de uitkomsten. In Nederland en andere landen waar eerstelijnszorg goed ontwikkeld is wordt de 6-minuten wandeltest veel gebruikt, maar door ruimtegebrek in praktijken wordt deze vaak op een parcours van 10m uitgevoerd door fysiotherapeuten. In het project in Maastricht zijn daarom de eerste referentie formules ontwikkeld om een valide evaluatie van de test op een 10m-parcours uit te kunnen doen. De normwaarden die hiermee berekend kunnen worden kunnen zowel op gezonde mensen als op patiënten met verschillende chronische aandoeningen worden toegepast. 3. Thema Beschrijven van de fysiotherapeutische interventie In het gekozen thema is nadrukkelijk gezocht worden naar de mogelijkheden om de dynamiek van de fysiotherapeutische interventie beter te omschrijven en aan te laten sluiten bij de realiteit van het individuele behandelverloop. Het framework dat ontwikkeld is 4
voor het beschrijven van oefentherapie kan door onderzoekers gebruikt worden om hun interventie heel specifiek te beschrijven in onderzoeksrapportages. Voor fysiotherapeuten betekent dit dat zij de interventie beter kunnen beoordelen op kwaliteit en dat de behandeling te repliceren is in de dagelijkse praktijk. 5